<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR148483_8</dcterms:identifier><dcterms:title>Leidraad invordering gemeentelijke belastingen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Epe</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Epe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Veluws Nieuws, 24-02-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Leidraad invordering gemeentelijke belastingen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Geen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-02-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-02-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>8e wijziging: art. 1.1.1, 1.1.2, 1.1.5, 7a.2, 19.3.3, 19.3.3a, 22.8.9, 25.5.6, 26.2.10, 26.2.11, 26.2.12, 26.2.13a, 26.2.15, 26.2.16, 26.2.19, 26.2.20, 27, 27.8, 28c, 62bis, 69</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015-04958</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1. geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>1e wijziging betrof besluit nummer 2010-29096 van 03-12-2010. Gepubliceerd op 14-12-2010 in het Veluws Nieuws en in werking getreden op 16-12-2010.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Leidraad invordering gemeentelijke belastingen
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            <vet>HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>Gelezen het voorstel aan het college nr. 2009-64859</al>
          <al>Gelet op de in de belastingverordeningen geboden mogelijkheid om nadere
                        regels te stellen;</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>BESLUIT</vet>
          </al>
          <al>Vast te stellen de volgende Leidraad invordering gemeentelijke
                        belastingen.</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Inleiding en toepassingsgebied</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel bevat de inleiding van de Leidraad Invordering gemeentelijke
                            belastingen en het beleid over het toepassingsgebied zoals opgenomen in
                            artikel 1 van de Invorderingswet 1990.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>1.1.Inleiding</vet>
          </al>
          <al>Voor u ligt de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen. Deze
                            Leidraad vervangt de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen
                            gemeente Epe van 16 februari 2005. </al>
          <al>Net als de Leidraad Invordering 2008 van het Rijk (hierna:
                            Rijksleidraad) bevat de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen
                            enkel beleidsregels. Werkinstructies zijn niet opgenomen. Dit is het
                            grote verschil tussen de ‘oude’ en de ‘nieuwe’ Leidraad. In de Leidraad
                            zijn enkele inhoudelijke wijzigingen verwerkt. Deze zijn in de bijlage
                            bij de beslisnota toegelicht.</al>
          <al>Bij de opmaak van de gemeentelijke leidraad is aansluiting gezocht bij
                            de Rijksleidraad. Het is echter geen kopie. Daar waar noodzakelijk
                            hebben wij bepalingen toegevoegd of aangepast aan de gemeentelijke
                            situatie. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet> Opzet van de Leidraad</vet>
          </al>
          <al>Voor de indeling in artikelen en subartikelen is aangesloten bij
                            Rijksleidraad. Sommige artikelen uit de Invorderingswet 1990 en
                            onderdelen van de Rijksleidraad treft u echter niet aan. Reden hiervoor
                            is dat deze onderdelen en artikelen niet van toepassing zijn voor de
                            gemeente. Bij diverse artikelen en onderdelen treft u dan ook de
                            opmerking aan: ‘Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente’.
                            Dit hebben wij gedaan om de nummering van de originele Rijksleidraad
                            niet te veranderen. De (halfjaarlijkse) wijzigingen van het Ministerie
                            van Financiën kunnen dan sneller gevonden en veranderd worden. </al>
          <al>Vanwege de leesbaarheid gebruiken wij in deze leidraad het begrip
                            ‘ontvanger’ in plaats van de wettelijke term ‘gemeenteambtenaar belast
                            met de invordering van gemeentelijke belastingen’. Om dezelfde reden
                            wordt in deze leidraad het begrip ‘inspecteur’ gebruikt in plaats van de
                            wettelijke term ‘gemeenteambtenaar belast met de heffing van
                            gemeentelijke belastingen’. In de andere gevallen hebben wij gekozen
                            voor de directe vertaling van (Rijks)belastingfunctionarissen naar de
                            lokale benamingen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Wie stelt de Leidraad binnen de gemeente vast?</vet>
          </al>
          <al>Uit de wet blijkt niet wie binnen de gemeente de Leidraad moet
                            vaststellen. De Rijksleidraad is vastgesteld door de staatssecretaris
                            van Financiën. Het betreft hier een bevoegdheid die intern door de
                            minister aan de staatssecretaris is overgedragen. Met de
                            inwerkingtreding van de aanpassingswetgeving derde tranche Algemene wet
                            bestuursrecht (1 januari 1998) wordt ‘de minister’ in de Gemeentewet
                            vertaald met 'het college'. Wij stellen ons op het standpunt dat de
                            Leidraad invordering gemeentelijke belastingen ertoe strekt het
                            invorderingsbeleid te formuleren en te formaliseren. De Leidraad moet
                            als zodanig worden vastgesteld door hetzij degene aan wie de bevoegdheid
                            is geattribueerd, dat is de gemeenteambtenaar belast met de invordering
                            van gemeentelijke belastingen (artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van
                            de Gemeentewet), hetzij degene onder wiens bestuursverantwoordelijkheid
                            de bevoegdheid wordt uitgeoefend. De vraag in dit verband is of het
                            college bestuursverantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van de
                            invordering of de gemeenteraad. Voor de gemeenteraad pleit dat dit
                            orgaan de regels vaststelt (de organisatieverordening) op grond waarvan
                            de aanwijzing van de gemeenteambtenaar belast met de invordering van
                            gemeentelijke belastingen moet plaatsvinden. </al>
          <al>De daadwerkelijke benoeming van de betrokken ambtenaar vindt echter
                            plaats door het college. Gelet op het voorgaande zouden zowel de
                            gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke
                            belastingen, het college als de gemeenteraad bevoegd zijn tot het
                            vaststellen van beleidsregels betreffende de invordering. Wel zouden
                            deze regels naar de mate waarin de afstand tot de uitvoering groter is,
                            zich meer moeten beperken tot algemene aanwijzingen en algemene
                            instructies. Alles afwegend gaat onze voorkeur uit naar het college als
                            het bestuursorgaan dat de Leidraad vaststelt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>1.1.1.Lijst met gebruikte afkortingen</vet>
          </al>
          <table>
            <tgroup cols="2">
              <colspec colname="col1" colwidth="29*"/>
              <colspec colname="col2" colwidth="71*"/>
              <tbody>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Afkorting</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Omschrijving</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Awb</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Algemene wet bestuursrecht</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Awir</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>AWR</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Algemene wet inzake rijksbelastingen</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>BW</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Burgerlijk Wetboek</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>FW</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Faillissementswet</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>MSNP</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>minnelijke schuldsanering natuurlijke personen</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Rv</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Sr</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Wetboek van Strafrecht</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Sv</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Wetboek van Strafvordering</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>WSF</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Wet Studiefinanciering 2000</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>WSNP</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>wettelijke schuldsanering natuurlijke personen</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Pw</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Participatiewet</al>
                  </entry>
                </row>
              </tbody>
            </tgroup>
          </table>
          <al>
            <vet>1.1.2.Definities</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>belasting(en)</vet>: belastingen die door de gemeente worden
                            geheven; </al>
          <al>
            <vet>belastingdeurwaarder</vet>: de daartoe door het college aangewezen
                            gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel e, van
                            de Gemeentewet;</al>
          <al>
            <vet>besluit </vet>(het): het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet
                            1990;</al>
          <al>
            <vet>college</vet>:het college van burgemeester en wethouders van
                            de gemeente; </al>
          <al>
            <vet>echtgenoot</vet>: de echtgenoot, bedoeld in artikel 3 Pw</al>
          <al>
            <vet>inspecteur</vet>: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231,
                            tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, met inbegrip van de
                            ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de inspecteur; </al>
          <al>
            <vet>ondernemer</vet>: de belastingschuldige die een onderneming drijft
                            of zelfstandig een beroep uitoefent;</al>
          <al>
            <vet>ontvanger</vet>: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231,
                            tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet, met inbegrip van de
                            ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de ontvanger; </al>
          <al>
            <vet>particulier</vet>: de belastingschuldige die niet als ondernemer
                            wordt aangemerkt; </al>
          <al>
            <vet>regeling</vet> (de): de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990; </al>
          <al>
            <vet>wet</vet> (de): de wet van 30 mei 1990 op de invordering van
                            rijksbelastingen (Invorderingswet 1990).</al>
          <al>Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt hetzelfde
                            verstaan als de wet daaronder verstaat.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>1.1.3.Reikwijdte beleidsvoorschriften</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>1.1.4.Aansprakelijkgestelden en andere derden</vet>
          </al>
          <al>De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere
                            derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de
                            invordering met betrekking tot belastingschuldigen. </al>
