<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR15518_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening gemeente Beuningen 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Koerier, 30 juni 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening gemeente Beuningen 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet artikel 8 en 11</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet administratieve bepalingen omgevingsrecht (Wabo), artikel 2.1. en 2.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Volledige aanpassing aan de invoering van de Wabo</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BW10.00695</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen aanhef/intitulé bij het raadsbesluit tot vaststelling van de bouwverordening</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Bouwverordening gemeente Beuningen 2007
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr>1</nr>
            <titel>Inleidende bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.1</nr>
              <titel>begripsomschrijvingen</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst>
                  <li nr="a"><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                            letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005; </al></li>
                  <li nr="b"><al>Bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de
                                            Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e,dan wel
                                            bij het ontbreken van een bestuursoprgaan als bedoeld in
                                            dit artikellid, burgemeester en wethouders;</al></li>
                  <li nr="c"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als
                                            bedoeld in <onderstreept>artikel 2</onderstreept> van de
                                            Woningwet; </al></li>
                  <li nr="d"><al>bouwtoezicht: degenen, die ingevolge degene die
                                            ingevolge artikel 92, tweede lid, van de Woningwet in
                                            samenhang met artikel 5:10 van de Wet algemene
                                            bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en
                                            woningtoezicht;</al></li>
                  <li nr="e"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout,
                                            steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van
                                            bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond
                                            verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in
                                            of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;
                                        </al></li>
                  <li nr="f"><al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen
                                            daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van
                                            het Asbestverwijderingsbesluit 2005; </al></li>
                  <li nr="g"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld
                                            in het Bouwbesluit.</al></li>
                  <li nr="h"><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                            bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
                                            onder a, van de Wet algemene bepalingen
                                            omgevingsrecht;</al></li>
                  <li nr="i"><al>Omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een
                                            sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid,
                                            onder a, van de Wet algemene bepalingen
                                            omgevingsrecht.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder: bouwwerk: een
                                    gedeelte van een bouwwerk; gebouw: een gedeelte van een gebouw. </al><al/><al/></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.2.</nr>
              <titel>Termijnen </titel>
            </kop>
            <al>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.3</nr>
              <titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van
                                    de gemeente: </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom; </al></li>
                  <li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom. </al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de
                                    bij deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.
                                </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr>2</nr>
            <titel>De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Gegevens en bescheiden</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.1</nr>
                <titel>Aanvraag bouwvergunning
                                    </titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.2</nr>
                <titel>In de aanvraag op te nemen gegevens
                                    </titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.3</nr>
                <titel>Bij de aanvraag in te dienen
                                    bescheiden </titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.4</nr>
                <titel>Gegevens met
                                    betrekking tot het coördineren van
                                vergunningaanvragen </titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.5</nr>
                <titel>Bodemonderzoek</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                            <onderstreept>artikel 8</onderstreept>, vierde lid, van
                                        de Woningwet bestaat uit: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de resultaten van een recent
                                                miliehygiënischbodemonderzoek verricht volgens NEN
                                                5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het
                                                onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.
                                                milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober
                                                1993); </al></li>
                    <li nr="b."><al>vervallen.</al></li>
                    <li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding
                                                bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder
                                                mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in
                                                de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede
                                                plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave
                                                2003. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                        bedoeld in <onderstreept>artikel 2.4</onderstreept>, onder
                                        d, van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het
                                        bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en
                                        omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit
                                        omgevingsrecht, artikel 2 en 3 van bijlage II. Deze
                                        verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het
                                        Besluit omgevingsrecht, artikel 2 en 3 van bijlage II. </al></li>
                <li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken
                                        van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                        bedoeld in artikel2.4, onder d, van de Regeling
                                        omgevingsrecht toe, indien voor de toepassing van artikel
                                        2.4.1 bij hetbevoegd gezag reeds bruikbare recente
                                        onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. </al></li>
                <li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kaneen gedeeltelijk afwijken van de plicht
                                        tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                        artikel 2.5, onder d van de Regelingomgevingsrecht voor een
                                        bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn als bedoeld
                                        in artikel 2.23, van het Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht en artikel 5:16 van het Besluit
                                        omgevingsrecht, indien uit het in NVN 5725, uitgave 2009 ,
                                        bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar
                                        de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan
                                        wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek
                                        volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet rechtvaardigen. </al></li>
                <li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                        bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                        vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                        begonnen. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.6</nr>
                <titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de
                                    aanvraag om bouwvergunning  </titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.7</nr>
                <titel>Bouwregistratie</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.8</nr>
                <titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                                    bouwvergunning woonwagens en standplaatsen</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.1</nr>
                <titel>Ontvangst van de aanvraag</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.2</nr>
                <titel>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.3</nr>
                <titel>Bekendmaking van termijnen</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.4</nr>
                <titel>In behandeling nemen en fasering
                                    bouwvergunningverlening</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.5</nr>
                <titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.6</nr>
                <titel>Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Welstandstoetsing</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.3.1</nr>
                <titel>Welstandscriteria</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen - zie Hoofdstuk 9)</vet>
              </al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.4.1</nr>
                <titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel>
              </kop>
              <al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                        verblijven; </al></li>
                <li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het
                                        bouwen is vereist; en </al></li>
                <li nr="c."><lijst>
                    <li nr="1."><al>dat de grond raakt, of </al></li>
                    <li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik
                                                niet wordt gehandhaafd. </al><al/></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.4.2</nr>
                <titel>Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in arikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht,
                                kanhet bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van
                                het in deregeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of
                                andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het
                                overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                                bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39,
                                eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt
                                is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden
                                alsnog geschikt kan worden gemaakt. </al>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.1</nr>
                <titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van
                                    de stedenbouwkundige bepalingen</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.2</nr>
                <titel>Anti-cumulatiebepaling</titel>
              </kop>
              <al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.3</nr>
                <titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                        mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een
                                        openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en
                                        het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                        verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's
                                        en het overige te verwachten verkeer. </al></li>
                <li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid
                                        moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in
                                        een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                        voorschriften heeft vastgesteld: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                                breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een
                                                vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                                                ten minste 4,2 m; </al></li>
                    <li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                                motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600
                                                kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en
                                            </al></li>
                    <li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                        bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel 3, of aertikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist,
                                        voorzover dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar
                                        wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                        gelegen. </al></li>
                <li nr="4."><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                        bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                                        aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                        auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. </al></li>
                <li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                        bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                        doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening. </al></li>
                <li nr="6."><al>Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen in afwijking van
                                        het bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de
                                        aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich
                                        daarvoor lenen. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.3A</nr>
                <titel>Brandweeringang</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr=""><al>vervallen</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.4</nr>
                <titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel>
              </kop>
              <al>1.Tussen de toegang van enerzijds: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in
                                            <onderstreept>artikel 4.3</onderstreept> van het
                                        Bouwbesluit; </al></li>
                <li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                        toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                        Bouwbesluit; </al></li>
              </lijst>
              <al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn. </al>
              <al>2.Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; </al></li>
                <li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en
                                    </al></li>
                <li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                        tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die
                                        voldoet aan het bepaalde in de <onderstreept>artikelen
                                            2.39</onderstreept> en <onderstreept>2.40</onderstreept>
                                        van het Bouwbesluit. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.5</nr>
                <titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>De voorgevelrooilijn is: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn,
                                        welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                                        voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk
                                        gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de
                                        richting van de weg geeft; </al></li>
                <li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een
                                        wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15
                                        meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan
                                        10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.
