<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR155350_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Transitie II en Pieken</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Drenthe</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-05-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Drenthe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal blad 2013, 14</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Transitie II en Pieken</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht, </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-04-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-04-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. x, y-z</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013002004</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De wijziging van artikel 11 werkt terug tot 1 april 2011</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Transitie II en Pieken</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Inhoud</titel></kop><artikel><kop><titel>HOOFDSTUK I, ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1, Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a. DB: het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband
                            Noord-Nederland;</al><al>b. SNN: Samenwerkingsverband Noord-Nederland;</al><al>c. wet: Algemene wet bestuursrecht;</al><al>d. projectperiode: de periode tussen de startdatum en de einddatum van
                            het project;</al><al>e. startdatum: de datum waarop de aanvraag, die voor het nemen van een
                            besluit voldoende informatie bevat, bij het SNN binnen is gekomen;</al><al>f. algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EG) nummer
                            800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus
                            2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en
                            88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden
                            verklaard («de algemene groepsvrijstellingsverordening») (PbEU L
                            214);</al><al>g. onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van
                            financiering, die een economische activiteit uitoefent;</al><al>h. penvoerder: de door het samenwerkingsverband aangewezen persoon of
                            organisatie die namens en voor de partijen in het samenwerkingsverband
                            zorgt voor de administratieve relatie met het SNN;</al><al>i. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend
                            verband, bestaande uit ten minste 2 niet in een groep verbonden
                            deelnemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van
                            activiteiten;</al><al>j. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn
                            verbonden:</al><al>a. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die
                            direct of indirect:</al><al>1. meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,</al><al>2. volledig aansprakelijk vennoot is van, of</al><al>3. overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of
                            vennootschappen, en</al><al>b. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;</al><al>k. fundamenteel onderzoek: experimentele of theoretische activiteiten
                            die voornamelijk worden verricht om nieuwe kennis te verwerven over de
                            fundamentele aspecten van verschijnselen en waarneembare feiten, zonder
                            dat hiermee een rechtstreekse praktische toepassing of gebruik wordt
                            beoogd;</al><al>l. industrieel onderzoek: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht
                            op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de
                            ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande
                            producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren. Het omvat de
                            vervaardiging van onderdelen van complexe systemen, die noodzakelijk is
                            voor industrieel onderzoek, met name voor algemene validering van
                            technologieën, met uitzondering van prototypes als bedoeld in sub
                            m;</al><al>m. experimentele ontwikkeling: het verwerven, combineren, vormgeven en
                            gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technische, zakelijke en
                            andere relevante kennis en vaardigheden voor plannen, schema's of
                            ontwerpen van nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, procedés of
                            diensten. Hieronder kan tevens de conceptuele formulering en het ontwerp
                            van alternatieve producten, procedés of diensten worden verstaan. Deze
                            activiteiten kunnen tevens het maken van ontwerpen, tekeningen, plannen
                            en andere documentatie omvatten, mits zij niet voor commercieel gebruik
                            zijn bestemd. De ontwikkeling van commercieel bruikbare prototypes en
                            proefprojecten valt eveneens onder experimentele ontwikkeling indien het
                            prototype het commerciële eindproduct is en de productie ervan te duur
                            is om alleen voor demonstratie- en validatiedoeleinden te worden
                            gebruikt. Bij commercieel gebruik van demonstratie- of proefprojecten
                            worden eventuele inkomsten die hieruit voortvloeien op de in aanmerking
                            komende kosten in mindering gebracht. De kosten van de experimentele
                            ontwikkeling en het testen van producten, procedés en diensten komen
                            eveneens in aanmerking, voor zover deze niet voor industriële toepassing
                            of commerciële exploitatie kunnen worden gebruikt of geschikt gemaakt.
                            Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan de routinematige of
                            periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen,
                            fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs
                            indien deze wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden;</al><al>n. kennisinstelling: een entiteit, zoals een universiteit of
                            onderzoeksorganisatie, ongeacht haar rechtsvorm (publiek- of
                            privaatrechtelijke organisatie) of financieringswijze, die zich in
                            hoofdzaak bezighoudt met het verrichten van fundamenteel onderzoek,
                            industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling en het verspreiden
                            van de resultaten daarvan door middel van onderwijs, publicaties of
                            technologieoverdracht. Alle winst wordt opnieuw geïnvesteerd in die
                            activiteiten, in de verspreiding van de resultaten daarvan, of in
                            onderwijs. </al><al> Ondernemingen die invloed over een dergelijke entiteit kunnen
                            uitoefenen door middel van bijvoorbeeld aandeelhouders of leden,
                            genieten geen preferente toegang tot de onderzoekscapaciteit van een
                            dergelijke entiteit of tot de resultaten van haar onderzoek. Mbo- en
                            hbo-instellingen en roc's vallen ook onder de bedoelde entiteit.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2, Subsidieplafond</titel></kop><al>1. Het DB stelt een subsidieplafond vast voor het verstrekken van
                            subsidie op in een bepaalde periode ontvangen aanvragen voor de
                            subsidiabele activiteiten die bijdragen aan de programma- en actielijnen
                            zoals opgenomen in bijlage 1.</al><al>2. Het DB verdeelt het in het vorige lid bedoelde bedrag op volgorde van
                            rangschikking van de aanvragen aan de hand van de rankingscriteria van
                            bijlage 3, te beginnen met de aanvraag met de hoogste score.</al></artikel><artikel><kop><titel>HOOFDSTUK II, VERSTREKKEN VAN SUBSIDIE</titel></kop><al/><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3, Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten die bijdragen
                            aan de programma- en actielijnen zoals opgenomen in bijlage 1.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4, Wie komt in aanmerking voor subsidie?</titel></kop><al>Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen. Geen subsidie
                            wordt verstrekt aan rechtspersonen die louter zijn opgericht ter
                            uitvoering van het project waarvoor subsidie wordt gevraagd. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5, Aanvraag</titel></kop><al>1. Indien aanvragers van subsidie samenwerken in een
                            samenwerkingsverband, dienen zij hun aanvraag in via een
                            penvoerder.</al><al>2. Aanvragen moeten uiterlijk binnen een door het DB vast te stellen
                            aanvraagperiode zijn ingediend.</al><al>3. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een
                            door het DB vastgesteld formulier, waarin tevens is aangegeven welke
                            bescheiden dienen te worden verstrekt bij de aanvraag. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6, Afwijzing</titel></kop><al>Er wordt in ieder geval afwijzend beslist op een aanvraag om subsidie
                            indien:</al><al>a. naar verwachting de beoogde effecten van het project niet zullen
                            terechtkomen in een of meer van de 3 noordelijke provincies;</al><al>b. uit de rangschikking van de aanvraag aan de hand van de
                            rankingscriteria van bijlage 3 volgt dat de score van de aanvraag minder
                            dan 13 punten bedraagt;</al><al>c. de subsidiabele kosten van het project minder bedragen dan €
                            75.000,--;</al><al>d. het subsidiebedrag minder zou gaan bedragen dan € 25.000,--;</al><al>e. de financiering, naast de gevraagde subsidie, van het project niet
                            zeker is gesteld;</al><al>f. het startmoment en de realisatiedatum niet eenduidig zijn
                            gefixeerd;</al><al>g. aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder subsidie zonder
                            belangrijke vertraging zullen worden uitgevoerd;</al><al>h. de berekening van de kosten niet doorzichtig en verifieerbaar
                            is;</al><al>i. de kosten waarvoor subsidie is aangevraagd niet doelmatig en
                            rechtstreeks toe te rekenen zijn aan het desbetreffende project;</al><al>j. de aangevraagde vorm van subsidie niet de meest geëigende vorm
                            is;</al><al>k. de activiteiten onvoldoende bijdragen aan de doelstellingen van de
                            subsidie leveren;</al><al>l. het een subsidieontvanger betreft die een ondernemer is tegen wie een
                            bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, zesde lid,
                            onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;</al><al>m. een aanmerkelijke kans bestaat dat het verlenen van subsidie in
                            strijd is met de Europese regels;</al><al>n. de activiteiten behoren tot de reguliere (bedrijfs)activiteiten en/of
                            verantwoordelijkheden van de aanvrager;</al><al>o. de aanvraag niet voldoet aan de overige bij of krachtens deze
                            verordening gestelde regels.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7, Toetsingscriteria</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8, Hoogte van de subsidie</titel></kop><al>1. De subsidie bedraagt maximaal 30% van de subsidiabele kosten, met
                            dien verstande dat van die subsidiabele kosten eerst de aan het project
                            toe te rekenen opbrengsten gedurende de projectperiode worden
                            afgetrokken.</al><al>2. Het totaal van de subsidie en de desbetreffende cofinanciering kan
                            niet meer bedragen dan 100% van de subsidiabele kosten van het
                            project.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9, Projectperiode</titel></kop><al>De maximale projectperiode, zoals bedoeld in artikel 1, sub d, bedraagt
                            4 jaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10, Subsidiabele kosten</titel></kop><al>1. Voor subsidie komen de kosten in aanmerking die aantoonbaar en
                            onlosmakelijk verbonden zijn met de uitvoering van de te financieren
                            activiteiten en die redelijk en billijk zijn. </al><al>2. Voor het bepalen van de subsidie worden de kosten in aanmerking
                            genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die
                            de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen of
                            niet gecompenseerd wordt uit het BTW-compensatiefonds als genoemd in
                            artikel 2 van de Wet op het BTW-compensatiefonds.</al><al>3. Winstopslagen bij transacties binnen een groep worden alleen in
                            aanmerking genomen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen ook
                            bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11, Niet-subsidiabele kosten </titel></kop><al>In ieder geval geen subsidiabele kosten zijn:</al><al>a. de eventuele restwaarde van specifiek voor de subsidiabele
                            activiteiten aangeschafte apparatuur;</al><al>b. kosten verbonden aan de oprichting van een privaatrechtelijk
                            rechtspersoon;</al><al>c. kosten die verband houden met de uitgifte van aandelen;</al><al>d. kosten van verwerving ter zake van concessies en vergunningen;</al><al>e. kosten van goodwill die van derden is verkregen;</al><al>f. kosten voor debetrente, boetes, financiële sancties en
                            gerechtskosten;</al><al>g. kosten van aankoop of inbreng van grond.</al></artikel><artikel><kop><titel>HOOFDSTUK III, STANDAARDMETHODEN VAN BEREKENEN SUBSIDIABELE
                                KOSTEN </titel></kop><al/><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12, Berekening loonkosten </titel></kop><al>1. Voor de berekening van de subsidiabele loonkosten kan de aanvrager
                            kiezen uit:</al><al>a. de loonkosten-plus-overheadsystematiek, opgenomen in het tweede lid,
                            of</al><al>b. de vaste-uurtariefsystematiek, opgenomen in het derde lid.</al><al>2. Indien de aanvrager kiest voor de
                            loonkosten-plus-overheadsystematiek, worden de subsidiabele kosten
                            berekend op basis van het brutoloon volgens de loonstaat van de
                            betrokken medewerkers, verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van
                            een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale
                            lasten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van 1.650 productieve
                            uren per jaar bij een voltijds dienstverband van 40 uren, vermeerderd
                            met een vaste opslag voor indirecte kosten van 30%.</al><al>3. Indien de aanvrager kiest voor de vaste-uurtariefsystematiek, worden
                            de subsidiabele kosten berekend door het aantal uren dat de direct bij
                            de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze
                            activiteiten hebben gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief
                            van € 40,--, waarin zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende
                            indirecte kosten zijn begrepen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13, Berekening overige kosten </titel></kop><al>1. De subsidiabele kosten worden berekend op basis van een voor de
                            subsidieontvanger gebruikelijke en controleerbare methode, die is
                            gebaseerd op bedrijfeconomische grondslagen en normen die in het
                            maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de
                            subsidieontvanger stelselmatig toepast.</al><al>2. De kosten van aangeschafte apparatuur en verbruikte materialen en
