<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR154721_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nuth</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-10-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nuth</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nuth &amp; Omstreken, 07-03-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning, art. 4 en 5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-02-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-03-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-03-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>FLO/2012/538</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2007.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al> De raad van de gemeente Nuth, </al>
          <al/>
          <al>gelezen het voorstel van het college, gelet op artikel 4 en 5 Wet
                        maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en artikel 149 Gemeentewet;</al>
          <al/>
          <al>overwegende dat het noodzakelijk is om voorzieningen te treffen om de
                        beperkingen, die iemand heeft om te kunnen participeren in de samenleving,
                        te compenseren;</al>
          <al/>
          <al>besluit vast te stellen de volgende verordening individuele voorzieningen
                        maatschappelijke ondersteuning: </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <titel>Algemene bepalingen.</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Begripsbepalingen.</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>
                  <cursief>Wet</cursief>: Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li>
              <li nr="b."><al>
                  <cursief>Compensatiebeginsel</cursief>: de algemene verplichting
                                    aan het gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen
                                    op grond van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen
                                    een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen zodat zij
                                    zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke
                                    participatie;</al></li>
              <li nr="c."><al>
                  <cursief>Beperkingen</cursief>: moeilijkheden die een persoon
                                    heeft met het uitvoeren van activiteiten;</al></li>
              <li nr="d."><al>
                  <cursief>Persoon met beperkingen</cursief>: een persoon die ten
                                    gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en
                                    psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij
                                    het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het voeren van
                                    het huishouden, bij het normale gebruik van de woning; bij het
                                    verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen
                                    per vervoermiddel of bij het ontmoeten van medemensen en het op
                                    basis daarvan aangaan van sociale verbanden;</al></li>
              <li nr="e."><al>
                  <cursief>Mantelzorger</cursief>: een persoon, die mantelzorg
                                    verleent als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b. van de
                                    wet;</al></li>
              <li nr="f."><al>
                  <cursief>Zelfredzaamheid</cursief>: het lichamelijk,
                                    verstandelijk, geestelijk en financiële vermogen om
                                    voorzieningen te treffen die deelname aan het normale
                                    maatschappelijke verkeer mogelijk maken</al></li>
              <li nr="g."><al>
                  <cursief>Maatschappelijke participatie</cursief>: normale
                                    deelname aan het maatschappelijke verkeer, te weten het voeren
                                    van een huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich
                                    in en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat
                                    aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en
                                    landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en
                                    het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die
                                    manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;</al></li>
              <li nr="h."><al>
                  <cursief>Algemene voorziening</cursief>: een voorziening die
                                    wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een
                                    beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en
                                    adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon
                                    ondervindt;</al></li>
              <li nr="i."><al>
                  <cursief>Individuele voorziening</cursief>: een voorziening die
                                    individueel wordt aangeboden indien een algemene voorziening
                                    geen adequate oplossing biedt;</al></li>
              <li nr="j."><al>
                  <cursief>Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten</cursief>:
                                    een door het college van burgemeester en wethouders vast te
                                    stellen bijdrage, die bij respectievelijk de verstrekking van
                                    een voorziening in natura, een persoonsgebonden budget (een
                                    eigen bijdrage) of een financiële tegemoetkoming (een eigen
                                    aandeel) betaald moet worden en waarop de regels van het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Nuth van toepassing
                                    zijn;</al></li>
              <li nr="k."><al>
                  <cursief>Voorziening in natura</cursief>: een voorziening die in
                                    eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke
                                    dienstverlening wordt verstrekt;</al></li>
              <li nr="l."><al>
                  <cursief>Persoonsgebonden budget</cursief>: een geldbedrag
                                    waarmee de aanvrager een of meer aan hem te verlenen
                                    voorzieningen kan verwerven en waarop de in deze verordening en
                                    het Besluit maatschappelijke ondersteuning te stellen regels van
                                    toepassing zijn;</al></li>
              <li nr="m."><al>
                  <cursief>Financiële tegemoetkoming</cursief>: een tegemoetkoming
                                    in de kosten van een voorziening welke kan worden afgestemd op
                                    het inkomen van de aanvrager;</al></li>
              <li nr="n."><al>
                  <cursief>Algemeen gebruikelijk</cursief>: naar geldende
                                    maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel
                                    bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend;
                                </al></li>
              <li nr="o."><al>
                  <cursief>Meerkosten</cursief>: kosten van een mogelijk krachtens
                                    de wet te verlenen voorziening, voorzover dit deel van de kosten
                                    uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te
                                    beschouwen kosten van een dergelijke voorziening;</al></li>
              <li nr="p."><al>
                  <cursief>Besparingsbijdrage</cursief>: een door de aanvrager te
                                    betalen bijdrage, gelijk aan het bedrag dat ten gevolge van de
                                    verstrekking van een voorziening door de aanvrager wordt
                                    bespaard omdat deze verstrekte voorziening een algemeen
                                    gebruikelijke voorziening vervangt of kan vervangen;</al></li>
              <li nr="q."><al>
                  <cursief>Huisgenoot</cursief>: iedere meerderjarige met wie de
                                    aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont
                                    (gezamenlijke huishouding);</al></li>
              <li nr="r."><al>
                  <cursief>Budgethouder</cursief>: een persoon aan wie ingevolge
                                    deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend en die
                                    aan het college verantwoording over de besteding van het
                                    persoonsgebonden budget verschuldigd is;</al></li>
              <li nr="s."><al>
                  <cursief>Aanvrager</cursief>; </al><lijst>
                  <li nr="1."><al>een persoon met beperkingen van 18 jaar of ouder oftewel
                                            de wettelijk vertegenwoordiger of diens gemachtigde</al></li>
                  <li nr="2."><al>de wettelijk vertegenwoordiger oftewel een gemachtigde
                                            van een persoon met beperkingen van jonger dan 18
                                            jaar</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="t."><al>
                  <cursief>Inkomen</cursief>;</al><al>het verzamelinkomen van de aanvrager, waarbij de gegevens van de
                                    Belastingdienst gehanteerd worden. </al></li>
              <li nr="u."><al>
                  <cursief>Woonwagen: </cursief>voor bewoning bestemd gebouw dat
                                    is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in
                                    delen kan worden verplaatst<cursief>.</cursief></al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Beperkingen.</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voorzover: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het
                                        gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in
                                        en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per
                                        vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op
                                        basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te
                                        verminderen;</al></li>
                <li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                        adequate voorziening kan worden aangemerkt;</al></li>
                <li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Geen voorziening wordt toegekend: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                        algemeen gebruikelijk is;</al></li>
                <li nr="b."><al>indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente
                                        Nuth;</al></li>
                <li nr="c."><al>voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik
                                        van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning
                                        gebruikte materialen;</al></li>
                <li nr="d."><al>voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben
                                        op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                        woningbouw;</al></li>
                <li nr="e."><al>voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is
                                        van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                        voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de
                                        voorziening wordt aangevraagd;</al></li>
                <li nr="f."><al>voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                        aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft
                                        gemaakt;</al></li>
                <li nr="g."><al>indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                        heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan
                                        deze verordening voorafgaande Verordening voorzieningen
                                        gehandicapten gemeente Nuth is verstrekt en de normale
                                        afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is
                                        verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte
                                        voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden
                                        die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen. </al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <titel>1.2 Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen.</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>Keuzevrijheid.</titel>
            </kop>
            <al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het college
                            stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een
                            voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt geboden
                            aan de hand van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Nuth neergelegde criteria.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Voorziening in natura.</titel>
            </kop>
            <al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is de
                            bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
                            gemeente Nuth van toepassing. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Financiële tegemoetkoming.</titel>
            </kop>
            <al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                            toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Nuth in de beschikking opgenomen.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6.</nr>
              <titel>Persoonsgebonden budget.</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de wet
                                zijn de volgende voorwaarden van toepassing:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>een persoongebonden budget wordt alleen verstrekt ten
                                        aanzien van individuele voorzieningen en;</al></li>
                <li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt indien
                                        hiertegen geen overwegende bezwaren bestaan en;</al></li>
                <li nr="c."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde
                                        van de in de betreffende situatie goedkoopste, adequaat te
                                        verstrekken voorziening in natura, indien nodig aangevuld
                                        met een vergoeding voor instandhoudingkosten, zoals
                                        vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                        gemeente Nuth;</al></li>
                <li nr="d."><al>de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt
                                        vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het Besluit
                                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Nuth;</al></li>
                <li nr="e."><al>een voorziening aangeschaft met een persoonsgebonden budget
                                        wordt, zodra deze voorziening niet meer gebruikt wordt,
                                        onder verrekening van eventueel ingebrachte eigen middelen
                                        (naar rato), door het college opgehaald en voor
                                        herverstrekking beschikbaar gesteld, tenzij objectief is
                                        vastgesteld dat deze voorziening afgeschreven is en/of niet
                                        past binnen het kernassortiment van de gemeente.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de
                                omvang en de looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget
                                t.b.v. de hulp bij het huishouden ter beschikking gesteld door
                                storting op de rekening van de aanvrager i.c. gemachtigde, tenzij
                                hiertegen overwegende bezwaren bestaan. Het persoonsgebonden budget
                                t.b.v. de aanschaf van een hulpmiddel wordt na overlegging van de op
                                de aankoop betrekking hebbende factuur overgemaakt op de rekening
                                van de aanvrager i.c. gemachtigde.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Na aanschaf van de voorziening, waarvoor het persoonsgebonden budget
                                is verstrekt, dan wel na afloop van de periode waarop het
                                persoongebonden budget van toepassing is, wordt aan het college door
                                de budgethouder voorzover van toepassing verantwoording afgelegd
                                door verstrekking van</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de nota/factuur van de aangeschafte voorziening en;</al></li>
                <li nr="b."><al>een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening en;</al></li>
                <li nr="c."><al>een overzicht van de salarisadministratie.</al></li>
              </lijst>
              <al>volgens de voorschriften zoals door het college opgenomen in het
                                Besluit maatschappelijk ondersteuning gemeente Nuth.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Het college controleert steekproefsgewijs of uit de verstrekte
                                gegevens voldoende blijkt of persoonsgebonden budgetten besteed zijn
                                aan het doel, waarvoor zij zijn verstrekt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Indien uit de controle blijkt, dat het persoonsgebonden budget niet
                                is besteed waarvoor zij is verstrekt, kan het college ertoe
                                besluiten het bedrag geheel of ten dele terug te vorderen en/of te
                                verrekenen. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7.</nr>
              <titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel.</titel>
            </kop>
            <al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet is
                            de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële
                            tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. Het college legt in het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Nuth de omvang van de eigen
                            bijdrage en het eigen aandeel vast. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>1.3.Hulp bij het huishouden.</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.</nr>
              <titel>Vormen van hulp bij het huishouden.</titel>
            </kop>
            <al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                            ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het
                                    huishouden;</al></li>
              <li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li>
              <li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.</nr>
              <titel>Primaat van de algemene hulp bij het huishouden.</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al> Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                onderdeel 4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 8 onder a.
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                        of</al></li>
                <li nr="b."><al>problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg</al></li>
              </lijst>
              <al>het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk
                                maken en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat
                                kan oplossen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al> Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                onderdeel 4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 8 onder b. en
                                c. vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht als:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de in artikel 8 onder a. genoemde voorziening een
                                        onvoldoende oplossing biedt of</al></li>
                <li nr="b."><al>niet beschikbaar is.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.</nr>
              <titel>Gebruikelijke zorg.</titel>
            </kop>
            <al>In afwijking van het gestelde in artikel 9 komt een persoon als bedoeld
                            in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4, 5 en 6 van de wet niet
                            in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot de leefeenheid waar
                            deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel
                            in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.</nr>
              <titel>Omvang van de hulp bij het huishouden.</titel>
            </kop>
            <al>De omvang van de toe te kennen hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt
                            in uren i.c. minuten, per week. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.</nr>
              <titel>De hoogte van het persoonsgebonden budget.</titel>
            </kop>
            <al>De bedragen die per tijdseenheid van een uur, zoals genoemd in artikel
                            11, in de vorm van een persoonsgebonden budget worden verstrekt, worden
                            jaarlijks door het college vastgesteld en opgenomen in het Besluit
                            Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Nuth.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>1.4.Woonvoorzieningen.</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13.</nr>
              <titel>Vormen van woonvoorzieningen.</titel>
            </kop>
            <al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van
                            een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een algemene woonvoorziening;</al></li>
              <li nr="b."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li>
              <li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    woonvoorziening;</al></li>
              <li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    woonvoorziening.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14.</nr>
              <titel>Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele
                                woonvoorzieningen.</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 13, onder a. vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek een aanpassing aan de
                                woning noodzakelijk maken en de algemene woonvoorziening dit snel en
                                adequaat kan oplossen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 13, onder b. c. en d.