          <al>Omwille van de leesbaarheid is vermeden steeds de aansprakelijkgestelden
                            en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de
                            toepasselijkheid van die voorschriften te beperken.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>1.1.5. Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur</vet>
          </al>
          <al>Bij de invordering wordt zoveel mogelijk gehandeld in overeenstemming
                            met de Awb, ondanks het feit dat artikel 3:40, titels 4.1 tot en met
                            4.3, artikel 4:125, titel 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1
                            Awb niet van toepassing zijn op de wet. </al>
          <al/>
          <al>Dit betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb inclusief de
                            mogelijkheden tot verlenging van toepassing zijn, tenzij de wet, de
                            regeling of deze leidraad anders bepaalt. Voor beschikkingen op aanvraag
                            geldt daarom een termijn van acht weken met de mogelijkheid hiervan af
                            te wijken door een redelijke termijn te noemen (zie artikel 4:13, 4:14
                            en 4:15 Awb).</al>
          <al/>
          <al>Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een verdagingstermijn van
                            maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk
                            overleg (artikel 7:10 Awb). Voor het beslissen op beroepschriften bij
                            administratief beroep geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken
                            en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel
                            7:24 Awb).</al>
          <al/>
          <al>Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet
                            voor de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig beslissen (artikel
                            4:17 Awb). Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de
                            dwangsom uitsluitend van toepassing is op de volgende gevallen:</al>
          <al>- bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld in
                            artikel 30, eerste lid, van de wet; </al>
          <al>- bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als bedoeld
                            in artikel 49, eerste lid, van de wet; </al>
          <al>- bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van
                            de Kostenwet invordering rijksbelastingen; en </al>
          <al/>
          <al>Een andere bepaling uit de Awb die van toepassing is bij invordering is
                            artikel 4:84 Awb. Op grond van die bepaling is het mogelijk af te wijken
                            van de beleidsregels zoals die zijn opgenomen in deze leidraad. Dit is
                            gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer
                            belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere
                            omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de
                            leidraad dient.</al>
          <al/>
          <al>Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het
                            afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van
                            het gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk
                            bijzondere omstandigheden op grond waarvan onverkorte toepassing van de
                            leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit
                            criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld
                            in artikel 3:4 Awb.</al>
          <al/>
          <al>Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de
                            ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk
                            bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke
                            handelingen (beslag, executoriale verkoop en dergelijke). Dit betekent
                            onder meer dat als de belastingschuldige aannemelijk heeft gemaakt dat
                            er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een onherroepelijk
                            geworden belastingaanslag, de ontvanger desgevraagd de belastingaanslag
                            marginaal toetst. Wanneer bij de marginale toetsing blijkt dat een</al>
          <al>belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht,
                            neemt de ontvanger voor een dergelijke aanslag geen
                            invorderingsmaatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet
                            alleen dwangmaatregelen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel,
                            maar ook de verrekening met belastingteruggaven begrepen. Genomen
                            invorderingsmaatregelen draait de ontvanger zoveel mogelijk terug.
                            Uitgangspunt hierbij is dat de marginale toetsing zich beperkt tot
                            feiten die de ontvanger bekend zijn op het moment dat hij tot
                            invordering overgaat. De verrekening van een belastingaanslag waarvan is
                            gebleken dat die in materiële zin niet verschuldigd is met een
                            belastingteruggave wordt niet ongedaan gemaakt, tenzij het verzoek
                            daartoe heeft plaatsgevonden binnen één maand nadat de verrekening is
                            bekendgemaakt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>1.1.6.Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen</vet>
          </al>
          <al>Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de
                            eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor de gemeente de
                            voorkeur.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>1.1.7.Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger invorderingsmaatregelen wil treffen die het
                            voortbestaan kunnen bedreigen van een bedrijf met meer dan vijftig
                            werknemers, dan vraagt hij daartoe toestemming van het college. Onder
                            een bedrijf wordt in dit verband ook verstaan een geheel van bij elkaar
                            behorende bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep.</al>
          <al>Beslaglegging hoeft niet het hiervoor bedoelde effect te hebben, als de
                            ontvanger op een zodanige wijze kan handelen dat derden daarvan geheel
                            onwetend blijven.</al>
          <al/>
          <al> De ontvanger vraagt altijd toestemming als:</al>
          <al>- met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van) de
                            activa van het bedrijf wordt beoogd; </al>
          <al>- door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of
                            nagenoeg geheel worden vastgelegd; </al>
          <al>- derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds het
                            geval is bij derdenbeslag; </al>
          <al>- de ontvanger aan een schuldeiser zodanige inlichtingen omtrent
                            openstaande belastingaanslagen verstrekt, dat deze kunnen dienen als
                            steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement door die
                            schuldeiser.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>1.1.8.Voor de invordering minder geschikte dagen</vet>
          </al>
          <al>Onverminderd het bij of krachtens artikel 15, eerste lid, aanhef en
                            onderdeel e, en artikel 18 van de wet doet de deurwaarder geen exploten
                            of verricht geen executiehandelingen tussen 20.00 uur ’s avonds en 07.00
                            uur ’s ochtends, op een zondag en op een algemeen erkende feestdag,
                            behalve na een daartoe strekkend verlof van de voorzieningenrechter. In
                            aanvulling hierop geldt dat de ontvanger geen invorderingsmaatregelen
                            treft op Goede Vrijdag.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen particulieren
                            op dagen die daarvoor minder geschikt kunnen worden geacht, als die
                            maatregelen zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden
                            verschoven.</al>
          <al>Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover sprake is
                            van invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op bezittingen die tot
                            de privésfeer kunnen worden gerekend. De terughoudendheid geldt niet als
                            de ontvanger een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid
                            van de wet terstond invordert.</al>
          <al/>
          <al>Voor invordering minder geschikte dagen zijn met name:</al>
          <al>- landelijk of regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen met
                            inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag</al>
          <al>- de dagen tussen Kerst en Nieuwjaar</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>1.1.9.Binnenkomst van bescheiden</vet>
          </al>
          <al>Als aan het indienen van bepaalde bescheiden rechtsgevolgen zijn
                            verbonden dan wel rechten kunnen worden ontleend dan geldt als datum van
                            binnenkomst van die stukken de datum van binnenkomst bij de
                            gemeente.</al>
          <al/>
          <al>Als de ontvanger in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen
                            heeft genomen ter invordering van de belastingschuld, dan blijven deze
                            gehandhaafd als hij niet van de indiening op de hoogte was en er
                            redelijkerwijs ook niet van op de hoogte kon zijn. Onder
                            dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan: alle maatregelen
                            in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs
                            civielrechtelijke weg, en het aansprakelijk stellen van derden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>1.1.10.Positie belastingdeurwaarder</vet>
          </al>
          <al>Belastingdeurwaarder is een door of namens het college aangewezen
                            ambtenaar van de gemeente, dan wel een als belastingdeurwaarder van de
                            gemeente aangewezen deurwaarder. In de uitoefening van zijn functie is
                            de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb, dan wel
                            handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de
                            ontvanger).</al>
          <al>Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij gebruikt
                            zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid
                            is verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen
                            niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die hij met die
                            handelingen dient.</al>
          <al/>
          <al> Om misverstanden te voorkomen, meldt de belastingdeurwaarder steeds in
                            welke hoedanigheid hij optreedt en hij legitimeert zich desgevraagd. Op
                            grond van artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder verboden
                            om hetgeen hem over de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt
                            meegedeeld - in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in
                            verband daarmee - verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering
                            van de wet of voor de heffing van enige rijksbelasting.</al>
          <al/>
          <al>De leiding van de invordering berust steeds in handen van de ontvanger.