                            hulpmiddelen voor het project worden berekend op basis van historische
                            aanschafprijzen.</al><al>3. De kosten van aankoop of inbreng van gebouwen en onroerende zaken,
                            met inbegrip van de kosten voor aankoop, belastingen, leges en
                            taxatiekosten, worden gebaseerd op de objectief aangetoonde actuele
                            marktwaarde, blijkend uit bij de aanvraag om subsidievaststelling
                            gevoegde gegevens en bescheiden, als voor het gebouw of onroerende zaken
                            in de afgelopen 10 jaar geen nationale of communautaire steun is
                            verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>HOOFDSTUK IV, BESLISSING AANVRAAG </titel></kop><al/><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14, Termijn </titel></kop><al>De termijn voor het nemen van een besluit op een aanvraag is maximaal 3
                            maanden na de laatste dag van de periode waarin aanvragen kunnen worden
                            ingediend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15, Penvoerder </titel></kop><al>Indien de subsidie wordt verstrekt aan deelnemers in een
                            samenwerkingsverband, wordt de beschikking aan de penvoerder
                            gezonden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16, Mededeling </titel></kop><al>1. De aanvrager doet onverwijld mededeling aan het SNN van de indiening
                            bij de rechtbank van een verzoek tot het op hem van toepassing verklaren
                            tot verlening van surséance van betaling aan hem of tot
                            faillietverklaring van hem.</al><al>2. De subsidieontvanger doet onverwijld mededeling zodra aannemelijk is
                            dat:</al><al>a. de subsidiabele activiteiten niet, niet tijdig of niet geheel zullen
                            worden verricht;</al><al>b. niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen zal worden voldaan; </al><al>c. het project ten opzichte van de aanvraag en de verleningsbeschikking
                            is gewijzigd of de aanvrager voornemens is het project ten opzichte van
                            de aanvraag en de verleningsbeschikking te wijzigen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17, Administratie </titel></kop><al>1. De subsidieontvanger voert een zodanige administratie dat daaruit te
                            allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze is af te leiden:</al><al>a. de aard, inhoud en voortgang van de verrichte werkzaamheden;</al><al>b. het aantal eenheden dat per kostendrager is besteed aan activiteiten
                            die voor subsidie in aanmerking komen;</al><al>c. het aantal uren dat per persoon is besteed aan activiteiten die voor
                            subsidie in aanmerking komen;</al><al>d. de specifiek ten behoeve van de activiteiten gemaakte en betaalde
                            kosten.</al><al>2. De administratie wordt tot 5 jaar na de datum van de beschikking tot
                            subsidievaststelling bewaard.</al><al>3. De subsidieontvanger stelt de indicatoren, zoals deze in bijlage 7
                            zijn opgenomen, beschikbaar voor de raming vooraf en meting achteraf van
                            de effecten van het project. Er dient vooraf een onderbouwing
                            aangeleverd te worden van de verwachte uitkomsten op deze indicatoren. </al><al>4. De subsidieontvanger dient minimaal 1 keer per jaar een rapportage in
                            te dienen. Gerapporteerd dient te worden conform het daartoe door het
                            SNN verstrekte format.</al><al>5. Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband,
                            dienen zij hun rapportages in via een penvoerder.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18, Voorschotten </titel></kop><al>1. Op aanvraag van de subsidieontvanger kan een eerste voorschot van 30%
                            worden verleend, nadat het SNN van de subsidieontvanger het volgende
                            heeft ontvangen:</al><al>a. een schriftelijke verklaring dat met de uitvoering van het project is
                            begonnen;</al><al>b. een schriftelijke verklaring omtrent de wijze waarop de financiering
                            zeker is gesteld, vergezeld van kopieën van de
                            financieringsovereenkomsten;</al><al>c. bij aanbestedende diensten en daarmee gelijkgestelde diensten, een
                            overzicht van de lopende of reeds afgeronde aanbestedingsprocedures,
                            inclusief de gevolgde aanbestedingswijze;</al><al>d. de wijze waarop in voorkomende gevallen wordt voldaan aan gestelde
                            aanvullende voorwaarden, zoals deze zijn opgenomen in de
                            subsidieverleningsbeschikking.</al><al>2. Op aanvraag van de subsidieontvanger kan met behulp van het daartoe
                            ingevulde declaratieformulier het tweede voorschot van 30% verleend
                            worden, indien aangetoond is dat 30% van de totale subsidiabele kosten
                            is gemaakt en betaald en voldaan is aan alle van toepassing zijnde
                            voorwaarden.</al><al>3. Op aanvraag van de subsidieontvanger van het project kan een derde
                            voorschot van 20% verleend worden, indien 60% van de totale subsidiabele
                            kosten is gemaakt en betaald en voldaan is aan alle van toepassing
                            zijnde voorwaarden.</al><al>4. Op aanvraag van de subsidieontvanger kan,, indien de financiële
                            situatie van de projectindiener daartoe noopt, in uitzonderingsgevallen,
                            met behulp van het daartoe ingevulde declaratieformulier, een vierde
                            voorschot van 10% verstrekt worden, indien aangetoond is dat 80% van de
                            totale subsidiabele kosten is gemaakt en betaald en voldaan is aan alle
                            van toepassing zijnde voorwaarden.</al><al>5. Indien de aanvraag voor een voorschot meer bedraagt dan € 300.000,--
                            dient de begunstigde een separate accountantsverklaring te
                            overleggen.</al><al>6. Elke subsidieontvanger kan door het SNN worden verzocht om bij een
                            voorschotverzoek een separate accountantsverklaring, conform het daartoe
                            vastgestelde model, te overleggen.</al><al>7. Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband,
                            worden de voorschotten verstrekt via de penvoerder aan de
                            subsidieontvanger. Deze betaling geldt als betaling aan de
                            subsidieontvanger.</al></artikel><artikel><kop><titel>HOOFDSTUK V, INTREKKING </titel></kop><al/><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19, Intrekking/wijziging subsidieverlening </titel></kop><al>Onverminderd de artikelen 4:48 en 4:50 van de wet en artikel 14 van de
                            Kaderverordening subsidies Samenwerkingsverband Noord-Nederland 2000 kan
                            een besluit tot subsidieverlening worden ingetrokken of ten nadele van
                            de subsidieontvanger worden gewijzigd, indien: </al><al>a. het project niet wordt uitgevoerd volgens de voorschriften van deze
                            verordening;</al><al>b. het project niet in overeenstemming is met het doel van deze
                            verordening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20, Terugvordering </titel></kop><al>1. Betaling van een terugvordering geschiedt door bijschrijving op een
                            rekening van de provincie Groningen.</al><al>2. Het DB heeft de mogelijkheid een geldschuld ten aanzien van een
                            terugvordering te verrekenen met nog te uit te keren subsidie. </al></artikel><artikel><kop><titel>HOOFDSTUK VI, SUBSIDIEVASTSTELLING </titel></kop><al/><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21, Aanvraag vaststelling </titel></kop><al>1. De subsidieontvanger dient zijn aanvraag om subsidievaststelling in
                            uiterlijk 13 weken na het tijdstip waarop de activiteiten moeten zijn
                            voltooid.</al><al>2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door het DB
                            vastgesteld formulier. De aanvraag gaat, overeenkomstig in het formulier
                            is vermeld, vergezeld van de in het formulier aangegeven
                            bescheiden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22, Penvoerder </titel></kop><al>1. Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband,
                            dienen zij hun aanvraag tot subsidievaststelling in via de
                            penvoerder.</al><al>2. Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband,
                            wordt het subsidiebedrag via de penvoerder aan de subsidieontvanger
                            betaald. Deze betaling geldt als betaling aan de subsidieontvanger.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23, Vaststelling </titel></kop><al>1. Alleen projectkosten die binnen de projectperiode zijn gemaakt en
                            betaald zijn subsidiabel, met uitzondering van kosten ten behoeve van
                            eventuele accountantswerkzaamheden die verricht worden ten behoeve van
                            (het verzoek tot) vaststelling. </al><al>2. Het subsidiebedrag zal naar evenredigheid worden verlaagd indien de
                            werkelijke subsidiabele kosten lager worden vastgesteld dan in de
                            subsidieverleningsbeschikking of wanneer de werkelijke inkomsten hoger
                            zijn dan geraamd in de projectbegroting en/of de
                            subsidieverleningsbeschikking.</al><al>3. Indien met een project gedurende de projectperiode inkomsten worden
                            gegenereerd, worden de inkomsten van de subsidiabele kosten
                            afgetrokken.</al><al>4. Indien sprake is van een subsidie in een exploitatietekort geldt het
                            volgende:</al><al>a. indien de subsidie is verleend op basis van een aandeel in het
                            exploitatietekort, dan is de verleende subsidie een aandeelfinanciering
                            ten opzichte van de overige partijen die het project financieren. De
                            verhouding tussen de financiers in de subsidieverleningbeschikking zal
                            gehandhaafd worden in de definitieve vaststelling;</al><al>b. ten opzichte van bijdragen of inkomsten van onbekenden, zoals
                            verwachte inkomsten uit de markt, is de verstrekte subsidie een
                            restfinanciering en zal ook bij de definitieve vaststelling op die wijze
                            vastgesteld worden;</al><al>c. bij een gemengde financiering met deels bijdragen van
                            projectparticipanten en deels verwachte inkomsten uit de markt, wordt
                            het tekort van het project bij de vaststelling als geheel bepaald en
                            vervolgens naar rato aan de financieringsparticipanten toegerekend op
                            basis van de in de subsidieverleningsbeschikking vermelde
                            financiering.</al><al>5. De subsidie kan in elk geval lager worden vastgesteld, indien:</al><al>a. de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen in de onderneming
                            gezien de rentabiliteit en de aard van de onderneming niet aanvaardbaar
                            is of indien gerede twijfel bestaat omtrent het voortbestaan van de
                            onderneming;</al><al>b. aan de subsidieontvanger surséance van betaling is verleend of de
                            subsidieontvanger failliet is verklaard;</al><al>c. de activiteiten in strijd met de Europese regelgeving zijn
                            uitgevoerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24, Termijn </titel></kop><al>1. De beschikking tot subsidievaststelling wordt binnen 13 weken na
                            ontvangst van de aanvraag verstrekt.</al><al>2. Indien een beschikking tot subsidievaststelling niet binnen de in het
                            eerste lid genoemde termijn kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal
                            met 13 weken worden verlengd.</al></artikel><artikel><kop><titel>HOOFDSTUK VII, SLOTBEPALINGEN </titel></kop><al/><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25, Toezichthouders </titel></kop><al>1. Ten behoeve van de uitvoering van deze verordening worden
                            toezichthouders als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet
                            bestuursrecht aangewezen.</al><al>2. De in het eerste lid bedoelde toezichthouders zijn belast met het
                            toezicht op de naleving van de in of krachtens de Algemene wet
                            bestuursrecht en in of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26, Inwerkingtreding </titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na plaatsing in het
                            Provinciaal blad en werkt terug tot 1 april 2011. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27, Citeertitel </titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening Transitie II en
                            Pieken.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING </titel></kop><al><vet>OP DE VERORDENING TRANSITIE II EN PIEKEN</vet></al><divisie><kop><titel>ALGEMEEN </titel></kop><al>Begin oktober 2010 is er tussen het SNN en het Ministerie van Economische
                        Zaken - zoals het toen nog heette - een overeenkomst gesloten over de
                        herinzet van middelen uit oude programma's en regelingen, ten behoeve van
                        een vervolg op Koers Noord 2007-2010.</al><al>Vanuit oude programma's en regelingen is in totaal naar schatting € 21,6
                        miljoen beschikbaar.</al><al>Naast deze zogeheten Package Deal is afgesproken dat er in 2011 een vervolg
                        komt op het Pieken-programma.</al><al>Op 30 november 2010 is door het DB SNN besloten deze zogeheten "Transitie
                        II"-middelen, die beschikbaar zijn voor de jaren 2007-2013, te gaan
                        tenderen.</al><al>Op 8 maart 2011 is door het DB SNN het zogeheten Piekengeld daarbij te
                        voegen en ook te gaan tenderen.</al><al>Voor het verstrekken van subsidie is een wettelijk voorschrift vereist. Het
                        verstrekken van de zogenoemde Transitie II-middelen zal niet geschieden op
                        basis van een ministeriële regeling, nu deze middelen als "eigen" geld
                        kunnen worden beschouwd. Daartoe is deze verordening opgesteld. </al><al>Deze verordening is opgesteld met als belangrijkste input van toepassing
                        zijnde regels en verordening van het Koers Noord-programma. De verordening
                        ziet voornamelijk op de Pieken van nationaal belang en de regionale
                        speerpuntsectoren. In bijlage 2 is de situatieschets en knelpuntanalyse
                        opgenomen en de uitwerking daarvan ten aanzien van Pieken van nationaal
                        belang. </al><al>Om enige inhoudelijke sturing aan te brengen tussen de thema's en bovendien
                        te voorkomen dat bij de beoordeling van projecten teveel 'appels met peren'
                        dienen te worden vergeleken, is de speerpuntsector Life Science bij de 4
                        Pieken-thema's getrokken. Wanneer er gesproken wordt over 'Pieken', worden
                        hiermee deze 5 thema's bedoeld.</al></divisie><divisie><kop><titel>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING </titel></kop><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>In artikel 3 is opgenomen dat subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van
                        activiteiten die bijdragen aan de programma- en actielijnen zoals opgenomen
                        in bijlage 1 (Pieken).</al><al><cursief>Doel Pieken</cursief></al><al>Bijlage 1 (Pieken) ziet op aanvragen met als doel het stimuleren van
                        gebiedsspecifieke economische ontwikkelingen die van belang zijn voor
                        Noord-Nederland, door kansen te benutten en knelpunten weg te nemen. Het
                        gaat om het uitbouwen van en versterken van economische clusters die van
