<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR152495_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand Gemeente Assen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Assen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-04-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Assen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.assen.nl/Actueel/Berichten_van_de_Brink">Berichten van de Brink, 26-01-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, artikel 147 lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Wet werk en bijstand, artikel 8 lid 1 onder c </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-01-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>-</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>NVT</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      TOESLAGENVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND GEMEENTE ASSEN
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen </titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1. Begripsomschrijving </titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></li>
              <li nr="2."><al>In deze verordening wordt voorts verstaan onder: </al></li>
            </lijst>
            <table>
              <tgroup cols="4">
                <colspec colname="col1" colwidth="3*"/>
                <colspec colname="col2" colwidth="31*"/>
                <colspec colname="col3" colwidth="2*"/>
                <colspec colname="col4" colwidth="64*"/>
                <tbody>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>a.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>de wet</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>:</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col4">
                      <al>
                        <extref doc="1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">de Wet werk en bijstand;</extref>
                      </al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>b.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>zorgbehoeftige</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>:</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col4">
                      <al>de persoon als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=4" struct="BWB">artikel 4 lid 5 Wet werk en
                                                  bijstand</extref>;</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>c.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>netto minimumloon</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>:</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col4">
                      <al>het minimumloon per maand, genoemd in <extref doc="1.0:v:BWBR0002638&amp;artikel=8" struct="BWB">artikel 8 eerste lid, onderdeel a,
                                                  van de Wet minimumloon en
                                                  minimumvakantiebijslag</extref>, verhoogd met
                                                aanspraak op vakantiebijslag waarop een werknemer op
                                                grond van <extref doc="1.0:v:BWBR0002638&amp;artikel=15" struct="BWB">artikel 15 van die wet </extref>over
                                                dat minimumloon tenminste aanspraak kan maken, na
                                                aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting,
                                                premies volksverzekeringen, premies
                                                werknemersverzekeringen en het werknemersaandeel in
                                                de ziekenfondspremie. De loonbelasting en premies
                                                volksverzekeringen worden berekend overeenkomstig de
                                                bepalingen in artikel <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=37" struct="BWB">37, tweede lid, van de wet
                                                  (Wwb)</extref>;</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>d.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>inwonend studerend kind</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>:</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col4">
                      <al>met thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die
                                                een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten
                                                hoogste het normbedrag voor de kosten van
                                                levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in
                                                  <extref doc="1.0:v:BWBR0011453&amp;artikel=3.18" struct="BWB">artikel 3.18 van de Wet
                                                  studiefinanciering 2000</extref> kunnen de kosten
                                                van bewoning niet worden gedeeld. Deze kinderen
                                                worden niet aangemerkt als medebewoner.</al>
                    </entry>
                  </row>
                </tbody>
              </tgroup>
            </table>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 2. Categorie aanduiding </titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend, geldt
                                    een categorieaanduiding. </al></li>
              <li nr="2."><al>De volgende categorieën worden onderscheiden: </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>alleenstaande; </al></li>
                  <li nr="b."><al>alleenstaande ouder; </al></li>
                  <li nr="c."><al>gezin.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 3. Reikwijdte verordening </titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                    belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In
                                    geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening
                                    alleen indien beiden 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar
                                    zijn.</al></li>
              <li nr="2."><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten onverlet de toepassing
                                    van <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=18" struct="BWB">artikel 18 lid 1 van de wet</extref>.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Hoofdstuk 2. Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm </titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 4. Toeslagen </titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de
                                    alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen
                                    noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de
                                    bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel
                                    kunnen delen van deze kosten met een ander.</al></li>
              <li nr="2."><al>De toeslag als bedoeld in lid 1 wordt voor de alleenstaande en
                                    de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn/haar
