<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR15239_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Wageningen 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wageningen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wageningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stad Wageningen, 01-01-2005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Wageningen 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2003-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2003-12-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>03.0037667a, afdeling Mwo</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de verordening ‘Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Wageningen 2003 ’, die ingetrokken is per 19-12-2003 (bij benadering) De bekendmakings- en inwerkingtredingsdatum van de verordening en de wijziging van de verordening zijn niet meer te achterhalen. Datum van inwerkingtreding was de dag van publicatie in huis aan huisblad Stad Wageningen, dus deze datum is bij benadering vastgesteld.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Wageningen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry colname="col1"><al>a</al></entry><entry colname="col2"><al>minister:</al></entry><entry colname="col3"><al> de minister van Onderwijs, Cultuur en
                                                Wetenschappen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b</al></entry><entry colname="col2"><al>bevoegd gezag:</al></entry><entry colname="col3"><al> bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair
                                                onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op
                                                het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of
                                                bijzondere school, die geheel of gedeeltelijk
                                                gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het
                                                grondgebied van de gemeente;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c</al></entry><entry colname="col2"><al>school: </al></entry><entry colname="col3"><al>school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet)
                                                speciaal onderwijs en school voor voortgezet
                                                onderwijs;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>school voor basisonderwijs: een basisschool of een
                                                speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in
                                                artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een
                                                school voor speciaal onderwijs of een school voor
                                                speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als
                                                bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                                expertisecentra, een instelling voor speciaal en
                                                voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel
                                                8 van de Wet op de expertisecentra en een school
                                                voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                                artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>school voor voortgezet onderwijs: school of
                                                scholengemeenschap voor voorbereidend
                                                wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar
                                                algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend
                                                beroepsonderwijs en voor praktijk onderwijs;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e</al></entry><entry colname="col2"><al>nevenvestiging: </al></entry><entry colname="col3"><al>deel van een school dat door de minister ingevolge
                                                artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs,
                                                artikel 76a of artikel 76b van de wet op de
                                                expertisecentra, artikel X van de wet van 31 mei
                                                1995 (Stb. 319) of artikel 75 van de Wet op het
                                                voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking
                                                is gebracht;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f</al></entry><entry colname="col2"><al>voorziening: </al></entry><entry colname="col3"><al>een van de voorzieningen in de huisvesting als
                                                bedoeld in artikel 2 van deze verordening;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g</al></entry><entry colname="col2"><al>programma: </al></entry><entry colname="col3"><al>het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                                verordening;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>h</al></entry><entry colname="col2"><al>overzicht: </al></entry><entry colname="col3"><al>het overzicht van de niet in het kader van de
                                                vaststelling van het programma ingewilligde
                                                aanvragen als bedoeld in artikel 13 van deze
                                                verordening;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>i</al></entry><entry colname="col2"><al>aanvrager: </al></entry><entry colname="col3"><al>het bevoegd gezag dat een aanvraag bekostiging van
                                                een voorziening of voor bekostiging van
                                                bouwvoorbereiding van een voorziening als bedoeld in
                                                artikel 25 van deze verordening heeft
                                                ingediend;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><onderstreept>j</onderstreept></al></entry><entry colname="col2"><al>aanvraag: </al></entry><entry colname="col3"><al>verzoek om bekostiging van een voorziening of voor
                                                bekostiging van bouwvoorbereiding;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>k</al></entry><entry colname="col2"><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: </al></entry><entry colname="col3"><al>voorziening in de huisvesting die, volgens de
                                                uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II
                                                van deze verordening, 15 jaren of langer
                                                noodzakelijk is;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><onderstreept>l</onderstreept></al></entry><entry colname="col2"><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening:</al></entry><entry colname="col3"><al> voorziening in de huisvesting die, volgens de
                                                uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II
                                                van deze verordening, niet langer dan 15 jaren
                                                noodzakelijk is;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>m</al></entry><entry colname="col2"><al>permanent gebouw: </al></entry><entry colname="col3"><al>schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en de
                                                aard van de constructie en materialen ten minste 60
                                                jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs
                                                kan functioneren;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>n</al></entry><entry colname="col2"><al>noodlokaal: </al></entry><entry colname="col3"><al>verplaatsbare ruimte die door de keuze van het
                                                ontwerp en de aard van de constructie en materialen
                                                ten minste 15 jaren als volwaardige huisvesting voor
                                                het onderwijs kan functioneren;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>o</al></entry><entry colname="col2"><al>gymnastiekruimte:</al></entry><entry colname="col3"><al> ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                                                lichamelijke oefening;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>p</al></entry><entry colname="col2"><al>advies Onderwijsraad: </al></entry><entry colname="col3"><al>een advies van de Onderwijsraad over de vaststelling
                                                van het programma in relatie tot de vrijheid van
                                                richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld
                                                in artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs,
                                                artikel 93 van de Wet op de expertisecentra, artikel
                                                76f en 210, negende lid van de Wet op het voortgezet
                                                onderwijs;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>q</al></entry><entry colname="col2"><al>verhuur: </al></entry><entry colname="col3"><al>het gebruik van een onderwijsgebouw door derden,
                                                niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve
                                                van culturele, maatschappelijke of recreatieve
                                                doeleinden. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>r</al></entry><entry colname="col2"><al>gezamenlijke akte: </al></entry><entry colname="col3"><al>de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het
                                                primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de
                                                expertisecentra, artikel 76u en artikel 225 eerste
                                                lid van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>s</al></entry><entry colname="col2"><al>beslissing gedeputeerde staten: </al></entry><entry colname="col3"><al>de beslissing van gedeputeerde staten in een geschil
                                                als bedoeld in artikel 110, tweede lid van de Wet op
                                                het primair onderwijs, artikel 108, tweede lid van
                                                de Wet op de expertisecentra, artikel 76u tweede lid
                                                van de Wet op het voorgezet onderwijs en artikel
                                                225, tweede lid van deel II van de wet op het
                                                voorgezet onderwijs;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>t</al></entry><entry colname="col2"><al>eigendomsoverdracht: </al></entry><entry colname="col3"><al>de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 110
                                                van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van
                                                de Wet op de expertisecentra, artikel 76u en artikel
                                                225, vierde lid van de Wet op het voortgezet
                                                onderwijs.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="a"><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen bestaande uit:</al><lijst><li nr="1"><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                            rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel
                                            nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                            gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op
                                            dezelfde locatie;</al></li><li nr="2"><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                            gehuisvest;</al></li><li nr="3"><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                            gebouw ten behoeve van de huisvesting van een
                                            school;</al></li><li nr="4"><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
                                            behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="5"><al>terrein voor zover benodigd voor de realisering van een
                                            onder a sub 1° tot en met 4° omschreven
                                            voorziening;</al></li><li nr="6"><al>inrichting met onderwijsleerpakket of met leer en
                                            hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder voor
                                            bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                                            gebracht;</al></li><li nr="7"><al>inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
                                            voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in
                                            aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="8"><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                            gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en
                                            medegebruik van een gymnastiekruimte; </al></li></lijst></li><li nr="b"><al>aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten
                                    zoals onderscheiden in bijlage I;</al></li><li nr="c"><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs zoals onderscheiden
                                    in bijlage I;</al></li><li nr="d"><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, alsmede
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet manifest
                                    geworden materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit
                                    ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="e"><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket of leer- en hulpmiddelen en meubilair
                                    ingeval van bijzondere omstandigheden;</al></li><li nr="f"><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten
                                    behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a1, a2,
                            voor zover betrekking hebbend op een uitbreiding van minimaal 2 groepen
                            en het daartoe benodigde terrein als bedoeld onder a 5, kan een aanvraag
                            worden ingediend voor bekostiging van bouwvoorbereiding. Hierbij is het
                            bepaalde in hoofdstuk 4 van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij toekenning van een van de in artikel 2 genoemde voorzieningen,
                                of bij toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld
                                in artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van
                                de vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                                bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
                                geval. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel A. De
                                vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten
                                worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV,
                                deel B.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2<vet><cursief>,</cursief></vet> onder a1, a2,
                                a6, a7° en onder a8 en onder f, alsmede op de vergoeding van de
                                kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3. </al><al>Deel B van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2, a3° a4, a5 en onder b, c, d, en e.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening. Bij de gegevensverstrekking wordt zo nodig gebruik
                                gemaakt van een door de raad vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde gegevens worden onderscheiden in:</al><lijst><li nr="a"><al>basisgegevens, zijnde gegevens die eenmalig in hun geheel
                                        worden verstrekt en vervolgens alleen in geval van wijziging
                                        worden gemeld bij het college;</al></li><li nr="b"><al>periodieke gegevens, zijnde gegevens die regelmatig door het
                                        bevoegd gezag dienen te worden verstrekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in het tweede lid onder a genoemde basisgegevens omvatten:</al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>gegevens over het bevoegd gezag, bestaande uit naam, adres,
                                denominatie en vestigingsplaats, alsmede een opgave van een
                                contactpersoon inzake aangelegenheden aangaande de huisvesting;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>gegevens over de onder het beheer van het bevoegd gezag staande
                                school of scholen die geheel of gedeeltelijk gehuisvest zijn in een
                                gebouw gelegen in de gemeente, bestaande uit het Brinnummer, naam,
                                adres, onderwijssoort en eventuele onderwijsafdelingen en, voor
                                zover van toepassing, de aanduiding of de school bestaat uit een
                                hoofdvestiging met een of meer nevenvestigingen;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>gegevens over de bij de school of nevenvestiging in gebruik zijnde
                                gebouwen gespecificeerd per gebouw, bestaande uit: </al><lijst><li nr="-"><al>het adres; </al></li><li nr="-"><al>de status van het gebouw zijnde hoofdgebouw of
                                        dislocatie;</al></li><li nr="-"><al>de bouwaard zijnde permanent of noodlokaal;</al></li><li nr="-"><al>het bouwjaar zijnde het oorspronkelijk bouwjaar of, ingeval
                                        het gebouw bestaat uit in verschillende jaren gebouwde
                                        delen, de bouwjaren onderscheiden naar gebouwdeel met de
                                        daarbij behorende bruto vloeroppervlakte; </al></li><li nr="-"><al>de bruto vloeroppervlakte van het gebouw uitgedrukt in m2;
                                    </al></li><li nr="-"><al>de genormeerde en feitelijke capaciteit van het gebouw voor
                                        zover bestemd voor een school voor basisonderwijs of een
                                        school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, te bepalen aan
                                        de hand van het gestelde in bijlage III, deel A en B;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>gegevens over de omvang van het medegebruik uitgedrukt in het aantal
                                groepen voor zover het een school voor basisonderwijs of een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs betreft, te verstrekken door de
                                hoofdgebruiker van het gebouw waarin het medegebruik
                                plaatsvindt;</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>gegevens over het adres, het stichtingsjaar en de oppervlakte van de
                                oefenzaal indien een bevoegd gezag van een niet door de gemeente in
                                stand gehouden school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet)
                                speciaal onderwijs of school voor voortgezet onderwijs eigenaar is
                                van een gymnastiekruimte.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De in het tweede lid onder b genoemde periodieke gegevens
                                omvatten:</al><lijst><li nr="1"><al>een afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van
                                        het aantal leerlingen dat op de wettelijk teldatum staat
                                        ingeschreven op de school, die geheel of gedeeltelijk
                                        gehuisvest is in een gebouw gelegen op het grondgebied van
                                        de gemeente;</al></li><li nr="2"><al>een afschrift van een tussentijdse opgave aan de minister
                                        van het aantal leerlingen dat staat ingeschreven op de
                                        school in verband met een groei van het aantal
                                        leerlingen;</al></li><li nr="3"><al>indien de school gedeeltelijk is gehuisvest in een of meer
                                        locaties op het grondgebied van de gemeente, een opgave van
                                        het aantal leerlingen op de wettelijke teldatum per
                                        locatie.</al><al>De onder 1 en 2 vermelde gegevens worden door het bevoegd
                                        gezag tegelijkertijd met de opgave aan de minister verstrekt
                                        aan het college. De onder 3 vermelde gegevens worden door
                                        het bevoegd gezag gevoegd bij de jaarlijkse opgave als
                                        bedoeld onder 1.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor 1
                                april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de
                                voor dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="1"><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in
                                        een aantal klokuren;</al></li><li nr="2"><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of ruimten waarin het
                                        gebruik wordt gewenst;</al></li><li nr="3"><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                        schoolweek wordt gewenst.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>In aanvulling op de in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde
                                gegevens verstrekken de bevoegde gezagsorganen op verzoek van het
                                college alle inlichtingen die nodig zijn voor de uitvoering van deze
                                verordening. Hieronder kunnen in ieder geval zijn begrepen:</al><lijst><li nr="1"><al>een oordeel over de juistheid en volledigheid van door het
                                        college voorgelegde gegevens die betrekking hebben op het
                                        bevoegd gezag; </al></li><li nr="2"><al>inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het opmaken van de
                                        staat van het onderhoud als bedoeld in artikel 37.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag voor opneming van een voorziening op het programma
                                    wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het
                                    betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                    college. Hierbij wordt zo nodig gebruik gemaakt van een door het
                                    college vastgesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de aanvraag niet voor 1 februari is ingediend, besluit
                                    het college de aanvraag niet te behandelen. Het besluit de
                                    aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt
                                    binnen vier weken na ontvangst van de ingediende aanvraag. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a"><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b"><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c"><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing, het
                                            gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is
                                            bestemd;</al></li><li nr="d"><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e"><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                            gewenste voorziening; </al></li><li nr="f"><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                            voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
                                    aanvraag vergezeld van:</al><lijst><li nr="a"><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                            bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 6tot en met 8
                                            en artikel 2, onder d e en f; </al></li><li nr="b"><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening
                                            moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening
                                            betreft als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1
                                            tot en met 4;</al></li><li nr="c"><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt
                                            indien het een voorziening betreft bestaande uit
                                            nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                            gebouw, uit onderhoud aan een gebouw van een school voor
                                            basisonderwijs of van een school voor (voortgezet)
                                            speciaal onderwijs, uit aanpassing aan de buitenzijde
                                            van een gebouw van een school voor voortgezet onderwijs
                                            of uit herstel van een constructiefout;</al></li><li nr="d"><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            van de voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft
                                            op een voorziening waarop het gestelde in artikel 4,
                                            derde lid, laatste volzin van toepassing is;</al></li><li nr="e"><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                            indien de aanvraag volgt op een toekenning van een
                                            vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als
                                            bedoeld in artikel 27.</al></li></lijst><al>Bij de rapportage als bedoeld onder c wordt zo nodig gebruik
                                    gemaakt van het door de raad vastgestelde formulier ‘Bouwkundige
                                    opname’.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het
                                    eerste of tweede lid deelt het college dit voor 15 februari
                                    schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in
                                    de gelegenheid gesteld voor 15 maart de ontbrekende gegevens aan
                                    te vullen.</al><al>Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet heeft
                                    verstrekt voor 15 maart, besluit het college de aanvraag niet te
                                    behandelen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                    betrekking heeft op een voorziening voor een school waarvan de
                                    beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
                                    leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van
                                    1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt, dan zendt de aanvrager onverwijld aan het college een
                                    afschrift van de opgave als bedoeld in artikel 5, vierde lid
                                    onder 1. Indien het afschrift niet binnen een week na het
                                    tijdstip van de wettelijke teldatum is ontvangen, deelt het
                                    college dit schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de
                                    aanvrager in de gelegenheid gesteld het afschrift van de opgave
                                    alsnog binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen. Indien het afschrift van de opgave niet
                                    binnen de termijn bedoeld in de vorige volzin is verstrekt,
                                    besluit het college de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Een besluit om ingevolge het derde lid de aanvraag niet te
                                    behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier
                                    weken na het verstrijken van de daarin genoemde termijn. Een
                                    besluit om ingevolge het vierde lid de aanvraag niet te
                                    behandelen wordt binnen vier weken na het nemen van de daarin
                                    genoemde beslissing bekendgemaakt aan de aanvrager.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt informatie aan de bevoegde gezagsorganen een
                                opgave van de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende
                                aanvragen. Voor zover van toepassing geeft het college daarbij aan
                                welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Na het in behandeling nemen van een aanvraag door het college,
                                    kan de aanvraag voor 1 mei volgend op de datum als genoemd in
                                    artikel 6, door de aanvrager nader worden toegelicht. De
                                    toelichting kan plaatsvinden op verzoek van de aanvrager of op
                                    verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde
                                    in artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is,
                                    treedt het college voor de in het eerste lid genoemde datum in
                                    overleg met de aanvrager indien zij van oordeel is dat de door
                                    de aanvrager overgelegde begroting van de kosten dient te worden
                                    aangepast. Wanneer in het overleg geen overeenstemming wordt
                                    bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag dan geeft het
                                    college dat, onder vermelding van de redenen, aan in het
                                    voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en het
                                    overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3. </al><al>Het college geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het
                                    geraamde bedrag aan waarvan voor de aangevraagde voorziening
                                    wordt uitgegaan bij de toepassing van het gestelde in paragraaf
                                    2.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Alvorens het college een voorstel aan de raad doet met
                                    betrekking tot het programma en het overzicht, worden de
                                    bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld
                                    hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar
                                    voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15
                                    september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee
                                    weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk
                                    daarvan in kennis gesteld. Zij worden hierbij tevens in kennis
                                    gesteld van de voorgenomen inhoud van het voorstel. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                    bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid
                                    bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maakt aan het
                                    college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan
                                    in kennis. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren
                                    gebrachte zienswijzen, van de tijdig ingediende, schriftelijk
                                    kenbaar gemaakte zienswijzen en van de reactie van het college
                                    op deze zienswijzen, wordt door het college een verslag gemaakt.
                                    Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen en
                                    wordt gevoegd bij het voorstel aan de raad.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien een bevoegd gezag of het college een advies wenst van de
                                    Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                    voorgenomen inhoud van het programma in relatie tot de vrijheid
                                    van richting en de vrijheid van inrichting, dan wordt dit door
                                    het bevoegd gezag of het college tijdens het overleg als bedoeld
                                    in het eerste lid kenbaar gemaakt. Dit gebeurt aan de hand van
                                    een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen
                                    waarover het advies van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij
                                    wordt tevens het verband aangegeven tussen deze onderwerpen en
                                    de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden in het overleg
                                    in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen
                                    over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het
                                    schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren
                                    gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het
                                    overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgen zij ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken, waaronder het schriftelijk verslag
                                    van het overleg met de daarin opgenomen zienswijzen, ontvangt
                                    die nodig zijn voor de beoordeling van het verzoek. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk
                                    opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een
                                    of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het
                                    college bij de toezending van het afschrift van het advies
                                    uitgenodigd voor een nader overleg. </al><al>In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader
                                    bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                    noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending van
                                    het afschrift van het advies van de Onderwijsraad. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                    twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                    Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college
                                    informeert de raad over dit overleg in de vorm van een
                                    aanvulling op het verslag als bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De raad stelt als onderdeel van de gemeentebegroting het bedrag
                                    vast dat beschikbaar is voor de vergoeding van de aangevraagde
                                    voorzieningen. Tevens kan van het bekostigingsplafond een deel
                                    worden afgezonderd voor huisvestingsvoorzieningen als gevolg van
                                    de groepsgrootteverkleining. Het programma en het overzicht
                                    worden door de raad tegelijkertijd met de gemeentebegroting
                                    vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de gemeentebegroting niet uiterlijk op 31 december wordt
                                    vastgesteld van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt, dan worden het bekostigingsplafond, het programma en het
                                    overzicht, afzonderlijk van de gemeentebegroting, uiterlijk op
                                    31 december vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien ten tijde van de vaststelling van de gemeentebegroting
                                    het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht nog niet
                                    kunnen worden vastgesteld, dan vindt de vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht plaats op
                                    uiterlijk 31 december van het jaar waarin de datum genoemd in
                                    artikel 6 valt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien de uiterste datum als genoemd in het tweede en het derde
                                    lid voor de vaststelling van het bekostigingsplafond, het
                                    programma en het overzicht wordt overschreden, worden de
                                    aangevraagde en in behandeling genomen voorzieningen geacht voor
                                    vergoeding in aanmerking te zijn gebracht. Voor de hoogte van de
                                    vergoeding is dan het gestelde in artikel 4 in samenhang met
                                    bijlage IV bepalend. De uitvoering van de voorziening geschiedt
                                    dan volgens het bepaalde in paragraaf 2.4.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                    jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                    gemaakt, komen, voor zover de raad heeft vastgesteld dat geen
                                    van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor
                                    plaatsing op het programma. Daarbij past de raad de regels toe
                                    met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a"><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b"><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c"><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                            bedoeld in bijlage III.</al></li></lijst><al>Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende
                                    voorzieningen neemt de raad, aan de hand van de urgentiecriteria
                                    als bedoeld in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het
                                    programma voor zover het bedrag of de deelbedragen als bedoeld
                                    in artikel 11, eerste lid, toereikend zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al><onderstreept> Op voorstel van het overleg als bedoeld in
                                        artikel 10, kan de raad bij de vaststelling van het
                                        programma afwijken van de urgentiecriteria als bedoeld in
                                        bijlage V</onderstreept>. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                    wordt, voor zover van toepassing, door de raad aangegeven:</al><lijst><li nr="a"><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A
                                            voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt
                                            gesteld;</al></li><li nr="b"><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                            voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                            volzin;</al></li><li nr="c"><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                            buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op
                                    het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                    voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma
                                    zijn opgenomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt
                                    binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending
                                    door het college van de besluiten aan de aanvragers.
                                    Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van de besluiten door
                                    het college schriftelijk mededeling gedaan aan de overige
                                    bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                    met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Binnen vier weken na de datum van vaststelling van het programma
                                    treedt het college in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                    uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening. In
                                    dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de
                                    uitvoering van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van
                                    toepassing, afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a"><al>het bouwheerschap als bedoeld in de wet;</al></li><li nr="b"><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                                            begroting door de aanvrager;</al></li><li nr="c"><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                            inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;
                                        </al></li><li nr="d"><al>de wijze waarop door het college toepassing wordt
                                            gegeven aan de toetsing van het bouwplan en de
                                            begroting, alsmede aan de toetsing in verband met
                                            wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                            omstandigheden als bedoeld in artikel 16;</al></li><li nr="e"><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over
                                            de besteding van de beschikbaar te stellen
                                            middelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                    voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin,
                                    dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de aanbesteding van de
                                    uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij worden, voor zover van
                                    toepassing gezien de aard van de voorziening, de gestelde
                                    richtlijnen als bedoeld in bijlage IV, deel B in acht genomen.
                                </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, wordt door het college
                                    schriftelijk vastgelegd in een verslag van het overleg en binnen
                                    vier weken na afloop van het overleg ter kennis gebracht van de
                                    aanvrager. Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het
                                    verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk
                                    heeft gereageerd, wordt, afhankelijk van de inhoud van het
                                    vastgestelde verslag, geacht dat er overeenstemming of geen
                                    overeenstemming is bereikt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                    vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                    overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                    beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                    derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat
                                    het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de
                                    uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid is
                                    bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht,
                                    dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                    afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een
                                    aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    dient te nemen, ter instemming in bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Binnen zes weken na ontvangst beslist het college over de
                                    instemming met de bouwplannen en de desbetreffende begroting en
                                    over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen.
                                    Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze
                                    termijn verlengen met drie weken. Indien niet binnen deze
                                    termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend
                                    met de bouwplannen en de begroting en vangt de bekostiging aan
                                    op het door de aanvrager aangegeven tijdstip.</al><al>Binnen twee weken na de datum van de beslissing over het
                                    bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de
                                    bekostiging een aanvang neemt, deelt het college de beslissing
                                    schriftelijk mee aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                    college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de
                                    school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten
                                    tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet
                                    ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar oordeel van het college
                                    ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden komt de
                                    voorziening alsnog niet voor bekostiging in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                    begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens
                                    de wet gestelde voorschriften en de toetsing of er sprake is van
                                    nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven, als
                                    naar het oordeel van het college, dat niet noodzakelijk is
                                    gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening.
                                    Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het
                                    overleg als bedoeld in artikel 15.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                    begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van
                                    een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin.</al><al>De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid
                                    betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij
                                    zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van overeenkomstige
                                    toepassing. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Nadat het college het bouwplan van een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 4, derde lid, laatste volzin heeft ingestemd,
                                    overlegt de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                    afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede lid, aan het college
                                    de aan de aanvrager uitgebrachte offertes voor de uitvoering van
                                    de voorziening. Het college beslist binnen vier weken na
                                    ontvangst van de offertes over het bedrag dat definitief
                                    beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van de voorziening
                                    en over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan
                                    nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de datum van deze
                                    beslissing hiervan schriftelijk in kennis gesteld. Voor de
                                    vaststelling van het definitieve bedrag is de offerte met de
                                    laagste prijsstelling bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang kan nemen, bepalen dat de
                                beschikbaarstelling van de gelden in termijnen plaatsvindt. De
                                beschikbaarstelling van de gelden geschiedt dan telkens op een
                                zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële
                                verplichtingen voortkomend uit de realisering van de op het
                                programma geplaatste voorziening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien
                                    niet door de aanvrager vóór 1 oktober van het jaar volgend op de
                                    vaststelling van het programma een bouwopdracht is verleend dan
                                    wel een koop, huur of erfpachtovereenkomst is gesloten en een
                                    afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan het
                                    college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde
                                    bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van
                                    het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                    binnen welke het werk wordt opgeleverd. </al><al>De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn
                                    onherroepelijk. In geval van een huur of erfpachtovereenkomst
                                    wordt daarin de datum van inwerkingtreding vermeld, alsmede de
                                    duur van de overeenkomst. In geval van een koopovereenkomst
                                    wordt daarin de datum van aankoop vermeld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                    veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de
                                    aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september
                                    een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het
                                    college tot verlenging van de termijn als bedoeld in het eerste
                                    lid. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college beslist voor 15 september over het verzoek tot
                                    verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd,
                                    wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als
                                    bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag om bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt zo nodig gebruik
                                gemaakt van een door de raad vastgesteld aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                    artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager
                                    de volgende gegevens te verstrekken:</al><lijst><li nr="a"><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                            voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;</al></li><li nr="b"><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet
                                            kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te
                                            stellen programma;</al></li><li nr="c"><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                            bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6 tot en met 8
                                            en artikel 2 onder d, e en f;</al></li><li nr="d"><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            indien het een voorziening betreft als bedoeld in
                                            artikel 4, derde lid, laatste volzin.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
                                    bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken
                                    na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld
                                    aan de aanvrager. De aanvrager heeft de gelegenheid de
                                    ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de
                                    vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                    bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de
                                    aanvraag niet te behandelen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De gemeenteraad beslist binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                    aanvraag of binnen twaalf weken nadat de aanvullende gegevens
                                    zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee
                                    weken na de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan
                                    schriftelijk in kennis gesteld door het college. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen twaalf weken kan worden
                                    gegeven, stelt de raad de aanvrager daarvan in kennis en noemt
                                    daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel
                                    tegemoet kan worden gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien de raad
                                    heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op
                                    de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen
                                    van de in de Wet op het primair onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling past
                                    de raad de regels toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a"><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b"><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c"><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                            bijlage III.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De beslissing van de raad kan een gedeelte van de gewenste
                                    voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                    omvatten. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de raad welk
                                    genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde in bijlage IV, deel A
                                    voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt gesteld, dan
                                    wel wat het geraamde bedrag is indien het een voorziening
                                    betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. Bij
                                    beschikking stelt de raad vast voor welke datum een bouwopdracht
                                    moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                    erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum een
                                    afschrift daarvan aan de raad moet zijn toegezonden. De datum
                                    waarop een bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-,
                                    huur-, of erpachtovereenkomst moet zijn gesloten, ligt niet
                                    eerder dan zes maanden na de datum van de beschikking van de
                                    raad. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21,
                                    eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het
                                    college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de
                                    wijze van uitvoering.</al><al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij
                                    overeenkomstig van toepassing, met uitzondering van de in tweede
                                    lid van artikel 16 genoemde termijn van ‘zes weken’. Hiervoor
                                    moet worden gelezen ‘drie weken’.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In het overleg wordt vastgesteld voor welke datum een
                                    bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                    erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum een
                                    afschrift daarvan aan het college moet zijn gezonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                    tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                    huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                    daarvan is gezonden aan de raad, vervalt de aanspraak op
                                    bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan
                                    wel koop , huur of erfpachtovereenkomst is het gestelde in
                                    artikel 18, eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere
                                    omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen,
                                    en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van
                                    deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend
                                    bij de raad tot verlenging van de termijn.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging
                                    op totdat de raad op het verzoek heeft beslist. Indien de raad
                                    het verzoek inwilligt, noemt de raad een nieuwe datum waarop de
                                    aanspraak op bekostiging vervalt. Indien de raad het verzoek
                                    afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek al
                                    vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de
                                    oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                                plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                                aanvraag indienen bij het college voor een bekostiging van de kosten
                                van de bouwvoorbereiding. Het betreft de voorbereiding voorafgaand
                                aan het moment van aanbesteding van die voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand
                                aan het jaar waarin de bekostiging gewenst wordt. Hierbij wordt zo
                                nodig gebruik gemaakt van een door de raad vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a"><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b"><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c"><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de bekostiging
                                        wordt gewenst;</al></li><li nr="d"><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
                                        gewenste locatie van de voorziening;</al></li><li nr="e"><al>het gewenste tijdstip van realisering van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f"><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten;</al></li><li nr="g"><al>indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand
                                        gebouw: een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van
                                        de vervanging blijkt; </al></li><li nr="h"><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid,
                                        indien de bekostiging van bouwvoorbereiding is aangemerkt
                                        als een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin.</al></li></lijst><al>Bij de rapportage als bedoeld onder g wordt zo nodig gebruik gemaakt
                                van het door de raad vastgestelde formulier ‘Bouwkundige
                                opname’.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                                lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de
                                aanvrager en stellen hem in de gelegenheid om voor 15 maart de
                                gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde en vijfde
                                lid is daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                                plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                                aanvraag indienen bij het college voor een bekostiging van de kosten
                                van de bouwvoorbereiding. Het betreft de voorbereiding voorafgaand
                                aan het moment van aanbesteding van die voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand
                                aan het jaar waarin de bekostiging gewenst wordt. Hierbij wordt zo
                                nodig gebruik gemaakt van een door de raad vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a"><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b"><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c"><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de bekostiging
                                        wordt gewenst;</al></li><li nr="d"><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
                                        gewenste locatie van de voorziening;</al></li><li nr="e"><al>het gewenste tijdstip van realisering van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f"><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten;</al></li><li nr="g"><al>indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand
                                        gebouw: een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van
                                        de vervanging blijkt; </al></li><li nr="h"><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid,
                                        indien de bekostiging van bouwvoorbereiding is aangemerkt
                                        als een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin.</al></li></lijst><al>Bij de rapportage als bedoeld onder g wordt zo nodig gebruik gemaakt
                                van het door de raad vastgestelde formulier ‘Bouwkundige
                                opname’.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                                lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de
                                aanvrager en stellen hem in de gelegenheid om voor 15 maart de
                                gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde en vijfde
                                lid is daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Regien en overleg aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                                overleg over de begroting is het gestelde in artikel 9 van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voordat het college een voorstel aan de raad doet over het besluit
                                over de aanvraag voor bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het
                                college in overleg met de aanvrager. Dit overleg over de aanvraag
                                vindt plaats tezamen met het overleg als bedoeld in artikel 10,
                                eerste lid. De leden twee, drie en vier van artikel 10 zijn daarbij
                                van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De raad neemt op het tijdstip als bedoeld in artikel 11 een
                                beslissing over de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al><lijst><li nr="a"><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                                        bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></li><li nr="b"><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                        vaststaat;</al></li><li nr="c"><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het
                                        gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking
                                        kan worden gebracht. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, wordt in de beschikking vermeld
                                tot welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld,
                                echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn
                                financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld
                                bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. Over de daadwerkelijke
                                beschikbaarstelling van het bedrag worden afspraken gemaakt tussen
                                aanvrager en het college. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing
                                van de voorziening op enig toekomstig programma. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak die voortvloeit uit de beschikking tot toekenning van een
                            bekostiging van de kosten van bouwvoorbereiding vervalt, indien door de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin de beschikking is genomen, daadwerkelijk gestart is met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie is
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:</al><lijst><li nr="a"><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b"><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li><li nr="c"><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare berekeningswijze en
                                    </al></li><li nr="d"><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="e"><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><lijst><li nr="a"><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs,
                                            indien uit de vergelijking van het aantal groepen zoals
                                            berekend op basis van bijlage III, deel B en de
                                            capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis van
                                            bijlage III, deel A blijkt dat er ten minste één
                                            leslokaal niet nodig is voor de daar gevestigde school
                                            of scholen;</al></li><li nr="b"><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs (met uitzondering van van een
                                            zelfstandige school voor praktijkonderwijs), indien uit
                                            de vergelijking van de ruimtebehoefte zoals berekend op
                                            basis van Bijlage III, deel B en de capaciteit van het
                                            gebouw zoals vastgesteld op basis van Bijlage III, deel
                                            A blijkt dat er een overschot is aan vierkante meters
                                            bruto vloeroppervlakte tenzij het bevoegd gezag op basis
                                            van het lesrooster of lesroosters voor het lopende of
                                            eerstkomende schooljaar aantoont dat er binnen het
                                            overschot aan vierkante meters bruto vloeroppervlakte
                                            geen sprake is van onderbenutting van de
                                            onderwijsruimten. Voor een zelfstandige school voor
                                            praktijkonderwijs (niet zijnde een afdeling voor
                                            praktijkonderwijs) is hetgeen bepaalde in lid a van dit
                                            artikel van toepassing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><lijst><li nr="a"><al>wanneer het betreft een gebouw dat gebruikt wordt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs of voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs indien de som van het
                                            aantal klokuren gebruik dat wordt vergoed op grond van
                                            artikel 38 minder is dan 40 klokuren;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis
                                            van Bijlage III, Deel B blijkt dat benutting van het
                                            gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag
                                            op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het
                                            lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet
                                            het geval is;</al></li><li nr="c"><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs, voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs
                                            indien de som van de berekeningswijzen genoemd onder a
                                            en b een aantal klokuren lager dan 40 oplevert.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                    medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw
                                    waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik
                                    heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van
                                    het onderwijs aan die school of scholen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                    gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de
                                    aan die scholen reeds ter beschikking staande
                                    huisvestingscapaciteit. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                    wordt:</al><lijst><li nr="a"><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in
                                            gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag,
                                            tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van
                                            leegstand in een ander gebouw een betere oplossing
                                            biedt;</al></li><li nr="b"><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin
                                            een school van dezelfde richting is gehuisvest en</al></li><li nr="c"><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het
                                            dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten
                                            behoeve waarvan de vordering plaatsvindt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                    gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de
                                    in het derde lid opgenomen volgorde afwijken </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het
                                    college daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de
                                    leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                    huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het
                                    overleg als bedoeld in artikel 10.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                    bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling
                                    van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt.
                                    Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen de
                                    vordering te hebben. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert
                                    het college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd
                                    gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor
                                    de huisvesting is bestemd. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Binnen een week na afloop van het overleg als bedoeld in het
                                    vorige lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                    vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van
                                    deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het
                                    overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen de vordering
                                    te hebben.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in de
                                    tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a"><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve
                                            waarvan wordt gevorderd;</al></li><li nr="b"><al>een aanduiding van het aantal groepen of aantal
                                            leerlingen (VO) ten behoeve waarvan gevorderd wordt of,
                                            indien het betreft het onderwijs in lichamelijke
                                            oefening, het aantal klokuren dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c"><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                            betrekking heeft;</al></li><li nr="d"><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat
                                            gevorderd wordt;</al></li><li nr="e"><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum
                                            van het medegebruik. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot
                                overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV, deel
                                C.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien:</al><lijst><li nr="a"><al>er sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                        gymnastiekruimte zoals bepaald in artikel 30;</al></li><li nr="b"><al>er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een
                                        school voor voortgezet onderwijs, blijken uit het lesrooster
                                        van de school of scholen die dat sportveld voor het
                                        onderwijs gebruiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg
                                    met het bevoegd gezag. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a"><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                            wordt;</al></li><li nr="b"><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c"><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                            voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                            gevestigde school hinder van het medegebruik
                                            ondervindt;</al></li><li nr="d"><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag
                                            een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e"><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                            aanvang kan nemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg doet het college
                                    schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag.
                                    Indien het overleg zoals bedoeld in het eerste lid heeft geleid
                                    tot afspraken, bevat de mededeling in ieder geval die afspraken.
