<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR153788_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels verlagen subsidie POP2</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Limburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-09-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Limburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad, 2013, 79</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels verlagen subsidie POP2</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Verordening (EG) nr. 1698/2005, Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-09-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-09-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-11-26</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>onderdelen 4 en 5 van bijlage 2</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Milieu, agrarische sector, natuur en landschap, ruimtelijke ordening, subsidies</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels verlagen subsidie POP2</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Beleidsregels verlagen subsidie POP2 (Besluit houdende beleidsregels omtrent het verlagen van steun verleend voor
plattelandsontwikkeling in het kader van verordening (EG) nr. 1698/2005)</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>In dit besluit wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> verordening (EG) nr. 1698/2005: verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PB L 277);</al></li><li nr="b."><al> verordening (EG) nr. 1974/2006: verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PbEU L 368);</al></li><li nr="c."><al> verordening (EU) nr. 65/20011; Verordening (EU) nr. 65/2011 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 27 januari 2011 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in het kader van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling;</al></li><li nr="d. "><al>richtlijn 2004/18/EG: richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PbEU L 134);</al></li><li nr="e. "><al>plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013: Nederlands plattelandsontwikkelingsprogramma als bedoeld in artikel 15 van verordening (EG) nr. 1698/2005;</al></li><li nr="f. "><al>randvoorwaarden: voorschriften, bedoeld in de artikelen 3 en 6 en Bijlage I van de Regeling GLBinkomenssteun 2006 en, voor zover van toepassing, in Bijlage 2 bij deze beleidsregels, waarvan de naleving voorwaarde is voor de verkrijging van subsidies als bedoeld in artikel 51, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1698/2005;</al></li><li nr="g."><al> controle: uitoefening door ambtenaren van DR, DLG of nVWA de bevoegdheid tot toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de van toepassing zijnde wetgeving;</al></li><li nr="h. "><al>jaarbetaling: jaarlijkse uitbetaling van een gedeelte van het totale bedrag van een verleende oppervlaktegebonden subsidie;</al></li><li nr="i. "><al>beheerspakket: in één van de bijlagen van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer, de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer of de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de onderscheiden provincies beschreven samenstel van in een terrein voorkomende flora, fauna, boomsoorten of gebiedskenmerken en de daarbij behorende beheersvoorschriften;</al></li><li nr="j. "><al>landschapspakket: in één van de bijlagen van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer, de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer of de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de onderscheiden provincies beschreven samenstel van in een terrein voorkomende landschappelijke elementen met de daarbij behorende bepalingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><al>De minister onderscheidenlijk Gedeputeerde Staten van de onderscheiden provincies besluit,
onderscheidenlijk besluiten, voor subsidies voor plattelandsontwikkeling in het kader van verordening
(EG) nr. 1698/2005 tot het verlagen van subsidie in de in deze beleidsregels genoemde gevallen op basis
van de in de afdelingen 4.2.5 en 4.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde bevoegdheden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><al>De bepalingen inzake het verlagen van subsidies zoals die zijn opgenomen in verordening (EU) nr.
65/2011, zijn van overeenkomstige toepassing op subsidies die worden verstrekt ter uitvoering van het
plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 en die volledig worden bekostigd met nationale middelen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Voorschriften inzake oppervlaktegebonden subsidies</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op subsidies die worden verstrekt ter uitvoering van
het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 en waarbij de hoogte van de subsidie is gebaseerd
op de oppervlakte van landbouwgrond waarvoor subsidie wordt verstrekt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een subsidieontvanger voorschriften inzake het beheer niet naleeft of de betrokken landbouwgrond niet voldoet aan de terreinkenmerken die voor de subsidie zijn voorgeschreven, wordt de subsidie verlaagd overeenkomstig het kortingspercentage in Bijlage 1.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien een niet-naleving, als bedoeld in het eerste lid, wordt geconstateerd, wordt de aanvrager verzocht de niet-naleving te herstellen binnen een termijn van 4 tot 20 weken verzocht, tenzij:
    </al><lijst><li nr="a. "><al>sprake is van opzettelijke nalatigheid;</al></li><li nr="b. "><al>herstel niet meer mogelijk is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij de bepaling van de hersteltermijn, als bedoeld in het tweede lid, wordt rekening gehouden met de fysieke omstandigheden ter plaatse.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien meerdere niet-nalevingen zijn geconstateerd, wordt per geconstateerde niet-naleving een verlaging vastgesteld en worden de verlagingen gecumuleerd. Het kortingspercentage bedraagt maximaal 100% van de subsidie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De verlaging, zoals bedoeld in het eerste en vierde lid van dit artikel, wordt berekend als een percentage van de jaarbetaling. Indien door de geconstateerde niet-naleving de realisatie van de doelstelling van het beheerspakket of landschapspakket permanent niet meer behaald kan worden, bedraagt het kortingspercentage 100% van het totale bedrag van de subsidie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien een ontvanger van een probleemgebiedenvergoeding als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de onderscheiden provincies of paragraaf 4.2 van Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer van de onderscheiden provincies niet voldoet aan de verplichting om een beheerspakket te ontwikkelen of in stand te houden, wordt in de beschikking tot subsidievaststelling de subsidie op nul vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><al>Indien een subsidieontvanger een of meerdere randvoorwaarden niet naleeft, wordt de subsidie
overeenkomstig artikel 21 van verordening (EU) nr. 65/2011 lager vastgesteld. Voor het vaststellen van
het percentage van de verlaging zijn de Beleidsregels Regeling GLB-inkomenssteun 2006 van
overeenkomstige toepassing. Indien de niet-naleving een of meerdere aanvullende randvoorwaarden