                            Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de bevoegdheden die
                            hij rechtstreeks ontleent aan de wet en aan het Wetboek van Burgerlijke
                            Rechtsvordering, slechts uitoefent nadat hij daartoe een opdracht van de
                            ontvanger heeft verkregen en zich bij de uitoefening van die
                            bevoegdheden houdt aan diens aanwijzingen.</al>
          <al/>
          <al>Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om een klacht in
                            te dienen over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich jegens hem
                            of een ander heeft gedragen. Klachten in verband met zijn
                            ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij de ontvanger in wiens
                            opdracht en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder
                            werkzaam is.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>1.1.11.Bewaren invorderingsbescheiden</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de
                            invordering gedurende drie jaar na afdoening, of zoveel langer als het
                            recht tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten
                            grondslag ligt nog niet is verjaard.</al>
          <al/>
          <al>De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende
                            ten minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel
                            langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun
                            belang definitief hebben verloren.</al>
          <al/>
          <al>Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde
                            belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste drie jaar
                            bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden
                            aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>1.1.12.Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen</vet>
          </al>
          <al>Op verzoek van de belastingschuldige of zijn gemachtigde geeft de
                            ontvanger een verklaring af, dat op dat moment geen belastingaanslagen
                            of andere vorderingen openstaan waarvan de invordering aan de ontvanger
                            is opgedragen. Tevens verklaart de ontvanger desgevraagd dat zich in het
                            verleden - voor wat betreft de invordering - geen moeilijkheden hebben
                            voorgedaan. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden
                            vermelden.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belastingschuldige
                            of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de
                            belastingschuldige blijft achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan
                            heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd
                            is.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>1.1.13.Informatieplicht</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger maakt van de bevoegdheden van hoofdstuk VII van de wet
                            enkel gebruik bij een betalingsachterstand, dat wil zeggen als niet is
                            betaald binnen de betalingstermijn(en) die voor de belastingaanslag
                            gelden. De informatieplicht vervalt zodra volledige betaling
                            plaatsvindt. </al>
          <al>De ontvanger kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van hoofdstuk
                            VII als de toepassing van artikel 10 van de wet aan de orde kan
                            komen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>1.1.14.Diplomatieke status</vet>
          </al>
          <al>De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke
                            status gebeurt door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken.
                            De ontvanger richt een verzoek om bemiddeling rechtstreeks tot:</al>
          <al>Ministerie van Buitenlandse Zaken</al>
          <al>Directie Kabinet en Protocol</al>
          <al>Postbus 20061</al>
          <al>2500 EB 's-Gravenhage</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>1.2.Toepassingsgebied</vet>
          </al>
          <al>
            <cursief>Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het
                                toepassingsgebied van de wet. Het tweede lid bepaalt dat een deel
                                van de Awb niet van toepassing is op de wet.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>De ontvanger handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb (zie
                            ook artikel 1.1.5 van deze leidraad).</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Begrippen</titel>
          </kop>
          <al>In aansluiting op artikel 2 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over het begrip 'woonplaats'.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>2.1. Woonplaats</vet>
          </al>
          <al>De begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' hebben bij de
                            uitvoering van de wet niet steeds dezelfde inhoud.</al>
          <al/>
          <al>Als het gaat om de betekening van stukken of om andere handelingen
                            overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, sluit de
                            ontvanger aan bij het begrip 'woonplaats' als bedoeld in de artikelen
                            1:10 en volgende van het BW.</al>
          <al/>
          <al>Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van Afdeling 1 van Hoofdstuk VI van
                            de wet ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de begrippen
                            'woonplaats' en 'plaats van vestiging' die gelden voor de gemeentelijke
                            verordening op grond waarvan de belastingschuld - waarvoor de
                            aansprakelijkheid bestaat - is ontstaan.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Bevoegdheden ontvanger</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Artikel 3 van de wet geeft een afbakening van de bevoegdheden
                                van de ontvanger.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>De bepalingen van deze leidraad zijn zoveel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing op de invordering op civielrechtelijke
                                wijze.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>De ontvanger treedt in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit
                                de uitoefening van zijn taak als zodanig in rechte
                            op.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 3 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over:</al>
          <al>- de fiscale en civiele bevoegdheden van de ontvanger;</al>
          <al>- het leggen van conservatoir beslag;</al>
          <al>- het vragen van toestemming bij gerechtelijke procedures;</al>
          <al>- Faillissementsaanvraag.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>3.1. Fiscale en civiele bevoegdheden</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger beschikt op grond van de wet over diverse specifieke
                            bevoegdheden om een belastingschuld in te vorderen. Daarnaast heeft hij
                            alle bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een
                            schuldeiser toekomen. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de ontvanger
                            zowel gebruik kan maken van zijn specifieke fiscale bevoegdheden, als
                            van zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden om zijn doel te
                            bereiken.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger is vrij in de keuze van de invorderingsinstrumenten die hij
                            het meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Als
                            de ontvanger het wenselijk of noodzakelijk acht van fiscale bevoegdheden
                            over te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, dan
                            doet hij dit alleen als het belang van de invordering opweegt tegen de
                            belangen van de belastingschuldige en eventuele derden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>3.2. Conservatoir beslag</vet>
          </al>
          <al>Om de rechten van de gemeente veilig te stellen heeft de ontvanger naast
                            de versnelde invordering de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen.
                            Feiten en omstandigheden bepalen de keuze van de ontvanger.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>3.2.1. Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde
                                invordering</vet>
          </al>
          <al>Als de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent
                            tot het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor
                            verduistering van de goederen niet aanwezig acht, dan legt de ontvanger
                            niet alsnog om dezelfde reden executoriaal beslag op grond van de
                            artikelen 10 en 15 van de wet.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>3.2.2. Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag</vet>
          </al>
          <al>Als het niet mogelijk is eerst een belastingaanslag op te leggen, vraagt
                            de ontvanger slechts verlof om conservatoir beslag te leggen aan de
                            voorzieningenrechter als de belasting in redelijkheid materieel
                            verschuldigd geacht mag worden. Het opleggen van de belastingaanslag
                            wordt beschouwd als het instellen van een eis in de hoofdzaak als
                            bedoeld in artikel 700, derde lid Rv.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>
              <vet>3.3. Gerechtelijke procedures -
                                toestemming</vet>
            </cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>3.3.1 Juridische bijstand</vet>
          </al>
          <al>Op grond van artikel 3, derde lid, van de wet treedt de ontvanger
                            zelfstandig in rechte op in rechtsgedingen die voortvloeien uit de
                            uitoefening van zijn taak. Hij voorziet zich daarbij in alle gevallen
                            van procesvertegenwoordiging, met uitzondering van:</al>
          <al>- beroepsprocedures op grond van artikel 26 AWR;</al>
          <al>- hoger beroepsprocedures op grond van artikel 27h AWR;</al>
          <al>- (hoger) beroepsprocedures op grond van artikel 7 Kostenwet invordering
                            rijksbelastingen;</al>
          <al>- kantonzaken;</al>
          <al>- kort gedingprocedures, indien de ontvanger gedaagde is. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>3.3.2 Toestemming</vet>
          </al>
          <al>In gerechtelijke procedures waarin de ontvanger als eiser optreedt, moet
                            hij toestemming hebben van het college. Behalve voor in hoger beroep te
                            voeren zaken geldt het voorgaande niet voor:</al>
          <al>- verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen;</al>
          <al>- kantonzaken;</al>
          <al>- verzoekschriftprocedures;</al>
          <al>- aansprakelijkheidsprocedures;</al>
          <al>- procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex
                            artikel 435, derde lid of artikel 708, tweede lid, Rv.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>3.4. Rijksadvocaat</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>3.5. Faillissementsaanvraag</vet>
          </al>
          <al>Als een belastingschuldige verkeert in de toestand dat hij ophoudt met
                            betalen (artikel 1 FW) kan de ontvanger het faillissement aanvragen. De
                            ontvanger is zelfstandig in het nemen van deze beslissing. Dit geldt ook
