<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR153274_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012, gemeente Oosterhout</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oosterhout</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oosterhout</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Oosterhout, 24-12-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012, gemeente Oosterhout</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">Wet werk en bijstand, art. 8 eerste lid, onderdeel c </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=30">Wet werk en bijstand, art. 30 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet">Gemeentewet </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-12-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Artt.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BI.0130071</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>In afwijking van Artikel II, onderdeel A, is deze verordening vanaf 1 januari 2013 van toepassing op de belanghebbenden op wie op grond van artikel 78w van de Wet werk en bijstand de huishoudinkomenstoets nog tot 1 januari 2013 wordt toegepast. Tot 1 januari 2013 gelden voor deze categorie de bepalingen van de <extref doc="http://oosterhout.regelingenbank.nl/regelingen/Verordening-toeslagen-en-verlagingen-Wet-werk-en-bijstand-2012-gemeente-Oosterhout">Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012</extref>, gemeente Oosterhout, zoals deze golden voor vaststelling van de Wijzigingsverordening Sociale Zekerheid 2012 II, gemeente Oosterhout.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012, gemeente Oosterhout</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Oosterhout;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 januari 2012;</al><al>gelet op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">artikel 8, eerste lid, onderdeel c, en artikel 30 van de Wet werk en
                            bijstand</extref> en de bepalingen van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet">Gemeentewet</extref>;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van bijstandsgerechtigden van 21 jaar en ouder doch
                        jonger dan pensioengerechtigde leeftijd bij verordening te regelen;</al><al>besluit</al><al>vast te stellen: de “Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en
                        bijstand 2012, gemeente Oosterhout”.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en
                                        die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis
                                        als in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>WWB: <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref>;</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm zoals bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=21">artikel 21, eerste lid, onderdeel c van de
                                                  WWB</extref>;</al></li><li nr="c."><al>toeslag: het hoger vaststellen van de norm voor een
                                                alleenstaande of een alleenstaande ouder bedoeld in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25 van de WWB</extref>;</al></li><li nr="d."><al>verlaging: het lager vaststellen van de norm en de
                                                toeslag bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=26">artikelen 26</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=27">27</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=28">28</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=29">29 van de WWB</extref>;</al></li><li nr="e."><al>woning: een woning zoals bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20huurtoeslag/article=1">artikel 1, onderdeel j, van de Wet op de
                                                  huurtoeslag</extref>, alsmede een woonwagen of een
                                                woonschip, zoals bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=3">artikel 3, zesde lid, van de WWB</extref>:</al></li><li nr="f."><al>woonkosten: </al><lijst><li nr="1."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per
                                                  maand geldende huurprijs als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20huurtoeslag/article=1">artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de
                                                  huurtoeslag</extref>;</al></li><li nr="2."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot
                                                  een bedrag per maand omgerekende som van de ten
                                                  behoeve van de financiering van de woning
                                                  verschuldigde hypotheekrente en de in verband met
                                                  het in eigendom hebben van de woning te betalen
                                                  zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast
                                                  te stellen bedrag voor onderhoud;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>verzorgingsbehoevende: degene die is aangewezen op
                                                verzorging ter voorkoming van opname in een
                                                verpleeg- of verzorgingstehuis;</al></li><li nr="h."><al>schoolverlater: de persoon die een beroep op de
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">WWB</extref> doet, indien hij in de zes maanden
                                                voorafgaande aan de toekenning van de algemene
                                                bijstand de deelname heeft beëindigd aan onderwijs
                                                of een beroepsopleiding waarvoor aanspraak bestond
                                                op studiefinanciering op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20studiefinanciering%202000">Wet studiefinanciering 2000</extref> of op een
                                                tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de
                                                schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20tegemoetkoming%20onderwijsbijdrage%20en%20schoolkosten">Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                                  schoolkosten</extref>. Het aanmerken als
                                                schoolverlater eindigt zes maanden na het beëindigen
                                                van voornoemd onderwijs of beroepsopleiding;</al></li><li nr="i."><al>college: het college van burgemeester en wethouders
                                                van de gemeente Oosterhout.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze verordening is uitsluitend van toepassing op belanghebbenden
                                van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde
                                leeftijd. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze
                                verordening uitsluitend indien beide echtgenoten de