                                    </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.6</nr>
                <titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel
                                    <onderstreept>2.5.7</onderstreept> is het verboden een bouwwerk
                                voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist te bouwen
                                met overschrijding van de voorgevelrooilijn. </al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.7</nr>
                <titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al> Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
                                is niet van toepassing op: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li>
                <li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen
                                        bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht, te weten: </al><lijst>
                    <li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;
                                            </al></li>
                    <li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de
                                                grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                                                overschrijden. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.8</nr>
                <titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijdingen van de voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met
                                        overschrijding van de voorgevelrooilijk kan het bevoegd
                                        gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders,
                                                kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de
                                                bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het
                                                straatpeil; </al></li>
                    <li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld
                                                in <onderstreept>artikel 2</onderstreept>, onderdeel
                                                9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                                omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming op
                                                een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf
                                                toelaatbaar zijn; </al></li>
                    <li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens
                                                van de weg overschrijden; </al></li>
                    <li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons
                                                en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer
                                                dan 1,50 m overschrijden; </al></li>
                    <li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                                hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere
                                                luifels, dakoverstekken, uitspringende
                                                schoorsteenwanden, reclametoestellen en
                                                draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in
                                                  <onderstreept>artikel 2.5.7</onderstreept>; </al></li>
                    <li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen
                                                twee bouwwerken; </al></li>
                    <li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in
                                                de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                                gemeentelijke monumentenverordening - voor zover
                                                zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                                historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                                bij het karakter van de bestaande omgeving. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden
                                        verleend, indien niet lager gebouwd wordt dan: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip
                                                van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden
                                                van die rijweg; </al></li>
                    <li nr="b."><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de
                                                weg; en dan nog voor zover de veiligheid van de
                                                gebruikers van de weg niet in gevaar komt. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.9</nr>
                <titel>Bouwen op de weg</titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd
                                gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht; </al></li>
                <li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li>
                <li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines; </al></li>
                <li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al></li>
                <li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en
                                        bestemming op de weg toelaatbaar zijn. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.10</nr>
                <titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                        voorgevelrooilijn zijn geplaatst. </al></li>
                <li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de gevallen genoemd in <onderstreept>artikel 2.5.7
                                                </onderstreept>en in die waarin de afwijking genoemd
                                                in de <onderstreept>artikelen 2.5.8</onderstreept>
                                                en <onderstreept>2.5.9</onderstreept> is verleend;
                                            </al></li>
                    <li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in <onderstreept>artikel
                                                  2.5.13</onderstreept> en in die waarin de
                                                afwijking genoemd in <onderstreept>artikel
                                                  2.5.14</onderstreept> is verleend, voor zover het
                                                bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is
                                                geplaatst; </al></li>
                    <li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een
                                        knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar
                                        liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich
                                        vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder
                                        dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over
                                        een hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2
                                        meter boven straatpeil - worden afgerond of afgeschuind, met
                                        dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                        oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. </al></li>
                <li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;
                                            </al></li>
                    <li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen; </al></li>
                    <li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al></li>
                    <li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in <onderstreept>artikel
                                                  2</onderstreept>, onderdeel 3, of
                                                  <onderstreept>artikel 3</onderstreept>, onderdeel
                                                1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht
                                                bedoelde gebouwen; </al></li>
                    <li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                                pluimveeteelt daaronder begrepen, en de
                                                daarbijbehorende woningen; </al></li>
                    <li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels; </al></li>
                    <li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van
                                                deafwijking is gebaat. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.11</nr>
                <titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de
                                        voorgevelrooilijn en bevindt zich: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig
                                                bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                gelijk aan de helft van de straal van de
                                                ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                                doch op geen grotere afstand van de
                                                voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één
                                                ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen
                                                kan worden beschreven, geldt de grootste; </al></li>
                    <li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm op
                                                zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald
                                                op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van
                                                de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a
                                                genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of
                                                gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                                nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                                voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li>
                    <li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te
                                                bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie
                                                zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                                voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                                elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van
                                                het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                                voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li>
                    <li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen
                                                zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok,
                                                langs deze twee zijden op een afstand van de
                                                voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                                tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                                tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                                zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                                afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li>
                    <li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen
                                                op een afstand die wordt bepaald met inachtneming
                                                van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en
                                                met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van
                                                de voorgevelrooilijn dan 15 meter. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                        achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                        achterzijden van die bebouwing - in het belang van de
                                        toetreding van daglicht - over een afstand van ten minste 5
                                        meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2
                                        meter terugliggen ten opzichte van beide
                                        achtergevelrooilijnen. </al></li>
                <li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
                                        aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                        hoekbebouwing dit toelaten. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.12</nr>
                <titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                    2.5.13</onderstreept> is het verboden bouwwerken, voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen te bouwen met
                                overschrijding van de achtergevelrooilijn. </al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.13</nr>
                <titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                        gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                                        veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen; </al></li>
                <li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt; </al></li>
                <li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                        uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist; </al></li>
                <li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen, als bedoel in de <onderstreept>artikel
                                            3</onderstreept>, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht; </al></li>
                <li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3,
                                        onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht,
                                        te weten: </al><lijst>
                    <li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;
                                            </al></li>
                    <li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden; </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en
                                        17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.14</nr>
                <titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijdingen van de achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt; </al></li>
                <li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen; </al></li>
                <li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al></li>
                <li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd; </al></li>
                <li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                        als bedoeld in de <onderstreept>artikelen
                                            2.5.3</onderstreept> en
                                            <onderstreept>2.5.4</onderstreept>, is verzekerd; </al></li>
                <li nr="f."><al>bijgebouwen, de niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                        artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                        omgevingsrecht; </al></li>
                <li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                        handels- of industrieterrein omvattend; </al></li>
                <li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist; </al></li>
                <li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw; </al></li>
                <li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwendie
                                        vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                                        1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li>
                <li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in <onderstreept>artikel 2.5.13</onderstreept>;
                                    </al></li>
                <li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.15</nr>
                <titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat
                                        ten minste een strook grond omvat die: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                                achtergevel, en </al></li>
                    <li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel
                                                dat is begrepen tussen het verlengde van de
                                                zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter.
                                            </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks
                                        op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts
                                        gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen
                                        van dat gebouw, bedoeld in <onderstreept>artikel
                                            2.5.13</onderstreept>, en de balkons en veranda's buiten
                                        beschouwing blijven. </al></li>
                <li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijkingvan het bepaalde in: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf
                                                betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag
                                                niet tot bewoning bestemd is; </al></li>
                    <li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                                voorwaarden wordt voldaan: </al><lijst>
                        <li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                  aanwezig; </al></li>
                        <li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein
                                                  waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                                                  grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar
                                                  water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                                  en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één
                                                  van die zijden mag worden bebouwd en tevens een
                                                  erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                                  gebracht; </al></li>
                        <li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan
                                                  de bepalingen voor te bouwen woningen en
                                                  woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de
                                                  bestaande toestand verbeterd. </al></li>
                      </lijst></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.16</nr>
                <titel>Erf bij overige gebouwen</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan
                                        als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw
                                        behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter
                                        achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en
                                        over de volle breedte daarvan. </al></li>
                <li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                                geen beletsel vormen; </al></li>
                    <li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan
                                                van het verbod tot overschrijding van de
                                                achtergevelrooilijn. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.17</nr>
                <titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte
                                        van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen
                                        dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf
                                        aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                                minder dan 1 meter breed zijn; </al></li>
                    <li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijkingvan het bepaalde in het eerste lid, indien
                                        voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en
                                        onderhoud van de vrij te laten ruimte. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.18</nr>
                <titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in
                                            <onderstreept>artikel 2</onderstreept>, onderdeel 12 van
                                        bijlage II van het Besluitomgevingsrecht, zijn niet
                                        toegelaten. </al></li>
                <li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijkingvan het bepaalde in het eerste lid in het belang
                                        van het af te scheiden erf of terrein. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.19</nr>
                <titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                        stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                        hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van
                                        andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, dan die welke deel uitmaken
                                        van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand
                                        moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de
                                        draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn
                                        wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale
                                        elektrische spanning van 1.000 volt of meer. </al></li>
                <li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                        ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken,
                                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist,
                                        worden gebouwd. </al></li>
                <li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                                afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning
                                                van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                                oplevert; </al></li>
                    <li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                                afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op
                                                de veilige en ongestoorde ligging van de leiding
                                                geen bezwaar bestaat. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.20</nr>
                <titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>
                <cursief>Alternatief 1 </cursief>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                            2.5.24</onderstreept> bedraagt de maximale hoogte van
                                        een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, in het vlak door de
                                        voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                                voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;
                                            </al></li>
                    <li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen
                                                de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.
                                            </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan
                                        de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede
                                        weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de
                                        hoek af gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn
                                        van de smalle weg, doch over geen grotere lengte dan 15
                                        meter. </al></li>
                <li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op
                                        de desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de
                                        breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                        voorgevelrooilijn. </al></li>
                <li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                        ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten
                                        hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                        tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende
                                        rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van
                                        die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter
                                        weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.
                                    </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.21</nr>
                <titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>
                <cursief>Alternatief 1 </cursief>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                            2.5.24</onderstreept> bedraagt de maximale hoogte van
                                        een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, in het vlak door de
                                        achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                                tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                                bouwblok; </al></li>
                    <li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                                tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                                bouwblok. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op
                                        de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien
                                        de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig
                                        lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde
                                        van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen
                                        de achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                                        achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
                                        dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                        voorgevelrooilijn. </al></li>
                <li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de
                                        maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de
                                        achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale
                                        hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok. </al></li>
                <li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                        straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                        worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil
                                        tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige
                                        terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van
                                        de bouw. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.22</nr>
                <titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                        bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan
                                        de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                        achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt -
                                        onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                            2.5.24</onderstreept> - de maximale hoogte van de
                                        zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg
                                        nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze
                                        zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde
                                        weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden
                                        bepaald als beschreven is in <onderstreept>artikel
                                            2.5.21</onderstreept>, tweede lid, voor de bepaling van
                                        de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen. </al></li>
                <li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de
                                        zijgevel niet hoger is dan de voorgevel. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.23</nr>
                <titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</titel>
              </kop>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                            2.5.24</onderstreept> mag een bouwwerk, voor het bouwen
                                        waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de voor-
                                        en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de
                                        vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn
                                        en door de achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de
                                            <onderstreept>artikelen 2.5.20</onderstreept> en
                                            <onderstreept>2.5.21 </onderstreept>- maximale
                                        bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen
                                        van: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom; </al></li>
                    <li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een
                                        zijgevel heeft die gelegen is tegenover een
                                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk
                                        bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het
                                        verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de -
                                        krachtens <onderstreept>artikel 2.5.22</onderstreept> -
                                        maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek
                                        vormt van 56 graden. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.24</nr>
                <titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De hoogte van eenbouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan
                                        15 meter. </al></li>
                <li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze
                                        wegen op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten
                                        opzichte van de laagst gelegen weg. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.25</nr>
                <titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge
                                            <onderstreept>artikel 2.5.3</onderstreept> of
                                            <onderstreept>artikel 2.5.14 </onderstreept> toegestane
                                        afwijking wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend
                                        terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien
                                        verstande dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde
                                        maat - daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste
                                        45 graden toegelaten is. </al></li>
                <li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard
                                        en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen
                                        beletsel vormen. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.26</nr>
                <titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                        buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte
                                        van straatpeil. </al></li>
                <li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging
                                        hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen
                                        door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in
                                            <onderstreept>artikel 2.5.27</onderstreept>, onder d, en
                                            <onderstreept>artikel 2.5.28</onderstreept>, onder h, i,
                                        j en k, moeten - voor zover zij de maximale hoogte
                                        overschrijden - buiten beschouwing worden gelaten. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.27</nr>
                <titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel>
              </kop>
              <al>Het bepaalde in <onderstreept>artikel 2.5.20</onderstreept>, eerste
                                lid, <onderstreept>artikel 2.5.21</onderstreept>, eerste en derde
                                lid, <onderstreept>artikel 2.5.22</onderstreept>, eerste lid,
                                    <onderstreept>artikel 2.5.23</onderstreept> en
                                    <onderstreept>artikel 2.5.24</onderstreept> is niet van
                                toepassing op: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen, als bedoeld in <onderstreept>artikel
                                            3</onderstreept>, onderdell 7 van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht; </al></li>
                <li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken,
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen van
                                        niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7
                                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li>
                <li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        product van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse; </al></li>
                <li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        meter. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.28</nr>
                <titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogte</titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en
                                2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen voor: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen; </al></li>
                <li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                        gebaat; </al></li>
                <li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels- en industrieterrein; </al></li>
                <li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen; </al></li>
                <li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in <onderstreept>artikel
                                            3</onderstreept>, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht, en indien: </al><lijst>
                    <li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                toestaan van de afwijking is gebaat; </al></li>
                    <li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner
                                                worden dan de bestaande; </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht; </al></li>
                <li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard; </al></li>
                <li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter; </al></li>
                <li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
                                        onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot
                                        de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen behoren; </al></li>
                <li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame; </al></li>
                <li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen; </al></li>
                <li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                        1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                        monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is
                                        om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                        te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.
