<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR155220_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wijk bij Duurstede</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wijk bij Duurstede</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Wijkse Courant en www.wijkbijduurstede.nl</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">de artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99 en 147 van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-07-12</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de De regeling 'Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van Wijk bij Duurstede'</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>de artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99 en 147 van de Gemeentewet</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden
                            2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al> Onderdeel raadsprogramma: Anders Besturen </al><al>Portefeuillehouder: Guus Swillens</al><al>Voorstel aan de Raad</al><al>Voorgesteld besluit</al><al>De verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2010
                        vast te stellen.</al><al/><al><vet>Korte samenvatting</vet></al><al>De verordening regelt binnen de actuele wettelijke kaders aard en hoogte
                        van vergoedingen en verstrekkingen aan bestuurders, welke niet ten laste
                        komen van de vaste onkostenvergoeding. </al><al/><al><vet>Aanleiding</vet></al><al>De vigerende verordening dateert van 2004. Basis is een
                        voorbeeldverordening van de VNG. Deze voorbeeldverordening is gewijzigd
                        als gevolg van wijzigingen in diverse vormen van rijksregelgeving en
                        naar aanleiding van gebruikersopmerkingen uit gemeenten. </al><al/><al><vet>Specifiek (beoogd doel)</vet></al><al>Een nieuwe verordening vaststellen die in overeenstemming is met wet- en
                        regelgeving. </al><al/><al><vet>Meetbaar</vet></al><al>De verordening is opgesteld binnen de kaders van de voorbeeldverordening
                        van de VNG. Op rijksniveau is getoetst of de voorbeeldverordening in
                        overeenstemming is met wet- en regelgeving. </al><al/><al><vet>Acceptabel</vet></al><al>De verordening herstelt de formele vergoedingsbasis van onderscheiden
                        onkostensoorten. </al><al/><al><vet>Overwegingen die leiden tot het besluit</vet></al><al>Een vergoedingenregiem dient verankerd te zijn in wet- en regelgeving.
                        Voor de uitoefening van het politiek ambt moeten bestuurders niet het
                        eigen inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate
                        vergoedingssystematiek, die bovendien voor zoveel als mogelijk
                        voorfinanciering uit eigen middelen voorkomt, is van belang.
                        Inzichtelijke regels en richtlijnen bevorderen de transparantie. Dat
                        voorkomt (publieke) discussies en bevordert dat bestuurders hun functie
                        kunnen uitoefenen zonder gehinderd te worden door onzekerheden omtrent
                        de financiering van de functionele uitgaven. Daar waar declaratie van
                        kosten aan de orde is, zijn ter uitwerking van hoofdstuk V van de
                        verordening, de procedures van declareren strak vastgelegd middels
                        daartoe ingerichte formulieren. In de Gedragscode bestuurlijke
                        integriteit Wijk bij Duurstede zijn ook gedragsregels vastgelegd. </al><al><cursief>Draagvlak</cursief></al><al>Voor wat betreft de vergoedingen en verstrekkingen aan wethouders is
                        afgestemd binnen het college van burgemeester en wethouders. Met de
                        fractievoorzitters uit de raad is afgestemd over de vergoedingen en
                        verstrekkingen aan raads- en commissieleden en steunfractieleden. </al><al/><al><vet>Realistisch</vet></al><al>Kanttekeningen bij het voorgestelde besluit</al><al>Er zijn geen kanttekeningen te noemen, omdat sprake is van harmonisering
                        met relevante wet- en regelgeving.</al><al/><al><vet>Alternatieven</vet></al><al>Het is mogelijk twee verordeningen vast te stellen. Een verordening voor
                        de wethouders en een verordening voor de raads- en commissieleden.
                        Vanwege onderlinge afstemming en gelijke uitvoering is gekozen voor één
                        verordening. Afwijking is alleen aan de orde waar toepasselijke
                        rijksregelgeving dat noodzakelijk maakt.</al><al/><al><vet>Tijdgebonden</vet></al><al>Wijzigingen in relevante wet- en regelgeving zullen op enig moment
                        noodzaken tot hernieuwde aanpassing van de verordening. Het is nog niet
                        bekend wanneer relevante wijzigingen zich opnieuw zullen voordoen. </al><al>Aanpak/uitvoering</al><al>Na vaststelling door de raad wordt een actueel overzicht van
                        kostensoorten en verstrekkingen opgenomen in het BIS. Ook de benodigde
                        (begeleidings)formulieren voor rechtstreekse facturering bij de gemeente
                        en declaratie van vooruit betaalde kosten worden daar geplaatst. </al><al/><al>Communicatie</al><al>Er is een wettelijke publicatieplicht. Hetraadsbesluitwordtgepubliceerd
                        in de Wijkse Courant. De Verordening 2010 wordtgeplaatst op de
                        gemeentelijkewebsite.</al><al/><al>Financiën</al><al>Het fractievoorzittersoverleg heeft uitgesproken dat bij de Kadernota
                        2012 een structurele raming dient te worden opgenomen voor kosten
                        betreffende deelname aan cursus, congres of symposium door raads- en/of
                        steunfractieleden. Over de hoogte van het budget zal nader overlegd
                        worden. Het college zal bij die gelegenheid bezien of ook een
                        structurele raming zal worden opgenomen voor deelname aan cursus c.a.
                        door wethouders.</al><al>De uit de verordening voortvloeiende kosten van de inkomensafhankelijke
                        bijdrage zorgverzekeringswet voor raadsleden zijn vanaf 2010 in
                        meerjarenperspectief al begroot. </al><al>Bijlagen</al><lijst><li nr="1."><al>overzicht kostensoorten en -vergoeding bestuurders 2010</al></li><li nr="2."><al>bespreeknotitie fractievoorzittersoverleg met daarin de
                                wijzigingen die in verordening zijn opgenomen</al></li><li nr="3."><al>b&amp;w-rapport</al></li></lijst><al/><al>Burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede,</al><al>Janneke Louisa-Muller Guus Swillens</al><al/><al>secretaris burgemeester</al><al/><al><vet> Raadsbesluit</vet></al><al>De raad van de gemeente Wijk bij Duurstede; gelezen het voorstel van
                        burgemeester en wethouders d.d. 23 november 2010 nr. 422 gelet op de
                        artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99 en 147 van de
                        Gemeentewet, gelet op het Rechtspositiebesluit wethouders en het
                        Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, besluit vast te stellen
                        de:</al><al>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2010</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><structuurtekst><al>Hoofdstuk I Begripsomschrijvingen</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk VIII van de
                            Gemeentewet;</al><al>commissielid: het lid van een commissie als bedoeld in hoofdstuk VIII
                            van de Gemeentewet en het steunfractielid wat zijn fractie
                            vertegenwoordigt of optreedt als gespreksleider in een
                            voorbesprekingsronde op de periodieke avond van de raad;</al><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22 maart
                            1994, Stb. 243;</al><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk Besluit
                            van 22 maart 1994, Stb. 244;</al><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van 20
                            februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                            Rechtspositiebesluit wethouders;</al><al>Verplaatsingskostenregeling 1989: het besluit van de Minister van
                            Binnenlandse Zaken van 20 oktober 1989, nr. AB87/74/U6DGMP/AV/FAR,
                            Stcrt. 212;</al><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van Binnenlandse
                            Zaken van 16 maart 1993, nr.AB93/U280, Stcrt. 56;</al><al>Reisregeling buitenland: het besluit van de Minister van Binnenlandse
                            Zaken van 12 september 1994, nr. AD94/U1011, Stcrt. 181;</al><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de Gemeentewet;</al><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                            Gemeentewet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, eerste lid,
                            van het</al><al> Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, is gelijk aan het door
                            de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                            gemeenteklasse 3 vastgestelde maximum.</al><al>2.De vergoeding van het raadslid dat tevens fractievoorzitter is wordt
                            verhoogd overeenkomstig het bepaalde in artikel 8b van het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap
                            verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 3, vermeld
                            in tabel II van het</al><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                            artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964
                            voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, is
                            in afwijking van het eerste lid de onkostenvergoeding gelijk aan het
                            bedrag voor gemeenteklasse 3, vermeld in tabel III van het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste
                                vergoedingen</titel></kop><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is geweest
                            ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, naar
                            evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid is
                            geweest.</al><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                            geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte kosten
                            in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter
                            uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur vergoed.</al><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi: een
                            volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                            reiskosten;</al><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van de in
                            redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig het
                            bepaalde in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling rechtspositie
                            wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfkosten ter zake van
                            reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid
                            vergoed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                            seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens de
                            gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                            gemeente.</al><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                            symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                            verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag gaat
                            vergezeld van inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. De
                            kosten komen voor rekening van de gemeente als deelname van algemeen
                            belang is in verband met de vervulling van het raadslidmaatschap.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><al>Het college stelt het raadslid op aanvraag ten laste van de gemeente
                            voor de uitoefening van het raadslidmaatschap een computer, bijbehorende
                            apparatuur en software in bruikleen ter beschikking.</al><al>Op aanvraag vergoedt het college het raadslid de aanleg- en
                            abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het eerste lid
                            genoemde computerapparatuur.</al><al>Het raadslid ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst met
                            de gemeente.</al><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en
                            onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van
                            die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan op aanvraag deelnemen
                            aan de voor het gemeentelijk personeel geldende spaarloonregeling.</al><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en
                            onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van
                            die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan deelnemen aan de
                            levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de
                            loonbelasting 1964.</al><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien het raadslid
                            gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling.</al><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
                            aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en
                            onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van
                            die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan deelnemen aan de
                            fietsregeling als bedoeld in artikel 37 van de Uitvoeringsregeling
                            loonbelasting 2001.</al><al>Naar keuze van het raadslid wordt de raadsvergoeding dan wel vaste
                            onkostenvergoeding verminderd met de vergoeding voor de fiets als
                            bedoeld in de Uitvoeringsregeling.</al><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
                            aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, kan op
                            verzoek van een raadslid worden verlaagd in het geval hij een uitkering
                            ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke</al><al>arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting
                                werkloosheidsuitkering</titel></kop><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
                            ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die wet ontstane korting
                            op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                            raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde vergoeding
