<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR15254_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Handhavingsverordening Wet werk en bijstand en Wet investeren in jongeren 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Koerier, 04-11-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Handhavingsverordening Wet werk en bijstand en Wet investeren in jongeren 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, eerste lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 212</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, art. 12, eerste lid, onderdeel c</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-10-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-11-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-1.844.5/GL</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Handhavingsverordening Wet werk en bijstand en Wet investeren in jongeren
            2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Landerd;</al><al>Gezien het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van 18
                        augustus 2009</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, en 212 Gemeentewet, de Algemene wet
                        bestuursrecht</al><al>gelet op artikel 8a van de Wet werk en bijstand; </al><al>gelet op artikel 12, eerste lid, onderdeel c, Wet investeren in
                        jongeren;</al><al>overwegende dat met betrekking tot bestrijding van het ten onrechte
                        ontvangen van bijstand, alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de
                        wet, in het kader van het financieel beheer regels gesteld dienen te worden,
                        welke in een verordening worden neergelegd; </al><al>overwegende dat met betrekking het bestrijden van misbruik en oneigenlijk
                        gebruik van de WIJ bij verordening regels moeten worden gesteld;</al><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al>vast te stellen de </al><al>Handhavingsverordening Wet werk en bijstand en Wet investeren in jongeren
                        2009</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al><cursief>de wet</cursief>: de Wet werk en bijstand (WWB Stb 2003,
                                nr, 375) en de Wet investeren in jongeren (WIJ);</al></li><li nr="·"><al><cursief>algemene bijstand</cursief>: de bijstand bedoeld in artikel
                                5, onderdeel b, van de wet;</al></li><li nr="·"><al><cursief>bijzondere bijstand</cursief>: de bijstand bedoeld in
                                artikel 5, onderdeel d, van de wet;</al></li><li nr="·"><al><cursief>bijstand:</cursief> algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="·"><al><cursief>bijstandsnorm</cursief>: de bijstandsnorm bedoeld in
                                artikel 5, onderdeel c, van de wet;</al></li><li nr="·"><al><cursief>WIJ norm</cursief>: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet
                                op de jongere van 21 tot 27 jaar van toepassing zijnde norm,
                                vermeerderd of verminderd met de op grond van dat hoofdstuk door het
                                college vastgestelde verhoging of verlaging.</al></li><li nr="·"><al><cursief>Maatregelenverordening</cursief>: De verordening gebaseerd
                                op artikel 8 lid 1 onder b van de wet en De verordening gebaseerd op
                                artikel 12, eerste lid, onderdeel b en 41, eerste lid van de Wet
                                investeren in jongeren;</al></li><li nr="·"><al><cursief>Jongere:</cursief> de jongere als bedoeld in artikel 2 van
                                de WIJ</al></li><li nr="·"><al><cursief>alleenstaande</cursief>: de persoon genoemd in artikel 4
                                onder a van de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="·"><al><cursief>alleenstaande ouder</cursief>: de persoon genoemd in
                                artikel 4 onder b van de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="·"><al><cursief>gezin</cursief>: de personen genoemd in artikel 4 onder c
                                van de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="·"><al><cursief>recidive</cursief>: het binnen een periode van 5 jaar
                                wederom verwijtbaar niet nakomen van de inlichtingenplicht; </al></li><li nr="·"><al><cursief>benadelingsbedrag</cursief>: het netto-bedrag aan bijstand
                                dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;</al></li><li nr="·"><al><cursief>inlichtingenplicht:</cursief> de verplichtingen genoemd in
                                artikel 17 lid 1, 2 en 4 van de Wet werk en bijstand en de artikelen
                                28 lid 2 en 29 lid 1 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
                                werk en inkomen;</al></li><li nr="·"><al><cursief>langdurigheidstoeslag</cursief>: de langdurigheidstoeslag
                                bedoeld in artikel 5, onderdeel e, van de wet;</al></li><li nr="·"><al><cursief>maatregel:</cursief> het verlagen van de bijstand of de
                                langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van de
                                wet; </al></li><li nr="·"><al><cursief>gemeenteraad:</cursief> de gemeenteraad van Landerd;</al></li><li nr="·"><al><cursief>het college</cursief>: het college van burgemeester en
                                wethouders van de gemeente Landerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bevoegdheid</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid tot:</al><lijst><li nr="a."><al>het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit ingevolge
                                artikel 69 lid 3 van de Algemene bijstandswet (Abw) of artikel 54
                                lid 3 van de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>het terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand zoals
                                neergelegd in de artikelen 78 tot en met 90 van de Abw en de
                                artikelen 58 tot en met 60 van de WWB.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>WIJ</titel></kop><al>In deze verordening wordt onder Wet werk en bijstand (WWB) mede verstaan de
                        Wet investeren in jongeren (WIJ)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Herziening of intrekking van het toekenningsbesluit</titel></kop><al>Een besluit tot toekenning van bijstand wordt herzien of ingetrokken
                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als bedoeld
                                in artikel 17 lid 1 WWB, of de artikelen 28 lid 2 en 29 lid 1 van de