                        groot belang zijn voor de economische draagkracht en de internationale
                        concurrentiepositie van Noord-Nederland.</al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>Speciaal voor de subsidie opgerichte entiteiten komen daarmee niet voor
                        subsidie in aanmerking.</al><al><vet>Artikel 6, sub l</vet></al><al>Uit artikel 6 aanhef en sub l, blijkt dat de aanvraag wordt afgewezen indien
                        een aanmerkelijke kans bestaat dat het verlenen van subsidie in strijd is
                        met de Europese regels. Dat kan het geval zijn indien er een aanmerkelijke
                        kans bestaat dat het verlenen van subsidie zal leiden tot het verlenen van
                        ongeoorloofde staatssteun in de zin van artikel 107 van het Verdrag
                        betreffende de werking van de Europese Unie. </al><al><cursief>Staatssteun</cursief></al><al>Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Gerecht van de
                        Europese Unie blijkt dat er sprake is van staatssteun in de zin van artikel
                        107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
                        indien aan 4 voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet een voordeel door de
                        overheid worden verleend. Ten tweede moet het voordeel worden verleend aan
                        ondernemingen. Ten derde moet dit voordeel selectief zijn. Ten slotte moet
                        het voordeel de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen en een invloed
                        op de handel tussen lidstaten hebben. In het kader van deze regeling wordt
                        altijd aan de eerste en aan de laatste voorwaarde voldaan. Aan de derde
                        voorwaarde wordt gezien deze regeling ook bijna altijd voldaan. </al><al>Ook kan de conclusie zijn dat de verlening van subsidie aan het project niet
                        leidt tot staatssteun, omdat de subsidie als de-minimis is te verstrekken
                        conform Verordening (EG) nummer 1998/2006 van de Commissie van 15 december
                        2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op
                        de de-minimissteun (PbEG 2006, L 379-5), indien de aanvrager heeft verklaard
                        te kunnen voldoen aan de desbetreffende voorwaarden. </al><al>Indien het DB van het SNN op basis van het projectplan tot het oordeel komt
                        dat de verstrekking van subsidie aan het project leidt tot staatssteun in de
                        zin van artikel 107, Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met
                        betrekking ten aanzien van de in het projectplan opgenomen uit te voeren
                        activiteiten en de desbetreffende activiteiten ook niet als geoorloofde
                        staatssteun kunnen worden aangemerkt, zal de aanvraag worden afgewezen.</al><al>Voor het bepalen of een activiteit geoorloofde staatssteun bevat wordt
                        verwezen naar de regelgeving van de Europese commissie en door de Europese
                        commissie goedgekeurde nationale regelgeving en dan het bijzonder naar:</al><al>- verordening (EG) nummer 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 ("de
                        algemene Groepsvrijstellingsverordening");</al><al>- de Omnibus decentraalregeling Noord-Nederland;</al><al>- uw project is specifiek bij beschikking van de Europese commissie
                        goedgekeurd. </al><al><vet>Artikel 23 </vet></al><al>Uit artikel 23, vijfde lid, aanhef en sub c, blijkt dat de subsidie lager
                        kan worden vastgesteld, indien de activiteiten in strijd met de Europese
                        regelgeving zijn uitgevoerd.</al><al>Ook hierbij kan men denken aan staatssteun of aan de Europese regelgeving
                        met betrekking tot aanbesteden.</al><al>Wanneer een eindbegunstigde of subsidieontvanger een aanbestedende dienst is
                        en sprake is van verstrekking van opdrachten voor infrastructurele werken,
                        leveringen of diensten of als de eindbegunstigde of subsidieontvangers in
                        het project een opdracht plaatst die voor meer dan 50% rechtstreeks door
                        aanbestedende diensten wordt gesubsidieerd en verder ook sprake is van een
                        opdracht als bedoeld in artikel 8 van de Richtlijn 2004/18 EG dient voldaan
                        te worden aan de regelgeving voor aanbesteden, waarbij de geldende drempels
                        en procedures gevolgd dienen te worden. </al></divisie></nota-toelichting><bijlage><kop><titel>BIJLAGE 1 </titel></kop><divisie><kop><titel>BIJ DE VERORDENING TRANSITIE II EN PIEKEN:</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>PROGRAMMA- EN ACTIELIJNEN PIEKEN </titel></kop><al><vet>Inhoud</vet></al><al>A. Energie</al><al>B. Water</al><al>C. Sensortechnologie</al><al>D. Agribusiness</al><al>E. Life Science</al><al><vet>A, ENERGIE</vet></al><al>Onder energie wordt verstaan: handel en distributie van aardgas en
                        brandstoffen, productie van fossiele en niet-fossiele energie en de
                        productie van elektriciteit.</al><al><cursief>Programmalijn 1, Ontwikkeling aardgashubfunctie</cursief></al><al>Inzet is om de rol van Noord-Nederland als mainport voor aardgas (ook in
                        vloeibare vorm) te versterken door ontwikkeling van de regio tot een
                        internationaal knooppunt voor handel, doorvoer en opslag van aardgas.</al><al>Actielijn 1 Projecten gericht op kennisontwikkeling ten behoeve van handel,
                        doorvoer en opslag van aardgas in Noord-Nederland.</al><al><cursief>Programmalijn 2, Verwerving sleutelpositie duurzame
                            energie</cursief></al><al>Inzet is om Noord-Nederland een zodanige bijdrage te laten leveren aan de
                        nationale productie en het gebruik van duurzame energie, dat de totale
                        Nederlandse productie en het gebruik van duurzame energie binnen vijf jaar
                        vergelijkbaar is met de Europese top van landen die duurzame energie
                        produceren en gebruiken.</al><al>Actielijn 2a Projecten gericht op de vergroting van het gebruik van duurzame
                        energiebronnen door de industrie in Noord-Nederland, waarvoor collectieve
                        fysieke aanpassing van de infrastructuur nodig is.</al><al>Actielijn 2b Projecten gericht op experimentele kennisontwikkeling al dan
                        niet in combinatie met industrieel onderzoek in Noord-Nederland voor inzet
                        van biomassa ten behoeve van energieopwekking of biobrandstoffen in
                        Noord-Nederland.</al><al><cursief>Programmalijn 3, Uitbouw kennisinfrastructuur</cursief></al><al>Inzet is om de bestaande kennisinfrastructuur in Noord-Nederland uit te
                        bouwen door verbreding van de experimentele ontwikkeling, al dan niet in
                        combinatie met industrieel onderzoek naar nieuwe of verbeterde
                        energiebronnen, door versterkt kwantitatief en kwalitatief aanbod van
                        kenniswerkers vanuit mbo, hbo en wo of door samenwerking van ondernemers of
                        ondernemers en onderzoeksorganisaties actief op het gebied van energie, met
                        andere sectoren of met ondernemers of onderzoeksorganisaties buiten de
                        grens.</al><al>Actielijn 3a Projecten gericht op het ontwikkelen van nieuwe technieken voor
                        winning of benutting van bronnen van energie.</al><al>Actielijn 3b Projecten gericht op het ontwikkelen van gemeenschappelijke
                        plannen en daarop gebaseerde acties van een Noord-Nederlandse ondernemer met
                        ten minste een andere ondernemer of onderzoeksorganisatie of gemeenten,
                        provincies of openbare lichamen actief op het gebied van fossiele of
                        duurzame energie, ten behoeve van innovatieve toepassing en vermarkting van
                        aardgas en andere gassen.</al><al>Actielijn 3c Projecten gericht op experimentele ontwikkeling al dan niet in
                        combinatie met industrieel onderzoek op het gebied van energie door een of
                        meer Noord-Nederlandse ondernemers of door ten minste een Noord-Nederlandse
                        onderneming en een onderzoeksorganisatie actief op het gebied van energie,
                        in samenwerking met een of meer ondernemers of onderzoeksorganisaties uit
                        een of meer van de Noord-Nederlandse clusters water, sensortechnologie,
                        agribusiness, life sciences of toerisme.</al><al>Actielijn 3d Projecten gericht op het voorbereiden van opleidingen of het
                        bieden van hoogwaardige onderwijsfaciliteiten voor kenniswerkers op het
                        gebied van fossiele of duurzame energie.</al><al>Actielijn 3e Projecten gericht op samenwerking tussen Noord-Nederlandse
                        ondernemers of ten minste een ondernemer en onderzoeksorganisaties actief op
                        het gebied van energie met een of meer niet-Nederlandse ondernemers of
                        onderzoeksorganisaties, ten behoeve van experimentele ontwikkeling al dan
                        niet in combinatie met industrieel onderzoek op het gebied van fossiele of
                        duurzame energie.</al><al><cursief>Programmalijn 4, Versterking regionale clustervorming en
                            profilering</cursief></al><al>Inzet is het realiseren van vernieuwende ketensamenwerking tussen de
                        energiegerelateerde grote bedrijven met vestigingen in Noord-Nederland en
                        bestaande of nieuw te vormen Noord-Nederlandse toeleveranciers, of het
                        versterken van de nationale en internationale profilering van de regio als
                        toplocatie voor productie, handel en opslag van fossiele en duurzame
                        energie. Onder vernieuwende ketensamenwerking wordt hierbij verstaan een
                        zodanige wisselwerking tussen uitbesteders en toeleveranciers, dat de
                        toeleveranciers voortdurend afdoende zijn geïnformeerd over en ingespeeld op
                        de eisen waar de uitbesteders uit hoofde van de ontwikkelingen in de
                        energiesector mee worden geconfronteerd.</al><al>Actielijn 4a Projecten gericht op vernieuwende ketensamenwerking tussen
                        ondernemers in de energiesector met een vestiging in Noord-Nederland, op het
                        gebied van grootschalige Noord-Nederlandse gas- of
                        elektriciteitsprojecten.</al><al>Actielijn 4b Projecten gericht op vernieuwende ketensamenwerking tussen
                        ondernemers in de energiesector met een vestiging in Noord-Nederland, op het
                        gebied van (hernieuwde) oliewinning.</al><al>Actielijn 4c Projecten gericht op vernieuwende ketensamenwerking tussen
                        ondernemers in de energiesector met een vestiging in Noord-Nederland,
                        gericht op het kunnen inzetten van diverse soorten brandstof
                        (brandstofdiversificatie).</al><al>Actielijn 4d Projecten gericht op het versterken van het internationale
                        profiel van Noord-Nederland als toplocatie voor productie, handel en
                        transport voor fossiele en duurzame energie (Energy Valley).</al><al>Actielijn 4e Projecten gericht op het stimuleren van de vestiging van
                        ondernemers of onderzoeksorganisaties op het gebied van energie in
                        Noord-Nederland.</al><al><vet>B, WATER</vet></al><al>Onder watertechnologie wordt verstaan: alle technologieën en technieken ten
                        behoeve van het bereiden, transporteren, leveren, verzamelen, behandelen en
                        (her)gebruiken van drinkwater, proceswater en afvalwater voor en van
                        burgers, huishoudens, industrie, land- en tuinbouw, recreatie en toerisme,
                        alsmede daaraan gelieerde applicatiekennis en kennis en advies over
                        organisatie, beheer en financiering van watertechnologie.</al><al><cursief>Programmalijn 1, Versterking van regionale clustervorming en
                            profilering</cursief></al><al>Inzet is Noord-Nederland zich te laten ontwikkelen tot Europese toplocatie
                        voor kennis en productie van hoogwaardige watertechnologie en daaraan
                        gerelateerde diensten door versterking van de onderlinge samenwerking tussen
                        ondernemers en onderzoeksorganisaties of vergroting van het aantal
                        ondernemers, onderzoeksorganisaties en opleidingen op het gebied van
                        watertechnologie.</al><al>Actielijn 1a Projecten gericht op het stimuleren van de vestiging in
                        Noord-Nederland van ondernemers, onderzoeksorganisaties of opleidingen op
                        het gebied van watertechnologie, die door hun complementaire kennis of goede
                        reputatie bijdragen aan de positie van Noord-Nederland als Europese
                        toplocatie voor watertechnologie.</al><al>Actielijn 1b Projecten gericht op de instandhouding, de uitbouw of de
                        aanpassing aan nieuwe onderzoeksvelden en -bevindingen van de analytische
                        laboratoriumfaciliteiten, de kleinschalige onderzoeksvoorzieningen en
                        grootschaliger onderzoeksopstellingen (applicatiefaciliteiten) in
                        Noord-Nederland voor ondernemers en onderzoeksorganisaties op het gebied van
                        watertechnologie.</al><al>Actielijn 1c Projecten gericht op het faciliteren van de beschikbaarheid van
                        bedrijfsruimten of de toegang tot durfkapitaal voor in Noord-Nederland
                        (door)startende bedrijven die watertechnologische kennis toepassen.</al><al>Actielijn 1d Projecten gericht op de versterking van het
                        organisatievermogen, de gezamenlijke promotie en de ontwikkeling van
                        gezamenlijke strategische toekomstvisies en daarop gebaseerde acties van
                        Noord-Nederlandse, met watertechnologie verbonden ondernemers,
                        onderzoeksorganisaties of gemeenten, provincies of openbare lichamen.</al><al><cursief>Programmalijn 2, Versterking van valorisatie van
                            watertechnologie</cursief></al><al>Inzet is om meer opbrengsten te genereren van bestaande of nieuw te
                        ontwikkelen watertechnologische kennis door intensivering van de
                        experimentele ontwikkeling al dan niet in combinatie met industrieel
                        onderzoek op het gebied van watertechnologie of door profilering van
                        Noord-Nederland als toplocatie voor experimenteel onderzoek al dan niet in
                        combinatie met industrieel onderzoek naar met watertechnologie gerelateerde
                        nieuwe producten en diensten.</al><al>Actielijn 2a Projecten gericht op onderzoek naar de toepassingsmogelijkheden
                        van watertechnologische kennis via testopstellingen (demosites) in
                        Noord-Nederland.</al><al>Actielijn 2b Projecten waarbij een onderneming of een bestuursorgaan als
                        eerste afnemer (launching customer) van een product of dienst op het gebied
                        van watertechnologie optreedt, of samenwerkingsprojecten tussen ten minste
                        een Noord-Nederlandse ondernemer met ondernemers of onderzoeksorganisaties
                        gericht op het uitvoeren en demonstreren van praktijkgerichte testen van
                        watertechnologische producten of watertechnologische producten en daaraan
                        verbonden diensten, waarbij de schaal van de test overeen komt met
                        uitvoering in de praktijk (referentieprojecten).</al><al>Actielijn 2c Projecten die bijdragen aan de profilering van Noord-Nederland
                        als geschikte testomgeving (proeftuin) voor nieuwe product-marktcombinaties
                        van watertechnologie of daaraan gerelateerde diensten.</al><al><cursief>Programmalijn 3, Versterken aanwezigheid kenniswerkers</cursief></al><al>Inzet is om via het opleiden van kenniswerkers op het gebied van