                            bij een eventuele steunvordering voor het aanvragen van een
                            faillissement.</al>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3a</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al>Er zijn in deze leidraad op artikel 3a van de wet geen beleidsregels
                            gemaakt. </al>
          <al/>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Bevoegdheid belastingdeurwaarder</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>A</cursief>
            <cursief>rtikel 4 van de wet bepaalt dat voor het
                                verrichten van deurwaarderswerkzaamheden in opdracht van een
                                ontvanger voor de invordering van belastingen, uitsluitend een
                                belastingdeurwaarder bevoegd is.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 4 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over de reikwijdte van die bevoegdheid.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>4.1. Reikwijdte</vet>
            <vet> bevoegdheid
                            belastingdeurwaarder</vet>
          </al>
          <al>De belastingdeurwaarder is bevoegd tot het uitbrengen van alle exploten
                            en het treffen van alle invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband
                            houden met de invorderingstaak en de hieruit voortvloeiende bevoegdheden
                            van de ontvanger.</al>
          <al/>
          <al>Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot
                            die werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs
                            civielrechtelijke weg, waartoe de ontvanger op grond van artikel 4:124
                            van de Awb gerechtigd is en tot die werkzaamheden die verricht moeten
                            worden, wanneer de ontvanger zelfstandig eisend en verwerend in rechte
                            optreedt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>4.2. Bescherming</vet>
          </al>
          <al>Belastingdeurwaarders zijn ambtenaar in de zin van de artikelen 179 en
                            180 Sr. Daardoor genieten zij strafrechtelijke bescherming, voor zover
                            zij hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>4.3. Legitimatie</vet>
          </al>
          <al>Voor de uitoefening van de aan hem opgedragen invorderingstaken kan de
                            belastingdeurwaarder op verzoek zich legitimeren aan de
                            belastingschuldige en/of zijn/haar gemachtigden.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al>Er zijn in deze leidraad op artikel 5 van de wet geen beleidsregels
                            gemaakt.</al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Reikwijdte van de wet</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Artikel 6 van de wet bepaalt dat de wet ook van toepassing is
                                op</cursief>
            <cursief>:</cursief>
          </al>
          <al>- de rente;</al>
          <al>- de kosten.</al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 6 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over rente en kosten.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>6.1. Rente en kosten</vet>
            <vet> in het kader van de reikwijdte van
                                de wet</vet>
          </al>
          <al>Onder rente als bedoeld in artikel 6 van de wet wordt alleen verstaan:
                            de invorderingsrente.</al>
          <al>Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet
                            invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening
                            worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die zijn verbonden aan
                            de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering
                            langs civielrechtelijke weg.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Betaling en afboeking</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Artikel 7 van de wet schrijft voor hoe de toerekening van
                                betalingen plaats moet vinden:</cursief>
          </al>
          <al>- Lid 1 bepaalt dat toerekening van betalingen achtereenvolgens gebeurt
                            aan de kosten, de betalingskorting, de rente en de
                            belastingaanslag;</al>
          <al>- Lid 2 bepaalt hoe de afboeking aan de verschillende componenten van de
                            belastingaanslag plaatsvindt.</al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 7 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over:</al>
          <al>- het tijdstip van de betaling;</al>
          <al>- de afboeking van de betaling;</al>
          <al>- teveelbetalingen;</al>
          <al>- het rekenen van rente en kosten bij afboeking;</al>
          <al>- het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen;</al>
          <al>- de afboeking van de betaling op de bestuurlijk boete;</al>
          <al>- de afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden;</al>
          <al>- betaling bij vergissing; </al>
          <al>- het verzenden van een mededeling bij een afboeking van een
                            betaling;</al>
          <al>- betaling van kleine bedragen;</al>
          <al>- ontvangen bedragen uit de wettelijke saneringsregeling en
                            faillissement.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>7.1. Tijdstip betaling</vet>
          </al>
          <al>- Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de
                            rekening van de gemeente;</al>
          <al>- Bij betaling door middel van storting van contant geld of door middel
                            van storting met een pinpas, geldt als tijdstip van betaling de eerste
                            werkdag volgend op de dag van de storting of pin-transactie;</al>
          <al>- Bij betaling door middel van een pin- of creditcardtransactie geldt de
                            dag van de pin- of creditcardtransactie als tijdstip van betaling;</al>
          <al>-Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van
                            ontvangst van de cheque als de dag van betaling beschouwd, tenzij de
                            ontvanger constateert dat sprake is van misbruik;</al>
          <al>- Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het bedrag
                            aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling;</al>
          <al>- Bij betaling aan de belastingdeurwaarder geldt de dag waarop het
                            bedrag aan de belastingdeurwaarder is betaald als tijdstip van
                            betaling.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>7.2. De afboeking van de betaling</vet>
          </al>
          <al>Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen:</al>
          <al>- Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt
                            overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven bestemming
                            strijdig is met de in artikel 7 van de wet neergelegde wijze van
                            toerekening van betalingen; </al>
          <al>- Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde
                            ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de meest bezwarende
                            openstaande belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die
                            belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken;</al>
          <al>- Als de ontvanger ook de invordering van gemeentelijke belastingen ten
                            behoeve van een andere gemeente uitvoert, is het bovenstaande van
                            overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verdeling van de
                            gelden naar rato van de grootte van de belastingschuld plaatsvindt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>7.3. Teveelbetaling</vet>
          </al>
          <al>Als de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag
                            betreft die al is betaald terwijl nog diverse andere belastingaanslagen
                            openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en
                            dienovereenkomstig behandeld.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>7.4. Rente en kosten bij afboeking betalingen</vet>
          </al>
          <al>Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet
                            invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening
                            worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan
                            de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering
                            langs civielrechtelijke weg.</al>
          <al/>
          <al>Onder rente als bedoeld in artikel 7 van de wet wordt alleen verstaan:
                            de invorderingsrente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>7.5. Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen</vet>
          </al>
          <al>Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag
                            worden toegerekend aan een van de belastingaanslagen waarvoor de kosten
                            zijn gemaakt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>7.6. </vet>
            <vet>Afboeking betaling bestuurlijke boete waarvoor
                                uitstel van betaling is verleend</vet>
          </al>
          <al>Als sprake is van een belastingaanslag en een in verband met die aanslag
                            vastgestelde bestuurlijke boete, vindt toerekening uitsluitend plaats
                            aan de belasting, als voor de betaling van de bestuurlijke boete uitstel
                            van betaling is verleend in verband met een ingediend bezwaarschrift of
                            beroepschrift (in hoger beroep).</al>
          <al/>
          <al>Als echter - ondanks dit uitstel - zoveel wordt betaald dat er na
                            afboeking op de belasting nog een bedrag overblijft, dan wordt dit
                            bedrag afgeboekt op de bestuurlijke boete. Als op de bestuurlijke boete
                            is afgeboekt en de bestuurlijke boete wordt alsnog aangevochten, dan
                            blijven de afboekingen gehandhaafd.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>7.7. Afboeking van betalingen door
                            aansprakelijkgestelden</vet>
          </al>
          <al>Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde, worden
                            eerst de vervolgingskosten afgeboekt die aan de aansprakelijkgestelde
                            zelf in rekening zijn gebracht. Het resterende bedrag wordt afgeboekt op
                            de onderliggende belastingaanslag - waarbij artikel 7 van de wet wel van
                            toepassing is - echter met dien verstande dat de invorderingsrente en
                            kosten die op die aanslag zelf betrekking hebben alleen worden afgeboekt
                            indien en voor zover men hiervoor aansprakelijk is gesteld.</al>
          <al/>
          <al>Zowel de belastingschuldige als de aansprakelijkgestelde worden
                            schriftelijk in kennis gesteld over de wijze van afboeking van de
                            betaling door de aansprakelijkgestelde.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>7.8. Betaling bij vergissing</vet>
          </al>
          <al>Met de terugbetaling van een bedrag dat is voldaan ten gevolge van een
                            evidente vergissing of misverstand aan de zijde van de betaler, wordt
                            bijzondere voorzichtigheid betracht.</al>
          <al/>
          <al>Het is zeer wel mogelijk dat de betaling niet onverschuldigd heeft
                            plaatsgehad, zodat de schuldvordering is tenietgegaan en invordering
                            niet zonder meer opnieuw kan plaatshebben.</al>
          <al/>
          <al>In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald, tenzij voor
                            de ontvanger wordt verklaard dat geen beroep zal worden gedaan op het
