<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR15272_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening reïntegratie Wet werk en bijstand 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Koerier, 04-11-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening reïntegratie Wet werk en bijstand 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, eerste lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikelen 7, 8 en 10 tweede lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers artikelen 34, 35 en 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers, artikelen 34, 35 en 36</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-10-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-11-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-1.844.5/GL</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening reïntegratie Wet werk en bijstand 2009.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Landerd;</al><al>Gezien het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van 18
                        augustus 2009</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, de artikelen 7 en 8 en
                        10 tweede lid van de Wet werk en bijstand, de artikelen 34, 35 en 36 van de
                        Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers
                        en de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers,</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het ondersteunen bij arbeidsinschakeling
                        en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling van
                        belanghebbenden bedoeld in artikel 7 eerste lid onderdeel a van de Wet werk
                        en bijstand te regelen,</al><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al>Tot het vaststellen van:</al><al><vet>de Verordening reïntegratie Wet werk en bijstand 2009</vet>.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze regeling verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>Uitkeringsgerechtigden</cursief>: personen met een
                                uitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand, de Ioaw of de
                                Ioaz;</al></li><li nr="b."><al><cursief>De wet</cursief>: de Wet werk en bijstand en de begrippen
                                die in deze verordening voorkomen hebben dezelfde betekenis als in
                                de Wet werk en bijstand is aangegeven;</al></li><li nr="c."><al><cursief>Anw-ers</cursief>: personen met een uitkering volgens de
                                Algemene nabestaandenwet die ingeschreven zijn bij het CWI;</al></li><li nr="d."><al><cursief>Nug</cursief>: niet-uitkeringsgerechtigde (conform artikel
                                6 van de wet)</al></li><li nr="e."><al><cursief>Ioaw</cursief>: Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers</al></li><li nr="f."><al><cursief>Ioaz</cursief>: Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</al></li><li nr="g."><al><cursief>Traject</cursief>: een plan dat door de gemeente is
                                opgesteld waarin de rechten en plichten van de belanghebbende worden
                                vastgelegd, dat ondertekend wordt door zowel de gemeente als de
                                belanghebbende en dat is gericht op het vergroten van de
                                mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces;</al></li><li nr="h."><al><cursief>Het college</cursief>: burgemeester en wethouders van
                                Landerd; </al></li><li nr="i."><al><cursief>De raad</cursief>: de gemeenteraad van Landerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bevoegdheid van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het nemen van besluiten over de
                        aanvragen op grond van artikel 7 van de wet met inachtneming van bepalingen
                        van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt aan bijstandsgerechtigden tot 65 jaar, aan personen
                            met een nabestaanden- of halfwezenuitkering, niet-uitkeringsgerechtigden
                            alsmede personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet,
                            ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan en, voor zover het college
                            dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die
                            arbeidsinschakeling. Artikel 40, eerste lid van de wet is van
                            overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van
                            voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij
                            gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de
                            mogelijkheden en capaciteiten van belanghebbende, het meest doelmatig is
                            met het oog op inschakeling in het arbeidsproces binnen een redelijke
                            termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan
                            ondersteuning en voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitkeringsgerechtigden, ANW-ers, Nuggers alsmede personen als bedoeld in
                            artikel 10, tweede lid van de wet, hebben aanspraak op ondersteuning bij
                            arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college
                            noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die gesteld zijn
                            in deze verordening en het in artikel 3 genoemde beleidsplan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een traject wordt aangevraagd door indiening van een volledig ingevuld
                            en eigenhandig ondertekend, door burgemeester en wethouders vastgesteld
                            formulier, waarbij de gevraagde bescheiden overgelegd dienen te
                            worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvrager is verplicht burgemeester en wethouders onmiddellijk
                            mededeling te doen van de feiten en omstandigheden die van belang kunnen
                            zijn voor de uitvoering van deze regeling onder overlegging van
                            bewijsstukken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verdelen van het beschikbare budget als bedoeld in artikel 4 vindt
                            plaats in volgorde van ontvangst van de aanvragen. Een aanvraag wordt in
                            deze volgorde opgenomen als zij volledig is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verplichtingen van de belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon die door het college een voorziening wordt aangeboden is
                            verplicht hiervan gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De persoon die deelneemt aan een voorziening is gehouden aan de