                                    Voorzover het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid,
                                    bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten
                                    waarover geen overeenstemming bestond. Indien het bevoegd gezag
                                    in het overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben
                                    tegen de vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier
                                    bedoeld worden afgezien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Alvorens een huurovereenkomst te sluiten, vraagt het bevoegd
                                    gezag toestemming voor de verhuur aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat
                                    een aanduiding van de huurder, alsmede van de bestemming van de
                                    te verhuren ruimte. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college verleent de toestemming niet indien:</al><lijst><li nr="a"><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                            bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair
                                            onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                            voortgezet onderwijs of regelgeving;</al></li><li nr="b"><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                            school.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college neemt binnen vier weken na ontvangst van het verzoek
                                    een besluit en zenden dat aan het bevoegd gezag.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Nadat een gebouw of terrein niet meer door het bevoegd gezag nodig
                                is voor de huisvesting van een school wordt het gebruik van het
                                gebouw of terrein zo spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op
                                de datum genoemd in de door het college en het bevoegd gezag
                                ondertekende gezamenlijke akte of de datum zoals vastgesteld door
                                gedeputeerde staten bij de beslissing inzake een geschil over de
                                totstandkoming van een gezamenlijke akte. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
                                eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
                                behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden,
                                een staat van onderhoud opgemaakt. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
                                na overleg met het bevoegd gezag. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald
                                wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Gebruik en vergoeding gymnastiekruimte voor basisonderwijs en
                            (voortgezet) speciaal onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Omvang en bekostiging gebruik</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De omvang van het door de gemeente bekostigde gebruik van een
                                gymnastiekruimte door een school voor basisonderwijs en een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs is gebaseerd op het aantal
                                klokuren per week waarin volgens het activiteitenplan door de school
                                de gymnastiekruimte wordt gebruikt. </al><al>Voor een basisschool wordt het maximaal aantal klokuren dat voor
                                bekostiging in aanmerking komt vastgesteld volgens het bepaalde in
                                bijlage III, deel B en bedraagt ten hoogste 1,5 klokuur per week per
                                groep leerlingen van zes jaar en ouder. Voor een speciale school
                                voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal
                                onderwijs wordt het maximaal aantal klokuren dat voor bekostiging in
                                aanmerking komt vastgesteld volgens het bepaalde in bijlage III,
                                deel B, en bedraagt ten hoogste 3,75 klokuur per week per groep
                                leerlingen jonger dan zes jaar indien de school niet de beschikking
                                heeft over een speellokaal en ten hoogste 2,25 klokuur per groep
                                leerlingen van zes jaar en ouder.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
                                school voor basisonderwijs dat eigenaar is van een gymnastiekruimte
                                ontvangt jaarlijks een bekostiging. De hoogte van de bekostiging
                                wordt vastgesteld volgens het bepaalde in bijlage IV, deel A, op
                                basis van de door het betreffende bevoegd gezag ingevolge artikel 5,
                                derde lid, onder 5, verstrekte gegevens. Het maximaal aantal voor
                                bekostiging in aanmerking komende klokuren wordt op grond van het
                                eerste lid vastgesteld. Wanneer er sprake is van medegebruik van de
                                gymnastiekruimte door een of meer andere scholen voor basisonderwijs
                                of (voortgezet) speciaal onderwijs wordt voor de bepaling van de
                                hoogte van de bekostiging het aantal klokuren getotaliseerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college keert de ingevolge het tweede lid vastgestelde
                                jaarlijkse vergoeding in driemaandelijkse termijnen uit aan het
                                bevoegd gezag als bedoeld in het tweede lid, waarbij de eerste
                                termijn aanvangt aan het begin van het schooljaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte als bedoeld in artikel 5, vijfde lid wordt
                                beschouwd als een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien
                                verstande dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag het
                                bepaalde in dit artikel van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen
                                voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs van de op het
                                grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt
                                het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare
                                capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een
                                capaciteit van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                inroostering het volgende in acht: </al><lijst><li nr="a"><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                        onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen
                                        in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b"><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                        gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte
                                        wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                        voor die gymnastiekruimte;</al></li><li nr="c"><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                        ingeroosterd in één gymnastiekruimte. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende
                                gegevens:</al><lijst><li nr="a"><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in
                                        een gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b"><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
                                        gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt;</al></li><li nr="c"><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                        gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                        gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d"><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                        aantal klokuren dat ingevolge artikel 38, eerste lid voor
                                        bekostiging door de gemeente in aanmerking komt, wordt
                                        vermeld hoeveel klokuren voor rekening komen van het bevoegd
                                        gezag van de school.</al></li></lijst><al>Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid onder d
                                slechts op in het voorstel tot inroostering voor zover daarvoor nog
                                capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het totale
                                klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in aanmerking
                                komt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen van
                                scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De
                                bevoegde gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een overleg
                                over het voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee weken na
                                toezending van het voorstel. In het overleg worden de
                                vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid
                                gesteld te reageren op het voorstel tot inroostering.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt
                                het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in het tweede
                                lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik van de
                                gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het college
                                daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als bedoeld in het
                                vijfde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit
                                gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de
                                betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van
                                burgemeester en wethouder over de inroostering in de beschikbare
                                gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag staande school of
                                scholen voor het volgende schooljaar. Deze mededeling is te
                                beschouwen als een beslissing in de zin van artikel 22 en, indien
                                van toepassing, een beslissing in de zin van artikel 32, vierde
                                lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Beslissing het college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks vast de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening voorzieningen
                                huisvesting onderwijs gemeente Wageningen 2004.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking Op de dag van de
                                bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 8 van de Tijdelijke Referendumwet is van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>I</nr><titel>Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen</titel></kop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder – behoudens de financiële toets – de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al><lijst><li nr="-"><al>deel A: lesgebouwen;</al></li><li nr="-"><al>deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al></li></lijst><tussenkop>DEEL A Lesgebouwen</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2a, 1.3.2b en 1.10 d worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college.</al><tussenkop>1.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a "><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>b1 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of
                            zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                            de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen
                            worden verwacht of</al><al>b2 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of
                            zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening,
                            de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden
                            verwacht en</al></li><li nr="c"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>1.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a "><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen
                            geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging);</al><al>b1 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn (of
                            zullen zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                            de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen
                            worden verwacht of</al><al>b2 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn en dat
                            voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c "><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al></li><li nr="a"><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b"><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c"><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is. </al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><tussenkop>1.3 Uitbreiding</tussenkop><tussenkop>1.3.1 Uitbreiding met een of meer leslokalen</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding met een of meer leslokalen blijkt uit:</al><lijst><li nr="a "><al>het feit dat er ten minste één groep leerlingen extra boven de
                            capaciteit van het gebouw of de gebouwen als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, aanwezig is;</al><al>b1 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                            II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor
                            blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan
                            (kunnen) worden verwacht of</al><al>b2 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                            II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren voor een voor tijdelijk
                            gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen)
                            worden verwacht of</al><al>b3 het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                            aantoont, dat er een of meer groepen leerlingen aanwezig zijn die niet
                            voor maximaal vier jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                            gehuisvest en</al></li><li nr="c"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te
                            realiseren, terwijl</al></li><li nr="d"><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil in
                            oppervlakte tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de
                            genormeerde bruto oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage
                            III, deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig een of meer benodigde
                            leslokalen te maken.</al></li></lijst><tussenkop>1.3.2a Uitbreiding basisschool met een tweede speellokaal</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding met een tweede speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de basisschool ten minste vijf groepen jongste leerlingen
                            (van vier en vijf jaar oud) van ten minste 20 leerlingen telt en dat de
                            prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vier jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening en voor ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend
                            gebruik bestemde voorziening deze groepen leerlingen kunnen worden
                            verwacht terwijl</al></li><li nr="b"><al>voor het spelen van (een deel van) de vier en vijfjarigen geen gebruik
                            kan worden gemaakt van een gymnastiekruimte of van een speellokaal van
                            een andere basisschool of school voor speciaal onderwijs binnen 300
                            meter hemelsbreed</al></li></lijst><tussenkop>1.3.2b Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een
                    speellokaal</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li><li nr="b"><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                            blijven bestaan en </al></li><li nr="c"><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al></li><li nr="d"><al>medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                            hemelsbreed niet mogelijk is en</al></li><li nr="e"><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde
                            bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel
                            A, inpandig een speellokaal te maken.</al></li></lijst><tussenkop>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1"><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2"><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1"><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht
                            of</al></li><li nr="b2"><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c"><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d"><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e"><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><tussenkop>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</tussenkop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a"><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b"><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li><li nr="c"><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li></lijst><tussenkop>1.6 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><tussenkop>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</tussenkop><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket blijkt uit het feit
                    dat de school, op grond van de laatste teldatum voorafgaand aan de indiening van
                    de aanvraag, uitgebreid wordt met ten minste één groep leerlingen, en voor zo’n
                    uitbreiding in de periode vanaf 1 augustus 1985 nog niet eerder bekostiging
                    heeft plaatsgevonden. De noodzaak voor een toeslag tweede speellokaal
                    onderwijsleerpakket blijkt uit het feit dat een basisschool uitgebreid wordt met
                    een tweede speellokaal.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra onderwijsleerpakket,
                    indien het aantal groepen gewogen leerlingen van de school na fusie groter is
                    dan dat van de aan de fusie deelnemende scholen. </al><tussenkop>1.8 Eerste inrichting meubilair</tussenkop><al>De noodzaak voor eerste aanschaf van meubilair blijkt uit het feit dat de
                    school, op grond van de meest recente teldatum voorafgaand aan de indiening van
                    de aanvraag, uitgebreid wordt met ten minste één groep leerlingen, en voor zo’n
                    uitbreiding in de periode vanaf 1 augustus 1985 nog niet eerder bekostiging
                    heeft plaatsgevonden.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra meubilair, indien het
                    aantal groepen ongewogen leerlingen na fusie groter is dan dat van de aan de
                    fusie deelnemende scholen. </al><al>De noodzaak voor een toeslag tweede speellokaal meubilair blijkt uit het feit
                    dat een basisschoool uitgebreide wordt met een tweede speellokaal.</al><tussenkop>1.9 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste één groep
                    leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, aanwezig is.</al><tussenkop>1.10 Aanpassing</tussenkop><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor een school voor basisonderwijs, gelet op de eisen
                            gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b"><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of om,
                            afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor
                            basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar;</al></li><li nr="c"><al>creëren (extra) leslokaal binnen het gebouw;</al></li><li nr="d"><al>creëren speellokaal binnen het gebouw;</al></li><li nr="e"><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet en
                            regelgeving;</al></li><li nr="f"><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al></li><li nr="g"><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse gebouwen;</al></li><li nr="h."><al>aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen.</al></li></lijst><al>Ad a</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor
                    een school voor basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks
                    ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al>Ad b</al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te kunnen
                    afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal groepen
                    leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat binnen
                    een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte aanwezig
                    is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier en vijfjarigen
                    of zes tot twaalfjarigen.</al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing in een gebouw van een speciale school
                    voor basisonderwijs blijkt uit het feit dat 12 kinderen jonger dan zes jaar
                    worden toegelaten tot de school, terwijl het gebouw niet geschikt is voor het
                    onderwijs aan leerlingen jonger dan zes jaar.</al><al>Ad c</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat er meer groepen
                    leerlingen aanwezig zijn dan waar het gebouw, als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, ruimte voor biedt, terwijl er tevens sprake is van een
                    bruikbaar verschil tussen de feitelijke bruto oppervlakte en de genormeerde
                    bruto oppervlakte dat het mogelijk maakt inpandig een of meer noodzakelijke
                    extra leslokalen te creëren. Bovendien dienen er geen medegebruiksmogelijkheden
                    aanwezig te zijn binnen een afstand van 2000 meter hemelsbreed.</al><al>Indien het inpandig creëren van een leslokaal meer kost dan uitbreiding, op
                    grond van bijlage IV, deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde
                    voorziening is.</al><al>Ad d</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de school niet beschikt
                    over een speellokaal en er geen ruimte groter dan 56 m2 aanwezig is en er
                    bovendien geen medegebruik van een speellokaal van een school binnen 300 meter
                    mogelijk is. Voor een speciale school voor basisonderwijs is de noodzaak ook
                    afhankelijk van het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes
                    jaar worden toegelaten. </al><al>Indien het inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een uitbreiding,
                    zulks ter beoordeling van, het college op grond van bijlage IV, deel A, wordt
                    beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is.</al><al>Ad e</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet
                    worden opgeheven.</al><al>Ad f</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Ad g </al><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al>Ad h</al><al>De noodzaak van deze aanpassing blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanpassing nog niet eerder is toegekend, en</al></li><li nr="b."><al>bij de bouw van het gebouw geen rekening is gehouden met
                            onderwijskundige vernieuwingen, en</al></li><li nr="c."><al>het een permanent gebouw betreft, en</al></li><li nr="d."><al>het om een bouwkundige aanpassing van het gebouw gaat.</al></li></lijst><tussenkop>1.11 Onderhoud</tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het
                            bijgevoegde overzicht ‘onderhoud primair onderwijs’;</al></li><li nr="b"><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                            hang- en sluitwerk);</al></li><li nr="c "><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor de
                            centrale verwarming.</al><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                            gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                            verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7,
                            tweede lid onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag
                            niet langer volstaat. </al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                            aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in
                            bijlage II gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor
                            de school nodig is.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan een noodlokaal komt voor bekostiging in
                            aanmerking indien:</al></li><li nr="a"><al>het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage
                            II gestelde vereisten, nog ten minste vier jaar voor de school nodig is;
                            en</al></li><li nr="b"><al>voor de aanwezige groepen leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                            medegebruik binnen een straal van 2000 meter hemelsbreed.</al></li></lijst><tussenkop>1.12 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><tussenkop>1.13 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 2.2, 2.3.1 en 2.3.2 worden niet noodzakelijk
                    geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. De voorziening genoemd
                    onder 2.3.2 wordt niet noodzakelijk geacht voor nevenvestigingen. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college.</al><tussenkop>2.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a "><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>b1 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of
                            zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                            de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen
                            worden verwacht of</al><al>b2 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of
                            zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                            de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden
                            verwacht en</al></li><li nr="c"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>2.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a "><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de verlenging
                            van de levensduur);</al><al>b1 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn (of
                            zullen zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                            de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen
                            worden verwacht of</al><al>b2 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn en dat
                            voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c "><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al></li><li nr="a"><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b"><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c"><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><tussenkop>2.3 Uitbreiding</tussenkop><tussenkop>2.3.1 Uitbreiding met een of meer leslokalen</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding met een of meer leslokalen blijkt uit:</al><lijst><li nr="a "><al>het feit dat er ten minste één groep leerlingen extra boven de
                            capaciteit van het gebouw of de gebouwen als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A aanwezig is;</al><al>b1 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                            II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor
                            blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan
                            (kunnen) worden verwacht of</al><al>b2 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                            II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren voor een voor tijdelijk
                            gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen)
                            worden verwacht of</al><al>b3 het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                            aantoont dat er een of meer groepen leerlingen aanwezig zijn die niet
                            voor maximaal vier jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                            gehuisvest;</al></li><li nr="c"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te
                            realiseren, terwijl</al></li><li nr="d"><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto
                            oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A,
                            geheel of gedeeltelijk inpandig een of meer benodigde leslokalen te
                            maken.</al></li></lijst><tussenkop>2.3.2 Uitbreiding met een speellokaal</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat aan de school of afdeling kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li><li nr="b"><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                            blijven bestaan en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al></li><li nr="d"><al>medegebruik van een speellokaal, gymnastiekruimte of lokaal voor
                            motorische therapie binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is
                                <onderstreept>en</onderstreept></al></li><li nr="e"><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto
                            oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A,
                            geheel of gedeeltelijk inpandig een speellokaal te maken.</al></li></lijst><tussenkop>2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1"><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2"><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1"><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht
                            of</al></li><li nr="b2"><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c"><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d"><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e"><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><tussenkop>2.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen </tussenkop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a"><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b"><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li><li nr="c"><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li></lijst><tussenkop>2.6 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D. </al><tussenkop>2.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat de school of nevenvestiging, op grond van de meest recente
                    teldatum, uitgebreid wordt met ten minste één groep leerlingen, en voor zo’n
                    uitbreiding in de periode vanaf 1 januari 1988 nog niet eerder bekostiging heeft
                    plaatsgevonden.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra onderwijsleerpakket en
                    meubilair, indien het aantal groepen na fusie groter is dan dat van de aan de
                    fusie deelnemende scholen. </al><tussenkop>2.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste één groep
                    leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, aanwezig is.</al><tussenkop>2.9 Aanpassing</tussenkop><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het (voortgezet) speciaal onderwijs gelet op de
                            eisen als gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b"><al>verbouwing om een dislocatie te kunnen afstoten;</al></li><li nr="c"><al>creëren van een extra lesruimte;</al></li><li nr="d"><al>verbouwing van een dislocatie tot hoofdgebouw;</al></li><li nr="e"><al>functieverandering van vaklokalen als gevolg van de keuze voor een ander
                            vak (alleen voortgezet speciaal onderwijs);</al></li><li nr="f"><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet en
                            regelgeving; </al></li><li nr="g"><al>vervangen van een oliegestookte verwarmingsinstallatie; en</al></li><li nr="h"><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen.</al></li></lijst><al>Ad a</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten,
                    zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al>De noodzaak voor deze activiteit kan ook aanwezig zijn indien een gebouw in
                    gebruik wordt genomen door een andere onderwijssoort. De voorzieningen die dan
                    noodzakelijk zijn, zijn de specifieke voorzieningen voor die onderwijssoort, die
                    nog niet in het gebouw aanwezig zijn.</al><al>Ad b</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat het aantal groepen
                    leerlingen zodanig terugloopt dat het gebruik van een gebouw moet worden
                    beëindigd omdat binnen het (hoofd)gebouw voldoende ruimte aanwezig is, terwijl
                    dit gebouw niet is ingericht voor het desbetreffende onderwijs.</al><al>Ad c</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat er meer groepen
                    leerlingen aanwezig zijn dan waar het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, ruimte voor biedt, terwijl er tevens sprake is van een
                    bruikbaar verschil tussen de feitelijke bruto oppervlakte en de genormeerde
                    bruto oppervlakte dat het mogelijk maakt inpandig een of meer noodzakelijke
                    extra leslokalen te creëren. Bovendien dienen er geen medegebruiksmogelijkheden
                    aanwezig te zijn binnen een afstand van 2000 meter hemelsbreed.</al><al>Indien het inpandig creëren van een leslokaal meer kost dan uitbreiding, wordt
                    beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is.</al><al>Ad d</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit de aanwezigheid van meer dan 60
                    leerlingen SO of meer dan 42 leerlingen VSO, terwijl volgens de prognose als
                    vereist volgens bijlage II deze leerlingen ten minste vijftien jaren aanwezig
                    zullen zijn en de dislocatie voor vijftien jaren of meer – gelet op de
                    bouwkundige staat – als hoofdgebouw kan dienen.</al><al>Ad e</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de keuze voor een ander
                    vak op het schoolwerkplan door de onderwijsinspecteur is goedgekeurd.</al><al>Ad f</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet
                    worden opgeheven.</al><al>Ad g</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Ad h</al><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><tussenkop>2.10 Onderhoud</tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het
                            bijgevoegde overzicht ‘onderhoud primair onderwijs’;</al></li><li nr="b"><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang
                            en sluitwerk);</al></li><li nr="c "><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor de
                            centrale verwarming.</al><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                            gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                            verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7,
                            tweede lid onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag
                            niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. </al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                            aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de
                            vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste <cursief>vier
                                jaar</cursief> voor de school nodig is.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in
                            aanmerking indien:</al></li><li nr="a"><al>de noodlokalen op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                            gesteld in bijlage II, nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                            zijn, en</al></li><li nr="b"><al>voor de aanwezige groepen leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                            medegebruik elders.</al></li></lijst><tussenkop>2.11 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><tussenkop>2.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 3.2 en 3.3 worden niet noodzakelijk geacht voor
                    dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is
                    dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van
                    het college.</al><tussenkop>3.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a "><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>b1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                            en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>3.2 Vervangende bouw </tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a "><al>voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de
                            bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, in
                            zo’n slechte/matige conditie zijn dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging);</al><al>b1 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                            een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                            vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor
                            tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                            vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                            dit aantal leerlingen kan worden verwacht en</al></li><li nr="c "><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al></li><li nr="a"><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b"><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c"><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><tussenkop>3.3 Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met
                            tien procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen,
                            vastgesteld volgens de regels in bijlage III, deel A – voor de aanwezige
                            capaciteit – en bijlage III, deel B -voor de ruimtebehoefte -, aangeeft
                            en de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                            dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik
                            bestemde uitbreiding of gedurende ten minste vier jaren voor uitbreiding
                            met een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening deze aantallen
                            leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>3.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1"><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2"><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1"><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht
                            of</al></li><li nr="b2"><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c"><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d"><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e"><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><tussenkop>3.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</tussenkop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a"><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren is, waarin
                            beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan
                            2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b"><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li><li nr="c"><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li></lijst><tussenkop>3.6 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><tussenkop>3.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</tussenkop><al>Aanspraak op eerste inrichting van leer en hulpmiddelen en meubilair bestaat
                    wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en
                    daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de
                    school.</al><al>Tevens bestaat aanspraak op een tegemoetkoming in de eerste inrichting leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair indien door middel van een inpandige aanpassing een
                    andere ruimtesoort wordt gecreëerd.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra leer en hulpmiddelen
                    en meubilair, indien het aantal leerlingen na de fusie groter is dan het totaal
                    aantal leerlingen van de afzonderlijke aan de fusie deelnemende scholen. </al><tussenkop>3.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal
                    leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit is. De
                    capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 3.3.a.</al><tussenkop>3.9 Aanpassing</tussenkop><tussenkop>Buitenzijde gebouw en terrein </tussenkop><al>De voorziening aanpassing buitenzijde gebouw en terrein bestaat uit de
                    activiteiten die zijn opgenomen in het bijgevoegde overzicht ‘activiteiten VO
                    buitenzijde’.</al><al>De noodzaak van aanpassing buitenzijde gebouw en terrein blijkt uit het feit dat
                    het gevraagde element of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                    verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid
                    onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat,
                    dan wel uit de aanwezigheid van een rolstoelgebruiker als het betreft de
                    activiteit ‘terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers’.</al><tussenkop>Binnenzijde gebouw</tussenkop><al>Daarnaast behoren de activiteiten op het bijgevoegde overzicht ‘activiteiten VO
                    binnenzijde’ tot aanpassingen, voor zover deze uitkomen boven het drempelbedrag,
                    zoals opgenomen in het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO.
                    In het geval van aanpassingen aan de binnenzijde van het gebouw blijft het
                    bedrag per leerling, zoals opgenomen in het Besluit tot vaststelling van het
                    drempelbedrag, bedoeld in artikel 76c, eerste lid, onder b2, van de Wet op het
                    voortgezet onderwijs voor rekening van het bevoegd gezag.</al><al>Activiteiten uit het bijgevoegde overzicht ‘activiteiten VO binnenzijde’ zijn
                    aan de orde bij:</al><lijst><li nr="a"><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het te geven voortgezet onderwijs gelet op de
                            eisen als gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b"><al>verbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten door middel van een
                            aanpassing van de indeling;</al></li><li nr="c"><al>creëren dan wel aanpassen van ruimte(n) binnen het gebouw;</al></li><li nr="d"><al>aanpassingen in verband met eisen voortkomend uit wet en
                            regelgeving.</al></li></lijst><al>Ad a</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    3.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor
                    het desbetreffende voortgezet onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al>Ad b</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat door terugloop van het
                    aantal leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat
                    binnen andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte aanwezig
                    is.</al><al>Ad c</al><al>De noodzaak voor het creëren van extra ruimte(n) blijkt uit het feit dat er meer
                    leerlingen aanwezig zijn dan waar het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, ruimte voor biedt, terwijl er tevens inpandig of deels
                    inpandig mogelijkheden zijn de brutovloeroppervalkte van het gebouw te
                    vergroten.</al><al>De noodzaak voor het aanpassen van bestaande ruimte(n) blijkt uit het feit dat
                    de betreffende (ruimte(n) niet voldoen aan de eisen die gelden voor het
                    onderwijs in die ruimte(n).</al><al>Ad d</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de inrichting van het
                    gebouw niet overeenkomt met de geldende wet en regelgeving, terwijl dat verschil
                    moet worden opgeheven. De noodzaak voor het aanbrengen van een traplift bij een
                    meerlaags schoolgebouw blijkt uit de aanwezigheid van een gehandicapte leraar of
                    leerling waarvoor vanwege de handicap deze voorziening noodzakelijk is. Tevens
                    dient het niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische maatregelen te
                    treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan worden gevolgd,
                    respectievelijk kan worden gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste <cursief>vijftien jaren</cursief> voldoende leerlingen om
                    de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de
                    betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het
                    onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht,
                    wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere voorziening (die
                    minder kost) mogelijk is.</al><tussenkop>3.10 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><al>Voor constructiefouten aan de binnenzijde van het gebouw geldt het
                    drempelbedrag, zoals opgenomen in het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de
                    huisvesting PO/VO. Tot dit drempelbedrag vormen constructiefouten geen
                    voorziening in de huisvesting die bij de gemeente kan worden aangevraagd en
                    komen de kosten voor rekening van het bevoegd gezag.</al><tussenkop>3.11 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer en hulpmiddelen en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><tussenkop>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>1.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>1.3 Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd
                            wordt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1"><al>het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2"><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            bij 1.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door de gemeente
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al></li><li nr="d"><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><tussenkop>1.5 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><tussenkop>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b"><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is
                            verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>1.7 Eerste inrichting meubilair</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b "><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al/><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al></li><li nr="a"><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b"><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>1.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door de gemeente
                    vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is.</al><tussenkop>1.9 Aanpassing</tussenkop><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><lijst><li nr="1"><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2"><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3"><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4"><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet en regelgeving;</al></li><li nr="5"><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al></li></lijst><al>Ad 1 </al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><al>Ad 2</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al>Ad 3</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                    gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                    noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al>Ad 4 </al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil op
                    korte termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad 5</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><tussenkop>1.10 Onderhoud</tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het
                            overzicht ‘onderhoud primair onderwijs’;</al></li><li nr="b"><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang
                            en sluitwerk);</al></li><li nr="c"><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leiding en voor
                            centrale verwarming.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. </al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage II
                    gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is.</al><tussenkop>1.11 Herstel constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><tussenkop>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>2.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>2.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder d, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>2.3 Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd
                            wordt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1"><al>het feit dat de minister de school of nevenvestiging voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2"><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde in
                            2.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door de gemeente
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al></li><li nr="d"><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><tussenkop>2.5 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><tussenkop>2.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b"><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste onderwijsleerpakket is verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>2.7 Eerste inrichting meubilair</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b "><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair is verstrekt.</al><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al></li><li nr="a"><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd
                            en </al></li><li nr="b"><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            het specifiek noodzakelijk meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>2.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door de gemeente
                    getoetste aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    huidig in gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><tussenkop>2.9 Aanpassing</tussenkop><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><lijst><li nr="1"><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2"><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3"><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4"><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet en regelgeving;</al></li><li nr="5"><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al></li></lijst><al>Ad 1</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><al>Ad 2</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al>Ad 3</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel
                    tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken
                    zijn.</al><al>Ad 4</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil op
                    korte termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad 5</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><tussenkop>2.10 Onderhoud</tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het
                            overzicht ‘onderhoud primair onderwijs’;</al></li><li nr="b"><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang
                            en sluitwerk);</al></li><li nr="c"><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor
                            centrale verwarming.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. </al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. </al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in Bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is.</al><tussenkop>2.11 Herstel constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><tussenkop>2.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>3.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>3.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al></li></lijst><tussenkop>3.3 Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd
                            wordt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al></li></lijst><tussenkop>3.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1"><al>het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2"><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            bij 3.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn en</al></li><li nr="d"><al>het feit dat de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in
                            redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten
                            opzichte van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><tussenkop>3.5 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><tussenkop>3.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b"><al>het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste
                            inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>3.7 Medegebruik</tussenkop><tussenkop>3.7.1 Medegebruik gymnastiekruimte</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik van een gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat
                    klokuren gymnastiek noodzakelijk zijn waarvoor binnen de momenteel in gebruik
                    zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><tussenkop>3.7.2 Huur van een sportterrein</tussenkop><al>De noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd
                            gezag niet beschikt over een eigen sportveld en</al></li><li nr="b"><al>er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander
                            bevoegd gezag.</al></li></lijst><tussenkop>3.8 Aanpassing</tussenkop><tussenkop>Buitenzijde gebouw en terrein</tussenkop><al>De voorziening aanpassing buitenzijde gebouw en terrein bestaat uit de
                    activiteiten die zijn opgenomen in het overzicht ‘activiteiten VO
                    buitenzijde’.</al><al>De noodzaak van de aanpassing buitenzijde gebouw en terrein blijkt uit het feit
                    dat het gevraagde element of een gedeelte daarvan ten minste in een matige
                    conditie verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, lid
                    2 onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer
                    volstaat.</al><tussenkop>Binnenzijde gebouw</tussenkop><al>Daarnaast behoren de activiteiten die op het overzicht ‘activiteiten VO
                    binnenzijde’ zijn opgenomen, tot aanpassingen. In het geval van aanpassingen aan
                    de binnenzijde van het gebouw blijft het bedrag per leerling, zoals opgenomen in
                    het Besluit tot vaststelling van het drempelbedrag, bedoeld in artikel 76c,
                    eerste lid, onder b2, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor rekening van
                    het bevoegd gezag.</al><al>Activiteiten uit het overzicht ‘activiteiten VO binnenzijde’ zijn aan de orde
                    bij:</al><lijst><li nr="a"><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het te geven voortgezet onderwijs gelet op de
                            eisen als gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b"><al>eisen voortkomend uit wet en regelgeving.</al></li></lijst><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste <cursief>vijftien jaren</cursief> voldoende leerlingen om
                    de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de
                    betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het
                    onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht,
                    wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere,
                    voorziening mogelijk is.</al><tussenkop>3.9 Herstel constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. Voor constructiefouten aan de binnenzijde blijft het bedrag per
                    leerling, zoals opgenomen in het Besluit tot vaststelling van het drempelbedrag,
                    bedoeld in artikel 76c, eerste lid, onder b2, van de Wet op het voortgezet
                    onderwijs voor rekening van het bevoegd gezag.</al><tussenkop>3.10 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>I-1 Overzicht ‘Onderhoud PO’</tussenkop><al>Activiteiten die behoren tot het onderhoud:</al><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten</al><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.</al><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al><al>Vervangen brandtrap.</al><al>Vervangen erfscheiding.</al><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al><al>Vervangen binnenkozijnen inclusief hang en sluitwerk (renovatie
                    activiteit).</al><al>Vervangen buitenkozijnen inclusief hang en sluitwerk (renovatie
                    activiteit).</al><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen (renovatie activiteit).</al><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al><al>Vervangen boeiboorden.</al><tussenkop>I-2 Overzicht ‘Activiteiten VO binnenzijde’</tussenkop><al>Activiteiten die behoren tot het aanpassen (aanbrengen, verplaatsen,
                    verwijderen) en vernieuwen (ingrijpend onderhoud) van:</al><al>binnenwanden;</al><al>vouwwanden;</al><al>binnenkozijnen;</al><al>binnenzonwering;</al><al>stucwerk;</al><al>plafonddelen;</al><al>vloeren;</al><al>vloertegels;</al><al>sanitair;</al><al>aanrechten;</al><al>keukenkastjes;</al><al>zuurkasten;</al><al>waterleiding;</al><al>binnenriolering;</al><al>gasleiding;</al><al>cv leiding;</al><al>radiatoren;</al><al>traplift.</al><tussenkop>I-3 Overzicht ‘aanpassing VO buitenzijde’</tussenkop><al>Activiteiten die behoren tot het aanpassen (aanbrengen, verplaatsen,
                    verwijderen) en vernieuwen (ingrijpend onderhoud) van:</al><al>stenen dakbedekking;</al><al>dakranden;</al><al>dakvensters;</al><al>lichtkoepels;</al><al>buitenwanden;</al><al>voegwerk;</al><al>buitenkozijnen;</al><al>entreepui;</al><al>buitenzonwering;</al><al>buitentrappen;</al><al>bestrating;</al><al>rijwielloodsen;</al><al>afrastering;</al><al>buitenriolering;</al><al>terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers.</al><al>Het op kleine schaal vernieuwen van onder aanpassing genoemde elementen, zoals
                    het vervangen van enkele dakpannen, behoort tot het programma van eisen
                    onderhoud (klein en dagelijks onderhoud). Het bijbehorend schilderwerk, de
                    vervanging van de vloerbedekking en overige zaken die in het programma van eisen
                    onderhoud zijn opgenomen, vallen eveneens buiten de vergoeding voor
                    aanpassing.</al><tussenkop>I-4 Lijst ‘activiteiten onderhoud VO’ (voor rekening bevoegd
                    gezag)</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="58*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="42*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>goten</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>hemelwaterafvoeren</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schoorstenen</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>tegels</al></entry><entry colname="col2"><al>herstraten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>klinkers</al></entry><entry colname="col2"><al>herstraten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>asfalt</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe laag aanbrengen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gazon</al></entry><entry colname="col2"><al>maaien</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>beplanting</al></entry><entry colname="col2"><al>verzorgen en vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sportvelden</al></entry><entry colname="col2"><al>maaien etc.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>terreinmeubilair</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>hout binnen en binnen/buiten</al></entry><entry colname="col2"><al>schilderen, beitsen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>staal buiten en binnen/buiten</al></entry><entry colname="col2"><al>schilderen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>steen en beton buiten</al></entry><entry colname="col2"><al>schilderen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>daken, bitumenlaag, grind</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe laag, vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>daken, kunststoflaag, grind</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>isolatie onder dakbedekking</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>cv-ketel en toebehoren</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen, geregeld onderhoud</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>kachels</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen, geregeld onderhoud</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>ventilatoren (incl. specifieke installaties voor</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>werkplaatsen en specifieke vaklokalen)</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen, geregeld onderhoud</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>warmwatertoestel</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen, geregeld onderhoud</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>brandblusvoorzieningen</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen, geregeld onderhoud</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>belinstallatie</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>intercom</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>liften</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>klein en dagelijks onderhoud buiten</al></entry><entry colname="col2"><al>schilderen, beitsen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>hout en staal binnen</al></entry><entry colname="col2"><al>schilderen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sauswerk</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe laag aanbrengen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vloerbedekking (incl. gymzaal)</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>industrieparket</al></entry><entry colname="col2"><al>schuren, nieuwe laklaag</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gietasfalt</al></entry><entry colname="col2"><al>schuren, nieuwe toplaag</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>spijkerribbenvloer (metsellokaal)</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen, spijkerribben</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>verlichting</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen lampen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>diverse inventaris goederen</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>klein en dagelijks onderhoud binnen</al><tussenkop>TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De WPO, WEC en WVO geven expliciet aan op grond waarvan een voorziening kan
                    worden geweigerd. Voor toepassing van de weigeringsgronden dienen deze artikelen
                    nog nader te worden uitgewerkt. Dat vindt in deze bijlage plaats door per
                    voorziening de beoordelingscriteria te beschrijven. Ze hebben betrekking op
                    eisen qua aanwezigheid van leerlingen, prognoses, oppervlakten/capaciteit van
                    gebouwen, bouwkundige staat van een gebouw enzovoort. De noodzaak van de
                    aangevraagde voorziening(en) - of van mogelijke alternatieve voorzieningen -
                    voor de desbetreffende school wordt vastgesteld op basis van de
                    beoordelingscriteria. Na toepassing van de beoordelingscriteria kan er antwoord
                    worden gegeven op de vraag: ‘Is de voorziening noodzakelijk?’</al><al>De noodzaak van een voorziening zal in het algemeen afhangen van:</al><lijst><li nr="-"><al>de capaciteit van het gebouw of de gebouwen die door de school worden
                            gebruikt;</al></li><li nr="-"><al>de (onderhouds)staat van het gebouw of de gebouwen;</al></li><li nr="-"><al>het leerlingaantal nu en op korte en/of lange termijn;</al></li><li nr="-"><al>de mogelijkheid via andere en eenvoudiger voorzieningen adequaat de
                            noodzaak van de gevraagde voorziening op te heffen.</al></li></lijst><al>Veel voorzieningen vragen een forse investering. Een gebruik gedurende ten
                    minste een bepaalde periode voorkomt dat de investering als desinvestering gaat
                    gelden. De minimaal gewenste termijn van zekerheid over het aantal leerlingen en
                    daarmee het gebruik van de voorziening, is evenredig met de zwaarte van de
                    voorziening in financiële zin. De prognose die wordt gevraagd, dient ertoe het
                    verwachte aantal leerlingen voor een aantal jaren zo nauwkeurig mogelijk te
                    voorspellen. </al><al>Toekenning van huisvestingsvoorzieningen - behalve bij onderwijsleerpakket en
                    meubilair, bij medegebruik, bij constructiefouten en bij vervanging of herstel
                    van schade in geval van bijzondere omstandigheden - kan plaatsvinden, indien
                    volgens de prognose, die voldoet aan de prognosecriteria (in bijlage II),
                    voldoende duidelijkheid bestaat over het voortbestaan van het instituut of de
                    nevenvestiging voor een termijn van minimaal vier jaren.</al><al>Indien de gevraagde voorziening een voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    (nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of aanpassing) betreft, is de termijn
                    voor de prognose in elk geval vijftien jaren te rekenen vanaf het gewenste jaar
                    van bekostiging.</al><al>Voor nieuwbouw en voor uitbreiding kan de voorziening - afhankelijk van de
                    verwachte duur van het gebruik en de mogelijkheden van medegebruik of
                    ingebruikname van een bestaand gebouw - in tijdelijke vorm (noodbouw en
                    dergelijke) of in permanente vorm worden gerealiseerd. Nieuwbouw is slechts aan
                    de orde indien het gaat om een nieuw instituut of om een nieuwe afdeling. In
                    alle andere gevallen gaat het om vervangende bouw, voor het hele instituut of
                    voor een deel daarvan, of om uitbreiding, bijvoorbeeld ter vervanging van een
                    bouwkundig slecht gebouw.</al><al>Indien het huidige leerlingaantal niet kan worden ondergebracht in de school
                    (eventueel gehuisvest in meerdere gebouwen), ontstaat er in principe aanspraak
                    op een voorziening waarmee het tekort aan huisvestingscapaciteit kan worden
                    opgeheven./</al><al>In welke vorm de extra capaciteit voor het desbetreffende instituut ter
                    beschikking komt, hangt af van de mogelijkheden van het college om gebruik te
                    maken van beschikbare capaciteit bij andere scholen. Dit beperkt zich in
                    principe tot de gebouwen in gebruik bij het primair onderwijs en het voortgezet
                    onderwijs. Bij medegebruik is geen lange termijnprognose nodig.Voor inzicht in
                    de periode van medegebruik is wel een indicatie van de duur nodig alsmede
                    inzicht in de eventuele ontwikkeling van de leegstand in het gebouw van de
                    hoofdgebruiker.</al><al>Bij medegebruik van leegstand elders verdient het de voorkeur zoveel mogelijk de
                    leerlingen naar één ander gebouw te verwijzen om te voorkomen dat de school over
                    (te) veel locaties wordt verspreid. Overigens wordt het aantal locaties
                    vrijgelaten.</al><al>De mogelijkheden voor benutting van de beschikbare capaciteit hangen af van de
                    ligging en de geschiktheid van de feitelijke leegstand./</al><al>De verwijsafstand - die de ligging ten opzichte van andere gebouwen aangeeft -
                    is hier vastgelegd door te werken met een vaste straal (een maximale hemelsbrede
                    afstand). Daar waar het verkeer geen verwijzing toelaat, is het aan het
                    aanvragende schoolbestuur daarvoor de argumenten op tafel te leggen. </al><al>De andere mogelijkheid om met de ligging van andere gebouwen rekening te houden,
                    is die van vaststelling van verwijsgebieden. Verwijsgebieden kunnen worden
                    bepaald door te letten op de wijkgebondenheid van scholen. De grenzen van het
                    verwijsgebied moeten - om gemakkelijk een prognose te kunnen maken - samenvallen
                    met de sociaal geografische grenzen. Eventueel kan dit per onderwijssector.
                    Binnen de gebieden kan wel worden verwezen, maar daarbuiten niet./</al><al>Het geschikt zijn van de leegstand blijkt uit de capaciteit van het betreffende
                    lokaal, zoals in de nulmeting (zie bijlage III, deel A) is aangegeven. Als
                    uitgangspunt kan dienen dat onderwijsruimten (speellokalen, vaklokalen,
                    werkplaatsen, etc., gymnastieklokalen) die niet gedurende de gehele werkweek in
                    gebruik zijn bij de school die (hoofd)gebruiker van het gebouw is, kunnen worden
                    gebruikt door scholen die onvoldoende ruimte hebben in hun eigen huisvesting. </al><al>Voor het primair onderwijs is feitelijke leegstand binnen het primair onderwijs
                    per definitie geschikt. Voor het voortgezet onderwijs is het moeilijker
                    feitelijke leegstand vast te stellen. Voor zover lokalen niet noodzakelijk zijn,
                    kunnen zij worden gebruikt door andere scholen.</al><al>Leegstand die in feite niet aanwezig is, omdat het gebouw minder lokalen telt
                    (zoals in de nulmeting geconstateerd) dan op basis van de normering mag worden
                    aangenomen, telt niet mee voor de mogelijkheden van medegebruik. Dit geldt
                    eveneens voor ruimten die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft
                    gerealiseerd en waarvoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten. Hieronder vallen
                    dus niet de zogenaamde eigendoms- en huurscholen.</al><al>Medegebruik is voor gemeenten een belangrijk instrument als het gaat om het
                    realiseren van de benodigde doelmatigheid.</al><al>Indien binnen redelijke termijn een ander geschikt gebouw vrijkomt, kan worden
                    bezien of gebruik maken van het vrijkomende gebouw een goede oplossing biedt
                    voor het huisvestingsprobleem. Ervan uitgaande dat door toepassing van een
                    meerjarenplanning samen met de schoolbesturen er optimaal zicht bestaat op het
                    vrijkomen van (onderwijs)gebouwen, kan hergebruik voor andere scholen worden
                    gekoppeld aan de meerjarenplanning. Overigens kan de gemeente in het kader van
                    ander beleid beslissen dat een vrijkomend schoolgebouw niet opnieuw voor
                    onderwijs wordt gebruikt, maar bijvoorbeeld voor kinderopvang gaat dienen of
                    wordt afgebroken opdat aan die plaats een andere bestemming kan worden
                    gegeven./</al><al>De minimaal benodigde gebruiksduur om in aanmerking te kunnen komen voor (extra)
                    huisvesting is nu geharmoniseerd tussen primair onderwijs en voortgezet
                    onderwijs. Voor een voor blijvend gebruik bestemde huisvesting is die periode
                    vijftien jaren. Voor tijdelijke huisvesting is deze periode vier jaren of meer.
                    Voor gebruik van minder dan vier jaren wordt uitgegaan van opvang binnen het
                    bestaande gebouw, bijvoorbeeld in de gemeenschapsruimte. Slechts indien dit
                    onmogelijk is, wordt een andere voorziening goedgekeurd. Daartoe is onder
                    uitbreiding in het basisonderwijs een beoordelingscriterium opgenomen.</al><tussenkop>Toelichting deel A</tussenkop><tussenkop>Lesgebouwen</tussenkop><al><cursief>Vervangende bouw</cursief> komt in het algemeen voort uit de slechte
                    conditie van een gebouw. Om uitspraken te kunnen doen over de (slechte)
                    bouwkundige staat en om verschillen in de bouwkundige toestand van verschillende
                    gebouwen in een volgorde te kunnen plaatsen, is het noodzakelijk één techniek
                    van schouwing voor alle gebouwen te hebben, waaruit subjectieve factoren zo veel
                    mogelijk zijn geëlimineerd. Deze techniek, kan worden vastgesteld door de
                    raad.</al><al>Vervangende bouw om andere dan bouwkundige redenen kan betrekking hebben op een
                    budgettair neutrale oplossing, een herschikkingsoperatie of verband houden met
                    ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. </al><al>Budgettair neutrale vervanging van een gebouw betekent dat daarvoor geen extra
                    kosten worden gemaakt. De kosten voor de gemeente mogen niet hoger zijn dan de
                    huidige kosten. Daarnaast kunnen - in overeenstemming met het aanvragende
                    schoolbestuur - eventuele gelden voor exploitatie, aanpassingen en onderhoud van
                    het schoolbestuur worden ingezet.</al><al>Fusies kunnen aanleiding geven tot een herschikkingsoperatie, maar ook
                    bijvoorbeeld een flink overschot aan gymnastiekruimten. Doel van een
                    herschikkingsplan is in elk geval het realiseren van een optimale
                    huisvestingssituatie en een grotere doelmatigheid.</al><al>Bij de ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening valt bijvoorbeeld te denken aan
                    stadsvernieuwing en het realiseren van een centrumplan, waarvoor het
                    noodzakelijk is dat het gebouw vervangen wordt./</al><al>Uit de nulmeting kan naar voren komen dat de feitelijke oppervlakte groter is
                    dan de genormeerde oppervlakte voor het aantal groepen dat in het gebouw kan
                    worden gehuisvest. In zo’n geval is er sprake van een zogenaamde
                    verschiloppervlakte. Bij een aanvraag voor <cursief>uitbreiding</cursief> zal in
                    dat geval worden bezien of de verschiloppervlakte niet kan worden betrokken bij
                    de omvang van de uitbreiding, met andere woorden, of niet (deels) inpandig de
                    benodigde extra capaciteit is te realiseren. Indien dit te duur is ten opzichte
                    van uitbreiding, dan wordt er van uitgegaan dat uitbreiding wordt gerealiseerd
                    (zie ook bijlage III, deel A).</al><al>In het voortgezet onderwijs bestaat pas de noodzaak de capaciteit uit te
                    breiden, als ook met een 10% hogere gebruiksduur van de bestaande capaciteit er
                    onvoldoende capaciteit voor de school aanwezig is.</al><al>De wijze waarop de voorziening - na goedkeuring - wordt gerealiseerd, hangt af
                    van de normering die in bijlage III, deel C, is uitgewerkt.</al><al>Voor de <cursief>uitbreiding met een tweede speellokaal</cursief> in het
                    basisonderwijs is aangegeven, wanneer dit noodzakelijk is. Nieuw ten opzichte
                    van de eerder geldende regelgeving is ten eerste het loslaten van de
                    automatische uitbreiding met een tweede speellokaal bij het vormen van de
                    veertiende groep. Koppeling aan het aantal groepen - van een zekere omvang -
                    jongste leerlingen (in nieuwbouwwijken vaak een aanzienlijk deel van de
                    leerlingen) maakt meer maatwerk mogelijk. Ten tweede is om een efficiënt gebruik
                    van gebouwen te bevorderen, een verwijzingsmogelijkheid naar een op korte
                    afstand aanwezig speellokaal of gymnastiekruimte waar nog ruimte is, opgenomen.
                    Op het punt van afstand heeft harmonisatie met het speciaal onderwijs
                    plaatsgevonden.</al><al>De mogelijkheid om een speciale school voor basisonderwijs uit te breiden met
                    een speellokaal is het gevolg van de invoering van de WPO. De schoolsoorten
                    so-lom en so-mlk zijn hierdoor opgegaan in de speciale scholen voor
                    basisonderwijs (sbo). Dit geldt ook voor een groot deel van de voormalige
                    afdelingen voor onderwijs aan in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk),
                    tegenwoordig afdelingen voor het jonge risicokind (JRK) genoemd. Circa 80% van
                    deze afdelingen was verbonden aan een lom- of lmk-scholen zonder een dergelijke
                    afdeling konden onder de ISOVSO alleen kinderen vanaf zes jaar worden
                    toegelaten. Onder de WPO is dit veranderd. Evenals het geval is bij reguliere
                    basisscholen kunnen tot een sbo kinderen vanaf vier jaar worden toegelaten; dit
                    voor zover de binnen het desbetreffende samenwerkingsverband primair onderwijs
                    werkzame "permanente commissie leerlingenzorg" heeft vastgesteld dat plaatsing
                    van het jonge risico kind (JRK) op een sbo noodzakelijk is.</al><al>Onder de WPO kan het dan ook voorkomen dat kinderen jonger dan zes jaar worden
                    geplaatst op een sbo die bouwkundig niet is berekend op onderwijs aan de jongste
                    kinderen. Het gaat hierbij om het ontbreken van een speellokaal, maar ook om het
                    realiseren van bouwkundige integratievoorzieningen (het vervangen van hoge
                    toiletpotten door kleine; het maken van een zgn. natte hoek in de ruimten
                    bestemd voor de jongste kinderen; zie de wijziging onder "1.10
                    Aanpassing").</al><al>Aangezien het om relatief dure voorzieningen gaat dient uit het oogpunt van een
                    verantwoorde besteding van de middelen een drempel te worden gesteld. Dit om te
                    voorkomen dat de voorzieningen moeten worden getroffen voor een zeer gering
                    aantal leerlingen. Deze drempel bestaat uit twee elementen:/</al><lijst><li nr="-"><al>De sbo moet bezocht worden door minimaal 12 kinderen jonger dan zes
                            jaar. Dit aantal leerlingen is afgeleid van de groepsgrootte zoals die
                            gold voor iobk-leerlingen / jrk-leerlingen.</al></li><li nr="-"><al>Aan de hand van een prognose moet aannemelijk worden gemaakt dat de sbo
                            waarvoor de voorziening wordt getroffen, voor minimaal 15 jaar
                            levensvatbaar is.</al></li></lijst><al>De gemeente kan bij de toetsing van een aanvraag van een sbo ook nadrukkelijk
                    kijken naar de bepalingen over de opvang van de jonge risico leerlingen in het
                    zorgplan van het samenwerkingsverband wsns. De samenwerkingsverband hebben in
                    hun zorgplan namelijk opgenomen waar welke zorg noodzakelijk wordt geacht. In
                    aanvulling hierop kan gemeente over de gebouwelijke consequenties van de WPO
                    afstemming zoeken met de schoolbesturen uit het samenwerkingsverband.</al><al>Bij een sbo waaraan voor de inwerkingtreding van de WPO een iobk-afdeling was
                    verbonden, doet de noodzaak voor het treffen van bovengenoemde voorzieningen
                    zich niet voor. Het gebouw van een dergelijke school is immers als berekend op
                    de opvang van de jongste kinderen./</al><al>Bij mogelijke <cursief>ingebruikneming</cursief> van een bestaand gebouw of een
                    gedeelte daarvan spelen bij de toekenning, naast de ligging, ook de omvang en de
                    kwaliteit een belangrijke rol. Voor de ligging zij verwezen naar hetgeen
                    hiervoor is gesteld. De omvang maakt een nauwkeurige beoordeling van de
                    noodzakelijke aanpassingen nodig (tenzij het een gebouw betreft dat reeds voor
                    onderwijs geschikt is). Indien de kosten samen met de (eventuele)
                    verwervingskosten te hoog zijn (het ministerie van OCenW hield daarvoor 70
                    procent van de kosten van nieuwbouw aan), is de vraag gerechtvaardigd of
                    vervangende bouw niet een betere optie is. Natuurlijk staat het de gemeente vrij
                    hiertoe te besluiten (en daarmee af te wijken van dit percentage), bijvoorbeeld
                    in verband met de locatie, het (monumentale) gebouw of het ontbreken van
                    alternatieve mogelijkheden voor huisvesting binnen de wijk. Ook ontstaat hier -
                    evenals bijvoorbeeld bij het bijbouwen van noodlokalen - een
                    onderhandelingssituatie, waarbij alternatieven worden bezien en
                    gewaardeerd.</al><al>Ingebruikneming is ook mogelijk bij de situaties waarbij vervanging van een
                    bestaand gebouw aan de orde is, namelijk als:/</al><lijst><li nr="-"><al>dit per saldo geen meerkosten met zich brengt;</al></li><li nr="-"><al>er sprake is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="-"><al>dit noodzakelijk is in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke
                            ordening.</al></li></lijst><al>Daarnaast is een ingebruikneming mogelijk als er uitbreiding van het huidige
                    schoolgebouw aan de orde is.</al><al>Het automatisme bij de toewijzing van terrein in het primair onderwijs is
                    verlaten. Indien terrein noodzakelijk is, wordt daar bij de eventuele
                    toestemming voor een andere huisvestingsvoorziening rekening mee gehouden.</al><al>In de systematiek van de modelverordening is voor de huisvestingsvoorziening "
                    ingebruikneming" op basis van artikel 7, twee lid, onder a, een prognose
                    vereist. De toetsing van een prognose komt dan ook tot uiting in de criteria
                    voor de beoordeling van aangevraagde voorziening tot ingebruikneming van een
                    bestaand lesgebouw (zie bijvoorbeeld b1 en b2 van paragraaf 1.4)/</al><al>Voor het primair onderwijs gaat het bij <cursief>eerste inrichting
                        onderwijsleerpakket (en
                        meub</cursief><cursief>i</cursief><cursief>lair)</cursief> om het aantal
                    groepen leerlingen. Bij fusie van scholen kan er enkel sprake zijn van een extra
                    onderwijsleerpakket en meubilair, indien het aantal groepen groter is dan het
                    totaal bekostigde onderwijsleerpakket en meubilair van de aan de fusie
                    deelnemende scholen. </al><al>De bestaande scheiding tussen onderwijsleerpakket en meubilair (enkel
                    onderwijsleerpakket voor wegingsgroepen in het basisonderwijs) - aangebracht
                    tijdens de periode van de Tijdelijke wet beperking huisvestingsvoorzieningen -
                    blijft bestaan. </al><al>Voor de eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair is ook de nulmeting
                    van belang. Op 1 augustus 1985 werden alle scholen voor basisonderwijs geacht
                    voldoende te zijn ingericht. Daar waar dat niet het geval was, kon via
                    overgangsartikelen aanvullende eerste inrichting worden verkregen. Voor de
                    nulmeting impliceert dit dat alle toekenningen tot aan 1 augustus 1985 ook
                    worden begrepen onder de aanwezige eerste inrichting.</al><al>De aanspraak op eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair in het
                    voortgezet onderwijs is gekoppeld aan de toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting met dien verstande dat die voorziening een uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg moet hebben./</al><al>Indien artikel 7, vierde lid, van de verordening ook van toepassing is verklaard
                    op eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair, dan is de passage "de
                    laatste teldatum voorafgaand aan de indiening van de aanvraag" vervangen door:
                    "de meest recente teldatum".</al><al>Onderwijsleerpakket en meubilair werd niet aangemerkt als een voorziening waarop
                    artikel 7, vierde lid van toepassing kon zijn. De oorspronkelijke formulering
                    behelsde dat voor het bepalen van de noodzaak altijd wordt gekeken naar de
                    teldatum voorafgaand aan de aanvraag. Bij de totstandkoming van de
                    modelverordening is er bewust voor gekozen dat onderwijsleerpakket alleen wordt
                    toegekend op het moment dat de leerlingen feitelijk aanwezig zijn. Dit behoeft
                    in beginsel niet tot problemen te leiden, omdat bij onverwacht groei van het
                    aantal leerlingen de mogelijkheid bestaat om via de spoedprocedure (artikel 21
                    e.v. van de modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs) uitbreiding
                    aan te vragen. Als voorwaarde geldt dan wel dat de buitenreguliere telling voor
                    de formatie aantoont dat er sprake is van groei met minstens één groep. De
                    buitenregulier telling is dan de teldatum voorafgaande aan de indiening van de
                    aanvraag voor de toetsing van de noodzaak.</al><al>Vanuit de gedachte dat de spoedprocedure in beginsel beperkt dient te blijven
                    met calamiteiten, kunnen problemen ontstaan bij een verwachte groei van het
                    aantal leerlingen. De formulering in de verordening betekent dat de teldatum van
                    1 oktober van het jaar t moet worden gehanteerd om de raad in oktober/november
                    van het jaar t+1 een besluit te laten nemen over een eventuele toekenning van
                    onderwijsleerpakket en/of meubilair van het jaar t+2. Hiermee kunnen
                    toekenningen voor onderwijsleerpakket een half jaar achter de feiten aanlopen –
                    immers, de teldatum van 1 oktober van het jaar t zou per 1 augustus van het jaar
                    t+1 leiden tot een uitbreiding van de formatie – en is het daardoor niet
                    mogelijk om te anticperen op de toekomstige leerlingenontwikkeling.</al><al>Met de wijziging, die gebruik maakt van de in de verordening geboden
                    mogelijkheid, kan worden geanticipeerd op de toekomstige leerlingontwikkelingen.