                                    </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.29</nr>
                <titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr=""><al>In andere gevallen dan bedoeld in de <onderstreept>artikelen
                                            2.5.8</onderstreept>,
                                            <onderstreept>2.5.14</onderstreept> en
                                            <onderstreept>2.5.28</onderstreept> kan het bevoegd
                                        gezag de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van de
                                        verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van
                                        de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                                        overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:</al><al>a. er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                        beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al><al>b. geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel
                                        3.3. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van
                                        toepassing is;</al><al>c. de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding
                                        zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;</al><al>d. de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                        ordening, en</al><al>e. de motivereing van het besluit een goede ruimtelijke
                                        onderbouwing bevat.</al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.30</nr>
                <titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen</titel>
              </kop>
              <al>
                <cursief>Alternatief 2</cursief>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                        aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of
                                        stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht
                                        in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het
                                        onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte
                                        mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de
                                        bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden
                                        gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar
                                        vervoer. </al></li>
                <li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                        auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                        personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten
                                                minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij
                                                6,00 m bedragen; </al></li>
                    <li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde
                                                parkeerruimte voor een gehandicapte - voorzover die
                                                ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir
                                                grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.
                                            </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een
                                        te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen
                                        van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn
                                        voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder
                                        het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. </al></li>
                <li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen
                                        inafwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door
                                                bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren
                                                stuit; of </al></li>
                    <li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                                stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                                voorzien. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.1</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel>
              </kop>
              <al>De in <onderstreept>artikel 3.119</onderstreept> van het Bouwbesluit
                                bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater
                                moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                waterleiding: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of </al></li>
                <li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.2</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel>
              </kop>
              <al>De in <onderstreept>artikel 2.46 </onderstreept>van het Bouwbesluit
                                bedoelde, in bouwwerken aan te brengen elektriciteitsvoorziening
                                moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor
                                elektriciteit: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of </al></li>
                <li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.3</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De in <onderstreept>artikel 2.68</onderstreept> van het
                                        Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen
                                        gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                        distributienet voor aardgas: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van
                                                de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet
                                                is gelegen; of </al></li>
                    <li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen
                                                van de leiding van het aardgasdistributienet dan
                                                onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor
                                                het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                                een afstand van 40 m. Niet van toepassing is het
                                                bepaalde in dit lid op woningen waarin voor het
                                                koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en
                                                voor verwarming geen individuele aansluiting van
                                                gastoevoer nodig is. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer
                                                dan 500 m2; </al></li>
                    <li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                                verhuurd; </al></li>
                    <li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een
                                                gemeenschappelijke of publieke voorziening voor
                                                verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                                Bouwbesluit (warmtedistributienet). </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.4</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel>
              </kop>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De in <onderstreept>artikel 3.31</onderstreept> van het
                                        Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen
                                        voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën
                                        moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet van
                                        toepassing is deze eis in delen van de gemeente waarin geen
                                        openbare riolering aanwezig is. </al></li>
                <li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                                binnenmiddellijn de voor het maken van de
                                                aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de
                                                gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf of
                                                terrein moet of moeten kruisen; </al></li>
                    <li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die
                                                aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter
                                                voorkoming van het terugvloeien van afvalwater en
                                                faecaliën, ingeval de leiding te laag gelegen is om
                                                op natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen.
                                            </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of
                                        er al dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding
                                        moeten worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede
                                        werking of de goede staat van het openbaar riool, dan wel
                                        ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen aan het
                                        openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of de aard van de af
                                        te voeren stoffen daartoe aanleiding geeft. </al></li>
                <li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer
                                        op een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem
                                        en lucht mogelijk is: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m
                                                van een openbaar riool zijn gelegen; </al></li>
                    <li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.5</nr>
                <titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel>
              </kop>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien de in <onderstreept>artikel 3.31</onderstreept> van
                                        het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen
                                        voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën
                                        niet aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de
                                        volgende bepalingen: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                                met waterspoeling, moeten lozen op een rottingput
                                                met overstort; </al></li>
                    <li nr="b."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                                zonder waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder
                                                of een beerput zonder overstort, een gierput of een
                                                rottingput met overstort; </al></li>
                    <li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder
                                                faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten
                                                moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van
                                                water, bodem en lucht kan optreden; </al></li>
                    <li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder
                                                faecaliën mogen niet lozen op een rottingput. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De in <onderstreept>artikel 3.41</onderstreept> van het
                                        Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                        voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>zodanig lozen dat geen verontreiniging van water,
                                                bodem en lucht kan optreden; en </al></li>
                    <li nr="b."><al>zijn aangesloten aan een in de grond aangebrachte
                                                opvang- en bezinkingsvoorziening van voldoende
                                                capaciteit, welke voorziening in verband met de
                                                grootte van de te ontwateren oppervlakken en de
                                                bodemgesteldheid ter plaatse moet zijn gelegen op
                                                voldoende afstand van de perceelgrenzen en de
                                                bebouwing op het perceel. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer
                                                op andere wijze zonder verontreiniging van water,
                                                bodem en lucht mogelijk is; </al></li>
                    <li nr="b."><al>van het bepaalde in het tweede lid, indien de
                                                bodemgesteldheid en de grondwaterafvoer ter plaatse,
                                                dan wel de omvang van het perceel de infiltratie van
                                                hemelwater niet toelaten en bovendien de
                                                afvoervoorziening voor hemelwater niet wordt
                                                aangesloten aan een rottingput. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.6</nr>
                <titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                        scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
                                        haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                        aangewerkt. </al></li>
                <li nr="2."><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen
                                        aan leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat
                                        de dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige
                                        zetting van het bouwwerk of de buitenriolering. </al></li>
                <li nr="3."><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                        aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                        rottingputten voorkomen. </al></li>
                <li nr="4."><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                        geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten
                                        een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
                                        waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan
                                        beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan,
                                        indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave
                                        2007. </al></li>
                <li nr="5."><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een
                                        leiding voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en
                                        hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg kruist,
                                        een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125 mm.
                                    </al></li>
                <li nr="6."><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en
                                        hulpstukken van leidingen van de buitenriolering op erven en
                                        terreinen moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt
                                        geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het
                                        bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage 7.
                                    </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.7</nr>
                <titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen</titel>
              </kop>
              <al>De in de <onderstreept>artikelen 2.7.1</onderstreept>,
                                    <onderstreept>2.7.2</onderstreept>,
                                    <onderstreept>2.7.3</onderstreept> en
                                    <onderstreept>2.7.4</onderstreept> bedoelde afstand moet worden
                                gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder
                                bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat
                                zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. </al>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr>3</nr>
            <titel>De melding</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.1</nr>
              <titel>De wijze van melden</titel>
            </kop>
            <al>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.2</nr>
              <titel>Welstandscriteria</titel>
            </kop>
            <al>
              <vet>(vervallen, zie Hoofdstuk 9)</vet>
            </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr>4</nr>
            <titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.1</nr>
              <titel>Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden (vervallen)</titel>
            </kop>
            <al>(Vervallen)</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.2</nr>
              <titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel>
            </kop>
            <al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de omgevingsvergunning voor het bouwen; </al></li>
              <li nr="b."><al>andere toestemmingen; </al></li>
              <li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan; </al></li>
              <li nr="d."><al>een besluit ingevolge Artikel 13, 13a en 14, tweede lid, sub b
                                    van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.3</nr>
              <titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</titel>
            </kop>
            <al>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.4</nr>
              <titel>Het uitzetten van de bouw</titel>
            </kop>
            <al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor omgevingsvergunning voor het
                            bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen
                            alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven; </al></li>
              <li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                    uitgezet. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.5</nr>
              <titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken
                                    waarvoor omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en
                                    onverminderd het bepaalde in de voorwaarden van de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen - ten minste twee dagen voor
                                    de aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het
                                    bouwproces in kennis te worden gesteld: </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden
                                            daaronder begrepen; </al></li>
                  <li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                            slaan van proefpalen daaronder begrepen; </al></li>
                  <li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden. </al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis
                                    te worden gesteld van het storten van beton. </al></li>
              <li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                    indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.
                                </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.6</nr>
              <titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel>
            </kop>
            <al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouwbesluit nodig acht. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.7</nr>
              <titel>Bemalen van bouwputten</titel>
            </kop>
            <al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.8</nr>
              <titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband
                                    staat, moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat
                                    de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de
                                    weg en de in de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten
                                    behoeve van naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun
                                    gebruikers. </al></li>
              <li nr="2."><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                    moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de
                                    dagelijkse werktijd niet inbegrepen: </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van
                                            de uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel
                                            op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in
                                            gebruik stellen van de installaties door anderen dan
                                            daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;
                                        </al></li>
                  <li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een
                                            zodanige toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan,
                                            niet zonder meer door anderen dan de daartoe bevoegde
                                            personen in werking kunnen worden gesteld; </al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                    elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer
                                    elektrisch aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden
                                    vereisen dat de voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid
                                    voldoende is gewaarborgd. </al></li>
              <li nr="4."><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                    nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij
                                    uit veiligheidsoogpunt nodig zijn. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.9</nr>
              <titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                    dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                    doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende
                                    open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te
                                    duchten is. </al></li>
              <li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                    geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder
                                    ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere
                                    openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt
                                    belemmerd. </al></li>
              <li nr="3."><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en
                                    dat niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein
                                    is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden
                                    bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.10</nr>
              <titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                    transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat
                                    kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed
                                    en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren. </al></li>
              <li nr="2."><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                    werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor
                                    de omgeving optreedt. </al></li>
              <li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade
                                    of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan
                                    veroorzaken, verbieden. </al></li>
              <li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                                    gebruiken krachtwerktuig: </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of
                                        </al></li>
                  <li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of </al></li>
                  <li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal
                                            niet mag worden gebruikt. </al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="5."><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                    toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen
                                    voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet
                                    genoemde milieuwet van toepassing is. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.11</nr>
              <titel>Bouwafval</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden
                                    in de volgende fracties: </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk
                                            17 de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                                            Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus
                                            2001, nr. 158, blz. 9); </al></li>
                  <li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                            bedraagt; </al></li>
                  <li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                            bedraagt; </al></li>
                  <li nr="d."><al>overig afval. </al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                    fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten
                                    op de bouwplaats gescheiden worden gehouden. </al></li>
              <li nr="3."><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                    bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van
                                    10 m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht
                                    dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.