betreft, genoemd in Bijlage 2 bij deze beleidsregels, bedraagt de korting 3%.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling 25 werkdagen na het moment waarop hij op grond van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer, de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de onderscheiden provincies of de beschikking tot subsidieverlening een aanvraag tot subsidievaststelling had moeten indienen, de aanvraag tot subsidievaststelling niet heeft ingediend, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld op de wijze zoals beschreven in het derde en vierde lid van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de in de aanvraag tot subsidievaststelling verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor een volledige beoordeling van de aanvraag heeft de subsidieontvanger gedurende 15 werkdagen vanaf de dag dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld de mogelijkheid om zijn aanvraag aan te vullen. Indien na het verstrijken van deze periode de verstrekte gegevens nog steeds onvoldoende zijn voor een volledige beoordeling van de aanvraag, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld op de wijze zoals beschreven in het derde en vierde lid van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien bij een aanvraag tot subsidievaststelling geen of onvoldoende gegevens zijn ontvangen over de realisatie van het doel dat als subsidievoorwaarde is opgenomen, wordt de subsidie verlaagd overeenkomstig het subsidiabele bedrag ten aanzien waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling onvolledig is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien bij een aanvraag tot subsidievaststelling geen of onvoldoende gegevens zijn ontvangen over de naleving van de voorschriften inzake het beheer of de terreinkenmerken, wordt de subsidie verlaagd met het bedrag dat behoort bij het laatste beheerjaar van de zesjarige agromilieuverbintenis.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8</titel></kop><al>Indien de in artikelen 5 en 7 bedoelde niet-nalevingen of tekortkomingen het gevolg zijn van overmacht of
uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 47, eerste lid, de onderdelen a tot en met f, van
verordening (EG) nr. 1974/2006, kan de subsidie worden vastgesteld zonder de in artikel 5 of 7 bedoelde
verlagingen toe te passen, op voorwaarde dat is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 47,
tweede lid, van verordening (EG) nr. 1974/2006.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9</titel></kop><al>In geval van cumulatie van verlagingen als bedoeld in de artikelen 5 tot en met 7, worden verlagingen
toegepast in de volgorde als beschreven in artikel 22 van verordening (EU) nr. 65/2011. Bij de
achtereenvolgende verlagingen wordt steeds rekening gehouden met de reeds toegepaste verlaging. Het
kortingspercentage bedraagt maximaal 100% van de subsidie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2. Hoofdstuk 3 Voorschriften inzake niet-oppervlaktegebonden subsidies</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op subsidies die worden verstrekt ter uitvoering van
het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 en waarbij de hoogte van de subsidie niet is
gebaseerd op de oppervlakte van landbouwgrond.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11</titel></kop><al>Indien een subsidieontvanger, die aangemerkt moet worden als een aanbestedende dienst als bedoeld in
artikel 1, negende lid, van Richtlijn 2004/18/EG, zich niet heeft gehouden aan subsidieverplichtingen
inzake aanbesteding, wordt de subsidie lager vastgesteld als volgt:</al><lijst><li nr="a."><al> Indien de subsidiabele activiteiten hadden moeten worden aanbesteed overeenkomstig het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten, bedraagt de verlaging 100% van het gedeelte van de subsidie dat is ingezet voor de activiteiten die ten onrechte niet zijn aanbesteed;</al></li><li nr="b."><al> Indien de subsidiabele activiteiten niet behoefden te worden aanbesteed op grond van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten, maar artikel 2 van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten niet is nageleefd, bedraagt de verlaging het gedeelte van de subsidie dat is ingezet voor de activiteiten die in strijd zijn met artikel 2 Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een subsidieontvanger de te subsidiëren activiteit gedeeltelijk niet realiseert als gevolg waarvan de doelstelling van de subsidie die op grond van de subsidieverleningsbeschikking vereist is gedeeltelijk niet gerealiseerd wordt, wordt de subsidie lager vastgesteld naar rato van het bedrag ten aanzien waarvan de doelstelling van de activiteit niet is gerealiseerd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien een subsidieontvanger de gesubsidieerde investering binnen vijf jaar na de subsidievaststelling geheel of gedeeltelijk teniet heeft gedaan, wordt de subsidie ambtshalve lager vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13</titel></kop><al>Indien een subsidieontvanger niet voldoet aan de subsidieverplichtingen inzake de plaatsing van
informatieplaquettes en informatieborden, wordt de subsidie lager vastgesteld. De verlaging bedraagt 3%
van het gehele subsidiebedrag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14</titel></kop><al>Indien een subsidieontvanger niet voldoet aan de administratieverplichtingen die zijn opgenomen in de
Regeling LNV-subsidies, de betreffende provinciale subsidieverordening van de onderscheiden
provincies of de beschikking tot subsidieverlening wordt de subsidie lager vastgesteld naar rato van het
bedrag ten aanzien waarvan de rechtmatigheid van de betalingen niet kan worden aangetoond.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling 25 werkdagen na het moment waarop hij op grond van de Regeling LNV-subsidies, de betreffende provinciale subsidieverordening van de onderscheiden provincies of de beschikking tot subsidieverlening een aanvraag tot subsidievaststelling had moeten indienen, de aanvraag tot subsidievaststelling niet heeft ingediend, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld op de wijze zoals beschreven in het derde lid van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de in de aanvraag tot subsidievaststelling verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor een volledige beoordeling van de aanvraag heeft de subsidieontvanger gedurende 15 werkdagen vanaf de dag dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld de mogelijkheid om zijn aanvraag aan te vullen. Indien na het verstrijken van deze periode de verstrekte gegevens nog steeds onvoldoende zijn voor een volledige beoordeling van de aanvraag, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld op de wijze zoals beschreven in het derde lid van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien bij een aanvraag tot subsidievaststelling geen of onvoldoende gegevens zijn ontvangen over de realisatie van het doel dat als subsidievoorwaarde is opgenomen, wordt de subsidie verlaagd overeenkomstig het subsidiabele bedrag ten aanzien waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling onvolledig is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16</titel></kop><al>Indien een subsidieontvanger een op grond van de Regeling LNV-subsidies, de betreffende provinciale
subsidieverordening van de onderscheiden provincies of de beschikking tot subsidieverlening
voorgeschreven voortgangsrapportage niet of niet tijdig aanlevert of de voortgangsrapportage niet voldoet
aan de eisen die daaraan worden gesteld, worden, voor het tijdvak waarop de voortgangsrapportage ziet,
geen tussentijdse betalingen verricht aan de subsidieontvanger.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17</titel></kop><al>Indien de in de artikelen 12 tot en met 16 bedoelde niet-nalevingen het gevolg zijn van overmacht of
uitzonderlijke gevallen als bedoeld in artikel 47, eerste lid, de onderdelen a tot en met f, van verordening
(EG) nr. 1974/2006 kan de subsidie worden vastgesteld zonder de in de artikelen 12 tot en met 16
bedoelde verlagingen toe te passen, op voorwaarde dat is voldaan aan de in artikel 47, tweede lid, van