                            voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding
                            ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde
                            korting.</al><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit
                            Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel ontvangt en de na
                            toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane korting
                            op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                            raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde vergoeding
                            voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding
                            ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde
                            korting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van
                                de gemeenteraad</titel></kop><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer dan 30
                            dagen onafgebroken het voorzitterschap van de gemeenteraad waarneemt,
                            ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in artikel 2
                            bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van de
                            waarneming.</al><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                            onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><al>Het raadslid ontvangt jaarlijks de tegemoetkoming in de kosten van een
                            ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 11 van het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al><al>In het geval een raadslid gedurende een gedeelte van het kalenderjaar
                            lid van de raad is geweest ontvangt hij de tegemoetkoming, bedoeld in
                            het eerste lid, naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat
                            jaar raadslid is geweest.</al><al>De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, geschiedt
                            in maandelijkse termijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens
                                zwangerschap en bevalling of ziekte</titel></kop><al>De artikelen 2 tot en met 4, 8, 10 tot en met 12 en 13a blijven van
                            toepassing op het raadslid aan wie ingevolge artikel X 10 van de Kieswet
                            tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of
                            ziekte, met dien verstande dat de onkostenvergoeding die dit raadslid op
                            grond van artikel 3, eerste of tweede lid, ontvangt de helft bedraagt
                            van het bedrag dat op grond van die bepalingen van toepassing is.</al><al>De artikelen 1 tot en met 7, 8, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en
                            11 tot en met 13a van deze verordening zijn van toepassing op raadsleden
                            die tijdelijk worden benoemd ter vervanging van een raadslid dat
                            ingevolge artikel X10 van de Kieswet tijdelijk ontslag heeft verkregen
                            wegens zwangerschap en bevalling of ziekte.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het wethouderschapschap
                            verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenten met een
                            inwoneraantal vanaf 18.001, vermeld in artikel 25 van het
                            Rechtspositiebesluit wethouders.</al><al>Indien aan de wethouder ingevolge artikel 22 van deze verordening een
                            mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking is gesteld, wordt de
                            component ‘telefoonkosten’ middels een korting op de onkostenvergoeding
                            zodanig verlaagd, dat daarvoor een bedrag van € 25 resteert. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>De tegemoetkoming voor het reizen tussen zijn woning en de plaats van
                            tewerkstelling van de wethouder is gelijk aan de vergoeding bedoeld in
                            artikel 3 van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zakelijke reiskosten</titel></kop><al>Aan de wethouder wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 15
                            vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van andere dan de in
                            artikel 15 bedoelde reizen ten behoeve van de gemeente gemaakt.</al><al>De vergoeding betreft:</al><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi: een
                            volledige vergoeding van de reiskosten;</al><al>bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding als bedoeld in
                            artikel 4, onderdeel b, van de Regeling rechtspositie wethouders;</al><al>een vergoeding van de noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                            verblijfkosten;</al><al>Op aanvraag worden de reiskosten voor de zakelijke reizen van de
                            wethouder gesaldeerd overeenkomstig de regeling voor gemeentelijk
                            personeel. Indien geen regeling als bedoeld in de eerste volzin is
                            vastgesteld vindt op aanvraag saldering van de reiskosten voor de
                            zakelijke reizen van de wethouder plaats overeenkomstig artikel 4a van
                            de Reisregeling binnenland, artikel 2a van de Reisregeling buitenland en
                            artikel 13a van de krachtens het Verplaatsingskostenbesluit 1989
                            vastgestelde Verplaatsingskostenregeling 1989.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Dienstauto</titel></kop><al>P.M.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten Nederland
                            maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reis- en
                            verblijfkosten vergoed.</al><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet zijnde
                            een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming van het
                            college vereist. De gemeenteraad kan aan deze toestemming voorwaarden
                            verbinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen, congressen,
                            seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens de
                            gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                            gemeente.</al><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                            symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                            verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag gaat
                            vergezeld van inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. De
                            kosten komen voor rekening van de gemeente als deelname van algemeen
                            belang is in verband met de uitoefening van het ambt van wethouder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><al>Het college stelt de wethouder ten laste van de gemeente voor de
                            uitoefening van het ambt een computer, bijbehorende apparatuur en
                            software in bruikleen ter beschikking.</al><al>Op aanvraag vergoedt het college de wethouder de aanleg- en
                            abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het eerste lid
                            genoemde computerapparatuur.</al><al>De wethouder ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst met
                            de gemeente.</al><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor uitsluitend de uitoefening van zijn
                            ambt een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking gesteld.</al><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                            gemeente.</al><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al><al>Voor zover de in bruikleen beschikbaar gestelde mobiele telefoon voor
                            privé-doeleinden is gebruikt, vindt maandelijks een verrekening van de
                            gesprekskosten plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><al>De wethouder kan op aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk
                            personeel geldende spaarloonregeling.</al><al>De wethouder kan deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in
                            artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien de wethouder
                            gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling.</al><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                            aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><al>De wethouder kan deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in artikel
                            37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar keuze van de
                            wethouder wordt de bezoldiging dan wel vaste onkostenvergoeding dan wel
                            eindejaarsuitkering verminderd met de vergoeding voor de fiets als
                            bedoeld in de Uitvoeringsregeling.</al><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                            aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Reis- pensionkosten en verhuiskosten bij
                                benoeming</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding
                            van:</al><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 van de
                            Regeling rechtspositie wethouders;</al><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder overeenkomstig
                            het bepaalde in artikel 2 van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van
                                vergaderingen</titel></kop><al>De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een commissie
                            en haar subcommissies bedoeld in artikel 14 van het Rechtspositiebesluit
                            raads- en commissieleden is gelijk aan het door de minister van
                            Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor gemeenteklasse 3
                            vastgestelde maximum. </al><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die als
                            lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden als
                            bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt.</al><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een commissie</al><al>als raadslid of wethouder;</al><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een ambtelijke
                            of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een functie bij een instelling
                            die grotendeels van overheidswege wordt gesubsidieerd;</al><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling, organisatie of
                            groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de commissie tevens in
                            belangrijke mate het gemeentelijk belang dient.</al><al>De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid in
                            voorkomende gevallen een hogere vergoeding vaststellen, ten aanzien
                            van:</al><al>een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere beroepsmatige
                            deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelname aan haar
                            werkzaamheden is aangetrokken, en</al><al>een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding niet geacht
                            kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn
                            taak en de omvang van de door hem te verrichten arbeid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><al>Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is en niet
                            in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is benoemd
                            worden de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen van de
                            commissie vergoed.</al><al>De vergoeding betreft:</al><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi: een
                            volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                            reiskosten;</al><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van de in
                            redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig het
                            bepaalde in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling rechtspositie
                            wethouders;</al><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden de in redelijkheid
                            noodzakelijk gemaakte verblijfkosten ter zake van reizen binnen en
                            buiten het grondgebied van de gemeente vergoed overeenkomstig het
                            bepaalde in artikel 4, onderdeel c, van de Regeling rechtspositie
                            wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><al>De gemeenteraad kan een commissie uit de gemeenteraad toestemming
                            verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De gemeenteraad
                            kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege de
                            gemeente georganiseerd.</al><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor rekening
                            van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><al>De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen, congressen,
                            seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens de
                            gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                            gemeente.</al><al>Het commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                            symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                            verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag gaat
                            vergezeld van inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. De
                            kosten komen voor rekening van de gemeente als deelname van algemeen
                            belang is in verband met de vervulling van het
                            commissielidmaatschap.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><al>P.M.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door: </al><al>betaling uit eigen middelen; of</al><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente; </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 16, 19,
                            24 en 27 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier, waarvan het
                            model door het college is vastgesteld, indien deze kosten uit eigen
                            middelen vooruit zijn betaald.</al><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend en binnen
                            2 maanden ingediend, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.