                                Wet Suwi, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
                                bedrag verlenen van bijstand;</al></li><li nr="b."><al>anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
                                verleend.</al></li></lijst><al>Van het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit kan op grond van
                        dringende redenen worden afgezien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>Bijstand wordt teruggevorderd in de gevallen zoals vermeld in deze
                        beleidsregels.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ten onrechte verleende bijstand</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders vorderen bijstand terug van de belanghebbende
                        voorzover deze bijstand:</al><lijst><li nr="a."><al>ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening
                                voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden
                                nagekomen;</al></li><li nr="c."><al>voortvloeit uit gestelde borgtocht;</al></li><li nr="d."><al>ingevolge artikel 52 WWB bij wijze van voorschot is verleend en
                                nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat;</al></li><li nr="e."><al>anderszins onverschuldigd is betaald en de belanghebbende dit
                                redelijkerwijs kon begrijpen, waaronder begrepen dat:</al><lijst><li nr="1."><al>de belanghebbende met betrekking tot de periode waarover
                                        bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen
                                        als bedoeld in artikel 31 WWB beschikt of kan
                                        beschikken;</al></li><li nr="2."><al>bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en
                                        naderhand door de belanghebbende vergoedingen of
                                        tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die
                                        bestemming.</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>terugvordering als bedoeld onder e. vindt niet plaats, indien de
                                betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van
                                verzending van het besluit tot terugvordering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Terugvordering van gezinsleden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde onder artikel 5 worden kosten van bijstand,
                            indien de bijstand aan een gezin wordt verleend, van alle gezinsleden
                            teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden
                            verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat belanghebbende de
                            verplichting bedoeld in artikel 17 WWB, of de artikelen 28 lid 2 en 29
                            lid 1 van de Wet Suwi, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de
                            kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de gezinsleden met
                            wier middelen als bedoeld in artikel 31 WWB bij de verlening van
                            bijstand rekening had moeten worden gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>de onder a. en b. genoemde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor
                            de terugbetaling van de kosten van bijstand die worden
                            teruggevorderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Afzien van het nemen van een terugvorderingbesluit</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zien af van het nemen van een
                        terugvorderingsbesluit indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het terug te vorderen bedrag lager is dan € 125,--( jaarlijks te
                                indexeren)</al></li><li nr="b."><al>hiertoe een dringende reden aanwezig is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek</titel></kop><al>In afwijking van artikel 5 en 6 kunnen burgemeester en wethouders besluiten
                        tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand
                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen
                                voortgaan met het betalen van zijn schulden, en</al></li><li nr="b."><al>redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking
                                tot alle vorderingen, behoudens de in artikel 6 onder b. bedoelde
                                vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit
                                niet tot stand zal komen, en</al></li><li nr="c."><al>de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde bijstand ten
                                minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van
                                de schuldeisers van gelijke rang.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Afzien van kwijtschelding wegens schuldenproblematiek</titel></kop><al>Van kwijtschelding als bedoeld in artikel 8 wordt afgezien indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de terugvordering van bijstand het gevolg is van verwijtbaar gedrag
                                van de belanghebbende;</al></li><li nr="b."><al>de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of
                                goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen
                                verhaald kan worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van terugvordering wegens
                            schuldenproblematiek</titel></kop><al>Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het
                        gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering treedt niet in werking
                        voordat een schuldregeling tot stand is gekomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Intrekking kwijtscheldingsbesluit schuldenproblematiek</titel></kop><al>Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het
                        gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
                        nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een
                                schuldregeling is tot stand gekomen;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de
                                schuldregeling voldoet; of</al></li><li nr="c."><al>onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking
                                van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben
                                geleid. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Kwijtschelding na het voldoen aan de betalingsverplichting</titel></kop><al>In afwijking van artikel 5 kunnen burgemeester en wethouders besluiten van
