<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR14898_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Afstemmingsbeleid WWB en WIJ</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-10-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-09-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Afstemmingsbeleid WWB en WIJ</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> Gemeente Achtkarspelen</al><al> Gemeente Kollumerland c.a. </al><al><vet>Verordening afstemmingsbeleid WWB en WIJ</vet></al><al/><al><vet>Afdeling Werk, Inkomen en Zorg</vet></al><al/><al><vet> September
                        2009</vet></al><al><vet>Gemeente Achtkarspelen en gemeente Kollumerland c.a.</vet></al><al>de Raad van de gemeente Achtkarspelen;</al><al>en </al><al>de Raad van de gemeente Kollumerland c.a.;</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 8, lid 1, sub b en artikel 18, lid 2 van de
                        Wet Werk en Bijstand en artikel 12, lid 1, sub b en artikel 41, lid 1 van de
                        Wet Investeren in Jongeren,</al><al>overwegende dat moet worden vastgesteld voor welke gedragingen de
                        bijstand/inkomensvoorziening wordt verlaagd en op grond van welke criteria
                        de hoogte van die verlaging wordt bepaald;</al><al><vet>besluiten</vet></al><al>vast te stellen: </al><al><vet>de Verordening Afstemmingsbeleid WWB en WIJ </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al> In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>de WWB</vet>: de Wet Werk en Bijstand;</al></li><li nr="b."><al><vet>de WIJ</vet>: de Wet Investeren in Jongeren;</al></li><li nr="c."><al><vet>de belanghebbende</vet>: degene wiens belang rechtstreeks
                                    bij een besluit is betrokken (Algemene Wet Bestuursrecht) en
                                    welke in deze verordening ook wordt aangeduid met "hem";</al></li><li nr="d."><al><vet>de bijstand</vet>: de bijstandsnorm vermeerderd of
                                    verminderd met de door het college vastgestelde verhoging of
                                    verlaging als bedoeld in hoofdstuk3, paragraaf 3.2 en 3.3
                                    WWB, alsmede de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 12
                                    WWB;</al></li><li nr="e."><al><vet>de inkomensvoorziening</vet>: de WIJ-norm, vermeerderd of
                                    verminderd met de door het college vastgestelde verhoging of
                                    verlaging als bedoeld in hoofdstuk 4 WIJ;</al></li><li nr="f."><al><vet>de bijzondere bijstand</vet>: de bijstand bedoeld in
                                    artikel 35 WWB;</al></li><li nr="g."><al><vet>de arbeidsinschakeling</vet>: het totaal van activiteiten
                                    van reïntegratiebedrijven en gemeenten op het gebied van de
                                    arbeidstoeleiding en arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="h."><al><vet>de verlaging</vet>: het lager vaststellen van de bijstand
                                    op grond van artikel 18, lid 2 WWB, danwel het lager vaststellen
                                    van de inkomensvoorziening op grond van artikel 41, lid 1
                                    WIJ;</al></li><li nr="i."><al><vet>het college</vet>: het college van Burgemeester en
                                    Wethouders van de gemeente Achtkarspelen óf de gemeente
                                    Kollumerland c.a.</al></li><li nr="j."><al><vet>de gemeenteraad</vet>: de gemeenteraad van de gemeente
                                    Achtkarspelen óf de gemeente Kollumerland c.a.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Toepasbaarheid</titel></kop><al> Bij het toepassen van: </al><lijst><li nr="-"><al>een verlaging van de bijstand als bedoeld in artikel 18, lid 2
                                    WWB</al></li><li nr="-"><al>een verlaging van de inkomensvoorziening als bedoeld in artikel
                                    41, lid 1 WIJ</al></li></lijst><al>worden de bepalingen van deze verordening in acht genomen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>De categorieën van verwijtbare gedragingen in het kader van de
                            WWB</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Categorieën van verwijtbare gedragingen</titel></kop><al>De gedragingen bedoeld in artikel 18, lid 2 van de WWB worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij het
                                            Centrum voor Werk en Inkomen (CWI), dan wel de
                                            inschrijving niet of niet tijdig doen verlengen;</al></li><li nr="b."><al>het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van
                                            informatie die van belang is voor de arbeidsinschakeling
                                            of het recht op bijstand hetgeen niet heeft geleid tot
                                            het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                            bijstand;</al></li><li nr="c."><al>het niet verstrekken van een geldig
                                            identificatiebewijs;</al></li><li nr="d."><al>het niet meewerken aan het in zijn naam doen van
                                            noodzakelijke betalingen;</al></li><li nr="e."><al>het niet meewerken aan schuldhulpverlening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van
                                            informatie die van belang is voor de arbeidsinschakeling
                                            of het recht op bijstand hetgeen heeft geleid tot het
                                            ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                            bijstand tot een bedrag van € 2.000,00 netto;</al></li><li nr="b."><al>het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het niet verlenen van medewerking die redelijkerwijs
                                            nodig is voor de uitvoering van de WWB;</al></li><li nr="d."><al>het niet ten behoeve van de kinderen en zichzelf
                                            verzoeken van alimentatie en er voor zorgen dat de
                                            inning tot uitvoer wordt gebracht;</al></li><li nr="e."><al>het zich niet houden aan de verplichtingen die verband
                                            houden met aard en doel van een bepaalde vorm van
                                            bijstand;</al></li><li nr="f."><al>het zich niet houden aan de verplichtingen die strekken
                                            tot vermindering of beëindiging van de bijstand;</al></li><li nr="g."><al>het zich niet houden aan de verplichtingen om zich te
                                            onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van
                                            medische aard.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al><vet>derde categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van
                                            informatie die van belang is voor de arbeidsinschakeling
