<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR15431_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Overleg Lokaal Onderwijsbeleid</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmermeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmermeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Informeer 2-8-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Overleg Lokaal Onderwijsbeleid gemeente Haarlemmermeer</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>1998-03-26</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-08-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>17 maart 1998, nummer 054</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>onderwijs</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum inwerkingtreding is dag na publicatie.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Overleg Lokaal Onderwijsbeleid</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Haarlemmermeer;</al><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders van 17 maart 1998,
                        nummer 054;</al><al>besluit:</al><al>de Verordening procedure overleg huisvesting onderwijs gemeente
                        Haarlemmermeer, vastgesteld op 24 oktober 1996, in te trekken en de volgende
                        Verordening Overleg Lokaal Onderwijsbeleid vast te stellen. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>schoolbestuur: het bevoegd gezag van een volgens de wet op het
                                Basisonderwijs, de Interimwet op het Speciaal Onderwijs en het
                                Voortgezet Speciaal Onderwijs en de wet op het Voortgezet Onderwijs
                                bekostigde openbare of bijzondere school die gelegen is op het
                                grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>advies: het advies van de Onderwijsraad als bedoeld in de wet op het
                                Basisonderwijs, de Interimwet op het Speciaal Onderwijs en het
                                Voortgezet Speciaal Onderwijs en de wet op het Voortgezet
                                Onderwijs;</al></li><li nr="c."><al>Burgemeester en Wethouders: het college van Burgemeester en
                                Wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Functie overlegorgaan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is een overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid waarin Burgemeester
                                en Wethouders met de vertegenwoordigers van alle schoolbesturen
                                overleg voeren over de voorbereiding en uitvoering van het lokaal
                                onderwijsbeleid.</al></li><li nr="2."><al>In het overlegorgaan komen aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>de onderwerpen waarop het op overeenstemming gericht overleg
                                        van toepassing is als bedoeld in de wet op het
                                        Basisonderwijs, de Interimwet op het Speciaal Onderwijs en
                                        het Voortgezet Speciaal Onderwijs en de wet op het
                                        Voortgezet Onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>overige onderwerpen van overleg aangaande het lokaal
                                        onderwijsbeleid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op de onderwerpen, als genoemd in het tweede lid onder b is artikel
                                9 niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Samenstelling overlegorgaan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De schoolbesturen kunnen zich laten vertegenwoordigen in het
                                overlegorgaan. Een schoolbestuur wijst daartoe twee
                                vertegenwoordigers aan die namens dit schoolbestuur het overleg
                                voeren.</al></li><li nr="2."><al>Schoolbesturen kunnen zich gezamenlijk laten vertegenwoordigen in
                                het overlegorgaan.De portefeuillehouder onderwijs vertegenwoordigt
                                Burgemeester en Wethouders in het overlegorgaan. </al></li><li nr="3."><al>De portefeuillehouder onderwijs fungeert als voorzitter van het
                                overlegorgaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Derden</titel></kop><al>Derden kunnen, indien de voorzitter van het overlegorgaan dit wenst of een
                        derde deel van de aanwezige vertegenwoordigers van schoolbesturen, genoemd
                        in artikel 3, dit wenst als adviseur of toehoorder deelnemen aan een
                        overleg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Uitnodiging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alvorens Burgemeester en Wethouders een voorstel aan de raad doen
                                over een onderwerp, zenden zij de voorgenomen inhoud van dit
                                voorstel met een toelichting daarop en de inventarisatie, als
                                bedoeld in artikel 7, toe aan alle schoolbesturen.</al></li><li nr="2."><al>De toezending geschiedt onder bekendmaking van de plaats, de datum
                                en het tijdstip waarop het overleg hierover zal aanvangen. Tussen de
                                datum van de toezending van het voorstel en de datum van het overleg
                                liggen ten minste vier weken.</al></li><li nr="3."><al>De schoolbesturen die niet deelnemen aan het overleg kunnen voor de
                                datum van dit overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar maken aan
                                Burgemeester en Wethouders. Burgemeester en Wethouders stellen de
                                deelnemers aan dit overleg hiervan in kennis.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Secretariaat</titel></kop><al>Burgemeester en Wethouders voeren het secretariaat van het
                        overlegorgaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Voorbereiding</titel></kop><al>Burgemeester en Wethouders kunnen een voorbereidend overleg tussen
                        vertegenwoordigers van de schoolbesturen en Burgemeester en Wethouders
                        instellen dat voorafgaat aan het overleg in het overlegorgaan.</al><al>Dit voorbereidend overleg wordt afgerond met een inventarisatie van de
                        onderwerpen waarover al dan niet overeenstemming is bereikt. Per onderwerp
                        wordt aangegeven of het gaat om een onderwerp als bedoeld in artikel 2,
                        tweede lid onder a.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Agendaoverleg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en Wethouders stellen een agendaoverleg in. Hierin
                                wordt nagegaan welke onderwerpen op welk tijdstip in het
                                overlegorgaan aan de orde kunnen komen. Op grond hiervan stellen
                                Burgemeester en Wethouders de agenda op.</al></li><li nr="2."><al>Het agendaoverleg bestaat uit een vertegenwoordig(st)er van de
                                besturen van scholen voor voortgezet onderwijs, een
                                vertegenwoordig(st)er van de besturen van de bijzondere scholen voor
                                primair onderwijs en een vertegenwoordig(st)er namens het openbaar
                                primair onderwijs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Advies Onderwijsraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een of meer schoolbesturen of Burgemeester en Wethouders een
                                advies wensen over een onderwerp waarop het op overeenstemming
                                gerichte overleg van toepassing is, maken ze dit uiterlijk kenbaar
                                in het overleg waarin het onderwerp in finale zin aan de orde is.
                                Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde
                                omschrijving van het onderwerp waarover het advies wordt verwacht.