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien de in het
                                vorige lid genoemde oplossing niet aanwezig is of niet tot een
                                snelle en adequate oplossing leidt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De in lid 1 en 2 genoemde beperkingen staan in een direct
                                oorzakelijk verband met de bouwkundige of woontechnische staat van
                                de woning zelf, waaronder begrepen de toegankelijkheid van de
                                woning.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15.</nr>
              <titel>Soorten individuele woonvoorzieningen.</titel>
            </kop>
            <al>De in artikel 13 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen
                            bestaan uit:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;</al></li>
              <li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li>
              <li nr="c."><al>een niet bouwkundige of niet woontechnische
                                    woonvoorziening;</al></li>
              <li nr="d."><al>een uitraasruimte.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16.</nr>
              <titel>Primaat van de verhuizing.</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15
                                onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare
                                beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van
                                de woning belemmeren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15
                                onder a in aanmerking worden gebracht wanneer de onder b en c van
                                lid 15 genoemde voorzieningen niet mogelijk zijn of niet de
                                goedkoopst adequate voorziening is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                15, onder d. in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is van een
                                op basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg,
                                waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een
                                situatie waarin deze persoon tot rust kan komen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte,
                                        die voor een bedrag zoals door het college is vastgesteld in
                                        het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nuth is
                                        aangepast, kan het college een financiële tegemoetkoming
                                        verlenen aan de eigenaar van de woning in verband met
                                        derving van huurinkomsten voor de duur van maximaal 6
                                        maanden, waarbij de eerste maand huurderving niet voor een
                                        financiële tegemoetkoming in aanmerking komt.</al></li>
                <li nr="b."><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming zoals bedoeld
                                        onder sub a is afhankelijk van de kale huur van de
                                        woonruimte, met een maximum dat gelijk is aan de maximumhuur
                                        (kale huur) die van toepassing is voor de berekening van de
                                        huursubsidie.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>Het college kan een financiële tegemoetkoming in de kosten
                                        van tijdelijke huisvesting verlenen die door de persoon als
                                        bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5 en 6
                                        van de wet moeten worden gemaakt in verband met het
                                        aanpassen van zijn huidige woonruimte of de nog te betrekken
                                        woonruimte, alleen voor de periode dat de woonruimte ten
                                        gevolge van het verrichten van de woningaanpassing niet
                                        bewoond kan worden en de persoon als bedoeld in artikel 1,
                                        eerste lid, onder g. onderdeel 5 en 6 van de wet als gevolg
                                        daarvan voor dubbele woonlasten komt te staan.</al></li>
                <li nr="b."><al>Een tegemoetkoming in de kosten in verband met tijdelijke
                                        huisvesting wordt alleen verleend als de persoon als bedoeld
                                        in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5 en 6 van de
                                        wet redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen dat hij deze
                                        dubbele woonlasten zou hebben.</al></li>
                <li nr="c."><al>De maximale termijn dat een tegemoetkoming in de kosten van
                                        tijdelijke huisvesting als bedoeld in het eerste lid wordt
                                        verstrekt, bedraagt 6 maanden.</al></li>
                <li nr="d."><al>In de onder sub a bedoelde gevallen kan alleen een
                                        tegemoetkoming in de kosten worden verleend als deze kosten
                                        gemaakt werden in verband met het tijdelijk betrekken van
                                        een zelfstandige woonruimte of het tijdelijk betrekken van
                                        een niet-zelfstandige woonruimte, of het langer moeten
                                        aanhouden van de te verlaten woonruimte.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17.</nr>
              <titel>Primaat van de losse woonunit.</titel>
            </kop>
            <al>Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
                            een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van
                            een verhuurder die bereid is de aangepaste woning blijvend ter
                            beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare
                            beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een
                            dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit
                            verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard
                            bestaan.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18.</nr>
              <titel>Uitsluitingen.</titel>
            </kop>
            <al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen
                            van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters,
                            tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en
                            specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat
                            betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die
                            bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen
                            kunnen worden.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19.</nr>
              <titel>Hoofdverblijf.</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                                voorziening wordt getroffen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één
                                woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een op
                                grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen erkende
                                instelling (een AWBZ-instelling).</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente
                                waar de aan te passen woning staat.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in
                                het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college in het
                                Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nuth vast te leggen
                                maximumbedrag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan het middels een
                                woonvoorziening bewerkstelligen dat de aanvrager de woonruimte, de
                                woonkamer en een toilet kan bereiken en gebruiken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Burgemeester en wethouders van de gemeente Nuth verlenen slechts een
                                financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonwagen
                                indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal 5
                                        jaar is;</al></li>
                <li nr="b."><al>de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in
                                        aanmerking komt;</al></li>
                <li nr="c."><al>de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor
                                        een woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats
                                        stond.</al></li>
                <li nr="d."><al>De hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een
                                        bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet</al></li>
              </lijst>
              <al>Indien de technische levensduur van de woonwagen ten tijde van de
                                indiening van de aanvraag minder dan vijf jaar is, of de standplaats
                                van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt,
                                worden de aanpassingskosten tot een door het college in het Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Nuth bepaald maximum
                                vergoed.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20.</nr>
              <titel>Beperkingen.</titel>
            </kop>
            <al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
                            geweigerd indien:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
                                    van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
                                    normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek
                                    geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden
                                    aanwezig was;</al></li>
              <li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                    beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
                                    tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend
                                    door het college;</al></li>
              <li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
                                    ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en
                                    extra trapleuningen;</al></li>
              <li nr="d."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis
                                    van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat
                                    deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van
                                    een onverwacht optredende noodzaak; </al></li>
              <li nr="e."><al>de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, uitsluitend
                                    voor zover de aanvraag een verhuiskostenvergoeding betreft; de
                                    aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet
                                    geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden; de aanvrager
                                    verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling
                                    gericht op het verstrekken van zorg; in de verlaten woonruimte
                                    geen problemen bestonden met het normale gebruik van de woning;
                                    de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning
                                    voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
                                    materialen. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>21.</nr>
              <titel>Terugbetaling bij verkoop.</titel>
            </kop>
            <al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening
                            vanaf een in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nuth
                            opgenomen bedrag heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de
                            woning, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar
                            na gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de woning
                            onverwijld aan het college te melden. De meerwaarde van de woning dient
                            volgens het in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nuth
                            door het college vastgelegde afschrijvingsschema te worden terugbetaald.
                        </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>1.5 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>22.</nr>
              <titel>Vormen van vervoersvoorzieningen.</titel>
            </kop>
            <al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een collectieve
                                    vervoersvoorziening;</al></li>
              <li nr="b."><al>een vervoersvoorziening in natura;</al></li>
              <li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    vervoersvoorziening.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>23.</nr>
              <titel>Het recht op een algemene voorziening.</titel>
            </kop>
            <al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 22 onder a. vermelde voorziening
                            in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond
                            van ziekte of gebrek:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het gebruik van het openbaar vervoer of</al></li>
              <li nr="b."><al>het bereiken van het openbaar vervoer</al></li>
            </lijst>
            <al>onmogelijk maken.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>24.</nr>
              <titel>Het primaat van het collectief vervoer.</titel>
            </kop>
            <al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 22, onder b. en c. vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het
                                    gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 22,
                                    onder a., onmogelijk maken dan wel</al></li>
              <li nr="b."><al>een collectief systeem als bedoeld in artikel 22, onder a., niet
                                    aanwezig is.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>25.</nr>
              <titel>Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen.</titel>
            </kop>
            <al>Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk inkomen
                            van gehuwde personen</al>
            <al>meer bedraagt dan de in artikel 4 van het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Nuth voor de diverse categorieën genoemde
                            inkomensgrenzen, worden geacht de kosten van het lokaal vervoer of het
                            bezit en het gebruik van een personenauto zelf te kunnen dragen en
                            derhalve algemeen gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met een
                            auto vergelijkbare voorziening en de daarmee samenhangende gebruiks- en
                            onderhoudskosten niet in aanmerking komen voor verstrekking of
                            vergoeding.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>26.</nr>
              <titel>Omvang in gebied en in kilometers.</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                                vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                                uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe
                                woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij
                                zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een
                                bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf
                                bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager
                                noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                                participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een
                                omvang per jaar van 1500 kilometer met een bandbreedte tot 2000
                                kilometer mogelijk maken. </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>1.6 Verplaatsen in en rond de woning.</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>27.</nr>
              <titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen.</titel>
            </kop>
            <al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning, dan wel voor sportbeoefening te verstrekken
                            rolstoelvoorziening kan bestaan uit:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li>
              <li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget, te besteden aan een
                                    rolstoelvoorziening,</al></li>
              <li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget, te besteden aan een
                                    sportrolstoel.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>28.</nr>
              <titel>Incidenteel en dagelijks rolstoelgebruik en
                                sportrolstoel.</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 27, onder a. en
                                b. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek incidenteel of
                                dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken
                                en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet
                                Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen
                                adequate oplossing bieden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 27, onder c.
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het sporten
                                zonder sportrolstoel onmogelijk maken.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>29.</nr>
              <titel>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners.</titel>
            </kop>
            <al>In uitzondering op het gestelde in artikel 28, lid 1 komt een persoon
                            die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                            zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in
                            aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op
                            grond van de AWBZ. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>1.7 Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van besluiten.</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>30.</nr>
              <titel>Gebruik aanvraagformulier.</titel>
            </kop>
            <al>Een aanvraag van een voorziening kan schriftelijk of elektronisch worden
                            ingediend. Voor de aanvraag van een voorziening stelt het college een
                            formulier ter beschikking. </al>
            <al>.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>31.</nr>
              <titel>Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.</titel>
            </kop>
            <al>De aanvraag dient te worden ingediend bij het zorgloket (Pastorijstraat
                            te Nuth), in dit loket kunnen zowel aanvragen voor voorzieningen inzake
                            de wet alsook aanvragen zorg inzake de Algemene Wet Bijzondere
                            Ziektekosten worden ingediend.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>32.</nr>
              <titel>Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking.</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een
                                aanvraag is ingediend:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        ondervragen;</al></li>
                <li nr="c."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen
                                        ondervragen en/of onderzoeken.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college vraagt een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie
                                om advies indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de gevraagde voorziening om medische redenen wordt
                                        afgewezen;</al></li>
                <li nr="b."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hem aangewezen
                                adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen
                                die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de
                                adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de
                                International Classification of Functions, Disabilities and
                                Impairments, de zogenaamde ICF classificatie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen beschikking
                                bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en
                                de normale maatschappelijke participatie van mensen met een
                                beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een
                                psychosociaal probleem. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>33.</nr>
              <titel>Samenhangende afstemming.</titel>
            </kop>
            <al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te
                            stemmen op de situatie van de aanvrager laat het college onderzoek
                            verrichten naar de situatie van de aanvrager.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>34.</nr>
              <titel>Wijzigingen in de situatie.</titel>
            </kop>
            <al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en
                            omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                            invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>35.</nr>
              <titel>Intrekking van een besluit</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening,
                                geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens
                                        deze verordening;</al></li>
                <li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                        gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens
                                        bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een
                                persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de
                                tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet
                                is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>36.</nr>
              <titel>Terugvordering</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Ingeval een voorziening is ingetrokken of een vergoeding niet of
                                niet volledig is aangewend voor de bekostiging van de voorziening,
                                kan op basis daarvan reeds een uitbetaalde financiële tegemoetkoming
                                of persoonsgebonden budget (gedeeltelijk) worden
                                teruggevorderd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de
                                voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                gegevens.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>1.8.Slotbepalingen.</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>37.</nr>
              <titel>Hardheidsclausule.</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van
                            de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>38.</nr>
              <titel>Indexering.</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Nuth geldende bedragen verhogen
                            of verlagen conform de ontwikkelingen van de prijsindex voor de
                            gezinsconsumptie volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>39.</nr>
              <titel>Evaluatie.</titel>
            </kop>
            <al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt periodiek
                            geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze
                            verordening aangepast. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>40.</nr>
              <titel>Inwerkingtreding.</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                2011.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De verordening maatschappelijke ondersteuning 2007 van de gemeente
                                Nuth wordt van rechtswege ingetrokken per 1 januari 2011 met dien
                                verstande dat zij van toepassing blijft op de aanvragen die voor 1
                                januari 2011 zijn ingediend en waarop nog niet voor datum
                                inwerkingtreding van de onderhavige Verordening is beslist.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>41.</nr>
              <titel>Citeertitel.</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                            voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente 2011.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Nuth op 5 oktober 2010.</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening>
        <ondertekening>P.J.M. Boyen. Mr. H.G. Vos.</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label>2 Toelichting verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.</label>
        </kop>
        <al/>
        <al>
          <vet>2.1 Inleiding.</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Aan de invoering van de Wmo per 1 januari 2007 is een behandeling voorafgegaan
                    die door de vele amendementen de wet een ander aanzicht heeft gegeven. De
                    consequenties hiervan zijn niet direct te overzien: ook de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning is een wet die verdere invulling behoeft en uiteindelijk door
                    jurisprudentie een duidelijke vorm zal krijgen. Bij de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning is dan bovendien nog sprake van het gegeven dat het kernbegrip van
                    de wet, het zogenaamde compensatiebeginsel, bij amendement aan de wet is
                    toegevoegd, waardoor een begripsomschrijving van dit cruciale begrip ontbreekt,
                    met het gevolg dat de toelichting op het amendement uitgangspunt is voor de
                    vormgeving van dit compensatiebeginsel.</al>
        <al>De voorzieningen maatschappelijke ondersteuning geeft invulling aan de in de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning gegeven opdracht regels te stellen bij
                    verordening. In deze verordening is vormgegeven aan het
                    compensatiebeginsel zonder de regels van de Wet voorzieningen gehandicapten en
                    de regels rond de functie huishoudelijke verzorging uit de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geheel los te laten. Dit is van belang om niet
                    een vacuüm te laten ontstaan. In 2008 is een ontwikkeling op gang gekomen om
                    naar een invulling van de Wet maatschappelijke ondersteuning te gaan die meer
                    recht doet aan de bedoeling van de wetgever.</al>
        <al/>
        <al>In de verordening is met name uitwerking gegeven aan de artikelen 4, 5, 6, 15,
                    19 en 26 Wmo.</al>
        <al>In de Wmo komen voorzieningen uit de Welzijnswet en voorzieningen uit de AWBZ en
                    de Wvg bij elkaar. Voorzieningen die tot 1 januari 2007 onder de Welzijnswet
                    vallen en na die datum onder de Wmo, worden als voorliggende voorzieningen
                    aangeboden en worden daarom niet in deze verordening opgenomen. De in deze
                    verordening opgenomen algemene voorzieningen zijn in principe ook als
                    voorliggende voorzieningen te beschouwen, maar omdat de meeste algemene
                    voorzieningen voor het eerst een plaats vinden in deze verordening, zijn zij nog
                    wel benoemd en van een primaat voorzien. Het is niet ondenkbaar dat deze
                    algemene voorzieningen op termijn terug te vinden zullen zijn bij de onbenoemde
                    voorliggende voorzieningen zoals maaltijdvoorziening en personenalarmering.</al>
        <al>Alle bedragen en bijbehorende regelgeving worden opgenomen in het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Nuth c.q in beleidsregels. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Wetswijzigingen Wmo per 1 januari 2010</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Met ingang van 1 januari 2010 is de Wmo aangepast. De wetswijziging is beperkt
                    van omvang en bevat de volgende elementen: </al>
        <al/>
        <lijst>
          <li nr="1."><al> De voorheen bestaande keuzemogelijkheid tussen de voorziening in natura
                            en het persoonsgebonden budget wordt aangepast in een keuze tussen het
                            ontvangen van een voorziening in natura, of een vergelijkbaar en
                            toereikend persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een
                            alfahulp; </al></li>
          <li nr="2."><al> Een geïnformeerde toestemming voor de burger;</al></li>
          <li nr="3."><al> Een overlegbepaling, gericht op overname van personeel van oud-gegunde
                            aanbieders door nieuw-gegunde aanbieders. </al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>Als de burger ondersteuning in natura wenst, regelt de gemeente de voorziening
                    voor de burger door het sluiten van contracten met een zorgaanbieder. De burger
                    is hiermee uitsluitend de ontvanger van de voorziening en mag op geen enkele
                    wijze worden geconfronteerd met enige verantwoordelijkheid als werkgever of
                    opdrachtgever. Met ingang van de wetswijziging is het uitgesloten dat een
                    zorgaanbieder de voorziening in natura via een alfahulp of een zelfstandige
                    levert als de burger daardoor ongewild werkgever of opdrachtgever wordt. </al>
        <al/>
        <al>Het is belangrijk dat de burger daadwerkelijk weet waarvoor hij kiest. Daarom
                    regelt de wet per 1 januari 2010 expliciet de geïnformeerde toestemming.