                                    hoofdverblijf heeft, bepaald op het in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25 lid 2 van de wet</extref> genoemde
                                    maximumbedrag.</al></li>
              <li nr="3."><al>Als sprake is van zorgbehoefte dan wordt de toeslag bepaald op
                                    het in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25 lid 2 van de wet</extref> genoemde
                                    maximumbedrag.</al></li>
              <li nr="4."><al>De toeslag als bedoeld in lid 1 wordt voor de alleenstaande en
                                    de alleenstaande ouder in wiens woning een ander zijn/haar
                                    hoofdverblijf heeft, bepaald op 10% van het netto
                                    minimumloon.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Hoofdstuk 3. Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of de
                            toeslag </titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 5. Verlaging gezin </titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien het gezin lagere
                                    algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin
                                    de bijstandsnorm voorziet als gevolg van het geheel of
                                    gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. </al></li>
              <li nr="2."><al>De verlaging als bedoeld in lid 1 bedraagt 10% van het netto
                                    minimumloon.</al></li>
              <li nr="3."><al>Als sprake is van zorgbehoefte dan blijft een verlaging op de
                                    gezinsnorm achterwege.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 6. Verlaging woonsituatie </titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De bijstandsnorm of de toeslag wordt lager vastgesteld indien de
                                    alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin lagere
                                    algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin
                                    de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van hun
                                    woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een
                                    woning dan wel het niet hebben van woonkosten. </al></li>
              <li nr="2."><al>De verlaging als bedoeld in lid 1 bedraagt 20% van het netto
                                    minimumloon.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 7. Verlaging alleenstaanden van 21 en 22 jaar </titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De toeslag als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25 van de wet</extref> wordt, in afwijking van
                                    artikel 4, voor de alleenstaande van 22 jaar in wiens woning
                                    geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op 10% van het
                                    netto minimumloon. </al></li>
              <li nr="2."><al>De toeslag als bedoeld in<extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=25" struct="BWB">
                                        artikel 25 van de </extref>wet wordt, in afwijking van
                                    artikel 4, voor de alleenstaande van 22 jaar in wiens woning een
                                    ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op 5% van het netto
                                    minimumloon.</al></li>
              <li nr="3."><al>De toeslag als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25 van de wet</extref> wordt, in afwijking van
                                    artikel 4, voor de alleenstaande van 21 jaar in wiens woning
                                    geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op 5% van het netto
                                    minimumloon.</al></li>
              <li nr="4."><al>De toeslag als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25 van de wet</extref> wordt, in afwijking van
                                    artikel 4, voor de alleenstaande van 21 jaar in wiens woning een
                                    ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op 2,5% van het netto
                                    minimumloon.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 8. Verlaging Schoolverlaters </titel>
            </kop>
            <al>(vervallen met ingang van 01-01-2010)</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 9. Anticumulatiebepaling </titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Als voor de belanghebbende een combinatie van een toeslag op
                                    grond van artikel 4 en één of meer verlagingen op grond van
                                    artikelen 5,6 en 7 geldt, bedraagt de verlaging niet meer dan
                                    20% van het netto minimumloon ten opzichte van de bijstandsnorm
                                    zoals die is vastgesteld in<extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=20" struct="BWB">
                                        artikel 20 van de wet</extref>. </al></li>
              <li nr="2."><al>Als voor de belanghebbende een combinatie van een toeslag op
                                    grond van artikel 4 en één of meer verlagingen op grond van
                                    artikel 5, 6 en 7 geldt, kan die combinatie niet leiden tot een
                                    uitkeringshoogte, lager dan 50% van het netto minimumloon.</al></li>
              <li nr="3."><al>Als voor de belanghebbende meer dan één verlaging op grond van
                                    artikelen 5,6 en 7 geldt, bedraagt de verlaging niet meer dan
                                    20%van het netto minimumloon ten opzichte van de
                                    bijstandsnorm zoals die is vastgesteld in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=21" struct="BWB">artikel 21 van de wet</extref>.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Hoofdstuk 4. Slotbepalingen </titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 10. Inwerkingtreding </titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2012. </al></li>
              <li nr="2."><al>De Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Assen
                                    wordt ingetrokken.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>ALGEMENE TOELICHTING </titel>
          </kop>
          <afdeling>
            <kop>
              <titel>Algemeen </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">Wet werk en bijstand (Wwb)</extref> dient de gemeenteraad een
                                verordening vast te stellen met betrekking tot het verhogen en
                                verlagen van de norm als bedoeld in<extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8" struct="BWB">
                                    artikel 8 lid 1 onder c</extref> juncto <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=30" struct="BWB">artikel 30 Wwb</extref>, de zogenaamde Toeslagenverordening.