verordening (EG) nr. 1974/2006 opgenomen voorwaarden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een niet-naleving als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 16 wordt geconstateerd, kan de subsidieontvanger eenmalig een termijn van maximaal 10 werkdagen worden geboden om de nietnaleving als bedoeld in de genoemde artikelen te herstellen of om alsnog te voldoen aan de daar bedoelde verplichtingen. Voor een tekortkoming als bedoeld in artikel 12 kan eenmalig ambtshalve een langere hersteltermijn worden geboden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien overeenkomstig het eerste lid een hersteltermijn wordt geboden, wordt de subsidie in afwijking van de artikelen 12 tot en met 16 pas verlaagd nadat de hersteltermijn is verlopen en het herstel niet heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de in het eerste lid bedoelde niet-nalevingen een permanent karakter hebben en niet kunnen worden hersteld of indien niet alsnog aan de in de artikelen 12 tot en met 16 bedoelde verplichtingen kan worden voldaan, wordt de subsidieontvanger de in het eerste lid bedoelde hersteltermijn niet geboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19</titel></kop><al>In geval van cumulatie van verlagingen als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 16, wordt bij de
berekening of vaststelling van de verlagingen de volgorde van de artikelen aangehouden waarbij steeds
rekening wordt gehouden met de reeds toegepaste verlaging.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 20</titel></kop><al>Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels verlagen subsidie POP2.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21</titel></kop><al>Dit besluit treedt in werking na bekendmaking in het Provinciaal Blad met terugwerkende kracht vanaf
1 januari 2012.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Gedeputeerde Staten voornoemd,
drs. Th.J.F.M. Bovens, voorzitter
mr. A.C.J.M. de Kroon, secretaris
Uitgegeven, 22 maart 2012
De secretaris,
mr. A.C.J.M. de Kroon</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Bijlage 1 behorende bij artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregels verlagen subsidie POP2
De hoogte van de subsidieverlaging bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregels verlagen
subsidie POP2 wordt vastgesteld overeenkomstig de onderstaande tabel.</al><al>Klik op onderstaande link voor de bijlage</al><al><extref doc="http://www.limburg.nl/dsresource?objectid=27930&amp;type=org" struct="INTERNET">BIJLAGE</extref></al><al>
Kolom A Kolom B Kolom C
Omvang
Ernst en
Permanent karakter
Effect op 0 tot en
met 25% van het
beheerde
oppervlak
Effect op 25 tot en
met 50% van het
beheerde
oppervlak
Effect op 50 tot en
met 100% van het
beheerde
oppervlak
Niet-naleving
beheervoorschriften
Ri
j
A
De geconstateerde nietnaleving
heeft weinig effect
op de realisatie van de
doelstelling van het
beheerspakket/
landschapspakket en is
hersteld binnen een termijn
van 4 tot 20 weken,
afhankelijk van de
betreffende fysieke
omstandigheden
Geen verlaging Geen verlaging Geen verlaging
Ri
j
B
De geconstateerde nietnaleving
heeft weinig effect
op de realisatie van de
doelstelling van het
beheerspakket/
landschapspakket
Verlaging bedraagt
10% van het
bedrag dat –
rekening houdend
met artikel 22 van
verordening (EU)
nr. 65/2011 – in het
jaar waarin de nietnaleving
heeft
plaatsgevonden
aan de
subsidieontvanger
wordt betaald
Verlaging bedraagt
15% van het
bedrag dat –
rekening houdend
met artikel 22 van
verordening (EU)
nr. 65/2011 – in het
jaar waarin de nietnaleving
heeft
plaatsgevonden
aan de
subsidieontvanger
wordt betaald
Verlaging bedraagt
30% van het
bedrag dat –
rekening houdend
met artikel 22 van
verordening (EU)
nr. 65/2011 – in het
jaar waarin de nietnaleving
heeft
plaatsgevonden
aan de
subsidieontvanger
wordt betaald
Ri
j
C
De geconstateerde nietnaleving
heeft een aanzienlijk
effect op de realisatie van de
doelstelling van het
beheerspakket/
landschapspakket
Verlaging bedraagt
15% van het
bedrag dat –
rekening houdend
met artikel 22 van
verordening (EU)
nr. 65/2011 - in het
jaar waarin de nietnaleving
heeft
plaatsgevonden
aan de
subsidieontvanger
wordt betaald
Verlaging bedraagt
30% van het
bedrag dat –
rekening houdend
met artikel 22 van
verordening (EU)
nr. 65/2011 – in het
jaar waarin de nietnaleving
heeft
plaatsgevonden
aan de
subsidieontvanger
wordt betaald
Verlaging bedraagt
60% van het
bedrag dat –
rekening houdend
met artikel 22 van
verordening (EU)
nr. 65/2011 – in het
jaar waarin de nietnaleving
heeft
plaatsgevonden
aan de
subsidieontvanger
wordt betaald
Ri Door de geconstateerde niet- Verlaging bedraagt Verlaging bedraagt Verlaging bedraagt
12
j
D
naleving loopt de realisatie
van de doelstelling van het
beheerspakket/
landschapspakket gevaar
30% van het
bedrag dat –
rekening houdend
met artikel 22 van
verordening (EU)
nr. 65/2011 – in het
jaar waarin de nietnaleving
heeft
plaatsgevonden
aan de
subsidieontvanger
wordt betaald
60% van het
bedrag dat –
rekening houdend
met artikel 22 van
verordening (EU)
nr. 65/2011 – in het
jaar waarin de nietnaleving
heeft
plaatsgevonden
aan de
subsidieontvanger
wordt betaald
100% van het
bedrag dat –
rekening houdend
met artikel 22 van
verordening (EU)
nr. 65/2011 – in het
jaar waarin de nietnaleving
heeft
plaatsgevonden
aan de
subsidieontvanger
wordt betaald
Ri
j
E
Door de geconstateerde nietnaleving
kan de realisatie van
de doelstelling van het
beheerspakket/
landschapspakket permanent
of gedurende de verdere
looptijd van de
agromilieuverbintenis niet
meer behaald worden
Verlaging bedraagt 100% van de totale subsidie. De
subsidieverlening wordt overeenkomstig artikel 4:48 Awb
ingetrokken.
Niet-naleving
terreinkenmerken
Ri
j F
Terreinkenmerken komen niet
overeen met de op grond van
het beheerspakket vereiste
terreinkenmerken
Verlaging bedraagt 100% van het bedrag dat – rekening
houdend met artikel 22 van verordening (EU) nr. 65/2011 – in
het jaar waarin de niet-naleving heeft plaatsgevonden aan de
subsidieontvanger wordt betaald, als de niet-naleving een
afwijking betreft van het op grond van het beheerspakket
vereiste percentage aan terreinkenmerken en deze niet-naleving
binnen een termijn van 4-20 weken kan worden hersteld,
afhankelijk van de betreffende fysieke omstandigheden.
In overige gevallen:
Verlaging bedraagt 100% van de totale subsidie. De
subsidieverlening wordt overeenkomstig artikel 4:48 Awb
ingetrokken.
Ri
j
G
Terreinkenmerken komen niet
overeen met het op grond
van het landschapspakket
vereiste terreinkenmerken
Verlaging bedraagt 100% van het bedrag dat – rekening
houdend met artikel 22 van verordening (EU) nr. 65/2011– in het
jaar waarin de niet-naleving heeft plaatsgevonden aan de
subsidieontvanger wordt betaald, als de niet-naleving een
afwijking betreft van het op grond van het landschapspakket
vereiste percentage aan terreinkenmerken en deze niet-naleving
binnen een termijn van 4-20 weken kan worden hersteld,
afhankelijk van de betreffende fysieke omstandigheden.
In overige gevallen:
Verlaging bedraagt 100% van de totale subsidie. De
subsidieverlening wordt overeenkomstig artikel 4:48 Awb
ingetrokken.
13
Bijlage 2 behorende bij artikel 6 van de Beleidsregels verlagen subsidie POP2: Aanvullende
randvoorwaarden GLB
Nederlands
Wetgevingskader
Artikel(en) Onderwerp van
controle
Randvoorwaardenterreinen
Initiële
korting
Opzet op basis van artikel 5
Beleidsregels Regeling GLBinkomenssteun
2006
1 Meststoffenwet Art. 7 in samenhang
met art. 8 onder c,
11 en 12, lid 4 en 5
en in samenhang
met art. 30 t/m 35
van de
Uitvoeringsregeling
Meststoffenwet
Het verbod om in
enig kalenderjaar op
een bedrijf
(fosfaathoudende)
meststoffen op of in
de bodem te
brengen.