                    Gemeenten worden hierdoor verplicht om hun burgers in duidelijke en
                    begrijpelijke bewoordingen te informeren over de consequenties van de keuze die
                    de burger maakt. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet> 2.2 Algemene toelichting. </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>De kern van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt gevormd door het begrip
                    “compensatiebeginsel“. Dit begrip is bij amendement 65 in de Wmo opgenomen. </al>
        <al>Het begrip compensatiebeginsel is afkomstig van de Raad voor de Volksgezondheid
                    en Zorg. In hun briefadvies over de Wmo staat het volgende:</al>
        <al/>
        <al>“<cursief>Het verdient volgens de Raad aanbeveling om de wettelijke aanspraak op
                        maatschappelijke ondersteuning te relateren aan aard en ernst van de
                        beperking(en) van burgers, door gemeenten te verplichten zorg te dragen voor
                        compensatie van deze beperking(en). En wel zodanig dat de burger met een
                        beperking in een gelijkwaardige uitgangspositie wordt gebracht ten opzichte
                        van de burger zonder beperking(en). De gemeente heeft hierin een
                        resultaatsverplichting. Dit brengt met zich mee dat de gemeente zelf mag
                        bepalen welke voorzieningen zij aanbiedt om het wettelijk vastgestelde doel
                        / resultaat te bereiken. Teneinde tevens recht te doen aan het uitgangspunt
                        dat daar waar mogelijk beroep gedaan wordt op de eigen verantwoordelijkheid
                        van burgers moet het mogelijk zijn om aan de aanspraak op ondersteuning een
                        inkomenstoets te koppelen. Omdat het om maatschappelijke participatie gaat,
                        is dit te rechtvaardigen. Daartoe dienen op centraal niveau regels gesteld
                        te worden.</cursief></al>
        <al>
          <cursief>In het licht van de voorgestelde ‘compensatieplicht’ heeft het de
                        voorkeur van de Raad om alleen individuele voorzieningen over te hevelen
                        naar de WMO, zodat de wet een eenduidig karakter kan krijgen. In deze visie
                        blijft naast de WMO een Welzijnswet bestaan, waarin de collectieve
                        (gemeenschapsgerichte) voorzieningen worden ondergebracht. Deze
                        voorzieningen zijn immers algemeen van aard en bedoeld voor iedere
                        ingezetene van de gemeente, ongeacht diens eventuele beperkingen. Voor deze
                        voorzieningen acht de Raad het niet gewenst een wettelijke aanspraak in het
                        leven te roepen. Deze aanbeveling heeft betrekking op het niveau van de
                        aanspraak (c.q. voorziening), niet op het niveau van de uitvoering. Op het
                        tweede niveau kan immers, ook bij een individuele aanspraak (bijvoorbeeld
                        vervoer) een ‘collectieve’ voorziening worden aangewend (bijvoorbeeld
                        openbaar vervoer).Door de aanspraak op ondersteuning niet te verankeren in
                        een verplichting om bepaalde met name te noemen voorzieningen te verstrekken
                        (zorgplicht), maar te omschrijven in termen van het te bereiken resultaat
                        (compensatieplicht), kan onzekerheid ontstaan over wat nu precies als recht
                        geldt. Om die reden is het volgens de Raad noodzakelijk om in de wet zelf op
                        te nemen wanneer sprake is van een gelijkwaardige uitgangspositie van
                        burgers. Dat is immers het resultaat waarop de gemeente, ook in rechte, kan
                        worden aangesproken. Dit betekent dat geoperationaliseerd moet worden wat de
                        termen ‘zelfredzaamheid’ en ‘maatschappelijke participatie’ betekenen: welke
                        activiteiten moet iemand daarvoor tenminste kunnen uitvoeren? Door het te
                        bereiken resultaat (de compensatie) als aangrijpingspunt te nemen is het
                        volgens de Raad niet noodzakelijk in de wet zelf criteria op te nemen voor
                        de indicatiestelling.” </cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>Dit begrip is “vertaald” bij amendement en in de wet opgenomen. Het is met name
                    de toelichting op het amendement dat informatie geeft over de bedoeling van de
                    wetgever met het begrip compensatieplicht. De toelichting stelt: </al>
        <al>“<cursief>Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar om te voorzien
                        in met name genoemde producten en diensten strekt het nieuw geformuleerde
                        artikel ertoe de algemene verplichting aan gemeenten op te leggen om
                        beperkingen in de zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een
                        huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per
                        vervoermiddel te verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in
                        dit verband verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en
                        financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het
                        normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Onder normale deelname aan
                        het maatschappelijke verkeer wordt in ieder geval verstaan het kunnen voeren
                        van een huishouden; het normale gebruik van een woning; het zich in en om de
                        woning kunnen verplaatsen; het zich zodanig kunnen verplaatsen dat
                        aansluiting kan worden gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke
                        vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van andere mensen en het aangaan en
                        onderhouden van sociale verbanden om op die manier te kunnen deelnemen aan
                        het lokale sociaal-maatschappelijk leven. Voor de gemeentelijke
                        uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                        Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader
                        dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                        gevallen vast te stellen.De opdracht om compenserende voorzieningen te
                        treffen wordt met dit artikel bij wet gegeven. De normering ervan wordt
                        overeenkomstig de bestuurlijke structuur van de wet op het lokale niveau
                        bepaald met inachtneming van alle bepalingen over de totstandkoming van het
                        lokale beleid en de betrokkenheid van burgers en cliënten daarbij.”
                    </cursief></al>
        <al/>
        <al>Omdat er geen begripsomschrijving van het begrip compensatiebeginsel in het
                    amendement is opgenomen, is in de verordening een begripsomschrijving opgenomen,
                    in artikel 1.1. aanhef en onder b.</al>
        <al>Het compensatiebeginsel geldt, zo geeft de tekst van artikel 4, lid 1 van de wet
                    aan, voor de onderdelen: </al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>een huishouden te voeren, </al></li>
          <li nr="2."><al>zich te verplaatsen in en om de woning, </al></li>
          <li nr="3."><al>zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en </al></li>
          <li nr="4."><al>medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te
                            gaan. </al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>Uitgaande van een overgang van de drie Wvg-terreinen woonvoorzieningen,
                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen plus de functie huishoudelijke verzorging
                    uit de AWBZ naar de Wmo zijn de onderdelen uit artikel 4 van de wet in deze
                    verordening als volgt uitgewerkt:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>onder het voeren van een huishouden wordt verstaan: zowel het wonen, met
                            name de woonvoorzieningen, als de eerdere functie huishoudelijke
                            verzorging, in deze verordening hulp bij het huishouden genoemd;</al></li>
          <li nr="b."><al>zich verplaatsen in en om de woning: de rolstoel inclusief (uitsluitend)
                            de sportrolstoel;</al></li>
          <li nr="c."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel: de vervoersvoorzieningen uit
                            de voormalige Wvg;</al></li>
          <li nr="d."><al>het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende aangaan van sociale
                            verbanden wordt beschouwd als doelstelling voor de eerste drie
                            verstrekkingenterreinen.</al></li>
        </lijst>
        <al>Deze indeling is in deze verordening terug te vinden in de
                    hoofdstukindeling.</al>
        <al/>
        <al>In artikel 4 van de wet wordt de gemeente opgedragen ten behoeve van de
                    compensatie "voorzieningen te treffen". De wet stelt dus niet dat het steeds om
                    individuele voorzieningen moet gaan. Om te voorzien in het snel en regelarm
                    treffen van veel voorkomende eenvoudige voorzieningen is in deze verordening het
                    begrip "algemene voorzieningen" opgenomen. Dit type voorziening kwam in de Wvg
                    voor onder de noemer “collectief vervoer”. In deze verordening wordt het begrip
                    algemene voorziening geïntroduceerd voor alle onderdelen van het
                    compensatiebeginsel. De mogelijkheid wordt geschapen voor algemene
                    woonvoorzieningen, algemene hulp bij het huishouden, algemene
                    vervoersvoorzieningen en algemene rolstoelvoorzieningen. Wat houden deze
                    algemene voorzieningen in concreto in? Het kan gaan om collectief vervoer,
                    klussen- en boodschappendiensten, etc. Deze opsomming is uitdrukkelijk niet
                    limitatief, aangezien het een nieuw type voorziening betreft, waarvoor de
                    komende jaren nieuwe invullingen zullen ontstaan. Met name op het terrein van
                    hulp bij het huishouden is het een nieuw begrip.</al>
        <al>Kenmerkend voor algemene voorzieningen is dat de gemeente deze voorzieningen
                    organiseert, inkoopt en ter beschikking stelt, los van of vooruitlopend op
                    individuele aanvragen terzake. Het zal in de regel gaan om steunpunten, depots,
                    pools, waar de betreffende voorzieningen op voorraad worden gehouden, al of niet
                    op wijkniveau. </al>
        <al>Algemene voorzieningen zullen in de regel met een minimum aan procedures kunnen
                    worden aangeboden: met geen of slechts een lichte toegangstoets en zonder eigen
                    bijdragen.</al>
        <al>De voordelen van deze algemene voorzieningen zijn een snelle en simpele
                    oplossing van de problemen, zonder bureaucratie en zonder eigen bijdragen. In
                    plaats van de soms complexe advisering wordt in dit kader van het veel lichtere
                    begrip toegangsbeoordeling gebruik gemaakt. Het is uitdrukkelijk niet de
                    bedoeling van deze algemene voorzieningen om daarmee de mogelijkheid van de
                    aanvrager tot het kiezen voor een PGB in te perken.</al>
        <al/>
        <al>De verschillende verstrekkingenterreinen worden in de volgende hoofdstukken
                    behandeld. De laatste hoofdstukken zijn gereserveerd voor procedurele
                    aspecten.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>2.3 Artikelsgewijze toelichting.</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen.</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 1. Begripsbepalingen </onderstreept>
        </al>
        <al>Ad a.</al>
        <al>Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet.</al>
        <al/>
        <al>Ad b.</al>
        <al>Het compensatiebeginsel is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr. 65)
                    aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving
                    van dit begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een
                    begripsomschrijving van het cruciale begrip compensatiebeginsel ontbreekt.
                    Daarom staat de begripsomschrijving van het compensatiebeginsel in de
                    verordening. Voor de begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies
                    van de Raad voor de Volksgezondheid en de Zorg, de ‘uitvinder’ van het
                    compensatiebeginsel. Voor wat betreft de gelijkwaardige uitgangspositie is
                    gebruik gemaakt van de toelichting op het amendement, evenals voor wat betreft
                    de termen zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Het onderdeel
                    “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” is afkomstig uit artikel
                    1, lid 1, onder a. van de Wvg.</al>
        <al/>
        <al>Ad c.</al>
        <al>De term “beperkingen” is ontleend aan de ICF, de International Classification of
                    Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de Wereld
                    Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde
                    Naties). Het onder de toelichting op onderdeel 1.2 van dit artikel genoemde
                    amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de gemeentelijke
                    uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                    Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat
                    als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                    gevallen vast te stellen.”</al>
        <al/>
        <al>Ad d.</al>
        <al>De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid van
                    de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende terreinen
                    waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen worden verstrekt. Daarnaast is
                    vanuit de Wet voorzieningen gehandicapten het onderdeel “aantoonbare beperkingen
                    ten gevolge van ziekte of gebrek” toegevoegd. Mede in verband met de begrenzing
                    van de doelgroep zal immers een objectief criterium nodig zijn. Hierdoor blijft
                    jurisprudentie op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten ten aanzien van
                    dit onderdeel op dit begrip van toepassing.</al>
        <al>Aan deze formulering is de nieuwe doelgroep “personen met een chronisch
                    psychisch of psychosociaal probleem” toegevoegd. Deze doelgroep is afkomstig uit
                    de AWBZ-regelgeving (Besluit zorgaanspraken).</al>
        <al/>
        <al>Ad. e.</al>
        <al>De begripsomschrijving van het begrip “mantelzorger” is ontleend aan de
                    begripsomschrijving van “mantelzorg” in de wet (artikel 1, lid 1 onder b, van de
                    wet). </al>
        <al/>
        <al>Ad f.</al>
        <al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op eerder reeds genoemde
                    amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft
                    toegevoegd.</al>
        <al/>
        <al>Ad g.</al>
        <al>Ook deze begripsomschrijving is, evenals de onder f. genoemde, ontleend aan de
                    toelichting op het amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan
                    de wet heeft toegevoegd.</al>
        <al/>
        <al>Ad h.</al>
        <al>Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een
                    minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een
                    scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: collectief
                    vervoer, scootmobielpools, algemene woonvoorzieningen als klussendiensten en
                    voorzieningendepots, rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. </al>
        <al>De verstrekkingprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een
                    beperkte toegangsbeoordeling, geen formele beslissing (beschikking) en geen
                    eigen bijdragen. </al>
        <al>In de regel gaat het om eenvoudige en veel voorkomende voorzieningen die bedoeld
                    zijn voor incidenteel of kortdurend gebruik. Kenmerk van algemene voorzieningen
                    is tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt worden en nooit als financiële
                    tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Op verzoek zal er aan de aanvrager
                    wel een beschikking kunnen worden afgegeven, zodat rechtsbescherming gewaarborgd
                    is.</al>
        <al/>
        <al>Ad i.</al>
        <al>Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening voorrang op
                    individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening
                    worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt.
