<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR15247_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Werkleeraanbod Wet investeren in jongeren 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-11-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Koerier, 04-11-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening werkleeraanbod WIJ 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet art. 147, eerste lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, art. 12, eerste lid, onderdeel a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-10-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-11-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-1.83/GL</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Werkleeraanbod Wet investeren in jongeren 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Landerd;</al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 augustus
                        2009;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 12,
                        eerste lid, onderdeel a van de Wet investeren in jongeren;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is bij verordening regels te stellen
                        aangaande de inhoud van het werkleeraanbod in het kader van de Wet
                        investeren in jongeren;</al><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al>Tot het vaststellen van de</al><al><vet>Verordening Werkleeraanbod Wet investeren in jongeren
                        2009.</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>Wet</cursief>: de Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="b."><al><cursief>Algemeen geaccepteerde arbeid</cursief>: alle arbeid,
                                    niet zijnde arbeid in het kader van de Wet sociale
                                    werkvoorziening, die algemeen maatschappelijk aanvaard is en
                                    niet indruist tegen de openbare orde of goede zeden; </al></li><li nr="c."><al><cursief>Startkwalificatie</cursief>: een diploma van een
                                    opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b
                                    tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een
                                    diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend
                                    wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7
                                    onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="d."><al><cursief>C</cursief>ollege: het college van burgemeester en
                                    wethouders van de gemeente Landerd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod,
                                algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de
                                arbeidsinschakeling of een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling aan;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan het werkleeraanbod ook invullen met een combinatie
                                van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de
                                arbeidsinschakeling dan wel één of meerdere voorzieningen;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid kan een werkleeraanbod ook bestaan
                                uit een voorbereidingsperiode op een zelfstandig beroep of bedrijf,
                                als bedoeld in artikel 17, zesde lid van de wet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stemt het werkleeraanbod af op de omstandigheden,
                                krachten en bekwaamheden van de jongere, wiens recht op een
                                werkleeraanbod is vastgesteld. Bij de invulling van het
                                werkleeraanbod onderzoekt het college de mogelijkheden en
                                omstandigheden van de jongere. Zij beziet daarbij tevens in hoeverre
                                de wensen van de jongere bij de invulling van het werkleeraanbod
                                kunnen worden betrokken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod komen in aanmerking
                                voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en op de naar het
                                oordeel van het college noodzakelijk geachte en beschikbare
                                voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet een werkleeraanbod dat past binnen de criteria die
                                gesteld zijn in deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Arbeidsinschakeling</titel></kop><al>Het college biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod en
                            naar het oordeel van het college direct inzetbaar zijn op de
                            arbeidsmarkt in beginsel algemeen geaccepteerde arbeid of ondersteuning
                            bij de arbeidsinschakeling aan. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>De voorzieningen</titel></kop><al>Onverminderd artikel 4, kan het college jongeren die recht hebben op een
                            werkleeraanbod, één of meer van de volgende voorzieningen
                            aanbieden:</al><lijst><li nr="a."><al>ondersteuning bij een beroep op maatschappelijke opvang of
                                    medische zorg;</al></li><li nr="b."><al>ondersteuning bij maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="c."><al>arbeidsactivering en –toeleiding;</al></li><li nr="d."><al>sociale activering;</al></li><li nr="e."><al>stages bij bedrijven of instellingen;</al></li><li nr="f."><al>opleidingen die de toegang tot de arbeidsmarkt bevorderen;</al></li><li nr="g."><al>gesubsidieerd werk;</al></li><li nr="h."><al>nazorg bij arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="i."><al>voorbereidingstrajecten voor zelfstandige arbeid;</al></li><li nr="j."><al>diagnose-instrumenten;</al></li><li nr="k."><al>ondersteunende instrumenten, waaronder kinderopvang,
                                    schuldhulpverlening, onderzoeken door deskundigen en taal- en
                                    beroepsgerichte scholing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inzet van de voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor voorzieningen
                                die beschikbaar, adequaat en toereikend zijn voor het doel dat wordt
                                beoogd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de inzet van voorzieningen is het bevorderen van
                                duurzame arbeidsparticipatie van jongeren door het opdoen van
                                werkervaring, het aanleren van vaardigheden en kennis, het opdoen
                                van werkritme, maatschappelijke participatie dan wel op andere wijze
                                vergroten van persoonlijke en maatschappelijke zelfredzaamheid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, vierde lid, kunnen de beschikbare
                                voorzieningen als volgt worden ingezet:</al><lijst><li nr="a."><al>voor jongeren met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                                        worden in beginsel de voorzieningen genoemd in artikel 5
                                        ingezet;</al></li><li nr="b."><al>voor jongeren die zich richten op arbeid in zelfstandig
                                        bedrijf of beroep wordt in beginsel de voorziening, genoemd
                                        in artikel 5, onderdeel i, ingezet;</al></li><li nr="c."><al>voor jongeren met een taalachterstand wordt in beginsel de
                                        voorziening, genoemd in artikel 5, onderdeel k,
                                        ingezet;</al></li><li nr="d."><al>voor jongeren met een arbeidshandicap worden in beginsel de
                                        voorzieningen genoemd in artikel 3 ingezet;</al></li><li nr="e."><al>voor jongeren die alleenstaande ouder zijn, worden in
                                        beginsel de voorzieningen genoemd in artikel 3 ingezet;</al></li><li nr="f."><al>voor jongeren zonder startkwalificatie wordt in beginsel de
                                        voorziening genoemd in artikel 3, onderdeel f, ingezet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college vult de voorziening bedoeld in het
                                eerste lid voor de jongere die niet beschikt over een
                                startkwalificatie in met scholing of opleiding die de toegang tot de
                                arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een
                                dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de
                                jongere te boven gaat of onvoldoende bijdraagt aan vergroting van de
                                kans op arbeidsinschakeling van de jongere.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Combinatie arbeid en zorg</titel></kop><al>Onverminderd artikel 17, vierde lid, van de wet, betrekt het college bij
                            de invulling van het werkleeraanbod de beschikbaarheid van passende
