<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR15270_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Koerier, 04-11-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, eerste lid, onderdeel b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 18</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-10-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-11-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-1.844.5/GL</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Landerd;</al><al>Gezien het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van 18
                        augustus 2009;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b, en artikel 18 van de Wet werk
                        en bijstand; gelet op de bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht en de
                        Gemeentewet; </al><al>overwegende dat het noodzakelijk is te regelen de wijze waarop de algemene
                        bijstand wordt verlaagd bij wijze van sanctie bij verordening te regelen; </al><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al>vast te stellen de <vet>maatregelenverordening Wet werk en Bijstand
                            2009</vet>.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB Stb 2003, nr, 375));</al></li><li nr="·"><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    b, van de wet;</al></li><li nr="·"><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    d, van de wet;</al></li><li nr="·"><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="·"><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    c, van de wet;</al></li><li nr="·"><al>langdurigheidstoeslag: de langdurigheidstoeslag bedoeld in
                                    artikel 5, onderdeel e, van de wet;</al></li><li nr="·"><al>maatregel: het verlagen van de bijstand of de
                                    langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van
                                    de wet; </al></li><li nr="·"><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Landerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28,
                                tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) voortvloeiende
                                verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het
                                zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig
                                deze verordening een maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag
                                indien: </al><lijst><li nr="-"><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand of de
                                        langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>1.In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de maatregel, </al></li><li nr="b."><al>de duur van de maatregel, </al></li><li nr="c."><al>het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, </al></li><li nr="d."><al>het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd uitgaande van de
                                    uitkeringsnorm en, </al></li><li nr="e."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van een
                                    standaardmaatregel. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de
                                        wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                        inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de
                                        wet; of</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht in voor het
                                        vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en
                                        als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is
                                        verleend. Een maatregel wegens schending van de
                                        inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf
                                        jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand of de
                                langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                                uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                                heroverwogen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van
                            de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de gedraging waarop de
                            zwaarste maatregel is gesteld. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen
                            of</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij de Centraleorganisatie werk en inkomen of het niet
                                            tijdig laten verlengen van de registratie;</al></li><li nr="b."><al>het niet ondertekenen of het niet aan burgemeester en
                                            wethouders verstrekken van de bijlage bij het besluit
                                            tot toekenning of voortzetting van de bijstand. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het college
                                    aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10,
                                    eerste lid van de wet, waaronder begrepen sociale
                                    activering.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel
                                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>vijf</vet> procent van de bijstandsnorm gedurende
                                            een maand bij gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al><vet>tien</vet> procent van de bijstandsnorm gedurende
                                            een maand bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al><vet>twintig</vet> procent van de bijstandsnorm
                                            gedurende een maand bij gedragingen van de derde
                                            categorie;</al></li><li nr="d."><al><vet>honderd</vet> procent van de bijstandsnorm
                                            gedurende een maand bij gedragingen van de vierde
                                            categorie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid
                                            wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen
                                            twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
                                            een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan
                                            een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere
                                            categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is
                                            opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                            te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in
                                            artikel 6, tweede lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17
                                van de wet niet is nagekomen door informatie die van belang is voor
                                de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de
                                door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt met
                                toepassing van artikel 54 van de wet een maatregel opgelegd van
                                    <vet>vijf </vet>procent van de bijstandsnorm gedurende
                                    <vet>één</vet> maand, onverminderd artikel 2, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
                                een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als