                    Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt
                    uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de aanvrager. Door het
                    college vast te stellen beleidsregels zullen afwegingscriteria geven, verder zal
                    een op de individuele situatie afgestemd medisch advies vaak van groot belang
                    zijn. De algemene voorzieningen, nu nog genoemd in de vorm van een primaat,
                    kunnen uitgroeien tot voorliggende voorzieningen en op den duur uit deze
                    verordening verdwijnen, wanneer zij zodanig functioneren dat zij gerekend kunnen
                    worden tot de groep voorzieningen als maaltijdvoorzieningen en
                    personenalarmering.</al>
        <al/>
        <al>Ad j.</al>
        <al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                    kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15 lid 1 van de wet. Deze
                    kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat daarvoor op basis van artikel
                    15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels kunnen
                    worden gesteld. Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt door middel van het
                    vaststellen van het Besluit maatschappelijke ondersteuning. </al>
        <al/>
        <al>Ad k.</al>
        <al>Voorzieningen in natura zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei
                    financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan
                    verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van
                    dienstverlening.</al>
        <al/>
        <al>Ad l.</al>
        <al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de aanvrager onder door het college
                    bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening naar zijn
                    keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse compenserende
                    voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in
                    het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nuth.</al>
        <al/>
        <al>Ad m.</al>
        <al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde
                    voorziening te verwerven. Het is niet persé een kostendekkende vergoeding, maar
                    een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten. </al>
        <al/>
        <al>Ad n.</al>
        <al>Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook onder
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de gemeentelijke
                    overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele
                    situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze
                    voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete
                    situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende
                    maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen
                    gebruikelijk” is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep. Het begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen
                    gebruikelijke voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden
                    aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed
                    worden. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is
                    de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het
                    gaat daarbij om voorzieningen:</al>
        <lijst>
          <li nr="."><al>die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li>
          <li nr="."><al>die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;</al></li>
          <li nr="."><al>die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                            hetzelfde doel.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met
                    “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is
                    geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “gebruikelijke zorg” komt onder de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning terug, zie hieronder, onder q. </al>
        <al/>
        <al>Ad o.</al>
        <al>Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”;
                    deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die
                    in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden
                    beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in artikel 1,
                    lid 1, onder g. achtste volzin van de wet. Een met de persoon als de aanvrager
                    vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat psychosociale probleem heeft
                    deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens situatie geen
                    noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor
                    een persoon als de aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet
                    gericht.</al>
        <al/>
        <al>Ad p.</al>
        <al>Wanneer een voorziening wordt verstrekt waar een algemeen gebruikelijk deel
                    onderdeel van uitmaakt (er wordt een driewielfiets verstrekt, de fiets is
                    algemeen gebruikelijk en maakt daar onderdeel van uit: men hoeft zelf geen fiets
                    meer te kopen) zou sprake kunnen zijn van besparing: er hoeft immers geen
                    algemeen gebruikelijke voorziening meer aangeschaft te worden. Aangezien
                    verstrekking binnen de wet zich beperkt tot de meerkosten, kan in die situatie
                    van de aanvrager het bedrag dat bespaard wordt, gevraagd worden als
                    besparingsbijdrage. Dit is geen vorm van eigen bijdrage of eigen aandeel, zodat
                    de regels daaromtrent niet van toepassing zijn. </al>
        <al/>
        <al>Ad q.</al>
        <al>Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het Protocol Gebruikelijke
                    zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum Indicatiestelling
                    Zorg werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de AWBZ-indicatiestelling
                    voor huishoudelijke zorg. Het is op enkele punten aangepast om te voorkomen dat
                    problemen die in de AWBZ met dit begrip speelden ook naar de wet overgaan. Zo is
                    in plaats van ‘volwassenen’ de term ‘meerderjarigen’ opgenomen en is het begrip
                    ‘gemeenschappelijke huishouding voeren’ vervangen door het begrip
                    ‘gemeenschappelijk een woning bewonen’. Een kamerhuurder wordt niet als
                    huisgenoot aangemerkt als de aanvrager een huurcontract kan</al>
        <al>overleggen</al>
        <al/>
        <al> Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
                    gelijkgesteld met: </al>
        <al>
          <cursief>a.</cursief> echtgenoot: geregistreerde partner; </al>
        <al>
          <cursief>b.</cursief> gehuwd: als partner geregistreerd. </al>
        <al/>
        <al>Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten
                    wordt: </al>
        <al>
          <cursief>a.</cursief> als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde
                    meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke
                    huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
                    </al>
        <al>
          <cursief>b.</cursief> als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam
                    gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. </al>
        <al/>
        <al>Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun
                    hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor
                    elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de
                    huishouding dan wel anderszins. </al>
        <al/>
        <al>Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de
                    betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en: </al>
        <al>
          <cursief>a.</cursief> zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de
                    toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld; </al>
        <al>
          <cursief>b.</cursief> uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft
                    plaatsgevonden van een kind van de één door de ander; </al>
        <al>
          <cursief>c.</cursief> zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan
                    de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of </al>
        <al>
          <cursief>d.</cursief> zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een
                    gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de
                    gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid. </al>
        <al/>
        <al>Ad r.</al>
        <al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip
                    “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking
                    krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient
                    te leggen.</al>
        <al/>
        <al>Ad s</al>
        <al>Een individuele voorziening kan worden aangevraagd door een persoon met
                    beperkingen van 18 jaar of ouder c. q de wettelijk vertegenwoordiger van deze
                    persoon (ingeval van curatele) of diens gemachtigde.</al>
        <al>Is de individuele voorziening ten behoeve van een persoon jonger dan 18 jaar,
                    dan wordt de wettelijk vertegenwoordiger aangemerkt als aanvrager.</al>
        <al/>
        <al>Ad t </al>
        <al>In dit lid wordt aangegeven welk inkomen als basis voor de inkomenstoets dient
                    te worden aangemerkt. Hiervoor wordt het zogenaamde IB-60 formulier, van de
                    belastingsdienst gehanteerd. Indien het noodzakelijk IB-60 formulier niet
                    voorhanden / verkrijgbaar is, dient ter vaststelling van het verzamelinkomen de
                    jaaropgave(n) opgevraagd te worden en moet uitgegaan worden van het belastbaar
                    loon. </al>
        <al/>
        <al>Ad u</al>
        <al>Deze begripsbepaling is overgenomen uit de verordening voorzieningen
                    gehandicapten gemeente Nuth welke geldig was tot 1-1-2007. </al>
        <al>Met standplaats wordt bedoeld de kavel bestemd voor het plaatsen van een
                    woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de
                    openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden
                    aangesloten.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 2. Beperkingen</onderstreept>
        </al>
        <al/>
        <al>Artikel 2. lid 1.</al>
        <al>Ad a.</al>
        <al>Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de Modelverordening Wet
                    voorzieningen gehandicapten en aan de wet aangepast. Wat langdurig noodzakelijk
                    is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan
                    om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium
                    verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking
                    bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide genoemde
                    situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap
                    op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen
                    verbetering te verwachten in de situatie van de aanvrager. In dit kader zal de
                    prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd
                    zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan
                    mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij
                    verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan
                    worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het antwoord
                    op de vraag of er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de
                    betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd betekent in ieder
                    geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk,
                    terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een
                    voorziening in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan
                    een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die
                    opgezet zijn in het kader van de AWBZ. Uit deze depots kan men twee maal drie
                    maanden een hulpmiddel gratis lenen, welke periode kan worden verlengd, zij het
                    dat dan huur is verschuldigd. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en
                    langdurig ligt zal van situatie tot situatie verschillen. </al>
        <al/>
        <al>Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                    noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare
                    periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het
                    ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden. </al>
        <al/>
        <al>Ad b.</al>
        <al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar
                    objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening
                    te zijn. </al>
        <al>Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld wordt:
                    volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel datgene wat de aanvrager
                    als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de beoordeling van het adequaat
                    zijn van de voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop zijn, de kosten
                    van de voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke beoordeling van het al
                    dan niet adequaat zijn van een voorziening. Het gaat immers om gemeenschapsgeld.
                    Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer
                    adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen.
                    Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet
                    alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het
                    denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer
                    meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau
                    waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord,
                    maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard
                    wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die duurder is dan de
                    goedkoopst adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is het prijsverschil
                    uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het college
                    mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. </al>
        <al/>
        <al>Ad c. </al>
        <al>Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden gecompenseerd.
                    Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de beoordeling van de
                    aanvraag voor een voorziening op grond van de wet. </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 2. lid 2.</onderstreept>
        </al>
        <al>Ad a. </al>
        <al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de
                    aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen
                    beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit beginsel
                    wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving (AAW/WAO,
                    voormalige Wet-Rea, Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid, die
                    is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is opgenomen in artikel
                    1, onder n. van deze verordening. Wat in een concreet geval algemeen
                    gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard van de gevraagde
                    voorziening. Daarnaast speelt de -financiële- situatie van de aanvrager een rol,
                    bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag.