                                pensioengerechtigde leeftijd nog niet bereikt hebben.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3 Toeslagen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25, eerste lid, van de WWB</extref> bedraagt 20
                                        procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                        alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                                        hoofdverblijf heeft.</al></li><li nr="2."><al>De toeslag bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25, eerste lid, van de WWB</extref> bedraagt 10
                                        procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                        alleenstaande ouder in wiens woning één of meer anderen hun
                                        hoofdverblijf hebben.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van lid 2 wordt de verzorgingsbehoevende
                                        die door belanghebbende wordt verzorgd niet in aanmerking
                                        genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                        hoofdverblijf heeft.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of
                            toeslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4 Verlaging norm gehuwden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=26">artikel 26 van de WWB</extref> bedraagt 10 procent van
                                        de gehuwdennorm voor een belanghebbende die met één of meer
                                        anderen zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van lid 1 wordt de verzorgingsbehoevende
                                        die door belanghebbende wordt verzorgd niet in aanmerking
                                        genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                        hoofdverblijf heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Verlaging woonsituatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=27">artikel 27 van de WWB</extref> bedraagt: </al><lijst><li nr=""><al>a. 20 procent van de gehuwdennorm indien een woning
                                                wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen
                                                woonkosten verbonden zijn;</al></li><li nr=""><al>b. 10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning
                                                bewoond wordt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid onderdeel a wordt een
                                        thuiswonend kind geacht woon-kosten te hebben.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Verlaging schoolverlater</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=28">artikel 28 van de WWB</extref> bedraagt 20 procent van de
                                gehuwdennorm gedurende zes maanden na het tijdstip van beëindiging
                                scholing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Verlaging toeslag alleenstaande van 21 of 22
                                jaar</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=29">artikel 29 van de WWB</extref> bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>15 procent van de gehuwdennorm indien het een
                                                belanghebbende van 21 jaar betreft;</al></li><li nr="b."><al>5 procent van de gehuwdennorm indien het een
                                                belanghebbende van 22 jaar betreft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het vorige lid is niet van toepassing ten aanzien van een
                                        jongere op wie artikel 6 van toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 geschiedt zodanig, dat
                                de toepasselijke bijstandsnorm voor belanghebbende tenminste
                                bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>40 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>60 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande
                                        ouder;</al></li><li nr="c."><al>70 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9 Nadere regels</titel></kop><al>Het college is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking
                                tot de uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Vervallen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Intrekking</titel></kop><al>De Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand en wet
                                investeren in jongeren 2010, gemeente Oosterhout, zoals vastgesteld
                                bij raadsbesluit van 18 mei 2010 wordt ingetrokken met ingang van de
                                datum van inwerkingtreding genoemd in artikel 13.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na
                                bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald: ‘Verordening toeslagen en
                                verlagingen Wet werk en bijstand 2012, gemeente Oosterhout’.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 28 februari 2012</ondertekening><ondertekening>de voorzitter de griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012,
                        gemeente Oosterhout</vet></al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>Ter bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen
                    verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden is de Wet werk en bijstand per 1
                    januari 2012 aangepast. Het pakket maatregelen heeft tot doel het versterken van
                    het activerende karakter van de Wet werk en bijstand. Dit gebeurt enerzijds door
                    het aanscherpen van de verplichtingen waaraan uitkeringsgerechtigden moeten
                    voldoen, anderzijds door een aantal maatregelen te treffen waardoor de
                    vangnetfunctie van de Wet werk en bijstand wordt versterkt.</al><al>De belangrijkste maatregelen zijn het aanscherpen van de regels ten aanzien van
                    jongeren tot 27 jaar die thans onder de Wet investeren in jongeren vallen en het
                    overhevelen van deze categorie naar de Wet werk en bijstand, het vervangen van
                    de toets op het inkomen van de partner door een toets op gezinsniveau
                    (huishoudinkomen), de maximering van het gemeentelijk minimabeleid en de
                    introductie van de mogelijkheid om de verplichting op te leggen om
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten als tegenprestatie voor
                    bijstandsverlening.</al><al>In artikel 8, eerste lid, onderdeel c in combinatie met artikel 30 van de Wet
                    werk en bijstand (WWB) is geregeld dat de gemeenteraad bij verordening dient
                    vast te stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm of inkomensvoorziening
                    verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de hoogte van die
                    verhoging of verlaging wordt bepaald.</al><al>Categorieën</al><al>Artikel 30 WWB bepaalt dat de verordening een categoriaal karakter moet hebben.