                                Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen het onderwerp en
                                de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting van het
                                onderwijs.</al></li><li nr="2."><al>Alle vertegenwoordigers krijgen in het overleg de gelegenheid hun
                                zienswijzen naar voren te brengen over het verzoek om advies.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en Wethouders zijn belast met de indiening van een
                                verzoek om advies. Zij doen dit uiterlijk twee weken na afloop van
                                het overleg. Daarbij informeren zij tevens de Onderwijsraad over de
                                in het tweede lid bedoelde zienswijzen.</al></li><li nr="4."><al>De wettelijke termijn voor het uitbrengen van het advies wordt
                                opgeschort met ingang van de dag waarop de Onderwijsraad
                                Burgemeester en Wethouders uitnodigt het verzoek voor het uitbrengen
                                van het advies aan te vullen met de gegevens die hij nodig heeft
                                voor een goede vervulling van zijn taak, tot de dag waarop het
                                verzoek is aangevuld.</al></li><li nr="5."><al>De raad neemt gedurende de termijn voor het uitbrengen van het
                                advies geen besluit over het onderwerp waarover advies is
                                gevraagd.</al></li><li nr="6."><al>Burgemeester en Wethouders zenden zo spoedig mogelijk een afschrift
                                van het uitgebrachte advies toe aan alle schoolbesturen. Indien het
                                geheel of gedeeltelijk opvolgen van het advies zou leiden tot een of
                                meer inhoudelijke bijstellingen van het voorstel over een onderwerp
                                waarover advies is gevraagd, worden de schoolbesturen bij de
                                toezending van het afschrift van het advies uitgenodigd voor nader
                                overleg.</al><al> In alle andere gevallen beoordelen Burgemeester en Wethouders of
                                nader overleg over het advies wenselijk is. Zij geven dit aan bij de
                                toezending van het afschrift van het advies.</al></li><li nr="7."><al>Het overleg, als bedoeld in het vorige lid, vindt binnen twee weken
                                plaats nadat het advies is uitgebracht. Burgemeester en Wethouders
                                informeren de raad over dit overleg in de vorm van een aanvulling op
                                het verslag als bedoeld in artikel 10.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verslaglegging; informeren raad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en Wethouders maken een verslag van het overleg.</al></li><li nr="2."><al>Het verslag bevat eer overzicht van de besproken onderwerpen,
                                waarbij per onderwerp wordt aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>of het bepaalde in artikel 2, tweede lid, onder a. of b. van
                                        toepassing is;</al></li><li nr="b."><al>of volledige, geen volledige of geen overeenstemming is
                                        bereikt;</al></li><li nr="c."><al>de in het overleg door de deelnemers naar voren gebrachte
                                        zienswijzen en - indien van toepassing - de zienswijzen als
                                        bedoeld in artikel 5, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door de portefeuillehouder Onderwijs in het overleg
                                        toegezegde wijzigingen in het oorspronkelijke voorstel.</al><al> Indien artikel 9, eerste lid van toepassing is, wordt
                                        hiervan eveneens een weergave opgenomen in het verslag.</al></li></lijst></li><li nr="3.1."><al>Het overleg stelt het verslag vast.</al></li><li nr="3.2."><al>In spoedeisende gevallen kunnen Burgemeester en Wethouders het
                                verslag ter commentaar toezenden aan de schoolbesturen. Binnen een
                                week na de dag waarop het verslag is toegezonden, maken de
                                schoolbesturen die deel hebben genomen aan het overleg schriftelijk
                                hun opmerkingen over het concept verslag kenbaar. Het al dan niet
                                naar aanleiding daarvan gewijzigde concept wordt hierop nogmaals aan
                                de schoolbesturen toegezonden die vervolgens binnen een week na de
                                datum waarop dit tweede concept verslag is toegezonden nogmaals hun
                                opmerkingen kenbaar kunnen maken.</al><al> Burgemeester en Wethouders stellen het verslag vast met
                                inachtneming van de opmerkingen.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en Wethouders brengen het verslag gelijktijdig met het
                                voorstel over het onderwerp ter kennis van de raad. Voorzover
                                Burgemeester en Wethouders afwijken van de tijdens het overleg naar
                                voren gebrachte zienswijzen, wordt dit gemeld in het voorstel aan de
                                raad. Daarbij geven zij de redenen aan van het niet of niet geheel
                                overnemen van deze zienswijzen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Heropening overleg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien uit het oordeel van de betrokken raadscommissie over het
                            voorgenomen voorstel aan de raad over een onderwerp blijkt dat de
                            meerderheid van de raadscommissie of een deel van de raadscommissie dat
                            volgens Burgemeester en Wethouders geacht wordt een meerderheid in de
                            raad te vertegenwoordigen, van oordeel is dat het voorstel inhoudelijk
                            bijstelling behoeft, dan kan een heropening van het overleg
                            plaatsvinden. Burgemeester en Wethouders beslissen daarover. Zij
                            heropenen het overleg in ieder geval indien de inhoudelijke bijstelling
                            betrekking heeft op een onderwerp als bedoeld in artikel 2, tweede lid,
                            onder a; waarover overeenstemming in het overlegorgaan was bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien Burgemeester en Wethouders het overleg heropenen, dan roepen zij
                            het overlegorgaan zo spoedig mogelijk bijeen, doch uiterlijk vóór het
                            moment waarop de raad een definitief besluit neemt over het onderwerp.
                            In dit overleg hebben de vertegenwoordigers de gelegenheid om hun
                            zienswijze te geven op het oordeel van de raadscommissie. Burgemeester
                            en Wethouders informeren de raad over het resultaat van dit overleg in
                            de vorm van een aanvulling op het verslag als bedoeld in artikel 10. De
                            raad betrekt de in dit aanvullende verslag neergelegde zienswijzen bij
                            zijn definitieve besluitvorming over het onderwerp.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel/></kop><al>De bij de verordening gevoegde algemene en artikelgewijze toelichting maakt
                        deel uit van de verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Beslissing Burgemeester en Wethouders in gevallen waar de verordening niet in voorziet</titel></kop><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslissen Burgemeester en
                        Wethouders, gehoord de vertegenwoordigers van de schoolbesturen in het
                        overleg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening Overleg Lokaal
                                Onderwijsbeleid gemeente Haarlemmermeer.</al></li><li nr="2."><al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de
                                bekendmaking.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 26 maart 1998.</al></slotformulering><ondertekening>De secretaris, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. D. Kooistra J. van Houwelingen</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel/></kop><tussenkop>Toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>TOELICHTING OP DE VERORDENING OVERLEG LOKAAL ONDERWIJSBELEID</tussenkop><al/><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al/><al>1.Goed overleg: belangrijk instrument voor lokaal onderwijsbeleid</al><al>Door de decentralisatie van een aantal rijkstaken op onderwijsgebied naar de
                    gemeenten zullen op lokaal niveau gemeenten en schoolbesturen in toenemende mate
                    met elkaar in overleg treden. Zij zijn de centrale partners in het lokaal
                    onderwijsbeleid. Daarnaast zijn andere hierbij betrokkenen, zoals de
                    schoolbegeleidingsdienst, welzijnsinstellingen en de jeugdhulpverlening.
                    Afhankelijk van de onderwerpen zullen ook zij bij het lokale overleg worden
                    betrokken. Overleg is het belangrijkste instrument van het lokaal
                    onderwijsbeleid. Overleg maakt het mogelijk om van de beleidsontwikkeling een
                    interactief proces te maken. Een proces waarin de concrete vraagstukken die zich
                    in de gemeente voordoen, worden opgepakt. De gezamenlijke analyse en aanpak,
                    dicht bij de onderwijspraktijk, maken maatwerk in de vorm van op de lokale
                    situatie toegesneden oplossingen mogelijk. Uiteraard binnen het kader van de
                    wet- en regelgeving. Daarin zit de meerwaarde van lokaal onderwijs.</al><al>Goed en constructief overleg veronderstelt dat de overlegpartners hun uiterste
                    best doen om tot consensus te komen. In de wet- en regelgeving rond het lokaal
                    onderwijsbeleid heeft de wetgever de consensusgedachte tot uiting gebracht door
                    de introductie van de terminologie van "op overeenstemming gericht overleg". Zo
                    kan een gemeenteraad een vierjaarlijks plan voor de bestrijding van
                    onderwijsachterstanden pas vaststellen nadat daarover met de schoolbesturen op
                    overeenstemming gericht overleg is gevoerd. Het belang dat de wetgever hecht aan
                    goed en serieus overleg komt ook tot uiting in de wettelijke verplichting voor
                    gemeenten om voor de diverse domeinen van het lokaal onderwijsbeleid een
                    regeling vast te stellen voor het overleg met de schoolbesturen (zie ook
                    paragraaf 2). In deze regeling dienen met name procedurele en organisatorische
                    aspecten rond de inrichting van het overleg te worden vastgesteld.</al><al>De voorliggende concept-verordening is gebaseerd op de VNG-voorbeeldverordening
                    Procedure overleg buisvesting onderwijs (juli 1996), die daartoe is "omgebouwd"
                    tot een verordening die ziet op het overleg over de volle breedte van het lokale
                    overheidshandelen op onderwijsgebied. De modelverordening van de VNG is
                    opgesteld in overeenstemming met de landelijke koepels van het bijzonder
                    onderwijs.</al><al>Uitgangspunten bij de opzet van de concept-verordening zijn:</al><tussenkop>- Samenhang:</tussenkop><al>Er is gekozen voor de instelling van een overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid
                    waarin de hoofdlijnen van het lokaal beleid als geheel besproken kunnen worden.