                                Met het vaststellen van een nieuwe toeslagenverordening wordt
                                gestalte gegeven aan de beoogde uniformering van beleid, ter
                                voorbereiding van de fusie tussen de afdelingen Sociale Zaken van Aa
                                en Hunze, Assen en Tynaarlo. Tevens is van de gelegenheid gebruik
                                gemaakt om nieuw beleid in de verordening tot uitdrukking te
                                brengen, alsmede het inbrengen van wijzigingen als gevolg van
                                jurisprudentie. </al>
              <al/>
              <al>Hoofdstuk 3 van de <extref doc="1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">Wwb</extref> kent voor de algemene noodzakelijke
                                kosten van het bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en
                                verlagingen. De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=20" struct="BWB">artikelen 20</extref> tot en met <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=24" struct="BWB">24
                                    Wwb</extref>. Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en
                                verlagingen: <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=25" struct="BWB">artikelen 25</extref> tot en met <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=29" struct="BWB">29
                                    Wwb</extref>. </al>
              <al/>
              <al>Burgemeester en wethouders verhogen in bepaalde gevallen de norm met
                                een toeslag en passen in bepaalde gevallen een verlaging toe. Dit
                                beleid is categoriaal: uit de verordening blijkt voor welke
                                categorieën en op grond van welke criteria een verhoging of
                                verlaging van de landelijke bijstandsnormen plaatsvindt. Op die
                                manier kan een uitkeringsgerechtigde concreet uit de verordening
                                afleiden welke verhoging of verlaging in zijn situatie geldt. </al>
              <al/>
              <al>Bij het afbakenen van categorieën is rekening gehouden met in de
                                praktijk eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er ook gekozen
                                voor een forfaitaire benadering. De verordening omschrijft alleen de
                                situaties waarin iemand geacht wordt lagere noodzakelijke kosten van
                                bestaan te hebben. Hierdoor wordt rekenwerk met werkelijke kosten
                                voorkomen.</al>
              <al/>
              <al>
                <onderstreept>Individualisering</onderstreept>
              </al>
              <al>Het is niet noodzakelijk alle mogelijke situaties uitputtend te
                                regelen. In niet geregelde gevallen of uitzonderlijke situaties
                                geldt het individualiseringsbeginsel. Burgemeester en wethouders
                                kunnen de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 Wwb afwijkend
                                vaststellen. De werking van de verordening beperkt zich tot
                                uitkeringsgerechtigden van 21 tot 65 jaar, hoewel de Wwb de
                                mogelijkheid biedt verlagingen (gehuwden en woonsituatie) toe te
                                passen op uitkeringsgerechtigden van 18, 19 of 20 jaar.</al>
            </structuurtekst>
            <paragraaf>
              <kop>
                <titel>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING </titel>
              </kop>
              <artikel>
                <kop>
                  <titel>Artikel 1 lid 1 </titel>
                </kop>
                <al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
                                    gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de <extref doc="1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">Wwb</extref>.</al>
              </artikel>
              <artikel>
                <kop>
                  <titel>Artikel 1 lid 2 </titel>
                </kop>
                <al>In artikel 1 lid 2 staan de afwijkingen op de Wwb opgesomd. </al>
                <al>
                  <onderstreept>Zorgbehoeftige</onderstreept>
                </al>
                <al>In de Wwb is met ingang van 1 januari 2012 een omschrijving
                                    opgenomen van het begrip zorgbehoefte. Voordien ontbrak deze.