                                            of het recht op bijstand hetgeen heeft geleid tot het
                                            ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                            bijstand tot een bedrag tussen € 2.000,00 en € 4.000,00
                                            netto;</al></li><li nr="c."><al>het geen gebruik maken van een door het college
                                            aangeboden voorziening, waaronder sociale activering,
                                            gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="d."><al>het niet of niet volledig een beroep doen op een
                                            voorliggende voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het vervreemden van vermogen;</al></li><li nr="f."><al>het zich zeer ernstig misdragen jegens het college of
                                            zijn ambtenaren.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al><vet>vierde categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in
                                            dienstbetrekking;</al></li><li nr="c."><al>het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van
                                            informatie die van belang is voor de arbeidsinschakeling
                                            of het recht op bijstand hetgeen heeft geleid tot het
                                            ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                            bijstand tot een bedrag tussen € 4.000,00 en € 10.000,00
                                            netto.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al><vet>categorie bijzondere bijstand:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het betonen van tekortschietend besef van
                                            verantwoordelijkheid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>De verlagingen in het kader van de WWB</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Hoogte van de verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging als bedoeld in artikel 18, lid 2 van de WWB wordt
                                    vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de bijstand gedurende een maand bij
                                            gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>tien procent van de bijstand gedurende een maand bij
                                            gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>twintig procent van de bijstand gedurende een maand bij
                                            gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstand gedurende een maand bij
                                            gedragingen van de vierde categorie.</al></li><li nr="e."><al>honderd procent van de bijstand bij gedragingen van de
                                            categorie bijzondere bijstand.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De periode van verlaging van de bijstand genoemd in het eerste
                                    lid en afgestemd met inachtneming van artikel 7 van deze
                                    verordening wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich
                                    binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte
                                    gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                    uit dezelfde of een hogere categorie (recidive). Dit lid is niet
                                    van toepassing op de verlaging als genoemd in het eerste lid,
                                    onder e. van dit artikel.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De categorieën van verwijtbare gedragingen in het kader van de
                            WIJ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Categorieën van verwijtbare gedragingen</titel></kop><al>De gedragingen bedoeld in artikel 44, lid 1 en artikel 45 van de WIJ
                            worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van
                                            informatie die van belang is voor het toekennen of
                                            uitvoeren van het werkleeraanbod of het recht op de
                                            inkomensvoorziening hetgeen niet heeft geleid tot het
                                            ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                            inkomensvoorziening;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van
                                            informatie die van belang is voor het toekennen of
                                            uitvoeren van het werkleeraanbod of het recht op de
                                            inkomensvoorziening hetgeen heeft geleid tot het ten
                                            onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                            inkomensvoorziening tot een bedrag van € 2.000,00
                                            netto;</al></li><li nr="b."><al>het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan het
                                            opstellen van een plan met betrekking tot de
                                            arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het onvoldoende
                                            meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het zich niet houden aan de verplichtingen om zich te
                                            onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van
                                            medische aard.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al><vet>derde categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van
                                            informatie die van belang is voor het toekennen of
                                            uitvoeren van het werkleeraanbod of het recht op de
                                            inkomensvoorziening hetgeen heeft geleid tot het ten
                                            onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                            inkomensvoorziening tot een bedrag tussen € 2.000,00 en
                                            € 4.000,00 netto;</al></li><li nr="b."><al>het stellen van onredelijke eisen in verband met de door
                                            de belanghebbende te verrichten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid belemmeren;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of
                                            bevorderen van de arbeidsbekwaamheid;</al></li><li nr="d."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of
                                            werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten
                                            naar beste vermogen te verrichten; </al></li><li nr="f."><al>het zich zeer ernstig misdragen jegens het college en
                                            zijn ambtenaren.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al><vet>vierde categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van