                    Tevens wordt voldaan aan het uitgangspunt dat de leerlingen feitelijk aanwezig
                    moeten zijn, wil er een toekenning van onderwijsleerpakket en/of meubilair
                    plaatsvinden. De noodzaak van de voorziening blijkt uit het aantal leerlingen op
                    de meest recente teldatum. De meest recente teldatum van 1 oktober van het jaar
                    waarin het programma wordt gesteld, kan worden gebruikt om te bezien of het
                    geraamde aantal leerlingen daadwerkelijk op de school aanwezig is (en dus of de
                    noodzaak van de voorziening wordt aangetoond)./</al><al><cursief>Aanpassingen</cursief> komen voort uit gewijzigde eisen of wensen. In
                    elk geval zullen aanpassingen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan (nieuwe)
                    wettelijke vereisten (bijvoorbeeld volgend uit het Bouwbesluit of uit de
                    regelgeving op het gebied van de arbeidsomstandigheden) tot toekenningen leiden,
                    voor zover niet in overgangsbepalingen bij dergelijke regelingen een
                    (tijdelijke) vrijstelling is verleend. </al><al>Voor het primair onderwijs zijn de aanpassingen uitgezonderd waarvoor een
                    schoolbestuur rechtstreeks van het rijk een vergoeding ontvangt. Het betreft
                    onder andere het aanbrengen van een gehandicaptentoilet en het geschikt maken
                    van het gebouw voor gehandicapten.</al><al>Onder aanpassing kunnen wel enkele benoemde voorzieningen worden aangevraagd om
                    het gebouw en/of het terrein toegankelijk te maken voor in hun beweging beperkte
                    gehandicapten. Het gaat hierbij om het terrein toegankelijk maken tot en met de
                    entree (met name het realiseren van een hellingbouw) en het aanbrengen van een
                    traplift bij een meerlaags schoolgebouw.</al><al>Voor het voortgezet onderwijs vergoedt de gemeente slechts aanvragen voor
                    aanpassingen binnenzijde gebouw voor zover deze het bedrag van ƒ 600,--<noot id="noot_1"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Dit zogenaamde drempelbedrag is gepubliceerd in het
                            "Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO" (Stb.
                            1997,125).</noot.al></noot> per leerling van de school te boven gaan. Aanpassingen aan de
                    binnenzijde onder het drempelbedrag zijn geen voorziening in de huisvesting en
                    kunnen op die grond door de gemeente worden geweigerd. Bij de beoordeling van
                    aanpassingen moet worden nagegaan of er geen onderhoud in de aanvraag is
                    opgenomen. Immers, in het voortgezet onderwijs krijgt het bevoegd gezag daarvoor
                    rechtstreeks inkomsten van het rijk. Een lijst van "activiteiten onderhoud VO",
                    waarvoor het bevoegd gezag zelf een vergoeding ontvangt, is bij deze toelichting
                    gevoegd.</al><al>Aanpassingen om een gebouw (vaak de dislocatie) te kunnen afstoten, bestaan uit
                    het aanbrengen van die voorzieningen in het gebouw die niet aanwezig zijn, maar
                    wel aanwezig waren in de dislocatie en die noodzakelijk zijn om het onderwijs
                    aan de leerlingen uit het af te stoten gebouw te kunnen geven. Een
                    integratieverbouwing kan dan bijvoorbeeld bestaan uit:</al><lijst><li nr="-"><al>samenvoegen van twee lokalen of één lokaal en een aangrenzende ruimte
                            tot speellokaal inclusief berging;</al></li><li nr="-"><al>veranderen van leslokalen in werklokalen;</al></li><li nr="-"><al>plaatsen van kleutertoiletten en maken toezichtraam;</al></li><li nr="-"><al>maken zandbak en buitenberging;</al></li><li nr="-"><al>aanpassing deel van de buitenspeelplaats.</al></li></lijst><al>In het primair onderwijs is geen specifieke aanpassing opgenomen die het
                    mogelijk moet maken eenmaal in de levenscyclus van een permanent gebouw voor
                    primair onderwijs te besluiten de inrichting te optimaliseren. Ten eerste is
                    moeilijk een sluitende lijst van activiteiten hiervoor aan te geven en ten
                    tweede bieden de aanpassingen om te voldoen aan eisen voortkomend uit wet- en
                    regelgeving een kapstok om de noodzakelijke aanpassingen te kunnen beoordelen. </al><al>De mogelijkheid om een gebouw van een speciale school voor basisonderwijs
                    geschikt te maken voor kinderen jonger dan 6 jaar is het gevolg van de invoering
                    van de WPO. Onder de WPO kan het voorkomen dat kinderen jonger dan zes jaar
                    worden geplaatst op een sbo die bouwkundig niet is berekend op onderwijs aan de
                    jongste kinderen. Het gaat hierbij om het ontbreken van een speellokaal, maar
                    ook om het realiseren van bouwkundige integratievoorzieningen. Onder 1.3.2b
                    wordt de mogelijkheid geboden om een sbo uit te breiden met een speellokaal. Met
                    deze wijziging wordt voorzien in de mogelijkheid om het gebouw geschikt te maken
                    voor kinderen jonger dan 6 jaar. Het gaat hierbij om de volgende aanpassingen:
                    het vervangen van hoge toiletpotten door kleine, het maken van een zgn. natte
                    hoek in de ruimten bestemd voor de jongste kinderen. In het voorkomende geval
                    dient het gebouw hierop te worden aangepast. De hoogte van de noodzakelijke
                    investering is sterk afhankelijk van het gebouw en de noodzakelijke
                    aanpassingen. Gezien de verscheidenheid aan mogelijke aanpassingen is een
                    normvergoeding niet aan te geven; deze aanpassing wordt (net als de overige
                    soorten aanpassingen) bekostigd op basis van de feitelijke kosten.</al><al>Ook hier dient uit oogpunt van een verantwoorde besteding van de middelen een
                    drempel te worden gesteld. Dit om te voorkomen dat de voorzieningen moeten
                    worden getroffen door een zeer gering aantal leerlingen. De gestelde drempel is
                    vergelijkbaar met de drempel voor het toekennen van een speellokaal aan een
                    sbo./</al><al><cursief>Onderhoud</cursief> is conform de wet enkel een voorziening in het
                    primair onderwijs. Ook hier geldt dat door het bevoegd gezag moet worden
                    aangetoond dat het onderhoud noodzakelijk is en dat regulier onderhoud, waarvoor
                    het bevoegd gezag in de materiële instandhouding een vergoeding ontvangt, niet
                    langer volstaat.</al><al>Voordat onderhoud aan noodlokalen wordt toegekend, zal worden nagegaan of de
                    desbetreffende noodlokalen nog noodzakelijk zijn voor in elk geval meer dan vier
                    jaar. Indien de groepen uit de noodlokalen elders in medegebruik kunnen worden
                    ondergebracht, zal voor die optie worden gekozen.</al><al>Bij <cursief>herstel van constructiefouten</cursief> is het van (groot) belang
                    daadwerkelijk vast te stellen dat het gaat om een constructiefout. </al><al>In het voortgezet onderwijs is de gemeente alleen aan te spreken op
                    constructiefouten aan de buitenzijde van het gebouw en op die aan de binnenzijde
                    voor zover die laatste het bedrag van ƒ 600,--<nootref refid="noot_1"/> per
                    leerling van de school te boven gaan. Constructiefouten tot dit drempelbedrag
                    zijn geen voorziening in de huisvesting en kunnen op die grond door de gemeente
                    worden geweigerd./</al><al>Vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>Bij bepaling van de omvang van de vervanging of het herstel van schade in geval
                    van bijzondere omstandigheden kan rekening worden gehouden met de situatie van
                    de school. Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld een totaal afgebrande school
                    met acht lokalen worden vervangen door een kleiner gebouw met zes lokalen, omdat
                    de school zes groepen leerlingen telt, terwijl uit de prognose blijkt dat het
                    onwaarschijnlijk is dat de school de eerste vijftien jaren meer dan zes groepen
                    zal krijgen. Indien de schade is verzekerd, doet de gemeente er verstandig aan
                    eerst na te gaan op welke basis de verzekeraar tot uitkering overgaat./</al><tussenkop>Toelichting deel B</tussenkop><tussenkop>Gymnastiekruimten</tussenkop><al>Bij de voorzieningen voor de lichamelijke oefening is steeds sprake van
                    gymnastiekruimte. De definitie van gymnastiekruimte omvat niet enkel het
                    traditionele gymnastieklokaal bij het schoolgebouw maar ook het gebruik van de
                    (gemeentelijke) sporthal. De verwijzing strekt zich niet enkel uit over de
                    aanwezige ruimten, maar ook over de ruimten die binnenkort worden gerealiseerd.
                    Zo kan bijvoorbeeld in een nieuwbouwwijk het aanvragende schoolbestuur voor het
                    bewegingsonderwijs worden verwezen naar de sporthal die de gemeente daar op
                    korte termijn gaat bouwen. Op deze wijze kan optimaal gebruik worden gemaakt van
                    de aanwezige ruimte. In feite wordt voorafgaand aan elke beslissing - nieuwbouw,
                    uitbreiding en ingebruikneming - bezien of niet door medegebruik de gevraagde
                    voorziening overbodig is. Overigens laat de praktijk zien dat - zeker in de
                    plattelandsgemeenten - eventueel vervoer naar een verder weg gelegen
                    gymnastiekruimte een goed alternatief kan zijn. Uiteraard is hiervoor overleg
                    met het bevoegd gezag noodzakelijk.</al><al>Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt met gymnastiekruimte tevens
                    bedoeld een lokaal voor motorische therapie en een schoolbad (watergewenningsbad
                    of hydrotherapiebad). Vanzelfsprekend deze laatste twee enkel voor de
                    onderwijssoorten waarvoor een dergelijk ruimte verplicht is.</al><al>Een hydrotherapiebad is noodzakelijk voor een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs ten behoeve van lichamelijk gehandicapte kinderen en voor een school
                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs ten behoeve van meervoudig gehandicapte
                    kinderen met een lichamelijke handicap.</al><al>Een watergewenningsbad is noodzakelijk voor een school voor (voortgezet)
                    speciaal onderwijs ten behoeve van zeer moeilijk lerende kinderen en een school
                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs ten behoeve van meervoudig gehandicapten
                    met zeer moeilijk lerende kinderen.</al><al>Bij andere vormen van (voortgezet) speciaal onderwijs worden deze baden niet
                    noodzakelijk geacht en komen ze niet voor./</al><al>Om vast te stellen of er daadwerkelijk medegebruik mogelijk is, wordt gekeken
                    naar de klokuurnorm zoals de gemeenteraad die voor het primair onderwijs heeft
                    vastgesteld en naar het rooster. Voor het voortgezet onderwijs is enkel het
                    rooster van belang. </al><al>In tegenstelling tot de situatie voor 1997 wordt het maken van was- en
                    kleedgelegenheden in gymnastiekruimten niet meer als uitbreiding gezien maar als
                        <cursief>aanpassing</cursief>. Dit ondanks het feit dat het maken van deze
                    ruimtes fysiek meestal een uitbreiding van het gebouw tot gevolg heeft. Het
                    maken van douches in plaats van wasbakken in gymnastiekruimten behoort ook tot
                    de aanpassingen, met name tot het voldoen aan wet- en regelgeving (eisen met
                    betrekking tot hygiëne).</al><al><cursief>Aanvullend meubilair</cursief> voor het bewegingsonderwijs kan als
                    eerste inrichting worden verstrekt, wanneer men gaat van een kleine zaal
                    (oefenvloer) naar een grote en wanneer nog niet eerder het complete meubilair is
                    verstrekt.</al><table><title>Lijst ‘activiteiten onderhoud VO’ (voor rekening bevoegd gezag)</title><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="56*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="44*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>goten</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>hemelwaterafvoeren</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schoorstenen</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>tegels</al></entry><entry colname="col2"><al>herstraten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>klinkers</al></entry><entry colname="col2"><al>herstraten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>asfalt</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe laag aanbrengen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gazon</al></entry><entry colname="col2"><al>maaien</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>beplanting</al></entry><entry colname="col2"><al>verzorgen en vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sportvelden</al></entry><entry colname="col2"><al>maaien etc.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>terreinmeubilair</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>hout binnen en binnen/buiten</al></entry><entry colname="col2"><al>schilderen, beitsen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>staal buiten en binnen/buiten</al></entry><entry colname="col2"><al>schilderen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>steen en beton buiten</al></entry><entry colname="col2"><al>schilderen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>daken, bitumenlaag, grind</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe laag, vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>daken, kunststoflaag, grind</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>isolatie onder dakbedekking</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>cv ketel en toebehoren</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen, geregeld onderhoud</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>kachels</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen, geregeld onderhoud</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>ventilatoren (incl. specifieke installaties </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>voor werkplaatsen en specifieke </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokalen</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen, geregeld onderhoud</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>warmwatertoestel</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen, geregeld onderhoud</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>brandblusvoorzieningen</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen, geregeld onderhoud</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>belinstallatie</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>intercom</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>liften</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>klein en dagelijks onderhoud buiten</al></entry><entry colname="col2"><al>schilderen, beitsen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>hout en staal binnen</al></entry><entry colname="col2"><al>schilderen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sauswerk</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe laag aanbrengen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vloerbedekking (incl. gymzaal)</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>industrieparket</al></entry><entry colname="col2"><al>schuren, nieuwe laklaag</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gietasfalt</al></entry><entry colname="col2"><al>schuren, nieuwe toplaag</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>spijkerribbenvloer (metsellokaal)</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen spijkerribben</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>verlichting</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen lampen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>diverse inventaris goederen</al></entry><entry colname="col2"><al>vervangen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>klein en dagelijks onderhoud binnen</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II</nr><titel>Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses</titel></kop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging.</al><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                    korte-termijnprognose.</al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:</al><lijst><li nr="a"><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li><li nr="b"><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c"><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d"><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li><li nr="e"><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f"><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en</al></li><li nr="g"><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud.</al><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag.</al><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                    basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. </al><al>Bij aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en berekeningen
                    over de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt. Bij deze
                    levering worden in elk geval de gebruikte programmatuur en aannames/assumpties
                    met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop de prognose is
                    gebaseerd, aangegeven en onderbouwd. </al><al>Het college is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te
                    stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen. Voorafgaand
                    aan de vaststelling door het college vormen de nadere regels onderwerp van
                    overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede
                    lid onder b van de Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente
                    Wageningen.</al><tussenkop>TOELICHTING</tussenkop><al>In veel gevallen dient ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag voor een
                    huisvestingsvoorziening een prognose van leerlingenaantallen te worden opgelegd.
                    Prognoses gelden als één van de criteria voor bepaling van de noodzaak van een
                    aangevraagde voorziening. Tot voor kort werd een aantal prognosemodellen
                    voorgeschreven (Probo II voor basisscholen, Lasso voor speciale scholen voor
                    basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs en het prognosemodel
                    huisvesting voor het voortgezet onderwijs). Nu geeft de verordening het college
                    de bevoegdheid nadere regels vast te stellen. Als model is hiertoe in
                    samenwerking met de besturenorganisaties voor het openbaar en bijzonder
                    onderwijs een uitgewerkt Programma van eisen voor leerlingprognoses opgesteld.
                    In dit Programma van eisen is tot op het niveau van de vereiste rekenregels
                    uitgeschreven waaraan nieuwe prognoseprogrammatuur moet voldoen. In het
                    Programma van eisen is een beschrijving gegeven van definities, begrippen en
                    formules die per onderwijssoort leiden tot het hanteren van de juiste
                    basisgeneraties en daarmee tot een geprognosticeerd aantal leerlingen van de
                    school.</al><al>Het Programma van eisen voor leerlingprognoses dat in samenwerking met de
                    besturenorganisaties voor het openbaar en bijzonder onderwijs is opgesteld, is
                    aan gemeenten verzonden als bijlage bij ledenbrief 99/136. Door het vaststellen
                    van dit Programma van eisen geeft het college invulling aan de bepaling dat zij
                    nadere regels kunnen stellen.</al><al>Met de verwijzing naar artikel 2, tweede lid onder b van de Verordening overleg
                    lokaal onderwijsbeleid wordt bewerkstellig dat de nadere regels (het Programma
                    van eisen voor leerlingprognoses) onderwerp van overleg worden in het op
                    overeenstemming gericht overleg.</al><al>Door geen prognoseprogrammatuur maar rekenregels vast te stellen, wordt aan de
                    markt overgelaten welke programmatuur in de praktijk voor het prognosticeren van
                    leerlingenaantallen wordt gebruikt. Om te vermijden dat op lokaal niveau
                    technisch gecompliceerde discussie ontstaan over het al of niet voldoen aan de
                    rekenregels, is ter ondersteuning van de gemeenten een "testgroep prognoses"
                    ingesteld. In de testgroep hebben ter zake kundige gemeenteambtenaren zitting.
                    De testgroep kan desgevraagd toetsen of een prognoseprogramma voldoet aan het
                    Programma van eisen voor leerlingprognoses.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>III</nr><titel>Criteria voor oppervlakte en indeling</titel></kop><tussenkop>Bijlage / VERWIJDEREN!!</tussenkop><tussenkop> III </tussenkop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><lijst><li nr="-"><al>deel A: de bepaling van de capaciteit;</al></li><li nr="-"><al>deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al></li><li nr="-"><al>deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al></li><li nr="-"><al>deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al></li></lijst><tussenkop>DEEL A De bepaling van de capaciteit</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande
                    methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag
                    van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek
                    vastgestelde capaciteit, indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden
                    ingezet ten behoeve van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke en
                    recreatieve doeleinden. </al><tussenkop>1.1 Gebouwen van hoofd en nevenvestigingen (inclusief de T&amp;B-dislocaties)<noot id="d5913e3946"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Een “T&amp;B-dislocatie” is een gebouw dat als hoofdgebouw
                            fungeerde van een basisschool die op of na 1 augustus 1992 is gefuseerd.
                            Na de fusie is de status van het gebouw gewijzigd in die van dislocatie
                            van de school die uit de fusie is overgebleven. Voor de bepaling van de
                            capaciteit van de T&amp;B-dislocaties zijn dezelfde tabellen van
                            toepassing als voor de hoofd- en nevenvestigingen.</noot.al></noot> met een permanente of tijdelijke bouwaard</tussenkop><al>De bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de ‘Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het
                    primair onderwijs’.</al><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het aantal
                    groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Het aantal groepen is gelijk aan het
                    aantal lokalen in het desbetreffende gebouw. Het aantal lokalen in een gebouw
                    betreft het aantal lesruimten, inclusief het handvaardigheidslokaal, groter dan
                    of gelijk aan 42 m². De speellokalen worden niet meegeteld.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>Om te kunnen bepalen of een gebouw is 'overgedimensioneerd', dient een relatie
                    te worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van het
                    aantal groepen en normatieve capaciteitsvaststelling.</al><al>Het aantal groepen waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt, op basis
                    van de BVO vastgesteld met behulp van tabel 1, 2 en 3 hieronder voor
                    respectievelijk huisvesting met een permanente bouwaard en huisvesting met een
                    tijdelijk aard. </al><table><title>Tabel 1 Gebouwen met een permanente bouwaard</title><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="263.25"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/><thead><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Permanente gebouwen voor een basisschool waarin meer dan 30
                                        leerlingen worden gehuisvest</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Minimale bvo</al><al>(inclusief m² bvo voor onderwijskundige vernieuwingen)</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>350</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>465</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>580</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>785</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>900</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>1.015</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1.130</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>1.245</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>1.360</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>1.475</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>1.590</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>1.705</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>En vervolgens te verhogen met 115 m² ten behoeve van één
                                        groep leerlingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Indien het gebouw beschikt over een tweede speellokaal,
                                        wordt de minimale bvo opgehoogd met 90 m²</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="264.00pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/><thead><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Permanente gebouwen voor een basisschool waarin minder dan
                                        31 leerlingen worden gehuisvest</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Minimale bvo </al><al>(inclusief m² bvo voor onderwijskundige vernieuwingen)</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>330</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><title>Tabel 2 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, zelfstandige huisvesting</title><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="260.25pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Minimale bvo</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>305</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>410</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>515</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>710</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>815</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>920</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1.025</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>en vervolgens telkens te verhogen met 105 m² ten behoeve van
                                        één groep leerlingen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><title>Tabel 3 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, aanvullende huisvesting</title><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="261.00pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Minimale bvo</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>100</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>180</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>260</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>340</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>420</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>en vervolgens telkens te verhogen met 80 m² ten behoeve van
                                        één groep leerlingen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien het werkelijk aantal lokalen in een gebouw afwijkt van het aantal groepen
                    zoals vastgesteld op basis van tabel 1, 2 of 3, is het aantal lokalen de
                    capaciteit van het gebouw. In het geval dat het aantal lokalen kleiner is dan
                    het aantal groepen zoals vastgesteld op basis van tabel 1, 2 of 3, wordt de
                    zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke BVO en de normatieve
                    BVO behorend bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Deze
                    verschiloppervlakte is het aantal waarmee de BVO van het gebouw is
                    overgedismensioneerd. De registratie vindt plaats vanwege het mogelijk verwerken
                    van deze overdimensionering van de BVO op het moment dat het gebouw ten behoeve
                    van de vergroting van de capaciteit moet worden uitgebreid.</al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van een gebouw voor een speciale school voor basisonderwijs wordt
                    vastgelegd in het aantal groepen waarvoor een gebouw geschikt is. Dit aantal
                    groepen is het aantal lokalen verminderd met één. Het aantal lokalen wordt
                    verminderd met twee indien het gebouw bestaat uit meer dan 13 lokalen en het
                    aantal lokalen wordt verminderd met drie indien het gebouw bestaat uit meer dan
                    26 lokalen om het aantal groepen te bepalen waarvoor het gebouw geschikt is. Het
                    aantal lokalen in een gebouw betreft het aantal lesruimten, inclusief de
                    vaklokalen, groter dan of gelijk aan 42 m². De speellokalen worden niet
                    meegeteld.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>Om te kunnen bepalen of een gebouw is overgedimensioneerd dient een relatie te
                    worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van het
                    aantal groepen en normatieve capaciteitsvaststelling.</al><al>Het aantal groepen waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt, op basis
                    van de BVO, vastgesteld met behulp van de onderstaande tabel 4 hieronder voor
                    huisvesting met een permanente bouwaard. Voor huisvesting met een tijdelijke
                    bouwaard wordt gebruik gemaakt van tabel 2 en 3.</al><table><title>Tabel 4 Gebouwen met een permanente bouwaard</title><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="190.50pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="2.16*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="2.18*"/><thead><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>Permanente gebouwen voor een speciale school voor
                                        basisonderwijs</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>vaste voet m²</al></entry><entry colname="col2"><al>inclusief</al></entry><entry colname="col3"><al>m² per groep</al></entry><entry colname="col4"><al>toeslag extra ruimte</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>670</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>105</al></entry><entry colname="col4"><al>125</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vaste voet aan BVO is inclusief ruimten voor een bepaald aantal groepen. Dit
                    aantal is in de kolom 'inclusief' aangegeven.</al><al>De toeslag extra ruimte omvat een aantal extra m² voor het creëren van een extra
                    lokaal, niet zijnde een speellokaal (hiervoor geldt een aparte toeslag). De
                    toeslag extra ruimte wordt toegekend bij het vormen van de 12<sup>e</sup>
                    groep.</al><al>Indien het werkelijk aantal lokalen in een gebouw afwijkt van het aantal groepen
                    zoals vastgesteld op basis van tabel 2, 3 of 4, is het aantal lokalen de
                    capaciteit van het gebouw. In het geval dat het aantal lokalen kleiner is dan
                    het aantal groepen zoals vastgesteld op basis van tabel 2, 3 of 4, wordt de
                    zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke BVO en de normatieve
                    BVO, behorend bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Deze
                    verschiloppervlakte is het aantal m² waarmee de BVO van het gebouw is
                    overgedismensioneerd. De registratie vindt plaats vanwege het mogelijk verwerken
                    van deze overdimensionering van de BVO op het moment dat het gebouw ten behoeve
                    van de vergroting van de capaciteit moet worden uitgebreid.</al><tussenkop>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                    bouwaard</tussenkop><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het
                    gestelde onder 1.1 met uitzondering van de verwijzing naar de tabellen 1, 2 en
                    3. Voor de bepaling van het aantal te huisvesten groepen leerlingen wordt
                    uitgegaan van 115 m² BVO per groep leerlingen indien sprake is van een gebouw
                    met een permanente bouwaard en van 80 m² per groep leerlingen indien sprake is
                    van een gebouw met een tijdelijke bouwaard.</al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van dislocaties voor speciale scholen voor basisonderwijs wordt
                    vastgelegd in het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Dit aantal
                    groepen is gelijk aan het aantal lokalen in het desbetreffende gebouw. Het
                    aantal lokalen betreft het aantal lesruimten, inclusief de vaklokalen, groter
                    dan of gelijk aan 42 m². De speellokalen worden niet meegeteld. Voor dislocaties
                    voor speciale scholen voor basisonderwijs is de ‘overdimensionering’ niet te
                    bepalen.</al><tussenkop>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een
                    school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties,
                    wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals
                    deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs,
                    Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld,
                    doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                    vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en
                    bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school
                    te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer
                    1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente
                    bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens
                    de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit.</al><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende
                    school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken
                    scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet
                    op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats
                    in de rangorde zoals hiervoor omschreven. </al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><tussenkop>1.4 Terrein</tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. </al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>1.5 Inventaris</tussenkop><al>Met de inventarisgegevens worden de gegevens bedoeld, waarmee het aantal groepen
                    van de desbetreffende school wordt vastgesteld, waarvoor het onderwijsleerpakket
                    en meubilair aanwezig is. De aanwezigheid van het onderwijsleerpakket en de
                    aanwezigheid van het meubilair worden afzonderlijk vastgelegd.</al><al>a. Onderwijsleerpakket</al><al>Het aantal groepen waarvoors onderwijsleerpakket aanwezig is, wordt bepaald aan
                    de hand van de volgende twee stappen:</al><lijst><li nr="-"><al>Het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket aanwezig is, is gelijk
                            aan het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket noodzakelijk is bij
                            aanvang van het schooljaar 2001/2002. Indien in het verleden, na
                            inwerkingtreding van de WBO, voor meer groepen onderwijsleerpakket is
                            verstrekt, toont het college dit aan door middel van de door het
                            ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen afgegeven
                            beschikkingen, dan wel door middel van de correspondentie tussen het
                            college en het desbetreffende schoolbestuur. Van het laatste is sprake
                            indien, het college zonder tussenkomst van het ministerie, zelf heeft
                            voorzien in de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket. Indien in het
                            verleden, na inwerkingtreding van de WBO, voor minder groepen
                            onderwijsleerpakket is verstrekt, toont het bevoegd gezag van de school
                            dit aan.</al></li><li nr="-"><al>Het bovenstaand aantal groepen onderwijsleerpakket dient te worden
                            geconverteerd met behulp van onderstaande omrekentabel:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="284.25"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/><thead><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Omrekentabel onderwijsleerpakket</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>OUD</al></entry><entry colname="col2"><al>NIEUW</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16</al></entry><entry colname="col2"><al>17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17</al></entry><entry colname="col2"><al>19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>28</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>28</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>33</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li></lijst><al>b.Meubilair</al><al>Het aantal groepen waarvoor meubilair aanwezig is, wordt bepaald aan de hand van
                    de volgende twee stappen:</al><lijst><li nr="-"><al>Het aantal groepen waarvoor meubilair aanwezig is, is gelijk aan het
                            aantalgroepen waarvoor meubilair noodzakelijk is bij aanvang van het
                            schooljaar 2001/2002. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de
                            WBO, voor meer groepen meubilair is verstrekt, toont het college dit aan
                            door middel van de door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                            Wetenschap afgegeven beschikkingen, dan wel door middel van de
                            correspondentie tussen het college en het desbetreffende schoolbestuur.
                            Van het laatste is sprake indien het college, zonder tussenkomst van het
                            ministerie, zelf heeft voorzien in de eerste aanschaf van meubilair.
                            Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de WBO, voor minder
                            groepen meubilair is verstrekt, toont het bevoegd gezag van de school
                            dit aan.</al></li><li nr="-"><al>Het bovenstaand aantal groepen meubilair dient te worden geconverteerd
                            met behulp van onderstaande omrekentabel:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="280.50"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/><thead><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Omrekentabel meubilair</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>OUD</al></entry><entry colname="col2"><al>NIEUW</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16</al></entry><entry colname="col2"><al>19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17</al></entry><entry colname="col2"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>36</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li></lijst><tussenkop>1.6 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>1.6.1 Gymnastiekruimte</tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40
                    klokuren.</al><tussenkop>1.6.2 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><tussenkop>1.6.3 Inventaris</tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld.</al><tussenkop>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school
                    besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde
                    capaciteit, indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten
                    behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</tussenkop><tussenkop>2.1 Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</tussenkop><al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de BVO
                    zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de ‘Meetinstructie voor het
                    vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                    onderwijs’.</al><al>De capaciteit van een gebouw wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor een
                    gebouw geschikt is. Dit aantal groepen is het aantal lokalen verminderd met 1.
                    In het speciaal onderwijs wordt het aantal lokalen verminderd met 2 indien het
                    gebouw bestaat uit meer dan 13 lokalen en wordt het aantal lokalen verminderd
                    met 3 indien het gebouw bestaat uit meer dan 26 lokalen om het aantal groepen te
                    bepalen waarvoor het gebouw geschikt is. In het voortgezet speciaal onderwijs
                    wordt het aantal lokalen verminderd met 2 indien het gebouw bestaat uit meer dan
                    14 lokalen en wordt het aantal lokalen verminderd met 3 indien het gebouw
                    bestaat uit meer dan 28 lokalen om het aantal groepen te bepalen waarvoor het
                    gebouw geschikt is.</al><al>Indien het een school betreft voor het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt de
                    capaciteit van het gebouw berekend door het aantal mogelijk te huisvesten
                    groepen voor het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs
                    afzonderlijk te bepalen.</al><al>Het aantal lokalen in een gebouw betreft het aantal lesruimten, inclusief de
                    vaklokalen, groter dan of gelijk aan 42 m². De speellokalen worden niet
                    meegeteld. Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                    overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit
                    deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                    geregistreerd.</al><al>Om te kunnen bepalen of een gebouw is overgedimensioneerd dient een relatie te
                    worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van het
                    aantal groepen en normatieve capaciteitsvaststelling.</al><al>Het aantal groepen, waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt, op basis
                    van de BVO, vastgesteld met behulp van de oppervlakteformules, voor gebouwen met
                    een permanente bouwaard, van tabel 4 ‘Ruimtenormering (V)SO’. Voor de
                    vaststelling van het aantal groepen, waarvoor een gebouw normatief geschikt is
                    voor gebouwen met een tijdelijke bouwaard worden de tabellen 2 ‘Gebouwen met een
                    tijdelijke bouwaard, zelfstandige huisvesting’ en tabel 3 ‘Gebouwen met een
                    tijdelijke bouwaard, aanvullende huisvesting’ gehanteerd. </al><table><title>Tabel 4 Ruimtenormering (V)SO</title><tgroup cols="7"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="150.75pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.69*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.24*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="1.26*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="1.29*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="1.11*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="1.00*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>schoolsoort</al></entry><entry colname="col2"><al>vaste voet</al></entry><entry colname="col3"><al>incl.</al></entry><entry colname="col4"><al>m² </al></entry><entry colname="col5"><al>correctie</al></entry><entry colname="col6"><al>toeslag</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>m²</al></entry><entry colname="col3"><al>m²</al></entry><entry colname="col4"><al>per groep</al></entry><entry colname="col5"><al>m² VSO</al></entry><entry colname="col6"><al>extra ruimte</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO doven</al></entry><entry colname="col2"><al>775</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry><entry colname="col4"><al>75</al></entry><entry colname="col5"><al>105</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO doven</al></entry><entry colname="col2"><al>800</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry><entry colname="col4"><al>84</al></entry><entry colname="col5"><al>60</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>628</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>95</al></entry><entry colname="col5"><al>130</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO visg</al></entry><entry colname="col2"><al>727</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>96</al></entry><entry colname="col5"><al>116</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO lg</al></entry><entry colname="col2"><al>850</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>134</al></entry><entry colname="col5"><al>150</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO lz</al></entry><entry colname="col2"><al>638</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>100</al></entry><entry colname="col5"><al>105</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>585</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>95</al></entry><entry colname="col5"><al>100</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>585</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>95</al></entry><entry colname="col5"><al>105</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO pi</al></entry><entry colname="col2"><al>575</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>95</al></entry><entry colname="col5"><al>92</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO mg</al></entry><entry colname="col2"><al>733</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>110</al></entry><entry colname="col5"><al>132</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>563</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>84</al></entry><entry colname="col5"><al>65</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO visg</al></entry><entry colname="col2"><al>660</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>88</al></entry><entry colname="col5"><al>45</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO lg</al></entry><entry colname="col2"><al>725</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>110</al></entry><entry colname="col5"><al>70</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO lz</al></entry><entry colname="col2"><al>575</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>80</al></entry><entry colname="col5"><al>90</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO mlk</al></entry><entry colname="col2"><al>690</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>104</al></entry><entry colname="col5"><al>90</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>600</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>93</al></entry><entry colname="col5"><al>80</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>600</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>80</al></entry><entry colname="col5"><al>102</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO lom</al></entry><entry colname="col2"><al>638</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>95</al></entry><entry colname="col5"><al>100</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO pi</al></entry><entry colname="col2"><al>535</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>80</al></entry><entry colname="col5"><al>75</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO mg</al></entry><entry colname="col2"><al>725</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>113</al></entry><entry colname="col5"><al>60</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>(SO</al></entry><entry colname="col7"><al>VSO)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sg doven</al></entry><entry colname="col2"><al>775</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry><entry colname="col4"><al>77</al></entry><entry colname="col5"><al>7</al></entry><entry colname="col6"><al>105</al></entry><entry colname="col7"><al>60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sg sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>628</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al>96</al></entry><entry colname="col5"><al>– 12</al></entry><entry colname="col6"><al>115</al></entry><entry colname="col7"><al>60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sg visg</al></entry><entry colname="col2"><al>727</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al>96</al></entry><entry colname="col5"><al>– 10</al></entry><entry colname="col6"><al>116</al></entry><entry colname="col7"><al>45</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sg lg</al></entry><entry colname="col2"><al>850</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al>135</al></entry><entry colname="col5"><al>– 27</al></entry><entry colname="col6"><al>135</al></entry><entry colname="col7"><al>70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sg lz</al></entry><entry colname="col2"><al>638</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al>99</al></entry><entry colname="col5"><al>– 14</al></entry><entry colname="col6"><al>120</al></entry><entry colname="col7"><al>65</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sg zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>585</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al>97</al></entry><entry colname="col5"><al>– 2</al></entry><entry colname="col6"><al>100</al></entry><entry colname="col7"><al>80</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sg zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>585</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al>105</al></entry><entry colname="col5"><al>– 19</al></entry><entry colname="col6"><al>55</al></entry><entry colname="col7"><al>85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sg pi</al></entry><entry colname="col2"><al>575</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al>95</al></entry><entry colname="col5"><al>– 12</al></entry><entry colname="col6"><al>92</al></entry><entry colname="col7"><al>60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sg mg</al></entry><entry colname="col2"><al>733</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al>108</al></entry><entry colname="col5"><al>5</al></entry><entry colname="col6"><al>132</al></entry><entry colname="col7"><al>50</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vaste voet aan bruto vloeroppervlakte is inclusief ruimten voor een bepaald
                    aantal groepen. Dit aantal groepen is in de kolom ‘incl.’ gegeven. De relatie
                    tussen de vaste voet en de minimum opheffingsnorm voor de scholen is hiermee in
                    stand gebleven.</al><al>In de bruto vloeroppervlakte voor SOVSO scholen is uitgegaan van dezelfde vaste
                    voet als voor de SO component. Het aantal m² per groep, alsmede de extra toe te
                    kennen ruimte kan anders zijn dan bij categoriale SO of VSO scholen. Tevens
                    wordt op het aantal vierkante meters per groep een correctie toegepast voor het
                    aantal aanwezige VSO groepen.</al><al>Een voorbeeld van de berekening van het aantal m² is in de toelichting
                    opgenomen. </al><al>De toeslag voor extra ruimte (ER) omvat een aantal extra m² voor het creëren van
                    een extra lokaal, niet zijnde een speellokaal (hiervoor geldt een aparte
                    toeslag). In het speciaal onderwijs wordt de toeslag ER toegekend bij het vormen
                    van de 12e groep, in het voortgezet speciaal onderwijs bij het vormen van de 13e
                    groep.</al><al>Indien het aantal groepen waarvoor het gebouw normatief geschikt is, zoals
                    vastgesteld op basis van de tabel ruimtenormering (V)SO, groter is dan het
                    aantal groepen, zijnde de capaciteit op basis van het aantal lokalen, wordt de
                    zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke BVO en de BVO
                    behorend bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Deze
                    verschiloppervlakte is het aantal m² waarmee het gebouw is ‘overgedimensioneerd’
                    en wordt als zodanig geregistreerd. De registratie vindt plaats vanwege het
                    mogelijk verwerken van deze ‘overdimensionering’ van de BVO op het moment dat
                    het gebouw ten behoeve van de vergroting van de capaciteit moet worden
                    uitgebreid. </al><tussenkop>2.2 Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een permanente of een
                    tijdelijke bouwaard</tussenkop><al>De capaciteit van een gebouw wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor het
                    gebouw geschikt is. Dit aantal groepen is gelijk aan het aantal lokalen in het
                    desbetreffende gebouw. Het aantal lokalen betreft het aantal lesruimten,
                    inclusief de vaklokalen, groter dan of gelijk aan 42 m². De speellokalen worden
                    niet meegeteld. </al><al>Voor de bepaling van de overdimensionering van een nevenvestiging wordt de
                    normatieve capaciteit van een nevenvestiging bepaald met behulp van tabel 3
                    ‘gebouwen met een tijdelijke bouwaard. aanvullende huisvesting’ uit hoofdstuk 1
                    van deze bijlage.</al><al>N.B.: Voor dislocaties is de ‘overdimensionering’ niet te bepalen.</al><tussenkop>2.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw en een of
                    meerdere dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is
                    de rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw
                    moet worden vastgesteld, omdat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt
                    de rangorde als volgt vastgesteld.</al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijk bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit. </al><al>Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige
                    staat, het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen.