                            verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet Structuur Uitvoering
                            Werk en Inkomen, deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het
                            college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening, niet
                            voldoet aan het gestelde in het tweede lid, dan kan het college de
                            uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de
                            afstemmingsverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de persoon, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die gebruik
                            maakt van een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het tweede
                            lid, kan het college de kosten van de voorziening dan wel de subsidie
                            geheel of gedeeltelijk terugvorderen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Plafond reïntegratiebudget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit een of meer subsidie- of
                            budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door
                            het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een
                            weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in
                            aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Algemene bepalingen over de voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien
                                uit de wet en deze verordening, aan een voorziening nadere
                                verplichtingen verbinden.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan een voorziening beëindigen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de persoon die aan de voorziening deelneemt en de aan
                                        hem opgelegde verplichtingen in het kader van de wet niet
                                        nakomt;</al></li><li nr="b."><al>indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de
                                        doelgroep van de wet;</al></li><li nr="c."><al>indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt,
                                        waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze
                                        voorziening;</al></li><li nr="d."><al>indien naar het oordeel van het college de voorziening
                                        onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                        arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li></lijst><al>Bij uitvoeringsbesluit kan het college ten aanzien van de voorzieningen,
                        bedoeld in de artikelen 10 tot en met 14, nadere regels stellen. Deze regels
                        kunnen in ieder geval betrekking hebben op:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>de weigeringsgronden bij het aanbieden van voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of –
                                vaststelling;</al></li></lijst><al>d, de aanvraag, van en de besluitvorming over subsidies en premies;</al><al>e, de betaling van subsidies en het verlenen van voorschotten;</al><al>f, het vragen van een eigen bijdrage</al><al>g, overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het verstrekken
                        van subsidies.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Soorten trajecten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Trajecten worden onderscheiden in oriënterende trajecten, intensieve
                            trajecten en bijzondere trajecten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>a. Het oriënterende traject is voor de belanghebbende kosteloos. b. Het
                            intensieve traject wordt door de gemeente middels een lening
                            voorgefinancierd. c. Het bijzondere traject wordt door de gemeente
                            middels een lening voorgefinancierd waarnaast ook een eigen bijdrage kan
                            worden vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorfinanciering heeft de vorm van een renteloze lening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De eigen bijdrage zoals bedoeld in lid 2 sub c bestaat uit een bedrag
                            ter hoogte van een percentage van het gezinsinkomen van 10%, voor het
                            gedeelte waarmee het gezinsinkomen 120% van de bijstandsnorm
                            overstijgt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De individuele subsidieplafonds voor de genoemde trajectsoorten worden
                            bepaald op: a. Voor het oriënterende traject € 2.000,--. b. Voor het
                            intensieve traject € 7.500,--. c. Voor het bijzondere traject €
                            10.000,-.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Werkstages</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan de personen, bedoeld in artikel 1, onderdeel
                                    a, een werkstage aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>Het doel van de werkstage is het opdoen van werkervaring dan wel
                                    het leren functioneren in een arbeidsrelatie.</al></li><li nr="3."><al>Deze werkstage duurt maximaal zes maanden.</al></li><li nr="4."><al>Het college plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing
                                    de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed
                                    en indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt.</al></li><li nr="5."><al>In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd
                                    het doel van de werkstage, alsmede de wijze waarop de
                                    begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan uitkeringsgerechtigden <cursief>als
                                                onderdeel van een reïntegratietraject</cursief>
                                            activiteiten aanbieden in het kader van sociale
                                            activering.</al></li><li nr="2."><al>Onder sociale activering wordt verstaan het verrichten
                                            van maatschappelijk nuttige activiteiten ter
                                            voorbereiding op een traject gericht op
                                            arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Scholing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een vorm van scholing aanbieden gericht op
                                    arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde scholing kan aangeboden worden in