                        watertechnologie en het stimuleren van aantrekkelijke carrièrepaden voor
                        dergelijke kenniswerkers, het aanbod van kenniswerkers in Noord-Nederland te
                        versterken en daarmee bij te dragen aan de positie van de regio als Europees
                        kenniscentrum voor watertechnologie.</al><al>Actielijn 3a Projecten gericht op het ontwikkelen van traineeships bij
                        ondernemers in het watercluster in Noord-Nederland, waarbij trainees op
                        verschillende plaatsen in het Noord-Nederlandse bedrijfsleven ervaring
                        kunnen opdoen en zich een beeld kunnen vormen van de aantrekkelijkheid van
                        een loopbaan in de watertechnologiesector.</al><al>Actielijn 3b Projecten gericht op het ontwikkelen van nieuwe en
                        doorontwikkelen van reeds bestaande watertechnologie-opleidingen voor mbo,
                        hbo en universiteiten (ir. of MBA) in Noord-Nederland.</al><al>Actielijn 3c Projecten gericht op het in Noord-Nederland ontwikkelen van
                        bijscholingstrajecten voor personeel uit het bedrijfsleven op het gebied van
                        watertechnologie.</al><al><vet>C, SENSORTECHNOLOGIE</vet></al><al>Onder sensortechnologie wordt verstaan: technologie die het mogelijk maakt
                        grote hoeveelheden gegevens van fysische, chemische, biologische,
                        meteorologische, medische of ecologische veranderingen in korte tijd uiterst
                        nauwkeurig te monitoren, registeren of verwerken en zo nodig automatisch bij
                        te sturen.</al><al><cursief>Programmalijn 1, Versterking van regionale clustervorming en
                            profilering</cursief></al><al>Inzet is het versterken van de positie van Noord-Nederland als toplocatie
                        voor onderzoek naar en toepassing van sensortechnologie, door het aantrekken
                        van bestaande of het ondersteunen van nieuwe ondernemers en
                        onderzoeksorganisaties actief op het gebied van sensortechnologie, of door
                        het versterken van de nationale en internationale bekendheid van het cluster
                        sensortechnologie in Noord-Nederland.</al><al>Actielijn 1a Projecten die bijdragen aan de oprichting van een
                        internationaal kennisinstituut in Noord-Nederland voor industrieel onderzoek
                        en experimentele ontwikkeling op het gebied van sensortechnologie.</al><al>Actielijn 1b Projecten gericht op het stimuleren van de vestiging in
                        Noord-Nederland van ondernemers of onderzoeksorganisaties die zich richten
                        op de toepassing van door Noord-Nederlandse onderzoeksorganisaties
                        ontwikkelde kennis op het gebied van sensortechnologie.</al><al>Actielijn 1c Projecten die erop zijn gericht om het Noord-Nederlandse
                        cluster sensortechnologie meer nationale of internationale bekendheid te
                        geven.</al><al><cursief>Programmalijn 2, Versterking van valorisatie van
                            sensortechnologie</cursief></al><al>Inzet is de toepassing en de opbrengsten van kennis op het gebied van
                        sensortechnologie te versterken door versterkte kennisdeling tussen
                        ondernemers en onderzoeksorganisaties, door toepassing van de technologie op
                        nieuwe markten, door het betrekken van een bredere kring partijen die de
                        techniek in hun producten of diensten kunnen incorporeren, of door het maken
                        van plannen voor commerciële toepassing van de ontwikkelde technologie.</al><al>Actielijn 2a Projecten gericht op het identificeren van markten waarvoor
                        commerciële toepassingen van sensortechnologie kunnen worden ontwikkeld door
                        ten minste een Noord-Nederlandse ondernemer actief op het gebied van
                        sensortechnologie met een andere ondernemer of met een of meer beoogde
                        gebruikers van sensortechnologie of door ten minste een Noord-Nederlandse
                        onderneming en een onderzoeksorganisatie actief op het gebied van
                        sensortechnologie.</al><al>Actielijn 2b Projecten waarbij een onderneming of een bestuursorgaan als
                        eerste afnemer (launching customer) van een product of dienst op het gebied
                        van sensortechnologie optreedt of projecten gericht op samenwerking tussen
                        een of meer Noord-Nederlandse leveranciers van sensortechnologie en een of
                        meer beoogde gebruikers, ten behoeve van de ontwikkeling van prototypes van
                        producten of diensten op het gebied van sensortechnologie.</al><al>Actielijn 2c Projecten gericht op het ontwikkelen van plannen en daarop
                        gebaseerde acties voor commerciële toepassing van sensortechnologie door ten
                        minste een Noord-Nederlandse ondernemer actief op het gebied van
                        sensortechnologie met een andere ondernemer of met een of meer beoogde
                        gebruikers van sensortechnologie of door ten minste een Noord-Nederlandse
                        onderneming en een onderzoeksorganisatie actief op het gebied van
                        sensortechnologie.</al><al>Actielijn 2d Projecten waarbij in sensortechnologie gespecialiseerde
                        ondernemers of onderzoeksorganisaties zich richten op het toepasbaar maken
                        voor en het overdragen van sensortechnologische kennis naar het midden- en
                        kleinbedrijf in Noord-Nederland waardoor participatie van Noord-Nederlandse
                        MKB-ondernemers in toepassingsprojecten van sensortechnologie mogelijk
                        wordt.</al><al><cursief>Programmalijn 3, Versterken aanwezigheid kenniswerkers</cursief></al><al>Inzet is om via ontwikkeling van specifieke opleidingen of hoogwaardige
                        onderwijsfaciliteiten voldoende kenniswerkers aan te trekken of te kunnen
                        opleiden om aan de vraag naar gekwalificeerd personeel in de sector
                        sensortechnologie in Noord-Nederland te kunnen voldoen.</al><al>Actielijn 3a Projecten gericht op het opzetten van opleidingen of het bieden
                        van hoogwaardige onderwijsfaciliteiten in Noord-Nederland voor kenniswerkers
                        op het gebied van sensortechnologie.</al><al><vet>D, AGRIBUSINESS</vet></al><al>Onder agribusiness wordt verstaan: voedingstechnologie, agribusiness
                        (verwerkende industrie inclusief producenten van biomassa ten behoeve van
                        biobrandstoffen of andere nieuwe grondstoffen), biotechnologie en nutrition
                        (novel foods, functional foods, nutriceutals). Activiteiten in de primaire
                        sector zijn in deze definitie uitgesloten.</al><al><cursief>Programmalijn 1, Versterking van regionale clustervorming en
                            profilering</cursief></al><al>De inzet is gericht op het versterken van de samenwerking tussen
                        ondernemers, onderzoeksorganisaties of overheden actief op het gebied van
                        agribusiness in Noord-Nederland of de vergroting van de nationale en
                        internationale bekendheid van dit cluster.</al><al>Actielijn 1a Projecten gericht op versterking van de samenwerking tussen
                        ondernemers en onderzoeksorganisaties of gemeenten, provincies of openbare
                        lichamen, actief op het gebied van agribusiness in Noord-Nederland.</al><al>Actielijn 1b Projecten gericht op bevordering van samenwerking van een of
                        meer Noord-Nederlandse ondernemers of een of meer ondernemers en
                        onderzoeksorganisaties actief op het gebied van agribusiness met in het
                        buitenland gevestigde ondernemers of onderzoeksorganisaties.</al><al>Actielijn 1c Projecten gericht op het versterken van de bekendheid van de
                        Noord-Nederlandse agribusiness-sector en de in Noord-Nederland uitgevoerde
                        of lopende onderzoeksprojecten door versterkte communicatie en
                        informatieverstrekking tussen ondernemers of ondernemers en
                        onderzoeksorganisaties actief in de agribusiness-sector en naar potentiële
                        afnemers van producten of diensten van de Noord-Nederlandse sector.</al><al><cursief>Programmalijn 2, Versterking van valorisatie van kennis in de
                            agribusinessketen</cursief></al><al>De inzet is gericht op het versnellen van het proces gericht op commerciële
                        toepassing van kennis uit de agribusiness of op het ontwikkelen van meer
                        kostenefficiënte methoden om grondstoffen uit de agribusiness in te zetten
                        voor verschillende toepassingen en daarmee bij te dragen aan de opbrengsten
                        van agribusiness voor Noord-Nederland.</al><al>Actielijn 2a Projecten gericht op het versnellen van de commerciële
                        toepassing van kennis in Noord-Nederland op het gebied van agribusiness door
                        samenwerking tussen onderzoeksorganisaties, in agribusiness gespecialiseerde
                        ondernemers en MKB, door het ontwikkelen en testen van praktische
                        toepassingen van in de agribusiness ontwikkelde grondstoffen en daarop
                        gebaseerde producten of door het opzetten van proefopstellingen voor
                        toepassingen van in de agribusiness ontwikkelde kennis.</al><al>Actielijn 2b Projecten gericht op verbetering van de kostenefficiëntie in de
                        productie van grondstoffen uit de agribusinesssector of voor toepassingen
                        daarvan door ten minste een Noord-Nederlandse ondernemer actief op het
                        gebied van agribusiness met een andere ondernemer of door ten minste een
                        Noord-Nederlandse onderneming en een onderzoeksorganisatie actief op het
                        gebied van agribusiness.</al><al><cursief>Programmalijn 3, Ontwikkelen van kansrijke product-marktcombinaties
                            van agribusiness met andere sectoren</cursief></al><al>Inzet is om nieuwe producten en diensten te ontwikkelen voor toepassing van
                        kennis uit de agribusiness-sector in andere sectoren.</al><al>Actielijn 3a Projecten gericht op het tot stand brengen van
                        gemeenschappelijke plannen en daarop gebaseerde acties tussen ondernemers of
                        onderzoeksorganisaties uit de Noord-Nederlandse agribusiness en ondernemers
                        of onderzoeksorganisaties uit een of meer van de Noord-Nederlandse clusters
                        energie, water, sensortechnologie, agribusiness of life sciences of
                        toerisme, gericht op het ontwikkelen van nieuwe
                        product-marktcombinaties.</al><al>Actielijn 3b Projecten gericht op experimentele ontwikkeling al dan niet in
                        combinatie met industrieel onderzoek ten behoeve van nieuwe
                        product-marktcombinaties op basis van biomassa door ten minste een
                        Noord-Nederlandse ondernemer actief op het gebied van agribusiness met een
                        andere ondernemer of door ten minste een Noord-Nederlandse onderneming en
                        een onderzoeksorganisatie actief op het gebied van agribusiness.</al><al><cursief>Programmalijn 4, Versterken aanwezigheid kenniswerkers</cursief></al><al>Inzet is om via ontwikkeling van specifieke opleidingen en hoogwaardige
                        onderwijsfaciliteiten voldoende kenniswerkers aan te trekken en te kunnen
                        opleiden om aan de vraag in de sector agribusiness naar gekwalificeerd
                        personeel te kunnen voldoen.</al><al>Actielijn 4a Projecten gericht op het voorbereiden van opleidingen of het
                        bieden van hoogwaardige onderwijsfaciliteiten in Noord-Nederland voor
                        kenniswerkers op het gebied van agribusiness.</al><al><vet>E, LIFE SCIENCE</vet></al><al><cursief>Programmalijn 1, Versterking van het regionale clustervorming en
                            profilering</cursief></al><al>De inzet is gericht op het versterken van de samenwerking tussen
                        ondernemers, onderzoeksorganisaties of overheden binnen het cluster life
                        sciences in Noord-Nederland of de vergroting van de nationale en
                        internationale bekendheid van dit cluster.</al><al>Actielijn 1a Projecten gericht op de versterking van de samenwerking tussen
                        ondernemers, onderzoeksorganisaties en gemeenten, provincies of openbare
                        lichamen, actief op het gebied van life sciences in Noord-Nederland. </al><al>Actielijn 1b Projecten gericht op het aantrekken van binnenlandse en
                        buitenlandse life sciences-ondernemers en onderzoeksorganisaties naar
                        Noord-Nederland.</al><al>Actielijn 1c Projecten in aansluiting op het nationale instrumentarium die
                        gericht zijn op ondersteuning van starters en spin-offs uit ondernemingen en
                        onderzoeksorganisaties, die kennis op het gebied van life sciences in
                        Noord-Nederland toepassen.</al><al>Actielijn 1d Projecten gericht op het versterken van de bekendheid van de
                        Noord-Nederlandse life sciences-sector en de in die sector uitgevoerd en
                        lopende onderzoeksprojecten, door versterkte communicatie en
                        informatieverstrekking tussen ondernemers of ondernemers en
                        onderzoeksorganisaties in de lifesciences-sector en naar potentiële afnemers
                        van producten of diensten van de Noord-Nederlandse sector.</al><al>Actielijn 1e Projecten gericht op bevordering van samenwerking met tussen in
                        Noord-Nederland gevestigde ondernemers of ondernemers en
                        onderzoeksorganisaties op het gebied van life siences en buiten de grens
                        gevestigde ondernemers of onderzoeksorganisaties.</al><al><cursief>Programmalijn 2, Ontwikkelen van nieuwe product-marktcombinaties
                            van life sciences met andere sectoren</cursief></al><al>Inzet is om vanuit de life sciences nieuwe producten en diensten te
                        ontwikkelen voor toepassing in andere sectoren.</al><al>Actielijn 2a Projecten gericht op het ontwikkelen van een gemeenschappelijke
                        onderzoeks- en ontwikkelingsagenda of structurele samenwerking van
                        ondernemers en onderzoeksorganisaties binnen het Noord-Nederlandse cluster
                        life sciences met ondernemers of onderzoeksorganisaties uit een of meer van
                        de Noord-Nederlandse sectoren energie, water, sensortechnologie,
                        agribusiness of toerisme, waarin de verdere integratie van kennis leidt tot
                        nieuwe product/marktcombinaties.</al><al>Actielijn 2b Projecten gericht op het ontwikkelen van nieuwe
                        product/marktcombinaties, voortbouwend op de bestaande Noord-Nederlandse
                        kennis rond het thema veroudering.</al></divisie></bijlage><bijlage><kop><titel>BIJLAGE 2 </titel></kop><divisie><kop><titel>BIJ DE VERORDENING TRANSITIE II EN PIEKEN:</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>SCHETS EN KNELPUNTENANALYSE </titel></kop><al>De keuzes in het programma worden gemaakt tegen de achtergrond van een
                        aantal sterkten en zwakten van de noordelijke economie. Het formuleren van
                        deze sterkten en zwakten is behulpzaam om enerzijds de kansen van nationaal
                        belang te kunnen definiëren en anderzijds om gericht de knelpunten te kunnen
                        oplossen.</al><al><cursief>Sterkten: goed leef- en vestigingsklimaat en kansrijke, goed
                            verankerde clusters</cursief></al><al>Noord-Nederland bestaat uit de provincies Fryslân, Groningen en Drenthe. Met
                        ruim 1,7 miljoen inwoners (11% van Nederland) op ruim een kwart van het
                        Nederlandse grondgebied is Noord-Nederland een relatief dunbevolkte regio.