                                    Wat wordt verstaan onder zorgbehoefte is opgenomen in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">artikel 4 lid 5
                                        van de Wet werk en bijstand</extref>.</al>
                <al/>
                <al>Op verzoek van de belanghebbende kan het college gelet op de
                                    duur van de te verlenen zorg besluiten dat een gehuwde,
                                    alleenstaande, alleenstaande ouder of meerderjarig kind als
                                    bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2 of onder 3, niet
                                    tot een gezin behoort, indien die persoon:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>jonger is dan 65 jaar: </al></li>
                  <li nr="1°."><al>aantoont door middel van een geldig indicatiebesluit dat
                                            hij is aangewezen op tien of meer uren per week zorg als
                                            bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002614&amp;artikel=9a" struct="BWB">artikel 9a, eerste lid, van de Algemene
                                                Wet Bijzondere Ziektekosten</extref>, voor zover het
                                            be- treft persoonlijke verzorging, verpleging,
                                            begeleiding, verblijf of voortgezet verblijf, waarbij
                                            voor begelei- ding, verblijf of voortgezet verblijf een
                                            dagdeel geldt als 4 uren en een etmaal als 24 uren;</al></li>
                  <li nr="2°."><al>aantoont dat hij voor in ieder geval tien van de uren
                                            zorg per week waarop hij op grond van het indicatiebe-
                                            sluit, bedoeld onder 1°, is aangewezen geen
                                            persoonsgebonden budget ontvangt en dat in ieder geval
                                            tien van die uren zorg per week niet worden verleend
                                            door een zorgaanbieder als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002614&amp;artikel=1" struct="BWB">artikel 1, onderdeel j, van de Algemene
                                                Wet Bijzondere Ziektekosten</extref> en</al></li>
                  <li nr="3."><al>aannemelijk maakt dat één of meer van diens
                                            meerderjarige kinderen die tot dat gezin behoren
                                            respectieve- lijk één of meer van diens ouders die tot
                                            dat gezin behoren in ieder geval tien van de uren zorg
                                            per week waarop hij op grond van het indicatiebesluit,
                                            bedoeld onder 1°, is aangewezen, aan die persoon
                                            verlenen;</al><lijst>
                      <li nr="b."><al>65 jaar of ouder is en:</al><lijst>
                          <li nr="1."><al>voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in
                                                  onderdeel a, onder 1, 2 en 3 en</al></li>
                          <li nr="2."><al>op de dag voordat hij recht heeft op
                                                  ouderdomspensioen op grond van de Algemene
                                                  Ouderdomswet voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in
                                                  onderdeel a, onder 1.</al></li>
                        </lijst></li>
                    </lijst></li>
                </lijst>
                <al/>
                <al>
                  <onderstreept>Netto minimumloon</onderstreept>
                </al>
                <al>Deze omschrijving komt overeen met de omschrijving in de wet,
                                        <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=37" struct="BWB">artikel 37, eerste lid Wwb</extref> en moet
                                    overeenkomstig worden uitgelegd. </al>
                <al/>
                <al>
                  <onderstreept>Inwonend studerend kind</onderstreept>
                </al>
                <al>Door het inwonende studerende kind niet als medebewoner aan te
                                    merken wordt voorkomen dat een inconsequent systeem van
                                    toeslagen en verlagingen ontstaat.</al>
                <al>Het inwonende studerende kind dat een inkomen uit WSF ontvangt
                                    als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0011453" struct="BWB">artikel 3.18</extref> wordt op grond van de wet
                                    niet aangemerkt als medebewoner. Het kind ontvangt een
                                    forfaitair inkomen voor de kosten van het levensonderhoud lager
                                    dan € 604,15 (<extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25 </extref>en <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=26" struct="BWB">26
                                        Wet werk en bijstand</extref>).</al>
                <al>Als het inwonende studerende kind een inkomen ontvangt uit WSF
                                    en arbeid boven de € 1.023,42 dan behoort het tot het gezin
                                    (artikel 4 Wet werk en bijstand). Het inkomen boven de €
                                    1.023,42 wordt op de gezinsuitkering in mindering gebracht. </al>
                <al>Met een inkomen tussen de € 604,15 en € 1.023,42 zou het
                                    inwonende studerende kind als medebewoner moeten worden
                                    aangemerkt. Dit zou leiden tot een verlaging van 10% op basis
                                    van deze verordening. Dit is inconsequent in vergelijking tot
                                    het kind dat een miniem inkomen heeft boven de € 1.023,42. In
                                    het laatste geval is het gezin financieel voordeliger uit
                                    terwijl het totale gezinsinkomen aanmerkelijk hoger kan liggen.