                    Met name die financiële situatie van de aanvrager kan leiden tot een
                    uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen
                    worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt immers dat een
                    dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de aanvrager – mede
                    ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking, onder het in
                    diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere
                    uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende handicap moeten
                    vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap
                    immers ook niet gebeuren.</al>
        <al/>
        <al>Ad b.</al>
        <al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wet voorzieningen
                    gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de
                    compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen, hoewel
                    artikel 11 van de wet spreekt over ingezetenen. Dit artikel moet opgenomen
                    worden om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij gemeenten waar de
                    aanvrager niet woonachtig is.</al>
        <al/>
        <al>Ad c.</al>
        <al>Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de Modelverordening Wet voorzieningen
                    gehandicapten, en is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor
                    problemen zorgen. </al>
        <al/>
        <al>Ad d.</al>
        <al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit
                    2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in
                    beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven niet
                    te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing derhalve. Garages bijvoorbeeld
                    vallen daarom niet onder dit niveau. Alleen in die gevallen dat bijvoorbeeld
                    vanuit welstandstoezicht hogere eisen worden gesteld, kan het college hierop een
                    uitzondering maken. Over de hiermee gepaard gaande kosten moeten in een concrete
                    situatie afspraken gemaakt worden. Ook bij hulp bij het huishouden speelt deze
                    bepaling een rol. Indien bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd
                    vanwege het feit dat men in een veel grotere of meer luxe woning woont, geeft
                    deze bepaling een duidelijke grens aan.</al>
        <al/>
        <al>Ad e.</al>
        <al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het
                    optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen leiden
                    tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich
                    meebrengt. Daarvoor is deze onder e. genoemde bepaling bedoeld.</al>
        <al/>
        <al>Ad f. en g.</al>
        <al>In artikel 2 lid 2, onder f. en g. geeft de verordening een tweetal gronden voor
                    weigering aan. Onder f. wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een
                    voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of
                    aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de
                    voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins
                    invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de
                    voorziening worden geweigerd. Bijvoorbeeld nadat het college een beslissing over
                    de aanvraag voor een woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang worden
                    gemaakt met de werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college alle op de
                    aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit
                    genomen over de te treffen voorziening.</al>
        <al>Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is
                    begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst
                    adequate voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook factoren mee
                    laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een
                    beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse
                    woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is.</al>
        <al/>
        <al>Pas nadat het college een positieve beschikking voor een verhuiskostenvergoeding
                    heeft gegeven, komt een aanvrager hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is
                    verkregen en de gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest
                    adequaat is kan de aanvrager tot verhuizen overgaan. Met deze voorwaarde wordt
                    tevens voorkomen dat de gemeente achteraf, nadat de aanvrager reeds is verhuisd,
                    met een claim voor een verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde
                    gevallen kan het echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen omdat de
                    woning anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere
                    urgente gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook
                    voldoende. Maar in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de
                    verhuizing schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het
                    hoeft hier uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een
                    situatie waarin men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel
                    voorafgaan aan een verhuizing, zoals het sluiten van een koop-, huur- of
                    erfpachtovereenkomst inzake de te betrekken woning. </al>
        <al>Onder g. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden
                    als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                    plaatsgehad, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is
                    gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet
                    indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor
                    het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de
                    aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen
                    verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure
                    voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van
                    de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien
                    bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                    dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 2. Vorm van te verstrekken i</vet>
          <vet>ndividuele
                        voorzieningen.</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 3. Keuzevrijheid.</onderstreept>
        </al>
        <al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                    individuele voorziening de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden budget en
                    een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren bestaan
                    om niet over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden budget. Het
                    college kan regels stellen om af te wegen in welke gevallen er sprake is van
                    bezwaren van overwegende aard, die reden zijn om geen persoonsgebonden budget te
                    verstrekken.</al>
        <al>Naast deze keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid:
                    namelijk de vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen uit meerdere
                    aanbieders. Deze keuzevrijheid wordt niet in deze verordening, maar in het
                    beleidsplan maatschappelijke ondersteuning gemeente Nuth uitgewerkt.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 4. Voorziening in natura </onderstreept>
        </al>
        <al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van het
                    college en de aanvrager.</al>
        <al>Deze bepaling ziet op de situatie waarin het college eigenaar blijft van de
                    verstrekte naturavoorziening of het college de zorg in natura zelf geregeld
                    heeft. Artikel 10 van de wet stelt weliswaar dat het verlenen van
                    maatschappelijke ondersteuning zo veel mogelijk aan derden moet worden
                    overgelaten, maar als dat redelijkerwijs niet mogelijk is kan gekozen worden
                    voor het door de gemeente zelf verlenen van de maatschappelijke
                    ondersteuning.</al>
        <al/>
        <al>Als een voorziening in eigendom wordt verstrekt is er uiteraard niet een
                    dergelijke overeenkomst nodig.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 5. Financiële tegemoetkoming.</onderstreept>
        </al>
        <al>Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed aan
                    een noodzakelijke voorziening, en niet aan zaken die los staan van de doelen die
                    met de wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden worden verbonden
                    aan de verstrekking van een tegemoetkoming op grond van de wet. Deze bepaling,
                    die moet worden bezien in relatie tot de bepalingen uit hoofdstuk 7 van deze
                    verordening, biedt daartoe de mogelijkheid. </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 6. Persoonsgebonden budget.</onderstreept>
        </al>
        <al>Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een
                    toegekende voorziening wordt verstrekt. De onder lid 1, onder a., van dit
                    artikel genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de bepaling
                    in artikel 6 van de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij toekenning van
                    individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor een persoonsgebonden budget
                    moet worden geboden. Algemene voorzieningen vallen niet onder deze eis.</al>
        <al>Onder b. is bepaald dat het persoonsgebonden budget alleen wordt verstrekt
                    indien hiertegen geen overwegende bezwaren, ter bepaling door het college,
                    bestaan.</al>
        <al>Onder c. is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is gekoppeld
                    aan de tegenwaarde van de te verstrekken goedkoopst adequate voorziening. Er
                    moet immers een referentiebedrag zijn, waarop het persoonsgebonden budget kan
                    worden gebaseerd. “Goedkoopst adequaat” is een objectief vaststelbaar
                    referentiepunt. Uitzondering op laatstgenoemde regel is het persoonsgebonden
                    budget voor de vergoeding van een arbeidsverhouding als bedoeld artikel 5 lid 2
                    van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat per 1 januari 2010 in de wet
                    opgenomen is. Deze vergoeding kan immers naar zijn aard niet worden gerelateerd
                    aan de kosten van een naturavoorziening.</al>
        <al>Voorts kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de
                    instandhoudingskosten van de voorziening. Voor de diverse soorten voorzieningen
                    zal een nadere regeling moeten worden gegeven in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Nuth, dat door het college moet worden vastgesteld. Lid
                    1, onder d. bepaalt dat het college de omvang van een persoonsgebonden budget
                    bepaalt. Het zal immers gaan om een veelheid van verschillende persoonsgebonden
                    budgetten voor verschillende voorzieningen. Daarbij zullen, ter bevordering van
                    de rechtsgelijkheid, eenduidige richtlijnen noodzakelijk zijn. Invulling van
                    deze richtlijnen vindt plaats in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                    gemeente Nuth en de beleidsregels. </al>
        <al/>
        <al>Onder e is bepaald dat indien een persoonsgebonden budget gebruikt is om een
                    voorziening aan te schaffen en deze voorziening niet meer gebruikt wordt, omdat
                    hij niet meer nodig is, omdat het gebruik niet meer mogelijk is of door
                    overlijden van de gebruiker, de voorziening door het college onder bepaald
                    voorwaarden teruggehaald wordt. </al>
        <al>De voorziening is immers met gemeenschapsgeld aangeschaft en het kan niet de
                    bedoeling zijn dat de opbrengst van de voorziening ten gunste komt van de
                    gebruiker. Door de voorziening terug te halen is het college mogelijk in staat
                    tot herverstrekking van deze voorziening, waardoor het gemeenschapsgeld optimaal
                    wordt gebruikt.</al>
        <al>De budgethouder is verplicht meldingen over niet meer gebruiken van
                    voorzieningen aan het college te verstrekken. Deze plicht vloeit voort uit
                    artikel 34 van deze verordening. </al>
        <al>Uiteraard worden indien voorzieningen teruggehaald worden extra eigen middelen,
                    door de budgethouder besteed bij de aanschaf van de voorziening, op
                    afschrijvingsbasis, terugbetaald.</al>
        <al/>
        <al>Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                    persoonsgebonden budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het gaat
                    om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om de
                    periode waarover het wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat dergelijke
                    beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd.</al>
        <al/>
        <al>Lid 3 van artikel 6 regelt tenslotte de feitelijke betaling van het
                    persoonsgebonden budget. Over de wijze waarop de betaling plaatsvindt kunnen
                    door het college nadere regels worden gesteld. Gedacht kan worden aan betaling
                    in termijnen, bijvoorbeeld bij hulp bij het huishouden of in situaties waarin er
                    twijfels zijn over het budgetbeheer. Zo kunnen financiële risico’s voor de
                    gemeente worden beperkt en worden aanvragers minder snel geconfronteerd met hoge
                    terugvorderingbedragen.</al>
        <al>Indien de aanvrager het persoonsgebonden budget wenst te laten overmaken op het
                    de rekening van een derde, bijvoorbeeld op die van een servicebureau voor beheer
                    van persoonsgebonden budgetten, kunnen er tegen deze derde overwegende bezwaren
                    zijn. In een dergelijk geval kunnen burgemeester en wethouders op basis van dit
                    artikellid weigeren het persoonsgebonden budget op het opgegeven rekeningnummer
                    te storten.</al>
        <al/>
        <al>In lid 4, 5 en 6 wordt bepaald, dat elke budgethouder verantwoording dient af te
                    leggen over de besteding van het PGB. Daartoe dienen periodiek bewijsstukken
                    worden overgelegd.</al>
        <al>De onder a. bedoelde factuur is nodig in situaties waarin voorzieningen zijn
                    aangeschaft bij een leverancier, bijvoorbeeld een rolstoel of een scootmobiel.
                    Onder b. is een betalingsbewijs genoemd, dat kan van belang zijn in situaties
                    waarin er geen nota is, bijvoorbeeld bij een tweede-handsaankoop bij een
                    particulier of uitbetaling aan een dienstverlener, bijvoorbeeld iemand die hulp
                    bij het huishouden heeft verleend. Onder c. is genoemd een salarisadministratie;
                    die kan noodzakelijk zijn in situaties waarin men iemand in dienst heeft genomen
                    voor het verrichten van hulp bij het huishouden.</al>
        <al>De aangeleverde bewijsstukken (originelen) worden (steekproefsgewijs)
                    gecontroleerd.</al>
        <al/>
        <al>Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het toegekende
                    persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen, dan dient de in
                    hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden gevolgd. </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 7. Eigen bijdragen en eigen aandeel. </onderstreept>
        </al>
        <al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen
                    in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te vragen. Artikel 19
                    van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af te
                    stemmen op het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt
                    verleend: het zogeheten eigen aandeel. In dit artikel stelt de raad vast van
                    deze mogelijkheid gebruik te maken, zoals opgedragen in artikel 15 lid 1 van de
                    wet. Bovendien wordt bepaald dat de wijze waarop dit wordt uitgevoerd door het
                    college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning wordt vastgelegd. De Raad
                    heeft hierbij ingevolge de Algemene Maatregel van Bestuur de mogelijkheid binnen
                    de grenzen die de Algemene Maatregel van Bestuur stelt de verschillende bedragen
                    vast te stellen. Deze afwijkende bedragen kunnen in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Nuth worden opgenomen. </al>
        <al>Het is de bedoeling van de wetgever geweest dat bij aanvragen door of ten
                    behoeve van personen jonger dan 18 jaar geen eigen bijdragen, maar ook geen
                    eigen aandeel verschuldigd is. Hoewel dit ten aanzien van het eigen aandeel niet
                    als zodanig is geformuleerd, ligt het voor de hand hierin één lijn te
                    trekken.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 3. Hulp bij het huishouden</vet>.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 8. Vormen van hulp bij het huishouden.
                    </onderstreept>
        </al>
        <al>In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen aan
                    te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze
                    verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk 3
                    van deze verordening gaat het om de voorziening “hulp bij het huishouden”, in
                    hoofdstuk 4 om “woonvoorzieningen” . Bij het interpreteren van het begrip
                    “voeren van een huishouden” is er van uitgegaan dat een persoon pas behoefte kan
                    hebben aan hulp bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem
                    geschikte woning is gesitueerd. Vandaar dat de onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten bestaande woonvoorzieningen onder dit begrip zijn gebracht. </al>
        <al>Onder de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om aan te
                    geven dat onder de Wmo sprake is van een eigen begrip wordt in deze verordening
                    het begrip ‘hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd.</al>
        <al>Hulp bij het huishouden kan in drie vormen als voorziening worden aangeboden.
                    Onder a. wordt genoemd de algemene voorziening; een snelle en eenvoudige
                    dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente en
                    aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct beschikbare hulp bij het
                    huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt, met name voor eenvoudige
                    werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte. Het is aan
                    een gemeente om te bezien of zij deze vorm van hulp bij het huishouden in hun
                    verstrekkingenpakket wil opnemen. </al>
        <al>Onder b. wordt genoemd de hulp bij het huishouden in natura. Ook hier gaat het
                    om een vorm van persoonlijke dienstverlening, net als bij de onder a. genoemde
                    vorm. Het verschil zit echter in de toekenningsprocedure, die meer op de persoon
                    is afgestemd, en in de regel meer geschikt zal zijn voor de wat grotere en
                    langduriger behoefte aan hulp.</al>
        <al>Onder c. is genoemd het persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het
                    huishouden. Met dit pgb moet de aanvrager zelf hulp inhuren.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 9. Primaat van de algemene hulp bij het
                        huishouden.</onderstreept>
        </al>
        <al>In artikel 9 lid 1 wordt geregeld onder welke basisvoorwaarden men gebruik kan
                    maken van een algemene voorziening voor hulp bij het huishouden, indien deze in
                    de gemeente voorhanden is. In aanmerking komen in eerste instantie personen met
                    een aantoonbare beperking ten gevolge van ziekte of gebrek. Verder komen in
                    aanmerking mantelzorgers in het kader van de zogenaamde ‘respijtzorg’, dat wil
                    zeggen dat de noodzaak aanwezig is om mantelzorgers te ontlasten. Nota bene: het
                    is daarbij niet de bedoeling van de wetgever dat het huishouden van de
                    mantelzorger wordt overgenomen, maar overname van het huishouden van degene die
                    de mantelzorg ontvangt is wel degelijk mogelijk.</al>
        <al>Algemeen aangeboden hulp bij het huishouden is in de vorm van een primaat in
                    deze verordening neergelegd. Dat houdt in dat in eerste instantie wordt bezien
                    of deze vorm van hulp bij het huishouden het probleem op adequate wijze kan
                    oplossen. </al>
        <al/>
        <al>Als de in het vorige lid genoemde algemene voorziening onvoldoende adequaat is
                    of niet aanwezig is, komt de individuele voorziening voor hulp bij het
                    huishouden aan de orde. Lid 2 moet dus in samenhang met lid 1 worden gelezen. De
                    individuele voorziening kan bestaan uit een voorziening in natura of uit een
                    persoongebonden budget. Het college bepaalt wanneer iemand voor een
                    persoonsgebonden budget in aanmerking kan komen. Deze criteria zijn vastgelegd
                    in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nuth.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 10. Gebruikelijke zorg.</onderstreept>
        </al>
        <al>Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst
                    bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de leefeenheid zelf de
                    problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al onder de
                    AWBZ-indicatiestelling in gang gezet vanaf het midden van de jaren ’90 van de
                    vorige eeuw. Voorzover de ondervonden problemen door middel van dergelijke
                    gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, is er geen aanspraak op hulp bij het
                    huishouden. In de door het college vast te stellen beleidsregels wordt bepaald
                    hoe er rekening wordt gehouden met gebruikelijke zorg bij het vaststellen van
                    een aanspraak op een voorziening voor hulp bij het huishouden.</al>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 11. Omvang van de hulp bij het
                    huishouden.</onderstreept>
        </al>
        <al>Omdat hulp bij het huishouden uiteindelijk altijd in de vorm van dienstverlening
                    zal worden verstrekt, moet de omvang in uren / minuten worden vastgesteld. </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 12. Hoogte van het persoonsgebonden
                    budget.</onderstreept>
        </al>
        <al>Deze bepaling spreekt voor zich en sluit nauw aan op de keuze voor het werken
                    met uren, genoemd in artikel 11. Jaarlijkse vastlegging houdt verband met
                    prijsindexering, zoals genoemd in artikel 38. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 4. Woonvoorzieningen.</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 13. Woonvoorzieningen.</onderstreept>
        </al>
        <al>De woonvoorziening kan worden verstrekt in vier hoofdvormen:</al>
        <al>Ad a. de algemene woonvoorziening. Hierbij moet worden gedacht aan een
                    mogelijkheid om snel oplossingen voor vaak minder complexe woonproblemen te
                    krijgen. Te denken valt aan klussendiensten, snel beschikbare voorzieningen uit
                    depot en mogelijk andere, nog te ontwikkelen voorzieningen;</al>
        <al>Ad b. een woonvoorziening in natura. Dergelijke woonvoorzieningen worden niet in
                    de vorm van financiële tegemoetkoming -op individuele basis- verstrekt,
                    bijvoorbeeld de losse tillift of een douchestoel;</al>
        <al>Ad c. het persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld een
                    verhuiskostenvergoeding;</al>
        <al>Ad d. de financiële tegemoetkoming voor woningeigenaren die niet zelf huren en
                    soms ook rechtspersoon zijn. Deze financiële tegemoetkoming wordt genoemd in
                    artikel 7 lid 2 van de wet.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 14. Primaat collectieve woonvoorzieningen en recht op
                        individuele woonvoorzieningen.</onderstreept>
        </al>
        <al>In eerste instantie zal worden bezien of een woonprobleem kan worden opgelost
                    met een algemene voorziening. Deze voorziening heeft voorrang bij het zoeken
                    naar een oplossing voor een voor de wet relevant woonprobleem, dus een probleem
                    bij het normale gebruik van de woning, zie de toelichting op het amendement dat
                    leidde tot artikel 4 van de wet (amendement Miltenburg c.s., 30 131, nr. 65).
