<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR14901_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB en WIJ</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-10-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-09-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB en WIJ</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> Gemeente Achtkarspelen</al><al> Gemeente Kollumerland c.a. </al><al><vet> Verordening toeslagen en kortingenbeleid WWB en WIJ</vet></al><al/><al><vet>Afdeling Werk, Inkomen en Zorg</vet></al><al/><al><vet> September
                        2009</vet></al><al><vet>Gemeente Achtkarspelen en gemeente Kollumerland c.a.</vet></al><al>de Raad van de gemeente Achtkarspelen;</al><al>en </al><al>de Raad van de gemeente Kollumerland c.a.;</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 8, lid 1, sub c en artikel 30 van
                        de Wet Werk en Bijstand en arttikel 12, lid 1, sub e en artikel 35
                        van de Wet Investeren in Jongeren,</al><al>overwegende dat moet worden vastgesteld voor welke categorieën de
                        bijstandsnorm/inkomensvoorziening wordt verhoogd of verlaagd en op
                        grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging
                        wordt bepaald;</al><al><vet>besluiten</vet></al><al>vast te stellen: </al><al><vet>de Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB en
                        WIJ</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>de WWB</vet>: de Wet Werk en Bijstand;</al></li><li nr="b."><al><vet>de WIJ</vet>: de Wet Investeren in Jongeren;</al></li><li nr="c."><al><vet>de belanghebbende</vet>: degene wiens belang rechtstreeks
                                    bij een besluit is betrokken (Algemene Wet Bestuursrecht) en
                                    welke in deze verordening ook wordt aangeduid met “hij” of
                                    “hem”;</al></li><li nr="d."><al><vet>de alleenstaande in het kader van de berekening van de
                                            </vet><vet><onderstreept>WWB-uitkering</onderstreept></vet>:
                                    de ongehuwde van 21 jaar of ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar of
                                    ouder) die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen
                                    gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft
                                    een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de
                                    tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de
                                    tweede graad sprake is van zorgbehoefte;</al></li><li nr="e."><al><vet>de alleenstaande in het kader van de berekening van de
                                            </vet><vet><onderstreept>WIJ-inkomensvoorziening</onderstreept></vet>:
                                    de ongehuwde van 21 tot 27 jaar die geen tot zijn last komende
                                    kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een
                                    ander tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of
                                    een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de
                                    bloedverwanten in de tweede graad sprake is van
                                    zorgbehoefte;</al></li><li nr="f."><al><vet>de alleenstaande ouder in het kader van de berekening van
                                        de
                                        </vet><vet><onderstreept>WWB-uitkering</onderstreept></vet>:
                                    de ongehuwde van 21 jaar of ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar of
                                    ouder) die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn
                                    last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met
                                    een ander tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad
                                    of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de
                                    bloedverwanten in de tweede graad sprake is van
                                    zorgbehoefte;</al></li><li nr="g."><al><vet>de alleenstaande ouder in het kader van de berekening van
                                        de
                                            </vet><vet><onderstreept>WIJ-inkomensvoorziening</onderstreept></vet>:
                                    de ongehuwde van 21 tot 27 jaar die de volledige zorg heeft voor
                                    één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke
                                    huishouding voert met een ander tenzij het betreft een
                                    bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede
                                    graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad
                                    sprake is van zorgbehoefte;</al></li><li nr="h."><al><vet>de gehuwde in het kader van de berekening van de
                                            </vet><vet><onderstreept>WWB-uitkering</onderstreept></vet>:
                                    een persoon van 21 jaar of ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar of
                                    ouder) die gehuwd, of geregistreerd partner is en wiens partner
                                    eveneens 21 jaar of ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar of ouder)
                                    is;</al><lijst><li nr="-"><al>als gehuwde wordt mede aangemerkt de ongehuwde van 21
                                            jaar of ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar of ouder) die
                                            met een ongehuwde van 21 jaar of ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar of ouder) een gezamenlijke huishouding
                            voert, tenzij het een bloedverwant in de eerste graad betreft;</al></li><li nr="-"><al>als ongehuwde wordt mede aangemerkt degene van 21 jaar of ouder
                                    * (per 1 juli 2010: 27 jaar of ouder) die duurzaam gescheiden
                                    leeft van de van degene waarmee hij gehuwd is;</al></li><li nr="-"><al>van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen
                                    van 21 jaar * (per 1 juli 2010: 27 jaar of ouder) of ouder hun
                                    hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg
                                    te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een
                                    bijdrage in de kosten van de huishouding danwel anderszins;</al></li><li nr="-"><al>een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig
                                    geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in
                                    dezelfde woning en:</al></li><li nr="-"><al>zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de uitvoering
                                    van de WWB of de WIJ als gehuwden zijn aangemerkt;</al></li><li nr="-"><al>uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft
                                    plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;</al></li><li nr="-"><al>zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de
                                    huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract;</al></li><li nr="-"><al>zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een
                                    gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt
                                    met de gezamenlijke huishouding bedoeld in het voorgaande.</al></li><li nr="-"><al>van duurzaam gescheiden leven is sprake als:</al></li><li nr="-"><al>het een door één of beide belanghebbenden gewilde verbreking van
                                    de echtelijke of daarmee gelijkgestelde samenleving betreft,
                                    en</al></li><li nr="-"><al>beide belanghebbenden afzonderlijk van elkaar een eigen leven
                                    leiden, als waren zij niet met elkaar gehuwd, en</al></li><li nr="-"><al>deze toestand door tenminste één belanghebbende als bestendig
                                    wordt gezien.</al></li></lijst><al><cursief>(Indien bij aanvraag WWB door belanghebbende gedurende de
                                periode 1-10-2009 tot 1-7-2010 de partner 21 tot 27 jaar is, dan
                                valt deze partner onder artikel 28 WIJ en wordt de gehuwde of de
                                daaraan gelijkgestelde behandeld als ware hij een alleenstaande en
                                wordt diens WWB-uitkering berekend overeenkomstig de wijze genoemd
                                in artikel 24 WWB) </cursief></al><lijst><li nr="i."><al><vet>de gehuwde in het kader van de berekening van de
                                            </vet><vet><onderstreept>WIJ-inkomensvoorziening</onderstreept></vet>:
                                    een persoon van 21 tot 27 jaar die gehuwd, of geregistreerd
                                    partner is;</al><lijst><li nr="-"><al>als gehuwde wordt mede aangemerkt de ongehuwde van 21
                                            tot 27 jaar die met een ongehuwde van 21 tot 27 jaar een
                                            gezamenlijke huishouding voert, tenzij het een
                                            bloedverwant in de eerste graad betreft;</al></li><li nr="-"><al>als ongehuwde wordt mede aangemerkt degene van 21 tot 27
                                            jaar die duurzaam gescheiden leeft van de van degene
                                            waarmee hij gehuwd is;</al></li><li nr="-"><al>van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee
                                            personen, waarvan één 21 tot 27 jaar is hun
                                            hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk
                                            geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
                                            leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding
                                            danwel anderszins;</al></li><li nr="-"><al>een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval
                                            aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun
                                            hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:</al></li><li nr="-"><al>zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de
                                            uitvoering van de WIJ of de WWB als gehuwden zijn
                                            aangemerkt;</al></li><li nr="-"><al>uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft
                                            plaatsgevonden van een kind van de één door de
                                            ander;</al></li><li nr="-"><al>zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage
                                            aan de huishouding krachtens een geldend
                                            samenlevingscontract;</al></li><li nr="-"><al>zij op grond van een registratie worden aangemerkt als
                                            een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking
                                            overeenkomt met de gezamenlijke huishouding bedoeld in
                                            het voorgaande.</al></li><li nr="-"><al>van duurzaam gescheiden leven is sprake als:</al></li><li nr="-"><al>het een door één of beide belanghebbenden gewilde
                                            verbreking van de echtelijke of daarmee gelijkgestelde
                                            samenleving betreft, en</al></li><li nr="-"><al>beide belanghebbenden afzonderlijk van elkaar een eigen
                                            leven leiden, als waren zij niet met elkaar gehuwd,
                                            en</al></li><li nr="-"><al>deze toestand door tenminste één belanghebbende als
                                            bestendig wordt gezien.</al></li></lijst></li></lijst><al><cursief>(Indien de partner 18 tot 21 óf 27 jaar en ouder is, wordt voor
                                de gehuwde of de daaraan gelijkgestelde de WIJ-inkomensvoorziening
                                berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 28 van de WIJ)