                    Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te komen tot in de praktijk
                    eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er gekozen voor een forfaitaire
                    benadering. Het is niet nodig om in de verordening alle mogelijke situaties
                    uitputtend te regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het
                    college immers de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand of de
                    inkomensvoorziening op grond van artikel 18, eerste lid, WWB bij wijze van
                    individualisering afwijkend vast te stellen.</al><al>In deze verordening wordt, naast de toeslagen, invulling gegeven aan alle
                    verlagingen die de WWB mogelijk maakt. In artikel 8 van de verordening wordt
                    daarentegen het effect van samenloop van verschillende verlagingen beperkt door
                    minimum hoogtes voor te schrijven waaraan de bijstand of inkomensvoorziening
                    moet voldoen na toepassing van de verlagingen.</al><al>De werking van deze verordening beperkt zich tot belanghebbenden van 21 jaar of
                    ouder doch jonger dan 65 jaar.</al><al>Norm, toeslag en verlagingen</al><al>Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. In de WWB maakt
                    het voor de financiering door het Rijk geen verschil of bijstand is toegekend
                    als norm of als toeslag. De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, de
                    artikelen 20 tot en met 24, van de WWB. Daarnaast voorziet paragraaf 3 in
                    toeslagen en verlagingen in de artikelen 25 tot en met 29 WWB.</al><al>Het college is verplicht om in voorkomende gevallen de norm te verhogen met een
                    toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik
                    gemaakt te worden. In Oosterhout is ervoor gekozen dit wel te doen.</al><al>Normen</al><al>De rijksnormen zijn gebaseerd op de leefvorm van de belanghebbende. Dat wil
                    zeggen dat daarin geen verdere differentiatie wordt aangebracht dan die tussen
                    een gezin, alleenstaande ouders en alleenstaanden.</al><al>De rijksnormen voor personen van 21 tot 65 jaar zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>voor gezinnen 100 % van het netto minimumloon (is gezinsnorm);</al></li><li nr="b."><al>voor alleenstaande ouders 70 % van de gezinsnorm;</al></li><li nr="c."><al>voor alleenstaanden 50 % van de gezinsnorm.</al></li></lijst><al>Het uitkeringsniveau voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder berust op
                    de veronderstelling, dat de kosten van het bestaan geheel met een ander kan
                    delen. Als dat niet het geval is, kan de gemeente deze rijksnorm verhogen met
                    een gemeentelijke toeslag, die maximaal 20% van het netto minimumloon
                    bedraagt.</al><al>Voor jongeren in de leeftijd van 18 tot 21 jaar geldt een normering, die is
                    afgestemd op de kinderbijslag. Deze normen kunnen eventueel worden aangevuld met
                    bijzondere bijstand, voor zover de middelen van de ouders niet toereikend zijn
                    dan wel de onderhoudsplicht van de ouders niet te gelde gemaakt kan worden.
