<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR14891_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Tegemoetkoming godsdienst- en levensbeschouwelijk onderwijs verordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-10-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>1991-06-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>1991-06-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-01-24</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Tegemoetkoming godsdienst- en levensbeschouwelijk onderwijs verordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label/><titel/></kop><al><vet>Aan de Gemeenteraad</vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="13*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="14*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="41*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Raad</vet><vet> :</vet></al><al><vet>Punt no.</vet><vet> :</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>27 juni 1991</al><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Voorstel</vet><vet> :</vet></al></entry><entry colname="col4"><al>Intrekking van de bestaande “Subsidieregeling
                                            godsdienst- en humanistisch vormingsonderwijs” en
                                            vaststelling van een nieuwe verordening.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Korte toelichting</vet></al><al>In verband met de inwerkingtreding van de Wet op het basisonderwijs per 1
                        augustus 1985 is het noodzakelijk, dat er een nieuwe verordening wordt
                        vastgesteld. Voorgesteld wordt de bestaande regeling in te trekken en een
                        nieuwe verordening vast te stellen. Tevens wordt voorgesteld het
                        subsidiebedrag op te trekken.</al><al/><al><vet>Nadere toelichting</vet></al><al>Met toepassing van artikel 26 van de Lager-onderwijswet 1920 werden
                        leerlingen van de openbare lagere scholen in de gelegenheid gesteld binnen
                        de schooltijden godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs
                        te volgen. Op grond van dit wetsartikel werd dit onderwijs mogelijk
                        gemaakt</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet op het basisonderwijs per 1 augustus 1985
                        is de bepaling van de Lager-onderwijswet vervallen. Artikel 30 van de Wet op
                        het basisonderwiijs is evenwel van gelijke strekking. Het bevoegd gezag
                        dient de leerlingen namelijk in de gelegenheid te stellen om op de in het
                        aktiviteitenplan vermelde schooltijden op school godsdienstonderwijs of
                        levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te ontvangen.</al><al>Indien de ouders van leerlingen wensen dat hun kinderen dit onderwijs
                        ontvangen, is het bevoegd gezag verplicht daaraan mee te werken. Het bevoegd
                        gezag draag echter geen verantwoordelijkheid voor de inhoud van de lessen,
                        noch voor de wijze waarop deze lessen worden gegeven en de keuze van
                        leermiddelen, die worden gebruikt. Dit is een zaak voor de kerkelijke
                        gemeente e.d., die de leraren voor genoemd onderwijs aanwijzen.</al><al/><al>Ten aanzien van de bekostiging van de leraren wordt door het rijk geen
                        vergoeding verleend; de personele kosten komen voor rekening van de
                        gemeente. De leerkrachten zijn echter niet in dienst van de gemeente. </al><al>De tegemoetkoming in de kosten wordt aan de kerkelijke gemeente overgemaakt,
                        die dit weer doorbetalen aan de betreffende docent, i.c. vaak de
                        plaatselijke predikant.</al><al/><al>Onlangs hebben ons van 2 kerkbesturen signalen bereikt om het subsidebedrag
                        te verhogen. Wanneer geen verhoging plaatsvindt, zou de continuering van het
                        onderwijs in de toekomst gevaar gaan lopen. Met het oog op een eventuele
                        verhoging voor deze gemeente is dezerzijds onderzoek gepleegd naar de hoogte
                        van de subsidiebedragen bij een aantal gemeenten in Friesland.</al><al/><al>Uit dit onderzoek is gebleken, dat de bedragen in de verschillende gemeenten
                        zeer variëren en dat de tegemoetkoming door deze gemeente aan de lage kant
                        is. De subsidie per wekelijks lesuur per jaar, die de gemeente Achtkarspelen
                        verstrekt, is momenteel ¦549,--. Omgerekend naar 40 schoolweken betekent dit
                        een bedrag van¦13,73 per lesuur, dat naar onze mening duidelijk te laag
                        is.</al><al/><al>Het komt ons redelijk voor om dit bedrag te verhogen tot ¦ 19,40 per lesuur.
                        Een en ander komt overeen met 60% van het salaris van een groepsleerkracht,
                        werkzaam aan scholen voor basisonderwijs, naar het maximum van schaal 7.