                            kinderopvang, het belang van voldoende scholing en de belastbaarheid van
                            de jongere.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gehandicapten</titel></kop><al>Onverminderd artikel 17, tweede lid, van de wet, stemt het college het
                            werkleeraanbod af op de medische beperkingen van de jongere en draagt
                            zorg voor passende voorzieningen ter ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Uitvoering door derden</titel></kop><al>Het college kan in verband met de invulling en uitvoering van het
                            werkleeraanbod afspraken maken met derden, waaronder werkgevers en
                            re-integratiebedrijven, alsmede subsidies verstrekken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verplichtingen van de jongere</titel></kop><al>Een jongere die gebruik maakt van een voorziening is gehouden te voldoen
                            aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet structuur
                            uitvoering werk en inkomen, deze verordening, alsmede aan de
                            verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft
                            verbonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Intrekking werkleeraanbod</titel></kop><al>Het college kan het werkleeraanbod intrekken of herzien, indien
                            wijziging optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de
                            jongere dan wel indien de jongere niet voldoet aan een of meer op hem
                            rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet en hem dit
                            te verwijten valt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Budgetplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor de
                                verschillende voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Subsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan subsidie verlenen aan werkgevers die met een jongere
                                een arbeidsovereenkomst sluiten, als tegemoetkoming in de loonkosten
                                en in de kosten van voorbereiding op een beoogd dienstverband met de
                                jongere.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de duur van de subsidie,
                                de hoogte, en de verplichtingen die aan de subsidie worden
                                verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een subsidieplafond vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de subsidies bedoeld in dit artikel is de Algemene
                                subsidieverordening van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><al>Het college kan aan een jongere die ten behoeve van de uitvoering van
                            een werkleeraanbod noodzakelijke kosten maakt, een vergoeding voor die
                            kosten verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                                overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt jaarlijks
                                geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze
                                verordening aangepast. Het college zendt hiertoe jaarlijks na de
                                inwerkingtreding van de verordening aan de raad een verslag over de
                                doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de
                                praktijk</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking
                            en werkt terug tot en met 1 oktober 2009. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening werkleeraanbod WIJ
                            2009.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad der gemeente Landerd</ondertekening><ondertekening>van 8 oktober 2009</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.A.G. Huijs W.C. Doorn-Van der Houwen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Toelichting verordening Werkleeraanbod</tussenkop><tussenkop>De Wet investeren in jongeren en het werkleeraanbod</tussenkop><tussenkop>Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking.
                    Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk
                    van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een
                    zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op de uitgangspunt
                    dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende kwalificaties beschikken
                    gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun
                    levensonderhoud kunnen voorzien. </tussenkop><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle
                    jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moeten
                    gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het
                    werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                    jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                    beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen
                    of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, dit aanbod
                    onvoldoende inkomsten genereert of er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan.
                    De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening
                    anderzijds is een bepalend element in de WIJ.</al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan de
                    WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide de plicht tot
                    arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het
                    uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering, mits’ in de WIJ is dit omgedraaid en
                    geldt als uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’.</al><al>Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en plichten. De
                    gemeente is onder bepaalde voorwaarden verplicht een werkleeraanbod en eventueel
                    een inkomensvoorziening aan te bieden. De jongere is verplicht zich te houden
                    aan diverse verplichtingen. Worden deze verplichtingen geschonden, dan kan het
                    werkleeraanbod worden ingetrokken en dient de inkomensvoorziening verlaagd te
                    worden (artikel 41, eerste lid WIJ). Die verlaging geschiedt conform de regels
                    die in een gemeentelijke verordening moeten zijn vastgelegd (artikel 12, eerste
                    lid onderdeel b WIJ). Dat is de Maatregelverordening WIJ.</al><tussenkop>Duurzame arbeidsparticipatie</tussenkop><al>Voor jongeren in de leeftijd van 16 tot 27 jaar ontstaat onder de voorwaarden
                    die in de WIJ zijn genoemd, een individueel recht op een werkleeraanbod. Dat is
                    meer dan een recht op een eenmalige voorziening. Zo nodig is het een recht op
                    een reeks voorzieningen gericht op de kortste weg naar duurzame
                    arbeidsparticipatie. Langs welke route die weg verloopt, is een individueel
                    gegeven dat wordt bepaald door de afstand van de jongere tot de arbeidsmarkt en
                    de beschikbaarheid van voorzieningen. Onder duurzame arbeidsparticipatie wordt
                    verstaan de arbeidsinschakeling waarbij jongeren gedurende langere tijd en op
                    eigen kracht aan het arbeidsproces kunnen deelnemen en arbeid verrichten dat
                    past bij hun kennis en vaardigheden of deze kennis en vaardigheden bevordert
                    (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p. 11). Tot dat punt is bereikt is de
                    gemeente verplicht de jongere (bij herhaling) een werkleeraanbod te doen gericht
                    op arbeidsinschakeling. Er is nadrukkelijk voor gekozen om niet bij voorbaat te
                    bepalen hoe lang de algemeen geaccepteerde arbeid zou moeten duren voordat over
                    ‘duurzame arbeidsparticipatie’ kan worden gesproken (Handelingen TK 2008-2009,
                    nr. 76, p. 6006). De jongere dient op het punt gebracht te worden dat hij geen
                    ondersteuning van het college meer nodig heeft. </al><tussenkop>Inhoud werkleeraanbod</tussenkop><al>Het begrip ‘werkleeraanbod’ moet ruim worden uitgelegd. Het werkleeraanbod kan
                    allerlei vormen hebben, variërend van een ‘echte’ baan tot vakgerichte scholing
                    of een combinatie van beide. Een werkleeraanbod kan ook bestaan uit
                    voorzieningen die nodig worden geacht op weg naar arbeidsinschakeling, zoals een
                    sollicitatietraining, een cursus gericht op de ontwikkeling van
                    werknemersvaardigheden, een stageplaats, schuldhulpverlening, sociale
                    activering, nazorg en gesubsidieerde arbeid. Afgezien van participatieplaatsen
                    kan het gehele instrumentarium dat gemeenten hebben ontwikkeld voor de
                    re-integratie in het kader van de WWB, ook op jongeren toegepast worden.