                    Dit is in de regel het grootste gebouw.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><tussenkop>2.4 Terrein</tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. </al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>2.5 Inventaris</tussenkop><al>De inventarisgegevens betreffen de gegevens ter vaststelling van het aantal
                    groepen van de desbetreffende school waarvoor het onderwijsleerpakket en
                    meubilair aanwezig is. Het aantal groepen waarvoor inventaris aanwezig is, is
                    gelijk aan het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is bij aanvang
                    van het schooljaar 1996/1997. Indien in het verleden voor meer groepen
                    inventaris is verstrekt, toont het college dit aan door middel van de door het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen afgegeven beschikkingen, dan
                    wel door middel van de correspondentie tussen het college en het desbetreffende
                    schoolbestuur. Van het laatste is sprake indien het college, zonder tussenkomst
                    van het ministerie, zelf hebben voorzien in de eerste aanschaf van
                    onderwijsleerpakket en meubilair. Indien in het verleden, na inwerkingtreding
                    van de ISOVSO, voor minder groepen inventaris is verstrekt, toont het bevoegd
                    gezag van de school dit aan. </al><al>De aanwezigheid van het onderwijsleerpakket en de aanwezigheid van het meubilair
                    worden afzonderlijk vastgelegd. </al><tussenkop>2.6 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>2.6.1 Gymnastiekruimte</tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het (voortgezet) speciaal onderwijs
                    bedraagt 40 klokuren.</al><tussenkop>2.6.2 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><tussenkop>2.6.3 Inventaris</tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    vastgelegd in gegevens over:</al><lijst><li nr="–"><al>de bruto vloeroppervlakte van gebouwen;</al></li><li nr="–"><al>het aantal specifieke ruimten;</al></li><li nr="–"><al>het aantal werkplaatsen</al></li><li nr="–"><al>het aantal gymnastieklokalen;</al></li></lijst><al><onderstreept>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de
                        school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek
                        vastgestelde capaciteit, indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten
                        worden ingezet ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve
                        doeleinden</onderstreept>.</al><tussenkop>3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of
                    een tijdelijke bouwaard</tussenkop><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de "Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het voortgezet
                    onderwijs".</al><al>Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven "aantal gymnastieklokalen moeten
                    worden vastgelegd, evenals het gegeven "aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen" indien en voor zover deze noodzakelijk zijn in het kader van
                    aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven "aantal
                    specifieke ruimten en werkplaatsen" moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden
                    zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van
                    een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet
                    tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                    geregistreerd.</al><tussenkop>3.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of nevenvestiging) en
                    een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit
                    is de rangorde zoals vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw
                    moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt
                    de rangorde als volgt vastgesteld.</al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><tussenkop>3.3 Terrein</tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. </al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>3.4 Inventaris</tussenkop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle instellingen
                    voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris.</al><al>De bruto-vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen als zodanig is de basis voor de vaststelling van de omvang van de
                    aanwezige inventaris.</al><tussenkop>3.5 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>3.5.1 Gymnastiekruimte</tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40
                    uur.</al><tussenkop>3.5.2 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><tussenkop>3.5.3 Inventaris</tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><tussenkop>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Lesgebouwen</tussenkop><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor de
                    huisvestingsbehoefte. Het bepalen van de huisvestingsbehoefte als gevolg van een
                    aanvraag voor opneming op het programma, is afhankelijk van de vraag of een voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel een voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening wordt toegekend. Ten behoeve van de bepaling van de omvang
                    van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening voor een basisschool wordt
                    voor de bepaling van de ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule
                    onder a. Ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening voor een basisschool wordt voor de bepaling van de
                    ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule onder b.</al><al>De formatie die aan basisscholen wordt toegekend is opgebouwd uit de
                    bestanddelen formatie onderbouw (A), formatie bovenbouw (B), kleine
                    scholentoeslag (C) en schoolgewicht (D).</al><al>a. Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor blijvend
                    gebruik bestemde voorziening voor een basisschool:</al><al>G = (A + B + C)/ 179</al><al>Waarbij: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="5*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="89*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>G</al></entry><entry colname="col2"><al>=</al></entry><entry colname="col3"><al>de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal
                                        groepen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A</al></entry><entry colname="col2"><al>=</al></entry><entry colname="col3"><al>het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op 1
                                        oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose
                                        betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven,
                                        vermenigvuldigd met 9.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B</al></entry><entry colname="col2"><al>=</al></entry><entry colname="col3"><al>het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op 1 oktober
                                        voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft
                                        op de school zal zijn ingeschreven, vermenigvuldigd met
                                        6,17.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Het verkregen getal B wordt niet afgerond.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C</al></entry><entry colname="col2"><al>=</al></entry><entry colname="col3"><al>280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op 1 oktober
                                        voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking
                                        heeft op de school zal zijn uitgeschreven, vermenigvuldigd
                                        met 2,06). Indien de uitkomst van deze berekening negatief
                                        is, wordt de factoor C op 0 bepaald.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Het verkregen getal c wordt niet afgerond.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>b. Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening voor een basisschool:</al><al>G = (A + B + C + D)/ 179 + E + 0,5 F</al><al>Waarbij:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="97.50pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.38*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="8.32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>G</al></entry><entry colname="col2"><al>=</al></entry><entry nameend="col4" namest="col3"><al>de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal
                                        groepen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A</al></entry><entry colname="col2"><al>=</al></entry><entry colname="col3"><al>a</al></entry><entry colname="col4"><al>het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de
                                        meest recente teldatum 1 oktober op de school is
                                        ingeschreven, vermenigvuldigd met 9.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>b.</al></entry><entry colname="col4"><al>(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename
                                        van het aantal leerlingen, zoals bedoeld in het
                                        Formatiebesluit WPO) het aantal leerlingen van 4 tot en met
                                        7 jaar dat op de datum van de meest recente telling op de
                                        school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 9.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B</al></entry><entry colname="col2"><al>=</al></entry><entry colname="col3"><al>a</al></entry><entry colname="col4"><al>het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de meest
                                        recente teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven,
                                        vermenigvuldigd met 6,17.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>b</al></entry><entry colname="col4"><al>(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename
                                        van het aantal leerlingen zoals bedoeld in het
                                        Formatiebesluit WPO) het aantal leerlingen van 8 jaar en
                                        ouder dat op de datum van de meest recente telling op de
                                        school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry nameend="col4" namest="col3"><al>Het verkregen getal wordt niet afgerond.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C</al></entry><entry colname="col2"><al>=</al></entry><entry colname="col3"><al>a.</al></entry><entry colname="col4"><al>280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op de meest
                                        recente teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven,
                                        vermenigvuldigd met 2,06).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>b</al></entry><entry colname="col4"><al>(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename
                                        van het aantal leerlingen zoals bedoeld in het
                                        Formatiebesluit WPO) 280 minus (het totaal aantal leerlingen
                                        dat op de datum van de meest recente telling op de school is
                                        ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry nameend="col4" namest="col3"><al>Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de
                                        factoor C op 0 bepaald. Het verkregen getal wordt niet
                                        afgerond.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D</al></entry><entry colname="col2"><al>=</al></entry><entry colname="col3"><al>a</al></entry><entry colname="col4"><al>som van de gewichten<noot id="d5913e5890"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>in de nieuwe formule voor de tijdelijke
                                                ruimtebehoeftebepaling wordt met het gewicht alleen
                                                de opslag bedoeld. Het gewicht van een oude 1,7
                                                leerling is in de nieuwe formule derhalve 0,7. De
                                                som van deze gewichten is het totaal van het aantal
                                                leerlingen maal het gewicht.</noot.al></noot> op basis van het totaal aantal leerlingen dat op de
                                        meest recente teldatum 1 oktober op de school is
                                        ingeschreven, verminderd met 9% van het totaal aantal
                                        leerlingen dat op de meest recente teldatum 1 oktober op de
                                        school is ingeschreven. Het verkregen getal wordt
                                        rekenkundig afgerond op een geheel getal. Dit getal wordt
                                        vervolgens vermenigvuldigd met 3,2.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>b</al></entry><entry colname="col4"><al>(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename
                                        van het aantal leerlingen zoals bedoeld in het
                                        Formatiebesluit WPO) som van de gewichten op basis van het
                                        totaal aantal leerlingen dat op de datum van de meest
                                        recente telling op de school is ingeschreven, verminderd met
                                        9% van het totaal aantal leerlingen dat op de datum van de
                                        meest recente telling op de school is ingeschreven. Het
                                        verkregen getal wordt vermenigvuldigd met 3,2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry nameend="col4" namest="col3"><al>Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de
                                        factor D op 0 bepaald. Het verkregen getal wordt niet
                                        afgerond.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E</al></entry><entry colname="col2"><al>=</al></entry><entry nameend="col4" namest="col3"><al>aanvullende informatie op grond van bijzondere
                                        omstandigheden, toegekend op basis van artikel 120, vijfde
                                        lid van de Wet op het primair onderwijs.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>F</al></entry><entry colname="col2"><al>=</al></entry><entry nameend="col4" namest="col3"><al>het aantal formatieplaatsen
                                        onderwijsachterstandenbestrijding dat door de gemeente wordt
                                        bekostigd vanuit de specifieke uitkering.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Speciale school voor basisonderwijs</al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal groepen bepalend voor
                    de omvang van de permanente en voor de omvang van de tijdelijke voorziening. Het
                    aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de
                    "N-factor". De N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het
                    verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de
                    komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden
                    afgerond. </al><tussenkop>1.2 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Per groep leerlingen 6-12 jarigen wordt maximaal 1,5 klokuur
                    gymnastiek vergoed (conform artikel 38 en 39 van de verordening). Het aantal
                    groepen is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen. Ten behoeve van de
                    bepaling van het aantal formatieplaatsen wordt uitgegaan van de formule </al><al>G = (A + B + C + D)/ 179</al><al>De componenten G, A, B, C en D zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen
                    in de formule voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel
                    B, onder 1.1.Voor het bepalen van het aantal groepen 6-12 jarigen wordt
                    aangesloten bij het normatieve overzicht "splitsing aantal groepen leerlingen"
                    zoals weergegeven in tabel 5.</al><tussenkop>Tabel 5 'Splitsingstabel aantal groepen leerlingen (G)'</tussenkop><al>Deze tabel geeft inzicht in de genormeerde splitsing van het aantal groepen
                    leerlingen (G) in groepen 4- en 5 jarigen en groepen 6- tot en met 12-jarigen
                    ten behoeve van het onderwijs in de lichamelijke oefening. Vanaf 2002 wordt
                    uitgegaan van de volledige doorvoering van de groepsgrootteverkleining.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="316.50pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.81*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.00*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen per school (G)</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal groepen 4-5 jarigen</al></entry><entry colname="col3"><al>Aantal groepen 6-12 jarigen</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry><entry colname="col3"><al>16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry><entry colname="col3"><al>17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry><entry colname="col3"><al>18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>33</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>34</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>36</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>37</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>38</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>39</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>40</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>28</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>41</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>28</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>42</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>43</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>44</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>46</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>47</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>48</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry><entry colname="col3"><al>33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>49</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry><entry colname="col3"><al>34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>50</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry><entry colname="col3"><al>35</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Voor de vaststelling van de structurele noodzaak voor een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool, wordt het aantal groepen bepaald door het aantal
                    leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                    bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>Speciale school voor basisonderwijs</al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal groepen bepalend voor
                    het aantal klokuren gymnastiek. Per groep met leerlingen jonger dan 6 jaar
                    wordt, indien de school niet de beschikking heeft over een speellokaal, maximaal
                    3,75 klokuur gymnastiek vergoed. Per groep met leerlingen van 6 jaar en ouder
                    wordt maximaal 2,25 klokuur gymnastiek vergoed. </al><al>Het aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de
                    ‘N-factor’. De ‘N-factor’ is bepalend voor de groepsgrootte. De N-factor voor
                    een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het verkregen getal getal wordt
                    alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In
                    het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt het aantal groepen bepaald
                    aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II.</al><tussenkop>1.3 Bepaling aantal groepen ten behoeve van (uitbreiding van) eerste
                    aanschaf onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>De inrichting van een basisschool bestaat uit de volgende componenten:</al><al>a. onderwijsleerpakket</al><al>b. meubilair</al><al>a. Onderwijsleerpakket</al><al>Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaft van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket, wordt voor de bepaling van het aantal
                    groepen uitgegaan van de onderstaande formule:</al><al>G = (A + B + C + D)/179 + E</al><al>De componenten G, A, B, C, D en E zijn identiek aan de componenten zoals
                    opgenomen in de formule voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in bijlage
                    III, deel B, onder 1.1.</al><al>b. Meubilair</al><al>Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het
                    meubilair, wordt voor de bepaling van het aantal groepen uitgegaan van de
                    onderstaande formule:</al><al>G = (A + B + C)/179</al><al>De componenten G, A, B en C zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in
                    de formule voor permanent gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B
                    onder 1.1.</al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>Het aantal groepen onderwijsleerpakket en meubilair wordt bepaald door het
                    aantal leerlingen te delen door de 'N-factor'. De N-factor is bepalend voor de
                    groeptsgrootte. De N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is 15.
                    Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de
                    komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden
                    afgerond.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>2.1 Lesgebouwen</tussenkop><al>Voor een school of nevenvestiging voor (voortgezet) speciaal onderwijs is het
                    aantal groepen bepalend voor de omvang van de permanente en voor de omvang van
                    de tijdelijke voorziening. Het aantal groepen wordt bepaald door het aantal
                    leerlingen te delen door de ‘N-factor’. De N-factor bepaalt de maximale
                    groepsgrootte. In onderstaande tabel 6, ‘N-factor’, is de groepsgrootte per
                    onderwijssoort en per schooltype weergegeven
                    <onderstreept>(</onderstreept>artikel 14 Formatiebesluit WEC). Het getal wordt
                    alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In
                    het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.</al><tussenkop>Tabel 6 ‘N-factor’</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="450.00pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="306.75pt"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>N-factor</al></entry><entry colname="col3"><al>N-factor</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>SO</al></entry><entry colname="col3"><al>VSO</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Dove kinderen (DO)</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Slechthorende kinderen (SH)</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet
                                        tevens</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>behoren tot dove of slechthorende kinderen (ES)</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Visueel gehandicapten (VISG)</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lichamelijk gehandicapte kinderen (LG)</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Langdurig zieke kinderen (LZ)</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Kinderen in scholen verbonden aan pedologische</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>instituten (PI)</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)</al></entry><entry colname="col2"><al> 7<noot id="sternoot_1"><noot.nr>*</noot.nr><noot.al>tenzij bij beschikking van de minister van
                                                Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen anders is
                                                vastgesteld.</noot.al></noot></al></entry><entry colname="col3"><al>7<nootref refid="sternoot_1"/></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De bepaling van het aantal groepen van een SOVSO school of een SO school waaraan
                    een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende schooltypen
                    afzonderlijk plaats, waarna de afzonderlijk vastgestelde ruimtebehoeften worden
                    gesommeerd.</al><tussenkop>2.2 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>Het aantal groepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per groep
                    met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt, indien de school of nevenvestiging niet
                    de beschikking heeft over een speellokaal, maximaal 3,75 klokuur gymnastiek
                    vergoed. Per groep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt maximaal 2,25
                    klokuur gymnastiek vergoed. </al><al>Het aantal groepen is afhankelijk van het aantal leerlingen. Het aantal groepen
                    wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de ‘N-factor’. De
                    ‘N-factor’ is bepalend voor de groepsgrootte. In tabel 6 is de ‘N-factor’
                    weergegeven. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het
                    cijfer achter de komma hoger is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar
                    beneden afgerond.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    wordt het aantal groepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in
                    bijlage II. De bepaling van het aantal groepen van een SOVSO school of
                    nevenvestiging of een SO school of nevenvestiging waaraan een of meer afdelingen
                    zijn verbonden, vindt voor de verschillende schooltypen afzonderlijk
                    plaats.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>3.1 Lesgebouwen</tussenkop><al>Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van
                    een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten,
                    te weten:</al><lijst><li nr="1"><al>een leerlinggebonden component</al></li><li nr="2"><al>een vaste voet</al></li></lijst><al>ad 1 Een leerlinggebonden component</al><al>Deze wordt bepaald door aan de hand van de in tabel 7.1.a "Berekening van de
                    leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs" opgenomen
                    bruto-oppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen.
                    De leerlinggebonden component is afhankelijk van het soort onderwijs, de leerweg
                    of sector die de leerling volgt.</al><al>ad 2 Een vaste voet</al><al>De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b "Berekening van de
                    vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs" opgenomen bruto-vloeroppervlakten per instelling of sector. De vaste
                    voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het onderwijsaanbod
                    binnen de beroepsgerichte leerweg.</al><al>Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de
                    bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling en,
                    indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto
                    vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling.</al><al>Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs. </al><al>Het RBM voorziet niet in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch
                    didactisch centrum (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van
                    leerlingen op de scholen die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. De
                    leerlingen die gebruik maken van de diensten van het OPDC zij derhalve in alle
                    gevallen ingeschreven bij reguliere scholen voor voortgezet onderwijs.</al><al>Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen
                    bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage.
                    Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op
                    basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw
                    voor voortgezet onderwijs worden bepaald.</al><table><title>Tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</title><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="329.25pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.45*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="1.13*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col4"><al>BVO/II</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>7,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>8,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>12,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>0,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>3,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>4,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Afdeling praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>legenda </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="80*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>TLW </al></entry><entry colname="col2"><al>theoretische leerweg</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col2"><al>leerwegondersteunend onderwijs</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>GLW</al></entry><entry colname="col2"><al>gemengde leerweg</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>beroepsgerichte leerweg (basis- of kader)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><title>Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</title><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="229.50pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="2.76*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaste voet</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Per vestiging</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>980</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al> 0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>299</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>196</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>168</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>117</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="26*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="74*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>BLW </al></entry><entry colname="col2"><al>beroepsgerichte leerweg</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vaste voet per instelling is 980 m² bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke wordt
                    toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die
                    op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende
                    bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet
                    van 550 m² BVO. De vaste voet voor een hoofdvestiging of nevenvestiging met
                    spreidingsnoodzaak is niet van toepassing op een zelfstandige school voor
                    praktijkonderwijs. Indien van toepassing worden vaste voeten bij die sectoren
                    waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de vestiging waar
                    de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een vaste voet
                    voor die vestiging waar praktijkonderwijs aanwezig is.</al><tussenkop>3.2 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De in onderstaande tabel 7.2 ‘Berekening van de ruimtebehoefte
                    gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs’ vermelde bruto vloeroppervlakten
                    vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de
                    huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs.</al><table><title>Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs</title><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="293.25pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="2.29*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.00*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>GVO/II</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>1,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1.57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="19*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="81*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>TLW</al></entry><entry colname="col2"><al>theoretische leerweg</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col2"><al>leerwegondersteunend onderwijs</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>GLW</al></entry><entry colname="col2"><al>gemengde leerweg</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</tussenkop><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen.</al><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is.
                    Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                    ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’,</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting ten
                    minste vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                    aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep. Het aantal groepen wordt bepaald
                    zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte’. </al><al>Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                    verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                    aanwezige aantal m² en het aantal m² behorende bij de geregistreerde capaciteit
                    van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door
                    aanpassing of door aanpassing in combinatie met uitbreiding van het bestaande
                    gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze
                    bijlage: ‘De bepaling van de capaciteit’. </al><al>Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het
                    gebouw, dan wel aanpassing en uitbreiding van het gebouw, hoger zijn dan de
                    kosten van uitbreiding sec van het gebouw.</al><al>Een toeslag voor een afzonderlijk speellokaal wordt toegekend indien de omvang
                    van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw,
                    vervangende nieuwbouw, uitbreiding dan wel uitbreiding ter vervanging van een
                    bestaand gebouw, de vijfde groep omvat. Indien de voorziening in de huisvesting
                    een uitbreiding dan wel een uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw
                    betreft, geldt tevens als voorwaarde dat het bestaande gebouw geen speellokaal
                    bevat. Een tweede toeslag voor een afzonderlijk speellokaal wordt toegekend
                    indien de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                    voorzieningen nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw de veertiende groep
                    omvat.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste
                    vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven
                    in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>Een goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
                    medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig
                    is.</al><tussenkop>1.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal groepen
                    waarvoor huisvesting noodzakelijk is ten minste vier jaar en korter dan vijftien
                    jaar. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening,
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting ten
                    minste vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal
                    groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep.</al><al>Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                    ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’. </al><al>Een tijdelijke voorziening voor één groep extra ten behoeve van een speellokaal
                    wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorzieningen nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding dan wel
                    uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, de vijfde groep omvat.
                    Indien de voorziening in de huisvesting een uitbreiding dan wel een uitbreiding
                    ter vervanging van een bestaand gebouw betreft, geldt tevens als voorwaarde dat
                    het bestaande gebouw geen speellokaal bevat. Een tweede tijdelijke voorziening
                    voor één groep extra ten behoeve van een speellokaal wordt toegekend, indien de
                    omvang van de goedgekeurde voorziening voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw de veertiende groep
                    omvat. </al><al>Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                    verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                    aanwezige aantal m² en het aantal m² behorende bij de geregistreerde capaciteit
                    van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door
                    aanpassing van het bestaande gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals
                    omschreven in deel A van deze bijlage: ‘De bepaling van de capaciteit’. </al><al>Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het
                    gebouw, hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vier
                    jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt
                    bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                    groepen waarvoor huisvesting, ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar,
                    noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is.</al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening verplaatsing van
                    noodlokalen wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar. Het aantal
                    groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><tussenkop>1.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van
                    het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om
                    het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                    gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage
                    III, deel D.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket, bepaald door het verschil tussen het aantal groepen
                    waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket is bekostigd en de
                    normatief noodzakelijke eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket voor het
                    aantal groepen, op basis van het aantal gewogen leerlingen, zoals normatief kan
                    worden gevormd op de, voor het indienen van de aanvraag, meest recente teldatum.
                    Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in paragraaf 1.3 van deel B
                    van deze bijlage.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het
                    meubilair, bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor eerste
                    aanschaf van het meubilair is bekostigd en de normatief noodzakelijke eerste
                    aanschaf van het meubilair voor het aantal groepen, op basis van het aantal
                    ongewogen leerlingen, zoals normatief kan worden gevormd op de, voor het
                    indienen van de aanvraag, meest recente teldatum. Het aantal groepen wordt
                    bepaald zoals beschreven in paragraaf 1.3 van deel B van deze bijlage.</al><al>Voor een basisschool wordt een toeslag onderwijsleerpakket tweede speellokaal
                    toegekend indien er sprake is van een uitbreiding met een tweede speellokaal.
                    Voor een basisschool wordt een toeslag meubilair tweede speellokaal toegekend
                    indien er sprake is van een uitbreiding met een tweede speellokaal.</al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs wordt de omvang van de goedgekeurde
                    voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening, eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair,
                    dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en
                    meubilair, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor
                    reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair is bekostigd en
                    de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair
                    voor het aantal groepen zoals normatief kan worden gevormd, op basis van de,
                    voor het indienen van de aanvraag, meest recente
                    teldatum<cursief>.</cursief></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, danwel
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening aanpassing anders dan een aanpassing
                    als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen wordt bepaald door de activiteiten
                    die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het
                    onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen wordt bepaald door de
                    verschiloppervlakte tussen het aantal genormeerde m² BVO behorend bij de
                    minimumnormen zoals deze golden voor 1 januari 2003 en het aantal genormeerde m²
                    BVO behorend bij de minimumnormen (zie bijlage III, deel A) bij het aantal
                    groepen dat bepaald is aan de hand van de bepaling van de omvang voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte' met als maximum het aantal
                    groepen van de school waarvoor de school over permanente huisvesting
                    beschikt.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>1.4 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D
                    van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>2.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is.
                    Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                    ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting ten
                    minste vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                    aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep. Het aantal groepen wordt bepaald
                    zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte’. </al><al>Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                    verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                    aanwezige aantal m² en het aantal m² behorende bij de geregistreerde capaciteit
                    van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door
                    aanpassing of door aanpassing in combinatie met uitbreiding van het bestaande
                    gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze
                    bijlage: ‘De bepaling van de capaciteit’. </al><al>Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het
                    gebouw, dan wel aanpassing en uitbreiding van het gebouw, hoger zijn dan de
                    kosten van uitbreiding sec van het gebouw.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste
                    vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven
                    in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                    groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting aanwezig is.</al><tussenkop>2.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is ten minste vier jaar en
                    korter dan vijftien jaar. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting ten
                    minste vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal
                    groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep. Het
                    aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze
                    van bepalen van de ruimtebehoefte’. </al><al>Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                    verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                    aanwezige aantal m² en het aantal m² behorende bij de geregistreerde capaciteit
                    van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door
                    aanpassing van het bestaande gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals
                    omschreven in deel A van deze bijlage: ‘De bepaling van de capaciteit’. </al><al>Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het
                    gebouw hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vier
                    jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt
                    bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting, medegebruik, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                    groepen waarvoor huisvesting, ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar,
                    noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is.</al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening verplaatsing van
                    noodlokalen wordt bepaald aan de hand van het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar. </al><al>Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven onder B van deze bijlage:
                    ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><tussenkop>2.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, terrein, dan wel uitbreiding
                    van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte
                    om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de
                    wet gestelde eisen zoals gesteld ten aanzien van de terreinoppervlakte en het
                    gestelde in bijlage III, deel D.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van
                    het onderwijsleerpakket en meubilair, wordt bepaald door het verschil tussen het
                    aantal groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en
                    meubilair is bekostigd en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van
                    onderwijsleerpakket en meubilair voor het aantal groepen zoals normatief kan
                    worden gevormd, op basis van de, voor het indienen van de aanvraag, meest
                    recente teldatum.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening aanpassing wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor
                    het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening, herstel van constructiefouten en herstel van schade aan
                    het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>2.4 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald door de minimumnormen bij realisering zoals aangegeven in onderdeel D
                    van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan voor wie de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>3.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk
                    is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of
                    uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil
                    tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor
                    huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en de huisvesting die
                    aanwezig is. </al><al>Indien op grond van deze uitkomst een tekort aan ruimte wordt geconstateerd,
                    wordt eveneens onder toepassing van het Ruimtebehoeftemodel de naar soort
                    ruimten uitgewerkte ruimtebehoefte bepaald. De omvang van de toekenning wordt
                    vervolgens bepaald door het naar ruimtesoort uitgewerkte tekort met als maximum
                    het ruimtetekort bepaald met behulp van tabel 7.1.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen. Indien op grond van deze uitkomst
                    een tekort wordt geconstateerd, wordt op dezelfde wijze als bij de voor blijvend
                    gebruik bestemde voorziening uitbreiding de naar soort uitgewerkte
                    ruimtebehoefte bepaald. De omvang van de toekenning wordt vervolgens bepaald
                    door het naar ruimtesoort uitgewerkte tekort met als maximum het met behulp van
                    tabel 7.1 bepaalde ruimtetekort.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    aanpassing de binnenzijde van het gebouw betreffende, wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om de onbelemmerde voortgang van het
                    onderwijs te kunnen garanderen voor het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en voor zover de kosten van deze
                    activiteiten het drempelbedrag per leerling, zoals opgenomen in het Besluit tot
                    vaststelling van het drempelbedrag, bedoeld in artikel 76c, eerste lid, onder
                    b2, van de Wet op het voortgezet onderwijs, te boven gaan.</al><tussenkop>3.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien
                    jaar noodzakelijk is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald met
                    behulp van tabel 7.1 zoals opgenomen in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien
                    jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare huisvesting. Het verschil is minimaal 100 m² bruto-vloeroppervlakte.
                    De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van tabel 7.1 zoals opgenomen in deel
                    B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent
                    verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt
                    bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen. De ruimtebehoefte wordt bepaald
                    met behulp van tabel 7.1 zoals opgenomen in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
                    verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor
                    huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is
                    en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De
                    ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van tabel 7.1 zoals opgenomen in deel B
                    van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’. </al><tussenkop>3.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van leer en
                    hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van leer
                    en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende
                    voorziening in de huisvesting. De omvang van de tegemoetkoming in eerste
                    inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair als er sprake van een inpandige
                    aanpassen waarbij algemene of specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke
                    en/of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor eerste
                    inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting van
                    de te creëren ruimte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening aanpassing de buitenzijde van
                    het gebouw of het terrein betreffende, wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om de onbelemmerde voortgang van het onderwijs te
                    kunnen garanderen voor het aantal leerlingen waarvoor huisvesting langer dan
                    vijftien jaar noodzakelijk is.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>3.4 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen,
                    waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen
                    met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig
                    is.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing, de buitenzijde van het gebouw of het
                    terrein betreffende, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing, de binnenzijde van het gebouw
                    betreffende, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn
                    om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn
                    voor de voortgang van het onderwijs en voor zover de kosten van deze
                    activiteiten het drempelbedrag per leerling, zoals opgenomen in het Besluit tot
                    vaststelling van het drempelbedrag, bedoeld in artikel 76c, eerste lid, onder
                    b2, van de Wet op het voortgezet onderwijs, te boven gaan.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt
                    uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met
                    behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van
                    het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym)
                    : 460. Voor het Lwoo wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen
                    x 32 x m² bvo gym): 322.</al><al>Hierop wordt het aantal in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering
                    gebracht (zie Deel A, paragraaf 3.5.1).</al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening huur sportterrein
                    bedraagt ten hoogste acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor
                    vergoeding wordt gegeven wordt bepaald aan de hand van het lesrooster met als
                    maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende
                    aantal: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym) : 460. Voor het Lwoo wordt een
                    aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym): 322.</al><tussenkop>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>– minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3
                    m²/ll met een minimum van 300 m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan
                    met 600 m² netto;</al><al>– 1 speellokaal per school met een minimum netto oppervlakte van 84 m², vanaf de
                    veertiende groep met een tweede speellokaal met een minimum netto oppervlakte
                    van 84 m²</al><al>– minimumoppervlakte leslokaal: 42 m² netto.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>– minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3
                    m²/ll met een minimum van 300 m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan
                    met 600 m² netto;</al><al>– een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84 m²;</al><al>– minimum oppervlakte leslokaal: 42 m² netto.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m²:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>theorielokaal:</al></entry><entry colname="col2"><al>42 m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>theorievaklokaal:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal natuurkunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal biologie:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal scheikunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal handvaardigheid:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal overig:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal lassen:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal meten:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>werkplaats: </al></entry><entry colname="col2"><al>115 m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>restaurant:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m²</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>4 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>– De oefenruimte is minimaal 252 m² netto.</al><al>– De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al><al>– Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een was-
                    /douchegelegenheid.</al><tussenkop>III-1 Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de
                    brutovloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                    onderwijs’</tussenkop><al>De vaststelling van de bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw:</al><al>De bruto vloeroppervlakte van een gebouw is de som van de bruto
                    vloeroppervlakten van alle onderwijsruimten en andere ruimten op alle
                    vloerniveaus. </al><al>De bruto vloeroppervlakte van ieder vloerniveau wordt begrensd door de
                    buitenomtrek c.q. het buitenvlak van de begrenzing van het gebouw op
                    vloerhoogte.</al><al>De oppervlakte van trappen en liften dient op ieder vloerniveau tot de bruto
                    vloeroppervlakte te worden gerekend.</al><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in of aanpandige gymnastieklokalen
                    wordt toegerekend aan het lesgebouw.</al><al>Bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in of aanpandig gelegen
                    gymnastieklokalen wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de
                    scheidingsconstructie.</al><al>Tot de bruto vloeroppervlakte wordt niet gerekend een schalmgat of een vide,
                    voor zover de oppervlakte daarvan groter is dan 4 m².</al><al>Uitzonderingen:</al><al>In- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf
                    bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend.</al><al>Indien de bruto vloeroppervlakte niet of moeilijk te bepalen is, mogen de netto
                    oppervlakten van alle ruimten worden opgeteld. De bruto vloeroppervlakte wordt
                    dan verkregen door de gevonden nettovloeroppervlakte te vermenigvuldigen met de
                    factor 1,1.</al><al>Bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte of
                    andere ruimte, wordt de bruto vloeroppervlakte bepaald door de
                    nettovloeroppervlakte van dat deel van de ruimte met een vrije hoogte &gt; 2,60
                    m te vermenigvuldigen met de factor 1,1. </al><al>Voorzover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als berging,
                    keuken, stencilruimte of werkkast telt deze niet mee voor de berekening van de
                    bruto vloeroppervlakte.</al><tussenkop>III-2 Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                    vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs’</tussenkop><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
                    situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het
                    ministerie van OCenW.</al><al>De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van
                    alle tot het gebouw behorende ‘beloopbare’ binnenruimten. De bruto
                    vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de
                    opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.</al><al>Tot de bruto oppervlakte behoort eveneens:</al><lijst><li nr="-"><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                            vloerniveau;</al></li><li nr="-"><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter
                            dan 0,5 m².</al></li></lijst><al>Uitzonderingen:</al><lijst><li nr="-"><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                            omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend,
                            ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft
                            luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                            verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en
                            dergelijke.</al></li><li nr="-"><al>Open brand- of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden
                            bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend.</al></li><li nr="-"><al>Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</al></li></lijst><tussenkop>Toelichting deel A De bepaling van de capaciteit</tussenkop><tussenkop>School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>Capaciteit van de gebouwen</tussenkop><al>De vaststelling van de capaciteit van de gebouwen, ten behoeve van de nulmeting
                    en later, is van belang om aanvragen voor uitbreiding te kunnen beoordelen, maar
                    ook om de leegstand te kunnen bepalen ten behoeve van mogelijk medegebruik. De
                    capaciteit van de gebouwen wordt vastgelegd in een aantal groepen. De eerste
                    keer geschiedt dit in de nulmeting. Lang niet alle gebouwen voldoen aan de voor
                    de decentralisatie gehanteerde oppervlaktenormering, vooral veel oudere gebouwen
                    hebben meer m² BVO dan behoort bij het aantal groepen waarvoor het gebouw
                    geschikt is. Indien een dergelijk gebouw moet worden uitgebreid is het reëel
                    naar de mogelijkheid te kijken of met de uitbreiding de "overdimensionering" van
                    het gebouw kan worden teruggedrongen. Van belang daarbij is onder andere de BVO
                    van het gebouw. De BVO is een gegeven dat wordt bepaald aan de hand van III-I,
                    de "Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de
                    schoolgebouwen in het primair onderwijs".</al><al>De capaciteit van het gebouw was ook een bij het ministerie van OCen W
                    vastliggend gegeven, maar is normatief aan de hand van oppervlaktetabellen
                    vastgesteld. De werkelijkheid kan afwijkend zijn van de registratie. Om deze
                    reden is gekozen voor een nieuwe vaststelling van de capaciteit van de gebouwen.
                    De capaciteit van een gebouw in groepen is gelijk aan het aantal lokalen in het
                    gebouw. Indien de normatieve BVO behorend bij het vastgestelde aantal groepen
                    dat in het gebouw kan worden gehuisvest lager is dan de werkelijke BVO, is het
                    gebouw "overgedimensioneerd". Het aantal m² van deze "overdimensionering" is van
                    belang op het moment dat een gebouw moet worden uitbreid. Op dat moment kan
                    worden bezien in hoeverre de fysieke uitbreiding van het gebouw kan worden
                    beperkt, terwijl de noodzakelijke capaciteitsvergroting van het gebouw wordt
                    gerealiseerd. De vermindering van de "overdimensionering" van de BVO van het
                    gebouw is van belang om een gunstiger uitgangspunt te creëren voor de vergoeding
                    van de materiële exploitatie.</al><al>Voor een gebouw van een speciale school voor basisonderwijs wordt de capaciteit
                    op een iets afwijkende manier vastgesteld. De capaciteit van een gebouw voor een
                    sbo vastgesteld aan de hand van het aantal groepen, is gelijk aan het aantal
                    lokalen verminderd met 1. Het aantal lokalen wordt verminderd met 2 indien het
                    gebouw bestaat uit meer dan 13 lokalen. Indien het gebouw bestaat uit meer dan
                    26 lokalen wordt het aantal lokalen verminderd met 3.</al><al>Door de bepaling dat het college in overeenstemming met het bevoegd gezag van de
                    school kan bepalen dat de capaciteit van het gebouw of de gebouwen naar beneden
                    worden bijgesteld, is het mogelijk om op eenvoudige wijze lokalen/ruimten in te
                    zetten binnen het bredere gemeentelijke (onderwijs)beleid. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan brede schoolfaciliteiten, ICT-ruimten, een
                    peuterzaal, een uitleenpost van de openbare bibliotheek, of zelfs een
                    politiepost. Een dergelijke vermindering van de capaciteit en de inzet van de
                    hierdoor beschikbaar komende ruimten, kan alleen in overeenstemming met het
                    schoolbestuur worden doorgevoerd. Schoolbesturen zij immers – over het algemeen
                    – juridisch eigenaar van het schoolgebouw en bepalen zelf op welke wijze hun
                    leegstaande lokalen worden ingezet.</al><al>Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze ondervangen dat de algemene regel
                    "eigen gebruik voor medegebruik" veroorzaakt dat het – vaak al geruime tijde
                    optredende – medegebruik wordt beëindiging bij groei van de school (of
                    ingebruikname als gevolg van de grote ruimtebehoefte door de
                    groepsgrootteverkleining). Overigens betekent een verlaging van de capaciteit
                    wel dat de school eerder in aanmerking kan komen voor een uitbreiding bij
                    eventuele groei van het aantal leerlingen, of te maken krijgt met een eventuele
                    verwijzing naar leegstaande lokalen elders.</al><al>De capaciteit kan ook verminderd worden als gevolg van de aanpassing van het
                    gebouw aan de onderwijskundige vernieuwingen. Indien een schoolbestuur kiest
                    voor inpandige aanpassing, zal dit ten koste (kunnen) gaan van het aantal
                    leslokalen. De capaciteit zal dan naar beneden moeten worden bijgesteld.</al><tussenkop>Rangordebepaling</tussenkop><al>Indien de school beschikt over meerdere gebouwen, een hoofdgebouw en
                    dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld voor het geval dat het
                    leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet worden bepaald of en zo
                    ja, welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het hoofdgebouw heeft
                    vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste afgestoten. De
                    dislocaties die een permanente bouwaard hebben, worden later afgestoten dan
                    dislocaties met een tijdelijke bouwaard. Vervolgens hebben de kleinste gebouwen
                    het hoogste rangsnummer, omdat deze gebouwen eerder zullen kunnen worden
                    afgestoten dan grotere gebouwen. De rangorde is nu bij het ministerie van OCen W
                    vastgesteld en wordt als zodanig overgenomen. Er zijn redenen denkbaar om voor
                    een andere rangorde te kiezen. Bijvoorbeeld om een kleinere dislocatie kan
                    structureel voldoende huisvesting bieden en door de rangorde aan te passen kan
                    de grotere dislocatie worden afgestoten. In een dergelijk geval stelt het
                    college, na overleg met het bevoegd gezag, een andere volgorde van de
                    dislocaties vast.</al><tussenkop>Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte in het basisonderwijs wordt voor de eerste keer
                    geregistreerd. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale
                    registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet
                    overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of wat soms bij het openbaar
                    onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte van het openbaar groen en
                    andere openbare gebouwen te zamen met het schoolterrein als een geheel is
                    geregistreerd, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>Naar de administratie van het ministerie van OCen W kan niet meer worden
                    verwezen, aangezien deze administratie met de decentralisatie van de
                    onderwijshuisvesting niet meer actueel is.</al><tussenkop>Inventaris</tussenkop><al>De hoeveelheid inventaris die is verstrekt is van belang voor het moment dat
                    uitbreiding hiervan wordt gevraagd. Er wordt van uitgegaan dat een inventaris is
                    verstrekt voor het aantal groepen waarvoor het schooljaar 1996/1997 huisvesting
                    zou kunnen worden gevraagd. Vaststaat dat voor dit aantal groepen ook een
                    onderwijsleerpakket en meubilair aangevraagd had kunnen worden op basis van de
                    oktobertelling 1995 of op basis van de buitenreguliere telling augustus 1996. Op
                    deze aanvragen is nog door het ministerie van OCen W beslist. Het kan zijn dat
                    in het verleden voor meer groepen onderwijsleerpakket en meubilair is verstrekt
                    dan het aantal groepen waarvoor voor het schooljaar 1996/1997 huisvesting kan
                    worden gevraagd. De gemeente kan dit aantonen aan de hand van de hiertoe
                    afgegeven beschikkingen door het ministerie van OCen W. In een aantal gevallen
                    heeft het college, zonder een goedkeurende beschikking van OCenW, zelf gezorgd
                    voor de uitbreiding van het onderwijsleerpakket en meubilair. Ook dit is
                    aantoonbaar door middel van de daartoe gevoerde correspondentie tussen het
                    college en het bevoegd gezag van de school. In beide gevallen is het hoogste
                    aantal groepen waarvoor een onderwijsleerpakket en meubilair is verstrekt het
                    uitgangspunt voor het beoordelen van de omvang van de noodzakelijke uitbreiding
                    van het onderwijsleerpakket en meubilair. </al><al>De periode waarnaar wordt gekeken, is de periode na inwerkingtreding van de WBO
                    voor een basisschool, of de ISOVO voor een speciale school voor basisonderwijs.
                    In de OWBO en de OISOVO is bepaald dat de inventaris aanwezig op het moment van
                    inwerkingtreding van de wet wordt geacht te voldoen. Verder terugkijken in de
                    tijd heeft dus geen zin.</al><al>In 2002 is naar aanleiding van de groepsgrootteverkleining de berekening van het
                    aantal groepen onderwijsleerpakket en meubilair in overeenstemming gebracht met
                    de berekening van de behoefte aan lokalen. Dit gebeurt aan de hand van de
                    omzettingstabellen.</al><tussenkop>Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De vaststelling van de capaciteit van de gymnastiekruimten is van belang vanwege
                    aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van
                    een gymnastiekruimte, maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van
                    mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in
                    een aantal klokuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor
                    basisonderwijs kan 40 klokuren worden gebruikt. Een school voor het
                    basisonderwijs kan gezien de schooltijden van de school echter niet meer dan 26
                    klokuren gebruik maken van de gymnastiekruimte. Indien een school aanspraak
                    maakt (kan maken) op klokuren gebruik van een andere gymnastiekruimte dan
                    behorende bij de school dan is de capaciteit van deze gymnastiekruimte ten
                    behoeve van de betreffende school bepaald door het aantal uren dat deze
                    gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school waarvoor
                    de klokuren noodzakelijk zijn. Het betreft een gymnastiekruimte behorende bij
                    een andere school in het primair of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie
                    van de gemeente of een sportaccommodatie beheerd door derden.</al><al>De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is
                    geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen
                    zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de
                    terreinoppervlakte voor gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren, omdat bij
                    een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de gymnastiekruimte,
                    bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een kleedruimte, de totale
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw en de gymnastiekruimte wordt bekeken ter
                    beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding van het terrein. In het enkele
                    geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk terrein is gelegen, los van
                    het terrein van het lesgebouw, wordt de terreinoppervlakte geregistreerd.</al><al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimte is bepaald dat deze wordt
                    geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren
                    gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket
                    en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de
                    invulling van het noodzakelijke aantal klokuren gymnastiek wordt verwezen naar
                    medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het
                    meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in
                    gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt.</al><tussenkop>(Voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>Capaciteit van de gebouwen</tussenkop><al>De vaststelling van de capaciteit van de gebouwen is van belang om aanvragen
                    voor uitbreiding te kunnen beoordelen, maar ook om de leegstand te kunnen
                    bepalen ten behoeve van mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gebouwen
                    wordt bepaald aan de hand van het aantal groepen. De eerste keer geschiedt dit
                    in de nulmeting. Lang niet alle gebouwen voldoen aan de voor de decentralisatie
                    gehanteerde oppervlaktenormering, vooral veel oudere gebouwen hebben meer m² BVO
                    dan behoort bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Indien een
                    dergelijk gebouw moet worden uitgebreid is het reëel naar de mogelijkheid te
                    kijken of met de uitbreiding van de zogenaamde "overdimensionering" van het
                    gebouw kan worden teruggedrongen. Van belang daarbij is onder andere de BVO van
                    het gebouw. De BVO is een gegeven dat wordt bepaald aan de hand van III-I, de
                    "Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de
                    schoolgebouwen in het primair onderwijs".</al><al>De capaciteit van het gebouw was ook een bij het ministerie van OCen W
                    vastliggend gegeven, maar is normatief aan de hand van het aanwezige aantal
                    lokalen vastgesteld. De werkelijkheid kan afwijkend zijn van deze registratie.
                    Om deze reden is gekozen voor een nieuwe vaststelling van de capaciteit van de
                    gebouwen. De capaciteit van een gebouw, vastgesteld aan de hand van het aantal
                    groepen, is gelijk aan het aantal lokalen in het gebouw verminderd met 1. In het
                    speciaal onderwijs wordt het aantal lokalen verminderd met 2 indien het gebouw
                    bestaat uit meer dan 13 lokalen en wordt het aantal lokalen verminderd met 3
                    indien het gebouw bestaat uit meer dan 26 lokalen om het aantal groepen te
                    bepalen waarvoor het gebouw normatief geschikt is. In het voortgezet speciaal
                    onderwijs wordt het aantal lokalen verminderd met 2 indien het gebouw bestaat
                    uit meer dan 14 lokalen en wordt het aantal lokalen verminderd met 3 indien het
                    gebouw bestaat uit meer dan 28 lokalen om het aantal groepen te bepalen waarvoor
                    het gebouw normatief geschikt is.</al><al>Indien de normatieve BVO behorend bij het vastgestelde aantal groepen dat in het
                    gebouw kan worden gehuisvest, lager is dan de werkelijke BVO, is het gebouw
                    "overgedimensioneerd". Het aantal m² van deze "overdimensionering" is van belang
                    op het moment dat een gebouw moet worden uitgebreid. Op dat moment kan worden
                    bezien in hoeverre de fysieke uitbreiding van het gebouw kan worden beperkt,
                    terwijl de noodzakelijke capaciteitsvergroting van het gebouw wordt
                    gerealiseerd. De vermindering van de "overdimensionering" van de BVO van het
                    gebouw is van belang om een gunstiger uitgangspunt te creëren voor de vergoeding
                    van de materiële exploitatie.</al><al>Door de bepaling dat het college in overeenstemming met het bevoegd gezag van de
                    school of nevenvestiging kan bepalen dat de capaciteit van het gebouw of de
                    gebouwen naar beneden wordt bijgesteld, is het mogelijk om op eenvoudige wijze
                    lokalen/ruimten in te zetten binnen het bredere gemeentelijke (onderwijs)beleid.