                            </cursief></al><lijst><li nr="j."><al><vet>het kind</vet>: het in Nederland woonachtige eigen kind of
                                    stiefkind;</al></li><li nr="k."><al><vet>het ten laste komende kind</vet>: het kind, jonger dan 18
                                    jaar, voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op
                                    kinderbijslag kan maken;</al></li><li nr="l."><al><vet>de woning</vet>: een besloten ruimte, die, al dan niet
                                    tezamen met één of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is
                                    voor bewoning door een huishouden (Huisvestingswet);</al><lijst><li nr="-"><al>onder een woning wordt tevens verstaan een woonwagen en
                                            een woonschip;</al></li></lijst></li><li nr="m."><al><vet>de woonkosten</vet>:</al><lijst><li nr="a."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende
                                    rekenhuur als bedoeld in de Wet op de Huurtoeslag;</al></li><li nr="b."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per
                                    maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de
                                    in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen
                                    zakelijke lasten;</al></li><li nr="c."><al>indien een woonwagen in huur danwel in eigendom wordt bewoond,
                                    de tot een bedrag per maand herleidde woonkosten;</al><lijst><li nr="-"><al>onder zakelijke lasten wordt verstaan: </al></li><li nr="-"><al>het eigenaarsdeel van de onroerend zaakbelasting.</al></li><li nr="-"><al>de waterschapslasten (excl. verontreinigingsheffing en
                                            ingezetenenheffing).</al></li><li nr="-"><al>een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor de
                                            kosten van groot onderhoud.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="n."><al><vet>de hoofdbewoner</vet>: de persoon op wiens naam de woning
                                    staat en in die woning zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="o."><al><vet>de inwonende</vet>: de persoon die zijn hoofdverblijf in
                                    een woning heeft waarvan hij niet de hoofdbewoner is;</al></li><li nr="p."><al><vet>het wettelijk minimumloon</vet>: het minimumloon per maand,
                                    genoemd in artikel 8, lid 1, sub a van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantietoeslag, verhoogd met de aanspraak op
                                    vakantietoeslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van
                                    die wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na
                                    aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting, premies
                                    volksverzekeringen en de vergoeding als bedoeld in artikel 46
                                    van de Zorgverzekeringswet.</al></li><li nr="q."><al><vet>de verzorgingsbehoevende</vet>: degene die, indien hij niet
                                    bij een andere persoon zou inwonen, volgens een advies van de
                                    GGD zou zijn aangewezen op beroepsmatige hulp in de vorm van
                                    verzorging in een verzorgings- of een verpleegtehuis;</al></li><li nr="r."><al><vet>de crisissituatie</vet>: een situatie van noodopvang bij
                                    een andere persoon of personen nadat men door omstandigheden
                                    niet meer beschikt over woonruimte, voor zolang deze situatie
                                    niet langer duurt dan twee maanden;</al></li><li nr="s."><al><vet>de kostganger</vet>: een persoon die aantoonbaar tegen
                                    betaling van een commerciële prijs kost en inwoning bij een
                                    andere persoon of personen heeft;</al><lijst><li nr="-"><al>onder een commerciële prijs wordt verstaan:</al><al> een bedrag ter hoogte van minimaal 40% van het
                                            wettelijk minimumloon per maand.</al></li></lijst></li><li nr="t."><al><vet>de onderhuurder</vet>: een persoon die aantoonbaar tegen
                                    betaling van een commerciële prijs een deel van een woning van
                                    een persoon of personen huurt;</al><lijst><li nr="-"><al>onder een commerciële prijs wordt verstaan:</al><al> een bedrag ter hoogte van minimaal 15% van het
                                            wettelijk minimumloon per maand.</al></li></lijst></li><li nr="u."><al><vet>de zwervende</vet>: een persoon die geen woning
                                    bewoont;</al></li><li nr="v."><al><vet>de woningkraker</vet>: een persoon die een woning bewoont
                                    waaraan geen woonkosten geacht worden te zijn verbonden, tenzij
                                    aantoonbaar het tegendeel blijkt;</al></li><li nr="w."><al><vet>inkomsten uit vakantiewerk</vet>: inkomsten uit arbeid van
                                    inwonende studerende kinderen die tijdens de vastgestelde
                                    schoolvakanties worden verworven;</al><lijst><li nr="-"><al>onder studerende kinderen worden in dit verband
                                            verstaan:</al><al> kinderen die studerend zijn en na de
                                            vakantieonderbreking de studie weer voortzetten.</al></li></lijst></li><li nr="x."><al><vet>het college</vet>: het college van Burgemeester en
                                    Wethouders van de gemeente Achtkarspelen óf de gemeente
                                    Kollumerland c.a.</al></li><li nr="y."><al><vet>de gemeenteraad</vet>: de gemeenteraad van de gemeente
                                    Achtkarspelen óf de gemeente Kollumerland c.a.</al></li></lijst><al><cursief>* die géén WIJ-gerechtigde is</cursief></al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Categorieën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Categorieën</titel></kop><al>Voor belanghebbenden aan wie bijstand op grond van de WWB of
                            inkomensvoorziening op grond van de WIJ kan worden verleend geldt een
                            categorieaanduiding;</al><lijst><li nr="-"><al>de categorieën worden aangeduid als:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>gehuwde.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm in het
                                kader van de WWB</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de
                                    alleenstaande van 21 jaar of ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar
                                    of ouder) of de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder * (per
                                    1 juli 2010: 27 jaar of ouder) hogere algemene noodzakelijke
                                    kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm
                                    voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen
                                    van deze kosten met een ander.</al></li><li nr="2."><al>Voor de gehuwde van 27 jaar en ouder die als gevolg van het feit
                                    dat de partner van 21 tot 27 jaar een inkomen uit de WIJ
                                    ontvangt, als alleenstaande of alleenstaande ouder moet worden
                                    aangemerkt, bestaat nimmer recht op een toeslag.</al></li><li nr="3."><al>a. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de
                                    alleenstaande van 22 jaar of ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar
                                    of ouder) en de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder * (per
                                    1 juli 2010: 27 jaar of ouder) met zijn ten laste komende
                                    kinderen in wiens woning géén ander, waarmee kosten kunnen
                                    worden gedeeld, zijn hoofdverblijf heeft bepaald op het in
                                    artikel 25, lid 2 van de WWB genoemde maximumbedrag.</al><lijst><li nr="b."><al>Het maximumbedrag van de toeslag wordt voor de
                                            alleenstaande van 21 jaar * bepaald op 10% van het
                                            wettelijk minimumloon (vervalt per 1 juli 2010).</al></li><li nr="c."><al>De toeslag wordt voor de alleenstaande van 21 jaar en 22
                                            jaar of ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar of ouder) en
                                            de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder * (per 1
                                            juli 2010: 27 jaar of ouder), die hoofdbewoner is,
                                            eveneens in principe bepaald op het betreffende
                                            maximumbedrag indien in de woning hoofdverblijf
                                            heeft:</al><lijst><li nr="-"><al>een verzorgingsbehoevende; </al></li><li nr="-"><al>iemand die in verband met een crisissituatie
                                                  wordt opgevangen, zolang deze opvang niet langer
                                                  duurt dan maximaal twee maanden; </al></li></lijst></li><li nr="d."><al>De toeslag wordt voor de alleenstaande van 22 jaar of
                                            ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar of ouder) en de
                                            alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder * (per 1 juli
                                            2010: 27 jaar of ouder) eveneens in principe bepaald op
                                            het maximumbedrag indien men kostganger of onderhuurder
                                            is.</al></li><li nr="e."><al>De toeslag wordt voor de alleenstaande van 22 jaar of
                                            ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar of ouder) en de
                                            alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder * (per 1 juli
                                            2010: 27 jaar of ouder) eveneens voor de duur van
                                            maximaal twee maanden in principe bepaald op het
                                            maximumbedrag indien men vanwege een crisissituatie bij
                                            een ander wordt opgevangen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>a. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
                                    alleenstaande van 22 jaar of ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar
                                    of ouder) en de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder * (per
                                    1 juli 2010: 27 jaar of ouder) met zijn ten laste komende
                                    kinderen in wiens woning één ander, waarmee kosten kunnen worden
                                    gedeeld, zijn hoofdverblijf heeft 10% van het wettelijk
                                    minimumloon.</al><lijst><li nr="b."><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor
                                            de alleenstaande van 21 jaar * in wiens woning één ander, waarmee kosten kunnen worden gedeeld,
                            zijn hoofdverblijf heeft 5% van het wettelijk minimumloon (vervalt per 1
                            juli 2010).</al></li><li nr="c."><al>Voor de alleenstaande van 21 jaar of ouder * (per 1 juli 2010:
                                    27 jaar of ouder) en de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder
                                    * (per 1 juli 2010: 27 jaar of ouder) met zijn ten laste komende
                                    kinderen in wiens woning meer dan één ander, waarmee kosten
                                    kunnen worden gedeeld, zijn hoofdverblijf heeft bestaat geen
                                    recht op een toeslag.</al></li><li nr="d."><al>Voor de toepassing van de leden a, b en c van dit artikel worden
                                    twee met elkaar gehuwden of de partners van een daarmee
                                    gelijkgestelde samenleving aangemerkt als één ander.</al></li><li nr="e."><al>Voor de toepassing van de leden a, b en c van dit artikel geldt