                                    de vorm van een subsidie.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt bij uitvoeringsbesluit regels ten aanzien van
                                    de noodzakelijkheid van de scholing, de duur en de maximale
                                    kosten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Premies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan personen een gemaximeerde activeringspremie
                            toekennen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze premie wordt verstrekt in het volgende geval:</al><al>a.Het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, niet zijnde
                            gesubsidieerde arbeid;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt bij uitvoeringsbesluit regels over de doelgroepen en
                            de hoogte van de premies.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Voorzieningen gericht op nazorg</titel></kop><al>Het college kan aan ondernemingen waarbij een persoon algemeen
                            geaccepteerde arbeid heeft aanvaard, voorzieningen bieden gericht op
                            nazorg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            niet voorziet, beslissen burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen ten gunste van
                            de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien
                            toepassing ervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Herziening</titel></kop><al>Bij niet- of niet-behoorlijke nakoming van bij of krachtens deze verordening
                        gegeven bepalingen, alsmede bij het opzettelijk verstrekken of doen
                        verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens, kunnen burgemeester en
                        wethouders besluiten tot herziening van het besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Terugvordering en verhaal van kosten op de belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Terugvordering en verhaal van kosten vindt, behoudens voor zover het
                                betreft de vastgestelde eigen bijdrage, alleen plaats om de redenen
                                vermeld in dit artikel.</al></li><li nr="2."><al>Indien de belanghebbende de verplichtingen op grond van deze
                                verordening en de met hem gesloten trajectovereenkomst verwijtbaar
                                niet of onvoldoende nakomt, dan vordert de gemeente het
                                voorgefinancierde gedeelte van de trajectkosten geheel of
                                gedeeltelijk van de belanghebbende terug. De mate van terugvordering
                                wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van
                                verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende. Geen
                                terugvordering vindt plaats als alle verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li><li nr="3."><al>Trajectkosten die door de gemeente gemaakt zijn op grond van door de
                                belanghebbende verstrekte onjuiste of onvolledige inlichtingen
                                kunnen te allen tijde worden teruggevorderd dan wel op
                                belanghebbende worden verhaald.</al></li></lijst><al>De gemeente biedt een terugbetalingsregeling in termijnen aan. De gemeente
                        zal eventuele kosten voor invordering verhalen op de belanghebbende.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt jaarlijks geëvalueerd.
                        Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze verordening
                        aangepast. Het college zendt hiertoe jaarlijks na de inwerkingtreding van de
                        verordening aan de raad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten
                        van de verordening in de praktijk</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking
                            en werkt terug tot en met 1 oktober 2009.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Verordening reïntegratie wet werk en bijstand 2004 (vastgesteld op 29
                            april 2004) wordt met ingang van 1 oktober 2009 ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening reïntegratie wet werk en
                        bijstand 2009</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad der gemeente Landerd</ondertekening><ondertekening>van 8 oktober 2009</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.A.G. Huijs W.C. Doorn-Van der Houwen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><tussenkop>Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking.
                    Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk
                    van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een
                    zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op de uitgangspunt
                    dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende kwalificaties beschikken
                    gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun
                    levensonderhoud kunnen voorzien. </tussenkop><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan de
                    WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide de plicht tot
                    arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het
                    uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering, mits’ in de WIJ is dit omgedraaid en
                    geldt als uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’.</al><al>Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en plichten. De
                    gemeente is onder bepaalde voorwaarden verplicht een werkleeraanbod en eventueel
                    een inkomensvoorziening aan te bieden. De jongere is verplicht zich te houden
                    aan diverse verplichtingen.</al><al>Bovenstaande wijziging is reden geweest om de reïntegratieverordening wet werk
                    en bijstand te actualiseren.</al><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Wet
                    Werk en Bijstand. Waar dat mogelijk is, kan de gemeente via de begripsbepalingen
                    eigen accenten leggen.</al><al>In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip wordt
                    in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als ‘degene wiens
                    belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. </al><tussenkop>Artikel 2 Bevoegdheid van burgemeester en wethouders</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich</al><tussenkop>Artikel 3 Opdracht college</tussenkop><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college vormgegeven analoog aan artikel
                    7 van de WWB. Hiervoor is gekozen uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie.