                                            informatie die van belang is voor het toekennen of
                                            uitvoeren van het werkleeraanbod of het recht op de
                                            inkomensvoorziening hetgeen heeft geleid tot het ten
                                            onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                            inkomensvoorziening tot een bedrag tussen € 4.000,00 en
                                            € 10.000,00 netto.</al></li><li nr="b."><al>het zich zeer ernstig misdragen jegens het college en
                                            zijn ambtenaren als tegelijkertijd sprake is van een
                                            uitsluiting van een werkleeraanbod ex art 22 van de
                                            WIJ.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>De verlagingen in het kader van de WIJ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Hoogte van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 41, lid 1 van de WIJ wordt
                                vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de inkomensvoorziening gedurende een maand
                                        bij gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>tien procent van de inkomensvoorziening gedurende een maand
                                        bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>twintig procent van de inkomensvoorziening gedurende een
                                        maand bij gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de inkomensvoorziening gedurende een
                                        maand bij gedragingen van de vierde categorie. In het geval
                                        van artikel 5, lid 4, sub b van deze verordening wordt de
                                        duur van de verlaging in ieder geval vastgesteld op de duur
                                        van de uitsluiting van het werkleeraanbod.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De periode van verlaging van de inkomensvoorziening genoemd in het
                                eerste lid en afgestemd met inachtneming van artikel 7 van deze
                                verordening wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen
                                twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of
                                een hogere categorie (recidive).</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>De voorbereiding van het besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Afstemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de vaststelling van de verlaging wordt een beoordeling gemaakt
                                van de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de
                                gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin
                                belanghebbende verkeert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van de afstemming van de verlaging van de algemene
                                bijstand/inkomensvoorziening op de mate van verwijtbaarheid geldt
                                het volgende:</al><lijst><li nr="a)"><al>indien een gedraging als verwijtbaar wordt aangemerkt wordt
                                        de periode van verlaging vastgesteld op een maand.</al></li><li nr="b)"><al>indien een gedraging als ernstig verwijtbaar wordt
                                        aangemerkt wordt de periode van verlaging vastgesteld op
                                        twee maanden.</al></li><li nr="c)"><al>indien een gedraging als zeer ernstig verwijtbaar wordt
                                        aangemerkt wordt de periode van verlaging vastgesteld op
                                        drie maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het feitelijk onmogelijk is om de verlaging over twee of drie
                                maanden, als bedoeld in voorgaand lid, toe te passen, wordt ter
                                vervanging daarvan de verlaging over één maand verdubbeld, danwel
                                verdrievoudigd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de toepassing van voorgaande leden dient artikel 11 van deze
                                verordening in beschouwing te worden genomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ten aanzien van de afstemming van de verlaging van de bijzondere
                                bijstand op de mate van verwijtbaarheid geldt het volgende:</al><al> Indien er sprake is van omstandigheden waardoor er aanleiding is om
                                toch bijzondere bijstand te verlenen wordt op individuele gronden in
                                meer of mindere mate afgeweken van het percentage als genoemd in
                                artikel 4, lid 1, sub e. Uitdrukkelijk wordt hier gewezen op de
                                mogelijkheden van de verstrekking in de vorm van een geldlening, als
                                bedoeld in artikel 48, lid 2, sub b van de Wet Werk en
                                Bijstand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Dringende redenen</titel></kop><al>Indien er dringende redenen aanwezig zijn kan worden afgezien van het
                            toepassen van een verlaging als bedoeld in artikel 18, lid 2 van de WWB,
                            danwel artikel 41, lid 2 van de WIJ. Hiervan wordt de belanghebbende
                            schriftelijk op de hoogte gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
                                    de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien:</al><al> a) de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al><al>b) de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                    zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                    nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al><al>c) de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                    college of van een derde aan wie het college met toepassing van
                                    artikel 7, lid 5 WWB, danwel artikel 11, lid 4 van de WIJ
                                    werkzaamheden heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                    inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de
                                    WWB, danwel artikel 44 van de WIJ; </al><al>d) het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                    van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.
                                </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Het besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Besluit tot verlaging</titel></kop><al>Het besluit tot verlaging dient belanghebbende bij beschikking
                            onverwijld na het constateren van de verwijtbare gedraging te worden
                            toegezonden. Hierin dient in ieder geval te worden vermeld: de reden van