                        Momenteel worden in totaal 9 lesuren per week gegeven aan 6 verschillende
                        openbare basisscholen in de gemeente.</al><al>Wanneer u instemt met ons voorstel, betekent dit een verhoging van de
                        jaarlijkse lasten van ¦2.050,-- (afgerond) ten laste van de vrije
                        beleidsruimte 1992.</al><al/><al><vet>Voorstel</vet></al><al>Gezien het vorenstaande, stellen wij u voor ingaande 1 januari 1992 conform
                        bijgevoegd concept-besluit de huidige “Subsidieregeling godsdienst- en
                        humanistisch vormingsonderwijs” in te trekken en een nieuwe “Verordening
                        tegemoetkoming godsdienst- en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs” vast te
                        stellen.</al><al/><al><vet>Advies commissie</vet></al><al>Over dit voorstel hebben wij het advies gevraagd van de commissie Sport en
                        Onderwijs. De commissie kan zich met het voorstel verenigen.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="13*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="87*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Buitenpost,</al></entry><entry colname="col2"><al> 17 juni 1991</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Burgemeester en Wethouders van Achtkarspelen,</al><al>secretaris l.burgemeester</al><al>W.Oosterman K. Veenstra</al><al/><al>Bijlagen : concept-raadsbesluit</al><al>Ter inzage : -</al><al/><al>Onderwerp: INTREKKING VAN DE BESTAANDE “SUBSIDIEREGELING GODSDIENST- EN
                        HUMANISTISCH VORMINGSONDERWIJS” EN VASTSTELLING VAN EEN NIEUWE
                        VERORDENING.</al><al/><al>De raad van de gemeente Achtkarspelen;</al><al>overwegende, dat de “Subsidieregeling godsdienstonderwijs en humanistisch
                        vormingsonderwijs” door een nieuwe regeling dient te worden vervangen,
                        aangezien de Lager-onderwijswet 1920, waarop de regeling rust, per 1
                        augustus 1985 door de Wet op het basisonderwijs is vervangen;</al><al>dat het wenselijk wordt geacht om de tegemoetkomingen aan de kerkelijke
                        gemeenten c.a. aan te passen;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders;</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 31 van de Wet op het basisonderwijs;</al><al/><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de navolgende VERORDENING REGELENDE HET VERLENEN VAN EEN
                        TEGEMOETKOMING IN DE KOSTEN, VERBONDEN AAN HET GEVEN VAN GODSDIENSTONDERWIJS
                        EN LEVENSBESCHOUWELIJK VORMINGSONDERWIJS AAN LEERLINGEN VAN DE OPENBARE
                        SCHOLEN VOOR BASISONDERWIJS IN DE GEMEENTE ACHTKARSPELEN.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Aan kerkelijke gemeenten, kerken of verenigingen met volledige
                        rechtsbevoegdheid, als bedoeld in artikel 31 van de Wet op het
                        basisonderwijs wordt ten laste van de gemeente Achtkarspelen een
                        tegemoetkoming verleend in de kosten, verbonden aan het geven van
                        godsdienst- en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan leerlingen van
                        openbare scholen voor basisonderwijs in de gemeente, voorzover het onderwijs
                        niet wordt gegeven door de aan de school verbonden leerkrachten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Voor toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>godsdienstonderwijs: het onderricht in bijbelkennis, bijbelse
                                geschiedenis, godsdienstgeschiedenis en cultuurgeschiedenis van het
                                christendom.</al></li><li nr="b."><al>levensbeschouwelijk</al></li></lijst><al> vormingsonderwijs: het leveren van een bijdrage aan de geestelijke en
                        zedelijke vorming van de leerlingen.</al><al>c.lesuren: een les van 45 minuten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Om voor de in artikel 1 bedoelde tegemoetkoming in aanmerking te komen,
                            dient het godsdienst- en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs gedurende
                            de daarvoor op het aktiviteitenplan aangegeven uren in de schoolgebouwen
                            te worden gegeven aan leerlingen van de groepen 6 tot en met 8 van de
                            openbare scholen voor basisonderwijs, een en ander voorzover de ouders,
                            voogden of verzorgers van die leerlingen daartegen geen bezwaar
                            hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders toestaan dat
                            het godsdienst- en het levensbeschouwelijk vormingsonderwijs mede wordt
                            gegeven aan leerlingen van groep 5, wanneer de omvang van het
                            personeelsbestand op een school zulks noodzakelijk maakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verantwoordelijkheid voor de inhoud van het godsdienst- en
                            levensbeschouwelijk vormingsonderwijs berust bij de instanties die
                            belast zijn met de verzorging van dit onderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zij dragen er zorg voor dat dit onderwijs op pedagogisch-didactisch
                            verantwoorde wijze wordt gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>De ten behoeve van het godsdienst- of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs
                        aangewezen leerkrachten onthouden zich ervan iets te leren, te doen of toe
                        te laten, wat strijdig is met de eerbied, verschuldigd aan de overtuiging
                        van andersdenkenden en gedragen zich overigens naar de aanwijzingen, door de
                        directeur van de school te geven. Zij verstrekken de directeur alle terzake
                        gewenste inlichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>De in artikel 1 bedoelde tegemoetkoming bedraagt per wekelijks gegeven
                        lesuur per jaar een bedrag dat overeenkomt met 60% van het bij algemene