                                    Derhalve wordt het inwonende studerende kind op basis van deze
                                    verordening niet als medebewoner aangemerkt.</al>
              </artikel>
              <artikel>
                <kop>
                  <titel>Artikel 2 </titel>
                </kop>
                <al>
                  <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=30" struct="BWB">Artikel 30 van de Wwb</extref> schrijft voor
                                    dat de verordening vaststelt voor welke categorieën de
                                    bijstandsnorm wordt verlaagd of verhoogd. De categorie-indeling
                                    is gebaseerd op de Wwb. De niet in de <extref doc="1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">Wwb</extref>
                                    omschreven begrippen zijn nader uitgelegd in artikel 1 van de
                                    verordening.</al>
              </artikel>
              <artikel>
                <kop>
                  <titel>Artikel 3 lid 1</titel>
                </kop>
                <al>De werking van de verordening is beperkt tot
                                    uitkeringsgerechtigden in de leeftijdscategorie van 21 tot 65
                                    jaar. <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=26" struct="BWB">De artikelen 26</extref>, <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=27" struct="BWB">27</extref> en <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=28" struct="BWB">28
                                        Wwb</extref> maken ook categoriale verlagingen mogelijk voor
                                    uitkeringsgerechtigden van 18, 19 en 20 jaar. Deze
                                    uitkeringsgerechtigden hebben echter al een lagere norm (de
                                    jongerennorm), omdat zij in principe een beroep kunnen doen op
                                    de ouderlijke onderhoudsplicht.</al>
              </artikel>
              <artikel>
                <kop>
                  <titel>Artikel 3 lid 2</titel>
                </kop>
                <al>Deze bevoegdheid volgt uit <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=30" struct="BWB">artikel 30 lid 4 Wwb</extref>. Burgemeester en wethouders
                                    stellen de bijstand afwijkend vast (in afwijking van het
                                    bepaalde in de <extref doc="1.1:CVDR152495_1" struct="CVDR">Toeslagenverordening</extref>) als dat gelet op de
                                    omstandigheden, mogelijkheden en middelen van belanghebbende
                                    wenselijk is. Dit geldt ook in situaties waarin de <extref doc="1.1:CVDR152495_1" struct="CVDR">Toeslagenverordening</extref> niet voorziet. Deze
                                    verplichting is expliciet in de verordening opgenomen onder lid
                                    2 van dit artikel, zodat hier in de uitvoering geen misverstand
                                    over kan bestaan.</al>
              </artikel>
              <artikel>
                <kop>
                  <titel>Artikel 4 lid 1 </titel>
                </kop>
                <al>Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de
                                    alleenstaande ouder is de wetgever uitgegaan van de
                                    veronderstelling dat betrokkene de bestaanskosten geheel met een
                                    ander kan delen. Indien dit niet het geval is, wordt de
                                    basisnorm verhoogd met een toeslag. </al>
                <al>In de toelichtende stukken op het wetsvoorstel is hierover
                                    gezegd dat voor het bepalen van de hoogte van de toeslag alle
                                    extra algemeen noodzakelijke bestaanskosten in aanmerking worden
                                    genomen die de alleenstaande of de alleenstaande ouder heeft ten
                                    opzichte van degene die met zijn partner een gezamenlijke
                                    huishouding voert. </al>
                <al>"Het gaat hierbij niet alleen om woonkosten (in beperkte of
                                    uitgebreide zin) maar ook om alle andere uitgaven waarbij
                                    partners een schaalvoordeel hebben omdat zij alle kosten van
                                    huisvesting en huishouding gezamenlijk opbrengen. Bij de
                                    relatief hogere kosten waarmee alleenstaanden in beginsel worden
                                    geconfronteerd kan onder meer gedacht worden aan duurzame
                                    gebruiksgoederen, zoals woninginrichting en huishoudelijke
                                    apparatuur, maar ook aan vaste lasten, zoals abonnementen en
                                    diverse andere kosten. De toeslag dient zodanig te zijn dat de
                                    betrokkene daaruit op dezelfde wijze zijn algemene
                                    bestaanskosten kan voldoen als nu het geval is met de volledig
                                    landelijk genormeerde algemene bijstand. Bij de beoordeling of