                    Participatieplaatsen zijn uitgezonderd. Bij jongeren zal de situatie waarin de
                    afstand tot de arbeidsmarkt dusdanig groot is dat die alleen met de maximale
                    drie jaar additionele arbeid te overbruggen is zich niet in die mate voordoen
                    dat de regering participatieplaatsen in de vorm van artikel 10a WWB noodzakelijk
                    acht. Ook uitgezonderd is het reguliere onderwijs dat door het Rijk wordt
                    bekostigd (zie ook artikel 23, eerste lid, onderdeel a WIJ). Het college kan de
                    jongere weliswaar adviseren een dergelijke vorm van onderwijs te volgen of weer
                    te gaan volgen als dit zinvol wordt geacht, maar het is geen voorziening die de
                    gemeente kan inzetten om vorm te geven aan het werkleeraanbod. Een premie voor
                    de arbeidsinschakeling past niet bij het uitgangspunt dat jongeren die daartoe
                    in staat zijn moeten leren of werken. Daarom is er geen aanleiding om werken
                    en/of leren te belonen met een financiële vrijlating van inkomsten uit
                    deeltijdarbeid of van een premie i.v.m. arbeidsinschakeling bij de
                    inkomensvoorziening. Dat geldt evenzeer voor een onkostenvergoeding voor
                    vrijwilligerswerk, tenzij deze bestemd is voor aantoonbaar gemaakte kosten.</al><al>Het college bepaalt de inhoud van het werkleeraanbod. Dat geldt ook voor de
                    vraag of het accent komt te liggen op werken of leren. Gelet op de duurzame
                    arbeidsparticipatie als einddoel, zal werken de hoogste prioriteit hebben als de
                    jongere daartoe in staat is. Zijn er echter belemmeringen op de weg daar
                    naartoe, dan kunnen allerlei voorzieningen worden ingezet om dat einddoel te
                    bereiken. Van belang daarbij is dat de startkwalificatie binnen het
                    werkleeraanbod een ijkpunt vormt, omdat deze in belangrijke mate kan bijdragen
                    aan duurzame arbeidsparticipatie. Het is aan de gemeenten overgelaten om te
                    beoordelen in hoeverre de jongere in staat moet worden gesteld een dergelijke
                    kwalificatie te behalen of anderszins scholing te ontvangen die de toegang tot
                    de arbeidsmarkt bevordert.</al><tussenkop>Maatwerk</tussenkop><al>Uitgangspunt is dat maatwerk wordt geleverd: dat het werkleeraanbod wordt
                    afgestemd op de omstandigheden, krachten en capaciteiten van de jongere (artikel
                    18, eerste lid WIJ). De wensen van jongeren worden betrokken bij het vormgeven
                    van het werkleeraanbod (artikel 14, eerste lid WIJ). Het college is verplicht
                    die wensen vast te leggen in de rapportage die ten grondslag ligt aan het
                    werkleeraanbod en dient daarbij tevens aan te geven op welke wijze die wensen
                    bij het werkleeraanbod betrokken zijn.</al><tussenkop>Werken en leren niet direct mogelijk</tussenkop><al>Wanneer het doen van een werkleeraanbod bestaande uit werken en/of leren niet
                    direct mogelijk is, dient een aanbod gedaan te worden dat op termijn perspectief
                    biedt op arbeidsinschakeling. Dat kan betekenen dat voorzieningen worden ingezet
                    in de vorm van zorg- of hulpverlening, waarbij ook aandacht kan worden besteed
                    aan belemmerende factoren, zoals psychische, sociale en cognitieve problemen.
                    Het werkleeraanbod omvat immers het geheel van re-integratievoorzieningen, dat
                    gericht is op duurzame arbeidsparticipatie. Is de jongere naar het oordeel van
                    het college in het geheel niet in staat dat om redenen van lichamelijk, sociale
                    of psychische aard uitvoering wordt gegeven aan een werkleeraanbod, dan kan
                    daarvan vooralsnog worden afgezien (artikel 17, tweede lid WIJ). Zorgtaken
                    kunnen worden aangemerkt als reden van sociale aard, voor zover daarmee geen
                    rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening. </al><tussenkop>Alleenstaande ouders</tussenkop><al>Bij de vormgeving van het werkleeraanbod in de WIJ is speciale aandacht besteed
                    aan alleenstaande ouders, vanwege hun zorgtaken en mogelijke medische en/of
                    fysieke beperkingen. Daarom geldt voor alleenstaande ouders met een ten laste
                    komend kind jonger dan vijf jaar, dat het werkleeraanbod desgevraagd wordt
                    ingevuld door middel van scholing of opleiding die de toegang tot de
                    arbeidsmarkt bevordert, tenzij een dergelijke scholing de krachten of
                    bekwaamheden van de jongere te boven gaat (artikel 17, vierde lid, WIJ). </al><al>Daarmee loopt deze regeling parallel met de WWB (artikel 9a WWB). Anders dan in
                    de WWB echter is uit oogpunt van deregulering afgezien van een maximale termijn
                    van zes jaar. Dit omdat gezien de maximale duur van het werkleerrecht (van 18
                    tot 27 jaar) deze maximale termijn in de meeste gevallen reeds in de
                    werkleerperiode zal zijn geïncorporeerd.</al><tussenkop>Zelfstandigen</tussenkop><al>Besloten is om zelfstandigen uit te zonderen van het recht op een werkleeraanbod
                    en van het recht op inkomensvoorziening (artikel 23, eerste lid, onderdeel e jo.