                    Verkokering door opsplitsing in een afzonderlijk bestuurlijk overleg voor
                    bijvoorbeeld huisvesting, achterstandenbeleid en schoolbegeleiding moet worden
                    voorkomen. Voorbereiding en uitwerking van hoofdlijnen kunnen natuurlijk zinvol
                    zijn in aparte overlegverbanden, zoals in door het overlegorgaan ingestelde
                    werkgroepen.</al><tussenkop>- Representativiteit:</tussenkop><al>De wetgeving schrijft voor dat de gemeente het op overeenstemming gericht
                    overleg voert met de besturen van alle scholen. Dit sluit niet uit dat gezocht
                    wordt naar een overlegvorm waarbij gesproken wordt met representatieve
                    vertegenwoordigingen van schoolbesturen. Om redenen van doelmatigheid is dit met
                    name van belang voor gemeenten waar een groot aantal schoolbesturen actief is. -
                    Helderheid gemeentelijke rol:</al><al>De lokale overheid moet in alle gevallen duidelijk zijn over de hoedanigheid
                    waarin ze aan het overleg deelneemt: als lokale overheid of schoolbestuur.
                    Iedere gemeente bepaalt zelf hoe ze het openbaar onderwijs wil besturen. De
                    beide rollen moeten duidelijk worden onderscheiden.</al><tussenkop>- Raamwerk:</tussenkop><al>De verordening biedt een raamwerk voor het overleg. Alleen datgene wordt
                    geregeld wat noodzakelijk is voor een goede procedurele gang van zaken van het
                    overleg. Dit is om op lokaal niveau ook ruimte te laten voor de nodige
                    flexibiliteit.</al><tussenkop>2. Wettelijk kader en reikwijdte verordening</tussenkop><al>Evenals bij de decentralisatie van de onderwijshuisvesting het geval was, dienen
                    gemeenten een regeling vast te stellen voor het "op overeenstemming gericht
                    overleg" met schoolbesturen over het gemeentelijk onderwijsachterstandsbeleid en
                    de schoolbegeleiding. Het is te verwachten dat deze verplichting ook terechtkomt
                    in het wetsvoorstel waarin het onderwijs in allochtone levende talen (OALT)
                    wordt gedecentraliseerd naar de gemeenten.</al><al>De producten van het handelen van de lokale overheid op het terrein van het
                    primair en voortgezet onderwijs waarop in formele zin de wettelijke formule van
                    het "op overeenstemming gericht overleg in samenhang met de mogelijkheid om een
                    advies te vragen van de Onderwijsraad" van toepassing is, zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de wijziging van de verordening voor de onderwijshuisvesting;</al></li><li nr="-"><al>het gemeentelijk plan of besluit ter bestrijding van
                            onderwijsachterstanden;</al></li><li nr="-"><al>het gemeentelijk besluit om een deel van het budget voor
                            schoolbegeleiding specifiek te bestemmen voor doelstellingen van het
                            lokaal onderwijsbeleid en hiervoor criteria vast te stellen;</al></li><li nr="-"><al>het gemeentelijk plan of besluit voor de toekenning van
                            OALT-middelen.</al></li></lijst><al>In de wetgeving over de onderwijshuisvesting beperkt de wetgever zich tot de
                    opdracht aan de gemeenteraad om een procedure vast te stellen voor het
                    verplichte overleg met de schoolbesturen. Met de voorbeeldverordening Procedure
                    overleg huisvesting onderwijs (juli 1996) heeft de VNG hiervoor een handreiking
                    geboden aan gemeenten.</al><tussenkop>3. Eén verordening voor het onderwijsoverleg</tussenkop><al>De gemeente kan ervoor kiezen om per onderdeel van het lokaal onderwijsbeleid
                    een aparte verordening voor het overleg vast te stellen; een overlegverordening
                    voor de onderwijshuisvesting, het onderwijsachterstandsbeleid, schoolbegeleiding
                    etc. Dit is echter omslachtig en miskent het gegeven dat deze zaken onderling
                    grote samenhang vertonen en tezamen het lokaal onderwijsbeleid vormen. Vandaar
                    dat het voor de hand ligt om te kiezen voor een procedureverordening voor het
                    overleg dat ziet op alle facetten van het lokaal onderwijsbeleid. In de
                    concept-verordening is daarvan uitgegaan. De VNG heeft de voorbeeldverordening
                    Procedure overleg huisvesting onderwijs (juli 1996) als vertrekpunt
                    genomen.</al><al>Dat model is ook door Haarlemmermeer overgenomen. De hierin neergelegde
                    benadering is nu verbreed naar alle andere onderwerpen van het lokaal
                    onderwijsbeleid. Het betreft hier allereerst de onderwerpen van de gemeentelijke
                    besluitvorming over onderwijs waarvoor de wetgever het verplichte "op
                    overeenstemming gericht overleg" heeft voorgeschreven (zie ook artikel 2, tweede
                    lid, onder a). Hierbij is ervoor gekozen om de formulering algemeen te houden en
                    niet te verwijzen naar de specifieke vindplaatsen in de onderwijswetgeving. Dit
                    heeft als voordeel dat de verordening niet hoeft te worden aangepast als de
                    wetgever zou besluiten om het op overeenstemming gericht overleg voor te
                    schrijven ten aanzien van nieuwe (te decentraliseren) taken.</al><al>Tevens kan de verordening ook worden toegepast voor die onderwerpen van het
                    lokaal onderwijsbeleid waarop de figuur van het op overeenstemming gericht
                    overleg formeel niet van toepassing is (zie artikel 2, tweede lid, onder b).