                                </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.12</nr>
              <titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Van het gereedkomen van </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering,
                                    alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en
                                    vloeren beneden straatpeil </al></li>
                  <li nr="b."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van
                                    de thermische isolatie in andere besloten constructies moet het bouwtoezicht onmiddellijk na die voltooiing in kennis worden
                            gesteld.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking
                                    heeft, mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan
                                    het oog worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip
                                    van kennisgeving. </al></li>
              <li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing
                                    op die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een
                                    plicht tot kennisgeving van voltooiing is bepaald. </al></li>
              <li nr="4."><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop
                                    de omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt
                                    het einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.
                                </al></li>
              <li nr="5."><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                    bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.13</nr>
              <titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel>
            </kop>
            <al/>
            <al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                            buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste
                            twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in kennis worden
                            gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van: </al>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen; </al></li>
              <li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding; </al></li>
              <li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing
                                    tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de
                                    temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is. </al></li>
              <li nr="d."><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                    bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.14</nr>
              <titel>Verbod tot ingebruikneming</titel>
            </kop>
            <al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te
                            nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het
                            bouwtoezicht.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr>5</nr>
            <titel>Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Staat van open erven en terreinen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.1.1</nr>
                <titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met
                                        hun bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.
                                    </al></li>
                <li nr="2."><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren
                                        voor de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of
                                        hinder voor de gebruikers of anderen, ten gevolge van: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>drassigheid; </al></li>
                    <li nr="b."><al>stank; </al></li>
                    <li nr="c."><al>verontreiniging; </al></li>
                    <li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;
                                            </al></li>
                    <li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.1.2</nr>
                <titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is
                                        verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg
                                        tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn
                                        die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's,
                                        ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten
                                        verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het
                                        gebouw zulks niet vereisen. </al></li>
                <li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid
                                        moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in
                                        een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                        voorschriften heeft vastgesteld: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                                breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een
                                                vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                                                ten minste 4,2 m; </al></li>
                    <li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                                motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600
                                                kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en
                                            </al></li>
                    <li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                        bijgebouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist,
                                        voorzover dit niet voor bewoning is bestemd, maar wel tot
                                        een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.
                                    </al></li>
                <li nr="4."><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                        brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende
                                        verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan
                                        worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van
                                        het gebouw zulks niet vereisen. </al></li>
                <li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                        bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                        doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.1.3</nr>
                <titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel>
              </kop>
              <al>1.Tussen de toegang van enerzijds: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in
                                            <onderstreept>artikel 4.3</onderstreept> van het
                                        Bouwbesluit; </al></li>
                <li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                        toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                        Bouwbesluit; </al></li>
              </lijst>
              <al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn. </al>
              <al>2.Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en </al></li>
                <li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en
                                    </al></li>
                <li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                        tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die
                                        voldoet aan het bepaalde in de <onderstreept>artikelen
                                            2.39</onderstreept> en <onderstreept>2.40</onderstreept>
                                        van het Bouwbesluit. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </structuurtekst>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.2.1</nr>
                <titel>Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en vluchtrouteaanduidingen</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.1</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel>
              </kop>
              <al>De in de <onderstreept>artikelen 3.123</onderstreept> en
                                    <onderstreept>3.124</onderstreept> van het Bouwbesluit bedoelde,
                                in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of </al></li>
                <li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.2</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel>
              </kop>
              <al>De in <onderstreept>artikel 2.52</onderstreept> van het Bouwbesluit
                                bedoelde, in bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening moet
                                zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of </al></li>
                <li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.3</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel>
              </kop>
              <al>De in <onderstreept>artikel 2.72</onderstreept> van het Bouwbesluit
                                bedoelde, in bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn
                                aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of </al></li>
                <li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m. </al></li>
              </lijst>
              <al>Niet van toepassing is voorgaande eis op: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>woningen waarin voor het kunnen koken een andere energiebron
                                        dan gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele
                                        aansluiting van gastoevoer nodig is; </al></li>
                <li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;
                                    </al></li>
                <li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd; </al></li>
                <li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.
                                    </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.4</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De in <onderstreept>artikel 3.36</onderstreept> van het
                                        Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen
                                        voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de
                                        eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen voor
                                        de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde
                                        in <onderstreept>artikel 5.3.6</onderstreept>, op een
                                        doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een openbaar riool.
                                    </al></li>
                <li nr="2."><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare
                                                riolering aanwezig is; </al></li>
                    <li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m
                                                van een openbaar riool zijn gelegen; </al></li>
                    <li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;
                                            </al></li>
                    <li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                                bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                                voldoende ruime mestkelder, gier- of beerput
                                                aanwezig is. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.5</nr>
                <titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel>
              </kop>
              <al>Indien het gestelde in <onderstreept>artikel 5.3.4</onderstreept>,
                                tweede lid, van toepassing is, gelden de volgende bepalingen: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                        waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                        doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig
                                        zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden
                                        worden gebruikt; </al></li>
                <li nr="b."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                        waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder
                                        overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende
                                        rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een
                                        doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de
                                        genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd
                                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                        optreden; </al></li>
                <li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van
                                        rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
                                        van water, bodem of lucht kan optreden; </al></li>
                <li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                        rottingput. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.6</nr>
                <titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen</titel>
              </kop>
              <al>
                <onderstreept>Artikel 2.7.6</onderstreept> en de bijbehorende
                                    <onderstreept>bijlage 7</onderstreept> zijn van overeenkomstige
                                toepassing. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.7</nr>
                <titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen</titel>
              </kop>
              <al>De in de <onderstreept>artikelen 5.3.1</onderstreept>,
                                    <onderstreept>5.3.2</onderstreept>,
                                    <onderstreept>5.3.3</onderstreept> en
                                    <onderstreept>5.3.4</onderstreept> bedoelde afstand moet worden
                                gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder
                                bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat
                                zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. </al>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid.</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.4.1</nr>
                <titel>Preventie</titel>
              </kop>
              <al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt. </al>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr>6</nr>
            <titel>Brandveilig gebruik</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr>7</nr>
            <titel>Overige gebruiksbepalingen</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Overbevolking</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.1.1</nr>
                <titel>Overbevolking van woningen</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2
                                gebruiksoppervlakte. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.1.2</nr>
                <titel>Overbevolking van woonwagens</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een
                                woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                                gebruiksoppervlakte. </al>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Staken van het gebruik</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.2.1</nr>
                <titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken
                                of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en
                                wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk; </al></li>
                <li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.
                                    </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.2.2</nr>
                <titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne</titel>
              </kop>
              <al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het
                                bouwwerk te staken. </al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.2.3</nr>
                <titel>Staken van het gebruik van een woonwagen (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al>vervallen</al>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.3.1</nr>
                <titel>Bepaling aantal personen nachtverblijf</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.3.2</nr>
                <titel>Hinder</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                waardoor: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook,
                                        roet, walm, of stof wordt verspreid;</al></li>
                <li nr="b."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers
                                        van het bouwwerk, het open erf of terrein; </al></li>
                <li nr="c."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank,
                                        stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of
                                        overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling,
                                        elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk
                                        of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                                        bouwwerk, open erf of terrein; </al></li>
                <li nr="d."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.
                                    </al></li>
              </lijst>
              <al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
                                of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is. </al>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid.</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.4.1</nr>
                <titel>Preventie</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                        geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                        bevindt. </al></li>
                <li nr="2."><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te
                                        worden bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte
                                        hierdoor niet wordt aangetrokken. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Watergebruik</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.5.1</nr>
                <titel>Verboden gebruik van water</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                                schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                                gebruiken. </al>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Installaties</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.6.1</nr>
                <titel>Gebruiksgereed houden van installaties</titel>
              </kop>
              <al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het
                                Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de
                                aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren,
                                zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt. </al>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr>8</nr>
            <titel>Slopen</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Omgevingsvergunning voor het slopen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.1</nr>
                <titel>Omgevingsvergunning voor het slopen</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het is verboden bouwwerkenen woonwagens daaronder begrepen,
                                        te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het
                                        bevoegd gezag. </al></li>
                <li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist
                                        indien naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval
                                        niet meer zal bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede
                                        betreft het verwijderen van asbest. Voorts is geen
                                        vergunning vereist voor het slopen ingevolge een besluit op
                                        grond van artikel 13 van de Woningwet, dan wel een besluit
                                        tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last
                                        onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan hun besluit
                                        voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid. </al></li>
                <li nr="3."><al>Het bevoegd gezag verbindt aan de sloopvergunning voor het
                                        slopen slechts voorschriften over: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen; </al></li>
                    <li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken; </al></li>
                    <li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden
                                                houden van het sloopafval, ten minste inhoudende een
                                                scheiding in een fractie asbest, een fractie
                                                gevaarlijk afval en een fractie overig afval; </al></li>
                    <li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden
                                                overleggen van de gegevens als bedoeld in
                                                  <onderstreept>artikel 8.1.2</onderstreept>, tweede
                                                lid, letter c, voor zover deze gegevens niet reeds
                                                zijn overgelegd. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het
                                        derde lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het
                                        selectief slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de
                                        tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in fracties
                                        gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein.