                                verwijtbare aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een
                                maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel kan worden afgezien en worden
                                volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij
                                het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt
                                binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop
                                eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is
                                gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                                gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                            inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet
                                            heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
                                            bedrag verlenen van bijstand, wordt de maatregel
                                            afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel
                                            op de volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10% van de
                                    bijstandsnorm;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20% van de
                                    bijstandsnorm;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40% van de
                                    bijstandsnorm;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100% van de
                                    bijstandsnorm.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De duur van de maatregel, bedoeld in het tweede lid,
                                            wordt vastgesteld op een maand.</al></li><li nr="4."><al>Van een maatregel wordt afgezien:</al><lijst><li nr="a."><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is
                                            ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
                                            aanvang heeft genomen;</al></li><li nr="b."><al>zodra het recht tot strafvervolging is vervallen,
                                            doordat het Openbaar Ministerie een schikking met
                                            belanghebbende heeft getroffen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 17 van de wet niet heeft geleid tot het ten
                                onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, bedraagt
                                de maatregel, onverminderd artikel 2, tweede lid, vijf procent van
                                de bijstand gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende
                                een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt een
                                maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de
                                belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht
                                heeft op bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de volgend
                                wijze vastgesteld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij een periode van 3 maanden of korter: 10% van de bijstandsnorm
                                gedurende een maand;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij een periode van 3 tot 6 maanden: 10% van de bijstandsnorm
                                gedurende drie maanden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>bij een periode van 6 maanden en langer: 10% van de bijstandsnorm
                                gedurende zes maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel met
                                betrekking tot onverantwoorde intering van het vermogen op de
                                volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>Tot € 2.500,00 een maatregel toepassen over 6 maanden; </al></li><li nr="b."><al>van € 2.500,00 tot € 5.000,00 een maatregel toepassen over 9
                                        maanden;</al></li><li nr="c."><al>van € 5.000,00 tot € 12.500,00 een maatregel toepassen over
                                        1 jaar;</al></li><li nr="d."><al>van € 12.500,00 tot € 50.000,00een maatregel toepassen over
                                        1,5 jaar;</al></li><li nr="e."><al>van € 50.000,00 tot €100.000,00een maatregel toepassen over
                                        2 jaar;</al></li><li nr="f."><al>vanaf 100.000,00 een maatregel toepassen over 5 jaar</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18,
                            tweede lid van de wet, wordt onverminderd artikel 2, tweede lid, een
                            maatregel opgelegd van minimaal twintig procent van de bijstandsnorm
                            gedurende een maand. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                                overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt jaarlijks
                            geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze
                            verordening aangepast. Het college zendt hiertoe jaarlijks na de
                            inwerkingtreding van de verordening aan de raad een verslag over de
                            doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na
                                bekendmaking en werkt terug tot en met 1 oktober 2009.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2004 (vastgesteld op
                                29 april 2004) wordt met ingang van 1 oktober 2009 ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening Wet werk
                            en bijstand 2009.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad der gemeente Landerd</ondertekening><ondertekening>van 8 oktober 2009</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.A.G. Huijs W.C. Doorn-Van der Houwen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><tussenkop>Uitgangspunten Wet werk en bijstand </tussenkop><tussenkop>De Wet werk en bijstand (WWB)</tussenkop><al>Op 1 januari 2004 is de Wet werk en bijstand (WWB) ingevoerd. Een nota WWB is
                    indertijd opgesteld. Het beleid is in 2007 geëvalueerd. </al><tussenkop>Uitgangspunten WWB</tussenkop><al><cursief>Uitgangspunt</cursief> van de wet is dat iedere burger geacht wordt
                    zelfstandig in zijn bestaan te kunnen voorzien door middel van arbeid. Als dit
                    niet mogelijk is, is het de taak van de overheid hem te helpen met het zoeken
                    naar werk. En, zolang met werk nog geen zelfstandig bestaan mogelijk is, met
                    inkomensondersteuning. <cursief>Het doel</cursief> van de nieuwe wet is het
                    (meer dan voorheen) activeren van bijstandsgerechtigden tot intrede of
                    herintrede in betaald werk én om gemeenten de centrale verantwoordelijkheid te
                    geven voor het bevorderen van reïntegratie van bijstandsgerechtigden, Nuggers
                    (niet-uitkeringsgerechtigden) en Anw-ers (Algemene nabestaanden wet) naar
                    betaald werk.</al><tussenkop>Wet investeren in jongeren</tussenkop><tussenkop>Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking.
                    Doel van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk van
                    jongeren tot 27 jaar. </tussenkop><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan de
                    WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide de plicht tot
                    arbeidsparticipatie.</al><al>Evenals in de WIJ geldt binnen de WWB een stelsel van rechten en plichten.
