<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR153017_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van een toeristenbelasting 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws, 2011, 46</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening toeristenbelasting 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 224</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-11-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB11.0173</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt de Verordening toeristenbelasting 2011, die van toepassing blijft op de belastbare feiten, die zich vóór 1 januari 2012 hebben voorgedaan.</al><al>Ingangsdatum heffing: 1 januari 2012.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en invordering van een toeristenbelasting 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastbaar feit</titel></kop><al>Onder de naam “toeristenbelasting’ wordt een directe belasting geheven voor
                        het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een
                        vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene zijn
                        opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoongegevens van de
                        gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als
                                bedoeld in artikel 1.</al></li><li nr="2."><al>De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te
                                verhalen op degene die verblijf houdt als bedoeld in artikel 1.</al></li><li nr="3."><al>Als er geen persoon is aante wijzen die gelegenheid biedt tot
                                verblijf, is degene belastingplichting die verblijf houdt als
                                bedoeld in artikel 1.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>De belasting wordt niet geheven ter zake van het verblijf:</al><lijst><li nr="1."><al>van degene die verblijft in een toegelaten instelling: als bedoeld
                                in artikel 5, eerste lid, van de Wet Toelating Zorginstelling;</al></li><li nr="2."><al>van degene die verblijf houdt in een vakantieonderkomen voor welk
                                verblijf forensenbelasting is verschuldigd;</al></li><li nr="3."><al>van een vreemdeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de
                                Vreemdelingenwet 2000, die rechtmatig in Nederland verblijft in de
                                zin van artikel 8, letters c, d, f, g, h van voornoemde wet, en voor
                                zover deze persoon verblijf houden als bedoeld in artikel 2 van de
                                Verordening, onder verantwoordelijkheid het Centraal Orgaan opvang
                                Asielzoekers.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al>De belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen in het
                        belastingjaar. Het aantal overnachtingen wordt gesteld op het aantal
                        overnachtende personen vermenigvuldigd met het aantal nachten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing</titel></kop><al>1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>kampeermiddel: tent, tentwagen, kampeerauto, toercaravan dan wel
                                enig ander onderkomen of ander voertuig of gewezen voertuig of een
                                gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwwerk zijnde waarvoor een
                                omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel
                                2.1, eerste lid onder a, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is
                                vereist; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen
                                geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of ingericht dan wel worden
                                gebruikt voor recreatief nachtverblijf.</al></li><li nr="b."><al>kampeerterrein: terrein of plaats geheel of gedeeltelijk ingericht,
                                en volgens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven
                                tot het plaatsten of geplaatst houden van kampeermiddelen;</al></li><li nr="c."><al>vaste standplaats: een terrein of terreingedeelte dat deel uitmaakt
                                van een kampeerterrein en dat ter beschikking wordt gesteld voor de
                                plaatsing van eenzelfde kampeermiddel of stacaravan gedurende een
                                seizoen of een jaar;</al></li><li nr="d."><al>losse standplaats: een terrein of terreingedeelte dat deel uitmaakt
                                van een kampeerterrein en dat ter beschikking wordt gesteld voor de
                                volgtijdige plaatsing van verschillende kampeermiddelen;</al></li><li nr="e."><al>seizoen 1 januari tot en met 31 december: belastingtijdvak waarin
                                het belastbare feit zich voordoet;</al></li><li nr="f."><al>vakantieonderkomens: woningen en andere verblijven waaronder hotels,
                                motels, pensions, bungalows, en appartementen(hotels),
                                jeugdherbergen, vakantieboerderijen en dergelijke ruimten, niet
                                zijnde kampeermiddelen;</al></li><li nr="g."><al>woning: een huis, een naar aard en inrichting vergelijkbaar ander
                                onderkomen of een deel van een huis of een vergelijkbaar
                                onderkomen;</al></li><li nr="h."><al>particulier: een natuurlijk persoon die buiten de uitoefening van
                                een bedrijf of beroep gelegenheid biedt tot verblijf;</al></li><li nr="i."><al>particulier verhuurde woning: een woning die door een particulier
                                ter beschikking wordt gesteld voor het houden van verblijf met
                                overnachting tegen een vergoeding in welke vorm dan ook.</al></li></lijst><al>2. Voor vakantieonderkomens, woningen en voor kampeermiddelen op vaste of
                        losse standplaatsen kan het aantal overnachtingen op een bij de aangifte
                        gedaan verzoek van de belastingplichtige forfaitair worden vastgesteld.</al><al>3. Bij de forfaitaire berekening wordt voor vakantieonderkomens en woningen
                        per onderkomen of woning:</al><lijst><li nr="a."><al>vakantie-onderkomens en niet-beroepsmatig verhuurde ruimten bepaald
                                op het aantal slaapplaatsen;</al></li><li nr="b."><al>mobiele kampeeronderkomens en stacaravans op vaste of standplaatsen
                                bepaald op: </al><al>2 personen indien het aantal slaapplaatsen drie of minder bedraagt; </al><al>4 personen indien het aantal slaapplaatsen meer dan drie
                                betreft;</al></li><li nr="c."><al>mobiele kampeeronderkomens op losse standplaatsen bepaald op de som
                                van het aantal kampeeronderkomens bestemd voor verblijf van maximaal
                                drie personen, vermenigvuldigd met 2 en het aantal
                                kampeeronderkomens bestemd voor verblijf van meer dan drie personen,
                                vermenigvuldigd met 3.</al></li></lijst><al>4. Het aantal malen dat door de in het eerste lid bedoelde personen is