                                    de lagere toeslag bij voorrang voor de inwonende.</al></li><li nr="f."><al>Kosten kunnen worden gedeeld indien:</al><lijst><li nr="-"><al>een niet ten laste komend kind van 16 tot 18 jaar
                                            inkomsten heeft ter hoogte van tenminste de norm bedoeld
                                            in art 20 van de WWB (vervalt per 1 juli 2010), danwel
                                            art 26, sub a van de WIJ, vermeerderd met 20% van het
                                            wettelijk minimumloon.</al></li><li nr="-"><al>een inwonende of mede-hoofdbewoner van 18 tot 21 jaar
                                            inkomsten heeft ter hoogte van tenminste de norm bedoeld
                                            in art 20 van de WWB (vervalt per 1 juli 2010), danwel
                                            art 26, sub a van de WIJ, vermeerderd met 20% van het
                                            wettelijk minimumloon.</al><al> Inkomsten uit vakantiewerk alsmede de inkomsten uit
                                            studiefinanciering van de eigen of stiefkinderen blijven
                                            hierbij buiten beschouwing.</al></li><li nr="-"><al>een inwonende of mede-hoofdbewoner van 21 jaar of ouder
                                            inkomsten heeft ter hoogte van tenminste 70% van het
                                            wettelijk minimumloon.</al><al> Inkomsten uit vakantiewerk alsmede de inkomsten uit
                                            studiefinanciering van de eigen of stiefkinderen blijven
                                            hierbij buiten beschouwing.</al></li><li nr="-"><al>de inwonende twee met elkaar gehuwden of de partners van
                                            een daarmee gelijkgestelde samenleving inkomsten hebben
                                            ter hoogte van tenminste 100% van het wettelijk
                                            minimumloon.</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>Inwonenden worden niet geacht onderling kosten te kunnen
                                    delen.</al></li><li nr="h."><al>Inwonenden worden geacht ten allen tijde met de hoofdbewoner(s)
                                    kosten te kunnen delen, ongeacht de hoogte van de inkomsten van
                                    de hoofdbewoner(s).</al></li></lijst><al><cursief>* die géén WIJ-gerechtigde is</cursief></al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien de met elkaar
                                    gehuwden van 21 jaar of ouder of de partners van een daarmee
                                    gelijkgestelde samenleving * (per 1 juli 2010: 27 jaar of ouder)
                                    lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan
                                    waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of
                                    gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.</al></li><li nr="2."><al>a. De bijstandsnorm wordt voor met elkaar gehuwden of de
                                    partners van een daarmee gelijkgestelde samenleving van 21 jaar
                                    of ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar of ouder) met of zonder hun
                                    ten laste komende kinderen in wiens woning géén ander, waarmee
                                    kosten kunnen worden gedeeld, zijn hoofdverblijf heeft bepaald
                                    op het in art 21, sub c van de WWB genoemde normbedrag.</al><lijst><li nr="b."><al>De bijstandsnorm wordt voor met elkaar gehuwden of de
                                            partners van een daarmee gelijkgestelde samenleving van
                                            21 jaar of ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar of ouder),
                                            die hoofdbewoner zijn, met of zonder hun ten laste
                                            komende kinderen eveneens in principe bepaald op het in
                                            art 21, sub c van de WWB genoemde normbedrag indien in
                                            de woning hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="-"><al>een verzorgingsbehoevende; </al></li><li nr="-"><al>iemand die in verband met een crisissituatie
                                                  wordt opgevangen, zolang deze opvang niet langer
                                                  duurt dan maximaal twee maanden; </al></li></lijst></li><li nr="c."><al>De bijstandsnorm wordt voor met elkaar gehuwden of de
                                            partners van een daarmee gelijkgestelde samenleving van
                                            21 jaar of ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar of ouder)
                                            met of zonder hun ten laste komende kinderen eveneens in
                                            principe bepaald op het in art 21, sub c van de WWB
                                            genoemde normbedrag indien men kostganger of
                                            onderhuurder is.</al></li><li nr="d."><al>De bijstandsnorm wordt voor met elkaar gehuwden of de
                                            partners van een daarmee gelijkgestelde samenleving van
                                            21 jaar of ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar of ouder)
                                            met of zonder hun ten laste komende kinderen eveneens
                                            voor de duur van maximaal twee maanden in principe
                                            bepaald op het in art 21, sub c van de WWB genoemde
                                            normbedrag indien men vanwege een crisissituatie bij een
                                            ander wordt opgevangen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>a. De korting als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor met
                                    elkaar gehuwden of de partners van een daarmee gelijkgestelde
                                    samenleving van 21 jaar of ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar of
                                    ouder) met of zonder hun ten laste komende kinderen in wiens
                                    woning één ander, waarmee kosten kunnen worden gedeeld, zijn
                                    hoofdverblijf heeft 10% van het wettelijk minimumloon.</al><lijst><li nr="b."><al>De korting als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor
                                            met elkaar gehuwden of de partners van een daarmee
                                            gelijkgestelde samenleving van 21 jaar of ouder * (per 1
                                            juli 2010: 27 jaar of ouder) met of zonder hun ten laste
                                            komende kinderen in wiens woning meer dan één ander,
                                            waarmee kosten kunnen worden gedeeld, zijn hoofdverblijf
                                            heeft 20% van het wettelijk minimumloon.</al></li><li nr="c."><al>Voor de toepassing van de leden a en b van dit artikel
                                            worden twee met elkaar gehuwden of de partners van een
                                            daarmee gelijkgestelde samenleving van 21 jaar of ouder
                                            * (per 1 juli 2010: 27 jaar of ouder) aangemerkt als één
                                            ander.</al></li><li nr="d."><al>Voor de toepassing van de leden a en b van dit artikel
                                            geldt de korting in eerste instantie voor de inwonende
                                            met elkaar gehuwden of partners van een daarmee
                                            gelijkgestelde samenleving van 21 jaar of ouder * (per 1
                                            juli 2010: 27 jaar of ouder) met of zonder hun ten laste
                                            komende kinderen.</al></li><li nr="e."><al>Kosten kunnen worden gedeeld indien:</al><lijst><li nr="-"><al>een niet ten laste komend kind van 16 tot 18
                                                  jaar inkomsten heeft ter hoogte van tenminste de
                                                  norm bedoeld in art 20 van de WWB (vervalt per 1
                                                  juli 2010), danwel art 26, sub a van de WIJ,
                                                  vermeerderd met 20% van het wettelijk
                                                  minimumloon.</al></li><li nr="-"><al>een inwonende of mede-hoofdbewoner van 18 tot 21
                                                  jaar inkomsten heeft ter hoogte van tenminste de
                                                  norm bedoeld in art 20 van de WWB (vervalt per 1
                                                  juli 2010), danwel art 26, sub a van de WIJ,
                                                  vermeerderd met 20% van het wettelijk
                                                  minimumloon.</al><al> Inkomsten uit vakantiewerk alsmede de inkomsten
                                                  uit studiefinanciering van de eigen of
                                                  stiefkinderen blijven hierbij buiten
                                                  beschouwing.</al></li><li nr="-"><al>een inwonende of mede-hoofdbewoner van 21 jaar
                                                  of ouder inkomsten heeft ter hoogte van tenminste
                                                  70% van het wettelijk minimumloon.</al><al> Inkomsten uit vakantiewerk alsmede de inkomsten
                                                  uit studiefinanciering van de eigen of
                                                  stiefkinderen blijven hierbij buiten
                                                  beschouwing.</al></li><li nr="-"><al>de inwonende twee met elkaar gehuwden of de
                                                  partners van een daarmee gelijkgestelde
                                                  samenleving inkomsten hebben ter hoogte van
                                                  tenminste 100% van het wettelijk minimumloon.</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>Inwonenden worden niet geacht onderling kosten te kunnen
                                            delen.</al></li><li nr="g."><al>Inwonenden worden geacht ten allen tijde met de
                                            hoofdbewoner(s) kosten te kunnen delen, ongeacht de
                                            hoogte van de inkomsten van de hoofdbewoner(s).</al></li></lijst></li></lijst><al><cursief>* die géén WIJ-gerechtigde is</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>De bijstandsnorm, vermeerderd met de van toepassing zijnde
                                    toeslag als bedoeld in artikel 3 voor een alleenstaande van 21
                                    jaar of ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar of ouder)en de
                                    alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder * (per 1 juli 2010: 27
                                    jaar of ouder) met zijn ten laste komende kinderen wordt wegens
                                    het ontbreken van woonkosten verlaagd met 20% van het wettelijk
                                    minimumloon. Deze korting is eveneens van toepassing als een
                                    niet inwonende derde de woonkosten voor zijn rekening
                                    neemt.</al></li><li nr="2."><al>De bijstandsnorm voor met elkaar gehuwden of de partners van een
                                    daarmee gelijkgestelde samenleving van 21 jaar en ouder * (per 1
                                    juli 2010: 27 jaar of ouder) met of zonder hun ten laste komende
                                    kinderen wordt wegens het ontbreken van woonkosten verlaagd met
                                    20% van het wettelijk minimumloon. Deze korting is eveneens van
                                    toepassing als een niet inwonende derde de woonkosten voor zijn
                                    rekening neemt.</al></li></lijst><al><cursief>* die géén WIJ-gerechtigde is</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>De bijstandsnorm, vermeerderd met de van toepassing zijnde