                    Worden deze verplichtingen geschonden, dan dient de inkomensvoorziening verlaagd
                    te worden. Die verlaging geschiedt conform de regels die in een gemeentelijke
                    verordening moeten zijn vastgelegd. Dat is de Maatregelverordening.</al><al>Bij de start in 2004 is een Afstemmingsverordening WWB 2004 ingevoerd. Met de
                    komst van de WIJ dient deze verordening te worden aangepast.</al><tussenkop>Reikwijdte Maatregelverordening WWB</tussenkop><al>De in de WWB vastgelegde reikwijdte van de gemeentelijke Maatregelverordening is
                    ruimer van aard dan die in de WIJ. Aan de bijstand kunnen meer uiteenlopende
                    verplichtingen verbonden worden dan aan het werkleeraanbod en de
                    inkomensvoorziening. Het scala is ruimer van aard. </al><al>Een ander verschil tussen de WWB en de WIJ is dat de inkomensvoorziening niet
                    verlaagd kan worden als de jongere zich schuldig maakt aan tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid in de voorziening in het bestaan, anders dan in de vorm
                    van schending van één van de in artikel 41 WIJ genoemde verplichtingen. Dat
                    heeft tot gevolg dat de inkomensvoorziening niet verlaagd kan worden in geval
                    van het onverantwoord interen van vermogen en bij verwijtbare werkloosheid, als
                    deze gedragingen leiden tot het indienen van een aanvraag voor een
                    werkleeraanbod. Het belang van duurzame arbeidsparticipatie van de jongere heeft
                    in deze geprevaleerd boven het als maatregelwaardig aanmerken van de
                    bovengenoemde gedragingen. </al><al>De Maatregelverordening WWB heeft al met al dus een ruimere strekking en
                    reikwijdte dan de Maatregelverordening WIJ wijkt daarom af waar het de
                    omschreven maatregelwaardige gedragingen betreft. </al><tussenkop>Verlagen is maatwerk</tussenkop><al>Hoewel de gemeenteraad de regels stelt over het verlagen van de algemene
                    bijstand is het verlagen van de bijstand een vorm van maatwerk, waarmee het
                    college is belast. Binnen de kaders van de WWB dient de maatregel afgestemd te
                    worden op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                    omstandigheden van de jongere. Het uitgangspunt wordt gevormd door de regels die
                    ter zake door de gemeenteraad zijn gesteld. In de Maatregelverordening zijn de
                    gedragingen die een schending van de verplichtingen opleveren genormeerd. Die
                    normering is echter niet absoluut. Zowel in de ernst van de gedraging als de
                    mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de belanghebbende kan
                    aanleiding worden gevonden om van de standaardmaatregel af te wijken. Ontbreekt
                    elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het college echter zonder meer verplicht
                    om van verlaging af te zien. </al><tussenkop>Berekeningsgrondslag en duur van de maatregel</tussenkop><al>De maatregel wordt in deze verordening toegepast op de toepasselijke WWB-norm.
                    Ingegeven door overwegingen van uitvoerbaarheid, zou de gedachte kunnen rijzen
                    dat het noemen van vaste bedragen in de verordening wellicht handiger zou zijn.
                    Daar tegenover staat echter dat dit spoedig tot vormen van rechtsongelijkheid en
                    disproportionaliteit kan leiden. Een maatregel van € 250,- betekent voor een
                    alleenstaande een verlies van een groter deel van de algemene bijstand, terwijl
                    dit voor een echtpaar verhoudingsgewijs een veel minder groot aandeel betreft.
                    Bovendien roept het verlagen van de algemene bijstand met een vast bedrag ook
                    het beeld op van een boete. Mede om die redenen is de maatregel in deze
                    verordening gerelateerd aan de toepasselijke WWB-norm.</al><al>In deze verordening wordt gekozen voor een maand als de reguliere duur van de
                    maatregel. Bij recidive geldt als regel dat deze duur verdubbeld wordt. Voor
                    schending van de inlichtingenplicht is dit expliciet opengelaten, zodat ook
                    eenvoudig gekozen kan worden voor verdubbeling van het percentage. </al><al><vet>De term 'maatregel'</vet>Het verlagen van de algemene bijstand
                    op grond van het feit dat de belanghebbende zijn verplichtingen niet of in
                    onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de WIJ aangeduid als het verlagen van de
                    algemene bijstand. Gebruikelijk onder gemeenten is echter de term ‘maatregel’.