                    artikel 42, eerste lid, onderdeel m, WIJ). Zij kunnen een beroep doen op
                    algemene bijstand of bijstand ter voorziening in de behoefte aan
                    bedrijfskapitaal op grond van artikel 78f van de WWB, zodat de (jongere)
                    zelfstandige zich geheel kan richten op zijn bestaan als zelfstandige. In het
                    zesde lid van artikel 17 WIJ wordt evenwel bepaald dat het college de
                    mogelijkheid (niet de verplichting) heeft om aan de jongere die als zelfstandige
                    wil beginnen een werkleeraanbod te doen dat bestaat uit een
                    voorbereidingsperiode op het bestaan als zelfstandige. Dit werkleeraanbod duurt
                    maximaal twaalf maanden en kan slechts worden aangeboden op verzoek van de
                    jongere.</al><tussenkop>Gehandicapten</tussenkop><al>Voor de groep jongeren met een medische beperking (die niet behoren tot de
                    doelgroep van de WAJONG) is het van belang dat het aanbod aansluit bij hun
                    mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk bij het werkleerrecht zal vooral
                    voor deze groep een cruciale rol spelen. Aan de hand van de individuele situatie
                    zal beoordeeld moeten worden welk aanbod past bij de jongere gelet op zijn/haar
                    mogelijkheden en beperkingen. Het werkleeraanbod moet aansluiten bij de
                    individuele mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en
                    belastbaarheid. Maatwerk betekent een zorgvuldige op de persoon toegesneden
                    afweging bij de uiteindelijke keuze van een traject. Voor de groep jongeren die
                    weinig perspectief heeft op arbeidsinschakeling behoort sociale activering tot
                    mogelijkheden. Als een werkleeraanbod vanwege de medische situatie in het geheel
                    niet mogelijk is, wordt de gehandicapte geen aanbod gedaan. Wel kan aanspraak op
                    een inkomensvoorziening bestaan.</al><tussenkop>Beleid werkleeraanbod in verordening</tussenkop><al>Om recht te doen aan de beleidsruimte die gemeenten nodig hebben om door
                    maatwerk invulling te geven aan de gemeentelijke verantwoordelijkheid, worden
                    aan de vormgeving van het werkleeraanbod en de mate waarin gemeente daartoe
                    voorzieningen kan inzetten, geen wettelijke eisen gesteld. Gezien de
                    verantwoordelijkheid die de gemeenteraad in het kader van dit wetsvoorstel
                    heeft, en mede met het oog op de rechtszekerheid, is bepaald dat het
                    gemeentelijke beleid inzake de voorzieningen in een verordening moet worden
                    vastgelegd. De jongere moet uit de verordening kunnen afleiden welke
                    voorzieningen het college kan inzetten om het doel, de duurzame
                    arbeidsparticipatie, te bereiken. Tevens kan in de verordening in hoofdlijnen
                    worden bepaald voor welke doelgroepen welke voorzieningen bij voorkeur kunnen
                    worden ingezet. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan voorbereidingstrajecten voor
                    startende zelfstandigen en speciale arbeids- of scholingstrajecten voor
                    alleenstaande ouders, evt. in combinatie met kinderopvang, zodat scholing/arbeid
                    en zorg kan worden gecombineerd. In de verordening kan ook worden vastgelegd dat
                    samengewerkt wordt met andere uitvoeringsinstellingen, zoals gemeenten of UWV,
                    bedrijfsleven en onderwijsinstellingen en als dat het geval is, op welke wijze
                    de samenwerking plaatsvindt. </al><al>Er is voor gekozen om het beleid zoveel mogelijk in de verordening zelf vast te
                    leggen. Dat heeft als voordeel dat het beleid in één document samengevat is.
                    Nadeel daarvan is echter dat een verordening behoorlijk statisch is. Ander
                    nadelig gevolg kan zijn dat de speelruimte die het college behoudt om maatwerk
                    te leveren en voorzieningen ook daadwerkelijk af te stemmen op de krachten,
                    bekwaamheden en de omstandigheden van de jongere (te) beperkt kan worden. Dat
                    zou zich vooral voor kunnen doen als bepaalde voorzieningen expliciet gekoppeld
                    worden aan bepaalde met name genoemde groepen jongeren. Hiervoor is zo min
                    mogelijk gekozen.</al><al>Praktisch zal het zgn. uitvoeringsbeleid door het college vormgegeven worden,
                    zoals dat bij de re-integratie in het kader van de WWB vaak ook de praktijk is.