                                    betrokkene inderdaad hogere bestaanskosten heeft, is in
                                    voorkomende gevallen niet bepalend of deze ook feitelijk die
                                    kosten met een ander deelt, maar of het - gegeven de
                                    omstandigheden - redelijk is er vanuit te gaan dat deze kosten
                                    kunnen worden gedeeld. In bijvoorbeeld de situatie dat een
                                    hoofdbewoner de woning met een ander bewoont, zou een ongewenste
                                    gebruikersruimte (van bijstandsmiddelen, red.) ontstaan als de
                                    hoogte van de toeslag afhankelijk is van de vraag of de
                                    medebewoner, hoewel deze daartoe financieel in staat is, ook
                                    feitelijk een bijdrage levert in de woonkosten. Vandaar dat
                                    gesproken wordt van het "kunnen delen" van de kosten. </al>
                <al>Met deze omschrijving beoogt het kabinet uitdrukkelijk niet aan
                                    te geven dat van de betrokkene kan worden gevergd dat deze
                                    bijvoorbeeld zijn woonsituatie aanpast om zo met een lagere
                                    bijstandsuitkering te kunnen volstaan." </al>
                <al>De mate waarin de bestaanskosten kunnen worden gedeeld bepaalt,
                                    zoals gezegd, de hoogte van de toeslag. De toeslag bedraagt
                                    minimaal 0% en maximaal 20% van het netto minimumloon. Degene
                                    die voor een toeslag in aanmerking wenst te komen, moet
                                    aannemelijk maken dat er geen sprake is van kosten die kunnen
                                    worden gedeeld en dat er derhalve terecht aanspraak op een
                                    toeslag wordt gemaakt. De toeslag maakt een integraal deel van
                                    de bijstandsuitkering uit. De algemene inlichtingenverplichting
                                    die op de aanvrager rust, geldt ook voor het toeslagendeel.
                                    Aanvrager zal dan ook door middel van het overleggen van
                                    gegevens het recht moeten aantonen.</al>
              </artikel>
              <artikel>
                <kop>
                  <titel>Artikel 4 lid 2 </titel>
                </kop>
                <al>
                  <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=30" struct="BWB">Artikel 30 lid 2 Wwb</extref> schrijft voor dat
                                    de toeslag, onverminderd het bepaalde in de <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=27" struct="BWB">artikelen 27</extref>, <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=28" struct="BWB">28</extref> en <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=29" struct="BWB">29
                                        van de wet</extref>, voor de alleenstaande en de
                                    alleenstaande ouder met zijn kinderen in wiens woning geen ander
                                    zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het maximumbedrag
                                    genoemd in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25 lid 2 van de Wwb</extref>. De
                                    maximale toeslag komt neer op 20% van het netto minimumloon. In
                                    deze verordening wordt volstaan met een verwijzing naar het
                                    bedrag zoals dat in de wet is genoemd. Dit bedrag wordt
                                    regelmatig (veelal (half)jaarlijks) bijgesteld. </al>
                <al>De <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=27" struct="BWB">artikelen 27</extref>, <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=28" struct="BWB">28</extref> en <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=29" struct="BWB">29
                                        Wwb</extref> geven de gemeente de bevoegdheid om voor
                                    bepaalde categorieën de bijstandsnorm of de toeslag lager vast
                                    te stellen. Dit betekent dat indien aanvrager voldoet aan de
                                    voorwaarde genoemd in artikel 4 lid 2 van deze verordening het
                                    toch kan zijn dat er geen recht op een toeslag bestaat van 20%
                                    van het netto minimumloon, indien de gemeente daarnaast tevens
                                    gebruik maakt van de mogelijkheid om de bijstandsnorm of de
                                    toeslag te verlagen (zie de artikelen 4 en 5 van deze
                                    verordening).</al>
              </artikel>
              <artikel>
                <kop>
                  <titel>Artikel 4 lid 3</titel>
                </kop>
                <al>Voor zorgbehoeftige behoort zelfstandig wonen niet altijd meer
                                    tot de mogelijkheden. Medebewoning is in die gevallen