                    Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan bredere schoolfaciliteiten,
                    ICT-ruimten, een peuterspeelzaal, een uitleenpost van de openbare bibliotheek of
                    zelfs een politiepost. Een dergelijke vermindering van de capaciteit en de inzet
                    van de hierdoor beschikbaar komende ruimten kan alleen in overeenstemming met
                    het schoolbestuur worden doorgevoerd. Schoolbesturen zijn immers – over het
                    algemeen – juridische eigenaar van het schoolgebouw en bepalen zelf op welke
                    wijze hun leegstaande lokalen worden ingezet.</al><al>Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze ondervangen dat de algemene regel
                    "eigen gebruik voor medegebruik" veroorzaakt dat het – vaak al geruime tijd
                    optredende – medegebruik wordt beëindigd bij de groei van de school. Overigens
                    betekent een verlaging van de capaciteit wel dat de school eerder in aanmerking
                    kan komen voor een uitbreiding bij eventuele groei van het aantal leerlingen, of
                    te maken krijgt met een eventuele verwijzing naar leegstaande lokalen
                    elders.</al><al>In tabel 4, Ruimtenormering (V)SO is de genormeerde BVO weergegeven
                    onderscheiden naar de verschillende schoolsoorten. De bepaling van de
                    genormeerde BVO voor een scholengemeenschap van 6 groepen speciaal onderwijs en
                    5 groepen voortgezet speciaal onderwijs voor visueel gehandicapten is als
                    volgt:</al><lijst><li nr="-"><al>vaste voet voor een scholengemeenschap visueel gehandicapten 727 m²</al></li><li nr="-"><al>het totaal aantal groepen is 11 waarvan 3 in de vaste voet zijn
                            opgenomen dus voor 8 groepen geldt het aantal m² per groep: 8 * 96 = 768
                            m²</al></li><li nr="-"><al>ten behoeve van de groepen van het VSO dient een correctie te worden
                            gemaakt: </al><al>5 * - 10 = 50 m²</al></li><li nr="-"><al>totaal 727 + 768 + (-50) = 1445 m²</al></li></lijst><tussenkop>Rangordebepaling</tussenkop><al>Indien de school of nevenvestiging beschikt over meerdere gebouwen, een
                    hoofdgebouw en dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld voor het geval dat
                    het leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet worden bepaald of en
                    zo ja, welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het hoofdgebouw heeft
                    vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste afgestoten. De
                    dislocaties die een permanente bouwaard hebben, worden later afgestoten dan
                    dislocaties met een tijdelijke bouwaard. Vervolgens hebben de kleinste gebouwen
                    het hoogste rangsnummer, omdat deze gebouwen eerder zullen kunnen worden
                    afgestoten dan grotere gebouwen. De rangorde is nu bij het ministerie van OCen W
                    vastgesteld en wordt als zodanig overgenomen. Er zijn redenen denkbaar om voor
                    een andere rangorde te kiezen. Bijvoorbeeld kan een kleinere dislocatie
                    structureel voldoende huisvesting bieden en kan door de rangorde aan te passen
                    kan de grotere dislocatie worden afgestoten? In een dergelijk geval stelt het
                    college, na overleg met het bevoegd gezag, een andere volgorde van de
                    dislocaties vast.</al><tussenkop>Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte in het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt voor de
                    eerste keer geregistreerd. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de
                    kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen
                    niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of wat soms bij het
                    openbaar onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte van het openbaar groen
                    en andere openbare gebouwen te zamen met het schoolterrein als een geheel is
                    geregistreerd, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>Naar de administratie van het ministerie van OCen W kan niet meer worden
                    verwezen, aangezien deze administratie met de decentralisatie van de
                    onderwijshuisvesting niet meer actueel is.</al><tussenkop>Inventaris</tussenkop><al>De hoeveelheid inventaris die is verstrekt is van belang voor het moment dat
                    uitbreiding hiervan wordt gevraagd. Er wordt van uitgegaan dat een inventaris is
                    verstrekt voor het aantal groepen waarvoor het schooljaar 1996/1997 huisvesting
                    zou kunnen worden gevraagd. Vaststaat dat voor dit aantal groepen ook een
                    onderwijsleerpakket en meubilair aangevraagd had kunnen worden op basis van de
                    oktobertelling 1995 of op basis van de buitenreguliere telling augustus 1996. Op
                    deze aanvragen is nog door het ministerie van OCen W beslist. Het kan zijn dat
                    in het verleden voor meer groepen onderwijsleerpakket en meubilair is verstrekt
                    dan het aantal groepen waarvoor voor het schooljaar 1996/1997 huisvesting kan
                    worden gevraagd. De gemeente kan dit aantonen aan de hand van de hiertoe
                    afgegeven beschikkingen door het ministerie van OCen W. In een aantal gevallen
                    heeft het college, zonder een goedkeurende beschikking van OCenW, zelf gezorgd
                    voor de uitbreiding van het onderwijsleerpakket en meubilair. Ook dit is
                    aantoonbaar door middel van de daartoe gevoerde correspondentie tussen het
                    college en het bevoegd gezag van de school. In beide gevallen is het hoogste
                    aantal groepen waarvoor een onderwijsleerpakket en meubilair is verstrekt het
                    uitgangspunt voor het beoordelen van de omvang van de noodzakelijke uitbreiding
                    van het onderwijsleerpakket en meubilair. </al><al>De periode waarnaar wordt gekeken, is de periode na inwerkingtreding van de
                    ISOVSO. In de OISOVO is bepaald dat de inventaris aanwezig op het moment van
                    inwerkingtreding van de wet wordt geacht te voldoen. Verder terugkijken in de
                    tijd heeft dus geen zin.</al><tussenkop>Gymnastiekruimten</tussenkop><al>Het is van belang de capaciteit van de gymnastiekruimten vast te stellen vanwege
                    aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren gebruik van een
                    gymnastiekruimte, maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van
                    mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in
                    een aantal klokuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een school of
                    nevenvestiging voor (voortgezet) speciaal onderwijs kan 40 klokuren worden
                    gebruikt. Een school of nevenvestiging voor het (voortgezet) speciaal onderwijs
                    kan gezien de schooltijden van de school echter niet meer dan 26 klokuren
                    gebruik maken van de gymnastiekruimte. Indien een school of nevenvestiging
                    aanspraak maakt (kan maken) op klokuren gebruik van een andere gymnastiekruimte
                    dan behorende bij de school of nevenvestiging dan is de capaciteit van deze
                    gymnastiekruimte ten behoeve van de betreffende school of nevenvestiging bepaald
                    door het aantal uren dat deze gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de
                    schooltijden van de school waarvoor de klokuren noodzakelijk zijn. Het betreft
                    een gymnastiekruimte behorende bij een andere school in het primair of
                    voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van de gemeente of een
                    sportaccommodatie beheerd door derden.</al><al>De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is
                    geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen
                    zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de
                    terreinoppervlakte voor gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren, omdat bij
                    een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de gymnastiekruimte,
                    bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een kleedruimte, de totale
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw en de gymnastiekruimte wordt bekeken ter
                    beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding van het terrein. In het enkele
                    geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk terrein is gelegen, los van
                    het terrein van het lesgebouw, wordt de terreinoppervlakte geregistreerd.</al><al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimte is bepaald dat deze wordt
                    geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren
                    gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket
                    en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de
                    invulling van het noodzakelijke aantal klokuren gymnastiek wordt verwezen naar
                    medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het
                    meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in
                    gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt.</al><tussenkop>Voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw voor het voortgezet onderwijs
                    wordt bepaald aan de hand van III-2, de "Meetinstructie voor het vaststellen van
                    de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouw in het voorgezet onderwijs". Door
                    de bepaling dat het college in overeenstemming met het bevoegd gezag van de
                    school kan bepalen dat de capaciteit van het gebouw of de gebouwen naar beneden
                    wordt bijgesteld, is het mogelijk om op eenvoudige wijze lokalen/ruimten in te
                    zetten binnen het bredere gemeentelijke (onderwijs)beleid. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan brede schoolfaciliteiten, ICT-ruimten, een
                    studiehuis-ruimte, een uitleenpost van de openbare bibliotheek, of zelfs een
                    politiepost. Een dergelijke vermindering van de capaciteit en inzet van de
                    hierdoor beschikbaar komende ruimten kan alleen in overeenstemming met het
                    schoolbestuur worden doorgevoerd. Schoolbesturen zij immers – over het algemeen
                    – juridische eigenaar van het schoolgebouw en bepalen zelf op welke wijze hun
                    leegstaande lokalen worden ingezet.</al><al>Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze ondervangen dat de algemene regel
                    "eigen gebruik voor medegebruik" veroorzaakt dat het – vaak al geruime tijd
                    optredende – medegebruik wordt beëindigd bij groei van de school. Overigens
                    betekent een verlaging van de capaciteit wel dat de school eerder in aanmerking
                    kan komen voor een uitbreiding bij eventuele groei van het aantal leerlingen, of
                    te maken krijgt met een eventuele verwijzing naar leegstaande lokalen
                    elders.</al><al>In het voortgezet onderwijs kan de belangstelling van leerlingen voor de
                    verschillende onderwijssoorten/studierichtingen binnen instellingen sterk
                    variëren, ook zonder dat het totale volume wijzigt. Dat heeft van tijd tot tijd
                    wijzigingen van de functies van ruimten tot gevolg. Onder meer om deze reden is
                    gekozen voor een eigen verantwoordelijkheid voor schoolbesturen, waar het de
                    bouwkundige aanpassen betreft aan de binnenzijde van de gebouwen (tot het
                    drempelbedrag van ƒ 600,--<noot id="d5913e7957"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Dit zogenaamde drempelbedrag is gepubliceerd in het
                            "Uitvoeringsbesluit voorzieningen in huisvesting PV/VO" (Stb. 1997, 125
                            (onderdeel A2/2.1)</noot.al></noot> per leerling). Een momentopname van gebouwgegevens op een niveau van
                    afzonderlijke (les)ruimten is, gelet op deze eigen verantwoordelijkheid van
                    schoolbesturen, niet zinvol.</al><tussenkop>Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van
                    het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de
                    grenzen van het schoolterrein, of wat soms bij het openbaar onderwijs het geval
                    is als de terreinoppervlakte van het openbaar groen en andere openbare gebouwen
                    te zamen met het schoolterrein als een geheel is geregistreerd, dan wordt het
                    met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>Naar de administratie van het ministerie van OCen W kan niet meer worden
                    verwezen, aangezien deze administratie met de decentralisatie van de
                    onderwijshuisvesting niet meer actueel is.</al><tussenkop>Inventaris</tussenkop><al>De toekenning van inventaris is in het voortgezet onderwijs vanaf de
                    invoeringsdatum van de decentralisatie gekoppeld aan de toekenning van een
                    voorziening in de huisvesting. Deze methodiek wijkt fundamenteel af van de door
                    OCen W gehanteerde systematiek, waarbij inventaristoekenningen juist niet
                    gerelateerd waren aan toekenningen in de huisvesting. </al><al>Bij de start van de nieuwe systematiek wordt ervan uitgegaan, dat alle scholen
                    voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van inventaris.</al><tussenkop>Gymnastiekruimten</tussenkop><al>Het gegeven "aantal gymnastieklokalen in eigendom" heeft de gemeente nodig om
                    bij een aanvraag voor toewijzing van klokuren gymnastiek door een VO-instelling
                    te kunnen beoordelen hoeveel uren de school in de eigen huisvesting kan
                    verzorgen.</al><al>De vaststelling van de capaciteit van de gymnastiekruimten is van belang vanwege
                    aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van
                    een gymnastiekruimte, maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van
                    mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in
                    een aantal lesuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor
                    voortgezet onderwijs kan 40 lesuren worden gebruikt. Indien een school aanspraak
                    maakt (kan maken) gedurende een aantal lesuren op het gebruik van een andere
                    gymnastiekruimte dan behorende bij de school dan is de capaciteit van deze
                    gymnastiekruimte het aantal uren dat deze gymnastiekruimte beschikbaar is
                    gedurende de schooltijden van de school waarvoor de lesuren noodzakelijke zijn.
                    Het betreft een gymnastiekruimte behorende bij een andere school in het primair
                    of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van de gemeente of een
                    sportaccommodatie beheerd door derden.</al><al>De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is
                    geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen
                    zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de
                    terreinoppervlakte voor gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren, omdat bij
                    een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de gymnastiekruimte,
                    bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een kleedruimte, de totale
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw en de gymnastiekruimte wordt bekeken ter
                    beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding van het terrein. In het enkele
                    geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk terrein is gelegen, los van
                    het terrein van het lesgebouw, wordt de terreinoppervlakte geregistreerd.</al><al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimte is bepaald dat deze wordt
                    geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren
                    gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de invulling
                    van het noodzakelijke aantal lesuren gymnastiek wordt verwezen naar medegebruik
                    van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het meubilair
                    niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in gebruik
                    gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt.</al><tussenkop>Toelichting deel B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</tussenkop><tussenkop>School voor het basisonderwijs</tussenkop><al>Het bepalen van de ruimtebehoefte van een basisschool houdt in dat wordt bezien
                    hoe groot de capaciteit van de desbetreffende school is in relatie tot de
                    eventueel reeds aanwezige capaciteit. De omvang van de noodzakelijke capaciteit
                    of uitbreiding van de capaciteit wordt uitgedrukt in groepen, zijnde het aantal
                    formatieplaatsen. Er is onderscheid gemaakt in het bepalen van de ruimtebehoefte
                    voor tijdelijke en voor permanente voorzieningen. Bij de bepaling van de
                    ruimtebehoefte voor een tijdelijke voorziening wordt wel rekening gehouden met
                    de gewogen leerlingen, bij de bepalen van de ruimtebehoefte voor een tijdelijke
                    voorziening wordt wel rekening gehouden met de gewogen leerlingen, bij de
                    bepaling van de ruimtebehoefte voor een permanente voorziening wordt hiermee
                    geen rekening gehouden.</al><al>Tevens wordt voorzien in een doorwerking van de formatie voor
                    groepsgrootteverkleining in de bepaling van de ruimtebehoefte van scholen. Voor
                    een uitgebreide toelichting op de bepaling van de ruimtebehoefte als gevolg van
                    de groepsgrootteverkleining wordt verwezen naar de VNG-ledenbrief van 30
                    september 1997, kenmerk L.br. 97/170.</al><al>Om de ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs te bepalen is
                    aangesloten bij de N-factoren, zoals deze golden voor het voormalig lom- en
                    mlk-onderwijs. Dit betekent dat de groepsgrootte normatief is bepaald op 15
                    leerlingen. Achtergrond van deze keuze is het volgende.</al><al>Binnen een sbo wordt geen onderscheid gemaakt naar de leeftijd van de leerling.
                    Weliswaar is een sbo toegankelijk voor leerlingen vanaf vier jaar, maar in een
                    afzonderlijke afdeling voor "jonge risicoleerlingen" (voormalig iobk) is niet
                    voorzien. Ook de formatietoekenning aan een sbo is niet afhankelijk van de
                    leeftijd van de leerlingen.</al><al>Bovendien is gekozen om aan te sluiten bij de N-factoren van het voormalig lom-
                    en mlk/onderwijs vanuit de overweging dat een groot deel van de sbo's is
                    opgebouwd uit voormalig lom- mlk-onderwijs zonder iobk-afdeling. Concreet zou
                    een afwijking van de N-factor van 15 voor deze scholen leiden tot een mogelijke
                    aanspraak op uitbreiding zonder dat er sprake is van een leerlingstijging.
                    Gevolg van de keuze voor een N-factor van 15 is dat voormalige lom/mlk-scholen
                    zonder iobk-afdeling een gelijkblijvende ruimtebehoefte behouden. Voor
                    voormalige lom/mlk-scholen met een iobk-afdeling kan de N-factor van 15 tot
                    gevolg hebben dat de ruimtebehoefte lager wordt. Immers, voor de voormalige
                    iobk-afdeling werd een N-factor van 12 gehanteerd. Uiteraard bestaat de
                    mogelijkheid om voor deze scholen in overleg tussen het samenwerkingsverband de
                    sbo en de gemeente een uitzondering maken op de N-factor van 15. Hierbij kan
                    worden overwogen om de N-factor lager vast te stellen (bijvoorbeeld een
                    gemiddelde van de N-factoren van het voormalig iobk en lom/mlk) of een
                    overgangstermijn te introduceren.</al><tussenkop>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>Het bepalen van de ruimtebehoefte van een school of nevenvestiging voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs houdt in dat wordt bezien hoe groot de
                    capaciteitsbehoefte van de desbetreffende school of nevenvestiging is in relatie
                    tot de eventueel reeds aanwezige capaciteit. De omvang van de noodzakelijke
                    capaciteit of uitbreiding van de capaciteit wordt uitdrukt in groepen.</al><al>De bepalen van de ruimtebehoefte van een SO-school, een VSO-school, een
                    SOVSO-school, een SO-school resp. nevenvestiging met een of meer afdelingen of
                    een SOVSO-school of nevenvestiging met een of meer afdelingen is afhankelijk van
                    het totaal aantal groepen van de desbetreffende school of nevenvestiging. Het
                    aantal groepen van de SO- en de VSO-component en van de afdelingen wordt per
                    afzonderlijke component vastgesteld. Het aantal groepen van een of meer
                    afdelingen wordt bij het aantal groepen van de SO-component opgeteld. De
                    bepaling van het genormeerd aantal m² bruto-vloeroppervlakte of de bepaling van
                    de genormeerde stichtingskosten is afhankelijk van het aantal groepen SO, het
                    aantal groepen VSO of het aantal groepen SOVSO.</al><tussenkop>School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>Het Ruimtebehoeftemodel (RBM)</tussenkop><al>Het bepalen van de ruimtebehoefte in het voortgezet onderwijs gaat aan de hand
                    van het ruimtebehoeftemodel. In dit model wordt op basis van een tweetal
                    componenten de ruimtebehoefte bepaald. De ruimtebehoefte is enerzijds
                    afhankelijk van het aantal leerlingen dat de school bezoekt en anderzijds
                    afhankelijk van kenmerken van de school (zoals aard van de vestiging en het
                    onderwijsaanbod).</al><al>Met behulp van tabel 7.1a kan op basis van het aantal leerlingen per
                    onderwijssoort de zogenaamde leerlinggebonden component worden bepaald.</al><tussenkop>Een voorbeeld Het Lokale Lyceum</tussenkop><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="185.25pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.31*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.82*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="1.20*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="1.07*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="1.00*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Ruimtesoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col4"><al>BVO/Ll.</al></entry><entry colname="col5"><al>Aantal Ll.</al></entry><entry colname="col6"><al>BVO</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>onderbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col4"><al>6,18</al></entry><entry colname="col5"><al>100</al></entry><entry colname="col6"><al>618</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>avo/vwo</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry><entry colname="col5"><al>200</al></entry><entry colname="col6"><al>1170</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>totaal</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemene ruimte</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al><cursief>300</cursief></al></entry><entry colname="col6"><al><cursief>1788</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Daarna wordt de vaste voet van de instelling berekend aan de hand van tabel
                    7.1.b</al><al>De school uit het voorbeeld, het Lokale Lyceum is een hoofdvestiging en heeft
                    geen afdeling waarin de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden. De vaste voet
                    van het Lokale Lyceum bedraagt dus 980 vierkante meter Algemene Ruimte. Het
                    totale ruimtebeslag van het Lokale Lyceum komt dus op 2768m²
                    bruto-vloeroppervlakte Algemene Ruimte.</al><al>Een school komt in aanmerking voor een vaste voet per afdeling als deze school
                    de beroepsgerichte leerweg voor deze afdeling wordt aangeboden. Uitgangspunt
                    daarbij is dat de vestiging waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden
                    zoveel mogelijk wordt gefaciliteerd ten behoeve van het beroepsgerichte
                    onderwijs. Pas als op de instelling de beroepsgerichte leerweg van een bepaalde
                    afdeling of sector wordt aangeboden, mag voor die afdeling of sector ook de
                    leerwegondersteunende of de gemengde leerweg worden aangeboden.</al><tussenkop>Toelichting deel C De bepaling van de omvang van de
                    toekenning</tussenkop><tussenkop>School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw op uitbreiding is afhankelijk van het
                    aantal groepen, zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente
                    voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare huisvesting
                    van belang voor het bepalen van de omvang van de capaciteitsvermeerdering.
                    Indien het bestaande gebouw groter is (meer m²) dan de norm behorend bij de
                    capaciteit van het gebouw aangeeft, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    capaciteitsvermeerdering, geheel of gedeeltelijk, kan plaatsvinden door een
                    interne aanpassing van het gebouw. De kosten van deze aanpassing zijn
                    belangrijk: indien de aanpassing duurder is dan een uitbreiding van het gebouw,
                    wordt het gebouw uitgebreid.</al><al>De omvang van de ingebruikneming is eveneens afhankelijk van het aantal groepen
                    zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente voorzieningen.
                    Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel
                    gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig
                    is.</al><tussenkop>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                    aantal groepen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor tijdelijke
                    voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare huisvesting
                    van belang voor het bepalen van de omvang van de capaciteitsvermeerdering.
                    Indien het bestaande gebouw groter is (meer m²) dan de norm behorend bij de
                    capaciteit van het gebouw aangeeft, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    capaciteitsvermeerdering, geheel of gedeeltelijk, kan plaatsvinden door een
                    interne aanpassing van het gebouw. De kosten van deze aanpassing zijn
                    belangrijk: indien de aanpassing duurder is dan een uitbreiding van het gebouw,
                    wordt het gebouw uitgebreid.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig
                    is.</al><al>De omvang van de verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal
                    groepen waarvoor de huisvestiging noodzakelijk is en de kosten in verhouding tot
                    de verwachte gebruiksduur van de lokalen. Indien mogelijkheden van medegebruik
                    aanwezig zijn, zal in eerste instantie hiernaar worden verwezen.</al><tussenkop>Overige voor blijvend dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van (de uitbreiding van) het terrein wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke oppervlakte op grond van de daarmee in bijlage III, deel D,
                    gestelde eisen met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen.
                    De situatie op zich zal ook van invloed zijn op de omvang van de
                    terreinoppervlakte ten behoeve van het schoolgebouw.</al><al>De omvang van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket of de uitbreiding
                    hiervan voor een basisschool wordt bepaald dat het aantal groepen, op basis van
                    het gewogen leerlingenaantal, waarvoor deze voorziening noodzakelijk is. In het
                    geval van uitbreiding geldt dat het verschil in groepen wordt bepaald door het
                    aantal groepen zoals aanwezig was op de laatste teldatum voor het indienen van
                    de aanvraag en het aantal groepen waarvoor reeds de eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket is bekostigd. Het aantal groepen waarvoor de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket reeds is bekostigd, wordt bepaald door het aantal
                    groepen dat wordt bekostigd bij de aanvang van het schooljaar 1996/1997, tenzij
                    het college kan aantonen dat voor meer groepen eerste inrichting van het
                    onderwijsleerpakket is gegeven.</al><al>In plaats van de teldatum voorafgaande aan de indiening van de aanvraag, is ook
                    mogelijk om de meest recente teldatum te hanteren voor het toetsen welke omvang
                    de toekenning dient te hebben. Voor een toelichting op deze mogelijkheid wordt
                    verwezen naar de toelichting bij bijlage I, onderdeel a, lesgebouwen.</al><al>De omvang van de eerste aanschaf van het meubilair of uitbreiding hiervan voor
                    een basisschool wordt op dezelfde wijze bepaald als de eerste aanschaf of de
                    uitbreiding van het onderwijsleerpakket. De verstrekking of de bekostiging van
                    het meubilair wordt echter bepaald door het aantal groepen op basis van het
                    ongewogen leerlingenaantal. Ook voor meubilair kan de systematiek worden
                    gehanteerd van de "meest recente teldatum". </al><al>De omvang van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair of de
                    uitbreiding hiervan voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt bepaald
                    door het aantal groepen waarvoor deze voorziening noodzakelijk is. In geval van
                    uitbreiding geldt dat het verschil in groepen wordt bepaald door het aantal
                    groepen zoals aanwezig was op de laatste teldatum voor het indienen van de
                    aanvraag (of de meest recente teldatum) en het aantal groepen waarvoor reeds
                    eerder aanschaf van het onderwijsleerpakket of meubilair is bekostigd. Het
                    aantal groepen waarvoor reeds aanschaf van het onderwijsleerpakket of meubilair
                    is bekostigd, wordt bepaald door het aantal groepen dat wordt bekostigd bij de
                    aanvang van het schooljaar 1996/1997, tenzij het college kan aantonen dat voor
                    meer groepen eerste inrichting van het onderwijsleerpakket is gegeven.</al><al>De omvang van het onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die noodzakelijk
                    zijn aan de buitenzijde van het gebouw zoals deze zijn omschreven in het
                    overzicht "onderhoud primair onderwijs" door de vervanging van de binnenkozijnen
                    en binnendeuren of door de vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen
                    voor de centrale verwarming of door het totaal van verschillende van deze
                    activiteiten.</al><al>De omvang van de aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die strikt
                    noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het geven van onderwijs.
                    Dit houdt in dat slechts die activiteiten voor bekostiging in aanmerking komen
                    die de normale eisen te stellen aan het gebouw voor het geven van onderwijs niet
                    overschrijden. De aanpassing kan noodzakelijk zijn omdat een gebouw in gebruik
                    wordt genomen of omdat de capaciteit van het gebouw moet worden vergroot voor
                    het creëren van een extra les- of speellokaal. Activiteiten die noodzakelijk
                    zijn als gevolg van specifieke wet- en regelgeving, bijvoorbeeld, Arbo-eisen
                    kunnen eveneens voor bekostiging in aanmerking komen. Als een oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie moet worden vervangen door een gasgestookte installatie
                    komen de meerkosten ten opzichte van het vervangen van een gasgestookte
                    installatie door een gasgestookte installatie voor bekostiging in aanmerking. De
                    meerkosten zullen in de meeste gevallen betrekking hebben op de noodzakelijke
                    verplaatsing van de installatie.</al><al>Voor aanpassing in verband met onderwijskundige vernieuwingen wordt een bedrag
                    beschikbaar gesteld voor het realiseren van voorzieningen. De aanpassing is
                    gekoppeld aan het aantal groepen waarvoor permanente huisvestingsbehoefte
                    bestaat met een maximum van het aantal groepen, waarvoor permanente huisvesting
                    aanwezig is. Het aantal m² dat aangepast mag worden betreft het
                    verschiloppervlak van de oude en de nieuwe norm. De financiële vergoeding is
                    afhankelijk van inpandige aanpassing of aanpassing door uitbreiding.</al><tussenkop>School of nevenvestiging voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                    aantal groepen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente
                    voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare huisvesting
                    van belang voor het bepalen van de omvang van de capaciteitsvermeerdering.
                    Indien het bestaande gebouw groter is (meer m²) dan de norm behorend bij de
                    capaciteit van het gebouw aangeeft, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    capaciteitsvermeerdering, geheel of gedeeltelijk kan plaatsvinden door een
                    interne aanpassing van het gebouw. De kosten van deze aanpassing zijn
                    belangrijk: indien de aanpassing duurder is dan een uitbreiding van het gebouw,
                    wordt het gebouw uitgebreid.</al><al>De omvang van de ingebruikneming is eveneens afhankelijk van het aantal groepen
                    zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente voorzieningen.
                    Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel
                    gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig
                    is.</al><tussenkop>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                    aantal groepen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente
                    voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare huisvesting
                    van belang voor het bepalen van de omvang van de capaciteitsvermeerdering.
                    Indien het bestaande gebouw groter is (meer m²) dan de norm behorend bij de
                    capaciteit van het gebouw aangeeft, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    capaciteitsvermeerdering, geheel of gedeeltelijk kan plaatsvinden door een
                    interne aanpassing van het gebouw. De kosten van deze aanpassing zijn
                    belangrijk: indien de aanpassing duurder is dan een uitbreiding van het gebouw,
                    wordt het gebouw uitgebreid.</al><al>De omvang van de ingebruikneming is eveneens afhankelijk van het aantal groepen
                    zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente voorzieningen.
                    Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel
                    gedeeltelijk in gebruik wordt gegeven.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig
                    is.</al><tussenkop>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                    aantal groepen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor tijdelijke
                    voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare huisvesting
                    van belang voor het bepalen van de capaciteitsvermeerdering. Indien het
                    bestaande gebouw groter is (meer m²) dan de norm behorend bij de capaciteit van
                    het gebouw aangeeft, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    capaciteitsvermeerdering, geheel of gedeeltelijk kan plaatsvinden door een
                    interne aanpassing van het gebouw. De kosten van deze aanpassing zijn
                    belangrijk: indien de aanpassing duurder is dan een uitbreiding van het gebouw,
                    wordt het gebouw uitgebreid.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig
                    is.</al><al>De omvang van de verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal
                    groepen waarvoor de huisvesting noodzakelijk is en de kosten in verhouding tot
                    de verwachte gebruiksduur van de lokalen. Indien mogelijkheden van medegebruik
                    aanwezig zijn, zal in eerste instantie hiernaar worden verwezen.</al><tussenkop>Overige voor blijvend dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van (de uitbreiding van) het terrein wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke oppervlakte op grond van de daartoe in bijlage III, deel D,
                    gestelde eisen met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen.
                    De situatie op zich zal ook van invloed zijn op de omvang van de
                    terreinoppervlakte ten behoeve van het schoolgebouw.</al><al>De omvang van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket of de uitbreiding
                    hiervan wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor deze voorziening
                    noodzakelijk is. In het geval van uitbreiding geldt dat het verschil in groepen
                    wordt bepaald door het aantal groepen zoals aanwezig was op de laatste teldatum
                    voor het indienen van de aanvraag en het aantal groepen waarvoor reeds eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket is bekostigd. Het aantal groepen waarvoor
                    de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket is bekostigd, wordt bepaald door
                    het aantal groepen dat wordt bekostigd bij de aanvang van het schooljaar
                    1996/1997, tenzij het college kan aantonen dat voor meer groepen eerste
                    inrichting van het onderwijsleerpakket is gegeven.</al><al>De omvang van de eerste aanschaf van het meubilair of de uitbreiding hiervan
                    wordt op dezelfde wijze bepaald als de eerste aanschaf of de uitbreiding van het
                    onderwijsleerpakket.</al><al>Voor zowel het onderwijsleerpakket als het meubilair kan om de omvang van de
                    toekenning te bepalen, de systematiek van de meest recente teldatum wordt
                    gehanteerd. Voor een toelichting op deze mogelijkheid wordt verwezen naar de
                    toelichting bij bijlage I, onderdeel a lesgebouwen.</al><al>De omvang van de aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die strikt
                    noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het geven van onderwijs.
                    Dit houdt in dat slechts die activiteiten voor bekostiging in aanmerking komen
                    die de normale eisen te stellen aan het gebouw voor het geven van onderwijs niet
                    overschrijden. De aanpassing kan noodzakelijk zijn omdat een gebouw in gebruik
                    wordt genomen of omdat de capaciteit van het gebouw moet worden vergroot voor
                    het creëren van een extra les- of speellokaal. De aanpassing kan ook
                    noodzakelijk zijn omdat een dislocatie wordt afgestoten en specifieke
                    voorzieningen die in de dislocatie aanwezig waren in het hoofdgebouw moeten
                    worden gerealiseerd. Ook kan het zijn dat een dislocatie, als gevolg van een
                    stijging van het aantal leerlingen, de status van hoofdgebouw krijgt en als
                    gevolg hiervan moet worden aangepast. Indien de school een ander vak opneemt in
                    het schoolwerkplan en het schoolwerkplan wordt als zodanig door de inspectie
                    goedgekeurd, dan kan een noodzakelijke aanpassing van een lokaal tot het
                    desbetreffende vaklokaal worden goedgekeurd. Activiteiten die noodzakelijk zijn
                    als gevolg van specifieke wet- en regelgeving, bijvoorbeeld, Arbo-eisen, kunnen
                    eveneens voor bekostiging in aanmerking komen. In het geval dat een
                    oliegestookte verwarmingsinstallatie moet worden vervangen door een gasgestookte
                    installatie komen de meerkosten van het vervangen de oliegestookte installatie
                    ten opzichte van het vervangen van een oliegestookte installatie door een
                    gasgestookte installatie voor bekostiging in aanmerking. De meerkosten zullen in
                    de meeste gevallen betrekking hebben op de noodzakelijke verplaatsing van de
                    installatie.</al><al>De omvang van het onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die noodzakelijk
                    zijn aan de buitenzijde van het gebouw zoals deze zijn omschreven in het
                    overzicht "onderhoud primair onderwijs", door de vervanging van de
                    binnenkozijnen en binnendeuren of door de vervanging van radiatoren, convectoren
                    en leidingen voor de centrale verwarming of door het totaal van verschillende
                    van deze activiteiten.</al><tussenkop>School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>Voor blijvend gebruik bestemde voorziening</tussenkop><al>De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald met
                    behulp van het Ruimtebehoefte model, dat staat beschreven in deel B van deze
                    bijlage en het bijbehorende gedeelte van de toelichting.</al><al>In de toekenningscriteria (Bijlage I) is bepaald, dat voor de beoordeling oef
                    een instelling voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening in aanmerking
                    komt de beschikbare capaciteit met tien procent wordt verhoogd. Vervolgens wordt
                    bezien of de ruimtebehoefte op basis van de leerlingprognose voor langer dan
                    vijftien jaar deze verhoogde capaciteit overschrijdt. </al><al>Indien zulks het geval is wordt de omvang van de voorziening bepaald door
                    vaststelling van het verschil tussen de werkelijk beschikbare capaciteit (100%)
                    en de uitkomsten van de ruimtebehoeftemodel (tabellen 7.1.a en 7.1.b).</al><al>Daarna kan met behulp van het Ruimtebehoefte model verdere toedeling naar
                    lokaalsoorten plaatsvinden en moet vergelijking met de beschikbare ruimten
                    uitwijzen hoe het gevonden ruimtetekort moet worden ingevuld.</al><al>Met behulp van het RBM kan geen normatief lokalenplan worden opgesteld. Om te
                    bepalen wat de leegstand binnen de onderwijsruimten is, zal een toetst moeten
                    plaatsvinden of er binnen het huidige lesrooster sprake is van onderbezetting.
                    In geval van medegebruik door een andere school voor voortgezet onderwijs moet
                    bekeken worden of de lesroosters van de scholen zo op elkaar kunnen worden
                    afgestemd dat overschotten en tekorten elkaar opheffing. In geval van
                    medegebruik door een school voor primair onderwijs zal gekeken moeten worden of
                    binnen het lesrooster een of meer lokalen leeggeroosterd kunnen worden.</al><al>Het lesrooster en het feitelijke lokalenplan zijn bepalend bij de bepaling van
                    de leegstand. Het is nu van belang om enerzijds te toetsen of het lesrooster
                    redelijk is. Is het aantal ingeroosterde lessen bijvoorbeeld niet hoog in
                    verhouding tot het aantal leerlingen? Aan de hand van een aantal criteria kan
                    het lesrooster getoetst worden bijvoorbeeld dat het gemiddeld aantal lessen in
                    de week niet boven de 29 uur uitkomt en dat een theorielokaal minimaal voor 32
                    uur in de week ingeroosterd kan worden. Aan de hand van het lokalenplan (bij
                    voorkeur een plattegrond van de school) kan bepaald worden of alle lokalen wel
                    ingeroosterd zijn of waarom in bepaald lokalen de bezetting maximaal 16 is in
                    plaats van 26 leerlingen.</al><al>Om nu te bezien of het feitelijke lesrooster redelijk is, in verhouding tot de
                    bepaling van de ruimtebehoefte van de instelling, wordt het aan de hand van de
                    volgende criteria getoetst:</al><lijst><li nr="-"><al>aantal lessen per week komt niet boven de 29 lesuur per week (excl.
                            gym);</al></li><li nr="-"><al>het aantal lessen lichamelijke oefening komt niet boven de 3 lesuur per
                            week;</al></li><li nr="-"><al>de gemiddelde groepsgrootte is 26 leerlingen. Uitzondering vormt het
                            praktijkonderwijs (14 leerlingen) en het leerwegondersteunend onderwijs
                            (16 leerlingen);</al></li><li nr="-"><al>het normatieve gebruik per week ligt voor algemene ruimten op 32 uur per
                            week. Voor specifieke lokalen en werkplaatsen ligt het normatieve
                            gebruik op 24 uur per week;</al></li><li nr="-"><al>gemiddeld past een hele groep (klas) in een onderwijsruimte. Alleen
                            ruimten voor machinale houtbewerking en de lasserij zijn geschikt voor
                            maximaal 8 leerlingen;</al></li><li nr="-"><al>een lesuur duurt 50 minuten. Wordt uitgegaan van lesuren van 45 minuten
                            dan wordt het aantal lessen per week naar rato verhoogd.</al></li></lijst><tussenkop>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening</tussenkop><al>Met behulp van het Ruimtebehoeftemodel (tabellen 7.1.a en 7.1.b) wordt op basis
                    van het leerlingenaantal, dat voortvloeit uit de leerlingprognose voor een
                    periode langer dan vier jaar en korter dan vijftien jaar de ruimtebehoefte
                    bepaald. Vergelijking van deze ruimtebehoefte met de met tien procent verhoogde
                    beschikbare capaciteit geeft als resultaat de omvang van de goedgekeurde
                    tijdelijke voorziening, uitgedrukt in m² bruto-vloeroppervlakte.</al><al>Voor tijdelijke voorzieningen wordt deze oppervlakte niet per lokaalsoort
                    toegedeeld. De toekenning vindt plaats op het niveau bruto m²'s lesruimte per
                    instelling. Als drempel voor toekenning wordt 1 lokaal gehanteerd, dat wil
                    zeggen dat het geconstateerde ruimtetekort minimaal 70 m² bruto (= 42 m² netto,
                    zie deel D) moet bedragen om voor toekenning van een voor tijdelijk gebruik
                    bestemd voorziening in aanmerking te komen.</al><al>Voor de bepaling van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming, medegebruik en verplaatsing van noodlokalen wordt de
                    beschikbare capaciteit verhoogd met tien procent.</al><tussenkop>Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De voorziening eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen is rechtstreeks
                    gekoppeld aan de toekenning van voorziening in de huisvesting, die een
                    vergroting van de totale capaciteit tot gevolg hebben (zie ook bijlage I,
                    paragraaf 3.7).</al><tussenkop>Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De bepaling van de omvang van de verschillende voorzieningen in de
                    huisvestiging, die gymnastiekruimte betreffen, verloopt onder toepassing van het
                    Ruimtebehoeftemodel analoog aan de bepaling van de omvang van de omvang van
                    toekenningen voor lesgebouwen.</al><al>Voor de bepaling van het aantal in medegebruik te geven lessen gymnastiek is het
                    lesrooster maatgevend. Het maximale aantal lestijden gymnastiek kan met de in
                    paragraaf 3.4 gegeven formule worden berekend. Voor het Lwoo geldt een
                    aangepaste formule.</al><tussenkop>Toelichting deel D Minimumnormen bij realisering van nieuwe
                    voorzieningen</tussenkop><al>De wet geeft de opdracht aan gemeenten om in de verordening bepalingen op te
                    nemen met betrekking tot de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen. In de
                    modelverordening is gekozen voor een beperkt aantal bepalingen. Enerzijds omdat
                    op die wijze de autonomie van een schoolbestuur zo groot mogelijk is, anderzijds
                    omdat naar aanleiding van de tweede fase van het Bouwbesluit VROM reeds een
                    aantal centrale eisen aan schoolgebouwen gesteld zullen worden.</al><al>Ook de minister van OCen W heeft, door middel van een Algemene maatregelen van
                    bestuur, enkele minimale oppervlakte-eisen gesteld. Deze betreffen echter niet
                    de specifieke ruimten, doch het totale gebouw, dan wel alle bij een school in
                    gebruik zijnde gebouwen. Deze normen zijn gepubliceerd in het
                        <cursief>Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting</cursief> PO/VO
                    (Stb. 1997, 125).</al><al>In aanvulling op de centrale eisen bepaalt de modelverordening alleen iets over
                    de oppervlakte en de indeling uit het oogpunt van functionaliteit van ruimten,
                    met name in verband met de mogelijkheden voor medegebruik.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>IV</nr><titel>Financiële normering</titel></kop><al>Deze bijlage wordt binnenkort aangepast.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>V</nr><titel>Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen</titel></kop><tussenkop>1 Volgorde van hoofdprioriteiten</tussenkop><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                    criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter
                    samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van
                    prioriteit.</al><al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:</al><lijst><li nr="1"><al>voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage
                            III op te heffen;</al></li><li nr="2"><al>voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven
                            i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs en aanpassingen aan
                            de buitenzijde van gebouwen voor voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="3"><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                            gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen
                            capaciteitsuitbreiding inhouden;</al></li><li nr="4"><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                            inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te
                            passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs.</al></li></lijst><tussenkop>Ad 1</tussenkop><al>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                    voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                    inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                    toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting
                    van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door
                    nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende
                    bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen
                    vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan
                    capaciteit op te heffen.</al><tussenkop>Ad 2</tussenkop><al>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander
                    gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair
                    onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van schade in
                    bijzondere omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs vormen de tweede
                    hoofdprioriteit.</al><tussenkop>Ad 3</tussenkop><al>Aanpassingen aan de binnenzijde van gebouwen voor voortgezet onderwijs en de
                    aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het
                    (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte
                    verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3. </al><tussenkop>Ad 4</tussenkop><al>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe
                    onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                    activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging
                    van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.</al><tussenkop>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de
                    subprioriteiten</tussenkop><al>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de
                    nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de
                    hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie
                    die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening
                    opnieuw toegepast.</al><al>Onder <cursief>lesruimten</cursief> vallen: theorielokalen/leslokalen,
                    vaklokalen/speellokalen en gymnastiekruimten. </al><al>Onder <cursief>niet lesruimten</cursief> vallen: kabinetten, personeelsruimten
                    en overige nevenruimten binnen het gebouw.</al><al>Onder het begrip <cursief>overige ruimte</cursief> vallen: bergingen,
                    fietsenstallingen en voorzieningen aan het terrein.</al><tussenkop>2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als
                    bepaald op basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking:</tussenkop><lijst><li nr="a"><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                            schoolgebouwen;</al></li><li nr="b"><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                            schoolgebouwen en</al></li><li nr="c"><al>vervolgens die voorziening die noodzakelijk is als gevolg van de
                            groepsgrootteverkleining en die als eerste een ruimtetekort opheft en
                            vervolgens die relatief gezien een zo groot mogelijk geprognosticeerd
                            kwantitatief tekort opheft en</al></li><li nr="d"><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al></li></lijst><tussenkop>2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een adequaat
                    onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma in
                    aanmerking:</tussenkop><lijst><li nr="a"><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="b"><al>vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij
                            volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                            c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="c"><al>vervolgens die voorziening aan een
                            vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens het bouwkundige
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
                            kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="d"><al>vervolgens die voorziening aan een niet lesruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="e"><al>vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.</al></li></lijst><tussenkop>2.3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te voldoen
                    aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor
                    zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen' komt voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking:</tussenkop><lijst><li nr="a"><al>als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet en
                            regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                            bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al></li><li nr="b"><al>vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet
                            voldoet aan de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                            volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste
                            is; </al></li><li nr="c"><al>vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                            dat niet voldoet aan de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                            conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                            de minste is; </al></li><li nr="d"><al>vervolgens de voorziening aan een niet lesruimte die niet voldoet aan de
                            wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en</al></li><li nr="e"><al>vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de
                            wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al></li></lijst><tussenkop>2.4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als
                    gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige
                    aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het
                    onderwijs' komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:</tussenkop><lijst><li nr="a"><al>als eerste de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                            percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt
                            het hoogst is;</al></li><li nr="b"><al>vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten
                            waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige
                            beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="c"><al>vervolgens de voorziening aan niet lesruimte die als lesruimte in
                            gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw
                            onderwijskundig beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="d"><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                            omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en</al></li><li nr="e"><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene
                            aard, waarbij de ouderdom van het niet aangepaste gebouw het hoogste
                            is.</al></li></lijst><tussenkop>Toelichting</tussenkop><al>Voor de vaststelling van het programma moet in de situatie dat het beschikbaar
                    gestelde of beschikbaar te stellen budget onvoldoende is voor alle potentiële
                    toekenningen - alle aanvragen voor voorzieningen die voldoen aan de
                    beoordelingscriteria en die niet een spoedeisend zijn - een nadere en eenduidige
                    volgorde worden vastgesteld. De urgentiecriteria zijn dan nodig om te bepalen
                    welke voorzieningen achtereenvolgens als eerste in aanmerking komen voor
                    bekostiging. Indien het budget ruim genoeg is, behoeven de urgentiecriteria niet
                    te worden toegepast en volstaat het toepassen van de beoordelingscriteria en de
                    toekenning van een bedrag, dus de beschreven regels in de bijlagen I tot en met
                    IV.</al><al>Indien het vast te stellen budget onvoldoende ruimte biedt, ontkomt de gemeente
                    niet aan toepassing van de urgentiecriteria. Exacte en daarmee correcte
                    toepassing is zeer belangrijk, omdat de aandacht van de gemeenteraad zeker zal