                    De verordening kan immers nimmer alle aspecten van het gemeentelijk beleid
                    bestrijken. Veelal zijn nadere beleidsregels noodzakelijk, zoals regels over de
                    uitleg van begrippen (bijv. wat wordt verstaan onder ‘redenen van lichamelijk,
                    geestelijke of sociale aard’?). Dergelijke beleidsregels (Schulinck Handboek)
                    kunnen door het college worden vastgesteld. </al><tussenkop>Relatie met re-integratieverordening WWB</tussenkop><al>Het instrumentarium dat reeds beschikbaar is voor de re-integratie in het kader
                    van de WWB kan, uitgezonderd participatieplaatsen en vrijlating van inkomsten
                    uit arbeid, tevens worden ingezet voor de vormgeving van het werkleeraanbod. </al><tussenkop>Relatie met Maatregelverordening</tussenkop><al>De verordening Werkleeraanbod en de Maatregelverordening vormen twee kanten van
                    dezelfde medaille. Immers, de WIJ legt het college plicht op om jongeren een
                    werkleeraanbod te doen. Het werkleeraanbod wordt door deze verordening
                    gefaciliteerd. Anderzijds staat daar wel wat tegenover. De jongere is verplicht
                    het aanbod te aanvaarden en verplichtingen die aan het werkleeraanbod zijn
                    gekoppeld na te leven. Komt de jongere die verplichtingen niet na, dan vormt dat
                    een grond voor verlaging van de inkomensvoorziening. Beide verordeningen sluiten
                    dus op elkaar aan. In verband daarmee is in de verordening Werkleeraanbod
                    herhaald dat onder de voorwaarden, genoemd in artikel 21 WIJ het werkleeraanbod
                    ingetrokken kan worden.</al><al> Omdat met deze intrekking tevens het recht op inkomensvoorziening vervalt, is
                    het van belang dat wordt afgebakend wanneer de inkomensvoorziening verlaagd en
                    wanneer deze ingetrokken wordt. Uitgangspunt van de wetgever is daarbij geweest
                    dat bij schending van verplichtingen primair een maatregel aangewezen is en pas
                    in tweede instantie intrekking van het werkleeraanbod en daarmee tevens van de
                    inkomensvoorziening aan de orde komt. Het opleggen van een maatregel is derhalve
                    regel, het intrekken van het werkleeraanbod uitzondering. Het is aan de
                    gemeenten overgelaten om beleid vast te stellen over de grensafbakening tussen
                    maatregel en intrekking werkleeraanbod.</al><tussenkop>Staatssteun </tussenkop><al>De Europese regelgeving over staatssteun kan een beperking van de mogelijkheden
                    voor het gemeentelijke re-integratiebeleid en het beleid m.b.t. het
                    werkleeraanbod opleveren. Van belang is dat per 1 januari 2009 de Europese
                    vrijstellingsverordening werkgelegenheidssteun (Nr. 2204/2002) is komen te
                    vervallen. Wel van toepassing zijn de Verordening de minimis-steun (Verordening
                    (EG) Nr. 69/2001) en de Algemene groepsvrijstellingsverordening (nr. 800/2008).
                    De vraag of een gemeente thans gehouden is om activiteiten bij de Europese
                    commissie te melden kan beantwoord worden door middel van beantwoording van de
                    volgende vraag. </al><al><vet>Vraag:</vet> Heeft de staatssteun een generiek karakter of betreft het
                    steun aan een organisatie die geen economische activiteiten verricht?</al><al>Generiek houdt in dat de steunmaatregel in wezen non-discriminatoir werkt. Elke
                    onderneming kan voor de steunmaatregel in aanmerking komen. Steun met een
                    generiek karakter behoeft daarom niet gemeld te worden. Dit zelfde geldt voor
                    steun aan een organisatie die geen economische activiteiten verricht.</al><al><cursief>Antwoord</cursief>: De staatssteun heeft een generiek kaqrakter.</al><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in
                    de WIJ. Daarom worden bepaalde begrippen, zoals ‘werkleeraanbod’,
                    ‘arbeidsinschakeling’ en ‘jongere’, niet opnieuw gedefinieerd. Wel gedefinieerd
                    zijn de begrippen ‘startkwalificatie’ en ‘algemeen geaccepteerde arbeid’, omdat
                    deze in de WIJ niet nader zijn omschreven. Het begrip ‘startkwalificatie’ is
                    afkomstig uit de Wet educatie en beroepsonderwijs en wordt wel in de WWB
                    gedefinieerd (art. 6, eerste lid, onderdeel d WWB). De omschrijving van
                    ‘algemeen geaccepteerde arbeid’ is afkomstig uit de nota naar aanleiding van het
                    verslag (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p.28).</al><tussenkop>Artikel 2. Opdracht college</tussenkop><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college verwoord, zoals deze
                    voortvloeit uit de artikelen 11, eerste lid en 13, eerste lid, WIJ. Hoewel deze
                    opdracht ook uit het samenstel van deze bepalingen en artikel 5, eerste lid, WIJ
                    kan worden afgeleid, is er uit een oogpunt van duidelijkheid voor gekozen de
                    opdracht aan het college nader te omschrijven. In het tweede lid is tevens
                    verduidelijkt dat het werkleeraanbod ook samengesteld kan zijn uit een
                    combinatie van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij
                    arbeidsinschakeling en één of meerdere voorzieningen. Onder voorziening wordt
                    verstaan een instrument dat wordt ingezet om de jongere dichterbij de
                    arbeidsmarkt te brengen. Dit kan zoals gezegd allerlei vormen hebben, variërend
                    van schuldhulpverlening tot training van werknemersvaardigheden.</al><al>In het derde lid is vastgelegd dat een werkleeraanbod ook kan bestaan uit
                    ondersteuning bij een traject gericht op werk in zelfstandig beroep of bedrijf.
                    Dit volgt reeds uit artikel 17, zesde lid, WIJ. Uit een oogpunt van
                    herkenbaarheid en consistentie, alsmede gelet op het belang dat gehecht wordt
                    aan het begeleiden van jongeren naar zelfstandig werk, is deze bepaling
                    opgenomen. Aangetekend moet daarbij worden dat het een zgn. ‘kan’-bepaling
                    is:het college bepaalt of het zinvol is de jongere een aanbod te doen gericht op
                    ondersteuning richting zelfstandig bedrijf of beroep. Ter zake kan beleid worden
                    geformuleerd.</al><al>Het vierde lid vormt een herhaling van artikel 17, eerste lid, WIJ. Wederom uit
                    een oogpunt van herkenbaarheid en consistentie, alsmede gelet op het belang van
                    maatwerk bij het vaststellen van het werkleeraanbod, is dit artikel opgenomen.
                    Toegevoegd is de gemeentelijke onderzoeksplicht en de plicht om de wensen van de
                    jongere bij de invulling te betrekken. Met het oog op motivering en
                    kansbenutting zal het college daarmee rekening dienen te houden. Daarmee is niet
                    gezegd dat de jongere recht heeft op een bepaalde specifieke voorziening en deze
                    kan opeisen. De uiteindelijke invulling van de aard en de samenstelling van het
                    aanbod is voorbehouden aan het college.</al><tussenkop>Artikel 3. Aanspraak op ondersteuning</tussenkop><al>Als spiegelbeeld van de opdracht van het college, zoals verwoord in artikel 2,
                    eerste lid, komen jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod in aanmerking
                    voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voorzieningen. Dit vloeit reeds
                    voort uit artikel 13, eerste lid, WIJ maar is omwille van de herkenbaarheid en
                    eenduidigheid hier nader geconcretiseerd. Wat de vorm van de ondersteuning is,
                    bepaalt het college zelf (bijv. Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p.