                    Artikel 12 WWB (onderhoudsplicht ouders) blijft voor deze groep onverkort van
                    toepassing.</al><al>Toeslagen</al><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder
                    indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld
                    kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht
                    als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf
                    hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht
                    gedeeld worden. De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gezinsnorm, zodat de
                    uitkering maximaal bedraagt voor:</al><lijst><li nr="-"><al>alleenstaande ouders: 90% van de gezinsnorm</al></li><li nr="-"><al>alleenstaanden: 70% van de gezinsnorm</al></li></lijst><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van
                    de gezinsnorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke
                    bestaanskosten.</al><al>Verlagingen</al><al>De WWB noemt de volgende verlagingen:</al><lijst><li nr="-"><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een
                            ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gezinnen
                            (artikel 26 WWB);</al></li><li nr="-"><al>verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB);</al></li><li nr="-"><al>verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie
                            (artikel 28 WWB).</al></li><li nr="-"><al>verlaging in verband met leeftijd van 21 of 22 jaar (artikel 29
                            WWB).</al></li></lijst><al>Het college kan bij een 21- of 22-jarige alleenstaande de toeslag verlagen om de
                    inkomensvoorziening in de pas te laten lopen met het wettelijk
                    minimumjeugdloon.</al><al>In deze verordening wordt geen gebruik gemaakt van de wettelijke mogelijkheid
                    (artikelen 26 WWB) voor categoriale verlagingen bij zelfstandig wonende
                    uitkeringsgerechtigden van 18 jaar t/m 20 jaar. Deze uitkeringsgerechtigden
                    hebben al een lagere jongerennorm, omdat zij in principe een beroep kunnen doen
                    op de ouderlijke onderhoudsplicht. Een verdere verlaging van deze norm leidt tot
                    inadequate bijstandsverlening en is daarom in de verordening uitgesloten.</al><al>Wanneer het niet toepassen van deze verordening op uitkeringsgerechtigden van 18
                    jaar t/m 20 jaar onredelijke uitkomsten geeft, blijft de bevoegdheid bestaan om
                    op grond van artikel 18, lid 1, van de WWB de bijstand lager vast te
                    stellen.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB of de Awb niet
                    afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                    wijziging van betreffende definities in de WWB of de Awb ook de verordening moet
                    worden gewijzigd.</al><al>De begrippen die niet zijn omschreven in de WWB of de Awb, of die verduidelijkt
                    moeten worden, zijn in het tweede lid omschreven.</al><al>Voor het begrip ‘gezinsnorm’ wordt verwezen naar de norm voor een gezin waarvan
                    alle meerderjarige gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn, zoals bedoeld in artikel
                    21, lid 1, WWB. Deze norm komt overeen met de gehuwdennorm zoals die luidde vóór
                    1 januari 2012 waarbij beide echtgenoten jonger dan 65 jaar zijn.</al><al>Onder c en d worden de begrippen toeslag en verlaging nog expliciet omschreven
                    met de verwijzing naar de betreffende artikelen uit de WWB.</al><al>Het begrip ‘woning’ is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd omdat de
                    tekst van de WWB nergens een omschrijving geeft van dit begrip. Wel vermeldt
                    artikel 3, lid 6, WWB dat in de WWB en de daarop berustende bepalingen onder een
                    woning mede een woonwagen of een woonschip verstaan moet worden. Voorts volgt
                    uit de totstandkomingsgeschiedenis van de WWB dat voor de invulling van het
                    begrip woning kan worden aangesloten bij de Wet op de huurtoeslag. Daarom is in
                    deze verordening bepaald dat onder ‘woning’ wordt verstaan: een woning zoals
                    bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen
                    of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB.</al><al>Het begrip woonkosten is omschreven onder f, omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie).Voor de woonkosten van een
                    huurwoning wordt aangesloten bij de Wet op de huurtoeslag. Voor de woonkosten
                    van een eigen woning wordt rekening gehouden met de te betalen hypotheekrente en
                    de zakelijke lasten die aan het bezit van een eigen woning zijn verbonden. Voor
                    wat betreft de hypotheekrente gaat het hierbij om de rente voor (dat deel van)
                    de hypotheek die is afgesloten voor de financiering van de woning. Het rentedeel
                    van een eventueel toegekende rijkssubsidie wordt hierop in mindering gebracht.