                    uitgaan naar de voorzieningen waarvoor geen budget meer is.</al><al>Voor het staande houden van een budgettaire afwijzing in beroep is het nodig de
                    criteria die de volgorde bepalen, eenduidig vast te leggen en in de uitvoering
                    daaraan strikt de hand te houden. Met de hieronder gehanteerde indeling in
                    hoofd- en subprioriteiten is dit mogelijk.</al><al>De zorg voor adequate huisvesting volgens de wet betekent concreet dat het
                    vastgestelde bedrag voor het programma minimaal zo groot dient te zijn dat:</al><lijst><li nr="a"><al>elke groep een dak boven het hoofd kan worden geboden
                            (medegebruik/nieuw-bouw/-uitbreiding; blijvend of tijdelijk);</al></li><li nr="b"><al>vervanging en onderhoud/aanpassing (bouwkundige calamiteiten,
                            constructiefouten, herstel en vervanging van schade in verband met
                            bijzondere omstandigheden) absoluut noodzakelijk om de voortgang van het
                            onderwijs niet in gevaar te brengen, worden vergoed;</al></li><li nr="c"><al>voor alle aanwezige leerlingen eerste aanschaf van
                            onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair wordt
                            vergoed.</al></li></lijst><al>Deze voorzieningen zullen altijd moeten worden toegekend los van het feit of het
                    budget het op dat moment toelaat of niet. Dat kan invloed hebben op het budget
                    voor de volgende programma’s en op de mogelijkheden andere, minder urgente
                    voorzieningen toe te kennen.</al><al>Bij twee of meer aanvragen die in één categorie voor bekostiging in aanmerking
                    komen, dient in de hoofdprioriteit nadere invulling plaats te vinden om te
                    bepalen welke aanvraag steeds als eerste op het programma wordt geplaatst. De
                    volgorde van subprioriteit is bepalend voor de volgorde van de lijst van goed te
                    keuren voorzieningen.</al><al>In de subprioriteiten is met enkelvoudige criteria gewerkt om de bewerkingen
                    niet nodeloos gecompliceerd te maken.</al><al>De gemeente kan één integraal budget vaststellen voor alle drie de
                    onderwijssectoren tezamen. Dit zorgt voor een integrale afweging. Van die
                    systematiek is in de verordening uitgegaan. De gemeente kan ook deelbudgetten
                    vaststellen. Dat dient dan echter vóór de beoordeling van de voorzieningen
                    plaats te vinden. Een dergelijke handelwijze komt overeen met die van het
                    ministerie vóór 1997.</al><al>Indien een gemeente een bepaald beleid wil prioriteren, dan dient dit in de
                    systematiek van de verordening te geschieden door een wijziging van de
                    urgentiecriteria, en dus door een wijziging van de verordening.</al><al>De voorzieningen die in het kader van dat beleid aan de orde zijn worden
                    opgenomen als hoofdprioriteit 1. Desgewenst kunnen daarbinnen nog
                    subprioriteiten worden onderscheiden.</al><al>(Eerste) nieuwbouw, ingebruikneming, uitbreidingen en aanpassingen die
                    capaciteitstoevoegingen inhouden voor hetzelfde relatieve aandeel, worden
                    gelijkgeschakeld qua prioriteit ongeacht de onderwijssector, de benodigde
                    oppervlakte en de kosten. De prioriteit is hier dus hoger naarmate de
                    voorziening bestemd is voor een groter deel van de school (de prioriteit wordt
                    dus in een percentage uitgedrukt).</al><al>Huisvestingsvoorzieningen als gevolg van de groepsgrootteverkleining vallen
                    onder hoofdprioriteit 1: ‘voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op
                    basis van bijlage III op te heffen’. Voor een nadere subprioritering is het
                    uitgangspunt dat alle noodzakelijke huisvestingsvoorzieningen als gevolg van de
                    groepsgrootteverkleining voor een schoolgebouw via opname op één
                    huisvestingsprogramma worden toegekend. Hiermee wordt voorkomen dat een school
                    over diverse jaren telkens met één lokaal wordt uitgebreid. De subprioritering
                    wordt bepaald door het criterium dat als eerste de voorzieningen voor plaatsing
                    op het programma in aanmerking komt, die als eerste een ruimtetekort opheft. De
                    kans is aanwezig dat diverse scholen in hetzelfde jaar te maken krijgen met een
                    geprognosticeerd ruimtetekort. Een nadere prioritering wordt dan gegeven door te
                    berekenen welke voorziening relatief gezien een zo groot mogelijk
                    (geprognosticeerd) kwantitatief tekort opheft.</al><al> Binnen de hoofdprioriteit hebben alleen de kwantitatieve tekorten als gevolg
                    van leerlingengroei een hogere prioriteit (subprioriteit a en b) in vergelijking
                    met de huisvestingsvoorzieningen als gevolg van de groepsgrootteverkleining. </al><al>Herschikking levert altijd een extra waarde op ten opzichte van de som van
                    individuele nieuwbouw en uitbreidingen. In de fase van de beoordeling moet
                    scherp gelet worden op de noodzakelijkheid van elk van de in de herschikking
                    gevraagde voorzieningen om te voorkomen dat er een sluiproute ontstaat voor
                    individuele aanvragen.</al><al>De afweging van de volgorde bij de voorzieningen voor een adequaat
                    onderhoudsniveau wordt op basis van de conditie van het onderdeel of de
                    onderdelen gemaakt. Er wordt gewerkt met scores van het bouwkundig onderzoek en
                    de hoogte van de scores bepaalt de volgorde. De slechtste conditie wordt als
                    eerste gehonoreerd. In de subprioriteit bij de hoofdprioriteiten 2 en 3 is een
                    volgorde qua gewicht bepaald: eerst voorzieningen als het hele gebouw een zekere
                    mate van onderhoud/aanpassingen nodig heeft; vervolgens voorzieningen voor
                    (bepaalde) lesruimten en eindigend met overige ruimten/niet-lesgebouwen.</al><al>De aanpassingen om te voldoen aan wettelijke verplichtingen (bijvoorbeeld
                    Bouwbesluit, Arbo, brandweereisen) vallen onder hoofdprioriteit 3. Voor zover
                    sancties dreigen, die leiden tot sluiting van het schoolgebouw op korte termijn
                    indien niet aan het vereiste wordt voldaan, is er sprake van een voorziening die
                    spoedeisend is.</al><al> Samenvatting urgentiecriteria:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="336.75pt"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.27*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Hoofdprioriteiten</al></entry><entry colname="col2"><al>Subprioriteiten</al></entry><entry colname="col3"><al>Rangorde bepaling door:</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>1 capaciteitstekorten</al></entry><entry colname="col2"><al>a met herschikking</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage capaciteitstekort</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b zonder herschikking</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage capaciteitstekort</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c bij gymnastiekruimten</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage capaciteitstekort</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 adequaat onderhoudsniveau</al></entry><entry colname="col2"><al>a gebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b theorie /leslokaal</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c vak /speellokaal</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>d niet lesruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>e overige ruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 voldoen aan wettelijke verplichtingen</al></entry><entry colname="col2"><al>a gebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b theorie /leslokaal</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c vak /speellokaal</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>d niet lesruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>e overige ruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 nieuwe onderwijskundige inzichten c.a.</al></entry><entry colname="col2"><al>a voor theorie /leslokalen</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid
                                        geldt</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b voor vak /speellokalen</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid
                                        geldt</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c overige (toekomstige) onderwijsruimten</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid
                                        geldt</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>d herstel/vervanging schade in bijzondere omstandigheden,
                                        voor zover niet spoedeisend</al></entry><entry colname="col3"><al>mate van ernst van de schade</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>e overige activiteiten</al></entry><entry colname="col3"><al>ouderdom van het gebouw</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voorbeeld:</al><al>Na toepassing van de beoordelingscriteria blijken er in de gemeente X zeven
                    aanvragen te zijn, die potentieel voor goedkeuring in aanmerking komen. Het
                    totale bedrag, dat hiermee gemoeid is bedraagt € 730.000,--.</al><al>Het gaat om de volgende aanvragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="264.75pt"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Onderwerp: </al></entry><entry colname="col2"><al>Bedrag:</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>a Aanpassingen t.b.v. studiehuis V.O.</al></entry><entry colname="col2"><al>220.000,--</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b ARBO aanpassing lokaal B.O.</al></entry><entry colname="col2"><al>10.000,--</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c ARBO aanpassing lokaal B.O.</al></entry><entry colname="col2"><al>40.000,--</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d Uitbreiding 1 groep</al></entry><entry colname="col2"><al>50.000,--</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e Uitbreiding oefenvloer</al></entry><entry colname="col2"><al>300.000,--</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f Onderhoud dak B.O.</al></entry><entry colname="col2"><al>30.000,--</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g Onderhoud erfscheiding V.S.O.</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>80.000,--</onderstreept></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>TOTAAL:</al></entry><entry colname="col2"><al>730.000,--</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Deze zeven aanvragen worden allereerst ingedeeld in hoofd- en subprioriteiten,
                    vervolgens voorzien van de score en tenslotte in volgorde van de
                    urgentiecriteria gezet. Daar waar meerdere aanvragen in dezelfde hoofd- en
                    subprioriteit voorkomen komt als eerste de aanvraag met de hoogste score.</al><al>De score wordt als volgt bepaald:</al><al>-Voor de aanvragen in hoofdprioriteit 1 door het relatieve tekort aan
                    capaciteit.</al><al>Bij aanvraag d is het tekort bijvoorbeeld 1 groepsruimte op een aanwezige
                    capaciteit voor 8 groepen. De 55% score bij aanvraag e komt tot stand omdat de
                    bestaande oefenvloer van 140 m2 wordt uitgebreid tot 252 m2;</al><lijst><li nr="-"><al>Voor de aanvragen in de hoofdprioriteiten 2 en 3 door de uitkomst van de
                            bouwtechnische opname. Hoe hoger de score hoe meer noodzaak het probleem
                            aan te pakken;</al></li><li nr="-"><al>Voor de aanvragen in hoofdprioriteit 4 door het relatieve gebruik van de
                            onderwijskundige vernieuwing.</al></li></lijst><al>Bij aanvraag a is de score bijvoorbeeld 33%, omdat de vernieuwing voor de
                    bovenste twee leerjaren van een zes leerjaren tellende opleiding is
                    bedoeld.</al><al>Het resultaat van deze exercitie is de volgende lijst:</al><al>Rang- Aanvraag Onderwerp Hoofd Sub Score Bedrag Cumulatief</al><al>orde</al><table><tgroup cols="7"><tbody><row><entry><al>1</al></entry><entry><al>d</al></entry><entry><al>Uitbreiding 1 groep</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>b</al></entry><entry><al>12%</al></entry><entry><al> 50.000</al></entry><entry><al> 50.000</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>e</al></entry><entry><al>Uitbreiding oefenvloer</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>c</al></entry><entry><al>55%</al></entry><entry><al>300.000</al></entry><entry><al>350.000</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>g</al></entry><entry><al>Onderhoud erfscheiding VSO</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>a</al></entry><entry><al>96</al></entry><entry><al> 80.000</al></entry><entry><al>430.000</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>f</al></entry><entry><al>Onderhoud dak BO</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>a</al></entry><entry><al>84</al></entry><entry><al> 30.000</al></entry><entry><al>460.000</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>c</al></entry><entry><al>ARBO aanpassing lokaal BO</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>b</al></entry><entry><al>67</al></entry><entry><al> 40.000</al></entry><entry><al>500.000</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>b</al></entry><entry><al>ARBO aanpassing lokaal BO</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>b</al></entry><entry><al>62</al></entry><entry><al> 10.000</al></entry><entry><al>510.000</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>a</al></entry><entry><al>Aanpassing studiehuis VO</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>b</al></entry><entry><al>33%</al></entry><entry><al>220.000</al></entry><entry><al>730.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Afhankelijk van de hoogte van het huisvestingsbudget komt de grens tussen
                    goedkeuring en weigering op financiële gronden hoger of lager te liggen.</al><al>De gemeenteraad van X kan op grond van bovenstaande lijst het programma met het
                    daarbij behorende huisvestingsbudget vaststellen. Als de raad er bijvoorbeeld
                    voor kiest het huisvestingsbudget vast te stellen op € 510.000,--, dan kan en
                    zal aanvraag a op financiële gronden worden afgewezen.</al></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><tussenkop>Considerans</tussenkop><tussenkop>Delegatie raad aan het college</tussenkop><al-groep><al>De bevoegdheidsverdeling tussen het college en de raad wijkt in de
                        verordening op sommige onderdelen af van de in de wetgeving neergelegde
                        verdeling. Dit is gedaan om een betere aansluiting te bereiken op de
                        gangbare gemeentelijke bestuurspraktijk. Impliciet betekent dit dat bij
                        vaststelling van de verordening de raad een aantal zaken delegeert aan het
                        college. De basis voor deze delegatie is neergelegd in artikel 156 van de
                        Gemeentewet. Met de vaststelling van de verordening bepaalt de raad dus wat
                        hij aan bevoegdheden aan zich wil houden en op welke onderdelen de
                        uitoefening van bevoegdheden wordt gedelegeerd aan het college.</al><al>Het is dus niet noodzakelijk dat de raad hierover, naast de vaststelling van
                        de verordening, nog een afzonderlijk delegatiebesluit neemt.</al><al>Indien de modelverordening in zijn geheel wordt overgenomen, dan betekent
                        dit dat de raad de volgende in de wet aan hem toebedeelde bevoegdheden/taken
                        delegeert aan het college:</al></al-groep><lijst><li nr="-"><al>de beslissing om aanvragen die niet op tijd of uiteindelijk incompleet
                            zijn ingediend, buiten behandeling te laten (zie artikel 7, derde
                            lid);</al></li><li nr="-"><al>het plegen van overleg met het onderwijsveld voorafgaande aan de
                            vaststelling van een programma (zie artikel 10, lid 1 t/m 4);</al></li><li nr="-"><al>het, al dan niet uit eigen beweging, indienen van een verzoek om advies
                            aan de Onderwijsraad over het vast te stellen programma (zie artikel 10,
                            lid 5 t/m 10)</al></li><li nr="-"><al>de beslissing omtrent het tijdstip waarop de bekostiging van een door de
                            raad toegekende huisvestingsvoorziening een aanvang kan nemen (zie
                            artikel 16);</al></li><li nr="-"><al>de toetsing of op het hiervoor genoemde tijdstip is voldaan aan de bij
                            of krachtens de wet gestelde voorschriften en of de feiten en
                            omstandigheden waarin de school verkeert niet ingrijpend zijn gewijzigd
                            ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van de
                            vaststelling van het programma (zie artikel 15 en 16);</al></li><li nr="-"><al>de jaarlijkse prijsbijstelling van de op normatieve wijze bepaalde
                            vergoedingen voor toegekende huisvestingsvoorzieningen (zie artikel
                            42).</al></li></lijst><tussenkop>Overleg voorafgaande aan vaststelling (wijziging)
                    verordening.</tussenkop><al>Het wettelijk voorgeschreven "op overeenstemming gericht" overleg tussen de
                    gemeente en de schoolbesturen dat voorafgaat aan de vaststelling van de
                    verordening, is van groot belang met het oog op het streven om een zo breed
                    mogelijk draagvlak voor de verordening te bereiken binnen de onderwijssector. Om
                    dit belang te benadrukken is dit overleg in de considerans aangehaald. Het op
                    overeenstemming gericht overleg dient te worden gevoerd aan de hand van een door
                    de gemeenteraad vastgestelde procedure. Met de modelverordening "procedure
                    overleg huisvesting onderwijs" kan hierin worden voorzien.</al><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al-groep><al>Een belangrijk in de wet verankerd uitgangspunt bij de uitvoering van de aan
                        de gemeente overgedragen huisvestingstaak is dat het openbaar en bijzonder
                        onderwijs op gelijke voet worden behandeld. Dit uitgangspunt komt ook tot
                        uiting in de verordening. Het gemeentebestuur past bij de uiteindelijke
                        beslissingen over de huisvesting voor alle schoolbesturen dezelfde normen,
                        criteria etc. toe. Ook in procedurele zin is sprake van een volstrekt
                        gelijke behandeling. Als concreet voorbeeld kan genoemd worden dat de
                        indieningsdatum voor aanvragen en de voorwaarden waaraan deze moeten voldoen
                        voor alle schoolbesturen dezelfde zijn. </al><al>Om de gelijke behandeling over de volle breedte te waarborgen is ervoor
                        gekozen om onder de begripsomschrijving van ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’
                        alle schoolbesturen te vatten die een volgens de wet bekostigde
                        onderwijsvoorziening instandhouden die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is
                        op het grondgebied van de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging,
                        dislocatie). Er is dus geen onderscheid gemaakt tussen openbaar (in welke
                        bestuursvorm dan ook) en bijzonder onderwijs.</al><al>In het geval dat het college bestuur is van een openbare school waarvoor een
                        huisvestingsvoorziening wordt gewenst, betekent dit dat het college dus
                        gehouden is aan dezelfde procedures en termijnen als een bestuur van een
                        bijzondere school, een bestuurscommissie ex artikel 82 van de Gemeentewet
                        waaraan de schoolbestuurlijke zorg voor de huisvesting is overgedragen of
                        een openbaar lichaam dat krachtens een gemeenschappelijke regeling een
                        openbare school in stand houdt.</al><al>Dit kan tot de op het eerste gezicht wellicht wat wonderlijke situatie
                        leiden dat het college voor de in de verordening opgenomen indieningsdatum
                        "bij zichzelf" een aanvraag indient. In de gemeentelijke bestuurspraktijk is
                        dit geen novum. Zo komt het bijvoorbeeld geregeld voor dat het college bij
                        zichzelf een verzoek om een bouwvergunning voor een gemeentelijke project
                        indient.</al><al>Dit alles vergt wel dat het college hiermee zorgvuldig omgaat, in die zin
                        dat men altijd aan anderen (de raad, besturen van niet door de gemeente in
                        stand gehouden scholen) moet kunnen aantonen dat men de "eigen" aanvragen
                        ook daadwerkelijk in alle opzichten gelijk behandelt ten opzichte van de
                        andere aanvragen.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</tussenkop><al-groep><al>De omschreven voorzieningen geven niet alleen aan wat kan worden
                        aangevraagd, maar ook wat er door de gemeente (anderszins) kan worden
                        toegewezen. Voorzieningen die worden gewenst, maar die niet onder de
                        omschrijving van dit artikel kunnen worden gebracht, vallen buiten het
                        bereik van deze verordening. Louter op deze grond kan de gemeente een
                        dergelijke voorziening weigeren. Dit sluit ook aan op de in de wet opgenomen
                        weigeringsgrond dat een voorziening wordt geweigerd indien het geen
                        voorziening in de huisvesting is in de zin van de wet (zie bijvoorbeeld
                        artikel 100, eerste lid, onder a WPO).</al><al>Voorbeeld: het buitenschilderwerk van een basisschool wordt volgens de
                        opsomming van de onderhoudsactiviteiten (zie bijlage I, overzicht ‘Onderhoud
                        PO’) niet gerekend tot de huisvestingsvoorziening onderhoud als bedoeld in
                        artikel 2, onder c. Reden hiervoor is dat in deze bijlage buitenschilderwerk
                        niet als voorziening in de huisvesting is opgenomen. (Een vergoeding voor
                        het buitenschilderwerk vormt overigens een onderdeel van de vergoeding voor
                        de materiële instandhouding, welke een schoolbestuur rechtstreeks van het
                        rijk ontvangt.)</al><al>De benoemde activiteiten die wel als zodanig zijn aangemerkt, hebben daarmee
                        een limitatief karakter. Uiteraard heeft iedere gemeente de vrijheid tot
                        verruiming van de opgesomde activiteiten over te gaan, maar dus niet tot
                        inperking.</al><al>In artikel 2 zijn de in de wet globaal aangeduide voorzieningen in de
                        huisvesting (zie bijvoorbeeld artikel 92 WPO) nader gespecificeerd. Op dit
                        punt onderscheidt het zich van de in artikel 1 verklaarde begrippen.</al></al-groep><tussenkop>Ad a</tussenkop><lijst><li nr="1°"><al> Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende
                            nieuwbouw.</al></li><li nr="2°"><al> Ingevolge het bepaalde in bijlage I gaat het bij uitbreiding in het
                            primair onderwijs om een noodzakelijke uitbreiding voor de huisvesting
                            van minimaal één groep. </al></li><li nr="3°"><al> Ingebruikneming komt als term voor een voorziening in de huisvesting in
                            de wet niet voor, maar wordt daar aangeduid met ‘bestaand gebouw of een
                            gedeelte daarvan’. Het kan daarbij gaan om zowel een onderwijsgebouw dat
                            geheel leegstaat als een niet- onderwijsgebouw. Bij ingebruikneming
                            worden de gebouwen bestemd voor onderwijsdoeleinden. Bij gedeeltelijke
                            leegstand in een schoolgebouw waarvan een andere school gebruikt maakt
                            is er sprake van medegebruik.</al></li><li nr="4°"><al> Verplaatsing is beperkt tot noodlokalen vanwege de aard van een gebouw
                            (men kan zich in de praktijk weinig voorstellen bij een verplaatsing van
                            een permanent gebouw, dan is er sprake van vervangende nieuwbouw). </al></li><li nr="5°"><al> Toekenning van terrein voor de realisering van de bouw of uitbreiding
                            van een onderwijsgebouw is geen automatisme zoals voor de
                            decentralisatie in het primair onderwijs het geval was. Een toekenning
                            van terrein vindt nu alleen nog maar plaats wanneer de grond nodig is
                            voor de feitelijke realisering van de huisvestingsvoorziening.</al></li><li nr="6°"><al>/7° Het onderscheid tussen onderwijsleerpakket en meubilair is gemaakt
                            om bij een</al><al>uitbreiding op basis van de toepassing van het ‘schoolgewicht’ in het
                            basisonderwijs alleen de voorziening OLP te hoeven toekennen. De
                            handelwijze om bij fusies uit te gaan van de inbreng van het bestaande
                            meubilair en onderwijsleerpakket in de gefuseerde school betekent een
                            verscherping ten opzichte van het huidige toekenningsbeleid, maar is in
                            het kader van het bereiken van efficiency en het leveren van maatwerk op
                            lokaal niveau te rechtvaardigen. </al></li><li nr="8°"><al> Medegebruik beperkt zich in principe tot gebouwen die reeds in gebruik
                            zijn bij primair onderwijs. Onder medegebruik valt tevens het gebruik
                            van een gymnastiekaccommodatie die niet in eigendom is van een school
                            (bijvoorbeeld medegebruik in een gemeentelijke accommodatie). De
                            genoemde schoolsoorten in het (v)so betreffende de volgende. Voor een
                            bad voor bewegingstherapie: een school voor lichamelijk gehandicapte
                            kinderen of meervoudig gehandicapte kinderen met een lichamelijke
                            handicap. Voor een bad voor watergewenning: een school voor zeer
                            moeilijk lerende kinderen of meervoudig gehandicapte kinderen.</al></li></lijst><tussenkop>Ad b en c </tussenkop><al>In bijlage I van de verordening zijn ter verduidelijking de overzichten, die ook
                    onderdeel vormen van de toelichting op de wet, overgenomen. In deze overzichten
                    is aangegeven welke onderhoudsactiviteiten voor het primair onderwijs (overzicht
                    I-1) in beginsel voor rekening van de gemeente kunnen worden gebracht. Daarnaast
                    is in bijlage I verder inhoud gegeven aan de voor de invoering van de
                    decentralisatie in het primair onderwijs gehanteerde begrippen ‘partiële en
                    algehele aanpassing’. Hiermee is in bijlage I de concrete inhoud van de
                    begrippen aanpassing en onderhoud aangegeven.</al><tussenkop>Ad d </tussenkop><al>Voor het begrip constructiefouten is een ‘definitie’ geformuleerd, gebaseerd op
                    de in het verleden hierover gevormde jurisprudentie. Als een constructiefout een
                    directe belemmering vormt voor de voortgang, kan het herstel van de fout op
                    grond van de spoedprocedure (artikel 19 e.v.) worden aangevraagd. Kan het
                    herstel van de fout wel uitstel dulden dan is de mogelijkheid tot het aanvragen
                    van plaatsing van een voorziening op het programma de meeste geëigende
                    procedure. In dat laatste geval zijn de gewone urgentiecriteria alsmede de
                    financiële weigeringsgrond van toepassing.</al><tussenkop>Ad e </tussenkop><al-groep><al>De bijzondere omstandigheden zoals genoemd in de wet zijn in de verordening
                        niet nader uitgewerkt, aangezien dergelijke omstandigheden zich niet
                        uitputtend laten beschrijven. Wel is in de wet bepaald dat de gemeente een
                        huisvestingsvoorziening kan weigeren indien de voorziening nodig is voor
                        herstel van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd
                        gezag (zie bijvoorbeeld artikel 100, tweede lid WPO).</al><al>De aanduiding in de wet dat herstel en vervanging in verband met schade aan
                        een gebouw geldt als een huisvestingsvoorziening betekent dat de beoordeling
                        van deze voorziening dient te verlopen via de reguliere procedure van het
                        programma of via de spoedprocedure. De reguliere procedure is echter niet
                        altijd geschikt voor de afhandeling van dergelijke aanvragen. Het herstel
                        van schade is meestal spoedeisend. Daarbij komt dat zeker voor de kleine
                        schadegevallen (bijvoorbeeld glasschade) de regulier procedure te zwaar en
                        te omslachtig is.</al><al>Dit pleit ervoor om in ieder geval de kleinere schaden door het college te
                        laten afwikkelen in het kader van de spoedprocedure. Er wordt nog bezien of
                        voor de afwikkeling van dergelijke schaden een lichtere procedure kan worden
                        getroffen. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de praktijk zoals die zich
                        heeft ontwikkeld in het voortgezet onderwijs in relatie tot het collectief
                        verzekeringscontract. Deze praktijk houdt in dat bepaalde schaden (met name
                        glasschade) rechtstreeks door de schoolbesturen kunnen worden afgewikkeld
                        met een door de verzekeraars ingesteld bureau dat belast is met de
                        afwikkeling. Het collectief contract, deze werkwijze incluis, wordt voor het
                        jaar 1997 voortgezet. Op weg naar 1998 zal door alle betrokkenen worden
                        bezien in hoeverre deze handelwijze ook na 1997 kan worden voortgezet en
                        wellicht worden verbreed naar het primair onderwijs. Indien dit haalbaar
                        mocht zijn dan kan een groot deel van de schadegevallen buiten de
                        verordening om worden afgehandeld. Alleen voor de grotere schadegevallen zal
                        dan de verordening in stelling moeten worden gebracht.</al></al-groep><tussenkop>Ad f </tussenkop><al>Evenals voor de invoering van de decentralisatie het geval was, kan aan een
                    schoolbestuur in het voortgezet onderwijs onder bepaalde voorwaarden een
                    vergoeding worden toegekend voor het huren van een sportterrein voor
                    buitensportactiviteiten gedurende een periode van maximaal acht weken. </al><tussenkop>Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen</tussenkop><al>De wet biedt de gemeenteraad de mogelijkheid om, naast de toewijzing en
                    vergoeding van de huisvestingsvoorziening zelf, aan een bevoegd gezag dat daarom
                    verzoekt een vergoeding toe te kennen voor de kosten gemoeid met de
                    voorbereiding (van de aanvraag) van de huisvestingsvoorziening. Het betreft een
                    facultatieve bepaling. Een gemeente is, met andere woorden, niet verplicht
                    daadwerkelijk deze mogelijkheid te bieden. </al><al-groep><al>Uit oogpunt van ‘kenbaar bestuur’, waaronder het vooraf geven van
                        duidelijkheid over het gemeentelijk optreden, is ervoor gekozen om in de
                        verordening een bepaling op te nemen waarmee de lokale overheid aangeeft of,
                        en zo ja ten aanzien van welke soort van huisvestingsvoorzieningen, de
                        gemeente de mogelijkheid van een bouwvoorbereidingskrediet opent.</al><al>In artikel 3 wordt hiervoor de basis gelegd, waarbij het voor de hand ligt
                        dat een gemeente de mogelijkheid beperkt tot die huisvestingsvoorzieningen
                        die naar aard en (financiële) omvang belangrijk zijn. Hierbij kan vooral
                        worden gedacht aan voorzieningen zoals (vervangende) nieuwbouw en
                        uitbreiding. Deze voorzieningen vergen doorgaans de meeste
                        voorbereidingstijd en kosten in het kader van de bouwplanontwikkeling.</al></al-groep><al>In hoofdstuk 4 van de verordening wordt de aanvraag en besluitvormingsprocedure
                    voor de bouwvoorbereiding nader geregeld. Hierbij is uitgegaan van een - ook in
                    tijd bezien - gelijkschakeling met de aanvraagprocedure voor opneming van een
                    huisvestingsvoorziening in het programma. Formeel is het evenwel een gescheiden
                    traject, omdat de vergoeding voor de kosten van bouwvoorbereiding in de zin der
                    wet géén voorziening in de huisvesting is en derhalve ook geen onderdeel van het
                    huisvestingsprogramma kan zijn.</al><tussenkop>Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen</tussenkop><al-groep><al>Dit artikel vormt de ‘kapstok’ op basis waarvan de vergoeding wordt
                        vastgesteld voor de door de gemeente voor vergoeding in aanmerking gebrachte
                        huisvestingsvoorzieningen in het kader van de programma vaststelling, de
                        spoedprocedure, de bouwvoorbereiding of het overgangsrecht.</al><al>Ten aanzien van de in de artikelen 2 en 3 onderscheiden voorzieningen wordt
                        hier de grondslag van de vergoeding gelegd. Hierbij zijn twee benaderingen
                        denkbaar: een normatieve en een feitelijke bepaling van de kosten die
                        vergoed worden. Ook hier is uit oogpunt van ‘kenbaar bestuur’ ervoor gekozen
                        om voorafgaande aan de indiening van en besluitvorming over aanvragen,
                        duidelijk per voorziening aan te geven welke benadering ten aanzien van de
                        vergoeding geldt. Bij de vaststelling van de verordening dient per
                        voorziening de afweging te worden gemaakt welke benadering van toepassing
                        is. Deze afweging dient niet alleen te worden gemaakt ten aanzien van de
                        voorzieningen in de huisvesting, maar voor de vergoeding van de kosten van
                        bouwvoorbereiding. Dit vloeit ook voort uit het eerste lid van artikel 4 en
                        uit artikel 25, derde lid onder h van de modelverordening. Bij de te maken
                        afweging ligt het voor de hand om in ieder geval voor niet of nauwelijks
                        vooraf te normeren kosten van een bepaalde voorziening te kiezen voor een
                        vergoedingswijze die gebaseerd is op een individuele beoordeling van de
                        feitelijke kosten (de zgn. offertelijn).</al><al>Uitgaande van de voorzieningen waarvoor in bijlage IV, deel A, van de
                        modelverordening gezien de aard van de voorziening geen normvergoeding is
                        bepaald, is de offertelijn in ieder geval goed denkbaar bij de volgende
                        voorzieningen:</al></al-groep><lijst><li nr="-"><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen;</al></li><li nr="-"><al>onderhoud (m.i.v. 2003 voor programma 2004 e.v.)</al></li><li nr="-"><al>herstel van constructiefouten;</al></li><li nr="-"><al>herstel en vervanging in verband met schade;</al></li><li nr="-"><al>aanpassingen aan gebouwen;</al></li><li nr="-"><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw;</al></li><li nr="-"><al>aankoop van terreinen ten behoeve van de realisering van een
                            huisvestingsvoorziening;</al></li><li nr="-"><al>huur van bestaande andere, niet-onderwijsgebouwen;</al></li><li nr="-"><al>kosten van bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="-"><al>medegebruik of nieuwbouw van een bad voor watergewenning of
                            bewegingstherapie in het (v)so.</al></li></lijst><al-groep><al>Uiteraard kan op basis van de afweging op lokaal niveau een andere keuze
                        worden gemaakt, die veranderd dient te worden in artikel 4 opdat de
                        potentiële aanvragers vooraf op de hoogte zijn van welke lijn van toepassing
                        is op een voorziening (de genormeerde of feitelijke kostenlijn).</al><al>Het onderbrengen van een van de hiervoor genoemde voorzieningen in een
                        genormeerde benadering brengt met zich dat daarvoor door de gemeente in
                        bijlage IV, deel A een genormeerde vergoeding wordt vastgesteld. Anders dan
                        bij de genormeerde vergoeding het geval is, begint de offertelijn met een
                        door de aanvrager bij de aanvraag van de gewenste huisvestigingsvoorziening
                        over te leggen raming van kosten. De gemeente toetst deze raming en stelt
                        deze zo nodig bij. Het bedrag van de al dan niet bijgestelde raming is
                        vervolgens een gegeven in het kader van de vaststelling van het
                        huisvestingsbudget en het programma. Bij een eventuele uitvoering van de
                        voorziening, die voortkomt uit een plaatsing op het programma, kan de raming
                        op basis van over te leggen offertes worden omgezet in een definitieve
                        vaststelling van de vergoeding die de gemeente ter beschikking stelt van de
                        aanvrager.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 5 Informatieverstrekking</tussenkop><al-groep><al>Dit artikel is de concrete uitwerking van de informatiebepaling uit de wet.
                        Deze bepaalt dat een bevoegd gezag aan de gemeente alle inlichtingen dient
                        te verschaffen die de gemeente noodzakelijk acht voor een adequate
                        uitvoering van de bevoegdheden terzake van de onderwijshuisvesting (zie
                        bijvoorbeeld artikel 112 WPO).</al><al>Ook hier is omwille van de duidelijkheid voor zowel de schoolbesturen als de
                        gemeente gekozen voor een zo concreet mogelijke invulling van de inhoud van
                        de informatie-verstrekking in de verordening. Artikel 5 omvat het
                        informatieverkeer zoals dat zich voltrekt tussen schoolbestuur en lokale
                        overheid, ongeacht of er sprake is van een verzoek om vergoeding van een
                        huisvestingsvoorziening.</al><al>De gemeente moet immers over een adequaat en daarmee up to date bestand
                        beschikken van gegevens die relevant zijn voor de onderwijshuisvesting. Dit
                        bestand vormt vaak het vertrekpunt bij de beoordeling van de
                        huisvestingswensen.</al><al>De leden 1 t/m 4 hebben betrekking op informatie die het schoolbestuur uit
                        eigen beweging dient te verstrekken aan het college. Het vijfde lid ziet op
                        een informatieverplichting van een schoolbestuur op een expliciet verzoek
                        daartoe van het college. </al><al>Het informatieverkeer dient gekenmerkt te worden door een zekere
                        terughoudendheid bij de lokale overheid, in die zin dat de te verstrekken
                        informatie ook een aantoonbare functie vervult in het licht van de
                        gemeentelijke zorg voor de huisvesting. Verstrekking van informatie waarbij
                        een dergelijke functie niet kan worden aangetoond, dient achterwege te
                        blijven.</al><al>Zoals in het informatie-artikel is beschreven, valt de gegevensuitwisseling
                        te onderscheiden in basis- en periodieke gegevens. Basisgegevens betreffen
                        ‘basale’ gegevens over het bevoegd gezag, over de school en over de
                        huisvestingssituatie van de school. De basisgegevens, die per 1 januari 1997
                        worden aangetroffen en verzameld, zullen bijvoorbeeld samen de input vormen
                        van de ‘nulmeting’ (zie ook bijlage III, deel A). De nulmeting is de basis
                        op grond waarvan de bestaande huisvestingssituatie in termen van aanwezige
                        capaciteit wordt vastgelegd.</al><al>De basisgegevens zullen in de regel niet frequent wijzigen. Bij wijziging
                        dienen de veranderde gegevens, door het bevoegd gezag wel gemeld te worden
                        bij het college teneinde het gegevensbestand up to date te houden.</al><al>Daarnaast worden de periodieke gegevens onderscheiden. De belangrijkste
                        hiervan is de jaarlijkse leerlingtelling, gezien de directe relatie tussen
                        het aantal leerlingen en de benodigde huisvestingscapaciteit. Omdat deze
                        telgegevens dermate belangrijk zijn voor de uitvoering van de
                        huisvestingstaken, is de verstrekking daarvan expliciet opgenomen in de
                        verordening. Met de jaarlijkse opgave van het aantal leerlingen worden de
                        ‘telformulieren’ bedoeld die de schoolbesturen op basis van het
                        Bekostigingsbesluit WPO dienen te verstrekken aan de minister van
                        OCenW.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 6 Indiening aanvraag</tussenkop><tussenkop>(Indienings)termijnen</tussenkop><al-groep><al>In de algemene toelichting op de verordening in paragraaf 2.2.6.3 is de
                        procedure (koppeling aan gemeentelijke begrotingscyclus en het daaraan
                        ontleende tijdpad) uitgebreid beschreven.</al><al>De in de verordening vermelde data zijn zodanig gekozen, dat er voor de
                        gemeente voldoende voorbereidingstijd is om te komen tot een zorgvuldige
                        vaststelling van het programma. Dit behoeft allerminst uit te sluiten dat
                        naar gelang de lokale situatie (zoals de omvang van de gebouwenvoorraad en
                        de hiermee samenhangende omvang van het te verwachten aantal aanvragen, de
                        mogelijke aanwezigheid van een meerjarige planning en hieraan gekoppelde
                        afspraken over de huisvesting en de inrichting van de eigen organisatie) de
                        voorbereidingstijd wordt bekort en dus van een later tijdstip van indiening
                        wordt uitgegaan (1 maart of 1 april). Een verlenging van deze periode door
                        het vervroegen van de indieningsdatum ligt minder voor de hand. Het tijdstip
                        tussen indiening van de aanvraag en de beslissing daarop wordt dan aan de
                        lange kant. Daarmee zou een belangrijk winstpunt ten opzichte van de
                        procedures OVH- en IS-procedures) die golden vóór invoering van de
                        decentralisatie, aan kracht inboeten. </al><al>Dit winstpunt heeft betrekking op het feit dat de procedures voor de voor
                        blijvend gebruik bestemde voorzieningen met ongeveer een jaar bekort
                        worden.</al><al>In de modelverordening is een sanctie verbonden aan een te late indiening
                        van de aanvraag. Deze aanvraag wordt door het college niet in behandeling
                        genomen. Het buiten behandeling laten van de aanvraag betekent dat de
                        aanvraag niet door het college verder wordt betrokken bij van de
                        voorbereiding van het programma en het overzicht en dus ook niet bij het
                        uiteindelijke voorstel daarover aan de raad. </al></al-groep><tussenkop>Geen indiening aanvragen overzicht in het kader van meerjarig
                    huisvestingsbeleid (het zgn. ‘consensusmodel’)</tussenkop><al>In artikel 6 is de mogelijkheid van indiening van aanvragen beperkt tot die voor
                    het programma. De reden hiervan is dat de wetgeving slechts van deze
                    mogelijkheid uitgaat. De wetgever heeft niet voorzien in een mogelijkheid van
                    indiening van een aanvraag voor het overzicht. Dit hangt samen met de functie
                    die de wetgever aan het overzicht toekent (zie bijvoorbeeld artikel 96 WPO). </al><al>Bij de parlementaire behandeling is daarover het volgende opgemerkt: ‘Het
                    overzicht [...] bevat slechts een verzameling van afgewezen aanvragen van niet
                    door de gemeente in stand gehouden scholen en gewenste huisvestingsvoorzieningen
                    van door de gemeente in stand gehouden scholen die niet in het eerste jaar
                    kunnen worden gerealiseerd. De plaatsing op het overzicht kan bijvoorbeeld het
                    gevolg zijn van het feit dat het voor nieuwe voorzieningen vastgestelde budget
                    niet toereikend is dan wel dat de aangevraagde voorziening geen
                    huisvestingsvoorziening in de zin van de wet en/of gemeentelijke verordening is.
                    De enige reden dat bedoeld overzicht dient te worden gepubliceerd, is
                    informatieverstrekking van scholen om te kunnen inschatten of een aanvraag in
                    een volgend jaar een kans van slagen heeft. Het is derhalve niet bedoeld als
                    huisvestingsplan.’ (TK 1995 1996, 24 455, nr.7).</al><al>Geconstateerd kan worden dat de wetgever geen kaders heeft willen stellen of
                    instrumenten in de wet heeft opgenomen waarmee een gemeente schoolbesturen kan
                    ‘dwingen’ om ten aanzien van de huisvesting te handelen in het licht van een
                    meerjarig perspectief. Met dit laatste wordt bedoeld dat op lokaal niveau sprake
                    is van een voortschrijdende meerjarige planning van huisvestingsvoorzieningen,
                    waarbij een koppeling is gelegd met de gemeentelijke meerjarenbegroting. Zo’n
                    meerjarige planning kan gebaseerd zijn op:</al><lijst><li nr="-"><al>een inventarisatie van de wensen ten aanzien de huisvesting (op basis
                            van prognoses; woningbouwplanning; verschuiving in leerlingstromen en
                            voedingsgebieden; meerjarige onderhoudsplannen e.d.);</al></li><li nr="-"><al>een aangebrachte prioritering in de wensen, tot uitdrukking komend in
                            het vermoedelijke tijdstip van daadwerkelijke bekostiging;</al></li><li nr="-"><al>een koppeling met de financiële mogelijkheden in het kader van de
                            meerjarenbegroting.</al></li></lijst><al>Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat zeker in het primair onderwijs een
                    dergelijk meerjarige aanpak op lokaal niveau steeds meer ingang vindt, in de
                    vorm van ‘integrale huisvestingsplannen’ en plannen voor het meerjarig
                    onderhoud. Niet verwonderlijk omdat:</al><lijst><li nr="-"><al>het een efficiënte aanwending van de gebouwenvoorraad bevordert (saneren
                            van zowel voor gemeente als schoolbesturen kostbare leegstand;
                            capaciteit creëren of in stand houden op die locaties waar de behoefte
                            aanwezig is);</al></li><li nr="-"><al>gemeente en schoolbestuur meer houvast wordt gegeven over de richting
                            van het huisvestingsbeleid. Behoudens onvoorziene omstandigheden vormt
                            het programma het (jaarlijkse) formele sluitstuk van de bekostiging van
                            voorzieningen die op zich reeds enige tijd werden voorzien en waarmee
                            rekening was gehouden.</al></li></lijst><al-groep><al>Zoals gezegd kan een dergelijke benadering ingevolge de wet niet worden
                        afgedwongen. Dit laat natuurlijk onverlet dat de gemeente een dergelijke
                        aanpak effectueert, indien daarover overeenstemming bestaat met de
                        schoolbesturen (al dan niet per onderwijssoort). In aanvulling op hetgeen
                        hierover al is opgemerkt in de algemene toelichting plaatst een dergelijk
                        ‘consensusmodel’ de werking van de verordening in een ander daglicht. De
                        verordening met al zijn normen en criteria is dan meer iets dat de gemeente
                        achter de hand heeft in het geval het consensusmodel niet (meer) werkt. De
                        verordening verkrijgt hiermee meer een ‘vangnetfunctie’. Daarnaast houdt de
                        verordening zijn formele functie voor wat betreft de uiteindelijke
                        toekenning van voorzieningen door middel van plaatsing op het programma. Het
                        gaat daarbij om het (jaarlijks) formaliseren van de in het kader van het
                        consensusmodel gemaakte afspraken, voor zover volgens deze afspraken de
                        voorzieningen in het betrokken jaar aan bod dienen te komen. Hiermee vindt
                        de uiteindelijke toekenning en bekostiging plaats met inachtneming van de
                        door de wetgever gestelde kaders.</al><al>Het inhoudelijke zwaartepunt van het lokaal gevoerde huisvestingsbeleid ligt
                        echter vast in de afspraken over het ‘integraal huisvestingsplan’, die
                        jaarlijks worden herijkt. De inhoud en duur van de afspraken zal verschillen
                        naargelang de lokale omstandigheden.</al></al-groep><al>Er is van af gezien om in de verordening (facultatieve) bepalingen op te nemen
                    in het geval op lokaal niveau een planmatige aanpak wordt overeengekomen. Dit is
                    gedaan vanuit de notie dat wanneer men overeenstemming weet te bereiken over een
                    dergelijke aanpak, inclusief afspraken over de effectuering in het kader van de
                    vaststelling van het programma, men ook zelf invulling geeft aan de vormgeving
                    van deze afspraken. Gezien het tweezijdige karakter van deze afspraken is het
                    opnemen van bepalingen in de verordening daarvoor niet de aangewezen weg.
                    Daarbij kan sterk getwijfeld worden aan de rechtskracht van dergelijke
                    bepalingen, indien (onverhoopt) één van de partijen af wil van de op vrijwillige
                    basis gemaakte afspraken en zich daarbij beroept op de formele wettelijke
                    kaders.</al><tussenkop>Aanvraagformulier </tussenkop><al>Zeker in grotere gemeenten kan een gestandaardiseerde wijze van indiening van
                    aanvragen zijn nut hebben. Zo kan het bijvoorbeeld de onderlinge
                    vergelijkbaarheid van aanvragen verbeteren, hetgeen van belang kan zijn wanneer
                    men vanwege een ontoereikend budget moet overgaan tot prioritering.</al><tussenkop>Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                    behandelen onvolledige aanvraag</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Dit lid bevat een opsomming van enkele basisgegevens die bij elke aanvraag
                    moeten worden vermeld. Wanneer gewerkt wordt met een aanvraagformulier, worden
                    deze en de onder lid 2 opgenomen gegevens standaard opgenomen. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al-groep><al>In dit lid is een aantal specifieke aanvullende gegevens opgenomen dat,
                        afhankelijk van de voorziening die wordt aangevraagd, moet worden
                        overgelegd. </al><al>Allereerst betreft het de leerlingprognose, die vrijwel bij iedere
                        aangevraagde voorziening moet worden ingediend. Hierop zijn in navolging op
                        het beleid dat van kracht was voor de decentralisatie, enkele uitzonderingen
                        van toepassing. Het betreft de aanvragen ‘sec’ voor de eerste aanschaf van
                        onderwijsleerpakket en meubilair, dat wil zeggen zonder dat er noodzaak is
                        om de capaciteit van de bestaande huisvesting uit te breiden, aanvragen voor
                        herstel van constructiefouten en herstel van schade wegens bijzondere
                        omstandigheden en aanvraag voor de huur van een sportterrein voor een school
                        voor voortgezet onderwijs. </al><al>In de praktijk is het echter goed denkbaar dat in bepaalde situaties de
                        prognose-eis te zwaar is of geen reëel doel dient. Gedacht kan bijvoorbeeld
                        worden aan de aanvraag voor vervanging van de dakbedekking van een
                        (getalsmatig) gezonde, levensbare basisschool. Overwogen kan worden hiervoor
                        een aanvullende bepaling op te nemen in de verordening waarbij het college
                        de mogelijkheid heeft om op verzoek van het schoolbestuur de prognose-eis te
                        laten vallen, indien de aard van de gevraagde voorziening daartoe aanleiding
                        geeft. Aan de andere kant is het ook denkbaar dat de gemeente in de
                        verordening wel een prognose-eis verbindt aan een voorziening die hiervan nu
                        is uitgezonderd. Hierbij kan worden gedacht aan de herbouw van een afgebrand
                        schoolgebouw (onderdeel van de voorziening herstel en vervanging in verband
                        met schade). Een prognose kan daarbij uitwijzen in hoeverre het noodzakelijk
                        is de school in haar oorspronkelijke omvang te herbouwen.</al><al>Overigens is het ook mogelijk de prognose-eis in zijn geheel te schrappen
                        uit het model, wanneer op lokaal niveau overeenstemming bestaat over de
                        toepassing en het resultaat (inclusief de jaarlijkse bijstelling) van een
                        prognosemethodiek. Een instantie, bijvoorbeeld het onderdeel van het
                        gemeentelijk apparaat dat belast is met bevolkingsprognoses, is dan belast
                        met de operationalisatie van de methodiek.</al></al-groep><al>Naast de prognose is de bouwkundige rapportage een in het oog springend,
                    aanvullend gegeven.</al><al>Een bouwkundige opname is aan de orde wanneer het relevant is om bij de
                    beoordeling van een huisvestingsverzoek vast te stellen of het gewenste
                    onderhoud aan een gebouw inderdaad noodzakelijk is. Ook ten aanzien hiervan
                    wordt de praktijk van vóór 1 januari 1997 gecontinueerd. De bouwkundige
                    rapportage dient een tweeledig doel:</al><lijst><li nr="a"><al> vaststelling van de noodzaak voor dat onderhoud;</al></li><li nr="b"><al> vaststelling van de mate van urgentie.</al></li></lijst><al>De bouwkundige rapportage kan geschieden aan de hand van de invulling van het
                    door de raad vast te stellen formulier ‘Bouwkundige opname’. Bij de opzet van
                    dit formulier is aangesloten bij een reeds door de Rijksgebouwendienst
                    ontwikkelde schouwmethode voor schoolgebouwen, zoals deze voor de
                    decentralisatie zowel in het primair als voortgezet onderwijs werd
                    toegepast.</al><tussenkop>Lid 3-5 </tussenkop><al-groep><al>Met de in deze leden geformuleerde bepalingen wordt nader invulling gegeven
                        aan het bepaalde in artikel 4:5 Awb. De geboden mogelijkheid om aanvullend
                        gegevens aan te leveren gaat vooraf aan de in de Awb opgenomen mogelijkheid
                        om als bestuursorgaan (in casu het college) een aanvraag buiten behandeling
                        te laten in verband met onvoldoende verstrekte gegevens en bescheiden. De
                        Awb kent nadere bepalingen die het bestuursorgaan daarbij in acht moet
                        nemen. Zo moet het besluit om de aanvraag niet te behandelen binnen vier
                        weken nadat de aanvraag is aangevuld of wanneer de termijn die voor de
                        aanvulling is gegeven ongebruikt verstreken is, aan de aanvrager bekend
                        gemaakt te worden.</al><al>Terwille van de duidelijkheid voor de potentiële aanvragers is ervoor
                        gekozen om de concrete uitwerking van de Awb in dit opzicht in de
                        verordening op te nemen. Deze uitwerking komt er op neer dat de duur van
                        termijnen die het college kan hanteren in de verordening is vastgelegd.</al><al>De bevoegdheid die het college wordt toegekend om incomplete aanvragen niet
                        te behandelen, heeft als praktisch voordeel dat dergelijke aanvragen in een
                        eerder stadium kunnen worden afgehandeld. De gemeenteraad hoeft zich in het
                        kader van de vaststelling van het programma alleen te buigen over de inhoud
                        van volledige aanvragen en zich niet met vormfouten rond incomplete
                        aanvragen bezig te houden. Dit komt ook overeen met de huidige
                        bestuurspraktijk.</al></al-groep><tussenkop>Géén hardheidsclausule </tussenkop><al>Er is van af gezien hier een hardheidsclausule op te nemen, die het mogelijk
                    maakt om in geval van overmacht aan de zijde van de aanvrager af te wijken van
                    de termijnen. Een gemeente kan zelf de afweging maken of men een dergelijke
                    clausule, die een zekere mate van vrijheid toestaat bij het afwijken van de
                    algemene regels, wenselijk vindt. Het gevaar van een hardheidsclausule is dat er
                    (relatief) vaak een beroep op wordt gedaan. De behandeling vergroot de
                    uitvoeringslast van het bestuursorgaan en bekort bij toewijzing de beschikbare
                    tijd voor de (voorbereiding van de) besluitvorming. Daarnaast lijkt een
                    hardheidsclausule te veel van het goede tegen de achtergrond van de mogelijkheid
                    om in klemmende situaties een aanvraag met een spoedeisend karakter in te
                    dienen. </al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al-groep><al>In enkele specifieke gevallen is het noodzakelijk om het resultaat van de
                        wettelijke teldatum van 1 oktober ‘onverwijld’ door te geven aan de
                        gemeente. Dit omdat het resultaat - en de daarmee samenhangende behoefte aan
                        huisvesting(scapaciteit) - van direct belang is voor de beoordeling van de
                        noodzaak van een aangevraagde voorziening en daarmee van het al dan niet
                        opnemen van de voorziening op het programma.</al><al>In concreto betreft het hier aanvragen voor tijdelijke voorzieningen in de
                        huisvesting in het (school)jaar dat volgt op de programmavaststelling. Zo
                        zal bijvoorbeeld de noodzaak van een extra noodlokaal aan het begin van het
                        schooljaar doorgaans bepaald worden door het leerlingaantal en het daarmee
                        samenhangende ‘ruimtebeslag’ op de teldatum van 1 oktober daarvoor. De
                        noodzaak van de tijdelijke voorziening is daarmee afhankelijk van het
                        resultaat op de teldatum. Aangezien dit essentieel is voor de uiteindelijke
                        beoordeling door de raad, is de bepaling in het vierde lid opgenomen.