                        Hierdoor kan de regio de ruimtevragende functies zoals werken, wonen, natuur
                        en recreatie goed inpassen. De congestie is beperkt, de kwaliteit van de
                        woon- en leefomgeving is hoog en er is voldoende aanbod van bedrijfsruimte
                        tegen concurrerende prijzen. Arbeid is in Noord-Nederland tegen redelijke
                        lonen beschikbaar.</al><al>Met de Rijksuniversiteit Groningen heeft Noord-Nederland een belangrijk
                        centrum voor kennisontwikkeling, terwijl in de clusters water en
                        sensortechnologie belangrijke sectorspecifieke kenniscentra bestaan in de
                        vorm van de TTI-Wetsus, respectievelijk ASTRON/LOFAR. Deze sectoren hebben
                        goede perspectieven op internationale groeimarkten. </al><al>De aantrekkelijke omgeving draagt bij aan een sterke regionale positie in
                        het toerisme en de historisch gegroeide sectoren landbouw en energie hebben
                        een goede verankering in de regio.</al><al>Noord-Nederland kent geen echt dominante sectoren. De kracht moet vooral
                        komen uit de breedte van en de snijvlakken tussen sectoren. De
                        uitgangspositie hiervoor is gunstig; er vinden nu reeds veel ontwikkelingen
                        plaats op het snijvlak tussen disciplines en er is veel potentie voor
                        synergie tussen de clusters. Het MKB is sterk vertegenwoordigd in
                        Noord-Nederland met een werkgelegenheidsaandeel van 75% en zal een rol
                        moeten spelen bij het valoriseren van kennis.</al><al>Met 650.000 banen heeft Noord-Nederland een aandeel van 9% in de nationale
                        werkgelegenheid. Daarnaast is de arbeidsproductiviteit de afgelopen jaren
                        gegroeid.</al><al><cursief>Zwakten: economische ijlheid, onvoldoende 'kassa', onvoldoende
                            innovatief MKB en mismatch op de arbeidsmarkt</cursief></al><al>In de geschetste structuur schuilen echter voor een deel ook de zwakten van
                        Noord-Nederland. De geografische spreiding in het Noorden geeft een
                        historische verklaring voor ijle verbindingen tussen kennisinstellingen en
                        bedrijven onderling.</al><al>Zo is er in de kansrijke sectoren nog behoefte aan verdere uitbouw van het
                        organiserend vermogen. Ook wordt nog onvoldoende gewerkt aan het
                        identificeren van kansrijke marktvensters, terwijl op de snijvlakken tussen
                        sectoren nog onvoldoende gemeenschappelijke agenda's en markten zijn
                        gedefinieerd.</al><al>Alhoewel de primaire landbouw met de daaraan gerelateerde voedings- en
                        genotmiddelenindustrie een sterke massa heeft in Noord-Nederland, drijft
                        deze sector voor een deel op lage kosten en staat hij onder druk van
                        veranderend gemeenschappelijk landbouwbeleid en WTO-afspraken*. Ook sectoren
                        als de traditioneel relatief sterk aanwezige metaalsector drijven sterk op
                        lage kosten. Veel van de producten uit deze sectoren zijn aan het eind van
                        hun levenscyclus. Innovatie krijgt vooral gestalte in procesinnovaties en
                        minder in vernieuwende productinnovaties.</al><al>De publieke sector, die een sterke groei heeft gekend in met name de
                        gezondheids- en welzijnszorg en in onderwijs en openbaar bestuur, draagt
                        nauwelijks bij aan de regionale concurrentiekracht. Het toerisme ondervindt
                        concurrentie van goedkoop te bereiken buitenlandse bestemmingen.</al><al>Er zal dus gefocust moeten worden op innovatieve concepten en innovatieve
                        product-marktcombinaties om duurzaam groeiperspectief en comparatief
                        voordeel te behouden. Daarbij ligt een versnelde omschakeling van de
                        klassieke 'productieregio' die Noord-Nederland nog steeds in overwegende
                        mate is, naar een meer kennisintensieve, zogenaamde clusterregio het meest
                        voor de hand*2. In het toerisme en in de landbouw, die verbindingen kan
                        leggen met innovatieve voedseltechnologie en met energie (biobrandstoffen),
                        is daar ook potentieel voor. </al><al>In de sectoren water, energie en sensorsysteemtechnologie mag nog verder
                        gewerkt worden aan versterking van het organiserend vermogen en het
                        ontwikkelen van spin offs en gemeenschappelijke agenda's. In de life
                        sciences, waar Noord-Nederland een sterke kennispositie heeft, moet gewerkt
                        worden aan heldere marktvensters en een duidelijke focus en positionering
                        van de regio. Het doel moet zijn dat de aanwezige kennis ook naar de markt
                        wordt gebracht en wordt omgezet in kassa. </al><al>Alhoewel het MKB een rol zou moeten spelen bij de vermarkting van kennis,
                        blijven de innovatie en het ondernemerschap die cruciaal zijn voor
                        toepassing en diffusie van kennis, sterk achter (zie box). Mede daardoor
                        blijft ook de export achter: het aandeel van de export in de totale omzet
                        van het bedrijfsleven ligt zo'n 7% lager dan het landelijke cijfer. De
                        sectorstructuur biedt hiervoor onvoldoende verklaring. Ten slotte zijn er
                        onvoldoende werknemers die de nieuwe kennis kunnen toepassen en absorberen.
                        Er is een relatief laag aanbod van hoger opgeleiden - terwijl een beperkte
                        werkgelegenheid in innovatieve beroepen op zijn beurt het gevaar oproept dat
                        hoger opgeleiden wegtrekken -, de onderwijsgraad van jongeren in sommige
                        gedeelten van Noord-Nederland blijft achter en de pool van werklozen is
                        vooral middelbaar geschoold.</al><al>Het zijn deze meer randvoorwaardelijke knelpunten voor een omslag naar een
                        innovatieve economie en de gesignaleerde Piekenopgaven, die het
                        driesporenbeleid waar dit programma op inzet, rechtvaardigen.</al><al>* Dit geldt minder voor regionaal gebonden activiteiten als veilingen.
                        Indien echter de afzet van agrarische producten wordt bedreigd door
                        concurrentie uit lage lonen landen, dan komen ook deze activiteiten onder
                        druk.</al><al>*2 Een clusterregio is een regio met een hoge economische groei, een
                        gespecialiseerde economische structuur en een concentratie van soortgelijke
                        economische activiteiten, die daardoor van agglomeratievoordelen kunnen
                        profiteren. Innovativiteit, ondernemerschap en de kwaliteit van
                        arbeidskrachten zijn belangrijke factoren voor het investeringsklimaat in
                        dit type regio.</al><al><cursief>Innovatie en kenniseconomie in Noord-Nederland</cursief></al><al>Het gemiddeld opleidingsniveau van de werkzame beroepsbevolking in
                        Noord-Nederland is lager dan in de rest van Nederland.</al><al>Het aandeel industriële hightech- en mediumtech-werkgelegenheid in de totale
                        werkgelegenheid in Noord-Nederland is gemiddeld tot laag (platteland) en
                        slechts in een enkele gemeente hoog tot zeer hoog.</al><al>Het aandeel R&amp;D-werkgelegenheid in de totale werkgelegenheid is in
                        vrijwel heel Noord-Nederland laag tot zeer laag en slechts in een enkele
                        gemeente hoog tot zeer hoog.</al><al>De innovatieve inspanningen (voor zover traceerbaar via R&amp;D-uitgaven,
                        octrooien) zijn in Noord-Nederland beduidend lager dan het landelijk
                        gemiddelde*.</al><al>* Overigens laat dit zich voor een aanzienlijk deel verklaren door de
                        bedrijfstypen. R&amp;D-inspanningen worden vaak toegeschreven aan een
                        hoofdvestiging, terwijl in Noord-Nederland vooral nevenvestigingen zijn
                        gehuisvest.</al><al>Hier wordt verder per piek (Energie, Water, Sensortechnologie, Agribusiness
                        en Life Science) uiteengezet wat het huidige beeld is, wat de ambities zijn
                        en voor welke centrale opgave Noord-Nederland staat.</al><al><vet>A, ENERGIE ('ENERGIEPIEK IN ENERGIEVALLEI')</vet></al><al><vet>Beeld</vet></al><al><cursief>Voldoende massa ...</cursief></al><al>Het overgrote deel van de Nederlandse activiteiten op het gebied van aardgas
                        (winning, transport, behandeling, handel en research) is in Noord-Nederland
                        geconcentreerd. Naast de winning vanuit het Slochterenveld is ook de
                        toekomstige winning van het Waddengas van belang. Met de nabehandeling maar
                        ook met het onderhoud van de technische installaties zijn veel
                        werkgelegenheid en geld gemoeid. De elektriciteitsproductie, -opslag en
                        -distributie (Eemscentrale, gasopslag Grijpskerk, Langeloo en Zuidwending)
                        en potentiële aardoliewinning achter Emmen winnen aan belang in
                        Noord-Nederland. De bedrijven zijn van behoorlijke omvang en hebben
                        groeipotentie. Dominant is een aantal grote spelers als NAM, Gasunie
                        (transport en infrastructuur), GasTerra (handel in gas), Essent, NUON en
                        Electrabel met breed palet aan toeleveranciers, uitbestedingrelaties en
                        spin-offs.</al><al>De belangrijke afnemers (bijvoorbeeld energie-intensieve chemie- en
                        metaalbedrijven) zijn eveneens in Noord-Nederland gevestigd. Verder zijn er
                        belangrijke relaties met andere sectoren als agribusiness (energie uit
                        biomassa), chemie (gas als grondstof voor procesindustrie) en
                        afvalverwerking (energie uit afval).</al><al>De aan energie gerelateerde werkgelegenheid in Noord-Nederland omvat zo'n
                        20.000 banen met daarnaast uitstraling naar de gehele Nederlandse economie
                        (omzet aardgas in 2000 € 9,34 miljard met een toegevoegde waarde van ruim €
                        8 miljard, goed voor 2,1% van BBP).</al><al><cursief>... kunde en kennis</cursief></al><al>In 2003 is Energy Valley gevormd, een publiekprivaat samenwerkingsverband
                        van bedrijven, kennisinstellingen en overheden, dat als doel heeft een breed
                        en integraal cluster van activiteiten te ontwikkelen dat bijdraagt aan de
                        economische ontwikkeling van Noord-Nederland.</al><al>Binnen ex-overheidsbedrijven als NAM en Gasunie is de kennisontwikkeling
                        traditioneel gesloten, maar er wordt volop gewerkt aan meer samenwerking,
                        onder andere met de kennisinstellingen (RUG, hbo) maar ook met Energy Delta
                        Institute, Energy Delta Research Centre en Cartesius (kenniscentrum duurzame
                        energie). Het aantal kenniswerkers in de sector is hoog. De kenniskolom
                        energie is echter nog niet volledig en ook gemeenschappelijke agenda's ten
                        aanzien van commerciële ontwikkelingen ontbreken nog.</al><al><cursief>... en in potentie nog meer kassa</cursief></al><al>Liberalisering en internationalisering bieden volop kansen voor het
                        noordelijke energiecluster; de massa en aanwezige kennis bieden perspectief
                        om deze kansen ook te benutten. Daarbij is het wel zaak te focussen op die
                        energievelden waarin Noord-Nederland traditioneel sterk is (gas en
                        olie).</al><al>Op dit punt staan leverings- en voorzieningszekerheiddiscussies nu hoog op
                        de agenda. Waar Nederland al sterk staat als het gaat om kennis en kunde van
                        ondergrondse opslag, zijn deze actuele discussies een extra reden om de
                        ondergrondse opslag, een gasrotonde (van en naar Nederland) en hiervoor
                        benodigde pijpleidingen snel te realiseren. Een gasrotonde wordt in
                        internationaal perspectief gezien als noodzakelijk fundament van Energy
                        Valley.</al><al>De sterk stijgende olie- en gasprijzen en de daarmee gepaard gaande dreiging
                        voor het bestaan van de (energie-intensieve) industrie in (Noord-)Nederland
                        nopen tot totaal nieuwe energieconcepten. De behoefte aan andere
                        energiedragers en andere productieprocessen die de afhankelijkheid van
                        aardgas(prijzen) verminderen en een vergroening binnen de industrie/chemie
                        tot stand brengen, bieden nieuwe kansen voor de noordelijke economie. Een
                        biobased economy komt hiermee dichterbij en biedt tegelijkertijd nieuwe
                        kansen voor de agribusiness.</al><al>Gewijzigd beleid (verplichte bijmenging van 5,75% biobrandstoffen in 2010)
                        leidt tot meer vraag naar groen gas, groene brandstoffen en groene stroom,
                        en kan tevens leiden tot nieuwe commerciële kansen en toepassingen. In het
                        verlengde hiervan zijn nieuwe innovaties en technologieën te verwachten die
                        op hun beurt weer leiden tot hoogwaardige arbeid. Deze innovatieve
                        energietoepassingen (zoals Blue Energy en een smart power system - micro-wkk
                        -) dragen bij aan een hoogwaardige kennisregio. Het is dan ook van belang
                        verbinding te zoeken met kansrijke ontwikkelingen en uitdagingen binnen de
                        agribusiness (biorefineries, biobrandstoffen), water (innovatieve
                        energieopwekking) en chemie (vergroening).</al><al>Forse investeringen in een aantal grote projecten in Noord-Nederland bieden
                        het regionale bedrijfsleven nieuwe mogelijkheden. De toeleveranties en
                        uitbestedingen van en aan het regionale bedrijfsleven krijgen hierdoor een
                        nieuwe impuls. Het is nu zaak voor het regionale bedrijfsleven en de NOM de
                        grote uitbesteders te bevragen op hun uitbestedingseisen en daarop
                        innovatief in te spelen.</al><al><vet>Ambitie</vet></al><al>Met Energy Valley richt Noord-Nederland zich de komende jaren op een
                        onderscheidend en (inter)nationaal sterk opererend energiecluster. De
                        ambitie is Energy Valley uit te bouwen tot belangrijke energy-mainport op
                        Europees en mondiaal niveau. Op Europees niveau zal Noord-Nederland de
                        nummer één moeten zijn op het gebied van handel, transport en opslag van
                        gas. Daarnaast wil Noord-Nederland een sleutelpositie innemen op het terrein
                        van duurzame energie. Ook de kennis hierover zal toonaangevend moeten zijn.