                            de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage van de verlaging,
                            het bedrag van de verlaging en, indien van toepassing, de reden om af te
                            wijken van de standaardverlaging. Bij een verlaging als bedoeld in
                            artikel 4, lid 1, sub e is het vermelden van de duur van de verlaging
                            niet van toepassing. Overigens dienen bij het besluit tot verlaging
                            uitdrukkelijk de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur in acht te
                            worden genomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging wordt, voor zover mogelijk, in principe opgelegd
                                    met ingang van de kalendermaand waarin de verwijtbare gedraging
                                    is geconstateerd. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                    geldende bijstand/inkomensvoorziening.</al></li><li nr="2."><al>Indien de verlaging niet conform het eerste lid kan plaatsvinden
                                    wordt de verlaging opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                                    kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                    opleggen van de verlaging aan de belanghebbende is
                                    bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                    geldende bijstand/inkomensvoorziening.</al></li><li nr="3."><al>Indien oplegging van de verlaging niet conform het eerste en het
                                    tweede lid kan plaatsvinden kan de verlaging met terugwerkende
                                    kracht met toepassing van artikel 54, lid 3, sub b WWB, danwel
                                    artikel 40, lid 3 WIJ worden opgelegd, voor zover het
                                    verwijtbaar gedrag, dat tot de verlaging heeft geleid, in deze
                                    periode heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt uitgegaan van de
                                    voor die maand(en) geldende bijstand/inkomensvoorziening. Dit
                                    artikel is niet van toepassing op de verlaging als genoemd in
                                    artikel 4, lid 1, sub e.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Cumulatie</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende verwijtbare gedragingen, dan vindt voor het bepalen van de
                            hoogte en duur van de verlagingen cumulatie plaats. </al><al> Dit artikel is niet van toepassing op de verlaging als genoemd in
                            artikel 4, lid 1, sub e. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Heroverweging</titel></kop><al>Ter voldoening aan het gestelde in artikel 18, lid 3 van de WWB, danwel
                            artikel 41, lid 3 van de WIJ dient bij een verlaging, die met toepassing
                            van artikel 7, lid 2, sub c van deze verordening op 3 maanden is
                            vastgesteld, aan het einde van die termijn te worden vastgesteld of
                            belanghebbende de tekortkomingen heeft hersteld. Indien dit niet het
                            geval is, dan is artikel 4, lid 2 van deze verordening van toepassing. </al><al> Indien de verlaging plaatsvindt in het kader van recidive als bedoeld
                            in artikel 4, lid 2 van deze verordening, vindt de heroverweging na
                            maximaal 3 maanden na de ingangsdatum van de verlaging plaats, waarbij,
                            indien belanghebbende de tekortkomingen heeft hersteld, alsnog besloten
                            kan worden tot een nadere afstemming of een afzien van de verlaging. Dit
                            artikel is niet van toepassing op de verlaging als genoemd in artikel 4,
                            lid 1, sub e. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Uitkeringsgerechtigden van 65 jaar en ouder</titel></kop><al>In afwijking van de vorige artikelen is op de uitkeringsgerechtigden die
                            op grond van een mandaatregelinng van de Sociale Verzekeringsbank (SVB)
                            een algemene bijstandsuitkering ingevolge de WWB ontvangen, het
                            maatregelenbeleid van de SVB (zoals gepubliceerd in de Staatscourant
                            2006, 121 en 2008, 98) van toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><al> Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                            Afstemmingsbeleid WWB en WIJ. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober
                                    2009.</al></li><li nr="2."><al>De Verordening Afstemmingsbeleid WWB, vastgesteld op 29 maart
                                    2009 (Achtkarspelen) en 26 februari 2009 (Kollumerland c.a.),
                                    wordt gelijktijdig ingetrokken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente
                        Achtkarspelen op en de openbare vergadering van de Raad van de gemeente
                        Kollumerland c.a. op </ondertekening><ondertekening>De Raden voornoemd, </ondertekening><ondertekening>de plv. Raadsgriffier, de Voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. R. van der Heide T.J. van der Zwan</ondertekening><ondertekening>de Raadsgriffier, de Voorzitter, </ondertekening><ondertekening>mw. N. Ynema B. Bilker</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Verordening Afstemmingsbeleid WWB en WIJ</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Sedert 1 januari 2004 is de Wet Werk en Bijstand (WWB) van kracht. Zoals de naam
                    van deze wet al aangeeft ligt de nadruk op het met de cliënt zoeken naar werk,
                    en zolang dat doel nog niet succesvol is bereikt kan inkomensondersteuning
                    worden geboden. Om dit doel te bereiken is in de WWB een systeem van rechten en
                    plichten opgenomen. De plichten van de cliënt kunnen desnoods worden afgedwongen
                    door de hoogte van de uitkering af te stemmen (het toepassen van een maatregel)
                    op het getoonde besef van verantwoordelijkheid. Inzake dit afstemmingsbeleid
                    heeft de gemeenteraad indertijd een gemeentelijke verordening vastgesteld en
                    nadien een enkele maal aangepast. </al><al>Met ingang van 1 oktober 2009 is er een nieuwe wet van kracht, de Wet Investeren
                    in Jongeren (WIJ). Op basis van deze wet hebben jongeren van 16 tot 27 jaar, als
                    zij niet (meer) werken of leren, recht op een werkleeraanbod, dat door de
                    gemeente wordt aangeboden. Tegelijkertijd bestaat het recht op een
                    bijstandsuitkering niet meer. Wanneer de jongere, bijvoorbeeld vanwege een
                    handicap, niet kan werken of leren, bestaat er recht op een inkomensvoorziening
                    op grond van de WIJ, mits hij of zij dan ouder is dan 18 jaar. Ook deze
                    inkomensvoorziening kent rechten en plichten. De plichten kunnen ook hier