                    Als een algemene voorziening niet volstaat als oplossing ofwel niet aanwezig is
                    in de gemeente, moet het probleem middels een individuele voorziening worden
                    opgelost; dat kan zijn een woonvoorziening in natura of een persoonsgebonden
                    budget.</al>
        <al>Een woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding is, volgens de
                    Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, alleen bedoeld voor
                    situaties waarin de ondervonden problemen in direct oorzakelijk verband staan
                    met bouwkundige of woontechnische aspecten van de te verlaten woning zelf.
                    Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens, overlast et cetera
                    zijn dus niet van belang. Deze algemene eis uit de Wvg-jurisprudentie, welke ook
                    van toepassing blijft op de regelgeving onder de WMO, is daarom opgenomen in lid
                    3 van dit artikel</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 15. Soorten woonvoorzieningen.</onderstreept>
        </al>
        <al>Ad a.</al>
        <al>Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en
                    inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper
                    aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning . Het college maakt de
                    afweging tussen verstrekking van een tegemoetkoming in de verhuiskosten en een
                    woningaanpassing. Een woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding
                    is, volgens de Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (ook toegepast
                    op de WMO), alleen bedoeld voor situaties waarin de ondervonden problemen in
                    direct oorzakelijk verband staan met bouwkundige of woontechnische aspecten van
                    de te verlaten woning zelf. Omgevingsfactoren als lawaai, stank,
                    onveiligheidsgevoelens, overlast etcetera zijn dus niet van belang. Uitgangspunt
                    van het gemeentelijk beleid is dat zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de
                    voorraad aangepaste woningen in de gemeente.</al>
        <al/>
        <al>Ad b en c.</al>
        <al>Een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing is een aanpassing van de
                    woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten
                    aanzien van de bewoner met een beperking. Onder een woonvoorziening waarbij geen
                    sprake is van een ingreep van bouw- of woontechnische aard zal in de praktijk
                    met name een persoonsgebonden budget voor woningsanering i.v.m. CARA verstaan
                    worden. Ook kan onder deze categorie worden begrepen hulpmiddelen voor baden,
                    wassen en douchen welke niet nagelvast aan de woning zijn bevestigd, alsmede
                    mobiele patiëntenliften. Deze laatste twee categorieën roerende
                    woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van een voorziening in natura worden
                    verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur, zodat hergebruik mogelijk is.</al>
        <al/>
        <al>Ad d.</al>
        <al>Omdat met de Wet maatschappelijke ondersteuning niet wordt beoogd om het
                    inhoudelijke beleidsterrein ten opzichte van de vervallen Wet voorzieningen te
                    verbreden, noch om dat te versmallen, is de uitraasruimte als woonvoorziening
                    opgenomen. Een uitraasruimte is een ruimte die op basis van het vervallen
                    artikel 1, lid 1, onder e. van de Wet voorzieningen gehandicapten kan worden
                    gedefinieerd als een verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge van een
                    beperking in de vorm van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag
                    vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Een zeer specifieke
                    voorziening derhalve, die alleen op basis van een specifieke noodzaak en op
                    basis van een specifieke beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel
                    gaan om een kleine, veilige en prikkelarme ruimte.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 16. Primaat van de verhuizing.</onderstreept>
        </al>
        <al>Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een aanvraag
                    voor een woningaanpassing eerst werd bezien of verhuizing naar een andere woning
                    een oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de verhuizing. In
                    feite gaat het om een uitwerking van de regel dat in beginsel wordt gekozen voor
                    de goedkoopst adequate voorziening. </al>
        <al>De mogelijkheid tot het hanteren van het primaat van de verhuizing is onder de
                    Wet voorzieningen gehandicapten in de jurisprudentie erkend, zij het dat wel
                    enkele duidelijke voorwaarden zijn gesteld. In de eerste plaats moeten de
                    financiële gevolgen van de verhuizing voor de woonlasten binnen aanvaardbare
                    financiële grenzen vallen, een eis die ook onder de wet gesteld kan worden.
                    Verder moet duidelijk zijn dat de oplossing in de vorm van een verhuizing kan
                    worden gerealiseerd binnen een uit het advies blijkende medisch verantwoorde
                    termijn. Dat houdt dus in dat het college zicht moet hebben op de woningvoorraad
                    om een indicatie te kunnen geven van de mogelijkheden om binnen die medisch
                    verantwoorde termijn te kunnen verhuizen naar een geschikte aangepaste of
                    goedkoper aan te passen woning. Ook diverse andere relevante aspecten, nader uit
                    te werken in de gemeentelijke beleidsregels, kunnen, afhankelijk van de situatie
                    een rol spelen bij de afweging omtrent het toepassen van het primaat van de
                    verhuizing in een concreet geval. </al>
        <al/>
        <al>De in lid 3 genoemde uitraasruimte was onder de Wvg in de wet genoemd, in de Wmo
                    is niet dat meer het geval. Omdat de Wmo de opvolger van de Wvg is, is het nodig
                    de uitraasruimte elders, namelijk in de verordening te regelen. In artikel 16
                    lid 3 is geregeld dat de uitraasruimte bedoeld is voor een specifieke groep
                    gehandicapten, met specifieke problemen. Het gaat bij de uitraasruimte, bij
                    wijze van uitzondering, niet om het compenseren van problemen bij het normale
                    gebruik van de woning, maar om het tot rust komen. De uitraasruimte is dus geen
                    zogenaamde snoezelkamer. De uitraaskamer is evenmin bedoeld om overlast voor
                    huisgenoten te beperken.</al>
        <al/>
        <al>Huurderving (lid 4)</al>
        <al>Een tegemoetkoming in de kosten van huurderving wordt verstrekt aan de eigenaar
                    van een aangepaste woning in afwachting van een kandidaat huurder. Ook kan een
                    vergoeding verstrekt worden omdat een geschikte kandidaat bezwaar heeft gemaakt
                    tegen de toekenning van een verhuiskostenvergoeding, omdat hij of zij
                    bijvoorbeeld de voorkeur geeft aan het aanpassen van de woning in plaats van
                    verhuizen naar een aangepaste woning.</al>
        <al/>
        <al>Kosten in verband met tijdelijke huisvesting (lid 5)</al>
        <al>Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken in de kosten van
                    tijdelijke huisvesting indien de aanvrager voor de periode dat de aan te passen
                    woning ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet kan worden
                    bewoond en betrokkene tijdelijk dubbele woonlasten heeft.</al>
        <al>De tegemoetkoming wordt slechts verleend als de aanvrager de dubbele woonlasten
                    redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen.</al>
        <al/>
        <al>De financiële tegemoetkoming wordt verleend in het geval dat de kosten gemaakt
                    worden voor het:</al>
        <al>- tijdelijk betrekken van een zelfstandige woonruimte;</al>
        <al>- tijdelijk betrekken van een niet-zelfstandige woonruimte;</al>
        <al>- langer moet aanhouden van de te verlaten woonruimte.</al>
        <al/>
        <al>Wanneer de nieuwe woning in een andere gemeente staat en de aanvrager als gevolg
                    van de woningaanpassing tijdelijk voor dubbele lasten komt te staan, verstrekt
                    de gemeente waar de aan te passen woning staat een vergoeding in de kosten van
                    de extra huurlasten.</al>
        <al>Voor zover van toepassing gelden er aparte voorschriften voor aanpassingen van
                    woonwagens. (lid 6)</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 17. Primaat van de losse woonunit.</onderstreept>
        </al>
        <al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten konden gemeenten woningaanpassingen
                    duurder dan € 20.420,-- onder bepaalde voorwaarden declareren bij het Ministerie
                    van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning vervalt deze mogelijkheid en zullen de kosten voor rekening van de
                    gemeenten komen. Als het gaat om grote aanpassingen aan huurwoningen die opnieuw
                    kunnen worden verhuurd voor de huisvesting van mensen met beperkingen, kan de
                    investering over een langere periode afgeschreven worden. In gevallen waarin dat
                    niet speelt, wordt in principe uitgegaan van het primaat van losse woonunits. In
                    situaties waarin de mogelijkheid in de concrete situaties bestaat, wordt aan
                    gebruik van een dergelijke unit voorrang gegeven middels deze bepaling. </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 18. Uitsluitingen.</onderstreept>
        </al>
        <al>Een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor het treffen
                    van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als
                    zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als
                    zodanig aangemerkt worden. Een uitzondering zijn aanpassingen aan woonschepen en
                    binnenschepen; deze komen weinig voor en worden apart geregeld in het
                    verstrekkingenbeleid. Verder worden geen woonvoorzieningen verstrekt in
                    gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen voor ouderen of gehandicapten of
                    voorzieningen die in dergelijke gebouwen, ook in de wooneenheden, bij nieuwbouw
                    of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 19. Hoofdverblijf.</onderstreept>
        </al>
        <al>In tegenstelling tot de Wet voorzieningen gehandicapten wordt in de wet niet
                    expliciet vermeld dat de gemeentelijke compensatieplicht alleen geldt voor de
                    inwoners van de gemeente. </al>
        <al>Artikel 11 van de wet geeft echter wel een aanwijzing in die richting door
                    vermelding van “ingezetenen”, mede gezien het feit dat er met de wet geen
                    inhoudelijke uitbreiding van de werking van de Wet voorzieningen gehandicapten
                    is beoogd. </al>
        <al/>
        <al>In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie uitsluitsel. Voor
                    bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders
                    kunnen aanhouden. </al>
        <al>De gemeente waar de aanvrager van de voorziening daadwerkelijk verblijft heeft
                    de verplichting tot compensatie van beperkingen. In het geval van AWBZ-bewoners
                    heeft deze verplichting geen betrekking op de woonvoorzieningen. Het is
                    noodzakelijk de zinsnede 'of zal hebben' op te nemen voor situaties waarin de
                    aanvrager naar een andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een woning
                    wil laten bouwen of aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken, zie
                    ook art. 20, onder b.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 19, de leden 2, 3, 4, en 5:</onderstreept>
        </al>
        <al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren AWBZ-bewoners uitgesloten van het
                    recht op woonvoorzieningen. Een bovenwettelijke uitzondering hierop werd door
                    gemeenten gemaakt voor het zogenaamde bezoekbaar maken van een woonruimte voor
                    bezoek aan ouders of andere familieleden. Deze uitzondering was gebaseerd op de
                    verordening. Omdat met de wet niet wordt beoogd om de omvang van de onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten geregelde zorgplicht in te krimpen of uit te
                    breiden, is de optie van het bezoekbaar maken ook weer in de verordening
                    opgenomen in artikel 19. Verdere verplichtingen dan hier genoemd in de
                    verordening heeft de gemeente derhalve niet. “Bezoekbaar maken” wordt in de
                    verordening daarom gelimiteerd tot het bereikbaar maken van de woonruimte zelf
                    en enkele essentiële ruimten daarin, alsmede het gebruik van deze ruimten en kan
                    bovendien in financiële zin worden gemaximeerd, zie lid 4. Onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten werd hiervoor vaak wordt een bedrag gehanteerd dat
                    gelijk was aan het bedrag voor een verhuiskostenvergoeding.</al>
        <al>Voor zover van toepassing gelden er bepaalde voorschriften voor aanpassingen van
                    woonwagens. </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 20. Beperkingen.</onderstreept>
        </al>
        <al>Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet er een duidelijke
                    samenhang zijn tussen de ondervonden woonproblemen en de beperking die men
                    heeft. Aanvragen voor woonvoorzieningen die hun oorzaak vinden in andere
                    factoren dan die beperking, kunnen worden geweigerd op grond van artikel
                    20.</al>
        <al/>
        <al>Ad a.</al>
        <al>Onder a. wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als
                    weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar de
                    verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de
                    ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties
                    waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat men daar
                    zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten “belangrijke reden”.