                        Het aantal patenten moet toenemen tot minimaal 10% van het nationale aantal
                        energiegerelateerde patenten. Het aantal kenniswerkers zal minimaal 5% zijn
                        gegroeid. Het aantal fte's en bedrijfsvestigingen in de energiesector zal
                        zijn gegroeid naar minimaal 15% van het landelijke aantal.</al><al><vet>Centrale opgaven</vet></al><al>De centrale opgaven zijn het vormgeven van de aardgas-hubfunctie in
                        Noord-Nederland en het positioneren van het duurzame energiecluster. Daaraan
                        zullen alle partijen (bedrijfsleven, overheden en kennisinstellingen) die in
                        (Noord-)Nederland actief zijn op het gebied van energie, zich dienen te
                        committeren.</al><al>De komende jaren dient tevens het energiegerelateerde cluster verder te
                        worden uitgebouwd door het organisatorisch vermogen te vergroten, de
                        bedrijvigheid in het MKB te stimuleren, de kennis te vermeerderen, het MKB
                        aan te laten haken (kennisontwikkeling en kennisconversie), de links met
                        andere sectoren te versterken en door vooral het cluster verder te
                        verankeren in de regio ondanks de verdergaande internationalisering,
                        liberalisering en marktwerking.</al><al><vet>B, WATER ('VAN KENNIS NAAR KASSA')</vet></al><al>Water is door het Innovatieplatform als een van de sleutelgebieden voor
                        stimulering van innovatie bestempeld. Binnen dit sleutelgebied wordt
                        onderscheid gemaakt tussen watertechnologie (afvalwaterzuivering,
                        voorziening drink en industriewater), het maritiem cluster (offshore,
                        scheepsbouw en baggersector) en deltatechnologie (waterbeheer en
                        waterbouw).</al><al>Op <vet>scheepsbouwgebied</vet> heeft Noord-Nederland een relatief sterke
                        positie met een fors aandeel in de totale werkgelegenheid in de sector en
                        een internationaal sterke positie in vooral het zogenaamde short
                        sea-segment. Er is een compleet cluster van bedrijven, reders,
                        toeleveranciers en dienstverleners. De marktperspectieven van de sector
                        liggen vooral in vervangingsvraag en te verwachten extra vraag door
                        economische groei. Verder heeft de sector, via een gedeeld netwerk van
                        toeleveranciers en dienstverleners, een sterke synergie met de jachtbouw. Om
                        deze marktperspectieven optimaal te kunnen benutten, zijn blijvende product-
                        en procesinnovaties nodig. Eventuele ondersteuning hiervoor lijkt afgedekt
                        te kunnen worden via de borgstellingregeling en de innovatieregeling
                        scheepsbouw, het programma Maritiem (dat vooral aansluit bij
                        kennisontwikkeling en een focus heeft op onder meer jachtbouw) en via het
                        generiek instrumentarium. Dit is de reden dat er vooralsnog hier geen
                        expliciete programmalijnen voor de sector worden opgenomen. Indien tijdens
                        de regelmatige evaluaties en bijstellingen van het 'Koers Noord'-programma
                        mocht blijken dat de specifieke innovatiebehoeften van de noordelijke
                        scheepsbouwsector hiermee toch niet afdoende kunnen worden gedekt, dan zal
                        worden bezien of eventueel een additionele faciliteit voor de scheepsbouw
                        moet worden geboden.</al><al><vet>Beeld</vet></al><al>Vooral sterk op gebied watertechnologie</al><al>De positie van Noord-Nederland binnen het sleutelgebied is vooral sterk op
                        het vlak van watertechnologie (drink- en industriewatervoorziening en
                        afvalwaterbehandeling). Verder bestaat potentie voor het benutten van de
                        kennis van sensortechnologie voor waterkwaliteitsbeheer en bestaat kennis op
                        het snijvlak van water en energie. </al><al>Marktaantrekkelijkheid watertechnologie goed</al><al>De internationale watermarkt wordt geschat op 425 miljard. Prognoses laten
                        zien dat de markt het komende decennium nog jaarlijks groeit met 11%. Het
                        aantal concurrenten is beperkt.</al><al><cursief>Voldoende massa ...</cursief></al><al>Alhoewel de noordelijke bedrijven en leveranciers van watertechnologie op
                        wereldschaal relatief kleine spelers zijn, behoren ze in sommige
                        nichemarkten tot de wereldtop. Nationaal gezien speelt Noord-Nederland op
                        het gebied van water(zuiverings)technologie en watermanagement een
                        belangrijke rol. In de 3 noordelijke provincies zijn ruim 5.500 mensen
                        werkzaam in de watersector, 145 bedrijven behalen circa € 1 miljard aan
                        omzet. Alleen al binnen Friesland zijn 80 bedrijven actief op het gebied van
                        waterzuiveringstechnologie. De 80 bedrijven dragen met hun omzet voor 4,4%
                        bij aan het BRP van de provincie. Het waterbedrijf Groningen is de op één na
                        grootste leverancier van industriewater in Nederland en de watermaatschappij
                        Drenthe is één van de voortrekkers op het gebied van kennisoverdracht en
                        ondernemen naar en in ontwikkelingslanden.</al><al><cursief>... en kennis</cursief></al><al>De bedrijven zijn relatief R&amp;D-intensief. In een rapport van het EIM
                        (2005) wordt het cluster voor de toekomst als kansrijk ingeschat. Hierin
                        speelt de kennispositie een belangrijke rol. In Noord-Nederland zijn grote
                        innovatieve bedrijven gevestigd als Pacques, Spaans Babcock, Landustrie en
                        Hubert. Hét kennisinstituut op het gebied van waterzuivering, Wetsus, is
                        gevestigd in Leeuwarden. Rond dit instituut is onlangs het
                        TTI-watertechnologie gevormd, met een FES-toekenning van € 35 miljoen. Met
                        de vorming van dit instituut rond Wetsus, zal het aantal watertechnologische
                        thema's waaraan in het Noorden wordt gewerkt de komende jaren nog worden
                        uitgebreid.</al><al>Verder staat in Leeuwarden het grootste en meest geavanceerde
                        drinkwaterlaboratorium van Europa. Samen met de RUG en Van Hall
                        (biotechnologie) en NHL (fysisch/chemische technologie) en hun spin-off
                        bedrijven is daarmee een groot kennispotentieel aanwezig.</al><al>Via initiatieven als iWater (voortgekomen uit sensortechnologie) wordt in
                        Noord-Nederland ook een kennispositie op het gebied van
                        waterkwaliteitsmeting en op afstand bedienbare waterregel- en
                        waterzuiveringinfrastructuur uitgebouwd. De sector beschikt daarmee over
                        kennis op belangrijke snijvlakken tussen de pieken in Noord-Nederland.</al><al><cursief>... maar nog onvoldoende kassa</cursief></al><al>Door concurrentieoverwegingen en traditioneel afgebakende rollen van
                        ingenieurs, adviesbureaus aannemers en zuiveringsbedrijven (veelal publiek),
                        is de sector echter nog te veel versnipperd. Hierdoor worden nog onvoldoende
                        totaaloplossingen aangeboden. Buitenlandse concurrenten doen dit beter. Ook
                        de (gemeenschappelijke) internationale profilering is zwak. Hierdoor worden
                        de exportmogelijkheden nog onvoldoende benut. Ondanks de internationale
                        oriëntatie en de goede internationale reputatie die (Noord-) op het gebied
                        heeft, scoort de export relatief laag.</al><al>Verder wordt de keten van kennis, kunde en kassa nog onvoldoende benut: de
                        spin-offs van de kennis blijven achter.</al><al>Wel is met de Friese Wateralliantie samenwerking in gang gezet tussen
                        bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid. Deze alliantie mikt op het
                        genereren en demonstreren van integrale oplossingen waarbij Nederlandse
                        watertechnologie, in samenhang met watermanagement en
                        capaciteitsontwikkeling (bij overheden en studenten), wordt aangeboden.</al><al><cursief>En op langere termijn blijvend kennisbundeling en vraaggerichte
                            R&amp;D nodig</cursief></al><al>Voor de langere termijn is verdere uitbouw van kennis en het ontwikkelen van
                        producten waar vraag naar is, cruciaal. Voor de Nederlandse watersector
                        wordt op dit vlak een tekort aan (gemeenschappelijke) R&amp;D gesignaleerd:
                        de R&amp;D in de sector ligt lager dan het landelijk gemiddelde en de
                        benutting van internationale R&amp;D-subsidies is gering. Hier speelt onder
                        meer het belangrijke aandeel van publieke waterbedrijven een rol. Tevens kan
                        de gemiddeld lage opleidingsgraad in Noord-Nederland een belemmering vormen
                        voor blijvende innovatie.</al><al>Ten slotte is aandacht nodig voor het opzetten van pilotprojecten om de brug
                        te slaan tussen R&amp;D en toepassing en daaraan gekoppelde
                        opbrengsten.</al><al><vet>Relatie met het Innovatieprogramma water</vet></al><al>De sterkten en zwakten van de noordelijke watersector zijn sterk
                        vergelijkbaar met die van de Nederlandse watersector als geheel.</al><al>Vandaar dat het Innovatieprogramma Water, dat in 2006 van start is gegaan,
                        inzet op het vergroten van de export en, voor de langere termijn, het
                        ontwikkelen van toepassingen waar marktvraag naar bestaat. Hiervoor is
                        vanuit EZ € 45 miljoen gereserveerd voor de komende 5 jaar. Het geld wordt
                        onder meer ingezet voor in samenwerking verricht industrieel en
                        preconcurrentieel onderzoek (InnoWator; € 5 miljoen per jaar); voor
                        internationaal onderzoek (€ 2 miljoen per jaar) en voor het makelen en
                        schakelen tussen watergerelateerde partijen. Verder wordt vanuit de
                        bestaande instrumenten ingezet op versterking van de internationale
                        profilering.</al><al>De ambitie van het Innovatieprogramma Water is om een excellente watersector
                        te creëren die in samenhang opereert en waarbinnen de kansrijke clusters
                        drink- en energiewatervoorziening, afvalwatertechnologie, sensortechnologie
                        en interactie met natuurlijke systemen (waterverdeling en -kwaliteit;
                        ondergrondse water/energieopslag) tot de wereldtop behoren.</al><al>Dit Koers Noord-programma focust meer specifiek op versterking van het
                        noordelijke cluster en het verder uitbouwen van de stap naar de markt door
                        experimenteel onderzoek en referentieprojecten en de unieke mogelijkheid van
                        Noord-Nederland als proeftuin voor toepassing van watertechnologie en de
                        ontwikkeling van integrale vraaggerichte concepten voor buitenlandse
                        afnemers en bedrijven met specifieke behoeften. Hiervoor vormt de kennis op
                        belendende gebieden (ontwikkeling van kennis en organiserend vermogen bij
                        afnemers van watertechnologie, koppeling van waterkwaliteitsmanagement en
                        -beheer aan toerisme, landbouw, visserij en wonen) een sterke basis.</al><al><vet>Ambitie</vet></al><al>Het is de ambitie van Noord-Nederland uit te groeien tot een internationale
                        topregio voor kennis en toepassingen op het gebied van watertechnologie. Het
                        aandeel van de watersector in het BBP van Noord-Nederland stijgt van circa
                        2% (2002) naar 4% in 2020, vooral door een sterke stijging van de export.