                                    toeslag als bedoeld in artikel 3 voor een alleenstaande van 21
                                    jaar of ouder * (per 1 juli 2010: 27 jaar of ouder)en de
                                    alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder * (per 1 juli 2010: 27
                                    jaar of ouder) met zijn ten laste komende kinderen wordt wegens
                                    het houden van kostgangers of onderhuurders verlaagd met 15% van
                                    het wettelijk minimumloon per kostganger of onderhuurder.</al></li><li nr="2."><al>De bijstandsnorm voor met elkaar gehuwden of de partners van een
                                    daarmee gelijkgestelde samenleving van 21 jaar en ouder * (per 1
                                    juli 2010: 27 jaar of ouder) met of zonder hun ten laste komende
                                    kinderen wordt wegens het houden van kostgangers of
                                    onderhuurders verlaagd met 15% van het wettelijk minimumloon per
                                    kostganger of onderhuurder.</al></li></lijst><al><cursief>* die géén WIJ-gerechtigde is</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al> Indien voor de belanghebbende een combinatie van een toeslag op grond
                            van artikel 3 en één of meer verlagingen op grond van artikel 5 en 6
                            geldt, bedraagt de verlaging niet meer dan 25% van het wettelijk
                            minimumloon ten opzichte van de toepasselijke bijstandsnorm ex artikel
                            21 van de WWB. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de WIJ-norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De WIJ-norm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande
                                of de alleenstaande ouder hogere algemene noodzakelijke kosten van
                                het bestaan heeft dan waarin de WIJ-norm voorziet, als gevolg van
                                het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een
                                ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>a. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de
                                alleenstaande van 22 tot 27 jaar en de alleenstaande ouder van 21
                                tot 27 jaar of ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens
                                woning géén ander, waarmee kosten kunnen worden gedeeld, zijn
                                hoofdverblijf heeft bepaald op het in artikel 30, lid 2 van de WIJ
                                genoemde maximumbedrag.</al><lijst><li nr="b."><al>Het maximumbedrag van de toeslag wordt voor de alleenstaande
                                        van 21 jaar bepaald op 10% van het wettelijk
                                        minimumloon.</al></li><li nr="c."><al>De toeslag wordt voor de alleenstaande van 21 jaar en 22 tot
                                        27 jaar en de alleenstaande ouder van 21 tot 27 jaar, die
                                        hoofdbewoner is, eveneens in principe bepaald op het
                                        betreffende maximumbedrag indien in de woning hoofdverblijf
                                        heeft:</al><lijst><li nr="-"><al>een verzorgingsbehoevende; </al></li><li nr="-"><al>iemand die in verband met een crisissituatie wordt
                                                opgevangen, zolang deze opvang niet langer duurt dan
                                                maximaal twee maanden; </al></li></lijst></li><li nr="d."><al>De toeslag wordt voor de alleenstaande van 22 tot 27 jaar en
                                        de alleenstaande ouder van 21 tot 27 jaar eveneens in
                                        principe bepaald op het maximumbedrag indien men kostganger
                                        of onderhuurder is.</al></li><li nr="e."><al>De toeslag wordt voor de alleenstaande van 22 tot 27 jaar en
                                        de alleenstaande ouder van 21 tot 27 jaar eveneens voor de
                                        duur van maximaal twee maanden in principe bepaald op het
                                        maximumbedrag indien men vanwege een crisissituatie bij een
                                        ander wordt opgevangen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>a. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
                                alleenstaande van 22 tot 27 jaar en de alleenstaande ouder van 21
                                tot 27 jaar met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning één
                                ander, waarmee kosten kunnen worden gedeeld, zijn hoofdverblijf
                                heeft 10% van het wettelijk minimumloon.</al><lijst><li nr="b."><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
                                        alleenstaande van 21 jaar in wiens woning één ander, waarmee
                                        kosten kunnen worden gedeeld, zijn hoofdverblijf heeft 5%
                                        van het wettelijk minimumloon.</al></li><li nr="c."><al>Voor de alleenstaande van 21 tot 27 jaar en de alleenstaande
                                        ouder van 21 tot 27 jaar met zijn ten laste komende kinderen
                                        in wiens woning meer dan één ander, waarmee kosten kunnen
                                        worden gedeeld, zijn hoofdverblijf heeft bestaat geen recht
                                        op een toeslag.</al></li><li nr="d."><al>Voor de toepassing van de leden a, b en c van dit artikel
                                        worden twee met elkaar gehuwden of de partners van een
                                        daarmee gelijkgestelde samenleving aangemerkt als één
                                        ander.</al></li><li nr="e."><al>Voor de toepassing van de leden a, b en c van dit artikel
                                        geldt de lagere toeslag bij voorrang voor de inwonende.</al></li><li nr="f."><al>Kosten kunnen worden gedeeld indien:</al><lijst><li nr="-"><al>een niet ten laste komend kind van 16 tot 18 jaar
                                                inkomsten heeft ter hoogte van tenminste de norm
                                                bedoeld in art 20 van de WWB (vervalt per 1 juli
                                                2010), danwel art 26, sub a van de WIJ, vermeerderd
                                                met 20% van het wettelijk minimumloon.</al></li><li nr="-"><al>een inwonende of mede-hoofdbewoner van 18 tot 21
                                                jaar inkomsten heeft ter hoogte van tenminste de
                                                norm bedoeld in art 20 van de WWB (vervalt per 1
                                                juli 2010), danwel art 26, sub a van de WIJ,
                                                vermeerderd met 20% van het wettelijk
                                                minimumloon.</al></li><li nr="-"><al>een inwonende of mede-hoofdbewoner van 21 jaar of
                                                ouder inkomsten heeft ter hoogte van tenminste 70%
                                                van het wettelijk minimumloon.</al></li><li nr="-"><al>de inwonende twee met elkaar gehuwden of de partners
                                                van een daarmee gelijkgestelde samenleving inkomsten
                                                hebben ter hoogte van tenminste 100% van het
                                                wettelijk minimumloon.</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>Inwonenden worden niet geacht onderling kosten te kunnen
                                        delen.</al></li><li nr="h."><al>Inwonenden worden geacht ten allen tijde met de
                                        hoofdbewoner(s) kosten te kunnen delen, ongeacht de hoogte
                                        van de inkomsten van de hoofdbewoner(s).</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de WIJ-norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De WIJ-norm als bedoeld in artikel 28 WIJ voor de gehuwde of de
                                partner uit een daarmee gelijkgestelde samenleving van 21 tot 27
                                jaar met of zonder ten laste komende kinderen wordt lager
                                vastgesteld indien de met elkaar gehuwden of de partners van een
                                daarmee gelijkgestelde samenleving lagere algemene noodzakelijke
                                kosten van het bestaan hebben dan waarin de WIJ-norm voorziet, als
                                gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten
                                met een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>a. De WIJ-norm wordt voor de gehuwde of de partner uit een daarmee
                                gelijkgestelde samenleving van 21 tot 27 jaar met of zonder ten
                                laste komende kinderen in wiens woning géén ander, waarmee kosten
                                kunnen worden gedeeld, zijn hoofdverblijf heeft bepaald op het in
                                artikel 28 van de WIJ genoemde toepasselijke normbedrag.</al><lijst><li nr="b."><al>De WIJ-norm wordt voor de gehuwde of de partner uit een
                                        daarmee gelijkgestelde samenleving van 21 tot 27 jaar, die
                                        hoofdbewoner is, met of zonder ten laste komende kinderen
                                        eveneens in principe bepaald op het in artikel 28 van de WIJ
                                        genoemde toepasselijke normbedrag indien in de woning
                                        hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="-"><al>een verzorgingsbehoevende; </al></li><li nr="-"><al>iemand die in verband met een crisissituatie wordt
                                                opgevangen, zolang deze opvang niet langer duurt dan
                                                maximaal twee maanden; </al></li></lijst></li><li nr="c."><al>De WIJ-norm wordt voor de gehuwde of de partner uit een
                                        daarmee gelijkgestelde samenleving van 21 tot 27 jaar met of
                                        zonder ten laste komende kinderen eveneens in principe
                                        bepaald op het in artikel 28 van de WIJ genoemde
                                        toepasselijke normbedrag indien men kostganger of
                                        onderhuurder is.</al></li><li nr="d."><al>De WIJ-norm wordt voor de gehuwde of de partner uit een
                                        daarmee gelijkgestelde samenleving van 21 tot 27 jaar met of
                                        zonder ten laste komende kinderen eveneens voor de duur van
                                        maximaal twee maanden in principe bepaald op het in artikel
                                        28 van de WIJ genoemde toepasselijke normbedrag indien men
                                        vanwege een crisissituatie bij een ander wordt
                                        opgevangen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>a. De korting op de WIJ-norm als bedoeld in het eerste lid bedraagt
                                voor de gehuwde of de partner uit een daarmee gelijkgestelde
                                samenleving van 21 tot 27 jaar met of zonder ten laste komende
                                kinderen in wiens woning één ander, waarmee kosten kunnen worden
                                gedeeld, zijn hoofdverblijf heeft 10% van het wettelijk
                                minimumloon.</al><lijst><li nr="b."><al>De korting op de WIJ-norm als bedoeld in het eerste lid
                                        bedraagt voor de gehuwde of de partner uit een daarmee
                                        gelijkgestelde samenleving van 21 tot 27 jaar met of zonder
                                        ten laste komende kinderen in wiens woning meer dan één
                                        ander, waarmee kosten kunnen worden gedeeld, zijn
                                        hoofdverblijf heeft 20% van het wettelijk minimumloon.</al></li><li nr="c."><al>Voor de toepassing van de leden a en b van dit artikel
                                        worden twee met elkaar gehuwden of de partners van een