                    Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of
                    het aanvaarden van werk elders.</al>
        <al/>
        <al>Ad. b.</al>
        <al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                    beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de
                    bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening
                    voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens
                    niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare
                    handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het
                    tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract, zie ook artikel 19, lid 1,
                    waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie waarin men in de betreffende
                    woning “zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben”. </al>
        <al>Voor de toepassing van deze weigeringsgrond geldt dat ook de gemeente ervoor zal
                    moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of makkelijk aan te passen
                    woningvoorraad, niet alleen sociale huurwoningen, maar ook in de vrije sector en
                    zonodig het koopwoningenbestand. Daarnaast zal de gemeente haar burgers goed
                    moeten informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan
                    kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is verhuisd naar de voor zijn
                    situatie meest geschikte woning.</al>
        <al/>
        <al>Ad c.</al>
        <al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in hoofdzaak zijn
                    gericht op het individu, worden in beginsel geen voorzieningen in
                    gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt. Evenals onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten gold, zijn er uitzonderingen gemaakt voor de in de
                    verordening genoemde voorzieningen in gemeenschappelijk ruimten. De opsomming is
                    limitatief, dat wil zeggen dat er niet meer hoeft te worden verstrekt dan er in
                    de verordening is genoemd.</al>
        <al/>
        <al> Ad d.</al>
        <al>Onder d. wordt met name gedoeld op verhuiskostenvergoedingen; veel verhuizingen
                    zijn als algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de beperking die men
                    heeft. Te denken valt aan verhuizingen van het ouderlijk huis naar een
                    zelfstandige woonruimte, verhuizing van senioren naar een kleinere woning, omdat
                    de eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en kinderen reeds zelfstandig
                    wonen.</al>
        <al/>
        <al>Mogelijk kunnen in bepaalde situaties ook andere voorzieningen dan
                    verhuiskostenvergoedingen geweigerd worden op basis van deze bepaling. Daarbij
                    moet worden gedacht aan situaties waarin gemeenten ouderen tijdig wijzen op de
                    eigen verantwoordelijkheid en naar de mogelijkheid om een woning te zoeken die
                    bij de leeftijd past. Als men dan, ondanks het feit dat men ondubbelzinnig is
                    gewezen op de eigen verantwoordelijkheid en de mogelijkheden er zijn, desondanks
                    geen maatregelen neemt en men komt in een ongeschikte woning voor voorzienbare
                    woonproblemen te staan, dan kunnen ook andere woonvoorzieningen dan
                    verhuiskostenvergoedingen worden geweigerd. De grondslag voor deze bepaling is
                    gelegen in artikel 4 lid 2 Wmo, waarin wordt gesteld dat geen recht op
                    maatschappelijke ondersteuning bestaat voorzover men zelf in staat is om
                    oplossingen te realiseren. In dit geval gaat het om preventieve oplossingen voor
                    voorzienbare problemen. Deze verordeningsbepaling is uiteraard alleen toepasbaar
                    als gemeenten ook een beleid hebben ontwikkeld en toepassen om de Wmo-doelgroep
                    intensief en gericht te informeren en als er daadwerkelijk alternatieven
                    aanwezig zijn om woonproblemen te voorkomen. </al>
        <al>Jurisprudentie zal zich uiteraard op dit punt nog moeten ontwikkelen.</al>
        <al/>
        <al>Ad e.</al>
        <al>In feite gaat het bij verhuizing vanuit het ouderlijk huis of vanuit een
                    vergelijkbare situatie naar een zelfstandige woonruimte om een algemeen
                    gebruikelijke verhuizing. Een dergelijke verhuizing staat dus op zichzelf los
                    van de beperkingen die men heeft. Ook zal verhuisd moeten worden naar een zo
                    adequaat mogelijke woning. Voorzieningen aan de woning waarheen vanuit het
                    ouderlijk huis wordt verhuisd zijn uiteraard wel mogelijk, mits verhuisd is naar
                    de op dat moment beschikbare meest geschikte woning.</al>
        <al/>
        <al>Woningen die niet geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen kunnen ook niet –
                    als hoofdverblijf – adequaat gemaakt worden. Daarvoor zal dus per definitie geen
                    woonvoorziening worden verstrekt; aanpassen leidt niet tot een adequate situatie
                    en verhuizen vanuit een dergelijke woning naar een woning die wel geschikt is om
                    het gehele jaar te bewonen kan als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Ook
                    zonder handicap zal men immers moeten verhuizen naar een woning de wel het
                    gehele jaar bewoonbaar is.</al>
        <al/>
        <al>De Wmo is onder meer gericht op het behoud c.q. het bevorderen van de
                    zelfstandigheid en is als opvolger van de Wvg ook bedoeld voor mensen die nog
                    zelfstandig kunnen blijven wonen. Op het moment dat men verhuist naar een
                    AWBZ-instelling, valt men feitelijk buiten de Wmo-doelgroep, omdat het, ook met
                    ondersteuning, niet meer mogelijk is zelfstandig een huishouden te voeren.</al>
        <al/>
        <al>Werden in de verlaten woonruimte geen problemen ondervonden met het normale
                    gebruik van de woning dan was er geen in de handicap, in relatie tot de
                    bouwkundige staat van de woning, gelegen oorzaak voor de verhuizing en is er
                    geen ruimte voor een verhuiskostenvergoeding.</al>
        <al/>
        <al>Afwijzingen op grond van het feit dat de ondervonden problemen bij het normale
                    gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
                    materialen is afkomstig uit de Modelverordening Wet voorzieningen gehandicapten
                    (voor 1-1-2007), en is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor
                    problemen zorgen.Het is daarbij zaak onderscheid te maken tussen de
                    constructie, waarbij een bepaald materiaal is toegepast, en de aard van het
                    gebruikte materiaal zelf.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 21. Terugbetaling bij verkoop.</onderstreept>
        </al>
        <al>De Modelverordening Wet voorzieningen gehandicapten bevatte een zogenaamde
                    antispeculatiebepaling. Deze bepaling komt in deze verordening terug en heeft
                    als doel het door de eigenaar laten terugbetalen van een deel van de
                    waardestijging, die het gevolg is van de aanpassing van de eigen woning op grond
                    van de wet. De datum van de verkoop is daarbij bepalend, omdat op die datum
                    reeds vaststaat wat de verkoopprijs van de woning en wat de meerwaarde ten
                    gevolge van de aanpassing is. Het is aan het college om te bepalen of en in
                    hoeverre in een concrete situatie gebruik van deze bepaling wordt gemaakt,
                    aangezien er een afweging dient plaats te vinden tussen de kosten van het
                    effectueren van deze bepaling (taxatie, administratieve lasten) in relatie tot
                    de te verwachten baten en de hoogte van de woonvoorziening.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 5. Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 22. Vormen van te verstrekken
                        voorzieningen.</onderstreept>
        </al>
        <al>Ad a.</al>
        <al>De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van het collectief
                    vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994 onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten heeft ontwikkeld. Naast het collectief vervoer kan ook worden
                    gedacht aan de mogelijkheden voor het opzetten van scootmobielpools, zoals in
                    sommige verzorgingshuizen al op basis van de Wet voorzieningen gehandicapten
                    gebeurde.</al>
        <al/>
        <al>Ad b.</al>
        <al>Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van
                    vervoermiddelen, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten. In de
                    beleidsregels c.q. het verstrekkingenbeleid wordt uitgewerkt onder welke
                    voorwaarden men voor een bepaald soort voorziening in aanmerking komt.</al>
        <al/>
        <al>Ad c.</al>
        <al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wet voorzieningen gehandicapten is
                    het persoonsgebonden budget. De vaststelling van de hoogte van het
                    persoonsgebonden budget door het college wordt in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Nuth uitgewerkt.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 23. Het recht op een algemene
                    voorziening.</onderstreept>
        </al>
        <al>Door deze formulering is bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen van de
                    persoon in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoerssystemen bepalend
                    zijn voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor
                    een voorziening terzake. </al>
        <al>Algemeen criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel is
                    het ten gevolge van een beperking niet kunnen gebruiken van het openbaar
                    vervoer. Die regel stamt uit de aan de Wet voorzieningen gehandicapten
                    voorafgaande AAW en wordt in de praktijk beoordeeld door te kijken naar de
                    loopafstand van een aanvrager (de bekende 800-metergrens).</al>
        <al>Doordat de streekbus, bijvoorbeeld voor iemand met een functionele beperking
                    niet toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Psychische
                    problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de trein) zijn
                    daardoor in principe geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier moet een
                    adequate voorziening getroffen worden. Deze kan wellicht beter gevonden worden
                    buiten de wet, door middel van een therapie waardoor de blokkade opgeheven kan
                    worden. Is in zo'n situatie de problematiek op te lossen, dan was de
                    problematiek tijdelijk en viel deze derhalve terecht niet onder de wet, bij
                    gebrek aan een langdurige noodzaak. Anders wordt het als blijkt dat het probleem
                    niet therapeutisch opgelost kan worden. Dan is wel een langdurige noodzaak
                    aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 24. Het primaat van de collectieve
                        vervoersvoorziening.</onderstreept>
        </al>
        <al>Artikel 24 geeft het primaat van de algemene voorzieningen aan boven de
                    individuele verstrekkingen zoals genoemd onder b. en c. van artikel 22. Men kan
                    voor individuele verstrekkingen in aanmerking komen: </al>
        <lijst>
          <li nr="a"><al>indien men door de aard van de beperking geen gebruik kan maken van een
                            collectieve vervoersvoorziening of; </al></li>
          <li nr="b"><al> indien er geen algemene voorziening aanwezig is.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van een
                    collectief systeem verstrekt kunnen worden. Dit is het geval wanneer het
                    collectief systeem de vervoersbehoefte van de aanvrager die een aanspraak heeft
                    niet volledig dekt. Dit is volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapten van bijzonder belang bij mensen
                    die slechts zeer beperkt mobiel zijn (mensen met een loopafstand van maximaal
                    circa 100 meter). Alleen collectief vervoer is voor deze categorie mensen geen
                    adequate voorziening.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 25. Algemeen gebruikelijke
                        vervoersvoorzieningen.</onderstreept>
        </al>
        <al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten en onder de WMO is in de rechtspraak
                    van de Centrale Raad van Beroep bepaald dat het stellen van een inkomensgrens
                    voor een forfaitaire tegemoetkoming in vervoerskosten bij een inkomen van 1,5 x
                    de bijstandsnorm, of het gebruik van de door het ministerie van VWS vastgestelde
                    parameters, niet in strijd is met de geldende zorgplicht. In het Besluit
                    Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Nuth 2011 is thans vastgelegd dat de
                    door het ministerie van VWS vastgestelde parameters gehanteerd worden. Iemand
                    met een inkomen boven de in het besluit MO genoemde inkomensgrenzen (parameters)
                    voor vervoer, wordt geacht de kosten van het lokaal vervoer of bezit en gebruik
                    van een auto zelf te kunnen dragen. Er is een duidelijke relatie met het begrip
                    “algemeen gebruikelijk”; indirect worden de kosten van vervoer in relatie tot
                    het inkomen algemeen gebruikelijk geacht. </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 26. Omvang in gebied en in kilometers.</onderstreept>
        </al>
        <al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is de zorgplicht voor vervoer beperkt
                    tot verplaatsingen in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of
                    leefomgeving; de wet spreekt nu in artikel 4 lid 1, onder c. over “het zich
                    lokaal verplaatsen per vervoermiddel”. Dit lijkt beperkter te zijn dan de
                    zorgplicht onder de Wet voorzieningen gehandicapten, maar aangezien met de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning niet is beoogd de reikwijdte van de Wet
                    voorzieningen gehandicapten te beperken of uit te breiden, is er geen reden om
                    aan te nemen dat alleen de letterlijk lokale verplaatsingen onder de wet zullen
                    vallen. Vandaar dat in artikel 26, conform de onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten gevormde jurisprudentie, wordt uitgegaan van de eigen woon- of
                    leefomgeving, met als uitzondering de bovenregionale zorgplicht, zoals die ook
                    in de Wvg-jurisprudentie is omschreven.</al>
        <al/>
        <al>Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten in dat een vervoersvoorziening of een
                    combinatie van voorzieningen de mogelijkheid moet bieden om op jaarbasis
                    minimaal 1.500-2.000 kilometer af te leggen. Deze jurisprudentie wordt hier
                    vastgelegd, aangezien met de wet niet wordt beoogd de werkingssfeer van de Wet
                    voorzieningen gehandicapten uit te breiden. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 6. Verplaatsen in en rond de woning.</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 27. Diverse typen
                    rolstoelvoorzieningen.</onderstreept>
        </al>
        <al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren rolstoelen in de wet zelf als
                    aparte categorie voorzieningen opgenomen. </al>
        <al>In de Wet maatschappelijke ondersteuning is dat niet het geval, maar aangezien
                    met deze wet niet wordt beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de
                    voorafgaande Wet voorzieningen gehandicapten te verbreden of te versmallen,
                    wordt de rolstoel gehandhaafd als de enige voorziening waarmee beperkingen bij
                    het verplaatsen in en rond de woning in het kader van de wet gecompenseerd
                    kunnen worden. Een definitie van een rolstoel is niet te geven, daarom wordt
                    hier onder het begrip “rolstoel” een rolstoel begrepen te worden de rolstoel
                    zoals iedereen die kent. Deze rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch
                    aangedreven zijn. Een (elektrische) trippelstoel wordt niet als rolstoel
                    beschouwd en wordt niet op grond van de wet verstrekt. De trippelstoel valt
                    onder de door de Regeling Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen. Een
                    rolstoel kan zowel worden gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als
                    voor buiten. Primair doel van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat
                    lopend verplaatsen, ook met op grond van andere regelingen te verstrekken
                    voorzieningen als looprekken, rollators, wandelstokken en krukken niet of
                    onvoldoende mogelijk is. Kosten van onderhoud en reparatie van de rolstoel
                    vallen eveneens onder de wet.</al>
        <al/>
        <al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                    verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met
                    therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt. Hierbij
                    valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van zuurstofapparatuur en
                    andere aanpassingen. Bij accessoires gaat het uiteraard alleen om medisch
                    noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken.</al>
        <al/>
        <al>De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                    rolstoel. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel, meestal
                    verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming, een
                    bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de verordening werd
                    verstrekt.</al>
        <al/>
        <al>De mogelijkheid van een rolstoelpool voor incidenteel te gebruiken rolstoelen is
                    hier weggelaten. De verstrekking betreft dan verstrekking in natura en in de
                    vorm van een persoonsgebonden budget voor rolstoelen voor dagelijks zittend
                    gebruik alsmede voor sportrolstoelen. Gevolg hiervan is, dat rolstoelen voor
                    incidenteel gebruik in principe niet worden verstrekt, omdat niet voldaan wordt
                    aan het criterium “voor dagelijks zittend verplaatsen”. Hiermee wordt
                    aangesloten op het verstrekkingencriterium, zoals dat onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten gold.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 28. Incidenteel, dan wel dagelijks rolstoelgebruik en
                        sportrolstoel.</onderstreept>
        </al>
        <al>In dit artikel is geregeld dat een aanvrager voor een rolstoel in aanmerking kan
                    komen als het gaat om incidenteel of dagelijks gebruik van de rolstoel, waarbij
                    deze een rolstoel in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget
                    verstrekt zal worden als de rolstoel voor het dagelijks zittend verplaatsen in
                    en om de woning langdurig medisch noodzakelijk is.</al>
        <al/>
        <al>Geen rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of
                    andere hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het
                    verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel verstrekt
                    worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen, mits het gebruik dagelijks
                    noodzakelijk is. De nadere verstrekkingscriteria worden vastgelegd in de
                    beleidsregels.</al>
        <al>Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een persoonsgebonden
                    budget, zal verstrekt worden als zonder de sportrolstoel sportbeoefening niet
                    mogelijk is of zal zijn. Daarbij dient onder het begrip sportrolstoel
                    uitsluitend een sportrolstoel verstaan te worden. Andere sportvoorzieningen
                    worden niet verstrekt, evenmin als hulpmiddelen aan een sportrolstoel zoals een
                    handbike, die alleen voor sportbeoefening, en niet voor het lokaal verplaatsen
                    nodig is.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 29. Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor
                        AWBZ-bewoners.</onderstreept>
        </al>
        <al>Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners bestaat
                    alleen indien de AWBZ-bewoner zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de functie
                    “behandeling” geniet in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een
                    AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet, is er ook geen recht op een
                    AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente een rolstoel moeten worden verstrekt
                    op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. </al>
        <al>Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning voor
                    de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de AWBZ-functie
                    “behandeling”als het ware inkoopt bij een voor die functie wél erkende
                    instelling. Het “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een veelvoorkomende
                    situatie, waarin in de instelling wél beide AWBZ-functies kunnen worden
                    “genoten”, maar de instelling zelf geen erkenning heeft voor beide
                    AWBZ-functies, maar alleen voor de functie “verblijf”. </al>
        <al>Het gevolg is dat er geen recht op een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke
                    situatie, juist omdat beide functies op die verpleegafdeling niet door één en
                    dezelfde erkende AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende
                    AWBZ-instellingen, waarbij de ene instelling gebruik maakt van de erkenning van
                    de andere instelling. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 7. Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                        besluiten.</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 30. Gebruik aanvraagformulier.</onderstreept>
        </al>
        <al>In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag tot
                    het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij wettelijk
                    voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling
                    van de kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden
                    ingediend. Een persoon uit de doelgroep van deze wet kan dus niet verwachten dat
                    vanuit de gemeente op eigen initiatief iets in zijn of haar richting wordt
                    ondernomen. In dit artikel is bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op
                    een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier. De aanvraag in het kader van
                    de wet die niet op het beschikbaar gestelde aanvraagformulier is ingediend, kan
                    echter niet zonder meer buiten behandeling worden gelaten. De Algemene wet
                    bestuursrecht bepaalt immers dat de aanvraag in ieder geval naam en adres van de
                    aanvrager en een aanduiding van de beschikking die gevraagd wordt, dient te
                    bevatten en verder ondertekend moet zijn. Jurisprudentie leert dat een
                    ondertekend formulier, dat overigens niet is ingevuld, geaccepteerd dient te
                    worden als de overige benodigde bescheiden daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor
                    de hand in een dergelijke situatie te verzoeken om aanvulling van de
                    gegevens.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 31. Relatie met de Algemene Wet Bijzondere
                        Ziektekosten.</onderstreept>
        </al>
        <al>Op basis van het amendement-Mosterd c.s. (kamerstuk nr. 30 131-54 ) is in
                    artikel 5, lid 2, onder a. van de wet opgenomen dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels moet vaststellen omtrent de wijze waarop de toegang tot
                    individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen
                    en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geregeld. </al>
        <al>Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat lid 2, onder a.