                            Hierbij geldt voor het indienen:</al><lijst><li nr="-"><al>indien het een wethouder betreft bij de gemeentesecretaris</al></li><li nr="-"><al>indien het een raadslid of commissielid betreft bij de griffier
                                    of een door hem aangewezen ambtenaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de
                                gemeente</titel></kop><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 16, 19, 20, 24 en
                            27 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het
                            raadslid, commissielid of de wethouder voor akkoord ondertekende factuur
                            aan de gemeente.</al><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                            begeleidingsformulier, waarvan het model door het college is
                            vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al><al>Het begeleidingsformulier en de factuur worden binnen 1 maand ingediend.
                            Hierbij geldt voor het indienen:</al><lijst><li nr="-"><al>indien het een wethouder betreft bij de gemeentesecretaris</al></li><li nr="-"><al>indien het een raadslid of commissielid betreft bij de griffier
                                    of een door hem aangewezen ambtenaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Gebruik creditcard</titel></kop><al>P.M. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V1</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De verordening Voorzieningen wethouders, raads- en commissieleden 2004
                            wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2011 en werkt voor wat
                            betreft de artikelen 1, 2 lid 1, 3 tot en met 13a en 26 tot en met 29
                            terug tot en met 11 maart 2010. Artikel 2 lid 2 werkt terug tot 1
                            januari 2009. De artikelen 16 tot en met 23 en 25 werken ten aanzien van
                            de op 18 mei 2010 beëdigde wethouders terug tot en met de dag van hun
                            beëdiging. Artikel 24 werkt terug tot 15 april 2006. De artikelen 31 tot
                            en met 33 werken voor zover het betreft de leden van de raad en
                            commissieleden terug tot en met 11 maart 2010. De artikelen 31 tot en
                            met 34 werken voor zover het de op 18 mei 2010 beëdigde wethouders
                            betreft terug tot en met de dag van hun beëdiging. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden 2010.</al><al>Wijk bij Duurstede, 7 december 2010</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Marcella van Esterik, Guus Swillens </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>TOELICHTING bij de Verordening rechtspositie wethouders, raads- en
                                commissieleden 2010</vet></al><al/><al><vet>ALGEMEEN</vet></al><al>Wettelijke regelingen</al><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                            gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten
                            bij wet, AMvB, ministeriële regeling (alleen wethouders) en
                            gemeentelijke verordening. Wettelijk is voor wethouders in de Algemene
                            pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) de uitkering na aftreden en
                            het pensioen geregeld. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere
                            invulling van de rechtspositie van wethouders, raads- en commissieleden
                            moet worden geregeld bij AMvB. Daartoe zijn tot stand gekomen het
                            Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden. Enkele vergoedingen voor wethouders die gelijk zijn aan
                            die voor rijksambtenaren, maar voor hen voorheen in verschillende
                            regelingen waren opgenomen waarnaar in het verleden werd verwezen, zijn
                            om pragmatische redenen sinds 1 januari 2004 opgenomen in een
                            ministeriële regeling, de Regeling rechtspositie wethouders. In deze
                            wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de rechtspositie van belang
                            zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen, zoals de hoogte
                            van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is in de
                            rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende bepalingen. Voor
                            secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een regeling tegemoetkoming
                            in de kosten van een ziektekostenverzekering of een uitkering bij
                            aftreden als raadslid, geldt dat de gemeente de vrijheid heeft om deze
                            voorzieningen te treffen.</al><al>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening</al><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                            wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies. De
                            grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde
                            rechtspositiebesluiten. Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is
                            toegekend genieten de wethouders als zodanig geen inkomsten, in welke
                            vorm dan ook, ten laste van de gemeente (artikel 44 van de Gemeentewet).
                            Dit betekent dat de rechtspositionele aanspraken voor zittende
                            wethouders uitsluitend te vinden zijn in respectievelijk de Gemeentewet,
                            het Rechtspositiebesluit wethouders, de Regeling rechtspositie
                            wethouders en de plaatselijke Verordening rechtspositie wethouders,
                            raads- en commissieleden. Gewezen wethouders ontlenen hun aanspraak op
                            een ontslaguitkering en pensioen aan de Algemene pensioenwet politieke
                            ambtsdragers.</al><al>Een soortgelijke bepaling als artikel 44 is voor raads- en
                            commissieleden opgenomen in artikel 99 van de Gemeentewet. Het tweede
                            lid van die bepaling voegt daaraan toe dat bij gemeentelijke verordening
                            aan raads- en commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van
                            vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is
                            wel de goedkeuring van gedeputeerde staten vereist.</al><al>De rechtspositionele aanspraken voor raads- en commissieleden zijn dan
                            ook uitsluitend te vinden in respectievelijk de Gemeentewet, het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de plaatselijke
                            Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden.</al><al>Afzonderlijke verordeningen</al><al>Het is mogelijk de lokale regeling voor wethouders en voor raads- en
                            commissieleden in afzonderlijke verordeningen op te nemen. In dat geval
                            bestaat de Verordening rechtspositie raads- en commissieleden uit de
                            hoofdstukken I, II, IV, V en VI van de voorbeeldverordening en de
                            Verordening rechtspositie wethouders uit de hoofdstukken I, III, V en VI
                            van de voorbeeldverordening. In Wijk bij Duurstede is er voor gekozen de
                            bepalingen in één verordening te bundelen.</al><al>De verordening bevat bepalingen inzake:</al><al>de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden
                            (artikelen 2 en 26); de bezoldiging van de wethouders is uitputtend
                            geregeld in het Rechtspositiebesluit wethouders;</al><al>een vaste algemene onkostenvergoeding voor wethouders en raadsleden
                            (artikelen 3 en 14);</al><al>reis- en verblijfkosten van wethouders, raads- en commissieleden,
                            waarbij voor wethouders een onderscheid is gemaakt tussen
                            woon-werkverkeer en zakelijke reizen (artikelen 5, 6, 15 t/m 19, 27 en
                            28);</al><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming
                            verhuisplichtige wethouder (artikel 24)</al><al>beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan
                            wethouders en raadsleden (artikelen 8, 21, en 22) en faciliteiten in de
                            vorm van deelname van wethouders, raads- en commissieleden aan
                            cursussen, congressen e.d. (artikelen 7, 20 en 29);</al><al>een aantal secundaire voorzieningen voor zowel wethouders als
                            raadsleden, zoals de spaarloonregeling of levensloopregeling (artikelen
                            10 en 23);</al><al>de procedure van declareren (artikelen 31 t/m 34).</al><al>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid</al><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is
                            dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het
                            betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de
                            werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA.