                    Rente verbonden aan (een deel van) de hypotheek, die betrekking heeft op
                    bijvoorbeeld de financiering van duurzame gebruiksgoederen, wordt niet
                    meegenomen. Bij de overige zakelijke lasten gaat het om het eigenaarsdeel van de
                    rioolrechten, het eigenaarsdeel van de onroerend zaak belasting, de
                    opstalverzekering en het eigenaarsdeel van de waterschapslasten.</al><al>Onder g is het begrip verzorgingsbehoevende omschreven. De vraag of iemand is
                    aangewezen op verzorging ter voorkoming van opname in een verpleeg- of
                    verzorgingstehuis zal moeten worden beantwoord op basis van een onafhankelijk
                    medisch onderzoek.</al><al>Het begrip schoolverlater zoals dit onder h is omschreven sluit aan bij de
                    bepaling die is opgenomen in artikel 28 van de WWB.</al><al><vet>Artikel 2 Werkingssfeer</vet></al><al>Deze Toeslagenverordening is van toepassing op belanghebbenden van 21 tot 65
                    jaar.</al><al>Hoewel de wet ook categoriale verlagingen mogelijk maakt voor belanghebbenden
                    van 18, 19 of 20 jaar, moet dit niet opportuun geacht worden. De normen voor
                    deze leeftijdscategorieën zijn in al laag vastgesteld, vanwege de
                    onderhoudsplicht van de ouders van belanghebbenden.</al><al>De verlening van een toeslag aan personen jonger dan 21 jaar is op grond van de
                    wet niet mogelijk. Indien een jongere te maken krijgt met hogere bestaanskosten
                    dat waarin de norm voorziet dan kan het college bijzondere bijstand verlenen in
                    deze extra kosten.</al><al><vet>Hoofdstuk 2 Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</vet></al><al><vet>Artikel 3 Toeslagen</vet></al><al>Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                    (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag indien een belanghebbende
                    lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm
                    voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten
                    met een ander. Artikel 3 van deze verordening vormt overigens het spiegelbeeld
                    van artikel 4 van deze verordening.</al><al>De gemeenteraad is op grond van artikel 30, lid 2, onderdeel a, WWB verplicht te
                    bepalen dat de toeslag 20 procent van de gezinsnorm bedraagt voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de norm of
                    toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in artikel 3, lid 1, van deze
                    verordening.</al><al>Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Zolang geen sprake
                    is van een gezinslid of van een gezamenlijke huishouding moet ervan worden
                    uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn
                    plaats. Gekozen is voor 10 procent van de gezinsnorm (artikel 3, lid 2, van deze
                    verordening).</al><al>In deze verordening is gekozen voor de forfaitaire variant voor het vaststellen
                    van de hoogte van de toeslag. Forfaitair betekent dat niet de werkelijke
                    bestaanskosten en de mate waarin deze in concreto gedeeld worden bepalend zijn
                    voor de hoogte van de toeslag, maar de enkele veronderstelling dat het delen van
                    kosten mogelijk is. Voor deze variant is gekozen, omdat deze de meest efficiënte
                    uitvoering oplevert en bovendien het minst fraudegevoelig is. In de
                    jurisprudentie is de forfaitaire variant algemeen aanvaard. In deze verordening
                    is daarom gekozen voor een toeslag van 10 procent van de gezinsnorm in het geval
                    één of meer anderen in dezelfde woning het hoofdverblijf hebben.</al><al>Als meer anderen in de woning hun hoofdverblijf hebben, kan er echter niet
                    zondermeer van worden uitgegaan dat het delen van kosten in nog sterkere mate
                    mogelijk is, zodat bijvoorbeeld de toeslag op nihil zou kunnen worden gesteld.