Milieu 3% Nee
2 Wet gewasbeschermingsmiddelen
en
biociden
Art.76 lid 1 Het verbod op het
ontvangen,
voorhanden hebben
of gebruiken van
gewasbeschermings
middelen of
biociden zonder een
geldig bewijs van
vakbekwaamheid
Gezondheid 3% Nee
3 Wet gewasbeschermingsmiddelen
en
biociden
Art. 18 De verplichting om
voldoende zorg in
acht te nemen voor
een juiste en veilige
opslag van
bestrijdingsmiddelen
en biociden
Gezondheid 3% Nee
4 Lozingenbesluit
open teelt en
veehouderij
Art. 13 De verplichting bij
het gebruik van
bestrijdingsmiddelen
een teeltvrije zone
aan te houden
Gezondheid 3% Nee
5 Lozingenbesluit
open teelt en
veehouderij
Art. 15 De verplichting, bij
het gebruiken van
gewasbeschermings
middelen binnen
een afstand van 14
m vanaf de insteek
van het
oppervlaktewater,
de daarbij horende
voorschriften na te
leven
Gezondheid 3% Nee
14
Toelichting
1. Inleiding
Het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP) bestaat uit verschillende onderdelen die deels
worden uitgevoerd door het Rijk en deels door de provincies. In deze beleidsregels is neergelegd tot
welke subsidieverlagingen de Minister van LNV, de beheersautoriteit van het POP, en de Gedeputeerde
Staten van de onderscheiden provincies zullen besluiten wanneer wordt geconstateerd dat ontvangers
van subsidies verstrekt in het kader van de uitvoering van het POP de subsidieverplichtingen niet
naleven. De 12 provincies hebben deze beleidsregels verlagen subsidie POP2 eveneens vastgesteld en
gepubliceerd. Deze versie, die door de Minister van LNV is gepubliceerd, zal gelden als een
geconsolideerde versie van de 13 afzonderlijke versies. Zowel de voorschriften inzake
oppervlaktegebonden subsidies als de voorschriften inzake niet-oppervlakte gebonden subsidies zijn
hierin geheel opgenomen.
De bevoegdheid tot het stellen van beleidsregels is binnen het Nederlandse wettelijk kader neergelegd in
artikel 4:81 van de Awb. Het wijzigen of lager vaststellen van subsidies bij niet-naleving van
subsidievoorschriften is toegestaan op grond van de afdelingen 4.2.5 en 4.2.6 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb). Daar waar de Awb de mogelijkheid biedt subsidies lager vast te stellen wordt met
de onderhavige beleidsregels vastgelegd dát en met welk percentage de subsidies worden verlaagd
ingeval niet aan subsidievoorwaarden wordt voldaan.
2. Uniform kader voor Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013
Het POP geeft uitvoering aan verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van de Europese Unie van
20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor
Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PbEU L 277). Binnen het POP bestaan twee financieringsstromen.
POP-subsidies kunnen worden gecofinancierd, wat betekent dat een subsidie gedeeltelijk met Europese
en gedeeltelijk met nationale middelen wordt bekostigd. POP-subsidies kunnen ook met enkel nationale
middelen worden bekostigd. De onderhavige beleidsregels gelden voor alle POP-subsidies.
De onderhavige beleidsregels vullen de controlevereisten de voortvloeien uit verordening (EG) nr.
1975/2006 nader in en zorgen ervoor dat doeltreffend wordt nagegaan of aan de voorwaarden voor de
subsidieverlening is voldaan door de subsidieontvanger. Van de kortingen die in deze beleidsregels zijn
vastgesteld dient een afschrikkingseffect uit te gaan voor de subsidieontvanger om hem ervan te
weerhouden niet volgens de subsidieverplichtingen of de (aanvullende) randvoorwaarden te handelen.
Het Rijk voert alleen de onderdelen van het POP uit die zijn gericht op de verbetering van de
concurrentiepositie van de landbouwsector. De provincies voeren in het kader van het gebiedsgerichte
beleid de overige onderdelen van het POP en enkele onderdelen van maatregelen ter verbetering van de
concurrentiepositie van de landbouwsector uit. De gebiedsgerichte onderdelen van het POP zijn gericht
op de verbetering van het milieu, het leefklimaat op het platteland en de bevordering van diversificatie
van de plattelandseconomie. Ook subsidiëren provincies projecten die zijn tot stand gekomen via de
zogenoemde Leader-aanpak.
Omdat voor Nederland één POP is opgesteld, treden Rijk en de verschillende provincies bij de uitvoering
van het POP en het financiële beheer gezamenlijk op. Onderdeel van dit gezamenlijk optreden is dat Rijk
en provincies gelijk handelen als ontvangers van POP-subsidies POP-subsidieverplichtingen niet
naleven. Het Rijk en de provincies zullen dan ook alle de onderhavige beleidsregels inzake de verlaging
van POP-subsidies hanteren.
De bepalingen inzake het verlagen van subsidies, zoals die zijn opgenomen in verordening (EG) nr.
1975/2006, zijn in deze beleidsregels van overeenkomstige toepassing verklaard op POP-subsidies die
volledig met nationale middelen worden bekostigd. De reden hiervoor is dat het onwenselijk is als er
ongelijkheid bestaat in de afhandeling van subsidieaanvragen bij onderdelen van POP-maatregelen die
volledig nationaal gefinancierd worden en onderdelen van POP-maatregelen die gedeeltelijk worden
15
gefinancierd met middelen uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling.
Subsidieontvangers zouden rechtsongelijkheid ervaren indien niet alle subsidieontvangers voor dezelfde
niet-nalevingen op dezelfde manier gekort zouden worden in het te ontvangen subsidiebedrag. Het is
daarom van belang om voor het gehele POP één systematiek van verlaging van subsidies van kracht te
laten zijn.
3. Oppervlaktegebonden subsidies en niet-oppervlaktegebonden subsidies
Het POP bevat twee typen subsidies: oppervlaktegebonden subsidies en andersoortige, nietoppervlaktegebonden
subsidies. De eerste categorie betreft subsidies waarvoor het te ontvangen
subsidiebedrag afhankelijk is van de oppervlakte landbouwgrond waarop de gesubsidieerde activiteiten
plaatsvinden of waarvoor subsidie wordt verstrekt. Dit zijn de subsidies voor het uitvoeren van
landbouwactiviteiten in probleemgebieden, subsidies voor het uitvoeren van agromilieuverbintenissen en
subsidie voor de eerste bebossing van landbouwgrond. De tweede categorie subsidies – de nietoppervlaktegebonden
subsidies - betreft subsidies voor onder andere investeringen. Oppervlakte is voor
deze subsidies niet van invloed op de hoogte van de subsidie.