                        Wetsus groeit hierbij uit tot een Europees topinstituut rond welk een sterk
                        cluster van watertechnologiebedrijven en -instellingen ontstaat, dat in
                        Noord-Nederland ontwikkelde technologie, producten en diensten met name in
                        het buitenland afzet.</al><al><vet>Centrale opgaven</vet></al><al>Om deze ambitie te realiseren, is de centrale opgave voor Noord-Nederland om
                        te komen tot versterking van de factor kassa (spin-offs, gezamenlijke
                        profilering) en het wegnemen van specifieke belemmeringen voor een blijvend
                        sterke positie (kennisbundeling en onderwijs). Noord-Nederland kan daarbij
                        gebruik maken van zijn unieke positie op het snijvlak van clusters om nieuwe
                        productmarktcombinaties te ontwikkelen. Hierbij worden watertechnologie en
                        schoon water benut voor de ontwikkeling van nieuwe economische activiteiten
                        (bijvoorbeeld op het gebied van duurzame energie en toerisme).</al><al>Tevens kan Noord-Nederland profiteren van de gelijktijdige beschikbaarheid
                        van goede natuurlijke condities (voldoende ruimte, zoet en zout water en
                        eilanden als natuurlijk begrensde proefgebieden) en goede condities voor de
                        ontwikkeling van een sterk cluster (de aanwezigheid van Wetsus, van
                        bedrijven en kennisinstellingen op het gebied van watertechnologie en het
                        draagvlak bij de overheden (tevens launching customers)). Dit maakt
                        Noord-Nederland zeer geschikt als proeftuin voor ontwikkeling en
                        demonstratie van innovatieve totaalconcepten en referentieprojecten.</al><al><vet>C, SENSORTECHNOLOGIE: INTELLIGENTE TOEPASSINGEN IN COMPLEXE
                            SYSTEMEN</vet></al><al><vet>Beeld</vet></al><al><cursief>Van kennis ...</cursief></al><al>De kennisbasis voor sensortechnologie in Noord-Nederland wordt gevormd door
                        LOFAR. LOFAR is een project dat internationaal gezien een voorname en unieke
                        positie heeft en op zich onderscheidend is. LOFAR is een radiotelescoop die
                        volgens een geheel nieuw principe werkt. Duizenden kleine sensoren zijn via
                        een hoogwaardig glasvezelnetwerk verbonden met de aanwezigheid van Europa's
                        meest krachtige supercomputer STELLA, die de informatie vertaalt in beelden
                        en interessante aggregatiegegevens. De toepassingen van deze sensornetwerken
                        zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en leiden naar verwachting tot
                        nieuwe wetenschappelijke doorbraken.</al><al>ASTRON in Dwingeloo is de trekker van het LOFAR-project.</al><al><cursief>... en kunde</cursief></al><al>LOFAR biedt kansen voor de ontwikkeling van een kenniscluster van
                        intelligente sensornetwerken en heeft de potentie om nieuwe bedrijvigheid
                        tot stand te brengen met een wereldwijde markt. Daarbij wordt gedacht aan
                        vele toepassingsgebieden, zoals beheersing van watersystemen, beheer van
                        energienetwerken, monitoring van milieuafspraken, onderzoek van de
                        ruimte/ruimtevaart, dijkbewaking, logistieke systemen, meteorologische
                        toepassingen en precisielandbouw. Juist op de raakvlakken met andere pieken
                        kunnen zich interessante innovatieve ontwikkelingen voordoen die de positie
                        van Noord-Nederland als kennisregio verder kunnen versterken. Daardoor
                        kunnen zich ook nieuwe commerciële mogelijkheden aandienen.</al><al><cursief>... naar meer kassa en massa</cursief></al><al>Sensor Universe is gericht op het positioneren van Nederland als een
                        internationaal innovatie- en bedrijvigheidcluster rondom de ontwikkeling van
                        zgn. Multifunctional Wide Area Sensornetwerk (multisensing) technologie. Met
                        het LOFAR-project en de supercomputer in Groningen heeft Noord-Nederland een
                        voorsprong genomen in de ontginning van deze complexe sensorsystemen. Het is
                        nu zaak deze piek snel verder commercieel uit te bouwen. Er is al veel
                        (basis)kennis, er zijn echter nog weinig concrete toepassingen. Daarnaast
                        ontbreken nog de massa en het benodigde start- en durfkapitaal.</al><al><vet>Ambitie</vet></al><al>Het beleid is gericht op het ontwikkelen van Noord-Nederland tot
                        toonaangevende kennisregio in de wereld op het gebied van intelligente
                        sensornetwerken in een periode van 10 jaar. De uitdaging is om op basis van
                        deze positie een innovatie- en bedrijvigheidcluster rondom Multifunctional
                        Wide Area Sensornetworktechnology (multisensing) te ontwikkelen. Het is
                        noodzakelijk samen met nationale en internationale netwerkpartijen te komen
                        tot een publiekprivate uitvoering van een gecoördineerd programma (Sensor
                        Universe) en internationaal aansluiting te zoeken bij grote maatschappelijke
                        thema's.</al><al><vet>Centrale opgaven</vet></al><al>Om Noord-Nederland tot een internationaal toonaangevend economisch cluster
                        op het gebied van sensorsystemen en sensornetwerken te maken, ligt een
                        aantal opgaven voor.</al><al>Er moet tot een kritische massa gekomen worden om een economische toppositie
                        te bereiken met een duurzaam concurrentievoordeel ten opzichte van andere
                        regio's. Om de opgaven te realiseren moet de kennis verder uitgebouwd worden
                        en is Sensor Universe in het leven geroepen. Wezenlijk is het opsporen en
                        invullen van hiaten op het gebied van intelligente en innovatieve
                        sensorsystemen.</al><al>Ook uitbouw van de pool van talent op het gebied van sensorsystemen is
                        nodig. Deze is nog niet goed ontwikkeld. De huidige pool bestaat uit het
                        personeel bij ASTRON, een beperkt aantal medewerkers bij andere
                        kennisinstellingen en een tiental MKB-bedrijven. Er zijn nog geen
                        gespecialiseerde opleidingen aan de Rijksuniversiteit Groningen en aan de
                        Hogescholen. Naast ASTRON zijn er nog maar weinig instellingen bezig met
                        onderzoek op het gebied van sensorsystemen en -netwerken. Er dient
                        samengewerkt te worden tussen overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven
                        om de nog prille technologie en markt van sensorsystemen en sensornetwerken
                        tot ontwikkeling te brengen.</al><al><vet>D, AGRIBUSINESS: KENNIS VERGROTEN EN BRUG SLAAN NAAR GROENE LIFE
                            SCIENCES</vet></al><al><vet>Beeld</vet></al><al><cursief>Voldoende massa ...</cursief></al><al>Noord-Nederland kent een aantal dominante agroclusters, vooral gebaseerd op
                        de verwerking van melk, aardappels en suikerbieten. Er is een nauwe binding
                        tussen primaire productie en verwerking, vooral bij de aardappels,
                        suikerbieten en melk.</al><al>De Nederlandse landbouw staat momenteel onder druk vanwege voornamelijk de
                        hervorming van het gemeenschappelijk Europees landbouwbeleid.</al><al>De agrosector in Noord-Nederland heeft een toegevoegde waarde van € 5,7
                        miljard en biedt circa 80.000 arbeidsplaatsen (getallen LEI 2003, inclusief
                        verwerking buitenlandse grondstoffen). Dit betreft 14% van zowel de totale
                        toegevoegde waarde als van de totale werkgelegenheid in Noord-Nederland. Dit
                        is hoger dan de landelijk gemiddelde cijfers, respectievelijk circa 10% en
                        11%.</al><al>De Noord-Nederlandse voedings- en genotmiddelenindustrie is goed voor
                        ongeveer 22.000 arbeidsplaatsen. Hiertoe behoren ongeveer 600 bedrijven
                        waaronder een aantal grote, zoals de aardappel- en zuivelverwerking, de
                        suikerindustrie en slachterijen. Bekende namen zijn Royal Friesland Foods,
                        Avebe en Cosun.</al><al><cursief>... maar aandacht nodig voor kennis</cursief></al><al>De kennis op agribusinessgebied zit voornamelijk bij de (grotere) bedrijven.
                        De belangrijkste kennisinstellingen zitten echter buiten Noord-Nederland. De
                        benodigde kennis zal dus voor een deel ook buiten Noord-Nederland gehaald
                        moeten worden. Voor de agribusiness is vooral het contact met de
                        Universiteit Wageningen een heel belangrijk facet.</al><al>Verder is voor de agribusiness de kennisontwikkeling in de life
                        sciences-sector van groot belang.</al><al>De kennisbasis voor life sciences is in Noord-Nederland geconcentreerd bij
                        de RUG/UMCG en een aantal hogescholen inclusief gelieerde instituten. Binnen
                        de brede context van de life sciences is voor de agribusiness vooral de
                        groene tak relevant. Hiervoor is behalve RUG/TNO het Van Hall-instituut als
                        onderdeel van de WUR een belangrijk noordelijk kenniscentrum. Van groot
                        belang is verknoping en afstemming van de kennisbases van Wageningen en het
                        Van Hall-instituut.</al><al>De opleiding voor de uitvoerende niveaus in de agribusiness is via
                        mbo-opleidingen voldoende aanwezig.</al><al><cursief>... en voor kassa</cursief></al><al>Hoewel de kassa nog behoorlijk rinkelt, rinkelt er in de agribusiness ook al
                        enige tijd een alarmbel. De bedreigingen voor de sector zijn evident. De
                        Pieken van de agribusiness naar markten en producten met hogere toegevoegde
                        waarde is voor de sector van levensbelang. De noordelijke bedrijven hebben
                        dit begrepen. Er zijn verspreid over Noord-Nederland meer dan 50 bedrijven
                        actief met bioprocessing gericht op voedsel en veevoer. In deze, veelal
                        grotere, bedrijven staat de toepassing van die kennis voorop, met name van
                        kennis gericht op het verhogen van de kwaliteit en gezondheid van
                        voedingsmiddelen.</al><al>De marktkant op het snijvlak van traditionele agribusiness en groene life
                        sciences is echter nog onderontwikkeld. Er zijn bijvoorbeeld nog geen
                        duidelijke marktvensters binnen het cluster gekozen. Wel is te zien dat ook
                        de grote agrifoodbedrijven steeds meer opschuiven richting life sciences.
                        Delen van de 'groene' life sciences (met name op het snijvlak agribusiness
                        en food) vormen een interessant cluster met groeiperspectief.</al><al><vet>Ambitie</vet></al><al>Doelstelling van het beleid is de nummer 1 regio te zijn op het terrein van
                        de groene life sciences, het snijvlak tussen life sciences en de
                        agribusiness. Daarnaast moeten de agrifoodbedrijven inzetten op de biobased
                        economy. Door nieuwe toepassingen van grondstoffen aan de
                        (energie-intensieve) chemische en procesindustrie dragen de
                        agrifoodbedrijven bij aan de vergroening van de industrie en de ontplooiing
                        en verbreding van de biobased economy.</al><al>Om basis te blijven behouden voor de economisch belangrijke agrisector is
                        het ten slotte van belang om binnen de hele agriketen te werken aan
                        innovatieve productiemethoden, nieuwe producten en nieuwe merken. Kennis
                        moet snel gevaloriseerd worden.</al><al>Voor de Pieken van de agrifoodbedrijven wordt ingezet op verbetering van de
                        kostenefficiëntie om een positie op bestaande markten te behouden, en
                        vergroting van innovatiemogelijkheden door een betere benutting en nieuwe
                        marktgerichte toepassingen van de huidige grondstoffen.</al><al><vet>Centrale opgaven</vet></al><al>Ten aanzien van agribusiness ligt de eerste centrale opgave in het
                        identificeren en definiëren van kansrijke marktvensters op het snijvlak met
                        life sciences, maar ook met energie en chemie.</al><al>Een aardappel wordt dan niet meer gezien als aardappel, maar als biomassa.
                        Daarbij gaat het zowel om de 'hoofdgrondstof' als om het rest- en
                        afvalgedeelte van de plant. Door sterkere en nieuwe verbindingen te leggen
                        tussen de agribusiness-sectoren, kennisinstellingen en de ontwikkeling van
                        technologie (kennisplatform biomassa) kunnen grote innovatieve stappen
                        worden gemaakt bij de scheiding en toepassing van biomassa. Het vergt de
                        ontwikkeling en opschaling van veel nieuwe processen en technieken. Dit
                        biedt in principe ook weer kansen voor tal van spin-off-bedrijven die zich
                        toe kunnen leggen op de toelevering van technieken en materialen ten behoeve
                        van deze processen. Afstemming van de noordelijke ambities op het terrein
                        van de agribusiness/groene life sciences met de landelijke en regionale
                        roadmaps is hierbij essentieel.</al><al>Ten tweede moet worden gewerkt aan een groter organiserend vermogen om
                        betere kennisuitwisseling mogelijk te maken tussen bedrijven onderling en
                        met kennisinstellingen.</al><al>Een derde opgave ligt in het versnellen van de vermarkting en het op orde
                        brengen van de randvoorwaarden (scholing) ten behoeve van de bredere Pieken.
                        Deze Pieken krijgt verder, zoals aangegeven, vorm door in de sector breed in
                        te zetten op procesinnovaties gericht op verbeterde kostenefficiëntie.</al><al><vet>E, LIFE SCIENCES: NAAR EEN STEVIGE FOCUS EN POSITIONERING</vet></al><al><vet>Beeld</vet></al><al><cursief>Een sector met potentie</cursief></al><al>Life sciences is een dynamisch wetenschaps- en technologiegebied dat vormen
                        van biologisch leven analyseert en gebruikt voor de ontwikkeling van betere
                        producten en productieprocessen in veel toepassingsgebieden. De
                        toepassingsmogelijkheden worden globaal onderscheiden in landbouw en
                        verwerking van agrarische producten (groene life sciences, zie
                        agribusiness), industriële toepassingen (witte life sciences) en gezondheid
                        (rode life sciences).</al><al>Groningen bekleedt samen met Amsterdam de tweede positie (na Leiden) in de
                        life sciences-sector voor wat betreft aantal bedrijven, kenniswerkers en
                        omzet van zogenaamde dedicated life sciences (dit zijn kennisintensieve,
                        gespecialiseerde bedrijven die actief zijn in R&amp;D en die zowel aanwenden
                        voor eigen gebruik als kennis verkopen ten behoeve van processen, producten
                        en/of diensten aan externe opdrachtgevers). In totaal waren er eind 2004
                        ongeveer 30 van zulke dedicated life sciences-bedrijven. Ze bieden
                        hoogwaardige werkgelegenheid aan 500 mensen. Het gaat om 15-20% van de
                        totale werkgelegenheid in de dedicated life sciences-bedrijven in Nederland.
                        De grotere dedicated life sciences-bedrijven in en rond Groningen hebben een
                        sterke internationale oriëntatie. De kleinere bedrijven hebben ook een
                        internationale oriëntatie, maar zijn daarnaast op overig Nederland en de
                        eigen regio gericht.</al><al>De dedicated life sciences-bedrijven zijn veelal spin-offs van de
                        kennisinstellingen in Noord-Nederland en onderhouden daar in bijna alle
                        gevallen nauwe relaties mee. Naast de dedicated life sciences-bedrijven,
                        zijn er meer dan 50 diversified (bedrijven met deels eigen R&amp;D die
                        kennis in bestaande producten en processen zijn gaan integreren) en volgende
                        bedrijven (geen eigen R&amp;D) actief met life sciences. In de diversified
                        en volgende bedrijven, die veelal veel groter zijn dan de
                        dedicated-bedrijven, staat de toepassing van die kennis voorop. Ze zijn
                        gericht op het verhogen van de kwaliteit en gezondheid van voedingsmiddelen
                        en geneesmiddelen, het verbeteren van de milieukwaliteit en in zijn
                        algemeenheid de verbetering van de procesgang in de bedrijven met behulp van
                        life sciences-kennis.</al><al>Gezamenlijk hebben de dedicated-bedrijven en de diversified-bedrijven een
                        massa van rond de 12.000 werkzame personen.</al><al><cursief>Kennisbasis sterk, maar focus nodig...</cursief></al><al>De life sciences-sector (dedicated life sciences-bedrijven en
                        kennisinstellingen) is sterk technologisch gericht en maakt in hoge mate
                        gebruik van de ontwikkelingen die plaatsvinden in de kennisgebieden
                        biotechnologie, farmacie, medische wetenschappen, chemie,
                        levensmiddelentechnologie, materiaalkunde, informatica, nanotechnologie,
                        scheidingstechnologie en milieukunde.</al><al>Noord-Nederland heeft een aanzienlijke kennisbasis op het life
                        sciences-terrein. De grote noordelijke kennisinstellingen zoals de
                        Rijksuniversiteit Groningen (RUG), Universitair Medisch Centrum Groningen
                        (UMCG), de Hanzehogeschool met het Instituut voor Life Sciences en de
                        Noordelijke Hogeschool Leeuwarden hebben life sciences als speerpunt. Er
                        zijn opleidingen voor biologisch-medisch laboratoriumonderzoek binnen de
                        Noordelijke Hogeschool Leeuwarden en de Hogeschool Drenthe in Emmen. Het
                        Leeuwarder Van Hall Instituut besteedt veel aandacht aan voedingsmiddelen en
                        biotechnologie. Alle noordelijke provincies bieden mbo-opleidingen aan op
                        terreinen als laboratorium-, voedingsmiddelen- en procestechnologie,
                        waardoor ook op de uitvoerende niveaus een ruim arbeidsaanbod bestaat.</al><al>In Noord-Nederland en speciaal bij het UMCG/de Rijksuniversiteit Groningen
                        (RUG), zijn alle relevante technologiegebieden binnen de life sciences te
                        vinden. Met deze diversiteit onderscheidt Noord-Nederland zich van de andere
                        life sciences-clusters in Nederland.</al><al>Om deze diversiteit te kunnen benutten, massa te kunnen verwerven en een
                        duidelijke positionering van Noord-Nederland te bereiken, is echter wel
                        focus nodig. Nu is binnen Noord-Nederland het grootste deel van de dedicated
                        life sciences bedrijven en de kennis¬instellingen (met name het UMCG) actief
                        op het gebied van rode life sciences. De Randstad (met Leiden en Amsterdam)
                        heeft echter een sterkere kennisbasis, terwijl ook Maastricht in opkomst is.