                    Om deze reden is er voor gekozen geen verdere differentiatie aan te brengen in
                    de hoogte van de toeslag.</al><al>In het derde lid wordt geregeld dat een zorgbehoevende niet wordt meegeteld als
                    persoon die in dezelfde woning het hoofdverblijf heeft. Uitgangspunt daarbij is
                    dat het niet wenselijk is om belanghebbende vanwege deze verzorgingstaken te
                    confronteren met een lagere toeslag. Overigens geldt wel dat de toeslag op de
                    eventuele bijstandsuitkering van de zorgbehoevende wel lager kan worden
                    vastgesteld vanwege het kostenvoordeel.</al><al>Volledigheidshalve moet hier nog worden opgemerkt dat in de uitzonderlijke
                    situatie dat de medebewoner over geen enkele vorm van inkomen beschikt (denk aan
                    de niet rechthebbende partner of inwonende uitgeprocedeerde asielzoeker)
                    verlaging van de toeslag vanwege medebewoning niet kan worden toegepast. De
                    medebewoner kan dan immers daadwerkelijk geen bijdrage in de kosten leveren,
                    waardoor er dus ook geen voordeel is voor de betrokkene. Ook hier is
                    jurisprudentie over(CRvB 4 maart 2003, 00/3534 NABW en 02/3129 NABW).</al><al><vet>Hoofdstuk 3 Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm</vet></al><al><vet>Artikel 4 Verlaging norm gezin</vet></al><al>Artikel 4 vormt het spiegelbeeld van artikel 3. Waar de norm voor een
                    alleenstaande (ouder) wordt verhoogd met 10% als een woning gedeeld wordt met
                    een ander, is dit ook gerealiseerd voor een gezin in dezelfde situatie. Het
                    gezin kan in dat geval namelijk ook kosten delen met een ander en daarom is een
                    verlaging op zijn plaats. Voor de verdere toelichting op dit artikel kan dan ook
                    worden verwezen naar de toelichting bij artikel 3.</al><al><vet>Artikel 5 Verlaging woonsituatie</vet></al><al>Artikel 27 WWB geeft de mogelijkheid de norm of de toeslag te verlagen in
                    zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                    heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 27 WWB respectievelijk is
                    aanvullend bedoeld op de artikelen 25 en 26 WWB.</al><al>In dit artikel is in onderdeel a een verlaging opgenomen voor de situatie dat
                    aan de woning voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Dat kan zich
                    voordoen bij krakers, of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijv.
                    de ouders of de ex-partner. Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de
                    huur of, als de belanghebbende een eigen woning bewoont, de verschuldigde
                    hypotheekrente en de aan het eigendom verbonden zakelijke lasten alsmede een
                    naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud. Het wordt nodeloos
                    ingewikkeld geacht om hier ook nog onderscheid te maken naar de mate waarin
                    woonkosten ontbreken. Indien een belanghebbende uitzonderlijk lage woonkosten
                    heeft, kan dat uiteraard wel aanleiding zijn om met toepassing van het
                    individualiseringsbeginsel de bijstand lager vast te stellen.</al><al>Het begrip woonkosten is in deze verordening in artikel 1, lid 2, onderdeel f,
                    gedefinieerd.</al><al>Daarmee wordt duidelijk, dat het hebben van kosten voor water, gas, licht en
                    dergelijke, voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging van op grond
                    van dit artikel te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling die de
                    Centrale Raad van Beroep heeft gegeven aan de invulling van het begrip
                    woonkosten in de zin van artikel 35, lid 1, Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7
                    en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.)</al><al>In onderdeel b wordt de verlaging ingeval er door belanghebbende in het geheel
                    geen woning bewoond vastgesteld op 10 procent van de gezinsnorm. Dit is in
                    overeenstemming met de toelichting op artikel 27 WWB. Een belanghebbende die
                    geen woning bewoond wordt geacht lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan te hebben vanwege het ontbreken van woonkosten. Niettemin zijn de kosten
                    van het bestaan niet zoveel lager als voor een belanghebbende die kosteloos
                    woont in een woning. Een dakloze wordt immers geconfronteerd met de hogere
                    kosten van het op straat leven, zoals bijvoorbeeld de kosten van