                    desnoods worden afgedwongen door middel van afstemming van de hoogte van de
                    inkomensvoorziening. In de WIJ is net als in de WWB bepaald dat de gemeenteraad
                    ten aanzien hiervan een verordening moet vaststellen. Voor de goede orde: Ook
                    ten aanzien van het werkleeraanbod gelden rechten en plichten, maar in dat
                    opzicht is er geen afstemming, althans niet in financiële zin, mogelijk. Het
                    werkleeraanbod, waar het in de WIJ voornamelijk om draait, blijft in deze
                    verordening dan ook onbesproken.</al><al>Omdat de WIJ is afgeleid van de WWB is de afstemmingssystematiek nagenoeg
                    gelijk, maar de verwijtbare gedragingen vertonen hier en daar wel verschillen.
                    Desondanks is er voor gekozen een gecombineerde verordening te maken. Om het
                    overzichtelijk te houden zijn voor de te onderscheiden verwijtbare gedragingen
                    en de verlagingen die daarbij horen aparte hoofdstukken voor de WWB en de WIJ
                    ingericht. Regels die voor beide wetten gelijk zijn, zoals nadere afstemming,
                    recidive en heroverweging zijn gecombineerd weergegeven.</al><al>De verordening kent de volgende hoofdstukken: </al><lijst><li nr="1."><al>Algemene bepalingen</al></li><li nr="2."><al>De categorieën van verwijtbare gedragingen in het kader van de
                                <onderstreept>WWB</onderstreept></al></li><li nr="3."><al>De verlagingen in het kader van de <onderstreept>WWB</onderstreept></al></li><li nr="4."><al>De categorieën van verwijtbare gedragingen in het kader van de
                                <onderstreept>WIJ</onderstreept></al></li><li nr="5."><al>De verlagingen in het kader van de <onderstreept>WIJ</onderstreept></al></li><li nr="6."><al>de voorbereiding van het besluit</al></li><li nr="7."><al>Het besluit</al></li><li nr="8."><al>Slotbepalingen</al></li></lijst><tussenkop>Toelichting per artikel</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>Ten aanzien van de begrippen die in de verordening worden gebruikt is
                    aansluiting gezocht bij wettelijke omschrijvingen. Voorts is aan aanvullende,
                    voor de uitvoering van de Wet Werk en Bijstand en de Wet Investeren in Jongeren
                    belangrijke, begrippen een eigen omschrijving gegeven. </al><al>a.<vet>de WWB</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>b.<vet>de WIJ</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>c.<vet>de belanghebbende</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>d.<vet>de bijstand</vet>:</al><al>Door deze omschrijving wordt bereikt dat de verlaging betrekking heeft op de
                    volledige uitkering, dus inclusief toeslag en vakantie-uitkering. Hierbij wordt
                    de bijzondere bijstand die in sommige situaties als aanvulling op de lage
                    jongerennorm wordt verstrekt in dit verband wel "de bijstand" gerekend. Op de
                    langdurigheidstoeslag is geen verlaging mogelijk.</al><al>e.<vet>de inkomensvoorziening</vet>:</al><al>Door deze omschrijving wordt bereikt dat de verlaging betrekking heeft op de
                    volledige inkomensvoorziening, dus inclusief toeslag en vakantie-uitkering.</al><al>f.<vet>de bijzondere bijstand</vet>:</al><al>De bijzondere bijstand is apart benoemd. Hierdoor wordt bereikt dat ook hier een
                    verlaging op kan worden toegepast als er sprake is van ongenoegzaam besef van
                    verantwoordelijkheid. Overigens laat dit onverlet dat een aanvraag om bijzondere
                    bijstand ook kan worden afgewezen als er geen sprake is van noodzakelijke
                    kosten. Dit is bijvoorbeeld het geval als het kosten betreft die vermijdbaar
                    waren geweest. </al><al>g.<vet>de arbeidsinschakeling</vet>:</al><al>Door deze omschrijving wordt bereikt dat de arbeidsinschakeling zo ruim mogelijk
                    wordt opgenomen. </al><al>h.<vet>de verlaging</vet>:</al><al>Door deze omschrijving wordt duidelijk het onderscheid gemaakt tussen de
                    verlaging op de bijstand op grond van de WWB en de inkomensvoorziening op grond
                    van de WIJ.</al><al>i.<vet>het college</vet>:</al><al>In deze omschrijving worden uitdrukkelijk de colleges van Burgemeester en
                    Wethouders van beide gemeenten bedoeld. Dit is van belang gezien de vorm van
                    samenwerking, zoals die ten aanzien van de afdeling Werk, Inkomen en Zorg
                    bestaat.</al><al>j.<vet>de gemeenteraad</vet>:</al><al>In deze omschrijving worden uitdrukkelijk de gemeenteraden van beide gemeenten
                    bedoeld. Dit is van belang gezien de vorm van samenwerking, zoals die ten
                    aanzien van de afdeling Werk, Inkomen en Zorg bestaat.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Dit artikel geeft aan dat de Verordening Afstemmingsbeleid de uitwerking is van
                    de in artikel 8, lid 1, sub b WWB en artikel 12, lid 1, sub b WIJ aan de
                    gemeenteraad gegeven opdracht. </al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Zoals reeds in de inleiding is gesteld is dit artikel het product van een
                    inventarisatie van alle verplichtingen die in de WWB zijn opgenomen, die zijn
                    vertaald naar verwijtbare gedragingen, alsmede de in het gemeentelijk beleid
                    opgenomen verwijtbare gedragingen in het kader van ongenoegzaam besef van
                    verantwoordelijkheid. De aldus ontstane verzameling verwijtbare gedragingen is
                    vervolgens zo logisch mogelijk in verschillende categorieën ondergebracht: </al><tussenkop>(eerste categorie)</tussenkop><tussenkop>"a. het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij de Centrum voor
                    Werk en Inkomen (CWI), dan wel de inschrijving niet of niet tijdig doen
                    verlengen" vloeit voort uit de plicht tot arbeidsinschakeling ex artikel 9 van
                    de WWB. </tussenkop><tussenkop>"b. het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie die
                    van belang is voor de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand hetgeen niet
                    heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                    bijstand" vloeit voort uit de inlichtingenplicht ex artikel 17 van de WWB. </tussenkop><tussenkop>"c. het niet verstrekken van een geldig identificatiebewijs" vloeit
                    eveneens voort uit de inlichtingenplicht ex artikel 17 van de WWB. </tussenkop><al>"d. het niet meewerken aan het in zijn naam doen van noodzakelijke betalingen"
                    vloeit voort uit de verplichting om mee te werken aan noodzakelijk geachte
                    doorbetalingen ex artikel 57 WWB.</al><al>"e. het niet meewerken aan schuldhulpverlening" vloeit voort uit de plicht om
                    mee te werken aan alle inspanningen om financiële problemen op te lossen en is