                            Raadsleden worden ook niet aangemerkt als werknemer in de zin van de
                            Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet geen recht
                            op vergoeding door de gemeente van de over de raadsvergoeding
                            verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                            basisverzekering. Als gevolg van een wijziging van artikel 11 van het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden van 6 december 2006 (Stb.
                            2006, 660) kan door de raad echter bij verordening wel een
                            tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering worden
                            toegekend. Zie hiervoor verder de toelichting bij artikel 13a.</al><al>Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet
                            onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten getoetst
                            aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid opteren voor de
                            loonbelasting door te kiezen voor het fictief werknemerschap (zie
                            hieronder m.b.t. de zg. opting in regeling).</al><al>Wethouders zijn sinds de dualisering van het gemeentebestuur ingevolge
                            de Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld
                            en vallen onder de werking van die wet. Echter de bepalingen over het
                            materiële ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing
                            op wethouders. Hun rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven,
                            beheerst door specifieke wet- en regelgeving. De aanstelling in openbare
                            dienst houdt voor de toepassing van de fiscale wetgeving in dat sprake
                            is van een arbeidsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt.
                            Dit betekent dat wethouders direct onder de werking van de Wet op de
                            loonbelasting vallen. Wethouders vallen niet onder de werking van de
                            Ziektewet, Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de
                            pensioenvoorziening bij het ABP. Wachtgeld na aftreden en ouderdoms- en
                            nabestaandenpensioen zijn voor wethouders geregeld in de Algemene
                            pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). Wethouders zijn werknemers in
                            de zin van de Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die
                            wet recht op vergoeding door de gemeente van de over hun bezoldiging
                            verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                            basisverzekering.</al><al/><al>De loon- en inkomstenbelasting</al><al/><al>Opting in regeling</al><al>Raadsleden – en inmiddels ook commissieleden - kunnen opteren voor de
                            loonbelasting. Het raadslid kan met de gemeente overeenkomen dat deze
                            loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting in regeling” genoemd. De
                            administratie van de gemeente is zodanig ingericht dat wordt voldaan aan
                            de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke verklaring
                            melden de gemeente en het raadslid aan de Belastingdienst dat wordt
                            geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het
                            loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente de ingehouden loonheffing af
                            aan de Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de formele
                            zin van het woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het
                            raadslidmaatschap niet onder de sociale zekerheidswetgeving. Om die
                            reden worden over de raadsvergoeding ook geen premies sociale zekerheid
                            ingehouden.</al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat
                            geval geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen
                            niet worden afgetrokken. Wel kan de gemeente onder voorwaarden bepaalde
                            vergoedingen onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in
                            bruikleen beschikbaar stellen. Dat betreft bijv. de vergoeding van reis-
                            en verblijfkosten en de zakelijke deelname aan cursussen en congressen.
                            Er zijn ook vergoedingen die niet belastingvrij kunnen worden verstrekt.
                            Deze vergoedingen worden gebruteerd toegekend waardoor na inhouding van
                            de loonheffing de netto bedoelde vergoeding resteert. Het meest
                            duidelijke voorbeeld is de onkostenvergoeding, die aan raadsleden die
                            gekozen hebben voor ‘opting-in’ als een bruto bedrag wordt verstrekt.
                            Raadsleden die gekozen hebben voor de standaard regeling ontvangen een
                            lager bedrag dat vergelijkbaar is met het netto resultaat van de bruto
                            vergoeding. Raadsleden kunnen ook deelnemen aan de spaarloonregeling of
                            de levensloopregeling en de fietsregeling.</al><al>Fiscale standaardpositie</al><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het
                            raadslid dat hij voor de Wet</al><al>inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet. In dat
                            geval is het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle
                            ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in
                            mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaard
                            regeling zullen dan ook over het lagere bedrag dat zij als
                            onkostenvergoeding ontvangen inkomstenbelasting moeten betalen, tenzij
                            zij aan de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de vergoeding
                            is besteed aan onkosten voortvloeiend uit het raadslidmaatschap. Zij
                            kunnen niet deelnemen aan de spaarloonregeling en de levensloopregeling
                            en fietsregeling.</al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                            beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                            normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                            resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en
                            verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te
                            melden middels een opgave IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in
                            het economische verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk
                            gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor de hoogte van de vaste
                            kostenvergoeding maakt het verschil uit of het raadslid wel of niet
                            heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor hieronder de
                            toelichting op artikel 3).</al><al>Eenmalige keuze per zittingsperiode</al><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te
                            opteren voor de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen
                            hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal
                            per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de
                            (resterende) zittingsperiode. Wel kan het raadslid als spijtoptant
                            terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor
                            de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te
                            gebeuren maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende
                            periode.</al><al>De vergoedingssystematiek</al><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het
                            eigen inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek
                            is daarom van belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het
                            aanbeveling terughoudend te zijn met een financieringswijze waarin de
                            bestuurder deze uit eigen middelen vooruit betaalt en de gemeente ze
                            terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen moeten zoveel mogelijk
                            gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft het de voorkeur
                            de kosten direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de
                            mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter behoefte
                            blijven bestaan. Als vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende
                            wijze van redeneren:</al><al>-welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie
                            (bedrijfsvoering en</al><al> bestuurskosten);</al><lijst><li nr="-"><al>welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van
                                    het ambt, maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de
                                    organisatie;</al></li><li nr="-"><al>kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden
                                    aangeboden (indien de loonbelasting geldt);</al></li><li nr="-"><al>voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden,
                                    kan een (bruto)</al></li></lijst><al> vergoeding worden verstrekt.</al><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende:</al><al>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de bedrijfsvoering</al><lijst><li nr="-"><al>bruikleen van computer- en communicatieapparatuur;</al></li><li nr="-"><al>zakelijk gebruik van dienstauto’s;</al></li><li nr="-"><al>deelname aan cursussen en congressen e.d.</al></li></lijst><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de
                            wethouder, het raadslid of commissielid maar worden direct door de
                            gemeente voldaan en de voorzieningen worden om niet in bruikleen
                            gegeven. Zij vallen derhalve buiten de vergoedingssfeer.</al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar onbelast kunnen
                            worden vergoed</al><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten,
                            blijft het systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven de
                            wethouder of het raadslid op basis van declaratie worden vergoed. Deze
                            kunnen, als is voldaan aan de gestelde voorwaarden, onbelast worden
                            vergoed.</al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet onbelast
                            kunnen worden vergoed</al><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto)
                            kostenvergoeding verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 14 is
                            aangegeven om welke beroepskosten het gaat.</al><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd geldt
                            dezelfde systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen
                            alle vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische
                            verkeer als opbrengst te verantwoorden. Omdat zij hun werkelijk gemaakte
                            kosten fiscaal kunnen verrekenen worden hun vergoedingen niet gebruteerd
                            toegekend.</al><al/><al>Controle en verantwoording</al><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle
                            andere publieke middelen - transparantie van groot belang. Daartoe
                            dienen enerzijds inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het
                            vergoedingen- en voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een
                            duidelijke verantwoording van het daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze
                            kan worden voorkomen dat er onnodige discussies plaatsvinden omtrent het
                            gebruik van onkostenregelingen of voorzieningen door gemeentebestuurders
                            en over de eventueel verschuldigde belasting.</al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen
                            zonder te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van
                            de functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende
                            financiële en administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen
                            kan bestaan omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al>In hoofdstuk V is in verband hiermee, in aanvulling op de in de