                            feit dat de schuld in een eerder stadium teniet is gegaan en dat de
                            schuld te gelegener tijd op juiste wijze zal worden voldaan.</al>
          <al/>
          <al>Indien een bedrag wordt betaald als gewetensgeld, wordt dit gezien als
                            het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Terugbetaling vindt dan
                            niet plaats.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>7.9. Mededeling afboeking</vet>
            <vet> betaling</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger stelt de belastingschuldige van de afboeking van een
                            betaling waarbij invorderingsrente in rekening is gebracht schriftelijk
                            op de hoogte, tenzij het een slotbetaling betreft op een
                            belastingaanslag waarbij geen rente worden afgeboekt.</al>
          <al/>
          <al>Een kennisgeving blijft in overige gevallen achterwege.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>7.10. Betaling van kleine bedragen</vet>
          </al>
          <al>Betalingen van belastingaanslagen in kleinere bedragen dan die van de
                            termijnen worden niet geweigerd, tenzij dit door ontvanger aangemerkt
                            wordt als nodeloze overlast. In dat geval treedt hij in contact met de
                            belastingschuldige om de betalingswijze aan te passen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>7.11. Ontvangen bedragen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling
                                en faillissement</vet>
          </al>
          <al>Uit de wettelijke schuldsaneringsregeling of uit een faillissement
                            ontvangen bedragen dienen steeds te worden afgeboekt overeenkomstig de
                            gegevens van de uitdelingslijst, met in achtneming van artikel 7.2 van
                            deze leidraad.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7a</nr>
            <titel>Uitbetaling van belastingteruggaven</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Artikel 7a van de wet regelt de wijze waarop de ontvanger
                                bedragen uitbetaalt.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Op grond van artikel 4:89, eerste lid, Awb dient een schuldenaar te
                            betalen op een daartoe door de schuldeiser bestemde bankrekening. Het
                            komt in de praktijk echter regelmatig voor dat een belastingschuldige
                            aan wie de ontvanger een bedrag moet betalen, geen bankrekening(nummer)
                            heeft aangewezen waarop de betaling moet plaatsvinden. Wanneer zich een
                            dergelijke situatie voordoet, regelt artikel 7a van de wet dat de
                            ontvanger betaalt op een bankrekening die op naam van de
                            belastingschuldige staat.</al>
          <al>In aansluiting op artikel 4:89 Awb en artikel 7a van de wet beschrijft
                            dit artikel het beleid over:</al>
          <al>- de aanwijzing van het rekeningnummer voor uitbetaling;</al>
          <al>- uitbetalingsfouten.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7a.1</nr>
            <titel>Aanwijzen rekeningnummer voor uitbetaling</titel>
          </kop>
          <al>De aanwijzing door de belastingschuldige vindt in beginsel plaats op het
                            verzoek in verband waarmee het desbetreffende uit te betalen bedrag
                            wordt vastgesteld. Als de belastingschuldige niet reageert op het
                            schriftelijk ter verificatie aanbieden van het bij de gemeente bekende
                            bankrekeningnummer door de gemeente, geldt dit ook als aanwijzing.</al>
          <al/>
          <al>Als de belastingschuldige bij een volgende gelegenheid met betrekking
                            tot hetzelfde belastingmiddel en hetzelfde soort uit te betalen bedrag
                            een ander bankrekeningnummer aanwijst, dan wordt laatstbedoeld
                            bankrekeningnummer geacht ook te zijn aangewezen voor het doen van
                            uitbetalingen voortvloeiend uit eerdere aangiften of verzoeken.</al>
          <al/>
          <al>Aanwijzing moet voor het overige per uitbetaling schriftelijk
                            plaatsvinden en wel op een zodanig tijdstip, dat daarmee redelijkerwijze
                            bij de uitbetaling rekening kan worden gehouden.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7a.2</nr>
            <titel>Uitbetalingsfouten</titel>
          </kop>
          <al>Als uitbetaling van een uit te betalen bedrag plaatsvindt op een andere
                            rekening van de belastingschuldige dan die daarvoor door hem is
                            aangewezen, dan moet de ontvanger in beginsel opnieuw uitbetalen. De
                            ontvanger verbindt daaraan de voorwaarde dat het eerder betaalde bedrag
                            eerst wordt gerestitueerd.</al>
          <al/>
          <al>In afwijking van de vorige volzin vindt hernieuwde uitbetaling direct
                            plaats als de belastingschuldige aantoont dat:</al>
          <al>- hij tijdig vóór de uitbetaling bij de ontvanger heeft aangegeven dat
                            de uitbetaling niet meer op de desbetreffende rekening moet geschieden,
                            en</al>
          <al>- hij niet over het uitbetaalde bedrag kan beschikken omdat de
                            bankinstelling heeft aangegeven dat de rekening waarop de uitbetaling
                            heeft plaatsvonden, geblokkeerd is.</al>
          <al/>
          <al>Indien en voor zover aan de daartoe gestelde (wettelijke) voorwaarden
                            wordt voldaan, zal de ontvanger het aldus teveel betaalde bedrag
                            vervolgens terugvorderen uit ongerechtvaardigde verrijking.</al>
          <al/>
          <al>Uitbetalingfouten die het gevolg zijn van de aanwijzing door de
                            belastingschuldige van een niet op zijn naam staande bankrekening,
                            blijven voor diens rekening. De ontvanger beroept zich in dat geval op
                            het bevrijdende karakter van de (uit)betaling (artikel 6:34 BW).
                            Desgevraagd wordt de belastingschuldige op de hoogte gesteld omtrent de
                            naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de derde aan wie onverschuldigd
                            is betaald.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Bekendmaking aanslag</titel>
          </kop>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 8 van de wet regelt dat de ontvanger de
                                belastingaanslag bekend maakt door toezending of uitreiking aan de
                                belastingschuldige. De belastingschuldige is de belastingaanslag in
                                zijn geheel verschuldigd.</cursief>
          </al>
          <al>In aansluiting op artikel 8 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over:</al>
          <al>- de verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere
                            situaties;</al>
          <al>- de verzending van de aanslagbiljetten via PostNL;</al>
          <al>- de gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet;</al>
          <al>- het verzenden van een uitnodiging tot betaling aan erfgenamen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>8.1. Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere
                                situaties</vet>
          </al>
          <al>De toezending of uitreiking van het aanslagbiljet gebeurt aan de
                            belastingschuldige of aan zijn wettelijke vertegenwoordiger, met dien
                            verstande dat:</al>
          <al>- aanslagbiljetten ten name van een onder curatele gestelde aan de
                            curator worden gezonden;</al>
          <al>- ingeval van faillissement het aanslagbiljet aan de curator wordt
                            gezonden als de belastingschuld in het faillissement valt dan wel een
                            boedelschuld vormt;</al>
          <al>- als de belastingschuldige minderjarig is, het aanslagbiljet aan de
                            wettelijke vertegenwoordiger wordt gezonden als bekend is dat verzending
                            aan de belastingschuldige zelf al eerder problemen heeft
                            opgeleverd;</al>
          <al>- aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie bekend is
                            dat hij is overleden, worden gezonden aan de executeur, de bewindvoerder
                            over de nalatenschap of de erfgenamen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>8.2. </vet>
          </al>
          <al>Vervallen</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>8.3. Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag</vet>
            <vet> en
                                aanslagbiljet</vet>
          </al>
          <al>De gehoudenheid tot betalen wordt niet ongedaan gemaakt door de
                            omstandigheid dat de schuld vermeld op de belastingaanslag afwijkt van
                            hetgeen materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid dat de
                            belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die de
                            belasting materieel is verschuldigd.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>8.4. Vooraf uitnodigen erfgenamen</vet>
            <vet> tot betalen
                                belastingaanslag</vet>
          </al>
          <al>Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de
                            erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zoveel
                            mogelijk vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen een
                            redelijk termijn te voldoen.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7b</nr>
            <titel>Cessie- en verpandingsverbod uitbetalingen
                                inkomstenbelasting</titel>
          </kop>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Betalingstermijnen</titel>
          </kop>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 9 van de wet regelt binnen welke betalingstermijnen
                                belastingaanslagen moeten worden betaald.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 9 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over:</al>
          <al>- de afwijking van de betalingstermijnen bij voorlopige aanslagen;</al>
          <al>- de afwijking van de betalingstermijn bij voorlopige teruggaven;</al>
          <al>- de uitbetaling van een voorlopige teruggave in één termijn;</al>
          <al>- de dagtekening van het aanslagbiljet;</al>
          <al>- het begrip maand bij betalingstermijnen;</al>
          <al>- regeling betalingstermijnen;</al>
          <al>- automatische incasso.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>9.1. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige
                                aanslagen</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>9.2. </vet>
            <vet>Afwijking van de betalingstermijnen in geval van
                                voorlopige teruggaven</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>9.3. Uitbetaling voorlopige teruggave</vet>
            <vet> in één
                                termijn</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>9.4. Dagtekening</vet>
            <vet> aanslagbiljet</vet>
          </al>
          <al>De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig bepaald
                            dat de belastingschuldige het biljet enige dagen voor de dag van
                            dagtekening ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van
                            artikel 10 van de wet versnelde invordering wordt toegepast.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>9.5. Begrippen </vet>
            <vet>bij betalingstermijn</vet>
          </al>
          <al>Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op een maand of is