3a. Specifieke bepalingen inzake oppervlaktegebonden subsidies
De verplichtingen inzake verlaging van oppervlaktegebonden subsidies hebben betrekking op drie
onderwerpen: overtreding van de subsidieverplichtingen, overtreding van de randvoorwaarden en
overtreding van de voorschriften inzake de indiening van een verzoek tot subsidievaststelling. Alle
oppervlaktegebonden subsidies, of het nu meerjarige subsidies zijn of niet, zijn subsidies die al dan niet
gedeeltelijk jaarlijks worden uitbetaald via zogenoemde jaarbetalingen.
Subsidieverplichtingen (artikel 5 en Bijlage 1)
In artikel 5 is bepaald op welke wijze moet worden omgegaan met overtreding van de
subsidieverplichtingen, niet zijnde de randvoorwaarden. De subsidieverplichtingen betreffen de
inhoudelijke subsidievoorschriften waaraan de ontvanger van een POP-subsidie moet voldoen. Het
eerste lid tot en met het vijfde lid handelt over de subsidies voor agrarisch natuurbeheer, het zesde over
de verplichting voor de ontvanger van een probleemgebiedenvergoeding om tevens een beheerspakket
te ontwikkelen of in stand te houden. De subsidieverplichtingen bedoeld in het eerste lid zijn de
verplichtingen zoals deze in de verschillende beheerspakketten en landschapspakketten zijn opgenomen,
waaronder de terreinkenmerken, de beheersvoorschriften en de verplichtingen inzake de instandhouding
van het reliëf en de waterhuishouding van het beheerde oppervlak.
In artikel 18 van verordening (EG) nr. 1975/2006 is bepaald dat als de subsidieverplichtingen niet worden
nageleefd, de subsidie moet worden verlaagd al naar gelang de ernst, de omvang en het al dan niet
permanente karakter van de niet-naleving. In Bijlage 1 zijn deze drie indicatoren voor de zwaarte van de
overtreding uitgewerkt. Bij de ernst speelt de vraag of de doelstelling van een beheerspakket nog kan
worden gerealiseerd. Bij het permanent karakter speelt de vraag of een niet-naleving kan worden hersteld
en de vraag of de doelstelling van een beheerspakket nog kan worden gerealiseerd. Omdat de
indicatoren ernst en permanent karakter dus gedeeltelijk eenzelfde inhoud hebben zijn beide indicatoren
in de tabel tezamen opgenomen. Bij de omvang speelt de vraag wat de grootte is van het oppervlak
waarop de niet-naleving heeft plaatsgevonden.
In Bijlage I wordt een onderscheid gemaakt tussen voorschriften inzake het beheer – dit is inclusief de
voorschriften inzake de instandhouding van het reliëf en de waterhuishouding van het beheerde
oppervlak – en de terreinkenmerken zoals die zijn opgenomen in een beheerspakket of
landschapspakket.
In de kolommen A, B en C en de rijen A tot en met D van de tabel is voor de beheervoorschriften aan de
hand van de drie genoemde indicatoren de hoogte van de verlaging vastgelegd. De verlaging is
uitgedrukt in een percentage van het subsidiebedrag dat behoort bij het beheerjaar waarin de nietnaleving
plaats heeft. Een niet-naleving in beheerjaar 1 heeft dus alleen gevolgen voor de vergoeding die
16
tegenover dat beheerjaar staat. Op deze wijze kan in beginsel ieder beheerjaar aan het eind worden
afgesloten.
De verlagingen variëren van 100% van de jaarvergoeding voor overtredingen die de realisatie van de
doelstelling van de subsidie in gevaar brengen en die zijn begaan op 50 tot 100 procent van het
oppervlak en 100% van de totale subsidie voor overtredingen die de realisatie van de doelstelling van de
subsidie permanent of gedurende de verdere looptijd van de verbintenis onmogelijk maken tot geen
verlaging voor overtredingen die weinig effect hebben op de realisatie van de doelstelling van de subsidie
en die binnen een termijn van 4 tot 20 weken zijn hersteld. Dit laatste zal niet regelmatig aan de orde zijn,
omdat veel overtredingen van beheervoorschriften niet herstelbaar zijn. Zo is in de zogenaamde
botanische beheerspakketten opgenomen dat niet mag worden bemest. Wanneer wel is gemest, is dit
een overtreding die niet kan worden hersteld. Hetzelfde geldt voor het niet beweiden of niet maaien van
terreinen of het verplicht uitvoeren van werkzaamheden in een voorgeschreven periode. De overtreding
van dergelijke voorschriften kan niet worden hersteld.
Uitgangspunt bij de hantering van de tabel zal moeten zijn dat ieder voorschrift inzake het beheer in
beginsel noodzakelijk is voor de realisatie van de doelen van de subsidie. Dit betekent dat een nietnaleving
veelal zal leiden tot de constatering dat de realisatie van de doelstelling gevaar loopt. Een
voorbeeld van een niet-naleving waarin wel tot een beperkte verlaging (rij B of C) kan worden
overgegaan is het geval waarbij een landbouwer het reliëf of de waterhuishouding heeft aangepast. Een
dergelijke wijziging hoeft niet te leiden tot de niet-realisatie van het doel van de subsidie.
In de rijen F en G is opgenomen wat het gevolg is van de niet-naleving van de terreinkenmerken. Bij
terreinkenmerken gaat het om de in het beheerspakket of landschapspakket opgenomen kenmerken van
een beheereenheid. Zo is voor beheerspakketten bepaald of een beheerseenheid moet bestaan uit
grasland of bouwland en is voor landschapspakketten bepaald welke landschapselementen in welke
omvang op welke minimale oppervlakte aanwezig moeten zijn.
Omdat de terreinkenmerken feitelijk de voorwaarden zijn voor het kunnen uitvoeren van de
beheersvoorschriften die behoren bij de subsidie en omdat de hoogte van de vergoeding is gebaseerd op
het aanwezig zijn van deze terreinkenmerken, leidt de constatering dat de basiskenmerken niet aanwezig
zijn in beginsel tot het voortijdig ambtshalve intrekken op grond van artikel 4:48 Awb en het ambtshalve
vaststellen van de subsidie conform artikel 4:47, onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht.
Onder voorwaarden kan voor landschapsbeheer van deze lijn worden afgeweken. In verschillende
landschapspakketten is opgenomen dat de beheerseenheid voor een bepaald percentage moet zijn
bedekt met een landschapselement. Als dit percentage niet wordt bereikt maar deze afwijking wel kan
worden hersteld binnen een termijn van 4 tot 20 weken, afhankelijk van de betreffende fysieke
omstandigheden, dan bedraagt de verlaging niet de gehele subsidie, maar slechts (een deel van) de
jaarvergoeding die bij het jaar behoort waarin de niet-naleving is geconstateerd.
De hersteltermijn kan variëren van 4 tot 20 weken, afhankelijk van de betreffende fysieke
omstandigheden, omdat voor fysieke tekortkomingen bij agrarisch natuur- en landschapsbeheer per
situatie bekeken moet worden welke hersteltermijn redelijk is. Immers, wanneer het gaat om bijplanten
van bomen of struiken kan het nodig zijn om 20 weken te geven voor het uitvoeren van de
werkzaamheden, omdat dit een seizoensgebonden actie is.