                    Hierbij kan onder meer worden gedacht aan de vaststelling van een gemeentelijke
                    regeling over de materiële financiële gelijkstelling of aan de uitvoering van de
                    leerplicht en de bestrijding voortijdig schoolverlaten. Het bepaalde in de
                    concept-verordening is hierop echter niet ten volle van toepassing. Een aantal
                    bepalingen (zie artikel 9) blijft buiten toepassing. Dit houdt verband met het
                    gegeven dat de adviestaak van de Onderwijsraad en de daarbij behorende
                    processuele bepalingen alleen zien op onderwerpen waarop het wettelijk
                    voorgeschreven op overeenstemming gericht overleg van toepassing is.</al><tussenkop>4. Vaststelling nieuwe verordening</tussenkop><al>De gemeentelijke besluitvorming over de nieuwe taken (met name GOA en OALT) moet
                    uiterlijk per 1 augustus 1998 hebben plaatsgevonden. Voorafgaande aan deze
                    besluitvorming moet het voorgeschreven overleg met alle schoolbesturen zijn
                    afgerond. Het is daarom van belang dat de formele basis voor dit overleg (de
                    Overlegverordening) zo spoedig mogelijk wordt vastgesteld.</al><al>Vaststelling kan plaatsvinden door de bestaande verordening Procedure overleg
                    huisvesting ondergis in te trekken. Daarvoor in de plaats treedt dan de nieuwe
                    verordening Overleg Lokaal Onderwijsbeleid.</al><al>In de concept-verordening is uitgegaan van de laatste benadering omdat de
                    bestaande verordening voor het overleg onderwijshuisvesting wordt verbreed naar
                    andere domeinen van het lokaal onderwijsbeleid en daardoor op een groot aantal
                    plaatsen is gewijzigd (inclusief de toevoeging van enkele nieuwe
                    artikelen).</al><tussenkop>5. Delegatie raad aan Burgemeester en Wethouders </tussenkop><al>De verordening heeft als uitgangspunt dat Burgemeester en Wethouders alle
                    uitvoerende aspecten van het overleg over het lokaal onderwijsbeleid voor hun
                    rekening nemen. Zo voeren zij het overleg met de schoolbesturen van alle scholen
                    in de gemeente, voeren het secretariaat en zijn belast met de indiening van het
                    verzoek om advies van de Onderwijsraad. Tevens is er in deze concept-verordening
                    voor gekozen de wettelijke bevoegdheid van de raad om uit eigen beweging een
                    advies te vragen van de Onderwijsraad te delegeren aan Burgemeester en
                    Wethouders. Dit advies wordt immers volgens de wet tijdens het op
                    overeenstemming gericht overleg gevraagd. Burgemeester en Wethouders voeren dit
                    overleg. Met deze vormen van delegatie wordt een betere aansluiting bereikt op
                    de gangbare gemeentelijke bestuurspraktijk. Hiermee wordt ook bereikt dat de in
                    de wettelijke bepalingen over het overleg gekozen term "gemeentebestuur" een
                    eenduidige invulling krijgt.</al><al>Impliciet betekent dit dat bij vaststelling van de verordening de raad een
                    aantal zaken delegeert aan Burgemeester en Wethouders. De basis voor deze
                    delegatie is neergelegd in artikel 156 van de Gemeentewet. Met de vaststelling
                    van de overlegverordening bepaalt de raad dus wat hij aan bevoegdheden aan zich
                    wil houden en op welke onderdelen de uitoefening van bevoegdheden wordt
                    gedelegeerd aan Burgemeester en Wethouders.</al><tussenkop>6. Geen nadere regeling voor stemverhoudingen </tussenkop><al>In de concept-verordening is ervan afgezien om een regeling te treffen voor het
                    stemmen in het overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid. Het gaat immers om een op
                    overeenstemming gericht overleg over (voorgenomen) gemeentelijke besluitvorming.
                    Partijen moeten zich tot het uiterste inspannen om tot overeenstemming te komen.
                    Er vindt echter geen (finale) besluitvorming plaats in het overlegorgaan. De
                    competentie voor de finale besluitvorming heeft de wetgever gelegd bij de
                    gemeenteraad, indachtig het principe van territoriale decentralisatie. Indien in
                    het bestuurlijk onderwijsoverleg volledige overeenstemming wordt bereikt, zal de
                    raad alleen goed gemotiveerd van dit standpunt kunnen afwijken. Dit volgens de
                    procedure die in artikel 11 van de concept-verordening is opgenomen. Is er geen
                    of geen volledige overeenstemming in het overlegorgaan over een onderwerp, dan
                    wordt in de verslaglegging van het overleg aangegeven hoe de meningsvorming in
                    het overleg is verlopen en welke schoolbesturen bezwaren hebben aangetekend dan
                    wel een afwijkende zienswijze huldigen. Naast de inhoudelijke argumentatie van
                    deze bezwaren is het daarbij ook relevant voor de raad om te beschikken over
                    informatie aangaande het draagvlak binnen het onderwijs voor dergelijke
                    bezwaren. Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van het aantal
                    scholen/leerlingen dat wordt gerepresenteerd door de vertegenwoordigers die een
                    afwijkend standpunt innemen. Deze beide aspecten - de kracht van de argumenten
                    en het draagvlak dat daarvoor bestaat binnen het onderwijsveld - zal de raad in
                    onderlinge samenhang dienen te betrekken bij zijn uiteindelijke besluitvorming
                    over een van de onderwerpen in het kader van het lokaal onderwijsbeleid.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>De schoolbesturen die worden uitgenodigd voor het bestuurlijk overleg, zijn de
                    bevoegde gezagsorganen van alle scholen die zijn gesitueerd op het grondgebied
                    van de gemeente, en vallen onder de reikwijdte van een onderwerp van lokaal
                    onderwijsbeleid waarop het overleg van toepassing is. Zo is bijvoorbeeld de
                    bepaling over de vaststelling van het onderwijsachterstandsplan van toepassing
                    op een op het grondgebied van de gemeente gelegen nevenvestiging van een school
                    (zie artikel 110b, vijfde lid, WBO). De verordening gaat uit van de territoriale
                    werking van de regelgeving, dat wil zeggen dat alle door het rijk bekostigde
                    scholen en nevenvestigingen die gelegen zijn op het grondgebied van de gemeente
                    onder de werking van de verordening vallen.</al><al>Tijdens het op overeenstemming gericht overleg kan de gemeenteraad de
                    Onderwijsraad verzoeken om een advies uit te brengen over een onderwerp waarop
                    het op overeenstemming gericht overleg van toepassing is. De gemeenteraad moet
                    dit verzoek doen indien een schoolbestuur dit wenst (zie verder toelichting op
                    artikel 2. en 9.).</al><tussenkop>Artikel 2. Functie overlegorgaan</tussenkop><al>In het overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid wordt tussen de gemeente en alle
                    schoolbesturen overleg gevoerd over de verschillende facetten van het lokaal
                    onderwijsbeleid. Met de instelling van het overlegorgaan wordt beoogd het
                    wettelijk voorgeschreven overleg te institutionaliseren. Dit is gezien het feit
                    dat dit overleg qua intensiteit en reikwijdte toeneemt door de decentralisatie
                    van bepaalde onderwijstaken naar de gemeente.</al><al>Er is voor gekozen om de verordening overleg over lokaal onderwijsbeleid niet
                    alleen te richten op de onderwerpen waarvoor wettelijk het op overeenstemming
                    gericht overleg is voorgeschreven, maar te kiezen voor een brede opzet. Gezien
                    de samenhang tussen de verschillende wetten en tevens uit oogpunt van
                    harmonisatie en effectiviteit heeft een brede overlegprocedure de voorkeur. Zo
                    kan de eventuele vaststelling van een verordening voor de materiële financiële
                    gelijkstelling een onderwerp van overleg zijn, hoewel hierbij het voeren van op
                    overeenstemming gericht overleg niet door de wetgever is voorgeschreven.