                                        daarmee gelijkgestelde samenleving aangemerkt als één
                                        ander.</al></li><li nr="d."><al>Voor de toepassing van de leden a en b van dit artikel geldt
                                        de korting in eerste instantie voor de inwonende met elkaar
                                        gehuwden of partners van een daarmee gelijkgestelde
                                        samenleving met of zonder hun ten laste komende
                                        kinderen.</al></li><li nr="e."><al>Kosten kunnen worden gedeeld indien:</al><lijst><li nr="-"><al>een niet ten laste komend kind van 16 tot 18 jaar
                                                inkomsten heeft ter hoogte van tenminste de norm
                                                bedoeld in art 20 van de WWB (vervalt per 1 juli
                                                2010), danwel art 26, sub a van de WIJ, vermeerderd
                                                met 20% van het wettelijk minimumloon.</al></li><li nr="-"><al>een inwonende of mede-hoofdbewoner van 18 tot 21
                                                jaar inkomsten heeft ter hoogte van tenminste de
                                                norm bedoeld in art 20 van de WWB (vervalt per 1
                                                juli 2010), danwel art 26, sub a van de WIJ,
                                                vermeerderd met 20% van het wettelijk
                                                minimumloon.</al><al> Inkomsten uit vakantiewerk alsmede de inkomsten uit
                                                studiefinanciering van de eigen of stiefkinderen
                                                blijven hierbij buiten beschouwing.</al></li><li nr="-"><al>een inwonende of mede-hoofdbewoner van 21 jaar of
                                                ouder inkomsten heeft ter hoogte van tenminste 70%
                                                van het wettelijk minimumloon.</al><al> Inkomsten uit vakantiewerk alsmede de inkomsten uit
                                                studiefinanciering van de eigen of stiefkinderen
                                                blijven hierbij buiten beschouwing.</al></li><li nr="-"><al>de inwonende twee met elkaar gehuwden of de partners
                                                van een daarmee gelijkgestelde samenleving inkomsten
                                                hebben ter hoogte van tenminste 100% van het
                                                wettelijk minimumloon.</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>Inwonenden worden niet geacht onderling kosten te kunnen
                                        delen.</al></li><li nr="g."><al>Inwonenden worden geacht ten allen tijde met de
                                        hoofdbewoner(s) kosten te kunnen delen, ongeacht de hoogte
                                        van de inkomsten van de hoofdbewoner(s).</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De WIJ-norm, vermeerderd met de van toepassing zijnde toeslag als
                                bedoeld in artikel 8 voor een alleenstaande van 21 tot 27 jaar en de
                                alleenstaande ouder van 21 tot 27 jaar met zijn ten laste komende
                                kinderen wordt wegens het ontbreken van woonkosten verlaagd met 20%
                                van het wettelijk minimumloon. Deze korting is eveneens van
                                toepassing als een niet inwonende derde de woonkosten voor zijn
                                rekening neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De WIJ-norm voor de gehuwde of de partner uit een daarmee
                                gelijkgestelde samenleving van 21 tot 27 jaar met of zonder ten
                                laste komende kinderen wordt wegens het ontbreken van woonkosten
                                verlaagd met 20% van het wettelijk minimumloon. Deze korting is
                                eveneens van toepassing als een niet inwonende derde de woonkosten
                                voor zijn rekening neemt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De WIJ-norm, vermeerderd met de van toepassing zijnde toeslag als
                                bedoeld in artikel 8 voor een alleenstaande van 21 tot 27 jaar en de
                                alleenstaande ouder van 21 tot 27 jaar met zijn ten laste komende
                                kinderen wordt wegens het houden van kostgangers of onderhuurders
                                verlaagd met 15% van het wettelijk minimumloon per kostganger of
                                onderhuurder.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De WIJ-norm voor de gehuwde of de partner uit een daarmee
                                gelijkgestelde samenleving van 21 tot 27 jaar met of zonder ten
                                laste komende kinderen wordt wegens het houden van kostgangers of
                                onderhuurders verlaagd met 15% van het wettelijk minimumloon per
                                kostganger of onderhuurder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al>Indien voor de belanghebbende een combinatie van een toeslag op grond
                            van artikel 8 en één of meer verlagingen op grond van artikel 9 en 10
                            geldt, bedraagt de verlaging niet meer dan 25% van het wettelijk
                            minimumloon ten opzichte van de toepasselijke WIJ-norm ex artikel 26, 27
                            of 28 van de WIJ. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><al>Verhoging of verlaging van de bijstandsnorm/WIJ-norm vindt plaats
                            onverminderd het bepaalde in artikel 18, lid 1 WWB en artikel 41 van de
                            WIJ.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al> Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening Toeslagen en
                            Kortingenbeleid WWB en WIJ.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober
                                    2009.</al></li><li nr="2."><al>De Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB, vastgesteld op
                                    17 januari 2007 (Achtkarspelen) en 14 december 2006
                                    (Kollumerland c.a.), wordt gelijktijdig ingetrokken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente
                        Achtkarspelen op en de openbare vergadering van de Raad van de gemeente
                        Kollumerland c.a. op</ondertekening><ondertekening>De Raden voornoemd, </ondertekening><ondertekening>de Raadsgriffier, de Voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. R. van der Heide Tj. van der Zwan</ondertekening><ondertekening>de Raadsgriffier, de Voorzitter, </ondertekening><ondertekening>mw. A. Ynema B. Bilker</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Een uitkering in het kader van de Wet Werk en Bijstand (WWB) wordt opgebouwd uit
                    een landelijk vastgestelde norm en een gemeentelijk vast te stellen toeslag voor
                    alleenstaanden en alleenstaande ouders. Artikel 8 en artikel 30 WWB dragen de
                    gemeenteraad op een verordening vast te stellen inzake het verhogen en/of
                    verlagen van de bijstandsnorm. Het onderwerp van de verordening is beschreven in
                    het eerste lid van artikel 30 WWB. Uit de memorie van toelichting bij de WWB
                    blijkt dat de verordening "een zodanig karakter heeft dat de belanghebbenden
                    daaruit concreet kunnen aflezen welke verhoging of verlaging in hun situatie
                    geldt". </al><al>Met ingang van 1 oktober 2009 is er een nieuwe wet van kracht, de Wet Investeren
                    in Jongeren (WIJ). Op basis van deze wet hebben jongeren van 16 tot 27 jaar, als
                    zij niet (meer) werken of leren, recht op een werkleeraanbod, dat door de
                    gemeente wordt aangeboden. Tegelijkertijd bestaat het recht op een
                    bijstandsuitkering niet meer. Wanneer de jongere, bijvoorbeeld vanwege een
                    handicap, niet kan werken of leren, bestaat er recht op een inkomensvoorziening
                    op grond van de WIJ, mits hij of zij dan ouder is dan 18 jaar.</al><al>Ten aanzien van de inkomensvoorziening voor jongeren van 21 tot 27 jaar bestaat
                    in de WIJ een toeslagen en kortingen-systematiek, die exact gelijk is gehouden
                    aan die uit de WWB. Ook binnen de WIJ geldt dat de gemeenteraad de manier waarop
                    met toeslagen en kortingen moet worden omgegaan in een verordening moet
                    vastleggen (artikel 12, lid 1, sub e en artikel 35 WIJ). </al><al>Met de verordening worden de criteria met betrekking tot het toekennen van
                    toeslagen op de norm en het toepassen van kortingen op de norm geregeld,
                    onverminderd de bepaling in de twee wetten (artikel 18, lid 1 WWB en artikel 17,
                    lid 1 WIJ) om in individuele gevallen af te wijken van de algemeen geldende
                    normen (op basis van de wet of de gemeentelijke verordening). </al><al>In de verordening is geen gebruik gemaakt van de facultatieve bepaling als
                    bedoeld in artikel 28 WWB en artikel 33 WIJ inzake het toekennen van lagere
                    normen of lagere toeslagen voor schoolverlaters. Hiervoor is gekozen, omdat voor
                    de vaststelling van de hoogte van de toe te kennen uitkering de woonsituatie
                    cruciaal is en niet het feit of men schoolverlater is of niet. </al><al>In de verordening wordt voor de hoogte van de toeslagen en de verlagingen
                    verwezen naar het in artikel 25 van de WWB en artikel 30 van de WIJ genoemde
                    bedrag. In deze toelichting zal steeds gesproken worden over toeslagen en
                    verlagingen in percentages van het minimumloon. Dit lijkt tegenstrijdig, maar
                    het bedrag van artikel 25 van de WWB en artikel 30 WIJ is eveneens gebaseerd op
                    een percentage van het wettelijk minimumloon. Omdat in de wet uitdrukkelijk een
                    bedrag genoemd wordt en tevens is aangegeven is dat de minister dit bedrag kan
                    verhogen bij een verhoging van het minimumloon, is in de tekst van de
                    verordening de voorkeur gegeven aan een directe verwijzing naar artikel 25 van
                    de WWB en artikel 30 van de WIJ en niet aan het noemen van een percentage.
                    Hiermee kunnen verwarrende rekensommen worden voorkomen, zoals bijvoorbeeld de
                    vraag of de toeslag 10% van het netto minimumloon of van het bruto minimumloon
                    berekend moet worden. </al><tussenkop>Toelichting per artikel</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>Ten aanzien van de begrippen die in de verordening worden gebruikt is
                    aansluiting gezocht bij wettelijke omschrijvingen. Daar waar dit een andere wet
                    is dan de Wet Werk en Bijstand of de Wet Investeren in Jongeren is dat in de
                    verordening aangegeven. Voorts is aan aanvullende, voor de uitvoering van de Wet
                    Werk en Bijstand en de Wet Investeren in Jongeren belangrijke, begrippen een
                    eigen omschrijving gegeven. </al><al>a.<vet>de WWB</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>b.<vet>de WIJ</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>c.<vet>de belanghebbende</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>d.<vet>de alleenstaande in het kader van de berekening van de
                            </vet><vet><onderstreept>WWB-uitkering</onderstreept></vet>:</al><al>De omschrijving van het begrip alleenstaande komt overeen met de omschrijving
                    die de wet hanteert, met dit verschil dat extra wordt benadrukt dat de
                    verordening alleen van toepassing is voor alleenstaanden van 21 jaar of ouder.
                    In verband met het feit dat gedurende de periode 1 oktober 2009 tot 1 juli 2010
                    iedere belanghebbende van 21 tot 27 jaar onder de WIJ moet zijn gebracht, is
                    aangegeven dat per laatstgenoemde datum de verordening alleen nog voor
                    belanghebbenden van 27 jaar en ouder geldt. Degene die geen gezamenlijke
                    huishouding voert met een ander, kan worden aangemerkt als een alleenstaande.