In de tabel van Bijlage 1 is opgenomen dat steeds rekening moet worden gehouden met artikel 24 van
verordening (EG) nr. 1975/2006. Dit houdt verband met de cumulatie van verlagingen. In artikel 24 van
verordening (EG) nr. 1975/2006 is bepaald welke volgorde verlagingen moeten worden toegepast.
Subsidieverlagingen naar aanleiding van afwijkingen in de oppervlakteomvang worden eerst berekend,
daarna niet-naleving van beheervoorschriften en daarna niet-naleving van de randvoorwaarden. De
eerste verlaging wordt berekend over het gehele jaarbedrag, de volgende verlaging over het inmiddels
verlaagde jaarbedrag, enzovoort. Als dus ingevolge Bijlage 1 een verlaging moet worden toegepast, maar
er is ook een afwijking in de oppervlakte geconstateerd die leidt tot een korting, dan moet bij de
17
vaststelling van de hoogte van de verlaging op grond van Bijlage 1 worden gerekend met het in verband
met de oppervlakteafwijking verlaagde jaarbedrag.
In veel provincies is een subsidievoorwaarde voor een probleemgebiedensubsidie dat de
subsidieontvanger een beheerspakket in stand houdt volgens de voorwaarden van de (provinciale)
subsidieregeling agrarisch natuurbeheer ((P)SAN) of de Provinciale Subsidieverordening
Natuur- en Landschapsbeheer zoals vastgesteld door de desbetreffende provincie. In deze beleidsregels
wordt geregeld dat indien de subsidieontvanger niet voldoet aan het vereiste om een beheerspakket in
stand te houden, de subsidievaststelling op nul wordt gezet.
Deze eis houdt verband met het feit dat het doel van de probleemgebiedenvergoeding is dat landbouwers
hun landbouwactiviteiten voort zetten ondanks het feit dat ze hun activiteiten uitoefenen in een gebied dat
problemen kent als gevolg waarvan ze lagere inkomsten hebben. Indien een landbouwer geen
landbouwactiviteiten verricht op het betreffende terrein, wordt het doel van de subsidie niet bereikt en
wordt de subsidie op nul vastgesteld.
Randvoorwaarden (artikel 6)
Landbouwers die oppervlaktegebonden subsidies ontvangen, zijn verplicht op het hele bedrijf te voldoen
aan de zogenoemde randvoorwaarden1. Dit betreft een aantal voorschriften op vier beleidsterreinen:
volksgezondheid, diergezondheid en gezondheid van planten, milieu, dierenwelzijn, alsmede de
zogenoemde goede landbouw- en milieuconditie. Wanneer een landbouwer een of meer
randvoorwaarden overtreedt, moet op grond van artikel 21 van verordening (EU) nr. 65/2011 een korting
worden opgelegd. De korting is een percentage van de jaarbetaling.
Voor het verkrijgen van inkomenssteun binnen de eerste pijler van het Gemeenschappelijk
landbouwbeleid zijn de randvoorwaarden ook van toepassing. Ook daar moet in geval van overtreding
van een of meerdere randvoorwaarden een korting worden opgelegd. De uitgangspunten voor de wijze
waarop de hoogte van het kortingspercentage moet worden vastgesteld zijn neergelegd in de artikelen 66
en 67 van verordening (EG) nr. 1122/20092 inzake betalingen in het kader van de eerste pijler van het
Gemeenschappelijk landbouwbeleid. Niet naleving van een of meerdere randvoorwaarden leidt in
beginsel een korting van 3% per beleidsterrein. Lidstaten kunnen op basis van de ernst, de omvang, het
mogelijke permanente karakter van de overtreding en de vraag of sprake is van herhaalde overtreding
besluiten dit percentage te verlagen naar 1% dan wel te verhogen naar 5%. De maximale korting voor
randvoorwaardenovertredingen is, voor alle vier de beleidsterreinen gezamenlijk, in beginsel 5% van de
jaarbetaling. In geval van herhaalde overtreding of opzettelijke overtreding wordt de kortingpercentage
verhoogd en kan het oplopen tot 100%.
De artikelen 66 en 67 van verordening EG) nr. 796/2004 zijn in artikel 23 van verordening (EG) nr.
1975/2005 van overeenkomstige toepassing verklaard voor het vaststellen van het kortingspercentage in
geval van niet-naleving van een of meerdere randvoorwaarden door begunstigden van
oppervlaktegebonden POP-subsidies. De Europese voorschriften die gelden voor het vaststellen van de
randvoorwaardenkorting zijn dus voor de eerste pijler en de oppervlaktegebonden POP-subsidies
identiek.
De uitgangspunten van de artikelen 66 en 67 van verordening (EG) nr. 1122/2009 zijn voor de
inkomenssteun uitgewerkt in de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB. Deze voorschriften
zijn met de onderhavige beleidsregels van overeenkomstige toepassing verklaard voor het bepalen van
de hoogte van de korting in geval van randvoorwaardenovertredingen bij POP-subsidies.
1 Zie artikel 51 van verordening (EG) nr. 1698/2005.
2 Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen
ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en
controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter
uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de
wijnsector (Pb EU L 316).
18
Voor alle agromilieuverbintenissen zijn op grond van artikel 51 van verordening (EG) nr. 1698/2005
naast de randvoorwaarden zoals die zijn opgenomen in de Bijlage bij de Beleidsregels normenkader
randvoorwaarden GLB nog enkele aanvullende randvoorwaarden van toepassing. Het niet naleven van
deze aanvullende randvoorwaarden kan voor agromilieuverbintenissen leiden tot een hogere korting. De
aanvullende randvoorwaarden zijn opgenomen in Bijlage 2, eerste, tweede en derde kolom. Op grond
van de vierde kolom zijn de randvoorwaarden ingepast in een van de vier hierboven genoemde
beleidsterreinen. Voorts is voor iedere randvoorwaarde de initiële korting bepaald en is vastgesteld of bij
een overtreding al dan niet sprake is van opzet. Op grond van artikel 4 van het onderhavige besluit is
bepaald dat het kortingspercentage in geval van niet-naleving van randvoorwaarden voor
agromilieuverbintenissen moet worden bepaald op basis van hetgeen is vastgelegd in de Beleidsregels
normenkader randvoorwaarden GLB en dat, voor zover er daarbij sprake is van niet-naleving van een
van de zogenoemde aanvullende randvoorwaarden, bij de berekening van de totale
randvoorwaardenkorting hetgeen in de Bijlage bij deze beleidsregels is bepaald, moet worden
beschouwd als onderdeel van de Bijlage bij de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB. Op
deze wijze tellen de tot de verschillende beleidsterreinen behorende aanvullende randvoorwaarden mee
in de berekening om te komen tot een randvoorwaardenkorting.