                                        Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor
                                        het slopen met betrekking tot asbest voorschriften over het
                                        afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer van het
                                        sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                                        plaatsvinden. </al></li>
                <li nr="5."><al>De vergunningsplicht als bedoeld in het eerste lid geldt
                                        niet indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het
                                        bouwen voor een seizoensgebonden bouwwerk vooschriften zijn
                                        gesteld over het slopen van het tijdelijke bouwwerk.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.2</nr>
                <titel>Aanvraag sloopvergunning (vervallen)</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr=""><al>Vervallen</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.3</nr>
                <titel>In behandeling nemen (vervallen)</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr=""><al>Vervallen</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.4</nr>
                <titel>Termijn van beslissing (vervallen)</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr=""><al>Vervallen</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.5</nr>
                <titel>Samenloop van slopen en bouwen (vervallen)</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr=""><al>Vervallen</al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.6</nr>
                <titel>Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</titel>
              </kop>
              <al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd
                                indien: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd
                                        en ook door het stellen van voorschriften niet op een
                                        voldoende peil kan worden gewaarborgd; </al></li>
                <li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met
                                        het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het
                                        stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                        worden gewaarborgd; </al></li>
                <li nr="c."><al>een vergunning met betrekking tot de arceologosuche
                                        monumenten ingevolge de Monumentenwet 1988 of een
                                        provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is
                                        vereist en deze niet is verleend; </al></li>
                <li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond
                                        van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens
                                        overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening
                                        de werking heeft behouden, is vereist en deze niet is
                                        verleend.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.7</nr>
                <titel>Intrekking omgevingsvergunning voor het slopen</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr=""><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden
                                        ingetrokken indien: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                                onvolledige opgave van gegevens; </al></li>
                    <li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                                sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is
                                                gemaakt; </al></li>
                    <li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de
                                                sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een
                                                aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.
                                            </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Uitzonderingen op het vereiste van omgevingsvergunning voor het slopen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.2.1</nr>
                <titel>Sloopmelding</titel>
              </kop>
              <al>1.In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders dan in
                                de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                        hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of
                                        uit een op het erf van die woning staand bijgebouw,
                                        voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van
                                        de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                                        bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van
                                        de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal
                                        vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel
                                        bedraagt; </al></li>
                <li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                                        vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die
                                        woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het
                                        bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een
                                        beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor
                                        gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                        asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal
                                        vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel
                                        bedraagt; </al></li>
              </lijst>
              <al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en
                                wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na
                                de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen
                                omgevingsvergunning voor het slopen is vereist. </al>
              <lijst>
                <li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                        worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens
                                        burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. </al></li>
                <li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                        3-voud worden ingediend. </al></li>
                <li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                        Nederlands zijn gesteld. </al></li>
                <li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                        aard en het gebruik van het bouwwerk. </al></li>
                <li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                        burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst
                                        toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is
                                        vermeld. </al></li>
                <li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid
                                        bedoelde mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn
                                        hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege gedaan. </al></li>
                <li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als
                                        bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met
                                        betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van asbest.
                                    </al></li>
                <li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of
                                        het zevende lid is verplicht het gestelde in een door de
                                        minister van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en
                                        milieubeheer uitgegeven publicatie ter zake van het slopen
                                        van asbest bevattende vloerbedekking in acht te nemen.
                                        Voorts is de houder verplicht de voorschriften, bedoeld in
                                        het achtste lid alsmede de voorschriften die bij of
                                        krachtens de artikelen 7 en 8 van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te
                                        nemen. </al></li>
                <li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                        sloop vrijkomt is niet toegestaan. </al></li>
                <li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het
                                        eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde
                                        eisen, stellen burgemeester en wethouders degene die de
                                        melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen één week de
                                        door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.
                                    </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.2.2</nr>
                <titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van omgevingsvergunning voor het slopen</titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts
                                geen omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen,
                                voor zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit
                                het in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel
                                of gedeeltelijk verwijderen van: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen; </al></li>
                <li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                        constructie van kassen; </al></li>
                <li nr="c."><al>rem- en frictiematerialen; </al></li>
                <li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren; </al></li>
                <li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                        verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is
                                        dan 2250 kilowatt. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Verplichtingen tijdens het slopen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.3.1</nr>
                <titel>Veiligheid op sloopterrein</titel>
              </kop>
              <al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.
                                </al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.3.2</nr>
                <titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel>
              </kop>
              <al/>
              <al> Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of
                                een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                                last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan
                                het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.3.3</nr>
                <titel>Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet
                                        het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest,
                                        opdragen aan een deskundig bedrijf. </al></li>
                <li nr="2."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet
                                        een afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het
                                        deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van
                                        werk zal uitvoeren. </al></li>
                <li nr="3."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt
                                        ten minste één week voorafgaande aan de aanvang van het
                                        slopen, het bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de
                                        data en tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat
                                        betrekking heeft op asbest, zal plaatsvinden. </al></li>
                <li nr="4."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt
                                        binnen twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het
                                        bevoegd gezag een afschrift van de resultaten van de
                                        eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.3.4</nr>
                <titel>Plichten van degene die sloopt</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning
                                        voor het slopen is verleend voor het slopen van asbest en
                                        tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene die
                                        sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen aan het
                                        bouw- en woningtoezicht. </al></li>
                <li nr="2."><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van
                                        tevoren de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden
                                        gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de
                                        sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden. Indien
                                        het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen
                                        schriftelijk geschieden. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.3.5</nr>
                <titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                        bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het
                                        bouwwerk wordt gesloopt. </al></li>
                <li nr="2."><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                        technieken worden toegepast om verontreiniging van het
                                        milieu met asbest te voorkomen. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.3.6</nr>
                <titel>Plichten ten aanzien van de sloop van
                                    tuinbouwkassen</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(Vervallen )</vet>
              </al>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Vrij slopen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.4.1</nr>
                <titel>Sloopafval algemeen</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                        vergunning krachtens <onderstreept>artikel
                                            8.1.1</onderstreept>, noch een melding krachtens artikel
                                        8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden in
                                        de navolgende fracties: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                                                hoofdstuk 17 de afvalstoffenlijst behorende bij de
                                                Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17
                                                augustus 2001, nr. 158, blz. 9); </al></li>
                    <li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;
                                            </al></li>
                    <li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking; </al></li>
                    <li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen; </al></li>
                    <li nr="e."><al>asfalt; </al></li>
                    <li nr="f."><al>dakgrind; </al></li>
                    <li nr="g."><al>overig afval. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g,
                                        en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en
                                        met f, moeten op het sloopterrein gescheiden worden
                                        gehouden. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr>9</nr>
            <titel>Welstand</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.1</nr>
              <titel>De advisering door de Commissie ruimtelijke kwaliteit</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen
                                    aan het Gelders Genootschap die uit haar midden personen
                                    voordraagt als lid van de Commissie ruimtelijke kwaliteit,
                                    hierna gezamenlijk te noemen: de commissie. </al></li>
              <li nr="2."><al>De commissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen
                                    voor een omgevingsvergunning voor het bouwen, zoals bedoeldin
                                    artikel 2.1.a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en
                                    artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De
                                    commissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde
                                    welstandscriteria. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.2</nr>
              <titel>Samenstelling van de Commissie ruimtelijke kwaliteit</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De commissie bestaat ten minste uit een voorzitter en 2 leden,
                                    waarvan ten minste 2 leden deskundig zijn op het gebied van
                                    architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.
                                </al></li>
              <li nr="2."><al>Voor de voorzitter en leden worden 2 plaatsvervangers aangewezen
                                    die hen bij afwezigheid kunnen vervangen. </al></li>
              <li nr="3."><al>De commissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste
                                    drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                    beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand. </al></li>
              <li nr="4."><al>De voorzitter en leden van de commissie zijn onafhankelijk ten
                                    opzichte van het gemeentebestuur. </al></li>
              <li nr="5."><al>De commissie wordt bijgestaan door een secretaris of diens
                                    plaatsvervanger. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.3</nr>
              <titel>Benoeming en zittingsduur</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                                    commissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de
                                    burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                                    gemeenteraad. </al></li>
              <li nr="2."><al>De leden van de commissie kunnen ten hoogste voor een termijn
                                    van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                    herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar. </al></li>
              <li nr="3."><al>Het reglement van orde van de commissie dat als
                                        <onderstreept>bijlage 9</onderstreept> bij deze verordening
                                    is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande
                                    leden, nadere benoemingsprocedures. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.4</nr>
              <titel>Jaarlijkse verantwoording</titel>
            </kop>
            <al>De commissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor
                            de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: </al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria
                                    uit de welstandsnota; </al></li>
              <li nr="·"><al>de werkwijze van de commissie; </al></li>
              <li nr="·"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                    vergaderen; </al></li>
              <li nr="·"><al>de aard van de beoordeelde plannen; </al></li>
              <li nr="·"><al>de bijzondere projecten. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>De commissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van
                            het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de
                            aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.
                            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.5</nr>
              <titel>Termijn van advisering</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De commissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning uit binnen twee weken nadat door of namens
                                    burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></li>
              <li nr="2."><al>De commissie brengt het advies uit over de aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning
                                    betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde
                                    aanvraag betreft, binnen drie weken nadat door of namens
                                    burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al></li>
              <li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                    commissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde
                                    leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het
                                    welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en
                                    wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de
                                    aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid
                                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.6</nr>
              <titel>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door de commissie t is openbaar.
                                    De agenda voor de vergadering van de commissie wordt tijdig
                                    bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een
                                    dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                                    geschikte wijze. Indien het bevoegd gezag - al dan niet op
                                    verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare
                                    behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan
                                    klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet
                                    openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De
                                    openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling
                                    als de adviezen. </al></li>
              <li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                    hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning
                                    voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                                    commissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op
                                    het bouwplan. </al></li>
              <li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                    wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting
                                    is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor
                                    het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van
                                    de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. </al></li>
              <li nr="4."><al>
                  <cursief>Alternatief 1</cursief>: Belanghebbenden hebben in
                                    toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van orde van de
                                    commissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld,
                                    voorziet in een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid
                                    wordt aangebracht in de toelichtende fase en de
                                    beraadslagingen.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.7</nr>
              <titel>Afdoening bij mandaat</titel>
            </kop>
            <al>
              <cursief>Alternatief 2 </cursief>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De commissie kan de advisering over een aanvraag om advies voor
                                    omgevingsvergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel
                                    2.1.a en artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen
                                    leden. </al></li>
              <li nr="2."><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als
                                    bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de commissie. </al></li>
              <li nr="3."><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien
                                    burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de
                                    aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan
                                    dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op
                                    grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten
                                    grondslag te leggen. </al></li>
              <li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beoordeling of een bouwplan
                                    voor een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk niet in strijd is
                                    met redelijke eisen van welstand mandateren aan een door hen aan
                                    te wijzen ambtenaar, indien in de Nota ruimtelijke kwaliteit
                                    voor de verschillende categorieën bouwwerken toetsingscriteria
                                    zijn opgenomen. </al></li>
              <li nr="5."><al>In het geval het bouwplan als bedoeld in het vorige lid niet
                                    voldoet aan de betreffende welstandscriteria, leggen
                                    burgemeester en wethouders het bouwplan alsnog voor aan de
                                    commissie. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.8</nr>
              <titel>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De commissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.