                        Wel ontstaat binnen de rode life sciences in Noord-Nederland een duidelijke
                        kennispositie op het terrein van veroudering.</al><al>Witte life sciences (biochemie, instrumenten en uitrusting, technologie
                        algemeen) zijn relatief sterk vertegenwoordigd in Noord-Nederland, maar ook
                        hier is focus nodig om hieraan een kansrijke uitbouw te geven.</al><al>Het is dus zaak vanuit de onderscheidende, brede, kennisbasis te komen tot
                        een duidelijke positionering.</al><al>Die positionering kan worden gevonden door vanuit de combinatie van de
                        verschillende kennis¬gebieden op zoek te gaan naar nieuwe
                        product-marktcombinaties op de snijvlak¬gebieden tussen de regionaal sterke
                        clusters en op het gebied van veroudering. Dit biedt de potentie om vanuit
                        de brede kennisbasis vraaggestuurd te werken en de stap naar de markt te
                        maken. De vraag van veeleisende, want zelf ook sterk in ontwikkeling zijnde
                        kansrijke clusters, dwingt op zijn beurt het wetenschaps¬gebied tot
                        blijvende proces en product¬innovaties. Een dergelijke insteek biedt daarom
                        enerzijds steun aan de bredere Piekenopgave (via het combineren van de
                        kennisbases en de versterking van snijvlakken tussen clusters) en geeft
                        anderzijds voldoende richting om gedurende de Piekenperiode aan een
                        onderscheidende positie te werken.</al><al>...en aandacht voor kunde en kassa</al><al>De gewenste integratie van kennisgebieden komt zowel binnen de
                        kennisinstellingen als binnen en tussen de dedicated life sciences-bedrijven
                        wel voor, maar tot nu toe in onvoldoende mate. De clusterstructuur van de
                        life sciences is nog dun. Het organiserend vermogen beperkt zich op dit
                        moment tot Biomedcity (een overlegstructuur tussen bedrijven en
                        kennisinstellingen) en bijeenkomsten die voortkomen uit het project voor
                        netwerkvorming en kennisoverdracht 'Katalysatorplus'. De bestaande
                        organisaties missen nog slagkracht als clusterorganisatie en moet verder
                        versterkt worden zodat een hechte clusterorganisatie van overheden,
                        opleidingsinstituten, onderzoeksinstituten en vooral bedrijven ontstaat. Het
                        voortouw ligt daarbij bij de bedrijven.</al><al>Ook de marktkant is nog relatief onderontwikkeld. De omzet van witte, groene
                        en rode life sciences mag relatief groot zijn - zo'n 23% van het Nederlands
                        totaal -, toch is Noord-Nederland mondiaal een zeer kleine speler. Er zijn
                        nog geen duidelijke marktvensters gekozen. Alhoewel het imago van Groningen
                        sterk is - vooral ten aanzien van biotechnologie - en Groningen meeloopt in
                        de subtop op het gebied van rode en witte life sciences, is het aantal
                        spin-offs de laatste jaren afgenomen. Dit aantal is gaan achterlopen bij
                        Wageningen, Utrecht en Rotterdam.</al><al><vet>Ambitie</vet></al><al>De ambitie van het cluster van Noord-Nederland is een gemiddelde groei van
                        10% per te realiseren bij alle spelers in het cluster. Een groei van
                        gemiddeld 10% per jaar resulteert in 2010 in een cluster van rond de 50
                        dedicated life sciences-bedrijven, zorgend voor zo'n 850 hoogwaardige
                        arbeidsplaatsen bij dedicated life sciences-bedrijven en 2.200 kenniswerkers
                        in diverse instituten die bezig zijn met vele nieuwe producten. Het cluster
                        kan binnen 5 jaar een zodanige dichtheid verkrijgen dat gesproken kan worden
                        van een piek van nationaal belang.</al><al><vet>Centrale opgaven</vet></al><al>Voorwaarde voor succesvolle uitbouw en Pieken van de life sciences-sector is
                        allereerst het versterken van het organiserend vermogen en het vandaar uit
                        combineren van de verschillende kennisgebieden bínnen de life sciences
                        (dedicated-bedrijven en instellingen). Dit biedt kansen om nieuwe
                        product-marktcombinaties te ontwikkelen.</al><al>Ten tweede dient vanuit deze combinatie op zijn beurt gefocust te worden op
                        kansrijke marktvensters. Deze liggen enerzijds in het vraaggestuurd
                        ontwikkelen van producten voor en op de snijvlakken tussen de clusters die
                        in Noord-Nederland kansrijk zijn. Het gaat dan om de verbinding met het
                        agro-industriële complex (groene life sciences, zie ook onder agribusiness),
                        het energiecluster (biomassa), watertechnologie (via microbiologie),
                        sensortechnologie (via medische technologie) en chemie- en procesindustrie
                        (via witte life sciences).</al><al>Anderzijds dient met de combinatie ingezet te worden op het ontwikkelen van
                        innovatieve producten die aansluiten bij de kennisbasis op het gebied van
                        vergrijzing. Een aantal initiatieven op dit terrein is inmiddels in gang
                        gezet: Life-lines en Eriba (in opzet) bij de kennisinstituten, terwijl ook
                        de dedicated bedrijven - vooral rood en groen - zoals Syncom, IQ-corporation
                        en DSM Biologics, producten ontwikkelen die inspelen op het thema
                        veroudering. De markten bevinden zich onder meer in de farmaceutische
                        industrie, de voedingsmiddelenindustrie (supplementen) en de
                        zorgsector.</al><al>Tenslotte dient te worden ingezet op regionale verankering en vermarkting
                        via het genereren van spin-offs en uitbouw van het cluster.</al></divisie></bijlage><bijlage><kop><titel>BIJLAGE 3 </titel></kop><divisie><kop><titel>BIJ DE VERORDENING TRANSITIE II EN PIEKEN:</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>RANKINGSCRITERIA </titel></kop><table><title>Rankingcriteria</title><tgroup cols="4"><colspec colname="C4" colnum="4"/><colspec colname="C3" colnum="3"/><colspec colname="C2" colnum="2"/><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>Score voor ranking projecten Tender Pieken
                                                2011</vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Naam project:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Naam penvoerder:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Dossiernummer:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Programmalijn waarop het project betrekking heeft:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al><vet><vet>Maximale </vet>Score</vet></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>1 Financieel</vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>1a </al></entry><entry><al>Percentage gevraagde bijdrage ten opzichte van de totale
                                            subsidiabele kosten</al></entry><entry><al>score 1a</al></entry><entry><al>2</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>30% of meer: 0 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>30 tot 25%: 1 punt</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>25% of minder: 2 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>1b</al></entry><entry><al>Percentage totale bijdrage van projectpartners, niet
                                            zijnde gemeente, provincie, Rijk en/of EU, ten opzichte
                                            van de totale subsidiabele kosten</al></entry><entry><al>score 1b</al></entry><entry><al>4</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al> 0 tot 30%: 0 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al> ...30 tot 40%: 1 punt</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>...40 tot 50%: 2 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al> ...50 tot 60%: 3 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>...60% of meer:4 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>Totaal Financieel</vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al><vet>6</vet></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>2 Innovatie</vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>2a</al></entry><entry><al>Mate waarin er sprake is van proces/product vernieuwing
                                            met toegevoegde waarde voor de Noord-Nederlandse
                                            economie</al></entry><entry><al>score 2a</al></entry><entry><al>5</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Hierbij wordt gekeken naar de kwaliteit van de
                                            onderbouwing in de aanvraag</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>...0 = zeer matig</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>...1 = matig</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>...2 = redelijk</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>...3 = behoorlijk</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>...4 = goed</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>...5 = zeer goed</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Toelichting:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>2b</al></entry><entry><al>In hoeverre is er sprake van valorisatie?</al></entry><entry><al>score 2b</al></entry><entry><al>3</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Valorisatie: het tot maatschappelijke waarde brengen van
                                            wetenschappelijke en technologische kennis uit het
                                            publieke domein.</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>...0 = niet</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>...1 = matig</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>...2 = redelijk</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>...3 = goed</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Toelichting:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>2c</al></entry><entry><al>Is het project nieuw voor Noord-Nederland?</al></entry><entry><al>score 2c</al></entry><entry><al>2</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>ja = 2 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>nee = 0 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Toelichting:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>Totaal Innovatie</vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al><vet>10</vet></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>3 Samenwerking en clustering</vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>3a</al></entry><entry><al>Mate van samenwerking (aantal deelnemers)</al></entry><entry><al>score 3a</al></entry><entry><al>3</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>1 deelnemer: 0 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>2 deelnemers: 1 punt</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>3 deelnemers: 2 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>4 of meer deelnemers: 3 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Toelichting:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>3b</al></entry><entry><al>Kwalitatieve bijdrage</al></entry><entry><al>score 3b</al></entry><entry><al>3</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Speelt een kennisinstelling een wezenlijke rol bij dit
                                            project? Dit komt o.a. tot uiting in de mate waarin
                                            wordt deelgenomen in de projectactiviteiten. De bijdrage
                                            van de kennisinstelling moet een additionele bijdrage
                                            betreffen. Alleen een bestaand en volledig onderzoek
                                            inbrengen telt niet als bijdrage van een
                                            kennisinstelling. De bijdrage van de kennisinstelling
                                            wordt gerelateerd aan de totale subsidiabele kosten van
                                            het project (bijdrage kennisinstelling/TSK).</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>0 tot 4% = 0 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>4 tot 8% = 1 punt</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>8 tot 12% = 2 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>12% of meer = 3 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Toelichting:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>3c</al></entry><entry><al>Heeft het project inhoudelijke raakvlakken met andere
                                            nationale topsectoren of regionale speerpunten uit Koers
                                            Noord en levert het daarmee een bijdrage aan de
                                            versterking hiervan?</al></entry><entry><al>score 3c</al></entry><entry><al>3</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>ja = 3 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>nee = 0 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Toelichting:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>Totaal Samenwerking en clustering</vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al><vet>9</vet></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>Totaal</vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al><vet>25</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/></divisie></bijlage><bijlage><kop><titel>BIJLAGE 4 </titel></kop><divisie><kop><titel>BIJ DE VERORDENING TRANSITIE II EN PIEKEN:</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>PROGRAMMA- EN ACTIELIJNEN TOERISME </titel></kop><al/></divisie></bijlage><bijlage><kop><titel>BIJLAGE 5 </titel></kop><divisie><kop><titel>BIJ DE VERORDENING TRANSITIE II EN PIEKEN:</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>SITUATIESCHETS EN KNELPUNTANALYSE NOORD-NEDERLAND EN DE UITWERKING
                            DAARVAN IN TEN AANZIEN VAN TRANSITIE IN REGIONALE SPEERPUNTSECTOR
                            TOERISME </titel></kop><al/></divisie></bijlage><bijlage><kop><titel>BIJLAGE 6 </titel></kop><divisie><kop><titel>BIJ DE VERORDENING TRANSITIE II EN PIEKEN:</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>RANKINGSCRITERIA </titel></kop><al/></divisie></bijlage><bijlage><kop><titel>BIJLAGE 7</titel></kop><divisie><kop><titel>BIJ DE VERORDENING TRANSITIE II EN PIEKEN:</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>INDICATOREN</titel></kop><al>Van de volgende indicatoren vindt per project monitoring plaats, conform de
                        volgende indicatoren.</al><table><title> Indicator </title><tgroup cols="1"><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>R&amp;D-projecten (0 of 1)</al></entry></row><row><entry><al>Uitgelokte private vervolginvesteringen (in euro's
                                            conform EIM rekentool)</al></entry></row><row><entry><al>R&amp;D-investeringen (in euro's)</al></entry></row><row><entry><al>Aantal ondersteunde startende bedrijven en kleine
                                            bedrijven (&lt; 5 jaar)</al></entry></row><row><entry><al>Aantal ondersteunde MKB-bedrijven</al></entry></row><row><entry><al>Aantal samenwerkingsverbanden tussen bedrijven en
                                            kennis-/research-instellingen</al></entry></row><row><entry><al>Aantal bruto gecreëerde arbeidsplaatsen (in FTE conform
                                            EIM-rekentool)</al></entry></row><row><entry><al> Aantal projecten gericht op verbetering van natuur,
                                            landschap of cultureel erfgoed</al></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie></bijlage></regeling></body></cvdr>