                                    noodzakelijk om de (beperkte) zelfstandigheid nog zo lang
                                    mogelijk te behouden. Het toeslagen- en verlagingsbeleid mag
                                    hierin niet in de weg staan. Voor zowel de zorgbehoeftige als de
                                    verzorgende partij wordt de hoogte van de bijstandsuitkering
                                    door middel van deze bepaling vastgesteld als waren zij
                                    zelfstandig wonend. De "gedwongen" situatie van medebewoning
                                    heeft zo geen gevolgen voor de uitkering van de belanghebbenden. </al>
                <al>Er zijn drie situaties van zorgbehoefte te onderscheiden:</al>
                <lijst>
                  <li nr="-"><al>bij samenwoning van bloedverwanten in de tweede
                                            graad;</al></li>
                  <li nr="-"><al>bij zorgbehoefte in algemene zin (zonder familiaire
                                            relatie);</al></li>
                  <li nr="-"><al>bij zorgbehoefte bij één van de gezinsleden
                                            (bloedverwanten in de eerste graad).</al></li>
                </lijst>
                <al>Voorts kent de Wwb voor het eerst een definitie van
                                    zorgbehoefte. Deze is opgenomen in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=4" struct="BWB">artikel 4 lid 5 van de wet</extref>. Voor een zo eenvoudig
                                    mogelijk uitvoerbare en eenduidige verordening is de definitie
                                    zoals opgenomen in de wet van toepassing op de hierboven
                                    genoemde drie situaties.</al>
              </artikel>
              <artikel>
                <kop>
                  <titel>Artikel 4 lid 4</titel>
                </kop>
                <al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen
                                    op. Deze schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen
                                    worden gedeeld. De kosten van huur, heffingen, belastingen,
                                    verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven en dergelijke zijn voor
                                    personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per
                                    woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Deze
                                    schaalvoordelen worden berekend op 10%. lndien er op enigerlei
                                    wijze sprake is van het kunnen delen van kosten, wordt de
                                    toeslag als gevolg van de optredende schaalvoordelen vastgesteld
                                    op 10% van het netto minimumloon.</al>
              </artikel>
              <artikel>
                <kop>
                  <titel>Artikel 5 lid 1 </titel>
                </kop>
                <al>De hoogte van de uitkering van alleenstaanden en alleenstaande
                                    ouders is afhankelijk van de mate waarin zij de kosten van het
                                    bestaan kunnen delen. Hoe meer kosten kunnen worden gedeeld, hoe
                                    lager de toeslag is. Ook een gezin kan schaalvoordelen genieten
                                    aangezien zij de kosten van het bestaan kan delen omdat zij de
                                    door hen bewoonde woning niet alleen bewonen. Deze
                                    schaalvoordelen leiden ertoe dat de gezinsnorm wordt
                                    verlaagd.</al>
              </artikel>
              <artikel>
                <kop>
                  <titel>Artikel 5 lid 2 </titel>
                </kop>
                <al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen
                                    op. Deze schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen
                                    worden gedeeld. De kosten van huur, heffingen, belastingen,
                                    verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven en dergelijke zijn voor
                                    personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per
                                    woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht.</al>
                <al>Deze schaalvoordelen worden berekend op 10%. Indien er op
                                    enigerlei wijze sprake is van het kunnen delen van kosten, wordt
                                    de toeslag als gevolg van de optredende schaalvoordelen
                                    vastgesteld op 10% van het netto minimumloon.</al>
              </artikel>
              <artikel>
                <kop>
                  <titel>Artikel 5 lid 3</titel>
                </kop>
                <al>Voor zorgbehoeftige behoort zelfstandig wonen niet altijd meer
                                    tot de mogelijkheden. Medebewoning is in die gevallen
                                    noodzakelijk om de (beperkte) zelfstandigheid nog zo lang
                                    mogelijk te behouden. Het toeslagen- en verlagingsbeleid mag
                                    hierin niet in de weg staan. Voor zowel de zorgbehoeftige als de