                    Daarnaast is ervoor gekozen om het overleg niet op te splitsen naar onderwerp of
                    schoolsoort: zo blijft de integraliteit van het beleid het best gewaarborgd. Dit
                    laat onverlet dat gegeven de lokale behoefte de voorbereiding van het finale
                    overleg plaats kan vinden in werkgroepen dan wel deeloverleggen. Ze kunnen
                    ingericht zijn naar onderwerp (bijvoorbeeld onderwijshuisvesting of
                    achterstandenbeleid) of schoolsoort (bijvoorbeeld basisonderwijs of voortgezet
                    onderwijs).</al><al>Het voorgeschreven op overeenstemming gericht overleg moet voldoen aan de
                    wettelijke eisen. Ze hebben betrekking op het advies van de Onderwijsraad
                    (artikel 9). Op de onderwerpen waarvoor het op overeenstemming gericht overleg
                    in de wet is voorgeschreven, is dit artikel exclusief van toepassing.</al><al>De wetgever heeft met het op overeenstemming gericht overleg een "zwaarder" type
                    van overleg willen creëren om tot consensus te komen.</al><al>Het gemeentebestuur kan immers door zijn wettelijke competenties dicht raken aan
                    de autonomie van de scholen.</al><al>Het karakter van het finale brede overleg is te allen tijde bestuurlijk. Dit is
                    ter onderscheiding van het technisch getinte voorbereidend overleg (artikel 7)
                    en het agendaoverleg (artikel 8). Het betreft immers een overleg tussen het
                    gemeentebestuur en de schoolbesturen.</al><tussenkop>Artikel 3. Samenstelling overlegorgaan</tussenkop><al>Een schoolbestuur is uiteraard vrij om al of niet deel te nemen in het
                    overlegorgaan. Indien een bestuur daarin plaatsneemt, wijst het hiervoor een of
                    meer vertegenwoordigers aan. Uiteraard dient de mogelijkheid te worden geboden
                    dat de vertegenwoordigers, net zo goed als dat het geval zal zijn bij
                    vertegenwoordigers van het gemeentebestuur, zich laten bijstaan door een of meer
                    adviseurs. Het schoolbestuur bepaalt door wie het zich laat vertegenwoordigen.
                    Dit kan door een of meer leden van het schoolbestuur zijn en/of door een of meer
                    door het schoolbestuur gemandateerde leden van het management. De
                    vertegenwoordiging hoeft overigens niet persoonsgebonden te zijn. Per onderwerp,
                    bijvoorbeeld gelet op de portefeuilleverdeling of de affiniteit met het
                    desbetreffende onderwerp, kan iemand anders worden afgevaardigd.</al><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid om de omvang van vertegenwoordiging van een
                    schoolbestuur - uit oogpunt van een effectief overleg - te binden aan een
                    maximum. Bij het gebruik maken van deze mogelijkheid zal de lokale situatie
                    (aantal schoolbesturen; schaalomvang van de besturen) een rol spelen. "Poolse
                    landdagen" moeten worden voorkomen.</al><al>Voor een effectief overleg is het belangrijk dat de besturen hun
                    vertegenwoordigers voldoende mandaat geven voor het voeren van het overleg
                    (innemen standpunten/maken van afspraken). De gekozen formulering dat de
                    vertegenwoordiger namens zijn bestuur of een aantal besturen deelneemt aan het
                    overleg, is daarvan een uitdrukking.</al><al>De vertegenwoordigers dienen zich te vergewissen van voldoende mandaat door
                    middel van gestructureerd vooroverleg met de schoolbesturen die zij
                    vertegenwoordigen. Het mandaat zal inhoudelijk doorgaans betrekking hebben op de
                    standpuntbepaling over voorstellen die langs de reguliere weg zijn ingebracht in
                    het overleg. Wanneer zich tijdens of vlak voor het overleg nieuwe omstandigheden
                    aandienen, dan dient er uiteraard voldoende ruimte te zijn voor de
                    vertegenwoordigers om tussentijds terug te kunnen koppelen naar de
                    respectievelijke schoolbesturen of het college van Burgemeester en
                    Wethouders.</al><tussenkop>Positionering openbaar onderwijs</tussenkop><al>De vertegenwoordiging van het vooralsnog door de gemeente bestuurde openbaar
                    onderwijs vindt plaats door aanwijzing van twee personen die op titel van
                    vertegenwoordiger van het openbaar onderwijs deelnemen aan het overleg. Het
                    voortgezet openbaar onderwijs, dat bestuurd wordt door middel van een stichting,
                    is in het overleg vertegenwoordigd door een of meer door het stichtingsbestuur
                    daartoe aangewezen personen.</al><al>De vertegenwoordiging van het vooralsnog integraal bestuurde openbaar onderwijs
                    laat onverlet dat de uiteindelijke schoolbestuurlijke verantwoordelijkheid ligt
                    bij het college van Burgemeester en Wethouders en de raad.</al><al>Het duidelijk positioneren van het openbaar onderwijs in het overleg maakt voor
                    alle deelnemers in het overleg goed zichtbaar wanneer de lokale overheid iets
                    inbrengt vanuit de invalshoek: van het schoolbestuur bij monde van de aangewezen
                    vertegenwoordiger voor het openbaar onderwijs, en wanneer de gemeente in de
                    hoedanigheid van lokale overheid bij monde van de voorzitter van het overleg een
                    standpunt inneemt. Hiermee wordt het bestaan van de dubbelrol niet ontkend, maar
                    wel een alternatief geboden om daarmee op voor alle partijen waarneembare wijze
                    om te gaan.</al><al>Uit het derde lid vloeit voort dat de raad de wettelijke opdracht tot het voeren
                    van overleg delegeert aan Burgemeester en Wethouders door middel van
                    afvaardiging van de portefeuillehouders onderwijs naar het overleg. De deelname
                    aan het overleg van Burgemeester en Wethouders in de persoon van de direct
                    verantwoordelijke portefeuillehouder benadrukt - ook vanuit de invalshoek van de
                    lokale overheid - het bestuurlijk karakter van het overleg. Er is daarom niet
                    gekozen voor een ambtelijk vertegenwoordiger.</al><tussenkop>Artikel 4. Derden</tussenkop><al>Afhankelijk van het onderwerp van het overleg kunnen derden, niet te verwarren
                    met de adviseurs van de gemeente of de schoolbesturen (zie de toelichting bij
                    artikel 3), als deelnemer worden toegelaten tot het overleg. Denk bijvoorbeeld
                    aan de schoolbegeleidingsdienst of welzijnsinstellingen.</al><al>Kenmerkend verschil tussen de positie van de schoolbesturen en deze derden is
                    dat voor de laatsten de formule van het op overeenstemming gericht overleg in
                    relatie tot het advies van de Onderwijsraad niet opgaat. Wel dienen de
                    zienswijzen van de derden tot uiting te komen in het verslag van het overleg.
                    Hierdoor kan de raad ook deze zienswijzen betrekken bij zijn definitieve
                    besluitvorming over het betrokken onderwerp.</al><tussenkop>Artikel 5. Uitnodiging</tussenkop><al>De strekking van dit artikel is dat in procedurele zin wordt gewaarborgd dat de
                    schoolbesturen tijdig worden ingeschakeld in het traject dat moet leiden tot een
                    besluit over een onderwerp waarop het overleg van toepassing is.</al><al>Hierbij is gekozen voor een termijn van minimaal vier weken om ook de
                    schoolbesturen voldoende tijd te geven voor de voorbereiding van het overleg.