                            Financiële beheersverordening vastgestelde regels, een aantal
                            belangrijke procedures vastgelegd over rechtstreekse facturering van
                            functionele uitgaven, declaratie van vooruit betaalde kosten en het
                            gebruik van creditcards. Daarnaast zijn er in de bruikleenovereenkomsten
                            heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van computer- en
                            communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de uitoefening
                            van de politieke functie. In aanvulling hierop is een gedragscode
                            ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd. Voor Wijk bij
                            Duurstede is dat de ‘Gedragscodes bestuurlijke integriteit raadsleden en
                            commissieleden, geen raadslid zijnde en collegeleden’. Daarbij gaat het
                            onder meer om afspraken omtrent de bestuurlijke uitgaven die in
                            aanmerking komen voor bespreking en zonodig besluitvorming in het
                            college. In die gedragscode is ook het beleid rond buitenlandse reizen
                            en de bekostiging van zakendiners met derden opgenomen. Verder zijn er
                            aanvullende administratieve procedures beschreven over de afwikkeling
                            van declaraties en facturen en de daarbij te hanteren verdeling van
                            verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om te gaan met interpretatie-
                            of meningsverschillen.</al><al/><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al>Artikel 2 vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</al><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat
                            raadsleden voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte
                            van de vergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in
                            het Rechtspositiebesluit het maximale bedrag van de vergoeding voor de
                            werkzaamheden aangegeven.</al><al>In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale
                            bedrag. De gemeenteraad kan besluiten naar beneden af te wijken van het
                            door de minister vastgestelde maximum. De afwijking naar beneden kan op
                            drie manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op
                                    een percentage tussen 80 en 100 van het door de minister
                                    vastgestelde maximum;</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt
                                    uitbetaald als presentiegeld; dat deel mag maximaal 20% van de
                                    raadsvergoeding zijn;</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden
                                    vast.</al></li></lijst><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt
                            tussen raadsleden, dus een presentievergoeding of een lagere
                            raadsvergoeding geldt voor alle raadsleden. Het bedrag van de vergoeding
                            voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari
                            herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid. Hiervoor is
                            in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat in de verordening
                            in algemene zin is aangegeven dat de raadsvergoeding gelijk is aan het
                            door de minister te bepalen maximum of een percentage daarvan.</al><al>Raadsleden die een WAO- of WIA-uitkering ontvangen kunnen sinds 1
                            januari 2006 verzoeken hun raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het
                            nadeel van indeling in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden
                            voorkomen. Deze keuzemogelijkheid moet bij verordening worden toegestaan
                            en is opgenomen in artikel 11 van deze verordening. Zie verder de
                            toelichting bij dit artikel.</al><al>Vergoeding fractievoorzitters</al><al>Bij Koninklijk Besluit van 16 december 2009 is in het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden een nieuw artikel 8b
                            ingevoegd. Ingevolge dit artikel ontvangen de fractievoorzitters naast
                            de vergoeding voor het raadslidmaatschap voor de duur van hun
                            voorzitterschap een toelage gelijk aan 1,2% van de vergoeding op
                            jaarbasis en een toelage gelijk aan 0,4% voor elk lid dat de fractie
                            buiten de fractievoorzitter telt. De toelagen tezamen bedragen ten
                            hoogste 6,4% van de vergoeding op jaarbasis. </al><al>De burgemeester stelt vast:</al><al>hoeveel leden een fractie telt;</al><al>de duur van het fractievoorzitterschap.</al><al>Deze bepaling werkt terug tot 1 januari 2009.</al><al>Artikelen 3 en 14 vaste onkostenvergoeding raadsleden en wethouders</al><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van wethouder
                            c.q. aan het raadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is
                            opgebouwd op basis van de volgende kostencomponenten:</al><lijst><li nr="-"><al>representatie</al></li><li nr="-"><al>vakliteratuur</al></li><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen</al></li><li nr="-"><al>telefoonkosten</al></li><li nr="-"><al>bureaukosten, porti</al></li><li nr="-"><al>zakelijke giften</al></li><li nr="-"><al>bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr="-"><al>ontvangsten thuis</al></li><li nr="-"><al>excursies.</al></li></lijst><al>Voor de kostensoorten fax/pc en cursussen en congressen zijn vanaf 1
                            januari 2001 specifieke voorzieningen getroffen (zie de artikelen 7, 8,
                            20, 21 en 29).</al><al>De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer onbelast
                            worden verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding
                            gelijk te houden is het bedrag gebruteerd tegen het belastingtarief van
                            52%. Deze brutering heeft echter geen betrekking op raadsleden die niet
                            hebben geopteerd voor het loonbelastingregime. Voor hen blijven de
                            aftrekmogelijkheden van de werkelijk gemaakte kosten op het resultaat
                            uit onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste kostenvergoeding zonder
                            de brutering. Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen onderbouwen,
                            blijft de raadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond, zal
                            alsnog worden belast bij de aangifte Inkomstenbelasting.</al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening
                            bepaald. Wel is in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en
                            raadsleden het maximale bedrag van de kostenvergoeding aangegeven. In de
                            artikelen 3 en 14 is de hoogte van de kostenvergoeding bepaald op het
                            maximale bedrag. De onkostenvergoeding kan door de raad op een lager </al><al>bedrag worden bepaald, dat echter niet lager mag zijn dan 80% van het
                            door de minister vastgestelde maximum.</al><al>Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks
                            per 1 januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor
                            is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat in de
                            verordening in algemene zin is aangegeven dat de onkostenvergoeding
                            gelijk is aan het door de minister te bepalen maximum of een percentage
                            daarvan.</al><al>Artikelen 5, 6 en 27 reis- en verblijfkosten raads- en
                            commissieleden</al><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor woon-werk-verkeer
                            voor raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de
                            Gemeentewet als raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor
                            reizen binnen het grondgebied van de gemeente. </al><al>Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads- en commissieleden wel
                            in een vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor reizen buiten het
                            grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing van het
                            gemeentebestuur.</al><al>Aan commissieleden kan bovendien krachtens artikel 96, eerste lid, van
                            de Gemeentewet ook een vergoeding worden gegeven voor de reis- en
                            verblijfkosten in verband met reizen binnen de gemeente.</al><al>In de artikelen 5 en 27 is voor de vergoedingen aansluiting gezocht bij
                            de ‘Regeling rechtspositie wethouders’.</al><al>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft door
                            deze specifieke regeling voor de wethouders de mogelijkheid meer op dat
                            ambt toegespitste vergoedingen vast te stellen. De vergoedingen zijn in
                            principe dezelfde als die welke in de voor de rijksoverheid geldende
                            ‘Reisregeling binnenland’ en de ‘Reisregeling buitenland’ zijn
                            opgenomen. </al><al>De vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                            verblijfkosten is niet nader ingevuld. Onder verblijfkosten worden
                            verstaan de kosten i.v.m. overnachting in een hotel. Daarmee is dit een
                            lokale aangelegenheid die kan worden vastgelegd in een door de raad vast
                            te stellen uitvoeringsregeling, waarbij eventueel aansluiting gezocht
                            kan worden bij de rijksregelingen (voor de wethouders is het aan het
                            college een uitvoeringsregeling te treffen). Gezien het zeer incidentele
                            karakter van hotelverblijf door raads- en commissieleden is er voor
                            gekozen vooralsnog geen uitvoeringsregeling te treffen. In voorkomende
                            gevallen kunnen voor wat betreft het begrip ‘noodzakelijke en
                            redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten’ vooraf de actuele vergoedingen
                            ingevolge de Reisregelingen binnenland en buitenland als richtlijn
                            worden geraadpleegd.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt
                            dat de vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst
                            moeten worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende
                            randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd. Vergoed
                            kunnen worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik van eigen
                            vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals die voor het
                            rijkspersoneel geldt. De vergoeding van de reiskosten met het openbaar
                            vervoer is onbelast. De kilometervergoeding is voor € 0,19 onbelast,
                            ongeacht het gebruikte vervoermiddel. </al><al/><al>In het Handboek loonheffingen 2010 wordt over de kilometervergoeding
                            opgemerkt:</al><al>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer
                            betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer-
                            en tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor
                            het inbouwen van een carkit of navigatiesysteem, voor extra
                            benzineverbruik wegens gebruik van een aanhangwagen of voor schade aan
                            de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en tolgelden en voor
                            overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de eindheffing, voor zover
                            ze loon zijn.</al><al>Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere
                            deel belast.</al><al>Artikelen 7, 20 en 29 Cursus, congres, seminar of symposium </al><al>In de paragraaf ‘De vergoedingensystematiek’ in het algemene deel van
                            deze toelichting is aangegeven dat deze voorziening in de
                            bedrijfsvoering is ondergebracht. De kosten voor cursussen, congressen
                            e.d. komen dus rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij zijn geen
                            onderdeel van de vaste kostenvergoeding van de wethouders c.q.