                    ertoe strekt dat “de gemeente bepaalt hoe achter één loket de samenhang van
                    toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot zorgvoorzieningen
                    krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het gebied van wonen is
                    geregeld”, wordt gedoeld op de zogenaamde één-loketgedachte. Wetsbepaling en
                    toelichting lopen echter enigszins uit elkaar, omdat in de wetsbepaling
                    “voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten” gebundeld (als vallend onder de AWBZ) worden genoemd,
                    terwijl in de toelichting op het amendement waarop de wetsbepaling is gebaseerd
                    onderscheid wordt gemaakt tussen toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ
                    en toegang tot voorzieningen op het gebied van het wonen. Verder wordt er, zoals
                    hierboven al geciteerd, in de toelichting geen onderscheid meer gemaakt tussen
                    raad en college, slechts “de gemeente” wordt genoemd. Praktisch gezien zal de
                    concrete uitvoering van activiteiten in het zorgloket en de werking ervan een
                    typische uitvoeringsactiviteit zijn, dus naar zijn aard vallen onder de
                    verantwoordelijkheid van het college. De door de raad vast te stellen
                    verordening beperkt zich daarom tot het aanwijzen van een loket,waarbij de
                    nadere uitwerking daarvan via het college geregeld moeten worden. </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 32. Inlichtingen, onderzoek, advies en
                        beschikking.</onderstreept>
        </al>
        <al>Lid 1 onder a. en b. van dit artikel bepaalt dat het college bevoegd is de
                    aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen en te ondervragen op een door
                    het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of
                    ondervragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de
                    beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag.</al>
        <al/>
        <al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal artikelen
                    enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene
                    wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt:
                    een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het
                    adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam
                    onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. </al>
        <al>In tegenstelling tot hetgeen er was bepaald in de Wet voorzieningen
                    gehandicapten is in de wet niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet
                    worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter
                    onontbeerlijk zijn. De gemeente dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in
                    het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet
                    opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende,
                    zelfs wisselende situaties hebben, hetgeen een eenduidige vermelding onmogelijk
                    maakt. </al>
        <al>Een afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld onder a., kan uiteraard alleen
                    maar op basis van een medisch advies. </al>
        <al>Met name wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies
                    onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot een stroom
                    van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is wat iemand mankeert. Dat kan bij
                    verstrekking van voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten voor de
                    aanvrager en onnodige kosten voor de gemeente leiden. Dit probleem speelt in het
                    bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch) moeilijk objectiveerbare
                    aandoeningen: (m)moa’s.</al>
        <al>Tot slot vraagt het college advies, indien dit overigens gewenst wordt geacht.
                    Het zal duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te voeren valt. Door
                    deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om advies te vragen. Het is
                    verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies gevraagd wordt, met het
                    oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit een rol zou kunnen spelen. </al>
        <al/>
        <al>De bepaling in lid 3 spreekt voor zich; het is duidelijk dat gegevens inzake de
                    medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere gegevens
                    noodzakelijk kunnen zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. Er is een
                    duidelijke praktische samenhang met artikel 32 lid 1 van deze verordening,
                    inzake het gebruik van een door het college te verstrekken formulier. Door
                    middel van gebruik van een formulier kunnen de procedures inzake de
                    gegevensverstrekking worden gestroomlijnd.</al>
        <al>Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is voor het nemen
                    van een besluit op de aanvraag, zie hieromtrent ook artikel 4:3 Algemene wet
                    bestuursrecht. Weigert de aanvrager echter de voor het nemen van het besluit
                    noodzakelijke gegevens te verstrekken, dan rest het college niets anders dan de
                    aanvraag volgens de procedure van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten
                    behandeling te laten. Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige
                    – gegevens moet de gemeente rekening houden met de verplichtingen die
                    voortvloeien uit de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). </al>
        <al/>
        <al>Lid 4 geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                    zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Deze bepaling
                    is in de verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting op amendement
                    65, waarin staat “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de
                    International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF
                    classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de
                    behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”</al>
        <al>Mede omdat bij de indicatiestelling van de diverse functies in de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten eveneens van deze classificatie gebruik wordt gemaakt
                    kan het gebruik van de ICF-classificatie afstemming tussen de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten en deze wet vergemakkelijken.</al>
        <al/>
        <al>Lid 5 vertaalt de opdracht van artikel 26 lid 1 van de wet naar de verordening
                    en bepaalt dat de beschikking dient te vermelden op welke wijze de genomen
                    beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en
                    de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een
                    chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 33. Samenhangende afstemming. </onderstreept>
        </al>
        <al>In artikel 5, lid 2, onder b. van de wet is vastgelegd dat de raad in de
                    verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen
                    samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de aanvrager. Deze bepaling is
                    bedoeld om, naast de toepassing van algemene bestuursrechtelijke
                    zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen zelf, vanuit
                    cliëntperspectief, in samenhang te bezien. Evenals het genoemde in de
                    toelichting op artikel 31 van deze verordening, gaat het hier naar zijn aard om
                    uitvoeringsbeleid. Daarvoor is een specifieke onderzoeksverplichting aan het
                    college opgelegd.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 34. Wijzigingen in de situatie.</onderstreept>
        </al>
        <al>Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen te worden in
                    al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte of te verstrekken
                    voorzieningen. </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 35. Intrekking van een besluit </onderstreept>
        </al>
        <al>Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan voorwaarden.
                    Het is in verband met het kenbaarheidvereiste, verwoord in de passage “waarvan
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op het recht op een
                    voorziening”, van groot belang om de beschikkingsvoorwaarden duidelijk te
                    vermelden in een beschikking. </al>
        <al>Het is daarom raadzaam om een belanghebbende te wijzen op de voorwaarden die het
                    recht op de voorziening met zich meebrengen. Daarnaast is het belangrijk in de
                    beschikking ook expliciet te wijzen op de verplichting om wijzigingen in de
                    situatie aan het college door te geven. Mocht er sprake zijn van een, om wat
                    voor reden dan ook, ten onrechte toegekende voorziening, dan vergemakkelijkt een
                    duidelijke formulering in de beschikking een eventuele beëindiging of
                    terugvordering van (het recht op) een voorziening , omdat de betrokkene zich dan
                    niet kan beroepen op onbekendheid met de feiten.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 36. Terugvordering </onderstreept>
        </al>
        <al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat reden
                    is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er anders geen
                    juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen. Indien er, naar later
                    blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kan
                    het college de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het besluit tot
                    herziening van het recht op de voorziening en de daaraan gekoppelde
                    terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals bijvoorbeeld in de
                    Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er is wel sprake van een
                    civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waarvoor het
                    Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. Aan de
                    gerechtelijke procedure zijn kosten verbonden, met name in gevallen waarin de
                    vordering hoger is dan € 5.000,- en dus een procedure met procureurstelling bij
                    de rechtbank noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan een eenvoudige
                    dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden, zonder verplichte
                    procureurstelling.</al>
        <al/>
        <al>Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingmogelijkheid in ieder geval
                    gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de aanvrager sprake is van
                    verwijtbaarheid. Wanneer deze dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt,
                    bijvoorbeeld over zijn inkomen. Ook kan terugvordering van een voorziening in
                    natura aan de orde zijn wanneer de aanvrager in gebreke blijft zijn eigen
                    bijdrage binnen de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. Het is raadzaam
                    vooraf een inschatting te maken van de kosten en te verwachten baten, gezien de
                    mogelijke kosten van een civielrechtelijke procedure. Daarbij moet niet alleen
                    gekeken worden naar de kosten van inschakeling van een procureur, maar ook naar
                    mogelijke invorderingskosten, zoals de kosten van inschakeling van een
                    deurwaarder.</al>
        <al/>
        <al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een gemaximeerde vergoeding
                    binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van
                    de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling ook worden
                    teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de
                    tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de voorziening voorafgaat.
                    Bij woningaanpassingen zal dit in de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling
                    pas dan plaatsvindt nadat de woningaanpassing is uitgevoerd. Artikel 36 is dus
                    veelal niet van toepassing op woningaanpassingen. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 8. Slotbepalingen</vet>.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 37. Hardheidsclausule.</onderstreept>
        </al>
        <al>Artikel 37 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, en dus niet van
                    de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies ingewonnen.
                    Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de betrokken
                    persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Bij de woningeigenaar,
                    bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht worden aan een situatie waar het van
                    belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat
                    bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor wie de aangepaste
                    woning uitermate geschikt is, op het punt staat om uit een revalidatiecentrum te
                    worden ontslagen. In die gevallen kan het doelmatiger zijn om een langere
                    periode een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken. Verder is met
                    nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de
                    hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een
                    regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk
                    aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt
                    afgeweken.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 38. Indexering.</onderstreept>
        </al>
        <al>Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de
                    verordening gebaseerde Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nuth, te
                    indexeren. Indexering voor de meeste van de op deze verordening gebaseerde
                    normbedragen vindt plaats volgens het CBS-prijsindexcijfer voor de
                    gezinsconsumptie. De Algemene Maatregel van Bestuur zoals op 22 mei 2006 naar de
                    Tweede Kamer gezonden bepaalt in artikel 4.5. lid 1 dat ook de bedragen van de
                    eigen bijdragen jaarlijks aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie
                    worden gewijzigd bij ministeriële regeling. </al>
        <al>Het ligt voor de hand wijzigingen in bedragen in de lokale verordening
                    tegelijkertijd hiermee door te voeren.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 39. Evaluatie.</onderstreept>
        </al>
        <al>Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid periodiek geëvalueerd te
                    worden. </al>
        <al>Dat beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de gemeenteraad
                    neergelegd in de verordening, als het uitvoeringsbeleid, dat onder de
                    bevoegdheid van het college is neergelegd in beleidsregels. Indien de evaluatie
                    daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat het voorzieningenniveau te hoog of
                    te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te leiden tot aanpassing van de
                    verordening of van de beleidsregels.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikelen 40. en 41. Inwerkingtreding en
                        citeertitel.</onderstreept>
        </al>
        <al>Deze bepalingen spreken voor zich en worden niet nader toegelicht.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>