                        terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de
                        belanghebbende: </al><lijst><li nr="a."><al>gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft
                                voldaan;</al></li><li nr="b."><al>gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen
                                heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode en de
                                op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
                            </al></li><li nr="c."><al>gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet
                                aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten;
                            </al></li><li nr="d."><al>of een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in
                                één keer aflost.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verkorting van de periode van voldoen aan
                            betalingsverplichting</titel></kop><al>De in artikel 12 genoemde termijn is drie jaar indien: </al><lijst><li nr="a."><al>het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de
                                beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het
                                Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is
                                gegaan;</al></li><li nr="b."><al>en de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet
                                behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17,
                                eerste lid WWB.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Geen kwijtschelding na voldoen aan betalingsverplichting</titel></kop><al>Kwijtschelding als bedoeld in artikel 12 vindt niet plaats ten aanzien van
                        vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn
                        gedekt, behoudens voorzover zij niet op die goederen verhaald kunnen
                        worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Invorderingsbesluit</titel></kop><al>In het terugvorderingsbesluit delen burgemeester en wethouders aan de
                        belanghebbende mede:</al><lijst><li nr="a."><al>tot welk bedrag en over welke periode de ten onrechte ontvangen
                                bijstand wordt teruggevorderd;</al></li><li nr="b."><al>de termijn of termijnen waarbinnen de belanghebbende de ten onrechte
                                ontvangen bijstand dient terug te betalen;</al></li><li nr="c."><al>op welke wijze het besluit, bij gebrekkige betaling, ten uitvoer zal
                                worden gelegd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot de invordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het aflossingsbedrag, zoals medegedeeld in het terugvorderingsbesluit of
                            dat met de belanghebbende op grond van een minnellijke regeling tot
                            stand is gekomen, geldt als een opgelegde betalingsverplichting;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>ten minste één keer per jaar verrichten burgemeester en wethouders
                            onderzoek naar de betalingsverplichting.Indien het onderzoek daartoe
                            aanleiding geeft kan als gevolg van dit onderzoek de
                            betalingsverplichting gewijzigd worden vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het onderzoek blijft achterwege indien de belanghebbende binnen vijf
                            jaar zijn betalingsverplichting nakomt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Verrekening en beslaglegging</titel></kop><al>Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke
                        betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer
                        nakomt, dan wordt het terugvorderingsbesluit tenuitvoer gelegd door middel
                        van:</al><al>a.verrekening met de maandelijks verleende bijstand ingevolge de Wet werk en
                        bijstand, op grond van artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek, </al><al> of bij het ontbreken van deze mogelijkheid</al><al>b.een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g,
                        behoudens artikel 479e lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke
                        Rechtsvordering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Kosten</titel></kop><al>Indien moet worden overgegaan tot verrekening of beslaglegging als bedoeld
                        in artikel 17 dan wordt de vordering verhoogd met de door de deurwaarder
                        gemaakte kosten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Nadere invulling van beleid</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen deze verordening nader uitwerken in een
                        beleidsnotitie inzake terugvordering en invordering van ten onrechte
                        verleende bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                            overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt jaarlijks geëvalueerd.
                        Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze verordening
                        aangepast. Het college zendt hiertoe jaarlijks na de inwerkingtreding van de
                        verordening aan de raad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten
                        van de verordening in de praktijk</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking
                            en werkt terug tot en met 1 oktober 2009. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verordening misbruik en oneigenlijk gebruik Wet werk en bijstand 2004
                            (vastgesteld op 29 april 2004) wordt met ingang van 1 oktober 2009
                            ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Handhavingsverordening Wet werk en
                        bijstand en Wet investeren in jongeren 2009</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad der gemeente Landerd</ondertekening><ondertekening>van 8 oktober 2009</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.A.G. Huijs W.C. Doorn-Van der Houwen</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><al/><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Bij amendement is artikel 8a in de Wet werk en bijstand opgenomen waarbij de
                    gemeenteraad regels dient te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte
                    ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
                    In de toelichting bij dit amendement is verwezen naar artikel 212 Gemeentewet.