                                </al></li>
              <li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                    burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.9</nr>
              <titel>Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Indien de raad op grond van <onderstreept>artikel
                                        12</onderstreept> van de Woningwet het voornemen heeft een
                                    gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken of
                                    standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de
                                    raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat: </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend; </al></li>
                  <li nr="b."><al>het advies van de commissie is ingewonnen. </al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de
                                    wijze voorzien in de krachtens <onderstreept>artikel
                                        150</onderstreept> Gemeentewet vastgestelde verordening.
                                </al></li>
            </lijst>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr>10</nr>
            <titel>Overige administratieve bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.1</nr>
              <titel>De aanvraag om woonvergunning (vervallen)</titel>
            </kop>
            <al>Vervallen</al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.2 </nr>
              <titel>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen
                                (vervallen)</titel>
            </kop>
            <al>Vervallen</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.3</nr>
              <titel>Overdragen vergunningen (vervallen)</titel>
            </kop>
            <al>vervallen</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.4</nr>
              <titel>Overdragen mededeling (vervallen)</titel>
            </kop>
            <al>Vervallen</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.5</nr>
              <titel>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                alsmede standplaatsen (vervallen)</titel>
            </kop>
            <al>Vervallen</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.6</nr>
              <titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften</titel>
            </kop>
            <al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd. </al>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr>11</nr>
            <titel>Handhaving</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.1</nr>
              <titel>Stilleggen van de
                            bouw</titel>
            </kop>
            <al>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.2</nr>
              <titel>Overtreding van het verbod tot
                                ingebruikneming</titel>
            </kop>
            <al>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.3</nr>
              <titel>Stilleggen van het
                            slopen</titel>
            </kop>
            <al>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.4</nr>
              <titel>Onderzoek naar een gebrek</titel>
            </kop>
            <al>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr>12</nr>
            <titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.1</nr>
              <titel>Strafbare feiten</titel>
            </kop>
            <al>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.2</nr>
              <titel>Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel>
            </kop>
            <al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                            in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief
                            bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het
                            in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij
                            burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve
                            bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden gezien.
                            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.3</nr>
              <titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen</titel>
            </kop>
            <al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                            gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt
                            op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid,
                            van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op
                            grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van
                            dat gebouw zijn gesteld. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.4</nr>
              <titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning (vervallen)</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr=""><al>Vervallen</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.5</nr>
              <titel>Overgangsbepaling sloopmelding</titel>
            </kop>
            <al>
              <vet>(Vervallen)</vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.6</nr>
              <titel>Overgangsbepaling</titel>
            </kop>
            <al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming anderszins,
                            die is ingediend vóór het tijdstip waarop de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht in werking treedt en waarop op genoemd tijdstip nog niet
                            is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van toepassing,
                            zoals die luidden vóór de inwerkingtreding van de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft
                            dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.7</nr>
              <titel>Slotbepaling</titel>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de datum
                                    inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
                                </al></li>
              <li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening wordt de
                                    bouwverordening, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit d.d. 17
                                    januari 2006, ingetrokken. </al></li>
              <li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Bouwverordening
                                    gemeente Beuningen'. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 15 juni 2010</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>de griffier, de burgemeester</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening/>
        <ondertekening/>
        <ondertekening/>
      </regeling-sluiting>
      <bijlage>
        
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>BIJLAGEN</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning.
                                <vet>Vervallen.</vet></al>
        <al>Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning.
                                <vet>Vervallen</vet>.</al>
        <al>Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken. <vet>Vervallen</vet>.</al>
        <al>Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de </al>
        <al>niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties.
                            <vet>Vervallen.</vet></al>
        <al>Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen. <vet>Vervallen.</vet></al>
        <al/>
        <al>Bijlage 6 <vet>Vervallen</vet>.</al>
        <al>Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de
                            buitenriolering </al>
        <al>op erven en terreinen.</al>
        <al>Bijlage 8 <vet>Vervallen.</vet></al>
        <al>Bijlage 9 Reglement op de Commissie ruimtelijke kwaliteit in
                            Beuningen.</al>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Bijlage
                            7</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering
                                op erven en terreinen. </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 De NEN-normen, bedoeld in artikel
                            2.7.6, zesde lid, zijn de volgende: </al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren
                                    afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979); </al></li>
          <li nr="b."><al>NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren
                                    afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979); </al></li>
          <li nr="c."><al>NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor
                                    binnen- en buitenrioleringen'; </al></li>
          <li nr="d."><al>NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij
                                    verval buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1.
                                    Eisen voor buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig; met
                                    correctieblad NEN-EN 1401-1/C1, uitgave 1998, Nederlandstalig);
                                </al></li>
          <li nr="e."><al>NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken,
                                    alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met
                                    inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2,
                                    uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen'
                                    (Engelstalig); </al></li>
          <li nr="f."><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken,
                                    alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met
                                    inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2.
                                    Kwaliteitscontrole en monstername' (Engelstalig); </al></li>
          <li nr="g."><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken,
                                    alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel
                                    3. Beproevingsmethoden' (Engelstalig). </al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Bijlage
                            8</onderstreept>
          </vet> Vervallen </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Bijlage
                            9</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Reglement op de Commissie ruimtelijke kwaliteit in Beuningen versie
                                januari 2007</vet>
        </al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>Benoeming en samenstelling van de Commissie ruimtelijke
                                    kwaliteit</al><al>1.1 Benoemingsprocedure</al><al>1.2 Samenstelling Commissie</al><al>2. Taakomschrijving</al><al>2.1 Taakomschrijving Commissie</al><al>2.1.1 Wettelijke taken</al><al>2.1.2 Niet wettelijk verplichte taken</al><al>2.2 Taakomschrijving commissieleden</al><al>2.2.1 Taken van de rayonarchitect</al><al>2.2.2 Taken van de voorzitter</al><al>2.2.3 Taken van externe commissieleden</al><al>2.2.4 Burgerlid/-leden</al></li>
          <li nr="3."><al>Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht</al><al>4. Werkwijze van de Commissie</al><al>4.1 Vooroverleg over bouwplannen</al><al>4.2 Gemandateerde behandeling</al><al>4.2.1 Mandaat ‘kleine commissie’</al><al>4.2.2 Het mandaatadvies</al><al>4.2.3 Openbaarheid</al><al>4.2.4 Toelichting opdrachtgever/ontwerper</al><al>4.2.5 Spreekrecht</al><al>4.3 Openbare commissievergadering</al><al>4.3.1 Locatie vergadering</al><al>4.3.2 Publicatie agenda</al><al>4.3.3 Toelichting opdrachtgever/ontwerper</al><al>4.3.4 Spreekrecht</al><al>4.4 Het welstandsadvies</al><al>4.5 Afwijken van het welstandsadvies</al><al>4.5.1 Second opinion</al><al>5. Evaluatie welstandstoezicht</al><al>5.1 Jaarverslag B&amp;W</al><al>5.2 Jaarverslag Commissie </al><al/><al>
              <vet>1.</vet>
              <vet> Benoeming en samenstelling van de
                                        Commissie</vet>
              <vet> ruimtelijke kwaliteit</vet>
            </al><al/><al>
              <vet>1.1</vet>
              <vet> Benoemingsprocedure</vet>
            </al><al>De gemeente wijst op voordracht van het college van B&amp;W de
                                    vereniging ‘<cursief>Het Gelders Genootschap’ </cursief>aan als
                                    de Commissie. Het Gelders Genootschap legt de gemeente een lijst
                                    voor met de beoogde commissieleden. Dit betreft de voorzitter,
                                    de rayonarchitect, de externe deskundigen en hun
                                    plaatsvervangers. Indien gewenst, vindt overleg plaats tussen
                                    het Gelders Genootschap en de gemeente. Voor de benoeming van
                                    burgerleden en hun plaatsvervangers geldt een afwijkende
                                    procedure. De gemeente kan burgerleden voordragen ter benoeming.