                    Uit de omschrijving blijkt dat twee personen die bloedverwant zijn in de eerste
                    graad (ouder - kind) en een gezamenlijke huishouding voeren niet als "gehuwden"
                    worden aangemerkt. Tevens wordt bij bloedverwantschap in de tweede graad,
                    waarbij sprake is van verzorging, niet uitgegaan van de "gehuwden-situatie". </al><al>e.<vet>de alleenstaande in het kader van de berekening van de
                            </vet><vet><onderstreept>WIJ-inkomensvoorziening</onderstreept></vet>:</al><al>De omschrijving van het begrip alleenstaande komt overeen met de omschrijving
                    die de wet hanteert, met dit verschil dat extra wordt benadrukt dat de
                    verordening alleen van toepassing is voor alleenstaanden van 21 tot 27 jaar of
                    ouder. Degene die geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, kan worden
                    aangemerkt als een alleenstaande. Uit de omschrijving blijkt dat twee personen
                    die bloedverwant zijn in de eerste graad (ouder - kind) en een gezamenlijke
                    huishouding voeren niet als "gehuwden" worden aangemerkt. Tevens wordt bij
                    bloedverwantschap in de tweede graad, waarbij sprake is van verzorging, niet
                    uitgegaan van de "gehuwden-situatie". </al><al>f.<vet> de alleenstaande ouder in het kader van de berekening van de
                            </vet><vet><onderstreept>WWB-uitkering</onderstreept></vet>:</al><al>De omschrijving van het begrip alleenstaande ouder komt overeen met de
                    omschrijving die de wet hanteert, met dit verschil dat extra wordt benadrukt dat
                    de verordening alleen van toepassing is voor alleenstaande ouders van 21 jaar of
                    ouder. In verband met het feit dat gedurende de periode 1 oktober 2009 tot 1
                    juli 2010 iedere belanghebbende van 21 tot 27 jaar onder de WIJ moet zijn
                    gebracht, is aangegeven dat per laatstgenoemde datum de verordening alleen nog
                    voor belanghebbenden van 27 jaar en ouder geldt. Degene die de volledige zorg
                    heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke
                    huishouding voert met een ander, kan worden aangemerkt als een alleenstaande
                    ouder. Ook in deze omschrijving is opgenomen dat twee personen die bloedverwant
                    zijn in de eerste graad (ouder - kind) en een gezamenlijke huishouding voeren
                    niet als "gehuwden" worden aangemerkt. Tevens wordt bij bloedverwantschap in de
                    tweede graad, waarbij sprake is van verzorging, niet uitgegaan van de
                    "gehuwden-situatie". </al><al>g.<vet> de alleenstaande ouder in het kader van de berekening van de
                            </vet><vet><onderstreept>WIJ-inkomensvoorziening</onderstreept></vet>:</al><al>De omschrijving van het begrip alleenstaande ouder komt overeen met de
                    omschrijving die de wet hanteert, met dit verschil dat extra wordt benadrukt dat
                    de verordening alleen van toepassing is voor alleenstaande ouders van 21 tot 27
                    jaar. Degene die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende
                    kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, kan worden
                    aangemerkt als een alleenstaande ouder. Ook in deze omschrijving is opgenomen
                    dat twee personen die bloedverwant zijn in de eerste graad (ouder - kind) en een
                    gezamenlijke huishouding voeren niet als "gehuwden" worden aangemerkt. Tevens
                    wordt bij bloedverwantschap in de tweede graad, waarbij sprake is van
                    verzorging, niet uitgegaan van de "gehuwden-situatie". </al><al>h.<vet>de gehuwde in het kader van de berekening van een
                            </vet><vet><onderstreept>WWB-uitkering</onderstreept></vet>:</al><al>Deze omschrijving, alsmede die van de situaties die gelijkgesteld moeten worden,
                    sluit aan bij de opvattingen van de wetgever, met de toevoeging dat het hier
                    alleen handelt over personen van 21 jaar of ouder. In verband met het feit dat
                    gedurende de periode 1 oktober 2009 tot 1 juli 2010 iedere belanghebbende van 21
                    tot 27 jaar onder de WIJ moet zijn gebracht, is aangegeven dat per
                    laatstgenoemde datum de verordening alleen nog voor belanghebbenden van 27 jaar
                    en ouder geldt. Uit de omschrijving blijkt dat twee personen die bloedverwant
                    zijn in de eerste graad (b.v. ouder - kind) en een gezamenlijke huishouding
                    voeren niet als "gehuwden" worden aangemerkt. Hieruit volgt dat hiervan bij
                    bloedverwantschap in de tweede graad (b.v. grootouder - kind of broer - broer)
                    wel sprake zou kunnen zijn, áls ook aan alle andere criteria wordt voldaan.</al><al>In gevallen van samenloop WWB-WIJ als gevolg van de leeftijd van beide partners
                    is bepaald hoe dan moet worden gehandeld. </al><lijst><li nr="-"><al>Bij deze omschrijving is tot slot voor de duidelijkheid nog maar eens
                            aangegeven hoe moet worden omgegaan als er sprake is van samenloop WWB
                            en WIJ.</al><lijst><li nr="i."><al><vet>de gehuwde in het kader van de berekening van een
                                            </vet><vet><onderstreept>WIJ-inkomensvoorziening</onderstreept></vet>:</al></li></lijst></li></lijst><al>Deze omschrijving, alsmede die van de situaties die gelijkgesteld moeten worden,
                    sluit aan bij de opvattingen van de wetgever, met de toevoeging dat het hier
                    alleen handelt over personen van 21 tot 27 jaar. Uit de omschrijving blijkt dat
                    twee personen die bloedverwant zijn in de eerste graad (b.v. ouder - kind) en
                    een gezamenlijke huishouding voeren niet als "gehuwden" worden aangemerkt.
                    Hieruit volgt dat hiervan bij bloedverwantschap in de tweede graad (b.v.
                    grootouder - kind of broer - broer) wel sprake zou kunnen zijn, áls ook aan alle
                    andere criteria wordt voldaan.</al><al>In gevallen van samenloop WIJ-WWB als gevolg van de leeftijd van beide partners
                    is bepaald dat moet worden aangesloten bij wat er in de WIJ is bepaald. </al><lijst><li nr="-"><al>Bij deze omschrijving is tot slot voor de duidelijkheid nog maar eens
                            aangegeven hoe moet worden omgegaan als er sprake is van samenloop WIJ
                            en WWB.</al><lijst><li nr="j."><al><vet>het kind</vet>:</al></li></lijst></li></lijst><al>De omschrijving van het begrip kind komt overeen met de omschrijving die de wet
                    hanteert. Pleegkinderen vallen niet onder het begrip "kind". Deze worden
                    beschouwd als een zelfstandig subject van bijstand. </al><al>k.<vet>het ten laste komende kind</vet>:</al><al>De omschrijving van het begrip ten laste komende kind komt overeen met de
                    omschrijving die de wet hanteert. Uiteraard geldt hierbij wel dat dit kind in
                    Nederland moet wonen. </al><al>l.<vet> de woning</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>m.<vet>de woonkosten</vet>:</al><al>Voor de woonkosten van een huurwoning wordt aangesloten bij de Wet op de
                    Huurtoeslag. Ten aanzien van de woonkosten van een eigen woning wordt ten
                    aanzien van de hypotheekrente in eerste instantie uitgegaan van de lasten die
                    het gevolg zijn van de financiering van de woning. Rente welke het gevolg is van
                    het nadien zonder noodzaak verhogen van de hypotheek, ook al is dat ter
                    financiering van bij voorbeeld een verbouwing, wordt niet in de beschouwing
                    meegenomen. </al><al>n.<vet>de hoofdbewoner</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting. Opneming van deze
                    omschrijving heeft tot doel een gradatie hoofdbewoner - inwonende aan te
                    geven.</al><al>o.<vet>de inwonende</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting. Opneming van deze
                    omschrijving heeft tot doel een gradatie hoofdbewoner - inwonende aan te
                    geven.</al><al>p.<vet>het wettelijk minimumloon</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting. </al><al>q.<vet>de verzorgingsbehoevende</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>r.<vet> de crisissituatie</vet>:</al><al>Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor bij hoog opgelopen ruzies binnen een
                    gezin, waarbij één der partners of een kind op straat is gezet en door een ander
                    wordt opgevangen. Overigens is deze omschreven situatie van toepassing op zowel
                    degene die opgevangen wordt als degene die opvang biedt. </al><al>s.<vet>de kostganger</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>t.<vet>de onderhuurder</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>u.<vet>de zwervende</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>v.<vet>de woningkraker</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>w.<vet>inkomsten uit vakantiewerk</vet>:</al><al>Het is, gezien de huidige normen in de WSF vrij gebruikelijk dat studerenden
                    tijdens hun vakanties proberen via tijdelijk werk een extra vorm van inkomsten
                    te verwerven, mede ter financiering van de studie. Met inachtneming van hetgeen
                    in deze verordening is gesteld, zou dat in principe kunnen leiden tot een
                    afstemming van de uitkering van de ouder(s). Aangezien dat niet als redelijk
                    wordt ervaren is er voor gekozen om deze inkomsten, als deze voldoen aan de
                    criteria, welke daar in de verordening aan zijn verbonden, vrij te laten. </al><al>Uiteraard kan dit, gezien het feit dat de WIJ alleen over jongeren van 21 tot 27
                    jaar handelt, alleen gelden voor WWB-uitkeringen. Overigens geldt voor de WIJ
                    een strakker regiem voor wat verrekening van inkomsten betreft. </al><al>x.<vet>het college</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>y.<vet>de gemeenteraad</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Artikel 30 van de Wet Werk en Bijstand en artikel 35 van de Wet Investeren in
                    Jongeren schrijven voor dat de verordening vaststelt voor welke categorieën de
                    bijstandsnorm/inkomensvoorziening wordt verhoogd of verlaagd. De
                    categorie-indeling is gebaseerd op de Wet Werk en Bijstand en de Wet Investeren
                    in Jongeren. De begrippen zijn nader uitgelegd in artikel 1 van deze
                    verordening. </al><tussenkop>Artikel 3, lid 1</tussenkop><al>Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande
                    ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat betrokkene de
                    bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet het geval is,
                    wordt de basisnorm verhoogd met een toeslag. Voor het bepalen van de hoogte van
                    de toeslag worden alle extra algemene noodzakelijke bestaanskosten in aanmerking
                    genomen die de alleenstaande of de alleenstaande ouder heeft ten opzichte van
                    degene die met zijn partner een gezamenlijke huishouding voert. </al><al>Het gaat hierbij niet alleen om woonkosten (in beperkte of uitgebreide zin) maar
                    ook om alle andere uitgaven waarbij partners een schaalvoordeel hebben omdat zij
                    alle kosten van huisvesting en huishouding gezamenlijk opbrengen. </al><al>De mate waarin de bestaanskosten kunnen worden gedeeld bepaalt, zoals gezegd, de
                    hoogte van de toeslag. De toeslag bedraagt minimaal 0% en maximaal 20% van het
                    wettelijk minimumloon. Degene die voor een toeslag in aanmerking wenst te komen,
                    moet aannemelijk maken dat er geen sprake is van kosten die kunnen worden
                    gedeeld en dat er derhalve terecht aanspraak op een toeslag wordt gemaakt. De
                    toeslag maakt een integraal deel van de bijstandsuitkering uit. De algemene
                    inlichtingenverplichting die op de aanvrager rust, geldt ook voor het
                    toeslagendeel. De aanvrager zal dan ook door middel van het overleggen van
                    gegevens het recht moeten aantonen. </al><tussenkop>Artikel 3, lid 2</tussenkop><al>Het is noodzakelijk te bepalen dat een gehuwde, die als gevolg van het feit dat
                    de partner een WIJ-inkomensvoorziening krijgt als alleenstaande of alleenstaande
                    ouder moet worden aangemerkt uitdrukkelijk wordt uitgesloten van het recht op
                    een toeslag, omdat anders het totale inkomen bij samenloop WIJ en WWB (ver)
                    boven de norm voor een echtpaar uit zou kunnen komen. Desondanks blijft de
                    mogelijkheid bestaan dat het totale inkomen boven de norm voor een echtpaar
                    uitkomt (bijvoorbeeld de situatie van een echtpaar of daaraan gelijkgestelde,
                    waarbij de ene partner in de WIJ als alleenstaande ouder wordt aangemerkt en de
                    andere partner in de WWB als alleenstaande ouder). Dit is met deze verordening
                    niet te ondervangen, maar moet door middel van artikel 36 WIJ worden opgelost.