                    Daarmee wordt niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat ook binnen de
                    bijstandspraktijk gangbaar is, maar wordt ook het corrigerende karakter ervan
                    benadrukt. Om die reden is in de verordening de term ‘maatregel’ gebruikt om een
                    verlaging aan te duiden. </al><al><vet>Een waarschuwing in plaats van een maatregel?</vet>Gemeenten kunnen
                    in hun verordening regelen dat in beginsel eerst altijd een waarschuwing wordt
                    gegeven voordat een maatregel wordt opgelegd. In de verordening hebben wij daar
                    niet voor gekozen. Hiervoor zijn twee redenen. De eerste reden is dat een
                    waarschuwing er van uit gaat dat belanghebbenden (nogmaals) op de hoogte gesteld
                    moeten worden van hun verplichtingen. Gemeenten hebben de opdracht hun klanten
                    zo goed mogelijk te informeren over de verplichtingen die aan de WWB verbonden
                    zijn. Klanten dienen op maat geïnformeerd te worden en ook de dienstverlening
                    zal op maat verzorgd moeten worden. Deze werkwijze maakt deel uit van
                    hoogwaardig handhaven, waarbij handhaven in de bedrijfsvoering is geïntegreerd.
                    Hierdoor is ook de naleving van de verplichtingen groter en worden maatregelen
                    die worden opgelegd beter geaccepteerd. De informatie over de maatregelen moet
                    goed toegankelijk zijn en in begrijpelijke taal geschreven zijn. Een
                    waarschuwing richting klanten kan bij zo'n beleid achterwege blijven.</al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijving </tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de WWB.</al><al>In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip wordt
                    in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als ‘degene wiens
                    belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. </al><tussenkop>Artikel 2. Het opleggen van een maatregel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht
                                    bestaat uit twee soorten verplichtingen:</al><lijst><li nr="-"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid
                                            te verkrijgen en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="-"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college
                                            aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij
                                            arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen zullen nader
                                            moeten worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen
                                            die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van
                                            de bijstandsgerechtigde. De reïntegratieverordening die
                                            elke gemeente moet opstellen, vormt de juridische basis
                                            voor opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze
                                            verplichtingen zullen in het besluit tot het verlenen
                                            van bijstand moeten worden neergelegd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                                    belanghebbende rust de verplichting aan het college op verzoek
                                    of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle
                                    feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
                                    moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn
                                    arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.</al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht
                                    van belanghebbenden om desgevraagd het college de medewerking te
                                    verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de
                                    wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete
                                    verplichtingen bestaan, zoals: </al></li></lijst></li><li nr="-"><al>het toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr="-"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al></li></lijst><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van
                    de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer ernstig
                    misdragen’. </al><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan belanghebbenden. Het betreft de
                    verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de Centrale
                    organisatie werk en inkomen te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing
                    door het college (artikel 28, tweede lid Wet SUWI) en de verplichting om op
                    verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te
                    delen aan de Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan hem redelijkerwijs
                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand,
                    het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de duur van de
                    bijstand. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm. </al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                    leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                    belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee
                    dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken belanghebbende afwijking van de
                    hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking
                    van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><lijst><li nr="-"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="-"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="-"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de belanghebbende.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6. </al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden
                    bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                            bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                            bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                            is;</al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li><li nr="-"><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                            maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate
                            van verwijtbaarheid.</al><al>Artikel 3. De berekeningsgrondslag</al></li></lijst><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over
                    de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm,
                    inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele gevallen een
                    maatregel oplegt over de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag. Er
                    moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en
                    zijn recht op bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag.</al><tussenkop>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel </tussenkop><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats
                    door middel van een besluit. Wanneer de maatregel bij een lopende uitkering
                    wordt opgelegd, wordt een besluit tot vaststelling van de algemene bijstand op
                    grond van artikel 45 WWB genomen. </al><al>Wordt een maatregel met terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een besluit tot
                    herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid). Tegen beide
                    besluiten kan door de belanghebbende bezwaar en beroep worden aangetekend. </al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden
                    vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb) en dan met het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder
                    andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt
                    voorzien. </al><tussenkop>Artikel 5. Horen van belanghebbende </tussenkop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12). </al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt
                    opgelegd in beginsel voorgeschreven. </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht. </al><tussenkop>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. </al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b.