                    nachtopvang.</al><al>De hoogte van een verlaging krachtens dit artikel heeft geen invloed op de wijze
                    waarop de bijstand verleend moet worden. Indien bijstand verleend wordt aan
                    daklozen, kan het college gebruik maken van zijn bevoegdheid om een
                    budgetteringsplicht op te leggen of de bijstand in natura (in de vorm van
                    opvang) te verlenen.</al><al>Overigens geschiedt de verlening van bijstand aan belanghebbenden zonder adres
                    als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie
                    persoonsgegevens op grond van artikel 40, lid 1 en 2, WWB, en artikel 13, lid 3,
                    WIJ, door bij AMvB (Besluit WWB 2007) aan te wijzen centrumgemeenten. In onze
                    regio is Breda aangewezen als centrumgemeente. Niet elke belanghebbende zonder
                    woning is echter een adresloze die zich voor bijstandsverlening moet wenden tot
                    de centrumgemeente.</al><al>Wordt de norm of toeslag verlaagd omdat de belanghebbende geen woonlasten heeft
                    en is hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook nog eens op die grond
                    verlaagd wordt, dan kan dit spoedig als een te ver gaande vorm van verlaging van
                    de uitkering worden aangemerkt, gelet op het totale effect van de dubbele
                    verlaging. Op grond van het individualiseringsbeginsel zal de verlaging dan
                    beperkt moeten worden. Dit is opgevangen in het anti-cumulatieartikel van de
                    verordening (artikel 8).</al><al><vet>Artikel 6 Verlaging schoolverlater</vet></al><al>De schoolverlatersverlaging van artikel 28 WWB is volgens de toelichting op dat
                    artikel bedoeld om de schoolverlater gedurende het eerste half jaar niet in een
                    veel betere financiële positie te brengen als toen hij nog aangewezen was op
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming volgens de Wtos. Er wordt daarbij geen
                    onderscheid gemaakt naar een (voormalig) uit- of thuiswonende student of
                    scholier. Opmerking verdient nog dat bij gehuwden die beiden schoolverlater
                    zijn, de verlaging niet verdubbeld wordt. Deze blijft dan 20%.</al><al>Wordt naast de schoolverlatersverlaging ook een verlaging toegepast i.v.m.
                    medebewoning dan kan dit spoedig tot gevolg kan hebben dat de totale verlaging
                    te groot is en aanpassing behoeft, gelet op het individualiseringsbeginsel. Dit
                    is opgevangen in het anti-cumulatieartikel van deze verordening (artikel
                    8).</al><al><vet>Artikel 7 Verlaging toeslag alleenstaande van 21 of 22 jaar</vet></al><al>Artikel 29 WWB geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te passen
                    indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum jeugdloon er een
                    drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien het minimum jeugdloon
                    voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige ligt het voor de hand om
                    voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te passen dan voor een
                    22-jarige.</al><al>In het tweede lid wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van artikel 30,
                    tweede lid, onderdeel b, WWB om in de verordening vast te stellen dat de
                    schoolverlatersverlaging niet gelijktijdig kan worden toegepast met de verlaging
                    voor 21- en 22-jarigen. Voor het met voorrang toepassen van de
                    schoolverlatersverlaging is gekozen, omdat een 21- of 22-jarige schoolverlater
                    niet beter af is op grond van dit artikel dan een 23-jarige schoolverlater op
                    grond van artikel 6 van de Toeslagenverordening.</al><al><vet>Artikel 8 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>De verschillende verlagingen in deze verordening zien op verschillende
                    omstandigheden bij belanghebbende en kunnen elk afzonderlijk als redelijk in
                    betreffende omstandigheden worden beschouwd. Zonder dit artikel zou dat echter
                    kunnen betekenen, dat - vooral in situaties waarin de schoolverlatersverlaging
                    in combinatie met een van de andere verlagingsgronden aan de orde is - het
                    college de bijstand of inkomensvoorziening vanwege deze samenloop zo laag zou
                    moeten vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer zou zijn van adequate
                    bijstand of inkomensvoorziening. In voorkomende gevallen zou het college op
                    grond van artikel 18, eerste lid WWB de bijstand hoger moeten vaststellen.