                    een gemeentelijke invulling van het begrip "tekort schietend besef van
                    verantwoordelijkheid" ex artikel 18 WWB. </al><tussenkop>(tweede categorie)</tussenkop><tussenkop>"a. het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie die
                    van belang is voor de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand hetgeen heeft
                    geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand tot
                    een bedrag van € 2.000,00 netto" vloeit voort uit de inlichtingenplicht ex
                    artikel 17 van de WWB. </tussenkop><tussenkop>"b. het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling" vloeit voort uit de plicht tot
                    arbeidsinschakeling ex artikel 9 van de WWB. </tussenkop><tussenkop>"c. het niet verlenen van medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de
                    uitvoering van de WWB" vloeit voort uit de inlichtingenplicht ex artikel 17 van
                    de WWB. </tussenkop><tussenkop>"d. het niet ten behoeve van de kinderen (en zichzelf) verzoeken van
                    alimentatie en er voor zorgen dat de inning tot uitvoer wordt gebracht" vloeit
                    voort uit de verplichting om in voorkomende gevallen zelf alimentatie te eisen
                    en via het LBIO voor inning te zorgen ex artikel 56 van de WWB. </tussenkop><al>"e. het zich niet houden aan de verplichtingen die verband houden met aard en
                    doel van een bepaalde vorm van bijstand" vloeit voort uit de mogelijkheid
                    dergelijke aanvullende verplichtingen op te kunnen leggen ex artikel 55 WWB. </al><al>"f. het zich niet houden aan de verplichtingen die strekken tot vermindering of
                    beëindiging van de bijstand" vloeit eveneens voort uit de mogelijkheid
                    dergelijke aanvullende verplichtingen op te kunnen leggen ex artikel 55
                    WWB.</al><al>"g. het zich niet houden aan de verplichtingen om zich te onderwerpen aan een
                    noodzakelijke behandeling van medische aard" vloeit eveneens voort uit de
                    mogelijkheid dergelijke aanvullende verplichtingen op te kunnen leggen ex
                    artikel 55 WWB.</al><al>(derde categorie)</al><tussenkop>"a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                    verkrijgen" vloeit voort uit de plicht tot arbeidsinschakeling ex artikel 9 van
                    de WWB. </tussenkop><al>"b. het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie die van
                    belang is voor de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand hetgeen heeft
                    geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand tot
                    een bedrag van € 4.000,00 netto" vloeit voort uit de inlichtingenplicht ex
                    artikel 17 van de WWB.</al><tussenkop>"c. het geen gebruik maken van een door het college aangeboden
                    voorziening, waaronder sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling"
                    vloeit eveneens voort uit de plicht tot arbeidsinschakeling ex artikel 9 van de
                    WWB. </tussenkop><al>"d. het niet of niet volledig een beroep doen op een voorliggende voorziening"
                    vloeit voort uit de verplichting om de mogelijkheden van een voorliggende
                    voorziening te onderzoeken en te benutten en is een gemeentelijke invulling van
                    het begrip "tekort schietend besef van verantwoordelijkheid" ex artikel 18 WWB. </al><al>"e. het vervreemden van vermogen" vloeit voort uit de plicht om zelf alles te
                    doen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien en is een
                    gemeentelijke invulling van het begrip "tekort schietend besef van
                    verantwoordelijkheid" ex artikel 18 WWB.</al><al>“f. het zich zeer ernstig misdragen jegens het college of zijn ambtenaren” is
                    een reden om een verlaging toe te passen. Er moet dan wel een direct verband
                    bestaan tussen geweld en uitkering. Tevens moet een onderscheid worden gemaakt
                    in instrumenteel geweld (geweld om een bepaald doel te bereiken) en
                    frustratiegeweld (geweld uit onmacht, ontevredenheid en dergelijke). Het is
                    duidelijk dat de verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is
                    dan bij frustratiegeweld. Voorkomen moet worden dat het toepassen van een
                    dergelijke verlaging vervolgens nog weer meer ongepast gedrag uitlokt.</al><al>(vierde categorie)</al><tussenkop>"a. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid" vloeit voort
                    uit de plicht tot arbeidsinschakeling ex artikel 9 van de WWB. </tussenkop><al>"b. het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking" vloeit
                    voort uit de plicht om zelf alles te doen om in de noodzakelijke kosten van het
                    bestaan te voorzien en is een gemeentelijke invulling van het begrip "tekort
                    schietend besef van verantwoordelijkheid" ex artikel 18 WWB. </al><al>"c. het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie die van
                    belang is voor de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand hetgeen heeft
                    geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand tot
                    een bedrag tussen € 4.000,00 en € 10.000,00 netto" vloeit voort uit de
                    inlichtingenplicht ex artikel 17 van de WWB. Voorts wordt hiermee aangesloten
                    bij de afspraak met het Openbaar Ministerie dat bij fraude die meer bedraagt dan
                    € 10.000,00 netto aangifte plaatsvindt bij de Officier van Justitie. </al><al>(categorie bijzondere bijstand) </al><al>“a. het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid” vloeit
                    rechtstreeks voort uit de omschrijving van artikel 18, lid 2 WWB. Het is een
                    onmogelijke zaak om alle mogelijke gedragingen apart te benoemen. </al><al>Door de schending van de inlichtingenplicht in <cursief>de eerste </cursief>4
                    categorieën op te nemen, al naar gelang het benadelingsbedrag dat daarmee
                    gemoeid is, wordt bereikt dat de ernst van de gedraging ook tot uitdrukking komt
                    in de hoogte van de verlaging. </al><al>Naast de mogelijkheid om de uitkering in het kader van deze verordening te
                    verlagen bij wijze van sanctionering, zijn uiteraard de mogelijkheden van
                    opschorting (onder aanbieding van een hersteltermijn), herziening of intrekking
                    van de uitkering zoals bedoeld in artikel 54 van de WWB onverkort van kracht. </al><al>Daarnaast blijft natuurlijk de mogelijkheid bestaan om in gevallen van
                    bijstandsverlening als gevolg van een tekort schietend besef van
                    verantwoordelijkheid, de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken
                    zoals bedoeld in artikel 48 van de WWB. </al><al>Ter illustratie de twee volgende voorbeelden: </al><lijst><li nr="1."><al>Het niet tijdig verstrekken verstrekken van inlichtingen (waardoor
                            teveel bijstand wordt verstrekt) kan zowel een verlaging (art 3, lid 2,
                            sub b, lid 3, sub b of lid 4, sub c van de afstemmingsverordening) als
                            een opschorting ex art 54 WWB, welke kan leiden tot beëindiging,
                            opleveren.</al></li><li nr="2."><al>Het onverantwoord besteden van (over)vermogen kan zowel een verlaging
                            (art 3, lid 3, sub e van de afstemmingsverordening) als een verdere
                            verstrekking in de vorm van geldlening ex art 48 WWB opleveren.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Dit artikel vormt de basis voor de vaststelling van de verlaging, onverlet de
                    nadere afstemming van artikel 7. In het tweede lid worden de gevolgen van
                    recidive (herhaling van het verwijtbare gedrag) beschreven. Ten aanzien van
                    verlagingen die op de bijzondere bijstand worden toegepast is deze
                    recidivesystematiek niet van toepassing. </al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>Zoals reeds in de inleiding is gesteld is dit artikel het product van een
                    inventarisatie van alle verplichtingen die in de WIJ zijn opgenomen. De aldus
                    ontstane verzameling verwijtbare gedragingen is vervolgens zo logisch mogelijk
                    in verschillende categorieën ondergebracht: </al><tussenkop>(eerste categorie)</tussenkop><tussenkop>"a. het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie die
                    van belang is voor de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand hetgeen niet
                    heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                    inkomensvoorziening" vloeit voort uit de inlichtingenplicht ex artikel 44 van de
                    WIJ. </tussenkop><tussenkop>(tweede categorie)</tussenkop><tussenkop>"a. het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie die
                    van belang is voor de arbeidsinschakeling of het recht op de inkomensvoorziening
                    hetgeen heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                    inkomensvoorziening tot een bedrag van </tussenkop><tussenkop>€ 2.000,00 netto" vloeit voort uit de inlichtingenplicht ex artikel 44
                    van de WIJ. </tussenkop><tussenkop>"b. het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan het opstellen van
                    een plan met betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het
                    onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                    arbeidsinschakeling" vloeit voort uit de plicht tot arbeidsinschakeling ex
                    artikel 45 van de WIJ. </tussenkop><tussenkop>“c. het zich niet houden aan de verplichtingen om zich te onderwerpen aan
                    een noodzakelijke behandeling van medische aard" vloeit voort uit de plicht tot
                    arbeidsinschakeling ex artikel 45 van de WIJ. </tussenkop><al>(derde categorie)</al><al>"a<vet>. </vet>het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie
                    die van belang is voor de arbeidsinschakeling of het recht op de
                    inkomensvoorziening hetgeen heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
                    bedrag verlenen van inkomensvoorziening tot een bedrag tussen € 2.000,00 en €
                    4.000,00 netto" vloeit voort uit de inlichtingenplicht ex artikel 44 van de
                    WIJ.</al><tussenkop>“b. het stellen van onredelijke eisen in verband met de door de
                    belanghebbende te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden
                    of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren” vloeit voort uit de
                    plicht tot arbeidsinschakeling ex artikel 45 van de WIJ. </tussenkop><tussenkop>"c. het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen van de
                    arbeidsbekwaamheid” vloeit voort uit de plicht tot arbeidsinschakeling ex
                    artikel 45 van de WIJ. </tussenkop><tussenkop>“d. het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of werkzaamheden,
                    gericht op de arbeidsinschakeling” vloeit voort uit de plicht tot
                    arbeidsinschakeling ex artikel 45 van de WIJ. </tussenkop><tussenkop>“e. het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste
                    vermogen te verrichten” vloeit voort uit de plicht tot arbeidsinschakeling ex
                    artikel 45 van de WIJ. </tussenkop><al>“f.het zich zeer ernstig misdragen jegens het college of zijn ambtenaren”
                    is een reden om een verlaging toe te passen en vloeit voort uit artikel 41, lid
                    1 WIJ. Er moet dan wel een direct verband bestaan tussen geweld en
                    inkomensvoorziening. Tevens moet een onderscheid worden gemaakt in instrumenteel
                    geweld (geweld om een bepaald doel te bereiken) en frustratiegeweld (geweld uit
                    onmacht, ontevredenheid en dergelijke). Het is duidelijk dat de verwijtbaarheid
                    bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.
                    Voorkomen moet worden dat het toepassen van een dergelijke verlaging vervolgens
                    nog weer meer ongepast gedrag uitlokt.</al><al>(vierde categorie)</al><al>"a.het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie die van
                    belang is voor de arbeidsinschakeling of het recht op de inkomensvoorziening
                    hetgeen heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                    inkomensvoorziening tot een bedrag tussen € 4.000,00 en € 10.000,00 netto"
                    vloeit voort uit de inlichtingenplicht ex artikel 44 van de WIJ. Voorts wordt
                    hiermee aangesloten bij de afspraak met het Openbaar Ministerie dat bij fraude
                    die meer bedraagt dan € 10.000,00 netto aangifte plaatsvindt bij de Officier van
                    Justitie. </al><al>“b. het zich zeer ernstig misdragen jegens het college of zijn ambtenaren als
                    tegelijkertijd sprake is van een uitsluiting van een werkleeraanbod” vloeit
                    voort uit artikel 41, lid 1 WIJ en is een aanvulling op het verwijtbare handelen
                    uit de derde categorie. De vermelding is in het leven geroepen om te voorkomen
                    dat er ten onrechte inkomensvoorziening zou worden betaald, terwijl daar geen
                    recht op zou bestaan. Immers, de (aanvullende) inkomensvoorziening is alleen van
                    kracht als ook het werkleeraanbod wordt gevolgd. Als de belanghebbende na de in
                    artikel 22 WIJ bedoelde heroverweging definitief wordt uitgesloten van het
                    werkleeraanbod bestaat op basis daarvan geen recht op inkomensvoorziening. </al><al>Door de schending van de inlichtingenplicht in 4 categorieën op te nemen, al