Tekortkoming aanvraag subsidievaststelling (artikel 7)
Op grond van de Awb dient de subsidieontvanger na afloop van de activiteiten of het tijdvak waarvoor de
subsidie is verleend een aanvraag tot subsidievaststelling te doen. In de Subsidieregeling agrarisch
natuurbeheer van de onderscheiden provincies en de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer
van de onderscheiden provincies is geregeld van welke informatie de aanvraag tot subsidievaststelling
vergezeld moet gaan. Het gaat hierbij om een overzicht van de gemaakte subsidiabele kosten en de
betalingsbewijzen daarvan, de daadwerkelijk genoten inkomsten en een verslag van de uitgevoerde
activiteiten, omdat deze informatie een beeld geeft van de realisatie van het doel van de
subsidieverlening en de naleving van de voorschriften inzake het beheer of de terreinkenmerken. Op
basis van deze aanvraag met bijgevoegde informatie wordt de subsidievaststellingsbeschikking
afgegeven waarin het uiteindelijke bedrag van de subsidie wordt vastgesteld en die aanspraak geeft op
het vastgestelde subsidiebedrag. In de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de onderscheiden
provincies en de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer van de onderscheiden provincies is
geregeld dat de subsidieontvanger van een beheerssubsidie binnen 2 maanden na een tijdvak, of indien
noodzakelijk eerder, een aanvraag tot subsidievaststelling moet doen bij de directeur van de Dienst
Regelingen.
Conform artikel 4:5, eerste lid, onder c, en artikel 4:44, derde lid, van de Awb bieden deze beleidsregels
de subsidieontvanger een hersteltermijn voor het geval hij niet binnen de gestelde termijn een aanvraag
tot subsidievaststelling heeft gedaan en een termijn om de gedane aanvraag aan te vullen. Indien na
verloop van deze hersteltermijn en aanvultermijn nog niet voldoende informatie beschikbaar is, kan de
subsidievaststelling niet goed worden gedaan.
In dit geval wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld op basis van artikel 4:47 van de Awb. In het geval
van onvoldoende gegevens over de realisatie van het doel wordt de subsidie verlaagd met het
subsidiabele bedrag ten aanzien waarvan de subsidieaanvraag tot subsidievaststelling onvolledig is. In
het geval van onvoldoende gegevens over de naleving van de voorschriften inzake het beheer of de
terreinkenmerken wordt de subsidie verlaagd met het bedrag dat behoort bij het laatste beheerjaar.
Overmacht (artikel 8)
Een uitzondering op het toepassen van de in artikel 5 of 7 bedoelde kortingen kan worden toegepast
indien de niet-nalevingen of tekortkomingen het gevolg zijn van overmacht of uitzonderlijke
omstandigheden als bedoeld in artikel 47, eerste lid, de onderdelen a tot en met f, van verordening (EG)
nr. 1974/2006, mits is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 47, tweede lid, van verordening
(EG) nr. 1974/2006. De uitzonderingen die artikel in 47, eerste lid, de onderdelen a tot en met f, worden
19
genoemd zijn: a) het overlijden van de begunstigde; b) langdurige arbeidsongeschiktheid van de
begunstigde; c) de onteigening van een groot deel van het bedrijf, indien deze onteigening op de dag
waarop de verbintenis is aangegaan niet was te voorzien; d) een ernstige natuurramp die grote schade
aanricht aan de grond van het bedrijf;
e) het door een ongeluk tenietgaan van veehouderijgebouwen van het bedrijf; f) een epizoötie die de
gehele veestapel van de landbouwer of een deel ervan treft. Een uitzondering op het toepassen van de in
artikel 6 bedoelde korting is geregeld in artikel 2 van de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden
GLB. Ook in dit artikel is een uitzondering gemaakt voor het toepassen van kortingen bij overtredingen
van de randvoorwaarden voor overmachtsituaties.
2.1. Cumulatie (artikel 9)
Indien meerdere niet-nalevingen worden geconstateerd, moeten verschillende verlagingen worden
opgelegd en is dus sprake van een stapeling van verlagingen. Uitgangspunt is dat de verlaging nooit
meer kan bedragen dan de subsidie zelf en dat de verlagingen in de volgorde van artikel 24 van
verordening (EG) nr. 1975/2006 worden toegepast, waarbij steeds rekening wordt gehouden met de
reeds toegepaste verlaging.
3b. Specifieke bepalingen inzake niet-oppervlaktegebonden subsidies
Reikwijdte (artikel 10)
De voorschriften inzake de verlaging van niet-oppervlaktegebonden subsidies hebben binnen Nederland
betrekking op subsidies die niet zijn gerelateerd aan oppervlakte. Het betreffen onder andere
investeringen, bedrijfsverplaatsing, herverkaveling, adviezen en opleiding.
Tekortkoming aanbesteding (artikel 11)
Wanneer een subsidieontvanger in het kader van de realisatie van de te subsidiëren activiteiten
gebonden is de Europese eisen inzake aanbesteding te volgen, en hij dit niet doet, zal een verlaging van
de subsidie volgen indien naar het oordeel van de minister of de provincie sprake is van een overtreding
van de aanbestedingsregelgeving of indien de bevoegde rechtsprekende instantie uitspraak heeft
gedaan. Geen subsidie wordt verleend voor activiteiten waarbij de aanbestedende dienst ondernemers
niet op gelijke en niet-discriminerende wijze heeft behandeld en niet transparant gehandeld heeft. Zie
artikel 2 van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten.
Onderscheid wordt gemaakt tussen aanbesteding onder en boven de aanbestedingsdrempel. Als het
drempelbedrag van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten niet wordt bereikt, is
sprake van aanbesteding onder de drempel. Het Europees Hof van Justitie heeft geoordeeld dat, zelfs
wanneer bepaalde contracten zijn uitgesloten van het bereik van de aanbestedingsrichtlijnen,
aanbestedende diensten toch altijd gebonden zijn om te voldoen aan de fundamentele rechten die volgen
uit het EG-Verdrag (vrijheid van goederen, diensten, personen en kapitaal).3 De beginselen inzake
transparantie, non-discriminatie en gelijke behandeling zijn hier direct van afgeleid. Op deze wijze worden
marktpartijen de mogelijkheid gegeven om de opdracht uit te voeren. Daarom leidt handelen op nietgelijke,
niet-transparante en niet-discriminerende wijze tot een verlaging van het subsidiebedrag met het
gedeelte dat ten onrechte niet conform artikel 2 van het Besluit aanbestedingsregels voor
overheidsopdrachten is gegund.
2.2. Tekortkoming realisatie en Instandhoudingsplicht (artikel 12)
Indien een subsidieontvanger de te subsidiëren activiteit gedeeltelijk niet realiseert als gevolg waarvan de
doelstelling van de subsidie die op grond van de subsidieverleningsbeschikking vereist is gedeeltelijk niet
gerealiseerd wordt, wordt de subsidievaststelling naar rato gewijzigd. De subsidie wordt vastgesteld aan
3 C-59/00, Bent Mousten Vestergaard [2001], ECR I-9505, paragraaf 20 en C-264/03, Commissie v Frankrijk, 20 november 2005,
paragraaf 32 en 33.