                    Daarom is er voor gekozen om al in de Toeslagenverordening een minimum bedrag
                    vast te leggen, waarop het college de bijstand of inkomensvoorziening (inclusief
                    eventuele toeslag en verlagingen) tenminste moet vaststellen.</al><al>Dat laat onverlet dat in concrete omstandigheden het bij samenloop ook denkbaar
                    is dat de norm hoger moet worden vastgesteld. Het individualiseringsbeginsel kan
                    dus met zich meebrengen dat bij samenloop ook bij een resterende norm die boven
                    de in dit artikel genoemde percentages ligt, al aanleiding is om tot verhoging
                    daarvan over te gaan, gelet op alle omstandigheden van de belanghebbende.</al><al><vet>Artikel 9 Nadere regels</vet></al><al>Voor de juiste uitvoering van de verordening kan het noodzakelijk zijn dat
                    nadere uitvoeringsregels worden vastgesteld. Dit artikel geeft het college de
                    bevoegdheid om dergelijke regels vast te stellen.</al><al><vet>Artikel 10 Uitvoering</vet></al><al>Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van deze verordening bij het
                    college.</al><al><vet>Artikel 11 Verantwoording</vet></al><al>De gemeenteraad kan zijn controlerende functie alleen op een goede wijze
                    vormgeven indien beschikt wordt over de van belang zijnde gegevens. Om deze
                    reden is in dit artikel bepaald dat het college jaarlijks verslag moet doen over
                    de uitvoering van deze verordening. Deze verantwoording wordt afgelegd door
                    middel van het beleidsverslag sociale zekerheid.</al><al>Dit hoeft echter niet te betekenen dat er sprake is van een afzonderlijk
                    document. Een beleidsverslag kan ook onderdeel uitmaken van de reguliere
                    gemeentelijke P&amp;C-cyclus.</al><al><vet>Artikel 12 Intrekking</vet></al><al>Deze verordening vervangt de Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en
                    bijstand en wet investeren in jongeren 2010, gemeente Oosterhout, zoals
                    vastgesteld bij raadsbesluit van 18 mei 2010. Deze verordening wordt hierbij dan
                    ook ingetrokken.</al><al><vet>Artikel 13 Inwerkingtreding</vet></al><al>Op 22 december 2011 is de ‘Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en
                    samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op
                    bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van deelname aan de
                    arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van
                    uitkeringsgerechtigden’ in het Staatsblad (2011; 650) gepubliceerd. Eveneens is
                    op die datum het Besluit met betrekking tot de inwerkingtreding van deze wet
                    gepubliceerd (Staatsblad 2011; 651). Hierin is bepaald dat de Wet, met
                    uitzondering van enkele onderdelen hiervan, op 1 januari 2012 in werking
                    treedt.</al><al>De invoering van bovengenoemde wet maakt het noodzakelijk dat de Verordening
                    toeslagen en verlagingen gewijzigd wordt. Gelet op de invoeringsdatum van de wet
                    is het noodzakelijk dat de verordening zo spoedig mogelijk na vaststelling door
                    de gemeenteraad in werking treedt. Daarom treedt deze verordening in werking met
                    ingang van de dag na bekendmaking.</al><al><vet>Artikel 14 Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>