                            raadsleden. </al><al>Een onderscheid is gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of
                            vanwege de gemeente in het gemeentelijk belang zijn georganiseerd en
                            cursussen, congressen e.d. waaraan een wethouder c.q. het individuele
                            raads- of commissielid in verband met de vervulling van het ambt c.q.
                            raads- of commissielidmaatschap op eigen initiatief deelneemt.</al><al>Kosten van partijgebonden bijeenkomsten kunnen niet ten laste van de
                            gemeente worden gebracht. Om die reden wordt in het tweede lid het
                            algemeen belang van de cursus etc. benadrukt. In het laatste geval zijn
                            er aanvullende voorwaarden gesteld aan de aanvraag (inhoudelijke
                            informatie over de cursus of het congres en een kostenspecificatie).
                            Hierbij kan de betreffende fractievoorzitter een rol spelen. In het
                            aanvraagformulier is een vraag opgenomen of de fractievoorzitter de
                            aanvraag ondersteunt.</al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen, congressen e.d. hebben een
                            zakelijk karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de
                            vergoeding c.q. verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor
                            raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                            vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer
                            bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden
                            verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden
                            als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al>Artikelen 8 en 21 Computer en internetverbinding</al><al>Sinds 2005 kan een computer met bijbehorende apparatuur en software
                            alleen onbelast worden vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld
                            indien deze geheel of nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt. In de
                            Nota naar aanleiding van het verslag (Tweede-Kamerstuk 29 767, nr. 14,
                            blz. 22) wordt hierover het volgende opgemerkt:</al><al>‘Er is juist omwille van de eenvoud gekozen voor het criterium geheel of
                            nagenoeg geheel. Op deze wijze blijven computers die louter zakelijk
                            worden gebruikt buiten de heffing. Het aanvullende criterium 'nagenoeg
                            geheel' zorgt ervoor dat de werkgever bij zeer incidenteel privé-gebruik
                            niet meteen de gehele computer in de heffing hoeft te betrekken. De
                            werkgever dient aannemelijk te maken dat de computer geheel (of nagenoeg
                            geheel) zakelijk wordt gebruikt om deze onbelast te kunnen vergoeden,
                            verstrekken of ter beschikking te stellen. Hierbij geldt de vrije
                            bewijsleer. In dit kader kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties
                            waarin technische voorzieningen zijn aangebracht aan de computer die
                            privé-gebruik als zodanig bemoeilijken, de werknemer via de computer
                            toegang heeft tot het intranet van de werkgever, hij via de computer
                            geen vrije internettoegang heeft, er op de computer geen software anders
                            dan bedrijfsmatige software op staat, de werknemer ook niet de
                            mogelijkheid heeft er software op te zetten en hij geen eigen
                            randapparatuur kan aansluiten.’</al><al>Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap of het ambt van wethouder
                            wordt op aanvraag om niet een computer met bijbehorende apparatuur en
                            software in bruikleen beschikbaar gesteld. Bijbehorende apparatuur is
                            apparatuur die is bestemd om aan de computer te worden gekoppeld om
                            informatie uit te wisselen. Voorbeelden hiervan zijn een modem, een
                            printer, een fax en een digitale fotocamera. De grondslag voor deze
                            faciliteit is te vinden in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en
                            raads- en commissieleden. De nadere voorwaarden zijn geregeld in de
                            bruikleenovereenkomst die het raads- of commissielid en de wethouder met
                            de gemeente sluit. Het model van die overeenkomst is door het college
                            vastgesteld.</al><al>Met het ondertekenen van de bruikleenovereenkomst verklaart het raadslid
                            c.q. de wethouder o.a. dat hij:</al><lijst><li nr="-"><al>de apparatuur en programmatuur voor 90% of meer voor de
                                    uitoefening van het raadslidmaatschap c.q. het ambt gebruikt
                                    (zakelijk gebruik)</al></li><li nr="-"><al>de internetverbinding voor 90% of meer zakelijk gebruikt.</al></li></lijst><al>De aanleg- en abonnementskosten van de internetvoorziening komen ook
                            laste van de gemeente. Hier wordt er eveneens van uitgegaan dat de
                            internetverbinding voor 90% of meer zakelijk wordt gebruikt. In dat
                            geval is de vergoeding onbelast. </al><al>Artikelen 10 en 23 Spaarloon/levensloop raadsleden en wethouders</al><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en
                            wethouders kunnen deelnemen aan de spaarloonregeling dan wel aan de
                            levensloopregeling. Een combinatie van beide is niet toegestaan.</al><al>Evenmin is het toegestaan een ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken. Het
                            gaat hier niet om een rechtspositionele aangelegenheid maar om een
                            fiscale faciliteit voor werknemers.</al><al>Het levensloopsaldo kan niet omgezet worden in verlof, omdat raadsleden
                            noch wethouders in hun politieke functie verlof kennen. Het saldo valt
                            bij beëindiging van het ambt vrij en kan worden meegenomen naar een
                            andere levensloopregeling.</al><al>Artikelen 10a en 23a Fietsregeling raadsleden en wethouders</al><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en
                            wethouders kunnen deelnemen aan de fietsregeling. Het gaat hier niet om
                            een rechtspositionele aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor
                            werknemers. Het is niet toegestaan een ‘werkgeversbijdrage’ te
                            verstrekken. Afhankelijk van de kostprijs van de fiets bedraagt de
                            vermindering ten hoogste het bedrag dat in artikel 37 van de
                            Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is vastgelegd. </al><al>Artikel 11 Verlaging vergoeding werkzaamheden raadsleden bij
                            arbeidsongeschiktheid </al><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is
                            aangegeven dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking
                            dient te vormen. Om deze reden moeten drempels om raadslid te worden of
                            te blijven, worden weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe
                            dat indien een persoon inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal
                            leiden tot verlaging of intrekking van de wettelijke
                            arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit omdat een dergelijke uitkering is
                            bedoeld om het als gevolg van arbeidsongeschiktheid ontstane verlies aan
                            verdienvermogen te vergoeden. Voor raadsleden kan dit ertoe leiden dat
                            een geringe verhoging van het inkomen door een raadsvergoeding een grote
                            teruggang betekent voor de hoogte van de wettelijke
                            arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de
                            anticumulatieregeling.</al><al>Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van een raadszetel of
                            bij verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op grond van
                            artikel 12 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden kunnen
                            gemeenten hiervoor een voorziening treffen. Artikel 11 van de
                            verordening regelt daarom dat op aanvraag een raadslid een lagere
                            vergoeding voor de werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de
                            anticumulatieregeling zal leiden tot een verlaging van de wettelijke
                            arbeidsongeschiktheidsuitkering van het raadslid.</al><al>Artikel 12 Compensatie korting werkloosheidsuitkering raadsleden</al><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment
                            dat iemand die een werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt,
                            nieuwe werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het
                            aantal uren dat in de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit
                            werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel kent een soortgelijke
                            bepaling. De hoogte van het inkomen uit de nieuwe betrekking is daarbij
                            niet relevant. Indien derhalve iemand tot raadslid wordt gekozen, zal de
                            WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren dat het UWV voor het
                            raadslidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze verlaging van de
                            WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden zal er
                            een negatief inkomenseffect optreden. Het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden biedt gemeenten de mogelijkheid dit nadeel te
                            compenseren. Dat is geregeld in artikel 12 van de verordening.</al><al>Artikel 13 Vergoeding raadslid voor waarneming voorzitterschap van de
                            gemeenteraad</al><al>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het voorzitterschap van
                            de gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester
                            wordt waargenomen door het langstzittende raadslid. De gemeenteraad kan
                            ook een ander raadslid met de waarneming van het voorzitterschap
                            belasten. In overeenstemming met het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden is in artikel 13 van de verordening geregeld dat bij een
                            onafgebroken waarneming van meer dan 30 dagen het betreffende raadslid
                            over de tijd van waarneming recht heeft op een toeslag van 8% van de
                            vergoeding voor de werkzaamheden en van de</al><al>vaste onkostenvergoeding.</al><al/><al>Artikel 13a Ziektekostenvoorziening raadsleden</al><al>Ongeacht of een raadslid gekozen heeft voor het fictieve werknemerschap
                            of de status van fiscaal zelfstandige moet over de raads- en
                            onkostenvergoeding een inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet
                            worden betaald (2010: 4,95%).</al><al>Bij degenen die hebben gekozen voor het fictieve werknemerschap wordt
                            deze door de gemeente ingehouden; zelfstandigen betalen deze via de
                            inkomstenbelasting. Na afloop van het belastingjaar zal aan de hand van
                            de vaststelling van het maximum inkomen waarover de bijdrage wordt
                            geheven (dus alle belastbare inkomsten die in welke hoedanigheid dan ook
                            zijn ontvangen) worden vastgesteld of te veel is ingehouden resp.