                    22). </al><al>Voor de duidelijkheid is verder nog bepaald dat het om jongeren moet gaan die
                    recht op een werkleeraanbod hebben. Dat is niet iedere ‘jongere’ in de zin van
                    de WIJ (zie artikel 2, eerste lid, WIJ), want daaronder wordt verstaan de
                    jongere in de leeftijd van 16 tot 27 jaar. Artikel 13, eerste lid, WIJ kadert de
                    doelgroep af.</al><al>In het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene
                    aanspraak van de jongere en de criteria die gesteld zijn voor het aanbieden van
                    een werkleeraanbod. Daarbij wordt verwezen naar de verordening (en het
                    beleidsplan waarin die criteria zijn uitgewerkt, als gekozen wordt voor de
                    zogenaamde procedurele variant genoemd in artikel 4).</al><tussenkop>Artikel 4. Arbeidsinschakeling</tussenkop><al>Het staat het college vrij om bij het werkleeraanbod aan de jongere een keuze te
                    maken tussen het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij
                    de arbeidsinschakeling en een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Deze
                    zijn nevengeschikt. De kortste weg naar duurzame arbeidsparticipatie is echter
                    het doel van het in te zetten werkleeraanbod. In dat verband kan de gemeenteraad
                    als beleidslijn opnemen dat jongeren die direct inzetbaar zijn op de
                    arbeidsmarkt in beginsel algemeen geaccepteerde arbeid wordt aangeboden, of
                    ondersteuning bij de arbeidsinschakeling, als bijv. arbeid niet direct
                    beschikbaar is. Het blijft uiteraard een kwestie van maatwerk of daar in het
                    concrete geval ook toe besloten wordt. De woorden ‘in beginsel’ moeten in die
                    context worden gelezen.</al><tussenkop>Artikel 5. De voorzieningen</tussenkop><al>Naast het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid en ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling kan het college voorzieningen aanbieden. Die voorzieningen
                    zijn primair bedoeld voor jongeren die niet direct inzetbaar zijn op de
                    arbeidsmarkt, maar kan in een krimpende arbeidsmarkt ook worden aangeboden aan
                    jongeren zonder direct aanwijsbare belemmeringen. </al><al>In dit artikel zijn de voorzieningen opgesomd die het college ter beschikking
                    staan. Het zal van het specifiek gemeentelijke beleid afhangen hoe het lijstje
                    er exact komt uit te zien. Dat hoeft trouwens geen statisch geheel te zijn. Het
                    is denkbaar dat het college nog andere voorzieningen ontwikkelt die (nog) niet
                    in de verordening zijn opgenomen. Deze verordening staat daaraan niet in de weg.
                    Uiteraard is het ook denkbaar dat de beschikbare voorzieningen in de verordening
                    nog nader worden geduid, in die zin, dat tevens aangegeven wordt wat de concrete
                    inhoud is van de betreffende voorzieningen, wie de feitelijke aanbieders zijn
                    (opleidingsinstituten, re-integratiebedrijven e.d.) en het aantal trajecten dat
                    beschikbaar is. Daarbij kan ook per voorziening worden aangegeven welk budget
                    daarvoor beschikbaar wordt gesteld en of er een budgetplafond van toepassing is.
                    Het college kan niet gedwongen worden om in een concreet geval een specifieke
                    voorziening aan te bieden. Het staat het college in beginsel vrij om het
                    werkleeraanbod zelf invulling te geven en daarbij ook te betrekken de mate
                    waarin voorzieningen noodzakelijk geacht worden en feitelijk beschikbaar
                    zijn.</al><tussenkop>Aandachtspunt is wel dat een nadere concretisering (welke voorzieningen
                    door welke aanbieders) uitgelegd zou kunnen worden als een vorm van staatssteun.
                    Ter zake wordt verwezen naar wat daarover in de Algemene toelichting is gesteld. </tussenkop><tussenkop>Artikel 6. Inzet van de voorzieningen </tussenkop><tussenkop>In het eerste lid is het maatwerk-principe gerelateerd aan de inzet van
                    voorzieningen. De voorzieningen die worden ingezet moeten een adequaat en
                    toereikend middel zijn om het doel te bereiken. In het tweede lid is het doel
                    van de inzet van voorzieningen verwoord. Afhankelijk van de aard van de
                    voorziening zal sprake zijn van één van de aangegeven (tussen)doelen, met als
                    eindbestemming de duurzame arbeidsparticipatie. Als het lokale beleid een
                    uitgewerkte doelgroepenbenadering bevat, dan kan ter nadere concretisering
                    bepaald worden welke voorzieningen voor welke groepen in het bijzonder worden
                    bestemd. Dat is vormgegeven in het derde lid. Het hangt uiteraard van het lokale
                    beleid af hoe de exacte lijst luidt. Het blijft overigens een ‘kan’-bepaling,
                    omdat het maatwerkprincipe voorop staat. In het concrete geval is het daarom
                    denkbaar dat in afwijking van deze doelgroepenbenadering het werkleeraanbod
                    wordt ingevuld met een voorziening die primair bestemd is voor jongeren uit een
                    andere doelgroep. Om die reden wordt tevens bepaald dat artikel 2, vierde lid
                    onverminderd van toepassing is. </tussenkop><al>Lid 4: Het behoort tot de gemeentelijke beleidsvrijheid om te bepalen of het
                    werkleeraanbod wordt ingevuld door werken of leren of een combinatie van beide.