                        Evenals het geval is bij andere in de verordening opgenomen termijnen is ook
                        hier gekozen voor het werken met een fatale termijn. Daarbij is de
                        gemeenteraad - en niet het college - het bestuursorgaan dat beslist om een
                        aanvraag niet te behandelen wanneer de vereiste gegevens niet of te laat
                        worden verstrekt. Dit vanuit de gedachte dat in de meeste gevallen het
                        voorstel van het college over de vaststelling van het programma als bedoeld
                        in paragraaf 2.3 van de verordening, al ter besluitvorming bij de raad ligt,
                        dan wel de betrokken raadscommissie(s) zal hebben gepasseerd.</al><al>Er is nog een andere mogelijkheid denkbaar, namelijk dat achteraf wordt
                        geconstateerd dat uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening
                        wegens gewijzigde omstandigheden (in casu een tegenvallend resultaat van de
                        leerlingtelling) geen doorgang vindt (zie bijvoorbeeld artikel 16, derde
                        lid). Met deze mogelijkheid moet men bij voorkeur terughoudend omgaan, zeker
                        wanneer de gewijzigde omstandigheid zich nog aan de vooravond van de
                        programmavaststelling manifesteert en er in procedureel opzicht rekening kan
                        gehouden met deze mogelijkheid.</al></al-groep><tussenkop>lid 5</tussenkop><al>In het geval zoals omschreven in het vierde lid, beslist de gemeenteraad in het
                    kader van het programma over het buiten behandeling laten van de aanvraag.</al><tussenkop>Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen</tussenkop><al-groep><al>Dit artikel is een direct uitvloeisel van het wettelijk uitgangspunt om ook
                        in procedureel opzicht het openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet
                        te behandelen. De opgave van de ingediende aanvragen geeft alle bevoegde
                        gezagsorganen inzicht in wat er aan aanvragen ligt, zowel vanuit het
                        bijzonder als vanuit het openbaar onderwijs. Er kunnen daarmee niet
                        naderhand nog aanvragen worden toegevoegd.</al><al>Bij het vooroverleg over de vaststelling van de verordening kan met de
                        schoolbesturen worden afgesproken om deze informatieverstrekking per
                        onderwijssector (basis-, speciaal en voortgezet onderwijs) te regelen. Zo
                        zal een bestuur voor voortgezet onderwijs niet altijd geïnteresseerd zijn in
                        welke huisvestingswensen er precies leven in het basisonderwijs.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                    begroting</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Deze bepaling is met name opgenomen om de mogelijkheid een nadere
                    toelichting/verduidelijking te vragen of te geven over de op zich complete
                    aanvragen in tijd bezien te beperken. Dit gebeurt met het oog op een effectief
                    verloop van de verdere procedure op weg naar de vaststelling van het programma.
                    Met deze bepaling wordt bijvoorbeeld voorkomen dat het overleg als bedoeld in
                    artikel 10 onnodig belast wordt door allerlei vragen over onduidelijkheden in de
                    aanvragen. De datum van 1 mei is gekozen teneinde het college voldoende ruimte
                    te bieden voor het opstellen van een ontwerpvoorstel voor het programma en het
                    overzicht.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Ten aanzien van een voorziening waarvan de uiteindelijke vergoeding ingevolge
                    artikel 4, derde lid, laatste volzin, gebaseerd wordt op de werkelijke kosten
                    zal in eerste aanleg worden gewerkt met een raming van de kosten. De bepaling in
                    dit lid regelt dat er overleg plaatsvindt tussen de aanvrager en het college
                    indien de gemeente daartoe aanleiding ziet in de door de aanvrager overgelegde
                    begroting. Het college kan na toetsing van deze raming van oordeel zijn dat de
                    begroting op een of meer onderdelen bijstelling behoeft. </al><al>Uiteindelijk bepaalt het college de hoogte van de geraamde kosten zoals deze, al
                    dan niet bijgesteld, wordt voorgesteld in het kader van de vaststelling van het
                    gemeentelijk huisvestingsbudget en het daaruit voortkomende programma.</al><tussenkop>Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies
                    Onderwijsraad</tussenkop><tussenkop>Lid 1-4</tussenkop><al-groep><al>Met deze leden wordt de in de wet opgenomen verplichting ingevuld dat de
                        gemeente niet dan na overleg met het onderwijsveld overgaat tot de
                        vaststelling van een huisvestingsprogramma.</al><al>Onder het overleg is ook vervat de hoorplicht ingevolge de Awb van de
                        aanvragers. Omdat de aanvrager bepaalt hoe hij gehoord wil worden, moet
                        gelegenheid worden gegeven om de standpunten ook schriftelijk kenbaar te
                        maken. Gezien het karakter van het overleg (met alle bevoegde gezagsorganen)
                        moeten degenen die wel aan het overleg deelnemen weten wat de schriftelijke
                        standpunten inhouden, zodat ze daar eventueel op kunnen reageren. </al><al>Overigens verdient het aanbeveling om in het overleg dat voorafgaat aan de
                        vaststelling van de verordening na te gaan hoe dit overleg praktisch het
                        best kan worden ingericht. Zo is het bijvoorbeeld denkbaar om voor gemeenten
                        die beschikken over een breed spectrum van onderwijssoorten, het overleg per
                        sector in te richten (primair en voortgezet onderwijs).</al><al>Daarnaast kan worden vastgesteld of het hier bedoelde overleg over de
                        onderwijshuisvesting ingebed wordt in een mogelijk breder gestructureerde
                        overlegvorm in het kader van het lokaal onderwijsbeleid.</al></al-groep><tussenkop>Lid 5-9</tussenkop><al-groep><al>De wet bepaalt dat de Onderwijsraad om advies wordt verzocht wanneer een
                        bevoegd gezag de gemeente daarom vraagt, dan wel wanneer de gemeente uit
                        eigen beweging hiertoe overgaat (zie bijvoorbeeld artikel 102, lid 6 WPO).
                        De Onderwijsraad brengt binnen vier weken zijn advies uit. Het advies wordt
                        tegelijkertijd met het programma bekend gemaakt. Op de advisering door de
                        Onderwijsraad is van toepassing hetgeen in algemene zin over advisering is
                        geregeld in de Awb. In dit verband is met name het bepaalde in artikel 3:6,
                        tweede lid, artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. </al><al>Zo kan op grond van artikel 3:6, tweede lid de gemeenteraad het programma
                        vaststellen indien de Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken
                        uitbrengt. Op grond van artikel 3:7 is de gemeente gehouden, al dan niet op
                        verzoek, de gegevens beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig heeft
                        voor het uitbrengen van advies. Wanneer de raad afwijkt van het advies van
                        de Onderwijsraad worden ingevolge artikel 3:50 Awb de redenen daarvan
                        vermeld in de motivering.</al><al>In de leden 5 t/m 9 is in procedurele zin aangegeven op welke wijze de
                        Onderwijsraad kan worden ingeschakeld voor het inwinnen van advies over de
                        vaststelling van het huisvestingsprogramma in relatie tot de aspecten van de
                        vrijheid van richting en vrijheid van inrichting. Hierbij is aangesloten op
                        de procedurele lijn zoals die van toepassing is op de inschakeling van de
                        Onderwijsraad bij de vaststelling of wijziging van de
                        huisvestingsverordening (zie artikel 7 met de daarbij behorende toelichting
                        van de VNG-modelverordening procedure overleg huisvesting)</al></al-groep><al>Volgens de wet is het de gemeenteraad die tijdens het overleg over het programma
                    kan besluiten ‘uit eigen beweging’ een verzoek om advies in te dienen bij de
                    Onderwijsraad. Op grond van het vijfde en het zevende lid delegeert de raad dit
                    aan het college. Dit sluit ook aan op de (voor de hand liggende) keuze om ook
                    het voeren van het overleg over het programma over te laten aan het college. </al><al>In lid 6 is bepaald dat alle deelnemers aan het overleg in de gelegenheid worden
                    gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van een (voorgenomen) verzoek om
                    advies aan de Onderwijsraad. Dit tegen de achtergrond dat iedereen erbij gebaat
                    is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een, meer of alle
                    partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Deze gedachtewisseling laat
                    uiteraard het recht van een individueel schoolbestuur of van de gemeente om de
                    Onderwijsraad in te schakelen, ook wanneer de andere overlegpartners daaraan
                    geen behoefte hebben, onverlet. De zienswijzen van de schoolbesturen dienen
                    schriftelijk te worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij zijn
                    oordeelsvorming over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen
                    betrekken.</al><al-groep><al>Ingevolge de wettekst is het de gemeenteraad die in alle gevallen de
                        Onderwijsraad verzoekt om advies. In lid 7 wordt tot uiting gebracht dat de
                        raad - in navolging van het bepaalde in lid 5 - dit overdraagt aan het
                        college.</al><al>Het is van belang dat het door het college ingediende verzoek om advies goed
                        gedocumenteerd is en vergezeld gaat van alle stukken die relevant (kunnen)
                        zijn voor de adviseur (artikel 3:9 Awb). De Onderwijsraad stelt zich
                        namelijk op het standpunt dat de adviestermijn van vier weken een aanvang
                        neemt vanaf het moment waarop de Onderwijsraad beschikt over de stukken die
                        hij relevant acht voor de advisering.</al><al>Bij een eventuele inschakeling van de Onderwijsraad is het van belang dat de
                        gemeente goed in de gaten houdt dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige
                        vertraging oploopt. Dit geldt zeker wanneer het overleg waarin kenbaar werd
                        gemaakt dat een of meer van de overlegpartners een advies van de
                        Onderwijsraad wenste, na de zomer plaatshad. Met het oog op het bepaalde in
                        artikel 11, lid 4 verdient het dan nadrukkelijk aanbeveling om zo spoedig
                        mogelijk tot de indiening van het advies over te gaan. Minstens zo
                        belangrijk is dat, zoals hiervoor is opgemerkt, hierbij de Onderwijsraad de
                        beschikking krijgt over alle relevante stukken.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 11 Tijdstip vaststelling</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al-groep><al>Hier wordt de mogelijkheid geopend om desgewenst afzonderlijke bedragen vast
                        te stellen voor specifiek gemeentelijk beleid. Hierbij kan gedacht worden
                        aan het treffen van bepaalde huisvestingsvoorzieningen teneinde bepaalde
                        onderwijsinhoudelijke ontwikkelingen te stimuleren, zoals bijvoorbeeld de
                        integratie tussen het basisonderwijs en delen van het speciaal onderwijs.
                        Tevens kan een deel van het budget worden geoormerkt voor de gerichte
                        aanwending van middelen voor de uitvoering van een meerjarige
                        onderhoudsplanning van schoolgebouwen, die op lokaal niveau is
                        overeengekomen. </al><al>Het afsplitsen van een bedrag voor een specifieke categorie van
                        voorzieningen kan een belangrijk instrument voor de gemeente zijn om
                        bepaalde accenten te leggen in de uitvoering van haar zorgplicht voor een
                        adequate onderwijshuisvesting. Teneinde dit instrument effectief te kunnen
                        inzetten is het wel noodzakelijk om voorafgaande aan het moment van de
                        indiening van huisvestingsverzoeken hierover aan alle schoolbesturen
                        duidelijkheid te bieden. Dit kan door bijvoorbeeld in de meerjarenbegroting
                        voor bepaalde huisvestingsvoorzieningen een apart budget op te nemen en
                        daarbij te waarborgen dat dit bedrag ook beschikbaar komt ten tijde van de
                        vaststelling van het programma. Een dergelijk deelbudget dient in combinatie
                        met de volgorde van de hoofd- en subprioriteiten zoals opgenomen in bijlage
                        V te worden bezien. Afhankelijk van de aard van de prioriteit kan een
                        wijziging in deze volgorde nodig zijn om te bewerkstelligen dat het
                        deelbudget ook daadwerkelijk kan worden aangewend voor de beoogde prioriteit
                        in het huisvestingsbeleid. Wordt de volgorde van de prioriteiten namelijk
                        niet aangepast aan de gewenste intensivering van bepaalde onderdelen van het
                        beleid, dan bestaat de kans dat de beschikbare middelen ingevolge de niet
                        aangepaste volgorde van urgentiecriteria moeten worden aangewend voor andere
                        voorzieningen.</al><al>Het is evident dat eventuele accenten binnen het toekenningsbeleid altijd in
                        het verlengde dienen te liggen van de gemeentelijke zorgplicht voor een
                        adequate huisvesting. Dergelijke accenten mogen met andere woorden de
                        reguliere noodzakelijke voorzieningen zoals uitbreidingen en onderhoud niet
                        onmogelijk maken. Voorts zullen de beleidsaccenten en de daaruit
                        voortvloeiende deelbudgetten in relatie tot een bijstelling van de
                        prioriteiten altijd in en na overleg met de schoolbesturen moeten worden
                        aangebracht. Zo is bijvoorbeeld een voorgenomen wijziging in de
                        urgentiecriteria (bijlage V) aan te merken als een wijziging van de
                        verordening, waaraan op overeenstemming gericht overleg vooraf moet gaan met
                        de schoolbesturen. </al></al-groep><tussenkop>Leden 2 en 3</tussenkop><al-groep><al>Uitgangspunt van de verordening is de koppeling aan de begrotingscyclus. Dat
                        leidt ertoe dat gelijktijdig met de begroting ook het programma en het
                        daaruit voortvloeiende overzicht worden vastgesteld. Ter bescherming van de
                        aanvragers wordt een uiterste datum binnen het lopende kalenderjaar gesteld. </al><al>Het spreekt voor zich dat de gemeenteraad geen programma hoeft vast te
                        stellen, indien geen voorziening in de huisvesting nodig is noch een
                        aanvraag is ingediend. Dit is in de wet zelf geregeld (zie bijvoorbeeld
                        artikel 97 WPO). Hetzelfde geldt voor het overzicht, met dien verstande dat
                        de vaststelling van een overzicht achterwege kan blijven wanneer alle
                        aanvragen worden geplaatst op het programma of wanneer er geen aanvragen
                        zijn ingediend - en er dus ook geen kunnen worden afgewezen. </al></al-groep><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Overschrijding van de uiterste datum van de programmavaststelling leidt er
                    automatisch toe dat alle aangevraagde voorzieningen voor vergoeding in
                    aanmerking moeten worden gebracht, net zoals dat bij de minister van OCenW het
                    geval was. Om praktische redenen is ervoor gekozen om ook te vermelden dat het
                    bijbehorende (norm)bedrag beschikbaar wordt gesteld; de aanvrager weet dan waar
                    hij aan toe is. Wel moet in zo’n geval nog overleg over de wijze van uitvoering
                    plaatsvinden en moet geregeld worden dat voor een bepaalde datum een
                    bouwopdracht etc. moet zijn verleend. </al><tussenkop>Artikel 12 Inhoud programma</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al-groep><al>In dit lid, dat een belangrijk onderdeel van de verordening betreft,
                        namelijk de inhoud van het huisvestingsprogramma, komt voor alle
                        duidelijkheid tot uitdrukking dat de raad het programma vaststelt als
                        resultante van de toetsing aan de in de wet limitatief omschreven
                        weigeringsgronden (zie bijvoorbeeld artikel 95, derde lid WPO). Een deel van
                        deze weigeringsgronden wordt voor wat betreft hun feitelijke toepassing
                        geoperationaliseerd via de nadere regels die de raad stelt op de onderdelen,
                        genoemd in de tweede volzin.</al><al>Zo zijn de ‘beoordelingscriteria’ een nadere invulling van de toets of de
                        aangevraagde voorziening noodzakelijk is en of de aanvraag een voorziening
                        betreft als genoemd in artikel 2 van de verordening.</al><al>De criteria voor de prognose operationaliseren de wettelijke weigeringsgrond
                        ‘dat de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te
                        verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen ...’</al><al>De regels over de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen doen ditzelfde
                        ten aanzien van de weigeringsgrond ‘... dat de gewenste voorziening niet
                        gerechtvaardigd is op grond van de aard en omvang van de voorzieningen
                        waarover de school reeds beschikt’.</al><al>De concrete invulling van deze regels wordt niet in de romp van de
                        verordening uitgeschreven, maar in de in artikel 12 genoemde bijlagen.
                        Artikel 12 vormt daarmee, zoals ook bij andere bepalingen uit de romp het
                        geval is, de kapstok voor de gedetailleerde uitwerkingen van bepaalde
                        elementen in de bijlagen.</al><al>De urgentiecriteria zijn apart gepositioneerd, omdat deze - in tegenstelling
                        tot de andere regels in het eerste lid - niet noodzakelijk bij de
                        programmavaststelling behoeven te worden toegepast. De urgentiecriteria
                        komen pas in beeld wanneer er meer aanvragen liggen dan waarvoor er budget
                        beschikbaar is.</al></al-groep><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al-groep><al>De gemeente en de schoolbesturen kunnen het wenselijk vinden om
                        voorzieningen op het programma op te nemen die volgens de criteria over de
                        urgentie (bijlage V) daar strikt genomen niet voor aanmerking zouden komen.
                        Indien daarover consensus bestaat (uiteindelijk blijkend uit het bestuurlijk
                        overleg over het concept-programma als bedoeld in artikel 10, eerste lid van
                        de verordening), kan het college hiermee rekening houden bij het formuleren
                        van hun huisvestingsprogramma dat wordt voorgelegd aan de gemeenteraad. De
                        huidige verordening biedt de raad geen mogelijkheid om af te wijken van de
                        criteria zoals geformuleerd in bijlage V. </al><al>Hoewel het bestuurlijk overleg over het concept-programma geen ‘op
                        overeenstemming gericht overleg’ betreft, is de praktijk binnen veel
                        gemeenten dat het overleg wel als zodanig wordt gevoerd en beleefd. Net als
                        bij de VNG-modelverordening Overleg Lokaal onderwijsbeleid is ervan afgezien
                        om een regeling te treffen voor het stemmen over een alternatieve
                        urgentievolgorde. Beoogd wordt te komen tot een gezamenlijk gedragen
                        voorstel. Finale besluitvorming over de daadwerkelijke urgentievolgorde
                        vindt niet plaats tijdens het overleg. Uiteindelijk beslist de raad of het
                        wel of niet wenst af te wijken van de systematiek en criteria van bijlage V.
                        Het gaat om een kan-bepaling.</al></al-groep><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al-groep><al>De zinsnede ‘voor zover van toepassing’ kan ook op de vergoeding betrekking
                        hebben. Zo zijn er voorzieningen denkbaar waarvoor het niet nodig is om een
                        bedrag beschikbaar te stellen. Hierbij kan worden gedacht aan medegebruik in
                        een (onderwijs)gebouw dat geschikt is en waaraan dus geen aanpassingen
                        hoeven plaats te vinden.</al><al>Een aanvrager die een voorziening geplaatst ziet op het programma, kan
                        daaruit niet alleen afleiden dat de voorziening voor bekostiging in
                        aanmerking komt, maar ook welke eventuele nadere voorwaarden er gelden rond
                        ingebruikneming of buitengebruikstelling. Bijvoorbeeld: de uitbreiding van
                        een hoofdgebouw gaat gepaard met het afstoten van een dislocatie.</al><al>Wanneer de vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening op
                        normatieve wijze is vastgesteld dan kan de aanvrager ook rechtstreeks uit de
                        opneming op het programma afleiden voor welk bedrag de voorziening dient te
                        worden gerealiseerd.</al><al>Indien het gaat om een voorziening waarvan de uiteindelijke vergoeding
                        gebaseerd is op de feitelijke kosten, dan vermeldt het programma van welke
                        raming is uitgegaan. Deze raming zal vervolgens als leidraad worden
                        gehanteerd bij de vaststelling van het definitief vergoedingsbedrag aan de
                        hand van door de aanvrager in het kader van de uitvoering te overleggen
                        offertes.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 13 Inhoud overzicht</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Een verwijzing naar artikel 12, eerste lid volstaat, omdat uit de toepassing van
                    de daar genoemde criteria blijkt of een voorziening op het programma dan wel op
                    het overzicht terechtkomt. Ook aangevraagde voorzieningen die geen voorzieningen
                    zijn in de zin van artikel 2 van de verordening komen op het overzicht te
                    staan.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Deze bepaling is een direct uitvloeisel van het motiveringsbeginsel.</al><tussenkop>Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling bedrag, programma en
                    overzicht</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Volgens de toelichting op de wet moeten het programma en het overzicht worden
                    opgevat als een bundel van beschikkingen. Deze beschikkingen moeten uiteraard
                    ter kennis van de aanvragers worden gebracht. De termijn van twee weken is
                    gekozen, omdat de wet bepaalt dat binnen vier weken na vaststelling van het
                    programma overleg over de uitvoering plaatsvindt met het college. Ingevolge
                    artikel 3:43 Awb dient de gemeente van het besluit mededeling toe doen aan
                    degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben
                    gebracht. Gelet op het overleg met het totale scholenveld voorafgaande aan de
                    vaststelling van het programma is er echter voor gekozen het besluit aan alle
                    schoolbesturen toe te sturen. Hierbij doet dus niet terzake of het betrokken
                    schoolbestuur in een eerder stadium een zienswijze naar voren heeft
                    gebracht.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De wet bepaalt alleen iets over de ter inzage legging van het overzicht. Vanwege
                    de samenhang tussen bedrag, programma en overzicht ligt het voor de hand het
                    totaal ter inzage te leggen. </al><tussenkop>Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al-groep><al>Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven
                        overleg over de wijze van uitvoering. Met deze invulling wordt beoogd dat de
                        aanvrager en het college een aantal praktische afspraken maken over aspecten
                        die samenhangen met de realisering van de toegekende voorziening. Met
                        dergelijke afspraken kunnen onduidelijkheden en misverstanden in het verdere
                        uitvoeringstraject worden voorkomen.</al><al>In ieder geval zal hierbij volstrekt duidelijk moeten zijn wie als bouwheer
                        optreedt. De wet gaat er weliswaar vanuit dat het bevoegd gezag optreedt als
                        bouwheer, maar biedt de mogelijkheid dat het bevoegd gezag en het college
                        overeenkomen dat de gemeente de voorziening tot stand brengt. Het moet
                        duidelijk vaststaan of al dan niet gebruik wordt gemaakt van deze
                        mogelijkheid. </al><al>De termijn van vier weken waarbinnen het college met het betrokken
                        schoolbestuur in overleg treden over de uitvoering vloeit direct voort uit
                        de wetgeving (artikel 95, lid 8 WPO; artikel 93 lid 8 WEC en artikelen 76,
                        lid 8 en 210, lid 8 WVO). De passage "voor zover van toepassing" is
                        opgenomen om niet alle voorkomende varianten op het bouwheerschap en de
                        eigendomssituatie te hoeven beschrijven. Daarnaast is het bijvoorbeeld
                        denkbaar dat geen nadere afspraken behoeven te worden gemaakt over het
                        tijdstip van indiening van het bouwplan en de desbetreffende begroting,
                        eenvoudigweg omdat het college in het kader van artikel 16, vierde lid heeft
                        besloten dat dit achterwege kan blijven. Hetzelfde geldt voor de uitvoering
                        van de toetst of zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen. In het kader
                        van de controle en het afleggen van verantwoording over de besteding van de
                        middelen kunnen nadere afspraken worden gemaakt over de wijze en moment
                        waarop het college geïnformeerd wordt over de voortgang van de uitvoering
                        van de voorziening, alsmede over de wijze waarop de finale verantwoording
                        wordt afgelegd. Daarbij kan – zeker bij omvangrijke projecten – ook aan de
                        orde zijn dat dit gepaard gaat met een accountantsverklaring.</al></al-groep><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Wanneer de vergoeding van de uitvoering van de voorziening gebaseerd is op de
                    feitelijke kosten wordt in aanvulling op de afspraken die voortvloeien uit het
                    bepaalde in lid 1, ook expliciet in het overleg aan de orde gesteld op welke
                    wijze de aanvrager het werk wil gaan aanbesteden en wanneer de gemeente zicht
                    krijgt op de offertes die op de aanbesteding worden uitgebracht (zie ook
                    toelichting bij artikel 4). Bij de aanbesteding van het werk dient de aanvrager,
                    voor zo ver dit gezien de aard van de voorziening nodig is, ingevolge het
                    bepaalde in bijlage IV, deel B richtlijnen in acht te nemen. Overigens kan de
                    aanvrager eerst tot aanbesteding overgaan wanneer het college heeft ingestemd
                    met het bouwplan, tenzij een dergelijk plan naar het oordeel van het college
                    eveneens gezien de aard van de voorziening niet vereist is (zie ook artikel 16,
                    lid 4).</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden rijzen over de afspraken
                    over de uitvoering is bepaald dat deze schriftelijk worden vastgelegd en ter
                    instemming aan de aanvrager worden voorgelegd. Indien de aanvrager zijn
                    instemming schriftelijk heeft verleend, dan is daarmee direct vastgelegd dat er
                    overeenstemming bestaat over de wijze van uitvoering. Mocht de aanvrager niet
                    instemmen met het verslag, dan zal in de praktijk meestal nader overleg
                    plaatsvinden om alsnog overeenstemming te bereiken. Blijken partijen het niet
                    eens te kunnen worden over de uitvoering van de voorziening dan wordt dit ook
                    schriftelijk vastgelegd en van beide zijde geconstateerd.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Hierin is bepaald dat het college, in geval in het overleg is medegedeeld dat de
                    indiening van een bouwplan en begroting achterwege kan blijven en/of er geen
                    nadere toetsing aan wettelijke voorschriften of gewijzigde omstandigheden hoeft
                    plaats te vinden (zie artikel 16, vierde lid), binnen vier weken nadat het
                    overleg tot overeenstemming heeft geleid, de aanvrager uitsluitsel geeft wanneer
                    de bekostiging een aanvang neemt. Het zal daarbij in de regel voorzieningen
                    betreffen waarvoor in een eerder stadium al een offerte is overgelegd, die
                    weinig of geen voorbereidingstijd meer vergen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden
                    gedacht aan de vervanging van de dakbedekking van een basisschool (onderdeel van
                    de huisvestingsvoorziening onderhoud).</al><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Wanneer uit het ingevolge het derde lid vastgestelde verslag blijkt dat het
                    overleg over de wijze van uitvoering uiteindelijk niet uitmondt in een
                    overeenstemming tussen aanvrager en het college, dan is het college als
                    bestuursorgaan de instantie die dit constateert en meedeelt aan het bevoegd
                    gezag. Hierbij deelt het college mee wat de overwegingen zijn om niet in te
                    stemmen met de door de aanvrager gewenste uitvoering. Deze mededeling is een
                    besluit in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de mogelijkheid
                    van bezwaar en beroep openstaat.</al><tussenkop>Artikel 16 Goedkeuring bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                    omstandigheden; overlegging offertes</tussenkop><al-groep><al>Dit artikel is voor een belangrijk deel een nadere uitwerking van de
                        wettelijke bepaling, waarbij een schoolbestuur dat aanspraak heeft op een
                        vergoeding van een voorziening en bij de uitvoering van de voorziening als
                        bouwheer optreedt, een bouwplan en de daarbij behorende begroting ter
                        goedkeuring moet indienen bij het college (zie bijvoorbeeld artikel 103
                        WPO). Tevens geeft de aanvrager daarbij aan op welk moment de bekostiging
                        een aanvang dient te nemen.</al><al>Indien in het overleg over de uitvoering (zie artikel 15) in afwijking van
                        het uitgangspunt dat de aanvrager optreedt als bouwheer, wordt afgesproken
                        dat de gemeente het bouwheerschap op zich neemt, dan is het gestelde in het
                        eerste lid uiteraard niet van toepassing.</al><al>De aanvrager moet alleen een begroting bij het bouwplan in te dienen wanneer
                        het een voorziening betreft waarvoor de vergoeding op basis van de
                        genormeerde benadering (bijlage IV, deel A) is vastgesteld. Deze begroting
                        zal marginaal getoetst worden zolang de geraamde kosten de genormeerde
                        vergoeding niet overschrijden.</al><al>Met het oog op een goede voortgang van de uitvoering en de duidelijkheid
                        richting aanvrager is in het tweede lid voorzien in een fatale termijn
                        (maximaal beslaat deze termijn negen weken) waarbinnen de gemeente het
                        bouwplan en de begroting moet hebben goedgekeurd. </al><al>Bij goedkeuring van het bouwplan en begroting stelt het college ook het
                        tijdstip vast waarop de bekostiging een aanvang neemt. Hiermee wordt
                        uitvoering gegeven aan de wettelijke opdracht om een dergelijk tijdstip vast
                        te stellen (zie bijvoorbeeld artikel 99, eerste lid WPO). Wanneer de fatale
                        termijn door het college wordt overschreden dan wordt het bouwplan en de
                        begroting geacht te zijn goedgekeurd en dient de bekostiging aan te vangen
                        op het tijdstip zoals door de aanvrager is aangegeven.</al><al>Het bepaalde in het derde lid markeert in de procedure rond de uitvoering
                        van het programma het moment waarop wordt bezien of er zich na vaststelling
                        van het programma nieuwe omstandigheden hebben aangediend, die het
                        rechtvaardigen om de aanspraak op vergoeding te herzien. Het betreft hier
                        een nadere invulling van wederom een wettelijke bepaling (zie bijvoorbeeld
                        artikel 101 WPO in samenhang met artikel 99, eerste lid WPO). Het moment is
                        zodanig gekozen dat door de aanvrager nog geen onomkeerbare stappen zijn
                        gezet, zoals bijvoorbeeld het verlenen van een bouwopdracht.</al></al-groep><al-groep><al>De leden 5 en 6 zien op de besluitvorming over de uitvoering van aanvragen
                        waarvoor de offertelijn geldt, of anders gezegd, waarbij de feitelijke
                        kosten bepalend zijn voor de uiteindelijke vergoeding. Hierbij is geen
                        sprake van een begroting, dus ook niet van een toets daarvan. </al><al>De begroting is namelijk al bij de indiening van de aanvraag overgelegd en
                        heeft toen alleen de functie gehad om te komen tot een bedrag ten behoeve
                        van de vaststelling van het programma. Bij de uitvoering van een voorziening
                        die volgens de offertelijn wordt gerealiseerd, nemen de offertes de rol over
                        van de begroting.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 17 Aanvang bekostiging</tussenkop><al>Dit artikel is de uitwerking van de wettelijke opdracht zoals neergelegd in
                    bijvoorbeeld artikel 102, vierde lid WPO. Er is gekozen voor een globale
                    regeling waarin ruimte is voor variatie naargelang de concrete omstandigheden.
                    De opdracht aan de raad in het genoemde artikel van de WPO wordt gedelegeerd aan
                    het college. Door de bepaling op te nemen dat de aanvrager altijd aan zijn
                    financiële verplichtingen moet kunnen voldoen, is de bescherming van de
                    aanvrager gewaarborgd. </al><tussenkop>Artikel 18 Vervallen aanspraak op vergoeding</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De data van 1 en 15 oktober zijn gekozen met het oog op de vaststelling van de
                    volgende gemeentebegroting. Het is van belang om op dat moment te weten of een
                    toegekende voorziening eventueel in een volgend begrotingsjaar betaald moet
                    worden. De bepaling over de toezending van onder meer de bouwopdracht binnen
                    twee weken berust niet op de wet. Het is echter van belang om een dergelijke
                    bepaling op te nemen, omdat de gemeente daarna actie in de richting van de
                    aanvrager kan ondernemen. De term ‘door de aanvrager’ is opgenomen om duidelijk
                    te maken dat, indien de gemeente optreedt als bouwheer en de termijn wordt
                    overschreden, er geen sprake is van het vervallen van het recht op een
                    vergoeding. De aanvrager heeft dan immers recht op een voorziening. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Deze hardheidsclausule is, in aanvulling op de wet, opgenomen, omdat het
                    denkbaar is dat, bijvoorbeeld door ruimtelijke ordeningprocedures, de termijn
                    buiten de schuld van de aanvrager wordt overschreden. </al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>De datum van 15 september is gekozen opdat de aanvrager bij afwijzing van het
                    verzoek kan proberen voor 1 oktober alsnog een bouwopdracht etc. te geven.</al><tussenkop>Artikelen 19-24 Spoedprocedure</tussenkop><al-groep><al>In dit hoofdstuk van de verordening zijn nadere regels opgenomen over de
                        indiening en beoordeling van aanvragen met een spoedeisend karakter. Deze
                        aanvragen doorlopen niet de procedure die geldt voor het programma en zijn
                        daarom niet gebonden aan een bepaalde indieningsdatum. De aanvragen kunnen
                        dus het gehele jaar door worden ingediend. Het zou een misvatting zijn op
                        grond hiervan te veronderstellen dat de spoedprocedure als een soort
                        ‘ontsnappingsroute’ kan worden gebruikt. Een ontsnappingsroute die zou
                        kunnen worden gevolgd wanneer een bevoegd gezag verzuimd tijdig - op grond
                        van artikel 6 van de modelverordening - een aanvraag in te dienen voor het
                        programma of wanneer een aanvraag niet op het programma is geplaatst wegens
                        toepassing van de financiële weigeringsgrond. In dit laatste geval kan een
                        bevoegd gezag in de verleiding komen de aanvraag opnieuw in te dienen via de
                        spoedprocedure, omdat de financiële weigeringsgrond bij deze procedure niet
                        kan worden gehanteerd door de gemeente.</al><al>Een andere optie is dat een bevoegd gezag op twee paarden wedt, namelijk:
                        voor dezelfde voorziening een aanvraag indient voor de opneming in het
                        programma én een aanvraag indient in het kader van de spoedprocedure.</al><al>Al deze procedurele opties lopen echter bij toepassing van de verordening
                        spaak, omdat het uiteindelijk gaat om de inhoud van de aanvraag.
                        Onomstotelijk moet blijken dat het bij een aanvraag met een spoedeisend
                        karakter gaat om een <cursief>calamiteit</cursief> in de ware zins des
                        woords. Een calamiteit die onvoorzienbaar was en volgens de wetgever zodanig
                        moet zijn dat het treffen van een voorziening geen uitstel kan lijden, omdat
                        anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden. Het meest voor de
                        hand liggende voorbeeld daarbij is het afbranden van een schoolgebouw,
                        waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een andere accommodatie moet
                        doorgaan. Toepassing van de verordening leidt er toe dat in vergelijking met
                        de situatie van voor de decentralisatie, het moment tussen indiening van een
                        reguliere aanvraag en de beoordeling in het kader van het programma,
                        aanzienlijk wordt bekort. Dit betekent dat het overgrote deel van de
                        aanvragen voor huisvestingsvoorzieningen via deze procedure op adequate
                        wijze kan worden afgehandeld. Ook de aanvragen die wellicht hoog zouden
                        scoren bij de toepassing van de urgentiesystematiek, maar waarvan op het
                        moment van indiening en op het moment van programmavaststelling (nog) niet
                        kan worden gesproken over de noodzaak om onverwijld de voorziening te
                        treffen omdat anders het onderwijsproces stokt. Dit betekent ook dat mag
                        worden verwacht dat de aanvragen die in het kader van de spoedprocedure
                        worden ingediend ook écht spoedeisend zijn. Normaliter zal dit betekenen dat
                        de toepassing, maar zeker ook de toewijzing in het kader van de
                        spoedprocedure, eerder uitzondering dan regel zal zijn.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 19 Indiening aanvraag</tussenkop><al>Hoewel de mogelijkheid tot het indienen van aanvragen met een spoedeisend
                    karakter in de wet is vastgelegd, is deze mogelijkheid voor de inzichtelijkheid
                    opgenomen in de verordening. </al><tussenkop>Artikel 20 Inhoud aanvraag</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al-groep><al>In aanvulling op de basisgegevens die zouden moeten worden overgelegd indien
                        het om een reguliere aanvraag zou gaan, dient in de aanvraag ook duidelijk
                        het spoedeisende karakter (de calamiteit waardoor het onderwijsproces geen
                        voortgang kan vinden) te worden toegelicht.</al><al>Evenals bij een aanvraag voor het programma het geval is, kan ook bij de
                        aanvragen voor spoedeisende voorzieningen een keuze worden gemaakt ten
                        aanzien van welke gewenste voorzieningen in de huisvesting een prognose wel
                        of niet vereist is. Harmonisatie met de in dit verband in artikel 7, tweede
                        lid, onder a van de modelverordening gemaakte keuze ten aanzien van de
                        prognose is daarbij vanzelfsprekend.</al></al-groep><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De termijnen voor het aanleveren van aanvullende gegevens zijn bewust kort
                    gehouden. Dit is gerechtvaardigd, omdat het tenslotte gaat om het treffen van
                    een voorziening die eigenlijk geen uitstel kan dulden. Iedereen, en zeker de
                    school, is gebaat bij een snelle, maar zorgvuldige besluitvorming.</al><tussenkop>Artikel 21 Tijdstip beslissingen</tussenkop><al>Met het oog op de wenselijkheid van een snelle beslissing <vet>was</vet> in de
                    verordening de beslissingsbevoegdheid over de spoedeisende aanvragen door de
                    raad gedelegeerd aan het college. De Raad van State heeft echter beslist dat
                    delegatie niet mogelijk is omdat de beslissingsbevoegdheid nadrukkelijk is
                    voorbehouden aan de gemeenteraad. De termijn voor beslissing is 12 weken, met
                    een mogelijkheid tot verlenging. De gemeenteraad moet bij verlenging wel
                    aangeven wanneer de beslissing wel tegemoet kan worden gezien. </al><tussenkop>Artikel 22-24 Inhoud en uitvoering beslissing; vervallen
                    vergoeding</tussenkop><al-groep><al>Bij de besluitvorming en de uitvoering daarvan ten aanzien van aanvragen met
                        een spoedeisend karakter is, afgezien van afwijkende termijnen, de lijn
                        gevolgd die ook van toepassing is ten aanzien van de vaststelling van het
                        programma en overzicht.</al><al>Dit betekent dat met inachtneming van de in de wet opgenomen
                        weigeringsgronden (zie bij voorbeeld artikel 100 WPO), de toetsingscriteria
                        worden toegepast overeenkomstig de bijlagen van de verordening. Extra
                        dimensie die ten opzichte van de ‘reguliere lijn’ aan deze toetsing wordt
                        toegevoegd is het element dat het treffen van de voorziening geen uitstel
                        kan lijden in verband met de voortgang van het onderwijs. Tevens komt in de
                        modelverordening tot uiting dat niet de financiële weigeringsgrond
                        gehanteerd kan worden. Dit komt tot uiting doordat de urgentiecriteria zoals
                        opgenomen in bijlage V buiten beschouwing blijven.</al></al-groep><tussenkop>Artikelen 25-28 Vergoeding kosten bouwvoorbereiding</tussenkop><al-groep><al>Gemeenten die geen mogelijkheid willen bieden voor het aanvragen en daarmee
                        toekennen van vergoedingen voor de kosten van de bouwvoorbereiding, kunnen
                        bij de vaststelling van de verordening de artikelen 3 en 25 tot en met 28
                        achterwege laten.</al><al>Met nadruk zij opgemerkt dat de aanvraag om een vergoeding van de kosten van
                        bouwvoorbereiding van een andere orde is dan een aanvraag voor plaatsing op
                        het programma. Eerstbedoelde aanvraag is bedoeld om de weg te plaveien naar
                        de indiening van een aanvraag voor het programma. Het zal daarbij in de
                        regel gaan om huisvestingsvoorzieningen die als omvangrijk moeten worden
                        gekwalificeerd en die zich al enkele jaren van tevoren aankondigen (de
                        nieuwbouw van een school is daarbij het meest voor de hand liggende
                        voorbeeld). Met behulp van een bouwvoorbereidingskrediet kunnen de aanvragen
                        voor het programma goed worden voorbereid. Dit heeft als voordeel dat
                        wanneer dergelijke goed gedocumenteerde aanvragen verschijnen op het
                        programma, de uitvoering vrij snel na vaststelling van het programma ter
                        hand kan worden genomen. De gemeente heeft dan de zekerheid dat in het jaar
                        waarvoor de middelen beschikbaar worden gesteld, ook de besteding zal
                        plaatsvinden. </al></al-groep><al>Een bouwvoorbereidingskrediet is bedoeld voor de bestrijding van salariskosten,
                    die zijn gemoeid met de voorbereiding van een bouwproject. Onder voorbereiding
                    worden de werkzaamheden verstaan tot aan het moment van aanbesteding. Het kan
                    daarbij gaan om kosten van:</al><lijst><li nr="-"><al>architect;</al></li><li nr="-"><al>adviseur constructie;</al></li><li nr="-"><al>adviseur werktuigbouwkundige installatie;</al></li><li nr="-"><al>adviseur elektrotechnische installatie.</al></li></lijst><al-groep><al>In bepaalde situaties kan het bovendien nuttig zijn adviseurs in te
                        schakelen voor bijvoorbeeld het programma van eisen, het projectmanagement,
                        de kostenbeheersing of de bouwfysica.</al><al>Inschakeling van laatstgenoemde adviseurs kan een beperking inhouden van de
                        werkzaamheden van de architect en de eerstgenoemde overige adviseurs.</al><al>In het algemeen wordt de opdracht aan de architect geregeld met toepassing
                        van de standaardvoorwaarden 1988 Rechtsverhouding opdrachtgever architect,
                        opgesteld door de BNA (SR 1988).</al><al>In de <cursief>Leidraad 1994 blijvende voorzieningen in de huisvesting voor
                            scholen VO en BVE</cursief>, een gezamenlijke uitgave van de ministeries
                        van OCenW en VROM (ISBN 90 346 2885 X), zijn in bijlage 8 nadere
                        aanwijzingen gegeven omtrent de opdrachtverlening aan architect en
                        adviseurs.</al></al-groep><al-groep><al>De bouwvoorbereiding is niet aangemerkt als een voorziening in de
                        huisvesting, omdat het dat volgens de wet niet is. De toekenning van een
                        vergoeding voor bouwvoorbereiding dient daardoor buiten het programma te
                        blijven. Het bedrag voor het programma is immers bestemd voor
                        huisvestingsvoorzieningen zoals bedoeld in de wet. Als een zodanige
                        voorziening niet wordt toegekend omdat het bedrag niet voldoende is, en er
                        wordt wel in dat kader bouwvoorbereiding toegekend (het kan daarbij om
                        aanmerkelijke bedragen gaan), dan heeft de aanvrager die wordt afgewezen in
                        beroep een gerede kans op succes. Het bedrag voor bouwvoorbereiding dient
                        dus als apart bedrag te worden opgenomen. </al><al>Er is wel alles voor te zeggen om, gezien de budgettaire gevolgen voor de
                        gemeentebegroting in het algemeen en voor de onderwijshuisvesting in het
                        bijzonder, de beoordeling en afhandeling van verzoeken om bouwvoorbereiding
                        in procedure gelijk te schakelen met die voor het programma. Voor deze
                        benadering is dan ook gekozen in hoofdstuk 4 van de model verordening. Dit
                        betekent ook dat de raad het orgaan is dat beslist over het inwilligen van
                        dergelijke verzoeken.</al></al-groep><al-groep><al>Toekenning van een vergoeding voor bouwvoorbereiding van een voorziening
                        betekent niet dat de voorziening die met behulp van deze vergoeding wordt
                        voorbereid per saldo meer kost dan een soortgelijke voorziening, die zonder
                        een dergelijke vergoeding geplaatst wordt op het programma. In feite komt de
                        toekenning van een vergoeding er op neer dat een deel van de kosten gemoeid
                        met de huisvestingsvoorziening naar voren worden gehaald. Dit betekent ook
                        dat wanneer een genormeerde vergoeding wordt toegekend ter realisering van
                        de huisvestingsvoorziening zelf, de bouwvoorbereidingsvergoeding dan op de
                        genormeerde vergoeding in mindering wordt gebracht. </al><al>Dit gebeurt omdat in de normatieve vergoedingsbedragen voor bouwactiviteiten
                        zoals opgenomen in bijlage IV, deel A, de kosten van voorbereiding zijn
                        inbegrepen.</al><al>De mogelijkheid om een bouwvoorbereidingskrediet aan te vragen is een nadere
                        concretisering van de in de wet opgenomen mogelijkheid dat de raad een
                        vergoeding voor bouwvoorbereiding kan toekennen. Bij de bepalingen inzake de
                        beslissing op dergelijke verzoeken zijn de toetsingscriteria aangeduid,
                        omwille van kenbaar bestuur en gelijke behandeling (zie artikel 27). Daarbij
                        is voorzien in een financiële weigeringsgrond. Voorts spreekt het voor zich
                        dat de noodzaak van de voorziening waarvoor de bouwvoorbereiding is bestemd
                        aanwezig moet zijn. Daarnaast zal ook, uit oogpunt van een gerichte en
                        effectieve besteding van eventueel toe te kennen gelden voor de
                        bouwvoorbereiding, een duidelijk perspectief aanwezig moeten zijn: wanneer
                        de plannen zijn uitgewerkt, moet er ook binnen afzienbare termijn
                        daadwerkelijk een aanvang mee worden gemaakt. </al><al>Dit is niet alleen afhankelijk van de vraag of het bevoegd gezag in het
                        beoogde jaar de opdracht tot uitvoering kan verlenen, maar ook van een reële
                        inschatting door de gemeente of het beoogde project voor dat jaar op een nog
                        vast te stellen programma kan worden geplaatst. </al><al>Het verstrekken van een bouwvoorbereidingskrediet geeft hierop weliswaar
                        geen recht, maar het is weinig zinvol een dergelijk krediet toe te kennen en
                        vervolgens bij de daarop volgende - met behulp van het krediet voorbereide -
                        aanvraag voor plaatsing op het programma te moeten constateren dat de
                        financiële ruimte niet aanwezig is voor de realisering van de voorziening.