                            betaald. In dat geval zal dat door de Belastingdienst worden
                            terugbetaald, te beginnen bij de inhoudingen op de raads- en
                            onkostenvergoeding (2010: 4,95%).</al><al>Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 kan de raad op grond van
                            artikel 11 van het</al><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden besluiten dat deze
                            tegemoetkoming wordt vastgesteld. Dit moet bij verordening worden
                            bepaald. Deze tegemoetkoming is door tussenkomst van de VNG tot stand
                            gekomen op verzoek van een groot aantal gemeenten als reactie op de
                            inhouding van de inkomensafhankelijke bijdrage waardoor de netto
                            raadsvergoeding vermindert. De tegemoetkoming kan worden gezien als een
                            compensatie hiervoor.</al><al>Artikel 13b Voorzieningen raadsleden bij tijdelijk ontslag wegens
                            zwangerschap en bevalling of ziekte</al><al>Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens zwangerschap en
                            bevalling dan wel wegens langdurige ziekte. De regeling daarvan is
                            opgenomen in de Kieswet, omdat het te vervangen raadslid tijdelijk
                            ontslagen wordt. In de vacature wordt voorzien door de tijdelijke
                            benoeming van de vervanger. Er is steeds sprake van een vaste periode
                            van 16 weken. Door zowel het tijdelijk ontslag, de tijdelijke benoeming
                            en de vaste periode van vervanging is het niet nodig dat tussen beiden
                            een afspraak wordt gemaakt over de duur van de vervanging. Het is
                            hierdoor ook niet mogelijk weer binnen de termijn van 16 weken het
                            raadslidmaatschap te hervatten. Evenmin is het mogelijk de vervanging
                            nog even voort te laten duren, tenzij</al><al>opnieuw een verzoek wordt gedaan voor een tijdelijk ontslag. Bij
                            inwilliging van dat verzoek, is opnieuw sprake van een periode van 16
                            weken.</al><al>In de artikelen X10, X11 en X12 van de Kieswet zijn de voorwaarden
                            opgenomen waaraan moet worden voldaan voor een vervanging, de datum van
                            ingang en beëindiging van de vervanging. De verklaring van een
                            verloskundige dan wel behandelend arts is bepalend voor de aanvang van
                            de vervanging. De benoeming van de vervanger kan later plaatsvinden,
                            maar wijzigt het tijdstip van het einde van het tijdelijk ontslag niet.
                            De feitelijke vervanging kan daardoor korter zijn dan 16 weken. Na
                            afloop van de termijn van 16 weken wordt zonder enig verzoek of besluit
                            de oude situatie hersteld. Dat geldt zowel voor de hervatting van het
                            raadslidmaatschap, het einde van het tijdelijk raadslidmaatschap als de
                            rechtspositionele aspecten daarvan.</al><al>Artikel 15 Reiskosten woon/werk en 16 Zakelijke reiskosten
                            wethouders</al><al>Voor wethouders is in artikel 15 een belastingvrije vergoeding voor het
                            woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens
                            het Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling rechtspositie
                            wethouders. Bij gebruik van de eigen personenauto bedraagt de vergoeding
                            € 0,15 per afgelegde kilometer (norm per 1 juli 2008).</al><al>Ingevolge artikel 16 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het
                            openbaar vervoer of met een taxi, volledig vergoed (mits in redelijkheid
                            gemaakt) en indien gemaakt met de eigen personenauto vergoed naar € 0,37
                            per afgelegde kilometer (norm per 1 juli 2008). De kilometervergoeding
                            is belast, voor zover die meer bedraagt dan € 0,19.</al><al>Voor de fiscus is uitgangspunt dat zakelijke kilometers, ongeacht het
                            gebruikte vervoermiddel, tot en met € 0,19 onbelast kunnen worden
                            verstrekt. Vergoedingen die daarboven uitgaan zijn voor dat hogere deel
                            belast. In het Handboek loonheffingen 2010 wordt over de
                            kilometervergoeding opgemerkt:</al><al>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer
                            betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer-
                            en tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor
                            het inbouwen van een carkit of navigatiesysteem, voor extra
                            benzineverbruik wegens gebruik van een aanhangwagen of voor schade aan
                            de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en tolgelden en voor
                            overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de eindheffing, voor zover
                            ze loon zijn.</al><al>De kilometers voor het woon-werkverkeer worden fiscaal gerekend tot de
                            zakelijke kilometers.</al><al>De fiscus staat toe de reiskostenvergoedingen voor de verschillende
                            doeleinden te salderen.</al><al>Dat betekent het volgende:</al><al>de vergoeding voor dienstreizen is voor € 0,18 per kilometer belast (€
                            0,37 minus € 0,19) </al><al>de vergoeding voor woon/werkverkeer bedraagt € 0,15 per km en is dus
                            onbelast; er resteert een marge van € 0,04 tot het fiscaal vrije bedrag
                            van € 0,19 per km.</al><al>Onderstaand voorbeeld laat zien hoe de salderingsregeling werkt:</al><al>De reiskostenvergoeding die een wethouder in enig kalenderjaar ontvangt
                            bedraagt € 890,- bestaande uit:</al><al>een vergoeding voor 1.000 km woon-werkverkeer a € 0,15 = € 150,-</al><al>een vergoeding voor 2.000 km wegens dienstreizen a € 0,37 = € 740,-</al><al>Zonder saldering is een bedrag van 2.000 x € 0,18 = € 360,- fiscaal
                            belast.</al><al>Saldering geeft het volgende resultaat: de totale reiskostenvergoeding
                            (€ 890,-) gedeeld door het totaal aantal kilometers (3.000) betekent een
                            gemiddelde vergoeding van € 0,30 per km. Het fiscaal belaste bedrag is
                            nu 3.000 x € 0,11 (€ 0,30 minus € 0,19) = € 330,-. </al><al>Afhankelijk van de verhouding in de soorten kilometers kan saldering in
                            enig kalenderjaar leiden tot een volledig onbelaste vergoeding.</al><al>De salderingsmogelijkheid mag alleen worden toegepast, indien formeel in
                            de verordening vastgelegd. Bovendien moet worden aangesloten bij de
                            salderingsregeling die geldt voor de medewerkers van de gemeente Wijk
                            bij Duurstede. Zou die regeling er niet zijn geweest, dan zou de
                            salderingsregeling voor het rijkspersoneel gelden. </al><al>Bij de saldering mogen ook worden betrokken de kilometers die betrekking
                            hebben op:</al><al>het reizen per openbaar vervoer waarvoor een vergoeding in geld is
                            ontvangen kilometers die als meerijder zijn afgelegd zonder dat sprake
                            is van vervoer vanwege de werkgever en zonder dat de betrokkene daarvoor
                            een vergoeding heeft ontvangen.</al><al>Saldering, respectievelijk belastingheffing over het bovenmatig deel dat
                            na saldering overblijft, mag worden uitgesteld. Afrekening met de fiscus
                            op basis van saldering kan na afloop van een bepaald loontijdvak, maar
                            dient uiterlijk plaats te vinden in de eerste maand van het nieuwe
                            kalenderjaar. Saldering na afloop van een kalenderkwartaal, half
                            kalenderjaar of heel kalenderjaar is mogelijk zolang de vergoeding niet
                            definitief is toegekend. In verband daarmee wordt de
                            reiskostenvergoeding in eerste instantie bij wijze van voorschot
                            uitbetaald. Voor de berekening van de loonheffing over het bovenmatig
                            deel van de in een gekozen periode uitbetaalde reiskostenvergoedingen
                            dient te worden uitgegaan van alle daadwerkelijk afgelegde
                            dienstkilometers, vermeerderd met de daadwerkelijk afgelegde
                            woon/werkkilometers.</al><al/><al>Artikel 17 Dienstauto</al><al>P.M. </al><al>Artikelen 19 en 28 Buitenlandse dienstreis wethouders en
                            commissieleden</al><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de
                            wethouder de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten
                            worden vergoed. De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende
                            Reisbesluit buitenland zijn daarbij richtsnoer. In de eerder genoemde
                            gedragscode zijn nadere gedragsregels vastgesteld (zie de Toelichting
                            algemeen, paragraaf Controle en verantwoording, 2<sup>e</sup> alinea).