                    naar gelang het benadelingsbedrag dat daarmee gemoeid is, wordt bereikt dat de
                    ernst van de gedraging ook tot uitdrukking komt in de hoogte van de verlaging. </al><al>Naast de mogelijkheid om de uitkering in het kader van deze verordening te
                    verlagen bij wijze van sanctionering, zijn uiteraard de mogelijkheden van
                    opschorting (onder aanbieding van een hersteltermijn), herziening of intrekking
                    van de inkomensvoorziening zoals bedoeld in artikel 40 van de WIJ onverkort van
                    kracht. </al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Dit artikel vormt de basis voor de vaststelling van de verlaging, onverlet de
                    nadere afstemming van artikel 7. In het tweede lid worden de gevolgen van
                    recidive (herhaling van het verwijtbare gedrag) beschreven. </al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Dit artikel is een nadere uitwerking van het individualiseringsbeginsel, dat ook
                    voor het toepassen van verlagingen geldt. In lid 2 is ten aanzien van de
                    beoordeling van de mate van verwijtbaarheid een nadere aanwijzing gegeven. Het
                    derde lid is een ontsnappingsclausule wanneer er sprake is van ontoereikend
                    aantal maanden waarop een verlaging kan worden toegepast. In die situatie kan er
                    voor worden gekozen de verlaging over de "beschikbare" maand te verdubbelen of
                    te verdrievoudigen. Ook wordt in dit artikel uitdrukkelijk verwezen naar artikel
                    11 van deze verordening omdat voorkomen moet worden dat er verlagingen worden
                    toegepast op maanden waarin geen sprake is geweest van verwijtbare gedragingen. </al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Evenals het kunnen afstemmen van de verlaging, zoals bedoeld in artikel 7, dient
                    in het kader van de individualisering tevens de mogelijkheid te worden ingebouwd
                    om op grond van dringende redenen te kunnen afzien van het toepassen van een
                    verlaging.</al><tussenkop>Artikel 9 </tussenkop><al>Vanuit een oogpunt van zorgvuldige besluitvoorbereiding is het goed om, alvorens
                    de negatieve beschikking te versturen, belanghebbende in de gelegenheid te
                    stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen. Tevens worden in dit artikel
                    de gronden genoemd, op basis waarvan van het horen van belanghebbende kan worden
                    afgezien. </al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>Het is in het kader van "Lik op stuk", maar evenzeer in het kader van de
                    Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, van belang dat belanghebbende zo
                    spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld van de gevolgen van zijn verwijtbare
                    handelen. Aangezien het hier gaat om een (hernieuwde) vaststelling van het recht
                    op bijstand, danwel inkomensvoorziening, wordt een verlaging bij beschikking
                    medegedeeld. Uiteraard dient het besluit en de daaruit voortvloeiende
                    beschikking te voldoen aan de Algemene beginselen van Behoorlijk Bestuur. </al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>Bij het toepassen van verlagingen wordt het Lik op Stuk-principe toegepast. Dat
                    betekent dat verlagingen, voor zover dat wettelijk mogelijk is, in principe
                    worden toegepast op de maand waarin het verwijtbare handelen is geconstateerd.
                    Indien dit op belemmeringen stuit wordt de verlaging toegepast op de daarop
                    volgende maand. In het tweede lid is bepaald dat wanneer het voorgaande niet
                    mogelijk is, bijvoorbeeld doordat de uitkering reeds is beëindigd, dit ook door
                    middel van herziening (en terugvordering) van de uitkering kan worden bereikt.
                    De beperking die hier geldt is dat er over de maanden waarin geen sprake was van
                    verwijtbaar handelen ook geen verlaging mogelijk is. </al><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat een samenloop van verschillende verwijtbare gedragingen
                    er toe leidt dat de percentages van de verlagingen in principe bij elkaar worden
                    opgeteld. Natuurlijk kan door gebruik te maken van artikel 7 een nadere
                    afstemming plaatsvinden. </al><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><al>In dit artikel wordt de zogenaamde heroverweging genoemd. Een dergelijke
                    heroverweging zou tot gevolg kunnen hebben dat een besluit tot verlaging op
                    grond van individuele omstandigheden of een gewijzigd gedrag van belanghebbende
                    alsnog zou kunnen worden herzien in die zin dat de verlaging ongedaan wordt
                    gemaakt. In de verordening is er echter voor gekozen om deze mogelijkheid niet
                    nader in te vullen. De reden hiervoor is dat bij het besluit tot verlaging is
                    geconstateerd dat het verwijtbare gedrag een feit is en daarbij de individuele
                    omstandigheden reeds in de beoordeling zijn meegenomen. De gemeentelijke
                    invulling op dit punt behelst veel meer een beoordeling van het gedrag in
                    relatie tot het mogelijk moeten toepassen van recidive als bedoeld in artikel 4,
                    lid 2 en artikel 6, lid 2. </al><tussenkop>Artikel 14</tussenkop><al>Artikel 7 van de WWB en artikel 11 van de WIJ schrijven voor dat de uitvoering
                    van de wet berust bij Burgemeester en Wethouders. Zij kunnen deze bevoegdheid
                    overeenkomstig hetgeen hierover in de wet is geregeld vervolgens mandateren aan
                    ambtenaren. Het tweede lid voorziet in de bevoegdheid om in individuele gevallen
                    af te wijken van het in de verordening bepaalde.</al><tussenkop>Artikel 15</tussenkop><al>Bij besluit B&amp;W van 10 oktober 2008 is besloten om de uitvoering van de
                    (aanvullende) algemene bijstandsverstrekking op grond van de WWB aan personen
                    ouder dan 65 jaar met een onvolledig AOW-pensioen te mandateren aan de Sociale
                    Verzekeringsbank. Deze bevoegdheid omvat ook het eventueel bij gelegenheid
                    afstemmen van de uitkering als gevolg van verwijtbaar handelen. Omdat het
                    inkomen van de uitkeringsgerechtigden in eerste instantie en veelal
                    hoofdzakelijk uit een AOW-pensioen bestaat is hierbij het maatregelenbeleid van
                    de SVB van toepassing. De bepaling genoemd in dit artikel regelt formeel het van
                    kracht worden van dit maatregelenbeleid.</al><tussenkop>Artikel 16</tussenkop><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 17</tussenkop><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>