                    Strekking van laatstgenoemde artikel is dat de verordening dient te waarborgen
                    dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt
                    voldaan.</al><tussenkop>Invoering wet WIJ</tussenkop><al>In de Handhavingsverordening worden regels gesteld over de wijze waarop misbruik
                    en oneigenlijk gebruik van het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening worden
                    tegengegaan. Voor deze verordening geldt dat een combinatie met de al eerder
                    vastgestelde Handhavingsverordening WWB goed mogelijk is. Uitgangspunt hierbij
                    is dat het handhavingsbeleid voor jongeren en bijstandsgerechtigden niet of
                    nauwelijks uiteenloopt. Het handhavingsinstrumentarium in het kader van de WWB
                    is evenzeer toepasbaar in de WIJ. Bovendien weegt het principiële bezwaar dat in
                    een verordening niet meerdere wetten worden uitgewerkt in deze minder zwaar, nu
                    aan de handhavingsverordening voor de bijstandsgerechtigde en de jongere geen
                    individuele rechten zijn te ontlenen. Mede omdat een handhavingsverordening
                    doorgaans beperkt van omvang is, het biedt immers veelal een beperkt
                    beleidskader wordt aanbevolen om de bestaande handhavingsverordening om te
                    bouwen tot een combiverordening.</al><al>Samengevat pleiten diverse argumenten voor het ombouwen van de bestaande
                    verordening (Misbruik en oneigenlijk gebruik wet werk en bijstand 2004):</al><lijst><li nr="·"><al>eenvoudig te regelen en te realiseren (beperkte aanpassing verordening
                            vaak voldoende);</al></li><li nr="·"><al>efficiënt (één verordening in plaats van twee);</al></li><li nr="·"><al>WWB en WIJ kennen op dit punt veel verwantschap (juist om die reden en
                            om de eenheid in beleid te waarborgen is één verordening gewenst);</al></li><li nr="·"><al>Het handhavingsbeleid in het kader van de WIJ zal niet of nauwelijks
                            afwijken van dat in het kader van de WWB;</al></li></lijst><tussenkop>Ombouw</tussenkop><al>In artikel 12, eerste lid, onderdeel c, WIJ is vastgelegd dat de gemeenteraad
                    bij verordening regels moet stellen over het bestrijden van misbruik en
                    oneigenlijk gebruik van de WIJ. De reikwijdte van de verordeningsplicht lijkt
                    beperkter te zijn dan die onder de WWB. In artikel 8a WWB is immers bepaald dat
                    de gemeenteraad regels dient te stellen <cursief>voor de bestrijding van het ten
                        onrechte ontvangen van bijstand</cursief> alsmede van misbruik en
                    oneigenlijk gebruik van de wet. Artikel 12, eerste lid, onderdeel c,WIJ bevat
                    niet de cursief gedrukte bewoordingen. Uit de beperkte wetshistorie kan worden
                    afgeleid dat bedoeld is de gemeenteraad op te dragen om regels te stellen over
                    het te voeren beleid op het gebied van fraudebestrijding. Vermoedelijk is de
                    zinsnede ‘voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand’
                    geschrapt, omdat deze bewoordingen vaak (ten onrechte) zijn opgevat als opdracht
                    om het terugvorderingsbeleid in een verordening vast te leggen, hetgeen evenwel
                    een taak van het college is, getuige de beschikbare jurisprudentie (zie o.a.
                    CRvB 30 januari 2007, LJN: AZ8022). Beoogd is hetzelfde te regelen als in
                    artikel 8a WWB, nl. het vastleggen van regels over fraudebestrijding.</al><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijving</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de WWB en WIJ</al><al>In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip wordt
                    in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als ‘degene wiens
                    belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In de Wet Werk en Bijstand (WWB), welke per 1 januari 2004 in werking is
                    getreden, is het terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand een algehele
                    bevoegdheid geworden van de gemeente. Dit houdt in dat het wettelijk kader op
                    zichzelf geen sluitende basis meer vormt voor de gemeentelijke
                    terugvorderingspraktijk. </al><al>Met onderhavige Handhavingsverordening wordt een “wettelijke” basis gecreëerd om
                    het bestaande terugvorderingsbeleid van onze te kunnen continueren. Burgemeester
                    en wethouders maken gebruik van de hierboven bedoelde bevoegdheid in de gevallen
                    en op grond van de bepalingen in deze verordening. Ter voorkoming van elke
                    onduidelijkheid over de toepasselijkheid van oude of nieuwe
                    terugvorderingsartikelen in voorkomende gevallen is in dit artikel bepaald dat
                    de beleidsregels betrekking hebben op zowel terugvordering van bijstand