                    Overigens mag, ingeval er gewerkt wordt met een voorbereidend overleg, ervan
                    worden uitgegaan dat de besturen of de vertegenwoordigers van de besturen al in
                    een eerder stadium op de hoogte zijn van de inhoud van de voorstellen.</al><al>Tevens kan in dit voorbereidend overleg worden vastgesteld wat het geschiktste
                    tijdstip (voor schoolbestuurders meestal een tijdstip in de namiddag of avond)
                    voor het bijeenroepen van het overleg is. Bij het ontbreken van vormen van
                    vooroverleg spreekt het voor zich dat de gemeente zich ervan vergewist dat de
                    geplande datum van het overleg een geschikt tijdstip is voor de andere
                    overlegpartners.</al><al>De schoolbesturen die niet kunnen deelnemen aan het overleg, kunnen voor de
                    datum van het overleg hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan Burgemeester
                    en Wethouders.</al><al>De gemeente is gehouden om een "aangekleed" voorstel toe te zenden. In de vorm
                    van een toelichting wordt de overlegpartners inzicht gegeven in de achtergronden
                    van het voorstel. Tevens dient te worden aangegeven of het overleg over het
                    voorstel moet worden aangemerkt als een op overeenstemming gericht overleg. De
                    vertegenwoordigers van de schoolbesturen hebben uiteraard de mogelijkheid om ook
                    zelf stukken in te brengen voor het overleg.</al><al>Als het overleg wordt voorbereid (zie artikel 7), dan verdient het aanbeveling
                    dat het voorstel ook vergezeld gaat van de uitkomst van dit vooroverleg
                    (bijvoorbeeld in de vorm van een inventarisatie van onderwerpen waarover wel of
                    niet overeenstemming bestaat).</al><al>De formulering dat het overleg op een bepaald tijdstip zal "aanvangen",
                    impliceert dat het overleg niet in één ronde behoeft te worden afgerond. Vaak
                    zal het zo zijn dat voor het overleg meer dan één bijeenkomst nodig is. Er is
                    voor gekozen om deze optie van vervolgoverleg niet te binden aan nadere formele
                    vereisten (behoudens de beschreven omstandigheden in artikel 9, zesde lid, en
                    artikel 11) over de uitnodiging en toezending van stukken. De deelnemers kunnen
                    hierover in het eerste overleg concrete afspraken maken die inspelen op de
                    feitelijke situatie die zich op dat moment voordoet.</al><tussenkop>Artikel 6. Secretariaat</tussenkop><al>In formele zin zijn Burgemeester en Wethouders belast met het voeren van het
                    secretariaat van het overlegorgaan. De praktijk is dat het secretariaat - onder
                    verantwoordelijkheid van Burgemeester en Wethouders - wordt verzorgd door de
                    sector Onderwijs en Educatie van de dienst Welzijn, Onderwijs en Cultuur.</al><tussenkop>Artikel 7. Voorbereiding</tussenkop><al>Het onderhavige overleg wordt veelal voorafgaan door het nodige (technische)
                    vooroverleg. Dit overleg heeft tot doel om onderwerpen in inhoudelijke en
                    technische zin voor te bereiden voor de bespreking in het overlegorgaan.</al><al>Er zijn meer tijdstippen mogelijk om het voorbereidend overleg te laten
                    plaatsvinden.</al><al>Het kan voorafgaan aan het agendaoverleg als bedoeld in artikel 8. Indien een
                    onderwerp is voorbereid, kan het op de agenda geplaatst worden.</al><al>Men kan er ook voor kiezen om het voorbereidend overleg na het agendaoverleg te
                    houden. Indien een onderwerp op de agenda is geplaatst, kan het worden
                    voorbereid voor het overleg in het overlegorgaan.</al><al>Daarnaast kan ervoor gekozen worden om het voorbereidend overleg en het
                    agendaoverleg samen te voegen.</al><al>De bereikte overeenstemming en overgebleven verschillen van inzicht in het
                    vooroverleg vormen de basis van het overleg in het overlegorgaan. De
                    inventarisatie van de onderwerpen waarover al dan niet overeenstemming is
                    bereikt, vormt een hulpmiddel voor een efficiënt overleg.</al><al>In het kader van het op overeenstemming gericht overleg richt de aandacht zich
                    meestal op de nog resterende geschilpunten, waarbij in het kader van het op
                    overeenstemming gerichte karakter van het overleg gestreefd moet worden naar een
                    oplossing. Dit neemt niet weg dat in het overleg tevens een inhoudelijke
                    discussie kan plaatsvinden over de onderwerpen waarover, blijkens de
                    inventarisatie, wel overeenstemming bestond in het voorbereidend overleg.</al><al>Er is van afgezien om het voeren van het voorbereidend overleg te binden aan
                    procedurele voorschriften. Afhankelijk van de omvang van de problematiek dient
                    dit overleg met een grote mate van flexibiliteit te kunnen worden ingericht en
                    gevoerd. Het voorbereidend overleg kan bijvoorbeeld per onderwerp of schoolsoort
                    plaatsvinden. Deze flexibiliteit geldt ook voor de wijze van vertegenwoordiging
                    (ambtelijk dan wel op bestuurlijk niveau).</al><al>Burgemeester en Wethouders kunnen dit voorbereidend overleg instellen. Zij doen
                    dit uiteraard in nauw overleg met de vertegenwoordigers van de
                    schoolbesturen.</al><tussenkop>Artikel 8. Agendaoverleg</tussenkop><al>In het agendaoverleg kan onderzocht worden welke onderwerpen op welk tijdstip in
                    het op overeenstemming gericht overleg aan de orde kunnen komen en welke
                    onderwerpen op welk tijdstip in andere vormen van overleg.</al><al>De ratio is om te komen tot een vroegtijdige afstemming op bestuurlijk niveau
                    van welke zaken er in de tijd bezien aan de orde zullen komen. Alle partners
                    kunnen dan in de planning van hun werkzaamheden hiermee rekening houden. Het
                    vorenstaande gebeurt uit een oogpunt van planmatig werken. Dit laat onverlet dat
                    tijdens het overleg in het overlegorgaan de agenda op verzoek van een of meer
                    vertegenwoordigers kan worden aangepast.</al><al>Burgemeester en Wethouders stellen dit overleg in. Zij doen dit, evenals bij het
                    voorbereidend overleg, in samenspraak met de vertegenwoordigers van de
                    schoolbesturen.</al><tussenkop>Artikel 9. Advies Onderwijsraad</tussenkop><al>Dit artikel betreft de rol van de Onderwijsraad. Daar waar het lokaal
                    onderwijsbeleid inzake huisvesting, schoolbegeleiding, achterstandenbeleid en
                    OALT de grondwettelijke vrijheid van richting en vrijheid van inrichting van het
                    onderwijs raakt, kan de Onderwijsraad in beeld komen. Niet als
                    geschillenbeslechter, maar als verplicht door de lokale overheid te benaderen
                    adviseur in het geval dat een schoolbestuur zich beroept op strijdigheid met
                    deze grondwettelijke aspecten van onderwijsvrijheid, in de vorm van een
                    verplichting voor de gemeente om advies te vragen. De wetgever beperkt de
                    formulering doelbewust tot de vrijheid van richting en inrichting. Het aspect
                    van de bekostiging van het openbaar en bijzonder onderwijs naar dezelfde
                    maatstaf (gelijke behandeling) is daarbij niet genoemd. Mocht een gemeente
                    echter een ongerechtvaardigd onderscheid aanbrengen tussen bijzonder en openbaar
                    onderwijs en daardoor scholen voor bijzonder onderwijs vanwege hun bijzonder
                    zijn achterstellen bij openbaar onderwijs, dan handelt deze gemeente in strijd
                    met de vrijheid van richting en inrichting. Er wordt immers een inbreuk gemaakt
                    op de wezenlijke aard van de bijzondere school. Een schoolbestuur kan via deze
                    invalshoek de gemeente verzoeken om advies te vragen van de Onderwijsraad.</al><al>Artikel 9 geeft in procedurele zin aan op welke wijze een of meer
                    overlegpartners, schoolbesturen en gemeentebestuur, kenbaar moeten maken dat ze
                    de Onderwijsraad willen inschakelen voor een advies over aspecten aangaande een
                    onderwerp waarop het op overeenstemming gericht overleg van toepassing is.