                    geregeld dat het college geen maatregelen opgelegd voor gedragingen die langer
                    dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                    bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                    jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die stond in artikel 14e
                    van de Algemene bijstandswet in verband met het opleggen van een boete wegens
                    niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de
                    hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de
                    gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het
                    benadelingsbedrag) vast te stellen. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                    maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                    redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                    voorhand worden vastgelegd. </al><tussenkop>Derde lid </tussenkop><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive. </al><tussenkop>Een waarschuwing in plaats van een maatregel</tussenkop><al>Gemeenten zouden in de hun verordening kunnen regelen dat in beginsel eerst
                    altijd een waarschuwing wordt gegeven voordat een maatregel wordt opgelegd. </al><al>In deze verordening is hiervoor niet gekozen. Hiervoor zijn twee redenen. De
                    eerste reden is dat een waarschuwing er van uit gaat dat belanghebbenden
                    (nogmaals) op de hoogte gesteld moeten worden van hun verplichtingen. </al><al>Gemeenten hebben de opdracht hun klanten zo goed mogelijk te informeren over de
                    verplichtingen die aan de bijstand verbonden zijn. Klanten dienen op maat
                    geïnformeerd te worden en ook de dienstverlening zal op maat verzorgd moeten
                    worden. Deze werkwijze maakt onderdeel uit van hoogwaardig handhaven, waarbij
                    handhaven in de bedrijfsvoering is geïntegreerd. Hierdoor wordt ook de naleving
                    van de verplichtingen groter en maatregelen die worden opgelegd zullen beter
                    worden geaccepteerd. De informatie over de maatregelen moet goed toegankelijk
                    zijn en in begrijpelijke taal geschreven zijn. Een waarschuwing richting klanten
                    bij zo’n beleid achterwege blijven.</al><al>De tweede reden om niet te kiezen voor een waarschuwing heeft te maken met het
                    feit dat een waarschuwing er van uit gaat dat herstel van de oude situatie
                    mogelijk is. Dat is echter niet het geval. Uitgezonderd het niet of niet op tijd
                    voldoen aan bepaalde administratieve verplichtingen, waarbij het verzuim geen
                    gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand, hebben alle andere gedragingen in
                    meer of mindere mate gevolgen (gehad) voor het verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid. </al><al>Om die reden wordt in deze verordening alleen bij het te laat verstrekken van
                    informatie aan het college de mogelijkheid geboden om te volstaan met een
                    waarschuwing. </al><al>Overigens is in het individuele gevallen altijd mogelijk af te zien van het
                    opleggen van een maatregel en in plaats daarvan een waarschuwing te geven. In
                    dat geval wordt gebruik gemaakt van het eerste lid, onderdeel a (afzien van een
                    maatregel omdat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt) of het tweede lid
                    (afzien van een maatregel omdat daarvoor dringende redenen aanwezig zijn).</al><tussenkop>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                            maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabij toekomst wordt verstrekt, is de
                    praktische methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot
                    herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan bijstand terug te
                    vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd
                    met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de
                    voor die maand geldende bijstandsnorm.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is
                    uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te
                    verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de
                    bijstand wel worden herzien en teruggevorderd. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een
                    maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de belanghebbende die met
                    een maatregel wordt geconfronteerd waar hij aan toe is. Het college kan na
                    afloop van de periode waarvoor de maatregel is getroffen opnieuw een maatregel
                    opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig. </al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het
                    college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld
                    in artikel 18, derde lid WWB.</al><al>Gemeenten mogen zelf bepalen wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat
                    maar gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo’n
                    herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle
                    relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een
                    marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of het redelijk is
                    dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar
                    de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de
                    betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.</al><tussenkop>Artikel 8. Samenloop van gedragingen </tussenkop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde gedraging die