                    ingevolge de Abw als de WWB.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Ter voorkoming van misverstanden wordt nog eens benadrukt dat deze verordening
                    ook van toepassing is op de WIJ</al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Herziening en intrekking</tussenkop><tussenkop>Artikel 3 Herziening of intrekking van het toekenningsbesluit</tussenkop><al>Evenals terugvordering van bijstand is het met terugwerkende gewijzigd
                    vaststellen van het recht op bijstand door middel van een herzienings- of
                    intrekkingsbesluit een algehele bevoegdheid geworden van burgemeester en
                    wethouders. Gelet op de hierboven geformuleerde uitgangspunten maken
                    burgemeester en wethouders in beginsel in alle gevallen waarin er aanleiding is
                    het toekenningsbesluit met terugwerkende kracht te wijzigen gebruik van deze
                    bevoegdheid.</al><al>De bepalingen onder a. en b. zijn identiek aan de bepalingen van artikel 69 lid
                    3 Abw en 54 lid 3 WWB, doch zijn met een dwingend karakter geformuleerd.</al><tussenkop>Ad a.</tussenkop><al>indien als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting van de
                    belanghebbende ten onrechte bijstand is verleend dan wordt in alle gevallen het
                    bijstandsrecht naar het verleden toe gecorrigeerd naar de juiste situatie. Het
                    kan hierbij gaan om het schenden van de inlichtingenplicht naar zowel de
                    gemeente als naar het Werkbedrijf.</al><tussenkop>Ad b.</tussenkop><al>In gevallen waarin er kennelijk in het verleden een niet correct
                    toekenningsbesluit is genomen, maar dit niet is veroorzaakt door de
                    belanghebbende, dan kan in voorkomende gevallen toch herziening of intrekking
                    van het toekenningsbesluit aan de orde zijn.</al><al>Dit zal zich vooral voordoen in gevallen waarin door burgemeester en wethouders
                    onjuiste besluitvorming heeft plaatsgehad. Deze vorm van intrekking/herziening
                    staat op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel. Op grond van dit
                    beginsel kunnen rechten niet zonder meer met terugwerkende kracht worden
                    gewijzigd. Doorslaggevend moet zijn of belanghebbende enige blaam treft bij het
                    niet melden van de onjuiste situatie. De belanghebbende zal derhalve “op zijn
                    klompen” hebben kunnen aanvoelen dat er iets mis was met de toekenning. Als dit
                    niet het geval is dan gaan burgemeester en wethouders niet over tot
                    herziening/intrekking met terugwerkende kracht. Het uitkeringsrecht zal in dat
                    geval uiterlijk met ingang van de datum waarop de onjuistheid is geconstateerd
                    worden gewijzigd, mits de belanghebbende hiervan tijdig op de hoogte wordt
                    gebracht.</al><al>Een andere overweging is of burgemeester en wethouders als gevolg van een grove
                    fout een foutief besluit hebben genomen. Grove nalatigheid van het
                    bestuursorgaan kan niet voor rekening komen van de belanghebbende, tenzij het
                    bij de belanghebbende volkomen duidelijk kan zijn dat het hier een fout
                    betreft.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Terugvordering</tussenkop><tussenkop>Artikel 4 Terugvordering</tussenkop><al>Deze bepaling vormt de kernbepaling van het gemeentelijke terugvorderingsbeleid.
                    Benadrukt wordt dat de bijstand uitsluitend wordt teruggevorderd in de gevallen
                    waarin dit in de verordening is vastgelegd. </al><tussenkop>Artikel 5 Ten onrechte verleende bijstand</tussenkop><al>De hier omschreven situaties waarin bijstand wordt teruggevorderd zijn identiek
                    aan de bepalingen van artikel 58 WWB. Om echter geen misverstand te laten
                    bestaan over wanneer bijstand moet worden teruggevorderd zijn deze
                    beleidsregels, in tegenstelling tot de formulering van artikel 58 WWB, dwingend
                    geformuleerd.</al><al>Wij wijzen verwijzen hierbij naar de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude nr:
                    2373 d.d. 23 december 2008)</al><al/><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>bijstand is ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleend wanneer achteraf
                    komt vast te staan dat over de betreffende periode geen, of tot een lager
                    bedrag, recht op bijstand bestond. Voorafgaande aan deze terugvordering dient op
                    grond van artikel 54 lid 3 WWB (of artikel 69 lid 3 Abw) en beleidsregel nummer
                    2 van de Beleidsregels Terugvordering Wet werk en bijstand eerst een
                    herzienings- of intrekkingsbesluit te worden genomen. </al><al/><tussenkop>Ad b</tussenkop><al>aan de bijstand die in de vorm van een geldlening is verleend dient in alle
                    gevallen een terugbetalingsverplichting te worden verbonden. Deze verplichting