                    De betreffende wettekst is op zijn zachtst gezegd erg moeilijk te doorgronden,
                    maar het komt er op neer dat het meerdere boven de toepasselijke echtparennorm
                    op de WIJ-inkomensvoorziening in mindering wordt gebracht. Dit lijkt weer in
                    tegenspraak te zijn met de gebruikelijke plaats van de WWB als sluitstuk in het
                    sociale zekerheidsstelsel... </al><tussenkop>Artikel 3, lid 3</tussenkop><al>Artikel 30, lid 2 van de Wet Werk en Bijstand schrijft voor dat de toeslag,
                    onverminderd het bepaalde in artikel 27, 28 en 29 van de wet, voor de
                    alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn kinderen in wiens woning geen
                    ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het maximumbedrag, genoemd in
                    artikel 25, lid 2 van de Wet Werk en Bijstand. Deze maximale toeslag komt neer
                    op 20% van het wettelijk minimumloon. Om te voorkomen dat de uitkering voor een
                    21-jarige alleenstaande hoger is dan bijvoorbeeld het loon dat men kan verdienen
                    is bepaald dat de maximale toeslag voor 21-jarigen op 10% van het wettelijk
                    minimumloon is gesteld. </al><al>In deze verordening wordt volstaan met een verwijzing naar het bedrag zoals dat
                    in de wet is genoemd. Dit bedrag wordt regelmatig, veelal halfjaarlijks,
                    aangepast. De artikelen 27, 28 en 29 van de Wet Werk en Bijstand geven de
                    gemeente de bevoegdheid om voor bepaalde categorieën de bijstandsnorm met of
                    zonder de toeslag lager vast te stellen. Dit betekent dat indien aanvrager
                    voldoet aan de voorwaarden, waardoor er in principe recht zou bestaan op een
                    volledige toeslag als bedoeld in artikel 25, lid 2 van de Wet Werk en Bijstand
                    het toch zo kan zijn dat er als gevolg van het toepassen van een korting een
                    lager bedrag wordt ontvangen. Hiervoor wordt verwezen naar de artikelen 5 tot en
                    met 7 van deze verordening.</al><al>Er bestaat voor de hoofdbewoner tevens recht op een volledige toeslag indien er
                    in de woning zijn hoofdverblijf heeft een verzorgingsbehoevende (hetgeen moet
                    blijken uit een GGD-advies) of iemand die in verband met een crisissituatie
                    wordt opgevangen (maximaal twee maanden). De reden hiervoor is dat het geacht
                    wordt extra belastend te zijn, wanneer iemand zijn woning voor een dergelijke
                    vorm van inwoning beschikbaar stelt. Natuurlijk kan inwoning van anderen
                    veroorzaken dat er toch een lagere toeslag van toepassing is. Voorts heeft een
                    kostganger of een onderhuurder (als deze aan de daarvoor gestelde eisen voldoen)
                    of degene die als gevolg van een crisisituatie bij een ander wordt opgevangen
                    recht op de volledige toeslag. </al><tussenkop>Artikel 3, lid 4</tussenkop><al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze
                    schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten
                    van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven etc. en
                    dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per
                    woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Indien er op enigerlei wijze
                    sprake is van het kunnen delen van kosten met één ander, wordt de toeslag als
                    gevolg van de optredende schaalvoordelen vastgesteld op 10% van het wettelijk
                    minimumloon. Deze toeslag is voor 21-jarigen vastgesteld op 5% van het wettelijk
                    minimumloon. </al><al>Indien de kosten kunnen worden gedeeld met meer dan één ander, bestaat geen
                    recht op een toeslag. </al><al>Een echtpaar (twee met elkaar gehuwden of de partners van een daarmee
                    gelijkgestelde samenleving) worden gezien als één ander. </al><al>Tevens is hier aangegeven dat het toepassen van lagere toeslagen in
                        <onderstreept>eerste</onderstreept> instantie en voor zover mogelijk, op de
                    uitkering van inwonenden plaatsvindt. </al><al>Voorts is het van belang een nadere concretisering aan te geven wanneer er
                    sprake is van het kunnen delen van kosten. Het mag niet zo zijn dat wanneer een
                    inwonende met een uitkering werk aanvaardt en een inkomen ontvangt dat slechts
                    iets boven de toepasselijke bijstandsnorm ligt, dit gelijk een korting, danwel
                    een lagere toeslag op de uitkering van de hoofdbewoner tot gevolg heeft. Het
                    totale gezinsinkomen zou dan door de werkaanvaarding achteruit gaan. Overigens
                    blijven inkomsten uit vakantiewerk en WSF buiten beschouwing. Voorts is bepaald
                    dat inwonenden onderling niet geacht worden kosten te kunnen delen, doch slechts
                    met de hoofdbewoners en dat daarbij de hoogte van het inkomen van de
                    hoofdbewoners niet van belang is. </al><tussenkop>Artikel 4, lid 1</tussenkop><al>Ook gehuwden of daarmee gelijkgestelden kunnen schaalvoordelen genieten als zij
                    de kosten van het bestaan kunnen delen omdat zij de door hen bewoonde woning
                    niet alleen bewonen. Deze schaalvoordelen leiden ertoe dat de gehuwdenuitkering
                    wordt verlaagd. </al><tussenkop>Artikel 4, lid 2</tussenkop><al>Als er geen kosten gedeeld kunnen worden wordt de uitkering vastgesteld op de
                    norm voor een echtpaar. Er bestaat voor de hoofdbewoners tevens recht op de
                    volledige uitkering indien er in de woning zijn hoofdverblijf heeft een
                    verzorgingsbehoevende (hetgeen moet blijken uit een GGD-advies) of iemand die in
                    verband met een crisissituatie wordt opgevangen (maximaal twee maanden). De
                    reden hiervoor is dat het geacht wordt extra belastend te zijn, wanneer iemand
                    zijn woning voor een dergelijke vorm van inwoning beschikbaar stelt. Natuurlijk
                    kan inwoning van anderen veroorzaken dat er toch een korting van toepassing
                    is.Voorts heeft het echtpaar dat als kostganger of onderhuurder (als deze aan de
                    daarvoor gestelde eisen voldoet) inwoont of het echtpaar dat als gevolg van een
                    crisisituatie bij een ander wordt opgevangen recht op de volledige
                    uitkering.</al><tussenkop>Artikel 4, lid 3</tussenkop><al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze
                    schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten
                    van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven etc. en
                    dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per
                    woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Indien er op enigerlei wijze
                    sprake is van het kunnen delen van kosten met één ander, wordt een korting van
                    10% van het wettelijk minimumloon op de uitkering toegepast. </al><al>Indien de kosten kunnen worden gedeeld met meer dan één ander, wordt een korting
                    van 20% van het wettelijk minimumloon toegepast. </al><al>Een echtpaar (twee met elkaar gehuwden of de partners van een daarmee
                    gelijkgestelde samenleving) worden gezien als één ander. </al><al>Tevens is hier aangegeven dat het toepassen van kortingen in
                        <onderstreept>eerste</onderstreept> instantie en voor zover mogelijk, op de
                    uitkering van inwonenden plaatsvindt. </al><al>Voorts is het ook hier van belang een nadere concretisering aan te geven wanneer
                    er sprake is van het kunnen delen van kosten. Het mag niet zo zijn dat wanneer
                    een inwonende met een uitkering werk aanvaardt en een inkomen ontvangt dat
                    slechts iets boven de toepasselijke bijstandsnorm ligt, dit gelijk een korting,
                    danwel een lagere toeslag op de uitkering van de hoofdbewoner tot gevolg heeft.
                    Het totale gezinsinkomen zou dan door de werkaanvaarding achteruit gaan.