                    verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt. </al><al>Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één gedraging,
                    dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan van de
                    gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is. </al><tussenkop>Artikel 9. Indeling in categorieën</tussenkop><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging
                    het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                    gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid. </al><al>De gedragingen die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet omschreven
                    dan in het Maatregelenbesluit. De reden hiervoor is dat de WWB, in tegenstelling
                    tot de Abw, volstaat met een algemene omschrijving van de plicht tot
                    arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de verplichtingen dient zoveel
                    mogelijk te worden afgestemd op de mogelijkheden van de individuele
                    bijstandsgerechtigde. </al><al>De <cursief>eerste</cursief> categorie, onderdeel a, betreft de formele
                    verplichting om zich als werkzoekende in te schrijven bij het CWI en
                    ingeschreven te doen blijven. </al><al>Onderdeel b betreft de verplichting om het individuele activeringsplan, het
                    (standaard) trajectplan, te ondertekenen. Het trajectplan wordt als bijlage bij
                    het besluit tot toekenning of voortzetting van de bijstand meegestuurd. </al><al>De <cursief>tweede</cursief> categorie betreft de verplichting tot een actieve
                    opstelling op de arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de
                    belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren en te voldoen aan een
                    oproep. </al><al>In de <cursief>derde</cursief> categorie gaat het om gedragingen die direct een
                    aanleiding vormen tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer
                    voortduren daarvan. Het gaat hier om het stellen van niet verantwoorde
                    beperkingen ten aanzien van de aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de
                    kansen op arbeidsinschakeling verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn
                    negatieve gedragingen bij sollicitaties en onvoldoende meewerken aan het
                    opgesteld trajectplan waaronder ook sociale activering verplicht wordt
                    gesteld.</al><al>De <cursief>vierde</cursief> categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen
                    geaccepteerde arbeid alsmede door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag
                    algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel tijdens de bijstand
                    deeltijdarbeid niet behouden. </al><tussenkop>Artikel 10. De hoogte en duur van de maatregel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vier categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. De percentages
                    waarmee de bijstand wordt verlaagd, zijn overgenomen uit het Maatregelenbesluit. </al><al>Bij het vaststellen van de percentages waarmee de bijstand wordt verlaagd,
                    zullen gemeenten zich twee vragen moeten stellen:</al><lijst><li nr="1."><al>In hoeverre voldoet de beoogde verlaging van de uitkering aan de eisen
                            van proportionaliteit en evenredigheid als de betreffende gedraging in
                            ogenschouw wordt genomen?</al></li><li nr="2."><al>In hoeverre zal het opleggen van de maatregel effectief zijn, in de zin
                            dat de maatregel de beoogde gedragsverandering bij de
                            bijstandsgerechtigde zal bewerkstelligen?</al></li></lijst><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan
                    die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel wegens
                    dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden
                    toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                    hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel
                    individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de betrokkene. </al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht</tussenkop><tussenkop>Artikel 11. Te laat verstrekken van gegevens</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Indien belanghebbende de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde
                    gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het college het
                    recht op bijstand opschorten (artikel 54, eerste lid, WWB). Het college geeft de
                    belanghebbende vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen
                    (de hersteltermijn).</al><al>Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de gemeente
                    verstrekt, dan kan het college bijstand stopzetten (het intrekken van het
                    besluit tot toekenning van de bijstand). Worden de gevraagde gegevens wél binnen
                    de hersteltermijn verstrekt, wordt de bijstand voortgezet, maar wordt tevens een
                    maatregel opgelegd. Dit lid regelt de hoogte van de maatregel. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Een schriftelijke waarschuwing is geen maatregel. Dit wil zeggen dat bij
                    herhaling van de gedraging in principe een maatregel wordt opgelegd zonder
                    toepassing van de recidivemaatregel.</al><tussenkop>Artikel 12. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                    gevolgen voor de bijstand</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald dat belanghebbende op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden
                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                    op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Het college zal moeten
                    vaststellen wat het onder ‘onverwijld’ verstaat. De ernst van de gedraging komt
                    tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is het door de
                    gemeente te veel betaalde bedrag aan bijstand.</al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                    inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB wordt afhankelijk gesteld
                    van de hoogte van het bedrag aan bijstand dat als gevolg van de schending van
                    die verplichting ten onrechte of te veel aan de belanghebbende is betaald. </al><al>De maatregel wordt toegepast op de toekomstige bijstandsuitkering van de
                    belanghebbende. </al><tussenkop>De relatie met de strafrechtelijke sanctie</tussenkop><al>Het opleggen van een sanctie in reactie op schending van de inlichtingenplicht
                    is in beginsel een verantwoordelijkheid van de gemeente zelf. In de Aanwijzing
                    sociale zekerheidsfraude hebben de Procureurs-generaal echter richtlijnen
                    gegeven onder welke omstandigheden ter zake van de aan de schending klevende
                    strafrechtelijke delicten (veelal oplichting en valsheid in geschrifte)
                    vervolging door het OM moet plaatsvinden. </al><al>Per 1 januari 2009 is de bestaande Aanwijzing sociale zekerheidsfraude gewijzigd
                    (zie Stcrt. 2008/187). Uitgangspunt is het zogenaamde ‘una via’-beginsel. De
                    jongere wordt hetzij door de gemeente, hetzij door de strafrechter
                    gesanctioneerd. Niet door beide.</al><al>In grote lijnen komt het erop neer dat als er een redelijk vermoeden bestaat dat
                    het benadelingsbedrag (bruto) € 10.000 of hoger is, er aangifte en vervolging
                    door het OM dient plaats te vinden. Is er echter sprake van ‘witte’ fraude (door
                    koppeling van bestanden etc. aan het licht gebracht), dan is de gemeente primair
                    verantwoordelijk tot een benadelingsbedrag van € 35.000. Is de benadeling groter
                    dan is altijd het OM aan zet. Dat geldt ook voor gevallen waarin er met de
                    jongere geen uitkeringsrelatie meer bestaat en dus geen maatregel meer kan
                    worden toegepast. </al><al>In het vierde lid is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als
                    inmiddels vervolging is ingesteld door het OM of als een schikking is getroffen.
                    In dergelijke situaties is een maatregel niet meer opportuun.</al><tussenkop>Artikel 13. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                    gevolgen voor de bijstand </tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken van
                    onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft
                    voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van nulfraude zijn het niet opgeven
                    van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het niet melden van
                    vrijwilligerswerk. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>De bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij het niet of niet
                    behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht is gelijk aan de bevoegdheid tot
                    het geven van een waarschuwing bij het te laat verstrekken van informatie</al><tussenkop>Artikel 14. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt,
                    de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door
                    het opleggen van een maatregel. </al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid uit allerlei gedragingen
                    blijken, zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;</al></li><li nr="-"><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen
                            alimentatievordering.</al></li></lijst><al>In het <cursief>tweede</cursief> lid wordt een relatie gelegd tussen de ernst
                    van de gedraging en de duur van de maatregel. Er is sprake van een vast
                    kortingspercentage op bijstand (10%). Bij de vaststelling van de duur van de
                    maatregel dient beoordeeld te worden hoe lang betrokkene onafhankelijk van
                    bijstand zou zijn gebleven, indien hij wel voldoende besef van
                    verantwoordelijkheid had betoond. In het tweede lid worden hiervoor richtlijnen
                    gegeven. Dit laat onverlet de mogelijkheid voor het college om af te wijken van
                    duur en/of hoogte op basis van de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende. </al><tussenkop>Richtlijn onverantwoorde intering vermogen</tussenkop><al>Het komt voor dat een belanghebbende de beschikking krijgt over een vermogen dat
                    meer bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens genoemd in artikel 34
                    derde lid WWB, of, voorafgaand aan de bijstandsaanvraag, een aanwezig vermogen
                    onverantwoord heeft besteed. </al><al>Onder onverantwoord interen van het eigen vermogen wordt verstaan: voorafgaand
                    aan de (nieuwe) bijstandaanvraag een besteding aan algemeen noodzakelijke kosten
                    van het bestaan, welke omgerekend per maand meer bedraagt dan 1,5 maal de
                    relevante bijstandsnorm, eventueel aangevuld met een bedrag voor de
                    ziektekostenverzekering. </al><tussenkop>Interen</tussenkop><al>In de praktijk komen drie situaties voor:</al><lijst><li nr="1."><al>Het vermogen is <vet>aantoonbaar verantwoord</vet> ingeteerd.