                    wordt in het toekenningsbesluit vastgelegd. Eerst wanneer deze verplichting niet
                    wordt nagekomen wordt ten aanzien van het nog resterende bedrag van de lening
                    een terugvorderingsbesluit genomen. Hiermee ontstaat er ten aanzien van het
                    resterende deel van de lening een executoriale titel.</al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>Borgstelling is een vorm van bijstandsverlening. Dit betekent dat in het
                    toekenningsbesluit vastgelegd moet zijn dat de gemeente bijstand heeft verleend
                    in de vorm van een borgstelling. Deze bijstand komt echter pas tot uitbetaling
                    (aan de geldverstrekker) indien de belanghebbende in gebreke blijft met het
                    terugbetalen van de door de geldverstrekker verleende geldlening. Op het moment
                    van uitbetaling van de bijstand ontstaat tevens een vordering die op grond van
                    artikel 58 lid 1 sub c WWB en de gemeentelijke beleidsregels kan worden
                    teruggevorderd. In dat geval is, evenals bij de terugvordering van een
                    geldlening, een afzonderlijk terugvorderingsbesluit noodzakelijk.</al><al/><tussenkop>Ad d</tussenkop><tussenkop>Een voorschot wordt op grond van artikel 52 WWB van rechtswege
                    (automatisch op grond van de wet) verstrekt als een renteloze geldlening. Dit
                    impliceert dat belanghebbende deze lening moet terugbetalen. Artikel 52 lid 3
                    WWB regelt dat het verstrekte voorschot ineens wordt verrekend met de toegekende
                    uitkering over de periode waarop het voorschot betrekking had. Soms behoort
                    verrekening van dit voorschot niet of niet volledig tot de mogelijkheden. Dat
                    kan zijn omdat er geen toekenning van een uitkering tot stand komt, of dat de
                    toegekende uitkering niet toereikend is om het totale bedrag van het voorschot
                    ineens te verrekenen. Het openstaande bedrag van het voorschot wordt dan van
                    belanghebbende teruggevorderd op grond van artikel 58 lid 1 sub d WWB. Wanneer
                    deze omstandigheid zich voordoet dan is een afzonderlijk terugvorderingsbesluit
                    noodzakelijk ten aanzien van het bedrag dat niet (volledig) kan worden verrekend
                    met de toegekende bijstand.</tussenkop><al/><tussenkop>Ad e</tussenkop><al>er kunnen naast de hierboven genoemde omstandigheden andere redenen zijn waarin
                    de bijstand bij nader inzien onverschuldigd is betaald. Het gaat hierbij met
                    name om situaties waarin er geen reden is om te komen tot herziening of
                    intrekking van het toekenningsbesluit, bijvoorbeeld wanneer bijstand is verleend
                    in afwachting van het beschikbaar komen van middelen (inkomen of vermogen), of
                    wanneer achteraf een vergoeding wordt ontvangen voor kosten waarvoor in een
                    eerder stadium ook reeds (bijzondere) bijstand is ontvangen. Ook de
                    onverschuldigd betaalde bijstand als gevolg van een administratieve vergissing
                    dient op grond deze beleidsregel te worden teruggevorderd. Als restrictie geldt
                    dat alleen kan worden teruggevorderd indien de belanghebbende redelijkerwijs kon
                    begrijpen dat hij ten onrechte bijstand ontving. Voor de hier bedoelde vorm van
                    terugvordering geldt een wettelijke vervaltermijn van 2 jaar.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Terugvordering van gezinsleden</tussenkop><al/><tussenkop>Op grond van artikel 59 lid 2 WWB kan bijstand die als gevolg van
                    schending van de inlichtingenplicht niet als gezinsbijstand is verleend, maar
                    wel als gezinsbijstand verleend had moeten worden, tevens worden teruggevorderd
                    van degene met wiens middelen rekening had moeten worden gehouden. Eenvoudiger
                    gesteld: bijstand die aan een alleenstaande is verleend, die achteraf een
                    gezamenlijke huishouding blijkt te voeren, kan tevens van de verzwegen partner
                    worden teruggevorderd.</tussenkop><al>Duidelijk moet zijn dat:</al><lijst><li nr="·"><al>de bijstandsontvanger het voeren van een gezamenlijke huishouding met
                            deze partner heeft verzwegen.</al></li><li nr="·"><al>de verzwegen partner van de bijstandsverlening op de hoogte was.</al></li></lijst><al>Alle gezinsleden waarvan in bovengenoemde situaties kan worden teruggevorderd
                    zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele vordering. Dit betekent in de
                    praktijk dat het gehele bedrag van elk gezinslid kan worden teruggevorderd. In
                    gevallen waarin één (of meer) gezinsleden niet in staat zijn om (het volledige)
                    bedrag terug te betalen kunnen andere gezinsleden voor het gehele
                    (restant)bedrag worden aangesproken. In principe dienen alle debiteuren die