                    Overigens blijven inkomsten uit vakantiewerk en WSF buiten beschouwing. Voorts
                    is bepaald dat inwonenden onderling niet geacht worden kosten te kunnen delen,
                    doch slechts met de hoofdbewoners en dat daarbij de hoogte van het inkomen van
                    de hoofdbewoners niet van belang is. </al><tussenkop>Artikel 5, lid 1 en lid 2</tussenkop><al>Met deze omschrijving wordt beoogd dat op de uitkering van degenen die geen
                    woonkosten verschuldigd zijn, een korting wordt toegepast. </al><tussenkop>Artikel 6, lid 1 en lid 2 </tussenkop><al>Het houden van een kostganger en een onderhuurder wordt geacht inkomsten op te
                    leveren. Deze inkomsten worden per kostganger of onderhuurder bepaald op 15% van
                    het wettelijk minimumloon. </al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Indien gebruik wordt gemaakt van verlagingsmogelijkheden dan dient rekening te
                    worden gehouden met de effecten van cumulatie van factoren. Een dergelijke
                    cumulatie kan er toe leiden dat de uitkering die overblijft onvoldoende is om in
                    de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Dit betekent dat een echtpaar
                    altijd moet kunnen beschikken over 75%, een alleenstaande ouder over 45% en een
                    alleenstaande over 25% van het wettelijk minimumloon. </al><tussenkop>Artikel 8, lid 1</tussenkop><al>Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande
                    ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat betrokkene de
                    bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet het geval is,
                    wordt de basisnorm verhoogd met een toeslag. Voor het bepalen van de hoogte van
                    de toeslag worden alle extra algemene noodzakelijke bestaanskosten in aanmerking
                    genomen die de alleenstaande of de alleenstaande ouder heeft ten opzichte van
                    degene die met zijn partner een gezamenlijke huishouding voert. </al><al>Het gaat hierbij niet alleen om woonkosten (in beperkte of uitgebreide zin) maar
                    ook om alle andere uitgaven waarbij partners een schaalvoordeel hebben omdat zij
                    alle kosten van huisvesting en huishouding gezamenlijk opbrengen. </al><al>De mate waarin de bestaanskosten kunnen worden gedeeld bepaalt, zoals gezegd, de
                    hoogte van de toeslag. De toeslag bedraagt minimaal 0% en maximaal 20% van het
                    wettelijk minimumloon. Degene die voor een toeslag in aanmerking wenst te komen,
                    moet aannemelijk maken dat er geen sprake is van kosten die kunnen worden
                    gedeeld en dat er derhalve terecht aanspraak op een toeslag wordt gemaakt. De
                    toeslag maakt een integraal deel van de bijstandsuitkering uit. De algemene
                    inlichtingenverplichting die op de aanvrager rust, geldt ook voor het
                    toeslagendeel. De aanvrager zal dan ook door middel van het overleggen van
                    gegevens het recht moeten aantonen. </al><tussenkop>Artikel 8, lid 2</tussenkop><al>Artikel 35, lid 2 van de Wet Investeren in Jongeren schrijft voor dat de
                    toeslag, onverminderd het bepaalde in artikel 32, 33 en 34 van de wet, voor de
                    alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn kinderen in wiens woning geen
                    ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het maximumbedrag, genoemd in
                    artikel 30, lid 2 van de Wet Investeren in Jongeren. Deze maximale toeslag komt
                    neer op 20% van het wettelijk minimumloon. Om te voorkomen dat de uitkering voor
                    een 21-jarige alleenstaande hoger is dan bijvoorbeeld het loon dat men kan
                    verdienen is bepaald dat de maximale toeslag voor 21-jarigen op 10% van het
                    wettelijk minimumloon is gesteld. </al><al>In deze verordening wordt volstaan met een verwijzing naar het bedrag zoals dat
                    in de wet is genoemd. Dit bedrag wordt regelmatig, veelal halfjaarlijks,
                    aangepast. De artikelen 32, 33 en 34 van de Wet Investeren in Jongeren geven de
                    gemeente de bevoegdheid om voor bepaalde categorieën de bijstandsnorm met of
                    zonder de toeslag lager vast te stellen. Dit betekent dat indien aanvrager
                    voldoet aan de voorwaarden, waardoor er in principe recht zou bestaan op een
                    volledige toeslag als bedoeld in artikel 25, lid 2 van de Wet Werk en Bijstand
                    het toch zo kan zijn dat er als gevolg van het toepassen van een korting een
                    lager bedrag wordt ontvangen. Hiervoor wordt verwezen naar de artikelen 10 tot
                    en met 12 van deze verordening.</al><al>Er bestaat voor de hoofdbewoner tevens recht op een volledige toeslag indien er
                    in de woning zijn hoofdverblijf heeft een verzorgingsbehoevende (hetgeen moet
                    blijken uit een GGD-advies) of iemand die in verband met een crisissituatie
                    wordt opgevangen (maximaal twee maanden). De reden hiervoor is dat het geacht
                    wordt extra belastend te zijn, wanneer iemand zijn woning voor een dergelijke
                    vorm van inwoning beschikbaar stelt. Natuurlijk kan inwoning van anderen
                    veroorzaken dat er toch een lagere toeslag van toepassing is. Voorts heeft een
                    kostganger of een onderhuurder (als deze aan de daarvoor gestelde eisen voldoen)
                    of degene die als gevolg van een crisisituatie bij een ander wordt opgevangen
                    recht op de volledige toeslag. </al><tussenkop>Artikel 8, lid 3</tussenkop><al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze
                    schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten
                    van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven etc. en
                    dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per
                    woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Indien er op enigerlei wijze
                    sprake is van het kunnen delen van kosten met één ander, wordt de toeslag als
                    gevolg van de optredende schaalvoordelen vastgesteld op 10% van het wettelijk
                    minimumloon. Deze toeslag is voor 21-jarigen vastgesteld op 5% van het wettelijk
                    minimumloon. </al><al>Indien de kosten kunnen worden gedeeld met meer dan één ander, bestaat geen
                    recht op een toeslag. </al><al>Een echtpaar (twee met elkaar gehuwden of de partners van een daarmee
                    gelijkgestelde samenleving) worden gezien als één ander. </al><al>Tevens is hier aangegeven dat het toepassen van lagere toeslagen in
                        <onderstreept>eerste</onderstreept> instantie en voor zover mogelijk, op de
                    inkomensvoorziening van inwonenden plaatsvindt. </al><al>Voorts is het van belang een nadere concretisering aan te geven wanneer er
                    sprake is van het kunnen delen van kosten. Het mag niet zo zijn dat wanneer een
                    inwonende met een uitkering werk aanvaardt en een inkomen ontvangt dat slechts
                    iets boven de toepasselijke WIJ-norm ligt, dit gelijk een korting, danwel een
                    lagere toeslag op de uitkering van de hoofdbewoner tot gevolg heeft. Het totale
                    gezinsinkomen zou dan door de werkaanvaarding achteruit gaan. Voorts is bepaald
                    dat inwonenden onderling niet geacht worden kosten te kunnen delen, doch slechts
                    met de hoofdbewoners en dat daarbij de hoogte van het inkomen van de
                    hoofdbewoners niet van belang is. </al><tussenkop>Artikel 9, lid 1</tussenkop><al>Ook gehuwden of daarmee gelijkgestelden kunnen schaalvoordelen genieten als zij
                    de kosten van het bestaan kunnen delen omdat zij de door hen bewoonde woning
                    niet alleen bewonen. Deze schaalvoordelen leiden ertoe dat de
                    inkomensvoorziening voor gehuwden wordt verlaagd. </al><tussenkop>Artikel 9, lid 2</tussenkop><al>Als er geen kosten gedeeld kunnen worden wordt de inkomensvoorziening
                    vastgesteld op de norm voor een echtpaar. Er bestaat voor de hoofdbewoners
                    tevens recht op de volledige inkomensvoorziening indien er in de woning zijn
                    hoofdverblijf heeft een verzorgingsbehoevende (hetgeen moet blijken uit een
                    GGD-advies) of iemand die in verband met een crisissituatie wordt opgevangen
                    (maximaal twee maanden). De reden hiervoor is dat het geacht wordt extra
                    belastend te zijn, wanneer iemand zijn woning voor een dergelijke vorm van
                    inwoning beschikbaar stelt. Natuurlijk kan inwoning van anderen veroorzaken dat
                    er toch een korting van toepassing is.Voorts heeft het echtpaar dat als
                    kostganger of onderhuurder (als deze aan de daarvoor gestelde eisen voldoet)
                    inwoont of het echtpaar dat als gevolg van een crisisituatie bij een ander wordt
                    opgevangen recht op de volledige inkomensvoorziening.</al><tussenkop>Artikel 9, lid 3</tussenkop><al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze
                    schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten
                    van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven etc. en
                    dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per
                    woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Indien er op enigerlei wijze
                    sprake is van het kunnen delen van kosten met één ander, wordt een korting van
                    10% van het wettelijk minimumloon op de inkomensvoorziening toegepast. </al><al>Indien de kosten kunnen worden gedeeld met meer dan één ander, wordt een korting
                    van 20% van het wettelijk minimumloon toegepast. </al><al>Een echtpaar (twee met elkaar gehuwden of de partners van een daarmee
                    gelijkgestelde samenleving) worden gezien als één ander. </al><al>Tevens is hier aangegeven dat het toepassen van kortingen in
                        <onderstreept>eerste</onderstreept> instantie en voor zover mogelijk, op de
                    uitkering van inwonenden plaatsvindt. </al><al>Voorts is het ook hier van belang een nadere concretisering aan te geven wanneer
                    er sprake is van het kunnen delen van kosten. Het mag niet zo zijn dat wanneer
                    een inwonende met een uitkering werk aanvaardt en een inkomen ontvangt dat
                    slechts iets boven de toepasselijke WIJ-norm ligt, dit gelijk een korting,
                    danwel een lagere toeslag op de uitkering van de hoofdbewoner tot gevolg heeft.
                    Het totale gezinsinkomen zou dan door de werkaanvaarding achteruit gaan. Voorts
                    is bepaald dat inwonenden onderling niet geacht worden kosten te kunnen delen,
                    doch slechts met de hoofdbewoners en dat daarbij de hoogte van het inkomen van
                    de hoofdbewoners niet van belang is. </al><tussenkop>Artikel 10, lid 1 en lid 2</tussenkop><al>Met deze omschrijving wordt beoogd dat op de inkomensvoorziening van degenen die
                    geen woonkosten verschuldigd zijn, een korting wordt toegepast. </al><tussenkop>Artikel 11, lid 1 en lid 2 </tussenkop><al>Het houden van een kostganger en een onderhuurder wordt geacht inkomsten op te
                    leveren. Deze inkomsten worden per kostganger of onderhuurder bepaald op 15% van
                    het wettelijk minimumloon. </al><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><al>Indien gebruik wordt gemaakt van verlagingsmogelijkheden dan dient rekening te
                    worden gehouden met de effecten van cumulatie van factoren. Een dergelijke
                    cumulatie kan er toe leiden dat de uitkering die overblijft onvoldoende is om in
                    de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Dit betekent dat een echtpaar
                    altijd moet kunnen beschikken over 75%, een alleenstaande ouder over 45% en een
                    alleenstaande over 25% van het wettelijk minimumloon. </al><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><al>Van kracht blijft artikel 18, lid 1 van de Wet Werk en Bijstand en artikel 41
                    van de Wet Investeren in Jongeren waar is gesteld, dat Burgemeester en
                    Wethouders de bijstand/inkomensvoorziening en de daaraan verbonden
                    verplichtingen afstemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                    betrokkene persoon. Hiermee blijft ook het individualiseringsprincipe voor de
                    toepassing van de verordening van kracht.</al><tussenkop>Artikel 14, lid 1</tussenkop><al>Artikel 7 van de Wet Werk en Bijstand en artikel 11 van de Wet Investeren in
                    Jongeren schrijven voor dat de uitvoering van de wet berust bij Burgemeester en
                    Wethouders. Zij kunnen deze bevoegdheid overeenkomstig hetgeen hierover in de
                    wet is geregeld vervolgens mandateren aan ambtenaren. </al><tussenkop>Artikel 14, lid 2 </tussenkop><al>Burgemeester en Wethouders hebben de bevoegdheid om in individuele gevallen af
                    te wijken van het in de verordening bepaalde.</al><tussenkop>Artikel 15</tussenkop><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 16</tussenkop><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>