                        overnacht wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>ingeval verblijf wordt gehouden in vakantie-onderkomens,
                                niet-beroepsmatig verhuurde ruimten dan wel op vaste standplaatsen,
                                welke geschikt zijn voor gebruik of slechts gebruikt mogen worden </al><al>gedurende een periode van:</al><al>ten hoogste zes maanden bepaald op 60;</al><al>meer dan zes maanden bepaald op 100;</al></li><li nr="b."><al>ingeval verblijf wordt gehouden in mobiele kampeeronderkomens op
                                niet-vaste standplaatsen bepaald op 365.</al></li></lijst><al>5. Het aantal mobiele kampeeronderkomens als bedoeld in het derde lid,
                        letter c, wordt vastgesteld op het gemiddelde van een zestal tellingen
                        gedurende het belastingjaar, waarbij iedere telling valt binnen een
                        afzonderlijke periode van twee maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al><vet>Opteren voor niet-forfaitaire maatstaf van heffing</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 5 wordt op een door de
                        belastingplichtige bij de aangifte gedane aanvraag de maatstaf van heffing
                        vastgesteld op het werkelijke aantal overnachtingen, indien uit zijn
                        nachtregister blijkt dat dit aantal lager is dan het op grond van artikel 5
                        berekende aantal.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Nachtverblijfregister</titel></kop><al>1. De belastingplichtige is, behoudens in de de gevallen dat de forfaitaire
                        berekeningswijze van de heffingsgrondslag als bedoeld in artikel 5 wordt
                        toegepast, gehouden per belastingtijdvak een door de gemeente kosteloos ter
                        beschikking gesteld nachtverblijfregister bij te houden.</al><al>2. Het gemeentelijk nachtverblijfregister bevat de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en woonplaats van de gast;</al></li><li nr="b."><al>de datum van aankomst en vertrek;</al></li><li nr="c."><al>de som van het aantal gasten vermenigvuldigd met het aantal
                                overnachtingen ter zake waarvan belasting verschuldigd is;</al></li><li nr="d."><al>het totaal van de verschuldigde belasting.</al></li></lijst><al>3. De gemeenteambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen
                        kan ontheffing verlenen van het bijhouden van een gemeentelijk
                        nachtverblijfregister indien de belastingplichtige voornemens is om een
                        eigen nachtverblijfregister bij te houden indien dit eigen
                        nachtverblijfregister gekoppeld is aan een bedrijfsmatig gevoerde,
                        geautomatiseerde boekhouding.</al><al>4. Het verzoek tot de in lid 3 bedoelde ontheffing dient voor aanvang van
                        het betreffende belastingjaar te worden ingediend bij de in lid 3 genoemde
                        gemeenteambtenaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Belastingtarief</titel></kop><al>Het tarief bedraagt per overnachting € 1,20. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Belastingjaar</titel></kop><al>Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>1. De belasting wordtbij wege van aanslag geheven.</al><al>2. Na de aanvang van het belastingjaar kan aan de belastingplichtige een
                        voorlopige aanslag worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag waarop de
                        aanslag over dat jaar vermoedelijk zal worden vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Aanslaggrens</titel></kop><al>Geen belastingaanslag wordt opgelegd indien het aantal overnachtingen,
                        waartoe gelegenheid wordt of is gegeven, gedurende het belastingtijdvak
                        minder dan tien zal of heeft belopen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><al>1. In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten
                        de voorlopige aanslagen en de overige aanslagen moeten worden betaald in
                        twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de
                        maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                        vermeld en de tweede twee maanden later.</al><al>2. Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van
                        de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking
                        inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige
                        toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling
                        van de aanslag.</al><al>3. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de
                        op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één
                        aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 11.350,-- en zolang de </al><al>verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen
                        worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien (10)
                        gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de </al><al> dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens
                        een maand later.</al><al>4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid
                        gestelde termijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Van de verschuldigde belasting wordt geen kwijtschelding verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Aanmeldingsplicht</titel></kop><al>De belastingplichtige bedoeld in artikel 2, eerste lid, is gehouden, voordat
                        hij voor de eerste maal na het in werking treden van deze verordening
                        gelegenheid tot overnachten verschaft, zulks schriftelijk te melden aan de
                        door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren van de
                        gemeentelijke belastingen, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdelen b
                        en d van de gemeentewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Nadere regels door het college</titel></kop><al>Het college van Burgemeester en Wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en invordering van de toeristenbelasting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>De Verordening toeristenbelasting 2011, vastgesteld bij Raadsbesluit van 1
                        november 2010, wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2012, met dien
                        verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich
                        voor die datum hebben voorgedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr></kop><al><vet>Inwerkingtreding </vet></al><al>1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                        van de bekendmaking. </al><al>2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr></kop><al><vet>Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening toeristenbelasting
                        2012".</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de raadsvergadering van 7 november 2011,</ondertekening><ondertekening>Koen Schuiling, voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr. drs. M. Huisman, griffier</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>