                    hoofdelijk aansprakelijk zijn hun aandeel in de aflossing onderling met elkaar
                    te verrekenen. Dit is niet het probleem van de gemeente.</al><tussenkop>Artikel 7 Afzien van het terugvorderingsbesluit</tussenkop><al>In het terugvorderingsproces kan op twee momenten worden afgezien van
                    terugvordering. Ten eerste kan worden besloten om geen terugvorderingsbesluit te
                    nemen. De vordering komt in dat geval niet tot stand. Ten tweede kan worden
                    afgezien van verdere terugvordering in een later stadium. Deze variant, ook wel
                    kwijtschelding genoemd, wordt behandeld in hoofdstuk 4 van deze Verordening
                    .</al><al>In voorkomende gevallen kunnen er redenen zijn om in het geheel geen
                    terugvorderingsbesluit te nemen. Dit kan enerzijds worden ingegeven door
                    doelmatigheidsoverwegingen, in gevallen waarin de ten onrechte verleende
                    bijstand dermate laag is dat de kosten die de terugvordering met zich meebrengen
                    hoger zijn dan de vordering (kruimelbedragen). Hiertoe is artikel 78 b Abw
                    letterlijk overgenomen in deze beleidsregel. De WWB kent een dergelijke bepaling
                    niet meer. Burgemeester en wethouders zijn vrij tot het bepalen van de hoogte
                    van het grensbedrag.</al><al>Verder kunnen er in de individuele situatie
                        <cursief>dringende</cursief><cursief>redenen</cursief> zijn op grond waarvan
                    van een terugvorderingsbesluit kan worden afgezien. Hiervan kan sprake zijn
                    wanneer de vordering is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende, en hem
                    hiervan geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Tevens zal in dat geval
                    aannemelijk moeten zijn dat de belanghebbende niet kon weten dat hij ten
                    onrechte bijstand ontving.</al><al>In gevallen waarin eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit aan de orde is
                    kan van een dergelijk besluit reeds worden afgezien wegens en dringende reden
                    (zie artikel 3). In dat geval is ook geen grond tot het nemen van een
                    terugvorderingsbesluit.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Kwijtschelding</tussenkop><tussenkop>Artikel 8 tot en met 11. Kwijtschelding wegens
                    schuldenproblematiek</tussenkop><al>Wanneer een bijstandsvordering door middel van een terugvorderingsbesluit is
                    vastgelegd dan kan er in een later stadium reden zijn om de vordering
                    (gedeeltelijk) kwijt te schelden.In deze artikelen is artikel 78a Abw nagenoeg
                    letterlijk overgenomen. Dit is noodzakelijk om het gemeentelijke
                    kwijtscheldingsbeleid te continueren. Een dergelijke bepaling komt namelijk in
                    de nieuwe WWB niet meer voor.</al><tussenkop>Artikel 12 tot en met 14 Kwijtschelding na voldoen aan
                    betalingsverplichting</tussenkop><al>Op grond van artikel 78c Abw kon een restant van de nog openstaande vordering
                    worden kwijtgescholden indien de belanghebbende gedurende een periode van 5 jaar
                    aan zijn betalingsverplichtingen had voldaan. Het gemeentelijk
                    kwijtscheldingsbeleid dat na de invoering van de Wet herziening debiteurenbeleid </al><al>(1 augustus 1998) is geformuleerd kan op deze wijze worden gecontinueerd. De
                    bepalingen van artikel 78c Abw zijn in deze beleidsregels ongewijzigd
                    overgenomen aangezien in de WWB een dergelijke bepaling niet meer voorkomt. Het
                    nader uitwerken van dit kwijtscheldingsbeleid in een notitie of handboek is
                    noodzakelijk omdat in deze beleidsregel, evenals in de oude Abw-bepaling, sprake
                    is van een “kan-bepaling”. Daar waar in beleidsregels opnieuw gemeentelijke
                    beleidsvrijheid wordt gecreëerd, dient deze vrijheid nog nader te worden
                    ingevuld.</al><al>Overigens wordt met de onder artikel 12 sub d. genoemde mogelijkheid tot afkoop
                    van 50% van de restsom tegen finale kwijting van het restant zeer terughoudend
                    omgegaan. Van deze mogelijkheid wordt alleen gebruikt gemaakt in situaties
                    waarin tevoren vrijwel vast staat dat de reguliere wijze van invordering minder
                    oplevert dan datgene dat met afkoop van 50% van het restant kan worden
                    geïncasseerd.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 nvordering van teruggevorderde bijstand</tussenkop><tussenkop>Artikel 15 Invorderingsbesluit</tussenkop><al>In deze regel is conform artikel 60 van de WWB geregeld welke aspecten in ieder
                    geval onderdeel uitmaken van het terugvorderingsbesluit.</al><tussenkop>Artikel 16 Verplichtingen met betrekking tot de invordering</tussenkop><al>In deze verordening wordt meerdere keren gesproken over het aflossingsbedrag als