                            gesteld op zes weken, dan houdt dat in dat als de dagtekening van een
                            aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van een maand
                            vervalt op 30 november en de betalingstermijn van zes weken vervalt op
                            12 december.</al>
          <al>Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn van
                            een maand op 31 maart en de betalingstermijn van zes weken op 11 april,
                            tenzij het jaartal aangeeft dat het een schrikkeljaar is, in welk geval
                            de termijn vervalt op 28 maart dan wel 10 april. Is de dagtekening 29
                            februari, dan vervalt de betalingstermijn van een maand op 31 maart en
                            de betalingstermijn van zes weken op 11 april.</al>
          <al/>
          <al>Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de
                            laatste dag van de kalendermaand, vervalt de termijn een maand later
                            (bij een betalingstermijn van een maand) op de dag die hetzelfde nummer
                            heeft als dat van de dagtekening. Als de dagtekening bijvoorbeeld 15
                            maart is, vervalt de termijn dus op 15 april. Is de betalingstermijn zes
                            weken en is de dagtekening 15 maart, vervalt de termijn op 26
                            april.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>9.6. Verzuim ontvanger bij uitbetaling</vet>
          </al>
          <al>Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de wet wordt onder
                            het begrip ‘invorderen van rijksbelasting’ mede verstaan het betalen van
                            een terug te geven bedrag aan belastingen. Op grond van deze definitie
                            is de betalingstermijn voor een belastingaanslag zoals vastgelegd in de
                            gemeentelijke belastingverordening, of bij ontbreken daarvan in artikel
                            9, eerste lid, van de wet, ook van toepassing op de uitbetaling van een
                            belastingteruggaaf. Hieruit volgt dat de ontvanger niet in verzuim is
                            met de uitbetaling van een belastingteruggaaf zolang die binnen deze
                            betalingstermijn plaats vindt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>9.7. Regeling betalingstermijnen</vet>
          </al>
          <al>De gemeente heeft voor iedere belastingsoort de betalingstermijn(en) in
                            de belastingverordening geregeld. Is in de belastingverordening niets
                            geregeld, dan zijn de betalingstermijnen uit de wet van toepassing. In
                            aansluiting op artikel 9, tiende lid, van de wet wordt de Algemene
                            Termijnenwet in beide gevallen niet van toepassing verklaard.</al>
          <al>Op elke belastingaanslag wordt (worden) de betalingstermijn(en)
                            aangegeven. Uiterlijk op die datum moet de belastingschuldige de aanslag
                            (of het evenredige deel ervan bij meerdere termijnen) hebben
                            betaald.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>9.8. Automatische incasso</vet>
          </al>
          <al>Onder bepaalde voorwaarden en voor bepaalde belastingaanslagen is het
                            mogelijk de aanslag(en) te voldoen via een automatische incasso.
                            Hiervoor heeft het college een incassoreglement vastgesteld.</al>
          <al/>
          <al>Bij automatische incasso wordt de belastingschuldige afwijkende,
                            ruimere, betalingstermijnen toegestaan.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Versnelde invordering</titel>
          </kop>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 10, eerste lid, van de wet geeft een limitatieve
                                opsomming van bijzondere situaties waarin de ontvanger met
                                doorbreking van de in artikel 9 van de wet voorgeschreven
                                betalingstermijnen een belastingaanslag terstond en tot het volle
                                bedrag kan invorderen.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 10, tweede en derde lid, van de wet bevatten
                                uitzonderingsbepalingen met betrekking tot de toepassing van deze
                                versnelde invordering.</cursief>
          </al>
          <al>In aansluiting op artikel 10 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- de reikwijdte van de versnelde invordering;</al>
          <al>- de vrees voor verduistering;</al>
          <al>- het metterwoon verlaten van Nederland;</al>
          <al>- geen vaste woonplaats in Nederland;</al>
          <al>- als er al beslag ligt;</al>
          <al>- de verkoop namens derden;</al>
          <al>- de vordering ex artikel 19.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>10.1. Reikwijdte versnelde invordering</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger het in een specifiek geval noodzakelijk acht
                            daadwerkelijk tot versnelde invordering (als bedoeld in artikel 10 van
                            de wet) over te gaan, dan vermeldt hij op het uit te reiken of te
                            verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het
                            volle bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de ontvanger op het
                            aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet
                            op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat.</al>
          <al/>
          <al>Als versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is
                            uitgereikt of verzonden - maar voordat de belastingaanslag (geheel)
                            invorderbaar is - deelt de ontvanger de belastingschuldige schriftelijk
                            mee dat hij de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag
                            invorderbaar verklaart en dat de op het aanslagbiljet vermelde
                            betalingstermijnen niet meer gelden. Hij doet dit eveneens onder opgave
                            van het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond
                            waarvan hij tot versnelde invordering overgaat.</al>
          <al/>
          <al>Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde
                            dwanginvorderingsprocedure als bedoeld in artikel 15 van de wet, zodat
                            vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag terstond en tot het
                            volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de mogelijkheden van
                            mededeling behoort. In het laatste geval zal de betekening van het
                            dwangbevel overigens niet per post kunnen plaatsvinden. De
                            belastingdeurwaarder zal voordat tot de versnelde dwanginvordering als
                            bedoeld in artikel 15 van de wet wordt overgegaan - als sprake is van
                            direct contact met de belastingschuldige - deze eerst in de gelegenheid
                            stellen om onmiddellijk te betalen.</al>
          <al/>
          <al>Als versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend
                            - maar voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is
                            verstreken (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen) -
                            vermeldt de ontvanger op het beslagexploot of op een aparte
                            schriftelijke kennisgeving: artikel 15 in combinatie met artikel 10,
                            eerste lid, van de wet, gevolgd door het desbetreffende onderdeel.</al>
          <al/>
          <al>Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet
                            na het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de
                            tweedagentermijn die daarbij geldt nog niet is verstreken. Er hoeft geen
                            nieuw dwangbevel te worden betekend. De belastingschuldige wordt - als
                            sprake is van direct contact met laatstgenoemde - eerst in de
                            gelegenheid gesteld om onmiddellijk te betalen.</al>
          <al/>
          <al>Een belastingaanslag die op grond van artikel 10, eerste lid, van de wet
                            terecht geheel opeisbaar is geworden, blijft geheel opeisbaar ook al
                            zouden de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gevormd
                            zich niet langer voordoen. Op verzoek van de belastingschuldige verleent
                            de ontvanger in zo'n situatie altijd uitstel van betaling, welk uitstel
                            overeenkomt met de betalingstermijn(en) die normaal zou(den)
                            gelden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>10.2. Vrees voor verduistering en versnelde</vet>
            <vet>
                                invordering</vet>
          </al>
          <al>Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de
                            belastingschuldige als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b,
                            van de wet is sprake, als de ontvanger aannemelijk kan maken dat
                            redelijkerwijs te verwachten is dat niet alleen het verhaal op een
                            aantal goederen van de belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal
                            worden gemaakt, maar ook dat daardoor de verhaalbaarheid van de
                            belastingschuld in ernstig gevaar zal komen.</al>
          <al/>
          <al>De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen
                            van de belastingschuldige, maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan
                            door gedragingen van derden (bijvoorbeeld crediteuren), die aanleiding
                            geven voor de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet worden
                            gevreesd.</al>
          <al/>
          <al>Als verduistering wordt gevreesd van goederen waarvan na versnelde
                            beslaglegging blijkt dat deze uitsluitend van een derde zijn, is niet
                            voldaan aan artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet en is het
                            beslag niet rechtsgeldig. Het beslag hoeft dan niet formeel te worden
                            opgeheven maar de ontvanger moet de betrokkenen wel informeren over het
                            feit dat er geen beslag ligt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>10.3. Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde
                                invordering</vet>
          </al>
          <al>Naast het redelijke vermoeden van de ontvanger dat de belastingschuldige
                            van plan is Nederland metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van
                            vestiging naar een plaats buiten Nederland wil verplaatsen, moet de
                            ontvanger - alvorens de belastingaanslag op grond van artikel 10, eerste
                            lid, onderdeel c, van de wet dadelijk en tot het volle bedrag
                            invorderbaar te verklaren - er in redelijkheid van overtuigd zijn dat de
                            belastingaanslag na het verstrijken van de gebruikelijke
                            betalingstermijn niet meer verhaald kan worden op goederen van de
                            belastingschuldige die zich in Nederland bevinden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>10.4. Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde
                                invordering</vet>
          </al>
          <al>Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is
                            gevestigd, is op zich geen reden voor de ontvanger om de
                            belastingaanslag dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er