                    Uitgangspunt daarbij is dat de partij die om advies verzoekt, inhoudelijk en
                    gemotiveerd aangeeft wat de relatie is tussen deze aspecten en de vrijheid van
                    richting of vrijheid van inrichting. Dit gebeurt uiterlijk in het overleg dat is
                    bestempeld als het laatste, afrondende overleg over het desbetreffende
                    onderwerp. Het is aan te bevelen om het finale karakter van het overleg te
                    vermelden in de uitnodiging. Zowel de schoolbesturen als Burgemeester en
                    Wethouders zijn gebonden aan dit uiterste moment (zie artikel 9, eerste
                    lid).</al><al>Burgemeester en Wethouders dienen het verzoek om advies in bij de Onderwijsraad.
                    Zij doen dit uiterlijk twee weken na afloop van het overleg. Deze termijn is
                    opgenomen vanwege het feit dat de wet met het oog op een goede procesgang
                    voorschrijft dat in de gemeentelijke verordening wordt opgenomen vanaf wanneer
                    en tot welk moment het gemeentebestuur de Onderwijsraad kan verzoeken een advies
                    uit te brengen.</al><al>Tevens is erin voorzien dat in het overleg van gedachten kan worden gewisseld
                    over de inhoud van het verzoek aan de Onderwijsraad. Dit is tegen de achtergrond
                    dat iedereen erbij gebaat is dat er minimaal duidelijkheid bestaat over de
                    beweegredenen van een, meer of alle partijen om zich tot de Onderwijsraad te
                    wenden. Deze gedachtewisseling laat uiteraard het recht van een individueel
                    schoolbestuur of de gemeente onverlet om de Onderwijsraad in te schakelen, ook
                    wanneer de andere overlegpartners daaraan geen behoefte hebben. Daarnaast zal
                    ook de Onderwijsraad in het kader van zijn advisering geïnformeerd willen worden
                    over de (mogelijk afwijkende) zienswijzen van alle partners uit het
                    overleg.</al><al>De adviestermijn bedraagt vier weken. De wettelijke bepalingen geven aan dat de
                    termijn van vier weken wordt opgeschort indien de Onderwijsraad op redelijke
                    gronden aanvullende gegevens nodig heeft voor een goede vervulling van zijn taak
                    (zie het vierde lid). Bij de formulering van de opschorting van de termijn is
                    aangesloten bij artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat
                    artikel bevat een regeling voor opschorting van de termijn bij de aanvraag van
                    een beschikking.</al><al>De woorden 'nodig voor een goede vervulling van diens taak" maken duidelijk dat
                    de Onderwijsraad gemotiveerd zal moeten aangeven welke gegevens hij nodig heeft.
                    De Onderwijsraad zal alleen aanvullende gegevens kunnen opvragen voorzover die
                    redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor het uitbrengen van het advies.</al><al>Verder bepaalt de wet dat de gemeenteraad geen besluit neemt over een onderwerp
                    waarop het overleg van toepassing is alvorens de termijn is verstreken
                    waarbinnen de Onderwijsraad advies moet uitbrengen.</al><al>In het zesde lid wordt bepaald in welke situatie er in ieder geval nader overleg
                    plaatsvindt over het advies van de Onderwijsraad. Dit is aan de orde wanneer de
                    Onderwijsraad adviseert om inhoudelijke wijzigingen aan te brengen in het
                    voorstel over het desbetreffende onderwerp. In alle andere gevallen maken
                    Burgemeester en Wethouders de afweging of nader overleg noodzakelijk is. In het
                    concept is voor deze formule gekozen in plaats van voor de benadering om
                    ongeacht de strekking en inhoud van het advies standaard te bepalen dat nader
                    overleg plaatsvindt over het uitgebrachte advies.</al><al>Er kunnen zich namelijk situaties voordoen waarin een dergelijk nader overleg
                    geen toegevoegde waarde heeft, bijvoorbeeld wanneer het advies het voorstel van
                    Burgemeester en Wethouders onderschrijft. Uiteraard is er niets op tegen wanneer
                    op lokaal niveau hierbij een andere benadering wordt gevolgd, zoals het
                    standaard uitgaan van een nader overleg of het bijeenroepen van een overleg
                    indien een of meer overlegpartners naar aanleiding van het toegezonden afschrift
                    van het advies hierom vragen binnen een bepaalde periode.</al><al>Overigens wordt nog opgemerkt dat de wettelijke bepalingen over de advisering
                    van de Onderwijsraad niets voorschrijven over een overlegmogelijkheid zoals
                    hiervoor is beschreven. Er wordt bepaald dat de Onderwijsraad advies uitbrengt
                    aan de gemeenteraad. Het advies wordt vervolgens bekendgemaakt, tezamen met het
                    besluit over het onderwerp waarop het overleg van toepassing is. Om te voorkomen
                    dat eventueel nader overleg over het uitgebrachte advies tot een te grote
                    vertraging in het besluitvormingsproces leidt, is in het zesde lid uitgegaan van
                    een vrij korte termijn waarbinnen een dergelijk overleg plaats zal dienen te
                    vinden. Om hierbij problemen te voorkomen verdient het aanbeveling om aan de
                    vooravond van de indiening van het verzoek om advies met de daarbij behorende
                    stukken bij de Onderwijsraad alvast in onderling overleg enkele data te
                    reserveren voor een eventueel nader overleg.</al><al>Op de advisering door de Onderwijsraad is, hetgeen in algemene zin over
                    advisering, is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van toepassing.