                    betalingsverplichting. Om er geen misverstand over te laten bestaan dat in dit
                    verband van een verplichting wordt gesproken wordt hier bepaalde dat elk
                    aflossingsbedrag, of dit nu is overeengekomen ingevolge een minnelijke
                    betalingsregeling, of op basis van het terugvorderingsbesluit éénzijdig wordt
                    medegedeeld, kan worden beschouwd als een betalingsverplichting.</al><al>Burgemeester en wethouders verrichten regelmatig onderzoek naar de hoogte van
                    het inkomen. Dit gebeurt tenminste éénmaal per jaar of zoveel vaker als
                    wijzigingen in het inkomen hiertoe aanleiding geven. Dit onderzoek blijft
                    achterwege indien de betalingsverplichting nog vijf jaar duurt maar de
                    belanghebbende zijn opgelegde betalingsverplichting correct nakomt.</al><tussenkop>Artikel 17 Verrekening en beslaglegging</tussenkop><al>Verrekening met de bijstand is gebaseerd op artikel 6:127 van het Burgerlijk
                    Wetboek.</al><al>Voor deze vorm van verrekenen moet aan de navolgende vereisten worden
                    voldaan:</al><lijst><li nr="·"><al>er moet een wederkerig schuldenaarschap bestaan. Het gaat hier om het
                            over en weer voldoen van een schuld. De door de belanghebbende te
                            ontvangen bijstand, en de ten onrechte verleende bijstand die moet
                            worden terugbetaald, worden beschouwd als de hier bedoelde wederkerige
                            schuld;</al></li><li nr="·"><al>er moet gelijksoortigheid van schuld en prestatie zijn. Hieruit vloeit
                            voort dat bijstand alleen met bijstand kan worden verrekend. Dit
                            betekent dat een ten onrechte verleende bijstand niet met bijvoorbeeld
                            een WMO-vergoeding kan worden verrekend;</al></li><li nr="·"><al>er moet een bevoegdheid zijn om betaling van de vordering af te dwingen.
                            Verrekening is een vorm van tenuitvoerlegging. Dit kan niet zonder
                            executoriale titel. Het tenuitvoerleggen van deze titel gebeurt pas als
                            debiteur niet aan de (al dan niet minnelijk) vastgestelde
                            betalingsverplichting voldoet;</al></li><li nr="·"><al>bij verrekening is de gemeente gehouden aan de beslagvrije voet</al></li><li nr="·"><al>verrekening kan alleen voor zover de uitkering voor beslag vatbaar is
                            (dus bijvoorbeeld niet met bijzondere bijstand voor specifieke
                            kosten)</al></li></lijst><al>Tenuitvoerlegging door middel van beslag geschiedt conform de regels van het
                    Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De gemeente heeftde mogelijkheid van
                        <cursief>vereenvoudigd derdenbeslag</cursief> op loon of uitkering. </al><al>De procedure is als volgt:</al><lijst><li nr="·"><al>de gemeente stuurt met een kennisgeving een afschrift van het
                            terugvorderingsbesluit naar degene van wie debiteur een periodieke
                            uitkering ontvangt</al></li><li nr="·"><al>hierin wordt de beslagvrije voet aangegeven</al></li><li nr="·"><al>de derde-beslagene moet de kennisgeving binnen 8 dagen voor gezien
                            terugzenden aan de gemeente</al></li><li nr="·"><al>door de terugzending is het beslag gelegd. De derde-beslagene wordt
                            hiermee verplicht het voor beslag vatbare bedrag uit te betalen aan de
                            gemeente</al></li><li nr="·"><al>de gemeente moet binnen 7 dagen na retourontvangst van de kennisgeving
                            een afschrift van die kennisgeving aangetekend toezenden aan de
                            debiteur. Als de gemeente dit nalaat kan debiteur de President van de
                            rechtbank vragen het beslag op te heffen.</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 6 Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 18 Kosten</tussenkop><al>Wanneer de belanghebbende de betalingsverplichting niet nakomt, dan dienen voor
                    de onder artikel 17 genoemde vormen van dwanginvordering kosten te worden
                    gemaakt. </al><tussenkop>Artikel 19 Nadere invulling van beleid</tussenkop><al>In sommige artikelen is gekozen voor het (opnieuw) creëren van beleidsruimte. In
                    principe zijn de beleidsregels dwingendrechtelijk geformuleerd. Zij dienen
                    immers ter invulling van wettelijk gecreëerde beleidsruimte. Daar waar
                    beleidsregels, bijvoorbeeld ten aanzien van kwijtschelding, lokaal zeer sterk
                    van elkaar verschillen, is gekozen voor een kan-bepaling in de beleidsregels.
                    Dit heeft wel als consequentie dat deze beleidsruimte nog zal moeten worden
                    ingevuld in een notitie of handboek.</al><tussenkop>De slotbepalingen spreken verder voor zich.</tussenkop><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>