                            moet een situatie bestaan waarin de ontvanger er redelijkerwijs vanuit
                            kan gaan dat de belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden
                            voldaan en de belastingschuld niet in Nederland kan worden
                            verhaald.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>10.5. </vet>
            <vet>Beslag en versnelde invordering</vet>
          </al>
          <al>Nadat de ontvanger verhaalsbeslag heeft doen leggen op bepaalde
                            goederen, zijn andere belastingschulden van de belastingschuldige -
                            waaronder hier wordt verstaan alle schulden waarvan de invordering aan
                            de ontvanger is opgedragen - dadelijk en ineens invorderbaar.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>10.6. Verkoop namens derden en versnelde invordering</vet>
          </al>
          <al>Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke
                            invorderbaarheid pas ontstaan door de (aankondiging van de) executoriale
                            verkoop, zodat de ontvanger op deze grond niet eerder maatregelen kan
                            treffen dan op het moment dat redelijkerwijs vaststaat dat verkoop zal
                            plaatshebben.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>10.7. Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger mag geen vordering als bedoeld in artikel 19 van de wet
                            doen, enkel om te bereiken dat daardoor een belastingaanslag terstond en
                            tot het volle bedrag invorderbaar wordt.</al>
          <al/>
          <al>Als de ontvanger met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag een
                            vordering jegens een derde heeft gedaan en nadien worden andere
                            belastingaanslagen opgelegd, dan kunnen ook die aanslagen tot het volle
                            bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van die nieuwe
                            aanslagen nog niet zijn verstreken.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11</nr>
            <titel>Aanmaning</titel>
          </kop>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 11 van de wet regelt dat als een belastingaanslag niet
                                binnen de daartoe gestelde termijnen wordt betaald, de ontvanger
                                overgaat tot vervolging van de belastingschuldige door de verzending
                                van een aanmaning.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 11 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- de geadresseerde van de aanmaning;</al>
          <al>- als de aanmaning ten onrechte is verzonden;</al>
          <al>- het achterwege laten van tussentijdse vervolging;</al>
          <al>- de gedeeltelijke voldoening na aanmaning;</al>
          <al>- de betalingsherinnering;</al>
          <al>- de aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>11.1. De geadresseerde van de aanmaning</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger zendt de aanmaning aan degene aan wie het aanslagbiljet is
                            verzonden of uitgereikt.</al>
          <al/>
          <al>Als naderhand blijkt dat de ontvanger de vervolging voort moet zetten
                            voor een belastingschuldige die minderjarig is of onder curatele staat,
                            dan zendt de ontvanger alsnog een aanmaning naar het adres van de
                            wettelijke vertegenwoordiger.</al>
          <al/>
          <al>Als de belastingschuldige is overleden, dan zendt de ontvanger de
                            aanmaning naar de gezamenlijke erfgenamen. Als de ontvanger weet dat de
                            nalatenschap al is verdeeld, dan zendt hij een aanmaning aan iedere
                            erfgenaam afzonderlijk.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>11.2. Aanmaning ten onrechte verzonden</vet>
          </al>
          <al>Als een belanghebbende zich tot de ontvanger wendt met de mededeling dat
                            hem ten onrechte een aanmaning is toegezonden, dan wordt de vervolging
                            niet voortgezet voordat dit is opgehelderd.</al>
          <al/>
          <al>Als de ontvanger concrete aanwijzingen heeft dat moet worden gevreesd
                            voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslagen, of dat de mededeling
                            is gedaan om de belangen van de gemeente te schaden, dan kan hij
                            maatregelen nemen die de rechten van de gemeente veilig
                            stellen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>11.3. Achterwege laten van tussentijdse vervolging</vet>
            <vet> en
                                aanmaning</vet>
          </al>
          <al>Vervolging - niet zijnde de eindvervolging - blijft in het algemeen
                            achterwege als het achterstallige bedrag:</al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>kleiner is dan een tiende deel van de (verlaagde)
                                    belastingaanslag; en</al></li>
            <li nr="2."><al>minder bedraagt dan € 182.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>De ontvanger kan zich in bijzondere gevallen gerechtigd achten de
                            tussentijdse vervolging achterwege te laten, ook al valt het bedrag
                            buiten de gestelde grenzen.</al>
          <al/>
          <al>Een tussentijdse vervolging die terecht is aangevangen, wordt ook na de
                            verzending van de aanmaning voortgezet.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>11.4. Gedeeltelijke voldoening</vet>
            <vet> aan de
                            aanmaning</vet>
          </al>
          <al>Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het
                            achterstallige bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een
                            dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning
                            voorafgegaan.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>11.5. Betalingsherinnering</vet>
          </al>
          <al>Als de aard of omvang van de belastingschuld dan wel het betalingsgedrag
                            van de belastingschuldige daartoe aanleiding geven, kan de ontvanger de
                            belastingschuldige eerst (kosteloos) een schriftelijke
                            betalingsherinnering toezenden.</al>
          <al/>
          <al>Als er geen betalingsherinnering wordt verzonden of als deze niet of
                            niet tijdig tot algehele voldoening van de belastingschuld leidt, hervat
                            de ontvanger de (dwang)invordering.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>11.6. Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke
                            weg</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger invordert langs civielrechtelijke weg, dan gaat de
                            ontvanger over tot het uitbrengen van een dagvaarding. De dagvaarding
                            hoeft niet vooraf te worden gegaan door een ingebrekestelling. Wel
                            verzendt de ontvanger eerst een aanmaning. De ontvanger verzendt echter
                            geen aanmaning als reeds conservatoir beslag is gelegd.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>11.7. Geen minimumbedrag waarvoor aanmaning tot betaling wordt
                                verstuurd</vet>
          </al>
          <al>Indien de belastingschuldige na de vervaldatum van de betaaltermijn(en)
                            van het belastingaanslagbiljet, de verschuldigde belasting niet volledig
                            heeft voldaan, zal ongeacht de hoogte van het verschuldigde bedrag, een
                            aanmaning tot betaling worden verstuurd. Ook voor die belastingschuldige
                            die wel het bedrag van de belasting betaalt, maar niet de in rekening
                            gebrachte invorderingsrente, wordt tot het versturen van een aanmaning
                            overgegaan. Alleen indien het niet aan de belastingschuldige is te
                            verwijten dat niet tijdig is voldaan wordt het bedrag aan in rekening
                            gebrachte invorderingsrente en/of vervolgingskosten buiten invordering
                            gelaten.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>12</nr>
            <titel>Dwangbevel</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Artikel 12 van de wet bepaalt dat de ontvanger een dwangbevel
                                kan uitvaardigen als de belastingschuldige na de aanmaning in
                                gebreke blijft de belastingaanslag te betalen.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Op grond van dit dwangbevel kan de ontvanger overgaan tot
                                invordering van de belastingaanslag.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 12 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- het onderwerp van het dwangbevel;</al>
          <al>- tegen wie een dwangbevel wordt verleend.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>12.1. Onderwerp van het dwangbevel</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger vaardigt een dwangbevel uit voor het per saldo
                            verschuldigde bedrag vermeld op een aanslagbiljet van voorkomende
                            belastingaanslagen en beschikkingen.</al>
          <al/>
          <al>Als een bedrag in termijnen mag worden voldaan, vaardigt de ontvanger
                            een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag van de
                            termijnen waarvoor een aanmaning is verzonden.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger vermindert het bedrag van een dwangbevel met:</al>
          <al>- de inmiddels gedane betalingen;</al>
          <al>- verleende verminderingen;</al>
          <al>- bedragen waarvoor kwijtschelding of uitstel van betaling is
                            verleend.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>12.2. Tegen wie verleent de ontvanger een dwangbevel</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger verleent een dwangbevel tegen de belastingschuldige of
                            diens rechtsopvolgers. Als de ontvanger het dwangbevel verleent tegen
                            een ander dan de belastingschuldige, moet duidelijk blijken op welke
                            gronden dit gebeurt.</al>
          <al/>
          <al>Als de ontvanger bekend is met de minderjarigheid of curatele van een
                            belastingschuldige, dan brengt hij dit in het dwangbevel tot
                            uitdrukking. Als de ontvanger hiermee niet bekend is, hoeft hij niet
                            vooraf een daarop gericht onderzoek in te stellen.</al>
          <al/>
          <al>Als de ontvanger een belastingschuld van een overledene moet verhalen op
                            diens onverdeelde nalatenschap, verleent hij één dwangbevel tegen de
                            gezamenlijke erfgenamen.</al>
          <al/>
          <al>Als betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een
                            overledene op de voet van artikel 53 Rv niet mogelijk of niet wenselijk
                            is, dan vermeldt de ontvanger alle erfgenamen met naam en adres alsmede
                            met hun kwaliteit van erfgenaam van de overleden belastingschuldige in
                            het dwangbevel. De ontvanger brengt daarbij evenwel niet het deel van
                            ieders aansprakelijkheid tot uitdrukking.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>12.3. Geen minimumbedrag waarvoor dwangbevel wordt uitgevaardigd en
                                betekend</vet>
          </al>
          <al>Indien de belastingschuldige na de vervaldatum van de aanmaning de
                            verschuldigde belasting, inclusief de invorderingsrente en/of
                            aanmaningskosten niet volledig heeft voldaan, zal ongeacht de hoogte van
                            het verschuldigde bedrag, een aanmaning tot betaling worden verstuurd.