                    Tevens biedt dit artikel de mogelijkheid om aan het college specifieke
                    opdrachten mee te geven. Een voorbeeld kan zijn een speciale opdracht om
                    uitstroom uit bestaande gesubsidieerde arbeid te stimuleren.</al><al>In de WWB is in artikel 10, derde lid aangegeven dat de aanspraak op
                    voorzieningen alleen geldt voor die personen die ook daadwerkelijk inwoners van
                    de gemeente zijn, door middel van een verwijzing naar artikel 40, eerste lid van
                    de wet. Door deze verwijzing ook aan de opdracht aan het college te koppelen,
                    kan de gemeente aangeven voorzieningen alleen voor de eigen doelgroep in te
                    willen zetten.</al><al>Het tweede lid is de vertaling van de opdracht uit de WWB dat de gemeente
                    evenwichtige aandacht aan de diverse doelgroepen moet besteden, en rekening moet
                    houden met de combinatie arbeid en zorg. In het beleidsplan, maar met name in de
                    uitvoering komt vervolgens tot uiting hoe dit punt uitgewerkt wordt.</al><al>Het derde lid geeft het college de specifieke opdracht een zodanig aanbod van
                    voorzieningen te realiseren, dat zoveel mogelijk personen ondersteund kunnen
                    worden. Dit is met name van belang omdat de gemeente de aanspraak op een
                    voorziening niet kan weigeren als slechts het budget ontoereikend is: er dient
                    altijd een alternatief voorhanden te zijn.</al><tussenkop>Artikel 4 Aanspraak op ondersteuning</tussenkop><al>De WWB stelt niet zo expliciet dat de aanspraak op voorzieningen in de
                    verordening geregeld moet worden. Immers, het is ook al in de WWB zelf geregeld.
                    Eveneens uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie is ervoor gekozen een
                    algemene bepaling over de aanspraak op te nemen (eerste lid).</al><al>In het tweede lid wordt expliciet te koppeling gelegd tussen de algemene
                    aanspraak van de belanghebbende en de criteria die gehanteerd worden bij het
                    aanbieden van voorzieningen. Daarbij wordt verwezen naar elk document waarin die
                    criteria geformuleerd kunnen worden, doch minimaal de verordening en het
                    beleidsplan.</al><tussenkop>Artikel 5 Aanvraag</tussenkop><al>Ter bepaling of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 4 en
                    om eventueel een eigen bijdrage te kunnen vaststellen als bedoeld in artikel 8,
                    dienen burgemeester en wethouders te beschikken over de daartoe benodigde
                    gegevens. Tevens is het vaststellen van het moment van de aanvraag en daarom de
                    schriftelijke vastlegging daarvan van belang voor de juiste toepassing van het
                    subsidieplafond.</al><tussenkop>Artikel 6 Verplichtingen van de belanghebbende</tussenkop><al>In de WWB is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij het recht
                    op een uitkering. Wederom uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie zijn in
                    het eerste en tweede lid de verplichtingen conform de wet geformuleerd. </al><al>Het derde lid biedt de verbinding met de afstemmingsverordening. Deze
                    verordening regelt het opleggen van een maatregel indien de
                    uitkeringsgerechtigde niet aan zijn verplichtingen voldoet. Deze maatregel
                    bestaat uit het verlagen van de uitkering met een bepaald percentage. Echter,
                    voor personen zonder uitkering bijvoorbeeld, ANW-ers, kan de gemeente de
                    uitkering niet verlagen als maatregel. Daarom is in het vierde lid de
                    mogelijkheid opgenomen dat in die gevallen de gemeente (een deel van) de kosten
                    die gemaakt zijn terug kan vorderen.</al><tussenkop>Artikel 7 Plafond reïntegratiebudget</tussenkop><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de middelen over de verschillende voorzieningen. Dit kan in het beleidsplan
                    gebeuren (zie het artikel over beleidsplan). Het uitgeput zijn van
                    begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen
                    te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken kan de gemeente bij verordening
                    subsidie- en budgetplafonds instellen.</al><al>De WWB stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan
                    zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke
                    andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus is dat er
                    geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening
                    een plafond wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander
                    instrument wordt uitgeweken.</al><al>Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om plafonds
                    in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt
                    verwezen naar de bedragen die in het beleidsplan of in de begroting voor de
                    verschillende voorzieningen worden gereserveerd.</al><al>Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in het
                    kader van voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die
                    subsidies inhouden. Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden vóór
                    de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb). </al><tussenkop>Artikel 8 Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>In de lijn van het systeem van deze verordening strekt dit artikel ertoe enkele
                    zaken te regelen die te maken hebben met alle voorzieningen, ook die
                    voorzieningen die niet met name in de verordening zijn opgenomen. Het eerste lid
                    geeft daarom aan dat de verordening geen uitputtende opsomming van voorzieningen
                    bevat.</al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening nadere
                    verplichtingen te verbinden. Dit kunnen verplichtingen van diverse aard zijn. Zo
                    kan bepaald worden dat de belanghebbende gedurende het traject op gezette tijden
                    met de consulent de voortgang bespreekt.</al><al>Het derde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al>Een bijzonder aandachtspunt is hier het uitbesteden van voorzieningen aan
                    reïntegratiebedrijven. Immers, bij uitbesteden wordt een deel van de regie uit
                    handen gegeven. Het verdient dan ook aanbeveling dat in het contract met het
                    reïntegratiebedrijf wordt verklaard dat deze reïntegratieverordening van
                    toepassing is.</al><al>Het vierde lid geeft het college de algemene bevoegdheid om voor voorzieningen
                    nadere regels te stellen. Dit heeft met name tot doel om bij
                    subsidieverstrekking de uitvoering zoveel mogelijk aan het college over te
                    laten.</al><al>De bepaling over het vragen van een eigen bijdrage heeft betrekking op de
                    doelgroep Nuggers. Immers, van deze groep is het niet vanzelfsprekend dat zij op
                    een laag inkomensniveau zitten. Het vragen van een eigen bijdrage, eventueel
                    gerelateerd aan de hoogte van het inkomen, kan dan op zijn plaats zijn. </al><tussenkop>Artikel 9 Soorten trajecten</tussenkop><al>Tezamen met artikel 6 en artikel 18 vormt dit artikel de vertaling van het
                    beleidsuitgangspunt dat deelname aan trajecten wel vrijwillig is, doch
                    afhankelijk van de zwaarte van het traject, niet vrijblijvend. Bij een hogere
                    inzet van de gemeente kunnen aan de inzet van de belanghebbende zwaardere eisen
                    worden gesteld. Dit komt tot uitdrukking in een terugvorderbaarheid bij
                    verwijtbaar afbreken van de duurdere trajecten. Indien bijzondere inspanning van
                    de gemeente wordt verlangd (de dure maatwerktrajecten), dan staat daartegenover
                    bovendien een eigen bijdrage naar draagkracht. De wetgeving kent geen algemeen
                    instrumentarium om dit te bewerkstelligen. Dit instrumentarium wordt daarom in
                    privaatrechtelijke overeenkomsten vastgelegd. De belanghebbende raakt pas
                    gebonden door zijn eigen instemming.</al><tussenkop>Artikel 10 Werkstages</tussenkop><al>Werkstages zijn een betrekkelijk nieuw instrument voor gemeenten om langdurig
                    werklozen te reïntegreren. Voor de term werkstage is gekozen om te benadrukken
                    dat het gaat om een soort scholingsinstrument: niet de arbeid zelf, maar het
                    leren werken staat centraal. </al><al>Het is belangrijk in de gaten te houden onder welke voorwaarden de werkstage
                    aangeboden wordt. Dit vanwege het gevaar dat de werkstage beschouwd kan worden
                    als een gewone arbeidsovereenkomst. Volgens het arbeidsrecht is er sprake van
                    een arbeidsovereenkomst indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="-"><al>er dient sprake te zijn van de persoonlijke verplichting om arbeid te