                            Daarbij gaat het om expliciete besluitvorming in het college over
                            buitenlandse reizen en over uitnodigingen daartoe op kosten van
                            derden.</al><al>Maar ook om bijvoorbeeld de rekening en verantwoording achteraf (zowel
                            inhoudelijk als financieel), het meereizen van de partner en het
                            combineren van een dienstreis met een (direct voorafgaande of
                            aansluitende) privéreis.</al><al>Ook gemeenteraden of raadscommissies maken wel eens in het gemeentelijk
                            belang excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moet de
                            gemeenteraad expliciet toestemming verlenen. De reis of excursie wordt
                            in alle gevallen door of vanwege de gemeente georganiseerd. Hetgeen
                            hierboven is geschreven over buitenlandse dienstreizen van wethouders
                            geldt mutatis mutandis ook voor buitenlandse excursies en reizen van de
                            gemeenteraad of raadscommissies.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt
                            dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische
                            verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden
                            verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden
                            als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al>Artikel 22 mobiele telefoon wethouders</al><al>Met ingang van 1 januari 2007 zijn de vergoedingen of verstrekkingen van
                            een mobiele telefoon, een smartphone en een BlackBerry geheel onbelast
                            als het zakelijk gebruik meer dan 10% bedraagt.</al><al>In de vaste onkostenvergoeding is een component van 9% voor
                            telefoonkosten opgenomen (per 1 januari 2010: 9% x € 614,45 = € 55,30).
                            Bij het verstrekken van een mobiele telefoon c.a. kan sprake zijn van
                            overbedeling. De component telefoonkosten kan om die reden verminderd
                            worden. Anderzijds is ook bij wethouders sprake van gebruik van de privé
                            telefoon voor zakelijke doeleinden. Voor dit doel ontvangen
                            burgemeesters maandelijks bruto een bedrag van € 25,-. Het is redelijk
                            om, wanneer plaatselijk de component telefoonkosten wordt gekort, deze
                            korting tot een bedrag van € 25,- per maand van de bruto
                            onkostenvergoeding achterwege te laten. Per 1 januari 2010 bedraagt de
                            korting dan € 30,30.</al><al>Artikel 23 Spaarloonregeling/levensloopregeling wethouders</al><al>Een wethouder is een werknemer en kan dientengevolge gebruik maken van
                            de spaarloonregeling dan wel de levensloopregeling. Wanneer de wethouder
                            gebruik maakt van de gemeentelijke levensloopregeling is het niet
                            toegestaan een levensloopbijdrage ten laste van de gemeente te
                            verstrekken. De opbouw van de levensloopvoorziening mag uitsluitend ten
                            laste van de wethouderswedde plaatsvinden. Aangezien wethouders geen
                            verlof kennen, is het slechts mogelijk dat de opgebouwde voorziening bij
                            de beëindiging van het wethouderschap wordt meegenomen naar een volgende
                            werkgever of dat uitbetaling ineens plaatsvindt.</al><al>Artikel 24 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten wethouders</al><al>Sinds de dualisering van het gemeentebestuur kunnen personen van buiten
                            de gemeenteraad tot wethouder worden benoemd. Dat kunnen ook personen
                            zijn die niet in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond van de
                            Gemeentewet verplicht om te gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder
                            zijn geworden. In artikel 24 is geregeld dat zij bij verhuizing naar de
                            gemeente in aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding en
                            eventueel voor vergoeding van reis- en pensionkosten in afwachting van
                            de verhuizing. De vergoedingen zijn onbelast.</al><al>Artikel 26 Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen</al><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke
                            commissies geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en
                            wethouders die in de commissie zitten. Hun vergoeding is immers al
                            geregeld in de rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening.
                            Uitgezonderd zijn verder onder meer ambtenaren en bestuurders die in die
                            hoedanigheid in de commissie zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte
                            vertegenwoordigers van belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap
                            tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang dient.</al><al>De hoogte van het presentiegeld wordt bij gemeentelijke verordening
                            bepaald. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt
                            jaarlijks per 1 januari het maximum vast zoals dat is herzien aan de
                            hand van het indexcijfer CAO lonen overheid.</al><al>In artikel 26, eerste lid, is er voor gekozen de hoogte van de
                            vergoeding te bepalen op het door de minister vastgestelde maximum. De
                            raad kan ook een lager bedrag vaststellen.</al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt echter ook de
                            mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in
                            bepaalde gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan
                            het eerder bedoelde maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel 26, vierde
                            lid, van de verordening. Er kan gekozen worden voor een procentuele
                            verhoging, maar het is ook mogelijk om het bedrag uit een hogere
                            gemeenteklasse te kiezen.</al><al>Artikelen 31 t/m 34 De procedure van declaratie raads- en commissieleden
                            en wethouders</al><al>In artikel 31 zijn de twee wijzen van betaling aangegeven. Betaling via
                            een gemeentelijke creditcard is niet van toepassing. In de artikelen 32
                            en 33 is bepaald in welke gevallen welke betalingswijze aan de orde is
                            en welke procedurevoorschriften daarbij gelden.</al><al>Artikel 33: declaratie van vooruitbetaalde kosten</al><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><lijst><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van raadsleden (art. 5 en 6);</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders (art.16);</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                                    wethouders (art. 19);</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten wethouders (art.
                                    24);</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke commissies
                                    (art. 27).</al></li></lijst><al>Artikel 34: rechtstreekse facturering bij de gemeente</al><al>Rekeningen kunnen rechtreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht
                            in de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door
                                    raadsleden en wethouders (art. 7, 20 en 24);</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders (art. 16);</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van wethouders (art.
                                    24);</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                                    wethouders (artikel 19).</al></li></lijst><al>Artikelen 35 t/m 37 Citeertitel en inwerkingtreding</al><al>Gekozen is voor inwerkingtreding met terugwerkende kracht van de
                            gewijzigde bepalingen tot en met het aantreden van de nieuwe
                            gemeenteraad. Zoals in de meeste gemeenten zijn de wethouders in Wijk
                            bij Duurstede pas later benoemd. Ter voorkoming van overgangsbepalingen
                            voor de aftredende wethouders is gekozen voor intrekking van de oude
                            verordening op het moment van het van kracht worden van de nieuwe
                            verordening. De bepalingen van de oude verordening hebben daardoor
                            werking gehad tot en met het moment waarop de aftredende wethouders van
                            rechtswege zijn ontslagen.</al><al>De inwerkingtreding geldt dientengevolge: </al><lijst><li nr="-"><al>voor de raads- en commissieleden met terugwerkende kracht tot en
                                    met 11 maart 2010;</al></li><li nr="-"><al>voor de nieuw aangetreden wethouders met terugwerkende kracht
                                    tot en met de dag van hun beëdiging, in casu 18 mei 2010.</al></li></lijst><al>Terugwerkende kracht is alleen toegestaan wanneer de nieuwe aanspraken
                            geen verslechtering inhouden van de op dat moment vigerende verordening.
                            De nieuwe verordening kent geen verslechteringen, ook niet ten aanzien
                            van de bepalingen over de computer. Immers de bepalingen daaromtrent uit
                            de verordening 2004 zijn van rechtswege buiten toepassing mede als
                            gevolg van de terugwerkende kracht die is verleend aan de wijziging van
                            de grondslag voor artikel 27a uit het Rechtspositiebesluit wethouders en
                            artikel 7a uit het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden (Stb.
                            2006, 8).</al><al>Sinds 20 februari 2004 bestaat naast het Rechtspositiebesluit wethouders
                            ook de (ministeriële) Regeling rechtspositie wethouders. In lijn met die
                            gehanteerde benaming is gekozen voor een nieuwe naam van de verordening:
                            Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden
                            2010.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>