                        maatregel van bestuur vastgestelde salaris voor een groepsleerkracht,
                        werkzaam aan scholen voor basisonderwijs, een en ander naar het maximum van
                        schaal 7.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 1 bedoelde tegemoetkoming wordt verleend in de kosten van
                            het geven van godsdienst- en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan
                            de leerlingen van de groepen 6 tot en met 8 van de openbare scholen voor
                            basisonderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen tegemoetkoming wordt verleend in de kosten van godsdienst- of
                            levensbeschouwelijk vormingsonderwijs voor zover gegeven aan groepen,
                            welke - ook na combinatie van groepen en/of leerlingen van dezelfde
                            school - uit minder dan 10 leerlingen bestaan. In bijzondere gevallen
                            kunnen burgemeester en wethouders afwijking van dit aantal toestaan
                            onder door hen te stellen voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de beoordeling van de grootte van de groep geldt het aantal
                            deelnemende leerlingen naar de toestand op 16 januari van het jaar
                            waarvoor de tegemoetkoming wordt gevraagd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Elke leerling mag voor de berekening van de tegemoetkoming slechts
                            eenmaal meetellen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Splitsing van een groep op zodanige wijze, dat daardoor aan die groep in
                            totaal meer dan één wekelijks lesuur moet worden gegeven is niet
                            toegestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor het verkrijgen van de in artikel 7 bedoelde tegemoetkoming
                                zendt de in artikel 1 bedoelde instantie binnen een maand na afloop
                                van het kalenderjaar bij burgemeester en wethouders een opgave in,
                                vermeldende voor elke school afzonderlijk:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de leerkracht(en), die met het geven van
                                        godsdienstonderwijs belast was (waren);</al></li><li nr="b."><al>de dagen en uren, gedurende welke de lessen werden
                                        gegeven;</al></li><li nr="c."><al>de groepen, waarin de lessen werden gegeven;</al></li><li nr="d."><al>de aantallen leerlingen, die iedere les hebben
                                        bijgewoond.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde opgave wordt vóór de inzending door de
                                directeur van de betreffende school gewaarmerkt.</al></li></lijst><al>Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek een voorschot op de
                        tegemoetkoming verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>In gevallen, waarin deze verordening niet voorziet, beslissen burgemeester
                        en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening
                                tegemoetkoming godsdienst- en levensbeschouwelijk
                                vormingsonderwijs”.</al></li><li nr="2."><al>Zij treedt in werking op 1 januari 1992.</al></li><li nr="3."><al>Op het in lid 2 genoemde tijdstip vervalt de “Subsidieregeling
                                godsdienst en humanistisch vormingsonderwijs”, zoals deze
                                laatstelijk is gewijzigd bij raadsbesluit van 26 november 1981, met
                                dien verstande, dat de subsidiëring van het daarin aangeduide
                                onderwijs, hetwelk is gegeven in een vóór dat tijdstip gelegen
                                tijdvak, geschiedt volgens de bepalingen van de vervallen
                                regeling.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld op 27 juni 1991</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Raad voornoemd, secretaris voorzitter</ondertekening><ondertekening>W.Oosterman B. Schmidt</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al/><al>TOELICHTING behorende bij de “Verordening tegemoetkoming godsdienst- en
                        levensbeschouwelijk vormingsonderwijs”.</al><al/><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al><onderstreept>Aanhef van de verordening</onderstreept></al><al>In de Wet op het basisonderwijs wordt gesproken van: “levensbeschouwelijk
                        vormingsonderwijs” naast “godsdienstonderwijs”. Deze aanduiding wordt dan
                        ook gehanteerd.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>Lid 1. Het basisonderwijs telt acht leerjaren. De drie hoogste leerjaren
                        zijn dus het zesde, zevende en achtste.</al><al>Lid 2. Deze mogelijkheid is vooral opgenomen ten behoeve van de kleine
                        basisscholen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>Momenteel bedraagt de vergoeding ¦ 549,-- per wekelijks lesuur per
                        jaar.</al><al>Uitgaande van 40 schoolweken per jaar betekent dit ¦ 549,-- : 40 = ¦ 13,73
                        per lesuur.</al><al>De voorgestelde verhoogde subsidie per wekelijks lesuur per jaar is ¦ 776,--
                        (per lesuur is dit dus ¦ 776,-- : 40 = ¦ 19,40).</al><al>Dit laatstgenoemde bedrag komt overeen met 60% van het bij algemene
                        maatregel van bestuur vastgestelde salaris voor een groepsleerkracht,
                        werkzaam aan scholen voor basisonderwijs, een en ander naar het maximum van
                        schaal 7.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>Het is reëel een minimum aantal leerlingen aan te houden van 10 per groep.
                        In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders afwijking toestaan,
                        onder door hen te stellen voorwaarden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Hierin wordt de procedure aangegeven hoe de verschillende instanties de
                        beschikking krijgen over de subsidiebedragen.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>