                            verrichten;</al></li><li nr="-"><al>die arbeid wordt verricht onder gezag van een ander;</al></li><li nr="-"><al>die ander betaalt voor de arbeid een bepaald bedrag aan loon;</al></li><li nr="-"><al>de arbeid wordt verricht gedurende enige tijd.</al></li></lijst><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het
                    persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het
                    uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een
                    werkstage in de regel geen sprake van beloning. Het is daarom verstandig
                    terughoudend te zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding. Er
                    kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, maar daarbij moet dan ook
                    daadwerkelijk sprake zijn van een vergoeding van gemaakte kosten.</al><al>Over de praktische invulling van de werkstage is veel waardevolle informatie
                    opgenomen in het boekje <cursief>Work first! (2): Van model naar
                        praktijk</cursief> van StimulanSZ. Hierin wordt ook uitgebreid aandacht
                    besteed aan de arbeidsrechtelijke aspecten van werkstages.</al><al>Het eerste lid van artikel 10 geeft de algemene bepaling voor het aanbieden van
                    een werkstage. </al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om
                    het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is met name van
                    belang om te voorkomen dat de belanghebbende claimt dat sprake is van een
                    arbeidsovereenkomst, en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                    opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                    ‘snuffelstage’, waarbij de belanghebbende de gelegenheid krijgt om te bezien of
                    het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het
                    gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan de
                    belanghebbende wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerken met collega’s.</al><al>Het derde lid geeft de maximale duur van de werkstage aan. Hierbij kan gedacht
                    worden aan een termijn van drie tot zes maanden. </al><al>Het vierde lid geeft aan dat er bij plaatsing geen verdringing plaats vindt, of
                    dat de concurrentieverhoudingen niet nadelig worden beïnvloed. Het college kan
                    dit doen door expliciet na te gaan dat het werk dat verricht gaan worden niet
                    productief is, of dat er geen recent ontslag heeft plaatsgevonden.</al><al>In het vijfde lid wordt bepaald dat er voor de werkstage een schriftelijke
                    overeenkomst (stage-overeenkomst) wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel
                    van de stage worden opgenomen, alsmede de wijze van begeleiding. Door deze
                    schriftelijke overeenkomst kan nog eens gewaarborgd worden dat het bij een
                    werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><tussenkop>Artikel 11 Sociale activering</tussenkop><al>Volgens de WWB dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn op
                    arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een
                    te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet reïntegratie, maar
                    participatie voorop.</al><al>Gezien de beperkte middelen uit het werkdeel in relatie tot de omvang van de
                    doelgroep, kan het een overweging zijn onderscheid te maken tussen sociale
                    activering als onderdeel van een reïntegratietraject, als voorbereiding op
                    arbeidsinschakeling, en sociale activering gericht op het laten participeren van
                    de persoon in de maatschappij. </al><al>Bovengenoemd onderscheid komt terug in de bepalingen over sociale activering. In
                    het eerste lid is daarom de zinsnede “als onderdeel van een reïntegratietraject”
                    toegevoegd. In het tweede lid, geeft een omschrijving geeft van het begrip
                    ‘sociale activering’. Bij sociale activering als reïntegratieinstrument kunnen
                    ook bepalingen opgenomen worden over de maximale termijn waarbinnen deze
                    activiteiten plaatsvinden.</al><tussenkop>Artikel 12 Scholing</tussenkop><al>Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument, waarbij het moeilijk is vooraf
                    algemene richtlijnen te geven die in de verordening moeten worden opgenomen.