                    In dit verband is met name het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid, artikel 3:7
                    en artikel 4:20 van belang. Zo kan op grond van artikel 3:6 de gemeenteraad een
                    besluit nemen over een onderwerp waarop het overleg van toepassing is indien de
                    Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken uitbrengt.</al><al>Op grond van artikel 3:7 is de gemeenteraad gehouden om, al dan niet op verzoek,
                    de gegevens beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het
                    uitbrengen van het advies. Wanneer de gemeenteraad afwijkt van het advies van de
                    Onderwijsraad, worden ingevolge artikel 4:20 de redenen daarvan vermeld in de
                    motivering. (In de derde tranche van de Awb worden de bepalingen aangaande
                    motivering verplaatst naar afdeling 3.7.).</al><tussenkop>Artikel 10. Verslaglegging; informeren raad</tussenkop><al>De raad zal bij zijn besluitvorming over het onderwerp waarop het overleg van
                    toepassing is de argumenten en zienswijzen moeten wegen die in het overleg naar
                    voren zijn gebracht. Hiertoe is het van belang dat de raad zich een duidelijk
                    beeld kan vormen van de inhoud en strekking van hetgeen tijdens en voor het
                    overleg is aangevoerd. De raad wordt hierover op de hoogte gebracht via
                    toezending van het verslag van het overleg.</al><al>In het verslag wordt per onderwerp aangegeven of het op overeenstemming gericht
                    overleg van toepassing is. Daarnaast wordt per onderwerp aangegeven in hoeverre
                    er in het overlegorgaan overeenstemming over het onderwerp is bereikt. Het
                    verslag bevat uiteraard de zienswijzen die door de verschillende deelnemers
                    (vertegenwoordigers van schoolbesturen, derden en de gemeente) zijn ingebracht.
                    Voorzover deze zienswijzen niet of niet geheel zijn overgenomen in het voorstel
                    dat aan de raad is voorgelegd, wordt hiervan in het betrokken raadsvoorstel
                    melding gemaakt door Burgemeester en Wethouders. Daarbij wordt ook aangegeven op
                    welke gronden Burgemeester en Wethouders tot het desbetreffende oordeel zijn
                    gekomen.</al><tussenkop>Artikel 11. Heropening overleg</tussenkop><al>De uitkomst van het overleg vormt een belangrijk gegeven in de verdere
                    besluitvormingsprocedure (raadscommissie en raad) over een onderwerp waarop het
                    overleg van toepassing is.</al><al>In het voorstel van Burgemeester en Wethouders is aangegeven op welke wijze is
                    omgegaan met de gebrachte zienswijzen. Indien er in het verdere
                    besluitvormingsproces signalen komen dat vermoedelijk wordt afgeweken van het
                    voorstel van Burgemeester en Wethouders en dat daarmee de uitkomst van het
                    overleg in een ander licht komt te staan, komt de vraag aan de orde of de
                    mogelijkheid moet worden geboden om over de gewijzigde situatie het overleg te
                    heropenen. Een eventueel hernieuwd overleg is in dit artikel gekoppeld aan het
                    resultaat van de bespreking van het voorstel van Burgemeester en Wethouders in
                    de raadscommissie voor onderwijs c.a. Als de raadscommissie of een deel daarvan
                    dat een meerderheid vertegenwoordigt in de raad aanleiding ziet voor een
                    standpunt om te komen tot inhoudelijke bijstellingen in het voorstel van
                    Burgemeester en Wethouders, dan kan dit aanleiding zijn om het overleg bijeen te
                    roepen.</al><al>In één geval moeten Burgemeester en Wethouders het overleg heropenen, namelijk
                    indien dit oordeel betrekking heeft op inhoudelijke onderdelen van het voorstel
                    waarover in het op overeenstemming gericht overleg overeenstemming was bereikt.
                    Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat deze consensus een zwaarder gewicht
                    kan hebben dan een bereikte overeenstemming over een onderwerp waarover de
                    wetgever geen op overeenstemming gericht overleg heeft voorgeschreven.</al><al>Er kunnen zich in dit laatste geval naar aanleiding van de behandeling in de
                    raadscommissie verschillende situaties voordoen:</al><lijst><li nr="1."><al>over (onderdelen van) het voorstel dat Burgemeester en Wethouders hebben
                            ingebracht bestond in het overleg volledige overeenstemming.</al><al> Het afwijkende meerderheidsstandpunt van de raadscommissie daarover
                            betekent dus ook een afwijking van de bereikte consensus in het overleg.
                            In een dergelijk geval heropenen Burgemeester en wethouders het overleg.
                            Het spreekt voor zich dat het daarbij dient te gaan om aspecten met een
                            zekere importantie. Vandaar dat gekozen is voor de formulering dat het
                            moet gaan om een "inhoudelijke" bijstelling. Zo zou het overdreven zijn
                            om voor kleine technische bijstellingen een bestuurlijk overleg bijeen
                            te roepen;</al></li><li nr="2."><al>de afwijkende visie van de raadscommissie strookt met de afwijkende
                            zienswijzen zoals die gezamenlijk door de vertegenwoordigers van de
                            schoolbesturen zijn ingebracht in het overleg. In een dergelijke
                            situatie lijkt het opnieuw bijeenroepen van het overleg niet
                            noodzakelijk, tenzij Burgemeester en Wethouders dit dienstig vinden voor
                            hun standpuntbepaling over het meerderheidsstandpunt van de
                            raadscommissie;</al></li><li nr="3."><al>de afwijkende visie van de raadscommissie strookt met de zienswijze
                            zoals die door een deel van de schoolbesturen in het overleg naar voren
                            is gebracht. In deze situatie kan het bijeenroepen van het overleg
                            gewenst zijn in verband met de positie van de schoolbesturen die hun
                            zienswijze niet gehonoreerd zien. Burgemeester en Wethouders bezien de
                            noodzaak daartoe.</al></li></lijst><al>Het voordeel van de in artikel 11 neergelegde procedure is dat het gemeentelijk
                    besluitvormingsproces voortgang kan vinden zonder het gewicht van het overleg
                    geweld aan te doen.</al><al>Het voorstel van Burgemeester en Wethouders, al dan niet bijgesteld naar
                    aanleiding van de behandeling in de raadscommissie, kan namelijk doorgaan naar
                    de raad. Het resultaat van het heropende overleg kan vervolgens ter kennis
                    worden gebracht van de raad. Dit resultaat wordt door de raad betrokken bij de
                    uiteindelijke besluitvorming. Dit positioneert de raad ook als hoogste
                    bestuursorgaan in de gemeente, die alles afwegend een finale beslissing
                    neemt.</al><tussenkop>Artikel 12. Beslissing Burgemeester en Wethouders in gevallen waarin de
                    verordening niet voorziet</tussenkop><al>Wanneer de verordening voor het overleg in bepaalde zaken niet voorziet, dan
                    nemen Burgemeester en Wethouders een beslissing. Aangezien dergelijke
                    beslissingen (de inrichting van) het overleg raken, is erin voorzien dat
                    Burgemeester en Wethouders hierover de andere partijen uit het overleg
                    horen.</al><al>Daaruit zou bijvoorbeeld kunnen blijken dat het wenselijk wordt geacht om:
                    bepaalde zaken nader te regelen (reglement van orde, huishoudelijk reglement of
                    iets dergelijks);</al><al>bepaalde zaken via een aan de raad voor te leggen wijziging vast te leggen in de
                    verordening op het overleg.</al><tussenkop>Artikel 13. Citeertitel; inwerkingtreding</tussenkop><al>De verordening treedt in werking op de dag na haar officiële publicatie.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>