                        Iets dat zich natuurlijk altijd kan voordoen in geval van onvoorziene
                        tegenvallers op de gemeentebegroting. </al></al-groep><tussenkop>Artikelen 29-36 Medegebruik en verhuur</tussenkop><al-groep><al>De artikelen 102 WPO en 76m en 217 WVO geven de opdracht aan de gemeenteraad
                        om in de huisvestingsverordening een procedure voor het medegebruik en de
                        verhuur van onderwijsgebouwen op te nemen. Wat het medegebruik betreft houdt
                        de opdracht in feite in het vastleggen van de wijze waarop het college met
                        het recht tot het vorderen van leegstaande ruimten omgaan. </al><al>Dit vorderingsrecht kan betrekking hebben op medegebruik ten behoeve van
                        onderwijs en educatie, maar ook ten behoeve van culturele, maatschappelijke
                        of recreatieve doeleinden. </al><al>Met nadruk zij gemeld dat het gaat om delen van gebouwen die leegstaan.
                        Indien het gaat om een gebouw dat in zijn geheel leeg is of komt, is artikel
                        37, Einde gebruik gebouwen, van toepassing. </al><al>Het vorderingsrecht met betrekking tot gebouwen kan betrekking hebben op
                        zowel het gebruik tijdens als na de schooltijden. Dit geldt ook voor
                        sportterreinen die in eigendom zijn van een schoolbestuur voor voortgezet
                        onderwijs. Het vorderingsrecht beperkt zich dan tot het vorderen ten behoeve
                        van ander gebruik dan onderwijsgebruik (bijvoorbeeld voor
                        sportverenigingen). Het recht van de gemeente om leegstand te bestemmen voor
                        ander gebruik strekt zich uit over de wel en de niet door de gemeente in
                        stand gehouden scholen.</al><al>Het sluitstuk van de procedure - het vorderen - vindt echter niet plaats als
                        het leegstand betreft in een gebouw van een school die de gemeente zelf in
                        stand houdt. Dat neemt niet weg dat de criteria die in deze artikelen worden
                        geformuleerd uiteraard ook gelden voor gebouwen van scholen die door de
                        gemeente in stand worden gehouden. </al><al>Er is gekozen voor een iets verschillende benadering van medegebruik ten
                        behoeve van onderwijs en medegebruik ten behoeve van andere activiteiten.
                        Voor medegebruik ten behoeve van andere activiteiten mag van het college
                        verlangd worden dat in het overleg met het bevoegd gezag expliciet, en ten
                        aanzien van met name aangeduide onderwerpen, de gelegenheid wordt geboden om
                        eventuele wensen aangaande het medegebruik te uiten, mede gelet op de
                        vrijheid van richting en inrichting. Uiteraard bestaat die gelegenheid ook
                        in het overleg over het onderwijsmedegebruik. Aangezien het dan echter
                        altijd gaat om gebruik dat overeenkomt met de bestemming van het gebouw, zal
                        het overleg daarover meer een praktisch dan een principieel karakter kunnen
                        hebben. </al><al>De artikelen 29 t/m 33 worden toegepast als er een aanvraag van een bevoegd
                        gezag voor plaatsing op het programma of voor de spoedprocedure is gedaan.
                        Dat kan een aanvraag om medegebruik zijn, maar het kan ook een andere
                        aanvraag zijn die wordt afgewezen en waarin door middel van medegebruik
                        wordt voorzien. </al></al-groep><al><cursief>Voorbeeld</cursief>: er komt een aanvraag binnen om de uitbreiding van
                    een basisschool op het programma te plaatsen. De bepalingen van artikel 12
                    (regels voor de vaststelling van het programma) zijn van toepassing op die
                    aanvraag. In artikel 12 wordt onder meer verwezen naar bijlage I. In die bijlage
                    is gesteld dat de uitbreiding niet wordt bekostigd als er binnen 2.000 meter
                    hemelsbreed sprake is van leegstand waar medegebruik kan plaatsvinden. Binnen
                    die afstand blijkt geschikte leegstand aanwezig te zijn, hetgeen wordt
                    geconstateerd aan de hand van artikel 30 (omschrijving leegstand). Tevens wordt
                    geconstateerd dat de situatie als bedoeld in artikel 31 lid 1 (de leegstand is
                    al door het bevoegd gezag in medegebruik gegeven aan een andere school) zich
                    niet voordoet. </al><al-groep><al>Die constatering kan plaatsvinden aan de hand van de gemeentelijke
                        gegevensadministratie; op grond van artikel 5 moet een bevoegd gezag immers
                        melden dat er sprake is van medegebruik. Het college deelt in het overleg
                        als bedoeld in artikel 10 (het overleg over het programma) mede dat zij
                        voornemens zijn de raad voor te stellen om de wettelijke weigeringsgrond
                        genoemd in artikel 100, lid 1d WPO toe te passen (de aanvraag wordt
                        geweigerd als er door middel van medegebruik in de huisvestingsbehoefte kan
                        worden voorzien). Over dat voornemen wordt op grond van artikel 32 overleg
                        gevoerd met het bevoegd gezag dat de aanvraag heeft ingediend en met het
                        bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd zal worden. Dat overleg maakt deel
                        uit van het overleg over het programma als bedoeld in artikel 10. Er wordt
                        voorzien in de aanvraag door toepassing te geven aan artikel 31 (volgorde
                        van vorderen) en 32 (overleg en mededeling). </al><al>De beschikking voor het bevoegd gezag dat de uitbreiding heeft aangevraagd
                        (onderdeel van het programma) luidt als volgt: de aanvraag wordt afgewezen
                        en in plaats daarvan wordt medegebruik in gebouw [.....] toegekend. Het
                        bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt krijgt op grond van artikel 32 een
                        vorderingsbeschikking, tenzij in het overleg is aangegeven dat er tegen de
                        vordering geen bezwaar bestaat. </al><al>Wat de verhuur betreft kan de regeling in de verordening beperkt zijn; de
                        wet regelt immers uitputtend wanneer wel en niet sprake kan zijn van
                        verhuur.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 29 Aanduiding omstandigheden</tussenkop><al>In dit artikel is aangegeven dat er, alvorens het college kan overgaan tot
                    vordering, eerst sprake moet zijn van een aanvraag (op grond van artikel 6 of
                    19) om een huisvestingsvoorziening voor een school, en dat er bij die school ook
                    een aantoonbaar tekort aan huisvesting is. Lid 1b ziet op de situatie dat er
                    bijvoorbeeld sprake is van een omvangrijke onderhouds- of aanpassingsbehoefte,
                    terwijl medegebruik daarvoor een alternatief vormt. De leden 1c en d regelen dat
                    er sprake dient te zijn van leegstand.</al><tussenkop>Artikel 30 Omschrijving leegstand</tussenkop><tussenkop>Lid 1a</tussenkop><al-groep><al>Voor 1 januari 1997 was op grond van de wet- en regelgeving voor het primair
                        onderwijs duidelijk wat er onder leegstand moest worden verstaan. Er werd
                        uitgegaan van een strikt genormeerde benadering: als het aantal vierkante
                        meters van een gebouw ruimte liet voor een extra groep leerlingen was er
                        sprake van genormeerde leegstand. Of die leegstand wel of niet feitelijk
                        aanwezig was of in gebruik was voor andere doeleinden deed niet ter zake.
                        Aangezien de betreffende wet- en regelgeving niet langer van toepassing is,
                        is het van belang een definitie van het begrip leegstand in de verordening
                        op te nemen. Bij de begripsaanduiding is gekozen voor eenzelfde
                        benaderingswijze als voorheen, zij het met de volgende uitzondering.</al><al>Omdat bij de capaciteitsbepaling van een gebouw ingevolge bijlage III, deel
                        A wordt uitgegaan van lokalen, kan het niet meer voorkomen dat er weliswaar
                        een overmaat aan vierkante meters geconstateerd wordt maar dat er geen
                        lokaal over is.</al><al>Bij de capaciteitsbepaling worden ruimten die een bevoegd gezag eventueel
                        voor eigen rekening heeft gerealiseerd en waar geen (rijks)vergoeding voor
                        wordt verstrekt wel geregistreerd, maar niet als beschikbare capaciteit. Het
                        vorderingsrecht strekt zich derhalve niet tot dergelijke ruimten uit. Voor
                        de goede orde: de zogenaamde eigendoms- en huurscholen vallen dus wel onder
                        het vorderingsrecht. Hiervoor wordt immers wel een (rijks)vergoeding
                        verstrekt. </al></al-groep><al>In tegenstelling tot de volledig voor eigen rekening gefinancierde ruimten,
                    strekt het vorderingsrecht zich wel uit tot leegstaande ruimten waaraan een
                    bevoegd gezag een andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal)
                    heeft gegeven. Deze handelwijze kan worden afgeleid uit de jurisprudentie onder
                    de oude wetgeving waarin is vastgelegd dat, indien er sprake is van genormeerde
                    leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming heeft gegeven, deze
                    bestemming moet wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik. </al><tussenkop>Lid 1b</tussenkop><al-groep><al>Voor het voortgezet onderwijs kan niet van een zelfde, strikt genormeerde,
                        benadering worden uitgegaan als bij het primair onderwijs. Het vertrekpunt
                        is wel hetzelfde: door de capaciteit van het gebouw (als bepaald volgens
                        bijlage III, deel A) te relateren aan de behoefte volgens het
                        ruimtebehoeftemodel ingevolge bijlage III, deel B wordt bezien of er een
                        overschot aan ruimte is. Als dat overschot geconstateerd wordt, behoeft dat
                        niet automatisch te betekenen dat er dan ook een geschikte ruimte vrij is op
                        de gewenste tijd. Een bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs
                        heeft namelijk het recht, binnen de rijksbekostiging, om meer of minder uren
                        aan bepaalde vakken toe te delen. Deze keuzen hebben consequenties voor het
                        lesrooster en de omvang van de groepen, en daarmee voor de beschikbaarheid
                        van het gebouw. Daarom wordt bij een school voor voortgezet onderwijs
                        vervolgens aan de hand van het lesrooster bekeken of er daadwerkelijk sprake
                        is van leegstand. De verantwoordelijkheid om op basis van lesroosters
                        eventueel aan te tonen dat er geen sprake is van leegstand, ligt bij het
                        schoolbestuur. Achtergrond hiervan is dat gemeenten geen zicht hebben op de
                        lesroosters van de scholen.</al><al>Het gaat hier met nadruk om de vrijheid binnen de rijksbekostiging. Indien
                        een bevoegd gezag extra middelen aanwendt en daarmee beslag op leegstand
                        legt, is er sprake van eigen beleid dat dient te wijken voor noodzakelijk
                        onderwijsgebruik.</al></al-groep><tussenkop>Lid 2a</tussenkop><al>Voor de beoordeling of er ruimte is in een gymlokaal dat gebruikt wordt door het
                    primair onderwijs wordt het aantal klokuren dat voor dat lokaal in gebruik is en
                    waarvoor de gemeente goedkeuring heeft verleend, bij elkaar opgeteld. De
                    capaciteit van het gebouw, verminderd met dit aantal, levert de leegstand op.
                    Voor de capaciteit van het gebouw wordt uitgegaan van het maximum aantal uren
                    dat een gebouw per week voor het onderwijs gebruikt kan worden. Het aantal van
                    40 is dan reëel, gelet op de schooltijden voor het voortgezet onderwijs die de
                    maximumgrens vormen. Het getal van 40 betekent uiteraard niet dat scholen voor
                    primair onderwijs buiten hun reguliere schooltijden verwezen kunnen worden naar
                    een gymnastiekruimte die nog geen 40 klokuren in gebruik is. Verwijzing kan
                    alleen maar plaatsvinden binnen de voor de betreffende schoolsoort geldende
                    reële schooltijden. </al><tussenkop>Lid 2b</tussenkop><al>De reden van de controle aan de hand van het lesrooster is dezelfde als bij lid
                    1b.</al><tussenkop>Artikel 31 Nalaten vordering; volgorde van vorderen</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al-groep><al>Door opneming van deze bepaling wordt recht gedaan aan de autonomie van
                        scholen. Indien bevoegde gezagsorganen onderling medegebruik overeenkomen,
                        is er geen reden voor de gemeente om dat te doorkruisen. Deze bepaling kan
                        er mogelijk toe leiden dat in een enkel geval alsnog bijvoorbeeld een
                        uitbreiding moet worden toegestaan omdat door de bevoegde gezagsorganen niet
                        de meest optimale situatie is gecreëerd. Aangezien deze situatie
                        waarschijnlijk alleen bij hoge uitzondering zal voorkomen, is dit geen reden
                        om af te zien van deze bepaling. </al><al>Overigens kan deze bepaling uitgebreid worden naargelang de gemeente in het
                        (brede) huisvestingsbeleid bepaalde accenten wil leggen. Als voorbeeld kan
                        genoemd worden het niet vorderen van leegstand indien deze wordt benut als
                        peuterspeelzaal.</al></al-groep><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Hierin is bepaald dat het onderling overeengekomen medegebruik alleen dan een
                    reden is om niet tot vordering over te gaan, indien de eigen gebouwen van de
                    school die medegebruikt, onvoldoende capaciteit hebben. Uiteraard wordt ook hier
                    uitgegaan van de bepaling van de capaciteit en van het aantal groepen zoals
                    bedoeld in bijlage III. Ook hier geldt dat eigen beleid van bevoegde
                    gezagsorganen, bijvoorbeeld het verkleinen van het aantal groepen zodanig dat
                    dit leidt tot een extra huisvestingsbehoefte, moet wijken voor noodzakelijk
                    ander onderwijsgebruik.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>De keuze voor deze volgorde van vorderen kan uiteraard gewijzigd worden. Het
                    verdient echter aanbeveling om deze keuze wel vast te leggen. Indien er meerdere
                    opties zijn moet immers gemotiveerd kunnen worden hoe het college tot een
                    bepaalde keuze is gekomen. Het gestelde in dit lid zijn bij uitstek
                    aangelegenheden die met de bevoegde gezagsorganen besproken moeten worden,
                    alvorens ze vast te leggen. Dat geldt uiteraard ook voor a, zoals dat voor de
                    hele verordening geldt. Uitgangspunt bij de vordering is dat een schoolbestuur
                    dat ruimtegebrek heeft bij één van zijn scholen, eerst gaat kijken naar
                    eventueel beschikbare ruimte binnen één van de onder zijn beheer staande
                    gebouwen. Indien deze aanwezig is, zal het in de regel nog geen eens komen tot
                    een aanvraag voor medegebruik bij de gemeente. Mocht dit wel zo zijn dan is de
                    kans groot dat ingevolge lid 3a de gemeente het bestuur verwijst naar één van
                    zijn eigen gebouwen. Voor a geldt echter ook dat het financiële consequenties
                    kan hebben om niet als eerste optie van de - qua oppervlakte en indeling -
                    geschiktste ruimte uit te gaan. Vandaar dat uit hoofde van een doelmatiger
                    oplossing kan worden voorbijgegaan aan aanwezige leegstand in één van de
                    gebouwen van het betrokken schoolbestuur. Het gestelde onder b is minder
                    relevant als het gaat om gymnastiekruimten. Om redenen van eenvoud is er echter
                    voor gekozen geen aparte volgorde voor gymnastiekruimten op te nemen. Bij de
                    toepassing van lid 3c dient het openbaar onderwijs in dit verband ook als een
                    richting te worden aangemerkt. </al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Deze bepaling voorkomt dat de volgorde zoals opgenomen in het derde lid te
                    rigide gaat werken. Wanneer op lokaal niveau alle bij de vordering betrokken
                    partijen het eens zijn over een oplossing die niet direct voortvloeit uit het
                    derde lid, dan kan van de daarin neergelegde volgorde worden afgeweken.</al><tussenkop>Artikel 32 Overleg en mededeling</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Het voeren van overleg is wettelijk verplicht. Om praktische redenen is ervoor
                    gekozen dit te koppelen aan het overleg over het programma. In het kader van de
                    vaststelling van het programma zal immers in de regel geconstateerd worden of er
                    van medegebruik sprake kan zijn.</al><al>Ten aanzien van het voorgenomen besluit in het kader van het programma (dat is
                    niet het besluit tot vordering maar het besluit om medegebruik toe te staan) is
                    er voor beide bevoegde gezagsorganen de mogelijkheid een advies van de
                    Onderwijsraad te vragen. Ook hebben zij beiden de mogelijkheid om bezwaar en
                    beroep tegen de vaststelling van het programma in te stellen. Dit heeft geen
                    opschortende werking.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De termijn van vier weken is uiteraard facultatief. Om een bevoegd gezag waarvan
                    gevorderd gaat worden de gelegenheid te geven desgewenst tijdig
                    (organisatorische) maatregelen te nemen, verdient het aanbeveling de termijn zo
                    kort mogelijk te houden. Het bevoegd gezag is overigens op grond van het overleg
                    ook al in de gelegenheid om zich voor te bereiden op het medegebruik. De
                    mededeling dient schriftelijk plaats te vinden. Er is sprake van een beschikking
                    waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is. Het instellen van
                    bezwaar en/of beroep heeft geen opschortende werking. </al><al>De laatste volzin is toegevoegd om geen overbodige administratieve handelingen
                    te hoeven uitvoeren indien er in het overleg is komen vast te staan dat er
                    overeenstemming over de vordering bestaat. </al><tussenkop>Leden 3 en 4</tussenkop><al>In geval van een spoedprocedure is het niet goed mogelijk om termijnen op te
                    nemen voor het overleg. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich
                    meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden.
                    Uiteraard geldt ook hier dat het ‘ontvangende’ bevoegde gezag redelijkerwijs de
                    gelegenheid moet hebben om de nodige maatregelen te treffen. </al><tussenkop>Lid 5e</tussenkop><al>De vordering geschiedt voor een bepaalde periode, zodat het bevoegd gezag
                    waarvan gevorderd wordt weet waar het aan toe is. Het ligt voor de hand de
                    periode te baseren op de uitkomst van de prognose. De periode van vordering kan
                    verlengd worden indien dat noodzakelijk is. </al><tussenkop>Artikel 33 Vergoeding</tussenkop><al>Voor het primair onderwijs is, als gevolg van de vereenvoudiging van het
                    Londo-stelsel, in de wet bepaald dat een bevoegd gezag dat gebruik maakt van een
                    gebouw van een andere bevoegd gezag, de daarvoor ontvangen vergoeding
                    doorbetaalt. Aangezien ‘de ontvangen’ vergoeding niet eenduidig te definiëren
                    valt - de vergoeding is namelijk mede afhankelijk van de omvang van de school -
                    dient daarover overleg tussen de bevoegde gezagsorganen plaats te vinden. Voor
                    het voortgezet onderwijs geldt niet een dergelijke wettelijke bepaling, daar is
                    overleg dus ook de aangewezen weg. </al><al>Omdat de belangen uiteenlopen, kan het voorkomen dat het overleg niet tot
                    overeenstemming leidt. Omdat er dan geen wettelijk geregelde rechtsbescherming
                    geldt, lijkt het verstandig om in de verordening een bepaling ten aanzien van de
                    vergoedingen op te nemen voor het geval men er onverhoopt niet uitkomt. Een
                    systematiek hiervoor is opgenomen in bijlage IV, deel C, en is afgeleid van de
                    rijksvergoeding voor de materiële instandhouding voor de huisvesting van groepen
                    in het basisonderwijs. Uiteraard kunnen andere bedragen worden opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 34 Aanduiding omstandigheden</tussenkop><tussenkop>Onderdeel a</tussenkop><al>Zie de toelichting bij artikel 30.</al><tussenkop>Onderdeel b</tussenkop><al>De sportvelden zijn hier opgenomen vanwege de bepaling in artikel 76r WVO dat
                    het vorderingsrecht zich ook daartoe uitstrekt. </al><tussenkop>Artikel 35 Overleg en mededeling</tussenkop><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al-groep><al>De reden dat hier expliciet is aangegeven wat in ieder geval in het overleg
                        aan de orde dient te komen is gelegen in het feit dat het gaat om gebruik
                        van een gebouw of terrein waarvoor het gebouw of terrein niet in eerste
                        instantie is bedoeld. Dat betekent dat de positie van het bevoegd gezag met
                        nog meer waarborgen omkleed moet worden dan wanneer het om
                        onderwijsmedegebruik gaat. Het bevoegd gezag moet in de gelegenheid gesteld
                        worden zich in het overleg een oordeel te vormen over de aard van de
                        activiteit en de invloed van die activiteit op het onderwijsproces. Als
                        gevolg daarvan kan ook afgesproken worden dat bepaalde maatregelen van de
                        zijde van de gemeente of de medegebruiker genomen worden om hinder te
                        voorkomen. Omdat het om verschillende vormen van medegebruik kan gaan is
                        niet eenduidig vast te stellen welke vergoeding daartegenover dient te
                        staan. Wel is het mogelijk om hierbij aan te sluiten op een
                        vergoedingsbedrag in het kader van de programma’s van eisen materiële
                        instandhouding basisonderwijs door middel van een verwijzing naar bijlage
                        IV, deel C. Deze vergoeding dekt de variabele kosten en zal in het algemeen
                        voldoende zijn; het gaat immers niet om huur.</al><al>Er is van afgezien de beoogde gebruiker in het overleg te betrekken. Er
                        wordt van uitgegaan dat deze door het college vertegenwoordigd wordt.
                        Desgewenst kan de beoogde gebruiker natuurlijk wel in het overleg betrokken
                        worden. Het verdient in ieder geval aanbeveling dat het bevoegd gezag en de
                        medegebruiker, voor de aanvang van het medegebruik, schriftelijk een aantal
                        (praktische) afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt
                        gevormd door het besluit tot vordering door het college. </al></al-groep><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, neemt het college een
                    beslissing inzake de openstaande punten. Voor deze formulering is gekozen om te
                    voorkomen dat door een verschil van mening het vorderingsrecht niet
                    geëffectueerd kan worden. De beslissing van het college is een beschikking,
                    waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is.</al><tussenkop>Artikel 36 Toestemming college van burgemeester en wethouders</tussenkop><tussenkop>Leden 2 en 3</tussenkop><al>De aanduiding van de bestemming van de te verhuren ruimte is van belang voor de
                    toetsing door het college aan de wet- en regelgeving die bepaalde bestemmingen
                    niet toelaat. Zo is het bijvoorbeeld op grond van de onderwijswetgeving niet
                    toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te verhuren als woon- of
                    bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a, tweede lid en 1624, tweede lid van
                    het Burgerlijk Wetboek. Ook een bestemming die zich niet verdraagt met het
                    onderwijs aan de school is in de onderwijswetgeving uitgesloten. Er is echter
                    voor gekozen die afweging aan het bevoegd gezag te laten. Het college maakt wel
                    de afweging of er een andere school is die ruimte voor het onderwijs nodig
                    heeft, op basis van eventueel binnengekomen verzoeken. In dat verband is gekozen
                    voor een onmiddellijke noodzaak. Indien die noodzaak over enige tijd ontstaat,
                    is dat geen reden voor weigering. Het verdient wel aanbeveling, indien het
                    college een indicatie heeft dat de beoogde ruimte op korte termijn nodig zal
                    zijn voor het onderwijs, dat zij dit aan het bevoegd gezag mededelen. Dat geldt
                    evenzeer als het college voornemens is de ruimte te vorderen voor ander gebruik.
                    Het bevoegd gezag kan dan een verantwoorde afweging maken of het wil overgaan
                    tot verhuur. De risico’s voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat
                    bij voortijdige opzegging van het contract omdat het college gebruik maakt van
                    hun vorderingsrecht ligt ingevolge de wet bij het bevoegd gezag. </al><tussenkop>Artikel 37 Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</tussenkop><al-groep><al>De wetgeving voor het primair onderwijs kende tot 1 januari 1997 een
                        bepaling waarin gesteld werd dat het gebruik van een dislocatie diende te
                        worden beëindigd binnen drie maanden na beëindiging van de rijksbekostiging
                        van dat gebouw. De rijksbekostiging werd beëindigd indien een dislocatie kon
                        worden ‘leeggerekend’, dat wil zeggen indien het hoofdgebouw genormeerd
                        zoveel ruimte bevatte dat alle groepen van de school daarin gehuisvest
                        konden worden. Aangezien de rijksbekostiging niet langer gerelateerd is aan
                        de gebouwen, is er geen sprake meer van ‘leegrekenen’ door het rijk.</al><al>Aan een bepaling omtrent de beëindiging van het gebruik van dislocaties is
                        echter wel behoefte, vooral vanwege het feit dat gemeenten door hergebruik
                        van onderwijsgebouwen een deel van de beoogde efficiency moeten realiseren.
                        Het eindigen van het recht op het gebruik van hoofdgebouwen blijft in de wet
                        gekoppeld aan de beëindiging van de bekostiging van de school, zie
                        bijvoorbeeld artikel 163 WPO. </al><al>De WVO kent weliswaar niet zo’n bepaling, maar het spreekt voor zich dat het
                        recht op het gebruik van een gebouw eindigt wanneer de school die het gebouw
                        gebruikt wordt opgeheven. </al><al>De artikelen 102 WPO en 76m en 217 WVO geven aan de gemeente opdracht om in
                        de verordening een termijn op te nemen gedurende welke een gebouw nog ten
                        hoogste kan worden gebruikt nadat, bij een gezamenlijke akte of door
                        gedeputeerde staten, is bepaald dat de school heeft opgehouden of zal
                        ophouden het gebouw te gebruiken. Tevens moet de gemeente een procedure
                        vaststellen voor een eventueel op te maken staat van onderhoud ingeval van
                        beëindiging van het gebruik. </al><al>Artikel 37 van de verordening voorziet in deze wettelijke opdracht. In het
                        artikel wordt geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en dislocaties.
                        Dat onderscheid is in dit kader ook niet relevant; ten aanzien van alle
                        gebouwen moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd
                        moet worden. </al><al>Het opmaken van de staat van onderhoud is gekoppeld aan de beëindiging van
                        het gebruik van een gebouw. De wettelijke bepalingen over de beëindiging van
                        het gebruik hebben alleen betrekking op niet door de gemeente in stand
                        gehouden scholen. In formele zin zijn de bepalingen over het achterstallig
                        onderhoud dus niet van toepassing op de scholen die door de gemeente in
                        stand worden gehouden. Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling is dit
                        uiteraard in materiële zin wel het geval. Het volgen van eenzelfde
                        handelwijze ligt dan ook voor de hand. </al></al-groep><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al-groep><al>De datum van de beëindiging van het gebruik ligt in formele zin altijd na de
                        datum waarop toepassing is gegeven aan artikel 110 WPO of 76u of 225 WVO.
                        Aan die artikelen wordt toepassing gegeven doordat het college en het
                        bevoegd gezag in een gezamenlijke akte verklaren dat het gebruik van het
                        gebouw beëindigd wordt of, ingeval van een geschil daarover, indien
                        gedeputeerde staten daar een beslissing over nemen op verzoek van één der
                        partijen. In materiële zin kan uiteraard sprake zijn van een beëindiging van
                        het gebruik op een tijdstip dat ligt voor toepassing van eerder genoemde
                        artikelen. Van belang is dan echter wel dat de eigendomsoverdracht dan nog
                        niet heeft plaatsgevonden en dat het bevoegd gezag als eigenaar nog steeds
                        verantwoordelijk is voor het gebouw. </al><al>Als datum is gekozen de datum die in de akte die bevoegd gezag en gemeente
                        opstellen wordt genoemd. Als er een geschil over de akte ontstaat zullen
                        gedeputeerde staten een beslissing nemen. In de meeste gevallen zal de datum
                        aan het einde van het schooljaar liggen.</al></al-groep><al-groep><al>Om één en ander inderdaad aan het einde van het schooljaar te kunnen
                        realiseren, is het nodig dat het college in een vroegtijdig stadium
                        constateert dat een gebouw mogelijk niet meer nodig is voor een school. Die
                        constatering kan in de regel plaatsvinden aan de hand van de leerlingtelling
                        van 1 oktober. Als er sprake is van een voorgenomen fusie of opheffing, moet
                        een bevoegd gezag daarvan mededeling doen aan de gemeente ingevolge artikel
                        5 van de modelverordening. Direct na de telling van 1 oktober, of na de
                        mededeling van het bevoegd gezag, kan de procedure voor de vaststelling van
                        een gezamenlijke akte over het einde van het gebruik in gang worden gezet.
                        Mocht daarover een geschil ontstaan, dan kan gedeputeerde staten om een
                        beslissing worden verzocht. De beslissing van gedeputeerde staten is een
                        beschikking, waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is. </al><al>Of het instellen van beroep in dit geval opschortende werking heeft, is niet
                        eenduidig aan te geven. In het algemeen geldt dat het instellen van beroep
                        geen opschortende werking heeft, tenzij de wet anders bepaalt. De wet
                        bepaalt dat de eigendomsoverdracht, die pas kan plaatsvinden nadat is komen
                        vast te staan dat de school het gebouw blijvend niet meer nodig heeft, niet
                        eerder kan plaatsvinden dan nadat de beslissing van gedeputeerde staten
                        onherroepelijk is geworden of nadat door de rechter in beroep is beslist. </al><al>Ten aanzien van de eigendomsoverdracht heeft het instellen van beroep dus
                        opschortende werking. Ten aanzien van de beslissing of een school heeft
                        opgehouden het gebouw te gebruiken sec, bepaalt de wet niets. Ten aanzien
                        van een mogelijk beroep tegen die beslissing zou dus gesteld kunnen worden
                        dat het geen opschortende werking heeft. Mocht blijken dat dat wel zo is,
                        dan kan overwogen worden een voorlopige voorziening bij de president van de
                        rechtbank te vragen indien er sprake is van spoedeisende
                        omstandigheden.</al></al-groep><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al-groep><al>Met achterstallig onderhoud wordt in dit verband bedoeld het onderhoud dat,
                        met het oog op de onderhoudsplicht van een bevoegd gezag, al uitgevoerd had
                        moeten zijn. Het gaat er dus niet om dat een gebouw nog een extra
                        opknapbeurt moet krijgen alvorens het buiten gebruik wordt gesteld. Als
                        bijvoorbeeld de meerjarenonderhoudsplanning aangeeft dat er een
                        schilderbeurt gepland is over één jaar, en uit de schouwing van het gebouw
                        blijkt niet dat dit schilderwerk eigenlijk al had moeten plaatsvinden, dan
                        is er geen sprake van achterstallig onderhoud. </al><al>Het is van belang de staat van het onderhoud op te maken, voordat de
                        eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden. Alleen voor die tijd kan nog
                        eenduidig worden vastgesteld aan wie het eventueel achterstallig onderhoud
                        is toe te rekenen. Het spreekt voor zich dat het opmaken van de staat van
                        onderhoud achterwege kan blijven indien er geen enkele aanleiding is om te
                        veronderstellen dat er sprake is van achterstallig onderhoud dat tot de
                        verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag behoort.</al></al-groep><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college. Hiervoor kan
                    het college een ambtenaar met deskundigheid van bouwzaken aanwijzen of een
                    derde, zoals een bouwkundig adviesbureau. Over de inhoud van de opdracht en over
                    de persoon of instantie die dit uitvoert, heeft het college eerst overleg met
                    het betrokken bevoegd gezag. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige
                    discussie c.q. meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de opdracht en
                    over de keuze van de uitvoerder. De positie van het college is in dit kader
                    vergelijkbaar met die van de verhuurder, die bij de opzegging van de huur een
                    inventarisatie maakt van datgene wat voor rekening van de huurder hersteld moet
                    worden. Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde inlichtingen van het bevoegd
                    gezag gevraagd worden. Deze inlichtingen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben
                    op een meerjarenonderhoudsplanning (indien aanwezig) of uit bewijsstukken dat er
                    geregeld onderhoud is uitgevoerd. Het spreekt voor zich dat bij het opmaken van
                    de staat van onderhoud overleg plaatsvindt over het tijdstip waarop de schouwing
                    plaatsvindt.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al-groep><al>Het college voert overleg met het bevoegd gezag over de uitkomsten van de
                        staat van onderhoud. Het bevoegd gezag kan dan aangeven of men het daar wel
                        of niet mee eens is. Als er achterstallig onderhoud is geconstateerd, geeft
                        het bevoegd gezag in het overleg aan of het bereid is dit alsnog uit te
                        voeren. Er kan ook overeengekomen worden dat het bedrag dat gemoeid is met
                        het achterstallig onderhoud wordt betaald aan de gemeente.</al><al>Indien partijen geen overeenstemming bereiken, bespreken ze hoe de
                        vervolgprocedure zal zijn. Er kan bijvoorbeeld arbitrage overeengekomen
                        worden, waarbij beide partijen afspreken zich te zullen neerleggen bij de
                        uitkomst daarvan. Het college kan zich ook wenden tot de burgerlijke
                        rechter, op grond van het feit dat het bevoegd gezag een onrechtmatige daad
                        heeft gepleegd door zich niet te houden aan de wettelijke opdracht om een
                        gebouw behoorlijk te gebruiken of te onderhouden. </al><al>Gelet op de kosten en de moeite die dergelijke procedures voor beide
                        partijen met zich meebrengen, verdient het veruit de voorkeur in gezamenlijk
                        overleg een oplossing te bereiken.</al></al-groep><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er weliswaar een vermoeden over
                    achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit nog te laten
                    uitvoeren. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als het gebouw gesloopt wordt.</al><tussenkop>Artikelen 38 en 39 Gebruik en vergoeding gymnastiekruimte primair
                    onderwijs</tussenkop><al-groep><al>In de artikelen 38 en 39 zijn het gebruik van en de vergoeding voor
                        gymnastiekruimten voor het primair onderwijs nader geregeld.</al><al>De verlegging per 1 januari 1997 van de geldstroom ‘materiële instandhouding
                        gymnastiek’ voor het primair onderwijs naar de gemeenten via het
                        Gemeentefonds leidt tot de opdracht aan de gemeenteraad om na overleg met de
                        schoolbesturen voor het onderwijs in lichamelijke opvoeding het aantal
                        klokuren vast te stellen dat ten hoogste per groep leerlingen voor
                        vergoeding in aanmerking komt. Deze wettelijke opdracht is nader uitgewerkt
                        in artikel 38. </al><al>Aangezien de gemeente belast is met de bepaling van de omvang en de
                        vergoeding van het onderwijsgebruik van gymnastiekruimten en - landelijk
                        bezien - het overgrote deel van de gymnastiekruimten door of vanwege de
                        gemeente worden beheerd, ligt het voor de hand dat de gemeente een
                        coördinerende rol vervult bij de toedeling van dit gebruik. Dit is verder
                        uitgewerkt in artikel 39.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 38 Omvang en vergoeding gebruik</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al-groep><al>In het systeem in het primair onderwijs van voor de invoering van de
                        decentralisatie werden de capaciteit en het gebruik van
                        gymnastiekaccommodaties uitgedrukt in een aantal klokuren onderwijsgebruik.
                        In lid 1 is ervoor gekozen deze systematiek ook na 1 januari 1997 te
                        handhaven. Hiermee wordt voorkomen dat een onnodige breuk optreedt in de van
                        overheidswege bekostigde omvang van het onderwijsgebruik van
                        gymnastiekruimten.</al><al>De voor de bepaling van het aantal klokuren gymnastiek per schoolweek al
                        voor het basisonderwijs en (voorgezet) speciaal onderwijs in het recente
                        verleden ontwikkelde en toegepaste rekenregels zijn dan ook overgenomen in
                        de verordening.</al><al>Hiertoe is in het eerste lid bepaald dat de gemeente voor het basisonderwijs
                        ten hoogste 1,5 klokuur gymnastiek per bovenbouwgroep bekostigt; voor het
                        (voortgezet) speciaal onderwijs is dit ten hoogste 2.25 klokuur per
                        bovenbouwgroep. In een specifiek geval is het in het (voortgezet) speciaal
                        onderwijs mogelijk om voor een groep leerlingen jonger dan zes jaar een
                        vergoeding te verkrijgen voor het gebruik van een gymnastiekruimte voor ten
                        hoogste 3.75 klokuren per week. Deze mogelijkheid was al verankerd in de
                        bekostigingsregels zoals deze golden voor 1 januari 1997. De formulering
                        ‘ten hoogste’ betekent dat de gemeente ook minder klokuren kan bekostigen
                        wanneer op basis van het activiteitenplan van de school het gebruik van de
                        gymnastiekruimte onder dit niveau ligt. De formulering sluit tevens uit dat
                        het gebruik boven deze norm voor bekostiging van gemeentewege in aanmerking
                        komt.</al><al>De wijze waarop het aantal groepen, waarvan de omvang van het gebruik wordt
                        afgeleid, vastgesteld wordt, is neergelegd in bijlage III, deel B. Voor het
                        basisonderwijs wordt hiervoor verwezen naar paragraaf 1.2; voor het
                        (voortgezet) speciaal onderwijs naar paragraaf 2.2.).</al></al-groep><tussenkop>Leden 2 en 3</tussenkop><al-groep><al>Hierin wordt de hoogte en wijze van vergoeding geregeld voor het gebruik
                        door het primair onderwijs van gymnastiekruimten die in eigendom zijn van
                        een schoolbestuur van een niet door de gemeente in stand gehouden school.
                        Anders dan voor de gymnastiekruimten die door of vanwege de gemeente
                        beschikbaar zijn voor het onderwijsgebruik, dient in dit geval een
                        vergoeding aan het schoolbestuur te worden verstrekt.</al><al>Een school voor primair onderwijs welke een gemeentelijke accommodatie
                        gebruikt als gymnastiekruimte krijgt hiervoor geen vergoeding. De gemeente
                        bekostigt immers tot aan het genoemde maximum in lid 1 zelf de exploitatie
                        van dit gebruik. Wanneer een schoolbestuur, niet zijnde de gemeente,
                        eigenaar is van de accommodatie dan dient dit wel een vergoeding te
                        ontvangen teneinde de kosten van het onderwijsgebruik te kunnen dekken.
                    </al></al-groep><tussenkop>Artikel 39 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                    inroostering gebruik</tussenkop><al-groep><al>Het gebruik door het primair onderwijs van gymnastiekruimten vindt meestal
                        plaats in gemeentelijke accommodaties. Formeel beschouwd gaat het daarbij
                        doorgaans om situaties van medegebruik en daarmee om een voorziening in de
                        huisvesting als bedoeld in artikel 2 van de verordening.</al><al>Aangezien de omvang van dit medegebruik, uitgedrukt in het aantal klokuren,
                        jaarlijks kan fluctueren door de veranderingen in het aantal leerlingen van
                        een school, zou dat jaarlijks kunnen leiden tot aanvragen in het kader van
                        het programma, dan wel spoedprocedure.</al><al>Beide procedures zijn te zwaar en te omslachtig om jaarlijkse mutaties in
                        het gebruik van gymnastiekaccommodaties aan te vragen. Dit geldt voor die
                        mutaties die binnen de bestaande capaciteit kunnen worden opgevangen en dus
                        niet leiden tot een uitbreiding of nieuwbouw van gymnastiekruimten. Zeker
                        wanneer daarbij wordt bedacht dat de gemeente ingevolge de wet en artikel 38
                        gehouden is tot bekostiging van het genormeerde gymnastiekgebruik.</al><al>Tegen deze achtergrond is in artikel 39 voor een benadering gekozen waarbij
                        de huisvestingsprocedures worden ontlast van aanvragen die samenhangen met
                        mutaties in klokuren, voor zover deze mutaties binnen de voorhanden zijnde
                        capaciteit kunnen worden ondergebracht. Formeel worden de jaarlijkse opgaven
                        van schoolbesturen van het gewenste gebruik van de gymnastiekruimten
                        weliswaar beschouwd als een aanvraag in het kader van de spoedprocedure,
                        materieel worden zij echter buiten deze procedure om afgewikkeld. Hiervoor
                        in de plaats komt de benadering uit artikel 39, die in essentie op het
                        volgende neerkomt.</al><al>De gemeente heeft als lokale overheid zicht op het onderwijsgebruik van de
                        sportaccommodaties (welke school geeft gymnastiekonderwijs in welk gebouw,
                        wanneer en voor hoeveel uren, en wat is de capaciteit van het gebouw?).</al><al>De volgende elementen zorgen ervoor dat de gemeente voor het primair
                        onderwijs dit inzicht heeft:</al></al-groep><lijst><li nr="a"><al>inventarisatie van de accommodaties die geschikt zijn voor
                            gymnastiekonderwijs, inclusief de eigendomssituatie;</al></li><li nr="b"><al>vaststelling van de capaciteit en feitelijk/genormeerd klokuurgebruik
                            per onderwijsgebruiker (school);</al></li><li nr="c"><al>jaarlijkse registratie van de mutaties in feitelijk/genormeerd
                            klokuurgebruik.</al></li></lijst><al>De mutaties zijn gebaseerd op:</al><lijst><li nr="-"><al>het aantal leerlingen op de teldatum t 1 voor de vaststelling van het
                            genormeerde gebruik voor het daaropvolgende schooljaar;</al></li><li nr="-"><al>de opgaven van de schoolbesturen waarbij wordt aangegeven voor hoeveel
                            uur men feitelijk gebruik wil maken van een gymnastiekruimte voor het
                            komende schooljaar;</al></li></lijst><al-groep><al>Op basis van dit inzicht maakt de gemeente jaarlijks een voorstel tot
                        inroostering van het onderwijsgebruik, waarbij indien nodig ook wordt bezien
                        in hoeverre gebruik boven de norm kan plaatsvinden, gegeven de beschikbare
                        capaciteit.</al><al>Dit voorstel wordt niet dan na overleg met de betrokken schoolbesturen
                        vastgesteld. De opgaven van het gewenste gebruik, het voorstel tot en het
                        vaststellen van de inroostering vinden relatief kort voor het nieuwe
                        schooljaar plaats. Dit omdat de meeste schoolbesturen over de exacte omvang
                        van het gymnastiekgebruik pas uitspraken kunnen doen wanneer zicht bestaat
                        op de omvang en inzet van de personeelsformatie voor het komend
                        schooljaar.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 41 Indexering</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat jaarlijks de verordening door de
                    raad moet worden gewijzigd, louter om de ingevolge artikel 4 gehanteerde
                    genormeerde vergoedingen aan de prijsontwikkeling aan te passen. Bijlage IV,
                    deel A, waar deze normen hun basis hebben, vormt namelijk - net als de overige
                    bijlagen - onderdeel van de verordening. Door de prijsbijstelling te delegeren
                    aan het college wordt een dergelijke relatief zware procedure via de raad
                    overbodig. Het kan nu via een lichtere procedure door op dit onderdeel het
                    college de bevoegdheid tot wijziging te geven. Het wettelijk verplichte overleg
                    met het onderwijsveld dat voorafgaat aan wijzigingen van de verordening, kan
                    plaatsvinden door toezending van de voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden
                    van de mogelijkheid om hierop te reageren. </al><tussenkop>Artikel 42 Citeertitel; inwerkingtreding</tussenkop><al-groep><al>Het ‘structurele’ deel van de verordening op basis waarvan de gemeente haar
                        huisvestingstaak vanaf 1 januari 1997 uitoefent, dient ten minste acht weken
                        voor het tijdstip waarop aanvragen voor het huisvestingsprogramma 2001 bij
                        de gemeente moeten zijn ingediend, door de gemeenteraad te zijn vastgesteld.
                        Uitgaande van de in de verordening opgenomen indieningsdatum van 1 februari
                        2003 betekent dit dat de verordening voor 6 december 2002 moet zijn
                        vastgesteld. </al><al>Wel verdient het aanbeveling dat de verordening zo spoedig mogelijk na
                        vaststelling wordt bekendgemaakt, opdat de belanghebbenden hierover vóór de
                        formele inwerkingtreding zijn geïnformeerd.</al><al>De verordening geldt voor de duur van één jaar.</al><al>Het derde lid is met ingang van 2004 toegevoegd. De tijdelijke Referendumwet
                        is ook van toepassing op de verordening voorzieningen huisvesting
                        onderwijs.</al></al-groep></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>