                    Daarom is dit artikel alleen nodig indien de gemeente op het niveau van de
                    verordening een aantal randvoorwaarden wil formuleren, zoals die genoemd zijn in
                    het derde lid. Het tweede lid geeft aan dat de scholing zowel aangeboden kan
                    worden als voorziening die door de gemeente ingekocht kan worden, als in de vorm
                    van een subsidie. Dit laatste kan van belang zijn indien de belanghebbende op
                    eigen initiatief met een vorm van scholing komt die door het college als
                    noodzakelijk wordt geacht, maar die niet bestaat binnen het reguliere
                    scholingsaanbod van de gemeente.</al><tussenkop>Artikel 13 Premies</tussenkop><al>In de WWB is geregeld in art. 31 lid 2 sub j dat jaarlijks een gemaximeerde
                    activeringspremie kan worden verstrekt. Deze premie is onbelast, en telt dus ook
                    niet mee bij de toepassing van inkomensafhankelijke regelingen. Dit is alleen
                    het geval als in datzelfde jaar geen onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk
                    is verstrekt.</al><al>De gemeente mag haar premiebeleid afstemmen op de verschillende activiteiten die
                    in het kader van activering verricht worden en daarbij de hoogte van de premie
                    laten variëren. De gemeente mag ook besluiten bepaalde activiteiten in het
                    geheel niet te premieren. Tenslotte mag de gemeente de premie afhankelijk maken
                    van doelgroepen, zoals arbeidsgehandicapten, ouderen, jongeren, afstand tot de
                    arbeidsmarkt etc.</al><al>De WWB regelt in art. 31 lid 2 sub k de maximale onkostenvergoedingen bij het
                    verrichten van vrijwilligerswerk (€ 25,00 per week, met een maximum van € 800,00
                    per jaar). Ook deze zijn onbelast en werken niet door bij inkomensafhankelijke
                    regelingen. Ook hier kan de gemeente variëren in hoogte.</al><al>In deze verordening is ervoor gekozen het verstrekken van premies in algemene
                    zin te regelen: de criteria en de doelgroepen worden omschreven in het
                    beleidsplan, al dan gekoppeld aan de bevoegdheid van het college om nadere
                    regels te stellen. Er zal een aparte premieverordening worden opgesteld, omdat
                    het overzicht op deze verordening in het gedrang komt wanneer allerlei
                    bepalingen over doelgroepen, criteria en de hoogte van de subsidies zouden
                    worden opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 14 Voorzieningen gericht op nazorg</tussenkop><al>Mede gezien de beperkte budgetten is het belangrijk ervoor te zorgen dat
                    cliënten na uitstroom niet na een korte periode terugvallen in de uitkering. De
                    gemeente kan ertoe besluiten veel aandacht te besteden aan nazorg, met als doel
                    een werkelijk duurzame plaatsing te realiseren. Bij dit artikel is ervan
                    uitgegaan dat nazorg alleen geboden kan worden ná acceptatie van algemeen
                    geaccepteerde arbeid.</al><tussenkop>Artikel 15 Onvoorziene omstandigheden</tussenkop><al>Deze restclausule biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid in alle
                    niet-voorziene situaties te handelen naar bevind van zaken. Omdat ook deze
                    beslissingen onderworpen zijn aan de voorgeschreven bezwaar- en
                    beroepsprocedures, dient ook in deze gevallen de beslissing gemotiveerd genomen
                    te worden</al><tussenkop>Artikel 16 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Dit artikel maakt het mogelijk in het voordeel van de belanghebbende af te
                    wijken van hetgeen in de verordening is vastgelegd.</al><tussenkop>Artikel 17 Herziening</tussenkop><tussenkop>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 18 Terugvordering en verhaal van kosten op de
                    belanghebbende</tussenkop><al>Dit is het sluitstuk van het beginsel “vrijwillig maar niet vrijblijvend”.
                    Blijft de medewerking verwijtbaar uit, dan komt bij het intensieve en bij het
                    bijzondere traject de mogelijkheid van terugvordering in beeld. </al><al>Bij het oriënterende traject is gekozen voor een grotere mate van
                    vrijblijvendheid en bestaat geen terugvorderingsmogelijkheid. Voor deze
                    trajecten wordt een doorslaggevendere rol toegekend aan de wensen van de
                    belanghebbende. Het open en uitnodigende karakter (zonder drempels op te werpen)
                    weegt zwaarder dan de relatief geringe geldelijke investering die de gemeente
                    doet.</al><tussenkop>Artikel 19 tot en met 21</tussenkop><al>Deze artikelen spreken voor zich</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>