20
de hand van de gemaakte subsidiabele kosten. Indien de doelstelling voor 60% zijn behaald, zal de
subsidie ook maximaal 60% van de gemaakte kosten bedragen.
Artikel 72 van Verordening 1698/2005 schrijft voor dat een bijdrage uit het Europees landbouwfonds voor
plattelandsontwikkeling voor een concrete actie die een investering betreft slechts gehandhaafd mag
worden indien deze investeringsactie in stand wordt gehouden en gedurende vijf jaar na de
subsidievaststelling geen belangrijke wijzigingen ondergaat die de aard of uitvoeringsvoorwaarden van de
investeringsactie raakt of die de onderneming of overheidsinstantie een onrechtmatig voordeel oplevert.
Tevens is het niet toegestaan dat de investeringsactie belangrijke wijzigingen ondergaat die het gevolg
zijn van een verandering in de aard van de eigendom van een infrastructuurvoorziening of van de
beëindiging of verplaatsing van een productieactiviteit. Wanneer – los van de gemaakte kosten – de
doelstellingen van de investeringsactie niet worden behaald, zal derhalve de subsidie worden verlaagd.
Van het totale in de subsidievaststelling vermelde bedrag wordt in ieder geval de bijdrage uit het ELFPO
ingehouden of teruggevorderd. Vervolgens wordt over het resterende subsidiebedrag een korting
berekend die overeenkomt met het gedeelte van de investering dat niet gerealiseerd is. Indien de
doelstelling van de investering voor 40% is behaald en de bijdrage uit het ELFPO bedraagt 40% van het
totale subsidiebedrag, wordt nog een korting van 20% op het totale subsidiebedrag berekend, zodat de
korting in totaal 60% bedraagt en de subsidie 40% van de gemaakte kosten bedraagt.
De subsidievaststelling kan ten nadele van de ontvanger gewijzigd worden op grond van artikel 4:49,
eerste lid , onder c, van de Awb, omdat de ontvanger verplicht is de investering gedurende vijf jaar na
subsidievaststelling in stand te houden.
Tekortkoming publicatie (artikel 13)
Een van de Europese eisen voor investeringen is dat de subsidieontvanger een informatieplaquette of
informatiebord plaatst waarop is vermeld dat het project mede met Europese middelen is bekostigd. Dit
volgt uit Bijlage VI van Verordening 1974/2006 onder punt 2.2. Wanneer niet wordt voldaan aan de
voorgeschreven publicatieverplichtingen, wordt derhalve de subsidie verlaagd. De verlaging bedraagt 3%
van het gehele subsidiebedrag, omdat het een overtreding van een Europese subsidie-eis betreft, maar
geen sprake is van een risico met betrekking tot de rechtmatigheid van gemaakte kosten.
Administratieve voorschriften (artikel 14)
De voorschriften inzake het bijhouden en bewaren van een administratie hebben tot doel dat kan worden
geverifieerd of gesubsidieerde activiteiten hebben plaatsgevonden, welke kosten daarmee zijn gemoeid
en of de investeringen duurzaam waren. Indien niet aan de administratieve voorschriften wordt voldaan,
wordt de subsidie naar rato lager vastgesteld met het bedrag ten aanzien waarvan de rechtmatigheid van
de betalingen niet kan worden aangetoond. Op deze manier bestaat er geen risico van onverschuldigde
betalingen met ELFPO cofinanciering.
Tijdens de controles achteraf op instandhouding gedurende vijf jaar na de subsidievaststelling van
investeringsacties kan aan het licht komen dat een subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de
administratieverplichtingen. In dit geval is bij de subsidievaststelling de rechtmatigheid van de betalingen
eerder wel reeds aangetoond, maar is een volledige administratie nodig om de in artikel 30 van
verordening (EG) nr. 1975/2006 voorgeschreven controle achteraf uit te kunnen voeren. Het
subsidiebedrag wordt in dit geval alsnog verlaagd met het bedrag ten aanzien waarvan de rechtmatigheid
van de betalingen niet kan worden aangetoond. Het subsidiebedrag in de subsidievaststelling wordt dan
in overeenstemming met artikel 4:49, eerste lid, onderdeel c, van de Awb verlaagd. Indien vijf jaar is
verstreken sinds de subsidievaststelling aan de subsidieontvanger bekend is gemaakt, kan op grond van
artikel 4:49, derde lid, van de Awb de subsidievaststelling niet meer ten nadele van de subsidieontvanger
gewijzigd.
Tekortkoming aanvraag subsidievaststelling (artikel 15)
De subsidieontvanger dient na afloop van de activiteiten of het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend
een aanvraag tot subsidievaststelling te doen waarin hij informatie geeft over de realisatie van het doel
21
van de subsidieverlening en de naleving van de voorschriften inzake het beheer of de terreinkenmerken.
Op basis van deze aanvraag met bijgevoegde informatie wordt de subsidievaststellingsbeschikking
afgegeven waarin het uiteindelijke bedrag van de subsidie wordt vastgesteld en die aanspraak geeft op
het vastgestelde subsidiebedrag. Conform artikel 4:5, eerste lid, onder c, en artikel 4:44, derde lid, van
de Awb bieden deze beleidsregels de subsidieontvanger een hersteltermijn voor het geval hij niet binnen
de gestelde termijn een aanvraag tot subsidievaststelling heeft gedaan en een termijn om de gedane
aanvraag aan te vullen. Indien na verloop van deze hersteltermijn en aanvultermijn nog niet voldoende
informatie beschikbaar is, kan de subsidievaststelling niet goed worden gedaan. In dit geval kan de
subsidie op basis van artikel 4:47 van de Awb ambthalve en eventueel lager worden vastgesteld, waarbij
de verlaging afhankelijk is van de vraag of op basis van reeds ingediende voortgangsrapportages de
rechtmatigheid van de subsidie gedeeltelijk kan worden vastgesteld.
Voortgangsrapportage (artikel 16)
De voorwaarde voor tussentijdse betalingen in het kader van het verlenen van voorschotten, als bedoeld
in artikel 4:95 van de Awb, is dat een voortgangsreportage wordt ingediend die voldoet aan eisen die
worden gesteld in de Regeling LNV-subsidies, de betreffende provinciale subsidieverordening van de
onderscheiden provincies of de beschikking tot subsidieverlening, zodat LNV of de provincie op de
hoogte wordt gehouden van de stand van zaken van de voortgang en realisatie van gesubsidieerde
activiteiten.
Hersteltermijn (artikel 18)
Uit coulance kan een hersteltermijn van maximaal 10 werkdagen worden geboden om een niet-naleving
bij niet-oppervlaktegebonden subsidies te herstellen of om alsnog te voldoen aan de daar bedoelde
verplichtingen. Er wordt geen hersteltermijn geboden indien de niet-naleving een permanent karakter
heeft en niet kan worden hersteld of indien niet alsnog aan de in de artikelen 12 tot en met 15 bedoelde
verplichtingen kan worden voldaan.
 </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>