                    Gelet op het belang dat door de wetgever wordt gehecht aan het behalen van een
                    startkwalificatieis het van belang dat een voorziening ingevuld wordt met
                    scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert als de
                    jongere daarover niet beschikt. Dit kan een opleiding zijn die tot een
                    startkwalificatie leidt, maar ook een andere scholing of opleiding die de
                    jongere dichterbij het perspectief van duurzame arbeidsinschakeling brengt. </al><tussenkop>Artikel 7. Combinatie arbeid en zorg</tussenkop><tussenkop>Bij de vormgeving van het werkleeraanbod in de WIJ is speciale aandacht
                    besteed aan alleenstaande ouders, vanwege hun zorgtaken en mogelijk verminderde
                    belastbaarheid. Daarom geldt voor alleenstaande ouders met een ten laste komend
                    kind jonger dan vijf jaar, dat het werkleeraanbod desgevraagd wordt ingevuld
                    door middel van scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt
                    bevordert, tenzij een dergelijke scholing de krachten of bekwaamheden van de
                    jongere te boven gaat (artikel 17, vierde lid, WIJ). Daaraan wordt in artikel 7
                    van deze verordening toegevoegd dat het college bij de invulling van het
                    werkleeraanbod de situatie van de alleenstaande ouder betrekt, ongeacht de
                    leeftijd van het kind. Evt. kosten voor kinderopvang die niet toereikend door
                    voorliggende voorzieningen worden gecompenseerd, kunnen op grond van artikel 10
                    (of 14) worden vergoed en ten laste van het participatiebudget worden
                    gebracht.</tussenkop><tussenkop>Artikel 8. Gehandicapten</tussenkop><al>De gehandicapte jongeren nemen eveneens een bijzondere positie in binnen de WIJ.
                    Voor deze groep jongeren met een medische beperking is het van belang dat het
                    aanbod aansluit bij hun mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk bij het
                    werkleerrecht zal vooral voor deze groep een cruciale rol spelen. Aan de hand
                    van de individuele situatie zal het college beoordelen welk aanbod past bij de
                    jongere met inachtneming van zijn/haar mogelijkheden en beperkingen. Voor de
                    groep jongeren die weinig perspectief heeft op arbeidsinschakeling behoort
                    sociale activering tot mogelijkheden. Is arbeidsinschakeling in het geheel (nog)
                    niet aan de orde, dan brengt artikel 17, tweede lid, WIJ met zich mee dat
                    (tijdelijk) geen werkleeraanbod wordt gedaan. Er bestaat gedurende die periode
                    wel aanspraak op inkomensvoorziening. Zodra de belemmeringen zijn opgeheven,
                    dient een gericht werkleeraanbod te worden gedaan. </al><tussenkop>Artikel 9. Uitvoering door derden </tussenkop><tussenkop>In artikel 11, vierde lid van de WIJ is bepaald dat het college de
                    uitvoering van de WIJ, behoudens het vaststellen van de rechten en plichten en
                    de daarvoor noodzakelijke beoordeling van zijn omstandigheden, door derden kan
                    laten verrichten. De genoemde vaststelling kan wel worden gemandateerd aan
                    bestuursorganen. Er zijn in de WIJ geen wettelijke belemmeringen opgeworpen om
                    de feitelijke werkzaamheden m.b.t. de uitvoering van het werkleeraanbod of de
                    inrichting van het werkleeraanbod in handen te stellen van derden, zoals
                    opleidingsinstituten en re-integratiebedrijven. Binnen de beleidskaders die de
                    gemeenteraad vaststelt kan het college nadere afspraken maken met deze derden. </tussenkop><tussenkop>Artikel 10 Verplichtingen van de jongere</tussenkop><al>In de WIJ is vastgelegd welke verplichtingen verbonden zijn aan het recht op een
                    werkleeraanbod (zie de artikelen 44 en 45 WIJ). Daaraan is toegevoegd dat de
                    jongere de verplichtingen dient na te komen die voortvloeien uit de verordening
                    of die in concreto aan een voorziening zijn verbonden. Dit kunnen verplichtingen
                    van uiteenlopende aard zijn, die een concretisering vormen van de in de WIJ
                    opgenomen verplichtingen. Zo kan bepaald worden dat een jongere gedurende het
                    traject op gezette tijden met de consulent de voortgang bespreekt. </al><tussenkop>Artikel 11. Intrekking werkleeraanbod</tussenkop><al>Dit artikel vormt een herhaling van artikel 21 WIJ. De meerwaarde van opname van
                    deze bepaling in de verordening werkleeraanbod is gelegen in de overweging dat
                    intrekking van het werkleeraanbod complementair is aan het voeren van beleid
                    m.b.t. de invulling het werkleeraanbod. Daar waar het recht op werkleeraanbod
                    wordt toegekend en ingevuld, kan dit ook worden ingetrokken, onder de
                    voorwaarden, genoemd in artikel 21 WIJ. Met betrekking tot intrekking van het
                    werkleeraanbod in verband met schending van de verplichtingen verbonden aan het
                    werkleeraanbod, wordt het aan het college overgelaten om te bepalen onder welke
                    voorwaarden daartoe kan worden besloten. Het is niet aan de gemeenteraad om
                    daarover voorschriften te geven, niettemin dient het intrekken van het
                    werkleeraanbod met terughoudendheid plaats te vinden, zoals reeds in de Algemene
                    toelichting is opgemerkt. Intrekking is in wezen slechts aan de orde als er een
                    situatie is ontstaan dat niet langer kan worden gevergd dat het werkleeraanbod
                    wordt voortgezet en een andere invulling (via gedeeltelijke herziening) evenmin
                    soelaas biedt. Gedacht kan worden aan herhaalde misdragingen jegens andere
                    jongeren of begeleiders op de werk/leerplek of veelvuldig verzuim. Daarbij
                    kunnen bijv. ook een rol spelen de positie van gemotiveerde jongeren die wachten
                    op een werk/leerplek, de staat van de arbeidsmarkt en de kosten van de
                    voorziening. Het verdient aanbeveling als het college bij de invulling van het
                    gemeentelijk beleid met deze kaders rekening houdt en slechts tot intrekking