                                    verzorgende partij wordt de hoogte van de bijstandsuitkering
                                    door middel van deze bepaling vastgesteld als waren zij
                                    zelfstandig wonend. De "gedwongen" situatie van medebewoning
                                    heeft zo geen gevolgen voor de uitkering van de belanghebbenden. </al>
                <al>Er zijn drie situaties van zorgbehoefte te onderscheiden:</al>
                <lijst>
                  <li nr="-"><al>bij samenwoning van bloedverwanten in de tweede
                                            graad;</al></li>
                  <li nr="-"><al>bij zorgbehoefte in algemene zin (zonder familiaire
                                            relatie);</al></li>
                  <li nr="-"><al>bij zorgbehoefte bij een van de gezinsleden
                                            (bloedverwanten in de eerste graad).</al></li>
                </lijst>
                <al>Voorts kent de <extref doc="1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">Wwb</extref> voor het eerst een definitie van
                                    zorgbehoefte. Deze is opgenomen in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=4" struct="BWB">artikel 4 lid 5 van de wet</extref>. Voor een zo eenvoudig
                                    mogelijk uitvoerbare en eenduidige verordening is de definitie
                                    zoals opgenomen in de wet van toepassing op de hierboven
                                    genoemde drie situaties.</al>
              </artikel>
              <artikel>
                <kop>
                  <titel>Artikel 6 lid 1 </titel>
                </kop>
                <al>De bijstandsuitkering dient voldoende te zijn om in de algemeen
                                    noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. De
                                    kosten van het wonen maken daar deel van uit. Het financiële
                                    voordeel van het niet verschuldigd zijn van woonkosten
                                    rechtvaardigt een lager bedrag aan algemene bijstand. </al>
              </artikel>
              <artikel>
                <kop>
                  <titel>Artikel 6 lid 2 </titel>
                </kop>
                <al>Uitgangspunt voor de verlaging is de hoogte van de maximum
                                    toeslag ex art. 4 lid 2 van deze verordening, zijnde 20% van het
                                    netto minimumloon. Dit komt in de buurt van het bedrag dat wordt
                                    gehanteerd als minimumbedrag bij het toepassen van
                                    huursubsidie.</al>
              </artikel>
              <artikel>
                <kop>
                  <titel>Artikel 7</titel>
                </kop>
                <al>De Wwb kent geen afzonderlijke uitkeringsnormen voor 21- en
                                    22-jarige alleenstaanden. Het gevolg is dat de
                                    bijstandsuitkering soms hoger kan uitvallen dan het loon dat men
                                    in een dienstbetrekking verdient. Ook het minimumloon dat men in
                                    een voltijds dienstbetrekking kan verdienen, is nauwelijks
                                    hoger. Zo is er nauwelijks stimulans om arbeid te aanvaarden.
                                    Teneinde dit effect te beperken wordt de toeslag voor 21-jarige
                                    alleenstaanden op 5% respectievelijk 2,5 % en 22-jarige
                                    alleenstaanden op 10% respectievelijk 5% gesteld. Hiermee is
                                    gebruik gemaakt van de bevoegdheid in <extref doc="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=29" struct="BWB">artikel 29 van de wet</extref>.</al>
              </artikel>
              <artikel>
                <kop>
                  <titel>Artikel 8 </titel>
                </kop>
                <al>Is vervallen met ingang van 1 januari 2010</al>
              </artikel>
              <artikel>
                <kop>
                  <titel>Artikel 9</titel>
                </kop>
                <al>Indien gebruik wordt gemaakt van de verlagingsmogelijkheden
                                    dient rekening te worden gehouden met nadelige cumulatieve
                                    effecten. Cumulatie kan er namelijk toe leiden dat er
                                    onvoldoende uitkering overblijft om te voorzien in de algemeen
                                    noodzakelijke kosten van het bestaan. Een uitkering lager dan
                                    50% wordt als onvoldoende, om te voorzien in de algemeen
                                    noodzakelijke kosten van het bestaan, aangemerkt.</al>
              </artikel>
            </paragraaf>
          </afdeling>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 12 januari 2012.</ondertekening>
        <ondertekening>De raad voornoemd, </ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>, voorzitter </ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>, griffier</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>