                            Bijstandsverlening kan dus zonder beperking plaatsvinden;</al></li><li nr="2."><al>Het vermogen is <vet>ingeteerd zonder dat de belanghebbende dit
                                redelijkerwijs kan verantwoorden.</vet> De jurisprudentie (onder de
                            ABW, nAbw en WWB gevormd) gaat er dan vanuit dat de belanghebbende nog
                            de beschikking heeft over de gelden, wat leidt tot een beëindiging van
                            de uitkering dan wel het afwijzen van de aanvraag op grond van het
                            gestelde in artikel 17 juncto de artikelen 34, 7 lid 1 onderdeel b, 11
                            en 18 van de WWB.</al></li><li nr="3."><al>Het <vet>aanwezige vermogen is op een onverantwoord snelle wijze
                                ingeteerd</vet>. Indien wordt geconstateerd dat een belanghebbende
                            op een onverantwoorde wijze aantoonbaar een vermogen heeft ingeteerd,
                            wordt een <vet>maatregel van 20%</vet> gehanteerd. De duur van de
                            maatregel is afhankelijk van de mate van het betoonde onverantwoorde
                            besef voor de voorziening in het bestaan: van iemand met een groot
                            vermogen mag worden verwacht dat hij gedurende een langere tijd zelf kan
                            voorzien in de bestaanskosten dan van iemand waarvan het eigen vermogen
                            relatief bescheiden is.</al></li></lijst><tussenkop>Periode van verlaging</tussenkop><al>Wanneer de van toepassing zijnde vermogensgrens overschreden wordt met;</al><al>Bedragen: </al><al>Tot € 2.500,00 een maatregel toepassen over 6 maanden; </al><al>van € 2.500,00 tot € 4.999,00 een maatregel toepassen over 9 maanden;</al><al>van € 5.000,00 tot € 12.500,00 een maatregel toepassen over 1 jaar;</al><al>van € 12.500,00 tot € 50.000,00 een maatregel toepassen over 1,5 jaar;</al><al>van € 50.000,00 tot €100.000,00 een maatregel toepassen over 2 jaar;</al><al>vanaf 100.000,00 een maatregel toepassen over 5 jaar. </al><tussenkop>Afstemming</tussenkop><al>Conform het bepaalde in artikel 2 lid 2 van de maatregelverordening dient in
                    deze eveneens de maatregel te worden afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                    mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                    omstandigheden waarin hij verkeert. Daarbij kan bij de afstemming afgeweken
                    worden van het percentage dan wel de periode, bijvoorbeeld bij het zeer snel
                    interen van een zeer groot vermogen of de aanwezigheid van verzachtende
                    persoonlijke omstandigheden, en kan het percentage hoger of lager vastgesteld
                    worden dan wel de duur van de maatregel vastgesteld worden op een langere dan
                    wel kortere periode.</al><al><vet>Ten alle tijde</vet> dient er op gelet te worden dat het financieel nadeel
                    van de opgelegde maatregel niet hoger uitvalt dan het bedrag dat te snel is
                    ingeteerd. </al><tussenkop>Artikel 15. Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd. </al><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat
                    tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij
                    het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt
                    bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van WWB. </al><al>In artikel 15 wordt gesproken over ‘het zich jegens het college zeer ernstig
                    misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van
                    het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen van een
                    maatregel. Er kan dus geen maatregel worden opgelegd als een klant zich
                    agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die
                    belast is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een reïntegratiebedrijf).
                    Het is dat geval wel mogelijk om een maatregel op te leggen wegens het niet of
                    onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                    (artikel 9, derde lid, van deze verordening). </al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een belanghebbende zich
                    ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar de ernst van de
                    gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de
                    betrokkene. </al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden: </al><lijst><li nr="-"><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="-"><al>discriminatie;</al></li><li nr="-"><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="-"><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="-"><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="-"><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. </al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                    geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het
                    toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                    (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                    onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. </al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. </al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen</tussenkop><al>De slotbepalingen spreken voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>