                    besluit nadat de individuele situatie zorgvuldig afgewogen is.</al><tussenkop>Artikel 12. Budgetplafonds </tussenkop><al>De gemeente kan een verdeling maken van de beschikbare middelen over de
                    verschillende voorzieningen. Dit kan in het beleidsplan of de begroting
                    gebeuren. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn
                    om geen werkleeraanbod te doen. De verplichting daartoe is immers vastgelegd in
                    artikel 13, eerste lid WIJ. Wel kan de invulling van het werkleeraanbod
                    beïnvloed worden door budgettaire beperkingen. Zijn er vanwege die beperkingen
                    voor bepaalde voorzieningen geen middelen meer dan dient te worden nagegaan
                    welke andere instrumenten beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen
                    algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening een
                    plafond wordt ingebouwd. Dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander
                    instrument wordt uitgeweken om tot duurzame arbeidsparticipatie te komen. </al><al>Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om plafonds
                    in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt
                    verwezen naar de bedragen die in het beleidsplan of in de begroting voor de
                    verschillende voorzieningen worden gereserveerd.</al><tussenkop>Artikel 13. Subsidies</tussenkop><al>Het werkleeraanbod kan worden ingevuld met gesubsidieerde arbeid. Dit wordt ook
                    als voorziening worden aangemerkt. In het eerste lid is vastgelegd dat de
                    subsidie aan de werkgever kan bestaan in een tegemoetkoming in de loonkosten of
                    andere bijkomende kosten. Deze subsidie vormt als zodanig een noodzakelijke
                    voorwaarde voor de voorziening. Voor het verstrekken van een subsidie is een
                    wettelijke grondslag vereist (art. 4:23, eerste lid Awb). Om die reden is een
                    specifiek artikel opgenomen dat deze grondslag biedt. In het eerste lid worden
                    loonkostensubsidies en subsidies ter voorbereiding van een dienstverband van een
                    grondslag voorzien. </al><al>De hoogte van de subsidies en de voorwaarden waaronder subsidie wordt verleend,
                    dienen afzonderlijk te worden geregeld. Dat kan in deze verordening maar zal
                    doorgaans in het beleidsplan worden afgekaderd. Op grond van het tweede lid kan
                    het college nadere regels kan stellen over enkele zaken over de subsidiëring.
                    Hoewel uitgangspunt is dat het beleid over het werkleeraanbod door de
                    gemeenteraad wordt vastgesteld, is reeds eerder aangegeven dat waar het om
                    uitvoeringsbeleid gaat, dit door het college ter hand kan worden genomen. </al><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, subsidieplafonds
                    vaststellen. </al><al>Om subsidies te kunnen weigeren bij ontbrekende middelen is het een vereiste dat
                    een dergelijk plafond is ingesteld, zie ook art. 4:24 e.v. Awb. In lid 3 is de
                    bevoegdheid van het college vastgesteld om plafonds in te stellen. Een
                    mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt verwezen naar de
                    bedragen die in het beleidsplan of in de begroting voor de verschillende soorten
                    subsidie worden gereserveerd. Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te
                    worden vóór de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb).</al><tussenkop>Artikel 14. Vergoedingen</tussenkop><al>Kosten die voor de jongere verbonden zijn aan het uitvoeren van het
                    werkleeraanbod kunnen worden vergoed op grond van dit artikel. Gedacht kan
                    bijvoorbeeld worden aan kosten van kinderopvang, voor zover de voorliggende
                    voorziening (Wet Kinderopvang) daarin onvoldoende voorziet. Ook noodzakelijke
                    reiskosten en andere kosten, bijvoorbeeld voor verplichte kleding of schoeisel,
                    kunnen voor vergoeding in aanmerking komen, mits de kosten aantoonbaar en
                    noodzakelijk zijn en er geen andere voorzieningen zijn. De kosten kunnen ten
                    laste worden gebracht van het participatiebudget.</al><tussenkop>Artikel 15. Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</tussenkop><al>In de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenteraad en college past het dat de
                    gemeenteraad beleidskaders vaststelt. Dat is in deze verordening uitgewerkt. Het
                    college is belast met de uitvoering van dat beleid en op sommige onderdelen, met
                    de nadere uitwerking daarvan. Doen zich situaties voor waarin niet is voorzien
                    of waarin onverkorte toepassing van de gestelde bepalingen onverhoopt tot
                    onbillijkheden van overwegende aard leidt, dan is het aan het college om
                    besluiten te nemen waarin recht wordt gedaan aan enerzijds het belang van
                    handhaving van het gemeentelijk beleid en anderzijds het individuele belang van
                    de jongere. Dat kan onder omstandigheden betekenen dat besluiten worden genomen
                    die afwijken van deze verordening. </al><tussenkop>Artikel 16. Evaluatie</tussenkop><al>Het recht op werkleeraanbod confronteert de gemeente met de noodzaak een
                    effectief arbeidsmarktbeleid m.b.t. jongeren te voeren en in dat kader een
                    aantal beleidskeuzes te maken. Vanwege de verstrekkende (juridische en
                    budgettaire) verplichtingen die dit met zich kan meebrengen is het gewenst de
                    effecten van het beleid en de werking van deze verordening nauwlettend te
                    volgen.Een evaluatiebepaling is functioneel en gewenst. Het is aan de
                    gemeenteraad om te bepalen binnen welke termijn tot evaluatie wordt overgegaan.
                    Aansluiting kan worden gezocht bij de evaluatie van de WIJ, die binnen twee jaar
                    na inwerkingtreding van de wet moet plaatsvinden (artikel 92 WIJ). </al><tussenkop>Artikel 17. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Spreekt voor zich</al><tussenkop>Artikel 18. Citeertitel</tussenkop><al>Spreekt voor zich</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>