                                    Alvorens dit te doen, overleggen B&amp;W met het Gelders
                                    Genootschap over het gewenste profiel van het burgerlid of de
                                    burgerleden. Er mogen maximaal twee burgerleden in de commissie
                                    worden benoemd. Burgerleden ontvangen via de gemeente een
                                    onkostenvergoeding.Alle leden van decommissie en hun
                                    plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van drie jaar,
                                    met de mogelijkheid van verlenging met nog eens drie jaar. Bij
                                    afwezigheid van de voorzitter of de leden van de commissie,
                                    treden plaatsvervangers op in de commissievergadering. De
                                    rayonarchitect kan zich door een collegarayonarchitect laten
                                    vervangen. De voorzitter, de rayonarchitect, de externe
                                    deskundigen, het burgerlid/de burgerleden en hun
                                    plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten opzichte van het
                                    gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen
                                    bindingen of relaties op basis waarvan het advies over de
                                    welstandsaspecten wordt beïnvloed. De commissie is beleidsmatig
                                    gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid. De commissie
                                    streeft naar voortdurende afstemming met het beleid inzake de
                                    ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente.</al><al/><al>
              <vet>1.2</vet>
              <vet> Samenstelling van de
                                    Commissie</vet>
            </al><al>De commissie bestaat uit een bestuurlijk voorzitter, de
                                    rayonarchitect van het Gelders Genootschap en tenminste twee
                                    externe deskundigen van buiten het bureau en een burgerlid. De
                                    rayonarchitect fungeert tevens als secretaris-deskundige van de
                                    commissie. Naast de rayonarchitect zijn tenminste twee
                                    commissieleden deskundig op het terrein van architectuur,
                                    stedenbouw en aanverwante vakgebieden. Decommissie kan zich naar
                                    eigen inzicht laten bijstaan door extra deskundigen van het
                                    bureau van het Gelders Genootschap of daarbuiten. Dit betreft
                                    disciplines als cultuur- en bouwhistorie, en
                                    landschapsarchitectuur. Afhankelijk van het type plan dat moet
                                    worden beoordeeld, nemen de extra deskundigen deel aan de
                                    vergadering. Zij hebben geen stemrecht, tenzij ze als
                                    commissielid zijn benoemd door de gemeente. De commissie kan
                                    slechts adviezen uitbrengen indien tenminste drie leden aanwezig
                                    zijn (waaronder de rayonarchitect of zijn/haar vervanger) en
                                    waarvan tenminste twee leden deskundig zijn op het gebied van
                                    welstand.</al><al/><al>
              <vet>2.</vet>
              <vet> Taakomschrijving </vet>
            </al><al/><al>
              <vet>2.1</vet>
              <vet> Taakomschrijving Commissie</vet>
              <vet>
                                        ruimtelijke kwaliteit</vet>
            </al><al>De commissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet
                                    wettelijk verplichte taken. De wettelijke taken van de commissie
                                    worden uitgevoerd op grond van de Woningwet 2002. De commissie
                                    is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid,
                                    zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke nota ruimtelijke
                                    kwaliteit.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>
          <vet>2.1.1</vet>
          <vet> Wettelijke taken</vet>
        </al>
        <al>1. Toetsing van omgevingsvergunningplichtige bouwwerken.</al>
        <al/>
        <al>De commissie adviseert B&amp;W over de welstandsaspecten van reguliere
                            en gefaseerde aanvragen om bouwvergunning als bedoeld in artikel 2.1.a
                            van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechten artikel 2.5. van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht.Omgevingsvergunningplichtige
                            bouwaanvragen worden in de regel binnen twee weken na behandeling van
                            een welstandsadvies voorzien.</al>
        <al/>
        <al>2.Toetsing van omgevingsvergunningplichtige bouwwerken aan de
                            sneltoetscriteria van de Nota ruimtelijke kwaliteit.</al>
        <al/>
        <al>Toetsing van omgevingsvergunningplichtige bouwwerken aan de
                            sneltoetscriteria van de Nota ruimtelijke kwaliteit, als bedoeld in
                            artikel 2.1.a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, worden in
                            principe door een gemandateerd ambtenaar van de gemeente behandeld. Bij
                            twijfel legt de ambtenaar het betreffende bouwplan voor aan de
                            gemandateerde rayonarchitect van de commissie. Toetsing van
                            omgevingsvergunningplichtige bouwaanvragen , als bedoeld in artikel
                            2.1.a. van de Wet algemene beaplingen omgevingsrecht, worden in principe
                            binnen één week na behandeling van een welstandsadvies voorzien. </al>
        <al/>
        <al>3.Jaarverslag Commissie ruimtelijke kwaliteit.</al>
        <al/>
        <al>De commissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van
                            de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie
                            tenminste uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de
                            welstandscriteria. Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het
                            jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging
                            van het gemeentebestuur en de commissie. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>2.1.2</vet>
          <vet> Niet wettelijk verplichte taken</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>De commissie krijgt de opdracht om naast de reguliere taken de volgende
                            (niet wettelijk verplichte) taken uit te voeren:a. Beoordeling
                            van aanvragen voor reclames (inzake de gemeentelijke APV).b. Onder de
                            regie van de gemeente, en op verzoek van de commissie, de gemeente of </al>
        <al>de aanvrager, noodzakelijk geacht overleg voeren met betrokkenen bij de
                            voorbereiding van bouwplannen. </al>
        <al>Desgevraagd adviezen uitbrengen aan B&amp;W over de welstandsaspecten
                            van in voorbereiding zijnde structuurplannen, bestemmingsplannen,
                            beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante
                            beleidsstukken.</al>
        <al>Desgevraagd adviseren in het geval van excessen: buitensporigheden in
                            het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident
                            zijn.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>2.2</vet>
          <vet> Taakomschrijving
                            commissieleden</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>2.2.1</vet>
          <vet> Taken van de rayonarchitect</vet>
        </al>
        <al>De rayonarchitect van het Gelders Genootschap is secretaris-deskundige
                            van de commissie. Hij/zij voert als gemandateerd lid van de commissie de
                            eerste gesprekken – het vooroverleg - met de gemeente, planindieners,
                            ontwerpers en andere belanghebbenden, verzamelt relevante informatie en
                            bereidt de behandeling van bouwplannen in de welstandscommissie voor. De
                            plannen waarvoor de rayonarchitect een mandaat heeft, worden door
                            hem/haar van een advies voorzien (<cursief>Zie verder 4.2 Gemandateerde
                                behandeling).</cursief> De rayonarchitect stelt de agenda
                            voor de commissievergadering op en geeft die door aan de behandelend
                            ambtenaar van Bouw- en Woningtoezicht. Tijdens de commissievergadering
                            introduceert de rayonarchitect de bouwplannen en verstrekt gegevens over
                            het relevante welstandsbeleid voor het betreffende plan en/of gebied.
                            Onder de verantwoordelijkheid van de rayonarchitect wordt de
                            beraadslaging en conclusie over een bouwplan uitgewerkt in een
                            schriftelijk advies, dat in beginsel binnen twee weken na de
                            commissievergadering verzonden wordt.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>2.2.2</vet>
          <vet> Taken voorzitter</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>De voorzitter van de commissie is in principe gekozen uit de kring van
                            gemeentebestuurders. Hij/zij is verantwoordelijk voor het functioneren
                            van de commissie en de kwaliteit van de advisering. Hij/zij let erop dat
                            de commissie adviseert binnen de kaders van het gemeentelijk
                            welstandsbeleid. Tijdens de openbare vergadering treedt de voorzitter op
                            als gastheer/-vrouw voor alle aanwezigen. Hij/zij legt in het kort de
                            vergaderprocedure uit en informeert wie van de aanwezigen bij een
                            bepaald plan wil inspreken. Indien een plan in het vooroverleg is
                            besproken, geeft de voorzitter (of de rayonarchitect) een korte
                            samenvatting van hetgeen in dat stadium van het planproces besproken is.
                            De voorzitter leidt de discussie en biedt alle commissieleden de
                            gelegenheid om hun mening voldoende naar voren te brengen. Hij/zij zorgt
                            ervoor dat na een inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag een
                            voor alle aanwezigen korte en heldere samenvatting wordt gegeven. De
                            voorzitter bewaakt verder de voortgang van de agenda.Bij het overleg met
                            de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de pers treedt de
                            voorzitter namens de commissie naar buiten. De voorzitter organiseert
                            met de commissie een jaarlijkse inhoudelijke evaluatie van de
                            werkzaamheden. De resultaten van de evaluatie worden opgenomen in het
                            jaarlijks verslag van de commissie.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>2.2.3</vet>
          <vet> Taken externe deskundigen</vet>
        </al>
        <al>In de commissies hebben tenminste twee externe deskundigen op het gebied
                            van de architectuur en stedenbouw zitting. Zij geven vanuit hun ervaring
                            en inzicht in het vakgebied een onafhankelijke visie op de
                            adviesaanvragen. Op het moment dat een extern commissielid op de een of
                            andere wijze een zakelijke binding heeft met een bepaald bouwplan laat
                            hij/zij zich voor de betreffende commissievergadering vervangen. Bij
                            langlopende projecten waarbij de inbreng van de commissie verwacht wordt
                            en waarbij de extern deskundige een zakelijke binding heeft, treedt deze
                            in overleg met de commissie en het bureau tijdelijk terug.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>2.2.4 </vet>
          <vet>
            <cursief> Burgerlid
                            /-leden</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al>Een burgerlid moet inwoner zijn van de gemeente Beuningen.</al>
        <al>Burgerleden zijn alleen betrokken bij de beoordeling van de plannen uit
                            de gemeente Beuningen.</al>
        <al>Burgerleden hebben geen vertegenwoordigende functie, maar zij spreken op
                            persoonlijke titel. Zij geven vanuit hun ervaring en beleving een
                            onafhankelijke visie op de adviesaanvragen en proberen ‘de kijk van de
                            burger’ in een welstandsadvies te vertalen. Bovendien kunnen zij een rol
                            hebben bij het bevorderen van een heldere en begrijpelijke communicatie
                            tussen de commissie en een aanvrager.</al>
        <al>Op het moment dat een burgerlid op de een of andere wijze een
                            persoonlijke binding heeft met een bepaald bouwplan trekt hij/zij zich
                            voor de betreffende commissievergadering terug. Bij langlopende
                            projecten waarbij de inbreng van de commissie verwacht wordt en het
                            burgerlid een persoonlijke binding heeft, treedt deze in overleg met de
                            commissie en het bureau tijdelijk terug. In voorkomende gevallen wordt
                            de vrijgekomen positie ingenomen door een plaatsvervangend lid (indien
                            beschikbaar).</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>3.</vet>
          <vet> Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht</vet>
        </al>
        <al>De welstandsprocedure begint met het sorteren van bouwplannen bij de
                            afdeling Bouw- en Woningtoezicht in omgevingsvergunningplichtige
                            bouwwerken die aan de sneltoetscriteria kunnen worden getoetst en
                            aanvragen die niet aan de snelheidscriteria kunnen worden getoetst.
                            Bouw- en Woningtoezicht toetst een bouwplan eerst op de vereisten in het
                            bestemmingsplan en de bouwverordening. Ten behoeve van de welstandstoets
                            beoordeelt de ambtenaar of het bouwplan is voorzien van de benodigde
                            bescheiden om het te kunnen toetsen. Welke gegevens nodig zijn, is
                            vastgelegd in de AMvB ‘Indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning’ en
                            in de gemeentelijke bouwverordening. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.</vet>
          <vet> Werkwijze van de Commissie</vet>
          <vet>
                                ruimtelijke kwaliteit</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.1</vet>
          <vet> Vooroverleg over bouwplannen</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>De gemeente biedt de aanvrager de mogelijkheid, om een nog niet formeel
                            aangevraagd bouwplan in een vooroverleg met de commissie toe te lichten
                            en te bespreken. De rayonarchitect maakt altijd een verslag van het
                            vooroverleg. Vooroverleg vindt in principe in het openbaar plaats.
                            Hiervan kan worden afgeweken na overleg tussen de gemeente, de aanvrager
                            en de commissie. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.2</vet>
          <vet> Gemandateerde behandeling</vet>
        </al>
        <al>De rayonarchitect behandelt, in samenspraak met het burgerlid, in de
                            regel om de twee weken op locatie de bouwplannen. Hij/zij heeft een
                            mandaat van de commissie om zelfstandig bouwplannen af te handelen. Het
                            uitgangspunt voor de mandaatverlening is dat de rayonarchitect in
                            samenspraak met het burgerlid alleen de plannen beoordeelt van een
                            relatief geringe ruimtelijke betekenis, of plannen waar gelet op
                            meerdere vergelijkbare gevallen, de mening van de commissie als bekend
                            mag worden verondersteld. Bij twijfel legt de rayonarchitect het
                            bouwplan voor aan de commissie. De rayonarchitect heeft voor
                            vergunningplichtige plannen alleen het mandaat om positieve adviezen uit
                            te brengen. Bij licht-vergunningplichtige plannen mag de rayonarchitect
                            ook negatief adviseren. De commissie zelf is eindverantwoordelijk voor
                            het welstandsadvies. Tenminste één keer per jaar vindt overleg plaats
                            tussen de rayonarchitect en de welstandscommissie over het mandaat.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.2.1</vet>
          <vet> Mandaat ‘ kleine commissie’</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Het burgerlid maakt ook deel uit van de “ kleine commissie”</al>
        <al>De gemandateerde rayonarchitect wordt – op verzoek van de
                            welstandscommissie, de gemeente of op eigen verzoek - bijgestaan door
                            een ander commissielid. Deze ‘<cursief>kleine commissie’</cursief>
                            beschikt over hetzelfde mandaat als de rayonarchitect.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.2.2</vet>
          <vet> Het mandaatadvies</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>De rayonarchitect brengt welstandsadviezen uit aan B&amp;W over de vraag
                            of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats,
                            zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten
                            ontwikkeling daarvan, niet is strijd is met redelijke eisen van
                            welstand’ (<cursief>art. 12 lid 1 Ww 2002</cursief>). Dit wordt
                            beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de
                            welstandsnota. Een positief mandaat-welstandsadvies wordt uitgebracht
                            door een stempel ‘geen bezwaar’ op het adviesformulier te plaatsen. Een
                            negatief mandaatadvies (alleen bij licht-vergunningplichtige plannen)
                            wordt schriftelijk gemotiveerd met een verwijzing naar de relevante
                            criteria uit de Nota ruimtelijke kwaliteit.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.2.3</vet>
          <vet> Openbaarheid gemandateerde behandeling</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>De behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Via het
                            huis-aan-huis blad worden de burgers op de hoogte gesteld van het
                            tijdstip en plaats van de gemandateerde behandeling. De agenda wordt op
                            het gemeentehuis ter inzage gelegd.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.2.4</vet>
          <vet> Toelichting opdrachtgever/ontwerper</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om
                            de gemandateerde behandeling van hun plan bij te wonen en toe te
                            lichten. Indien zij bij de behandeling aanwezig willen zijn, vermelden
                            ze dit op het daarvoor bestemde formulier of rechtstreeks bij Bouw- en
                            Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de uitnodigingen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.2.5</vet>
          <vet> Spreekrecht</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Tijdens de gemandateerde behandeling wordt de mogelijkheid tot
                            spreekrecht geboden. Alleen opdrachtgevers/ontwerpers hebben
                            spreekrecht.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.3</vet>
          <vet> Openbare commissievergadering</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>De commissie vergadert in de regel één keer per twee weken. De
                            rayonarchitect behandelt in de tussenliggende periode, in samenspraak
                            met het burgerlid, de kleinere bouwplannen (zie 2.2.1 t/m 2.2.3 voor
                            taken rayonarchitect, voorzitter en externe deskundigen tijdens de
                            commissievergadering). De openbaarheid geldt voor de beraadslaging over
                            bouwplannen, de beoordeling daarvan en voor de adviezen. De
                            commissievergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in
                            gevallen als bedoeld in art. 10, eerste lid, van de Wet Openbaarheid van
                            Bestuur en in gevallen waarin het belang van openbaarheid niet opweegt
                            tegen de in art. 10, tweede lid, van die wet genoemde belangen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.3.1</vet>
          <vet> Locatie vergadering</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>De commissie vergadert op een vaste locatie in het rayon. Bij de
                            behandeling van belangrijke bouwplannen kan – op verzoek van de gemeente
                            - worden besloten om in de eigen gemeente te vergaderen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.3.2</vet>
          <vet> Publicatie agenda</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>De agenda voor de commissievergadering wordt ter inzage gelegd op het
                            gemeentehuis. Via het huis-aan-huis blad worden de burgers op de hoogte
                            gesteld van het tijdstip en plaats van de commissievergadering. De
                            agenda wordt op het gemeentehuis ter inzage gelegd.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.3.3</vet>
          <vet> Toelichting opdrachtgever/ontwerper</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om
                            de behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten. Indien zij
                            bij de behandeling aanwezig willen zijn, vermelden ze dit op het
                            daarvoor bestemde formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht.
                            De gemeente zorgt voor de uitnodigingen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.3.4</vet>
          <vet> Spreekrecht</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Tijdens de openbare vergadering wordt de mogelijkheid tot spreekrecht
                            geboden. Alleen opdrachtgevers/ontwerpers hebben spreekrecht.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.4</vet>
          <vet> Het advies</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>De commissie brengt heldere en goed beargumenteerde adviezen uit aan
                            B&amp;W over de vraag of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk
                            of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of
                            de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke
                            eisen van welstand’ (<cursief>art. 12 lid 1 Ww 2002</cursief>). Dit
                            wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de
                            welstandsnota. Een advies kan de volgende uitkomsten hebben:</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Akkoord</onderstreept>
        </al>
        <al>De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing
                            zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van
                            welstand. Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk. </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Akkoord mits</onderstreept>
        </al>
        <al>De commissie adviseert aan B&amp;W het plan te laten aanpassen omdat het
                            volgens de van toepassing zijnde criteria op een aantal punten (nog)
                            niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een akkoord mits wordt
                            gegeven als de commissie van mening is dat de aanvrager kan volstaan met
                            enkele aanpassingen en deze daarin heeft toegestemd c.q. dit
                            redelijkerwijze is te verwachten. De gemeente controleert of de
                            definitieve bouwtekening in overeenstemming is met de voorwaarden van de
                            commissie.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Niet akkoord</onderstreept>
        </al>
        <al>De commissie brengt een negatief advies uit aan B&amp;W omdat het plan
                            volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet voldoet aan
                            redelijke eisen van welstand. Een negatief advies wordt gegeven als de
                            commissie van mening is dat een bouwplan ingrijpend moet worden
                            aangepast. Adviseert de commissie negatief, dan geeft ze een nauwkeurige
                            schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het
                            ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde
                            welstandscriteria en een samenvatting van de beoordeling van het plan op
                            die punten. De gemeente maakt een inschatting of de gevraagde
                            aanpassingen nog binnen de vereisten van het bestemmingsplan en de
                            resterende vergunningtermijn te realiseren zijn. Indien dat niet
                            mogelijk is, betekent het negatief advies dat de vergunning opnieuw moet
                            worden aangevraagd.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Aanhouden</onderstreept>
        </al>
        <al>De commissie kan het advies aanhouden – waarbij Bouw- en Woningtoezicht
                            aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende
                            vergunningtermijn - wanneer meer informatie of een toelichting van de
                            ontwerper noodzakelijk is. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.5</vet>
          <vet> Afwijken van het advies en/of criteria</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>B&amp;W hebben de wettelijke mogelijkheid om ook op andere dan
                            welstandsgronden, af te wijken van een advies. De redenen voor afwijking
                            moeten bij de bekendmaking van het besluit worden vermeld.</al>
        <al>B&amp;W kunnen, eventueel op advies van de commissie, gemotiveerd (op
                            welstandsgronden) afwijken van de welstandscriteria zelf. Dat kan bij
                            plannen die niet voldoen aan de vastgelegde criteria maar wél aan
                            redelijke eisen van welstand. B&amp;W verwijzen in dat geval naar de
                            algemene criteria in de welstandsnota.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.5.1</vet>
          <vet> Second opinion</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Alvorens een second opinion te vragen, bieden B&amp;W eerst de vaste
                            commissie de mogelijkheid tot heroverweging van het eerder uitgebrachte
                            advies. Indien alsnog een second opinion wordt gevraagd, wordt dit
                            gemeld aan de commissie. Bij een second opinion wordt de bouwaanvraag
                            voorgelegd aan een commissie buiten het Gelders Genootschap. Hierover
                            neemt de gemeente contact op met de Federatie Welstand.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>5.</vet>
          <vet> Evaluatie welstandstoezicht</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>5.1</vet>
          <vet> Jaarverslag B&amp;W</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>B&amp;W leggen de gemeenteraad tenminste eenmaal per jaar een verslag
                            voor waarin zij uiteenzetten:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de
                                    commissie;</al></li>
          <li nr="-"><al>In welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een
                                    lichte bouwvergunning niet aan de commissie hebben voorgelegd en
                                    op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben
                                    gegeven aan de welstandscriteria.</al></li>
          <li nr="-"><al>In welke categorieën van gevallen:</al><al/></li>
        </lijst>
        <al>* zij tot aanschrijving op grond van art. 19 Ww 2002 zijn overgegaan en
                            daarbij de keuze hebben gelaten tussen ofwel het uitvoeren van de
                            aanschrijving, ofwel het slopen van het bouwwerk of de standplaats
                            binnen de door hen te bepalen termijn, en</al>
        <al/>
        <al>* zij bij of na een aanschrijving op grond van artikel 19 Ww 2002 zijn
                            overgegaan tot toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 26 Ww
                            2002.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>5.2</vet>
          <vet> Jaarverslag Commissie ruimtelijke
                            kwaliteit</vet>
        </al>
        <al>Zie onder punt 2.1.1</al>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>