                            Ook voor die belastingschuldige die wel het bedrag van de belasting
                            betaalt, maar niet de in rekening gebrachte invorderingsrente en/of
                            vervolgingskosten, wordt tot het versturen van een aanmaning overgegaan.
                            Alleen indien het niet aan de belastingschuldige is te verwijten dat
                            niet tijdig is voldaan wordt het bedrag aan in rekening gebrachte
                            invorderingsrente en/of kosten voor het betekenen van het dwangbevel
                            buiten invordering gelaten.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>13</nr>
            <titel>Betekening van het dwangbevel</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>In artikel 13 van de wet is de wijze van betekening van het
                                dwangbevel beschreven. Het dwangbevel wordt bekendgemaakt door
                                middel van betekening. De betekening van het dwangbevel met bevel
                                tot betaling kan plaatsvinden:</cursief>
          </al>
          <al>- door de belastingdeurwaarder;</al>
          <al>- per post door de ontvanger.</al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 13 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- de betekening van het dwangbevel per post;</al>
          <al>- de betekening van het dwangbevel door de deurwaarder;</al>
          <al>- bijzondere gevallen van betekening van het dwangbevel.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>13.1. Betekening dwangbevel per post</vet>
          </al>
          <al>De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling
                            vindt plaats door het ter post bezorgen door de ontvanger van een voor
                            de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot
                            betaling.</al>
          <al/>
          <al>Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door de ontvanger ter
                            verzending aanbieden van het afschrift aan PostNL. Als betekeningsdatum
                            geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging. </al>
          <al>De ontvanger maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het
                            dwangbevel per post te betekenen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>13.1.1. Adressering van per post betekende dwangbevelen</vet>
          </al>
          <al>Verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift van het
                            dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het in de
                            administratie van de gemeente bekende adres van de belastingschuldige. </al>
          <al/>
          <al>Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het
                            algemeen het adres van de belastingschuldige zijn, dat in de
                            basisregistratie personen is geregistreerd. Als de belastingschuldige te
                            kennen heeft gegeven voor hem bestemde poststukken te willen ontvangen
                            op een ander adres dan het adres volgens de basisregistratie personen -
                            bijvoorbeeld een postbusadres - kan verzending ook plaatsvinden aan dat
                            adres.</al>
          <al/>
          <al>Als achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een
                            - ten tijde van de terpostbezorging - onjuist adres is verzonden en de
                            belastingschuldige niet heeft bereikt, dan wordt aan het dwangbevel geen
                            rechtsgevolg verbonden.</al>
          <al/>
          <al>Als het afschrift van het dwangbevel aan het juiste adres van de
                            belastingschuldige is verzonden, maar laatstgenoemde beweert het
                            afschrift niet te hebben ontvangen, dan geldt het dwangbevel als
                            betekend. Dit is niet het geval als de belastingschuldige bijzondere
                            omstandigheden aannemelijk kan maken op grond waarvan moet worden
                            aangenomen dat het afschrift van het dwangbevel het bestemde adres niet
                            heeft bereikt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>13.2. Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder</vet>
          </al>
          <al>Als bij de betekening van een dwangbevel door de belastingdeurwaarder
                            aanwijzingen bestaan dat de belastingschuldige bezwaar heeft tegen
                            kennisneming van de inhoud van het dwangbevel door de huisgenoot aan wie
                            de belastingdeurwaarder het afschrift moet achterlaten, dan betekent de
                            belastingdeurwaarder het dwangbevel op de wijze als bepaald in artikel
                            47, eerste lid, Rv.</al>
          <al/>
          <al>Deze handelwijze volgt de belastingdeurwaarder ook als hij verwacht dat
                            achterlating van het afschrift van het dwangbevel aan de huisgenoot er
                            niet toe zal leiden dat het afschrift de belastingschuldige ook
                            daadwerkelijk zal bereiken.</al>
          <al/>
          <al>Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het
                            adres van de gemeente waar de belastingdeurwaarder zijn standplaats
                            heeft. Dit geldt ook voor de situaties waarin het dwangbevel is
                            uitgevaardigd door de ontvanger van een andere gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>13.3. Bijzondere gevallen</vet>
            <vet> van betekening
                                dwangbevel</vet>
          </al>
          <al>Een dwangbevel dat - hetzij door terpostbezorging, hetzij door de
                            belastingdeurwaarder - is betekend aan een minderjarige of onder
                            curatele gestelde, moet mede worden betekend aan de wettelijke
                            vertegenwoordiger alvorens tot tenuitvoerlegging ervan kan worden
                            overgegaan. Zo nodig zal aan de laatstbedoelde betekening het verzenden
                            van een aanmaning aan de wettelijke vertegenwoordiger voorafgaan.</al>
          <al/>
          <al>Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is
                            betekening mogelijk op het adres van het verplicht gekozen
                            domicilie.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>14</nr>
            <titel>Tenuitvoerlegging van het dwangbevel</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>A</cursief>
            <cursief>rtikel 14 van de wet gaat over de
                                tenuitvoerlegging van het dwangbevel.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 4:116 van de Awb en artikel 14 van de wet
                            beschrijft dit artikel het beleid over:</al>
          <al>- de algemene regels over tenuitvoerlegging;</al>
          <al>- beslag op roerende zaken die geen registergoederen;</al>
          <al>- beslag op onroerende zaken;</al>
          <al>- beslag onder derden;</al>
          <al>- beslag op schepen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.1. </vet>
            <vet>Vervallen</vet>
          </al>
          <al>
            <vet>14.1.1. Keuze van invorderingsmaatregelen</vet>
          </al>
          <al>De tenuitvoerlegging gebeurt op de voet van het Wetboek van Burgerlijke
                            Rechtsvordering dat toelaat de verschillende mogelijkheden van
                            tenuitvoerlegging tegelijkertijd te benutten.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.1.2. Houding van de belastingdeurwaarder tijdens
                                tenuitvoerlegging</vet>
          </al>
          <al>De tenuitvoerlegging van verschillende dwangbevelen tegen dezelfde
                            belastingschuldige gebeurt zoveel mogelijk tegelijkertijd. Bij de
                            tenuitvoerlegging wordt onnodige ruchtbaarheid vermeden. Ook wordt de
                            nodige soepelheid betracht. Dit brengt met zich mee dat de formeel
                            voorgeschreven handelwijze wordt onderbroken, als het uit menselijk of
                            tactisch oogpunt wenselijk is eerst persoonlijk contact met de
                            belastingschuldige op te nemen.</al>
          <al/>
          <al>In dit verband kan het verantwoord zijn dat de belastingdeurwaarder niet
                            dadelijk tot beslaglegging overgaat of deze onderbreekt of beëindigt,
                            als hij vermoedt dat de ontvanger de beslagopdracht niet zou hebben
                            gegeven als alle omstandigheden bekend waren geweest.</al>
          <al/>
          <al>Dit geldt ook als de belastingschuldige aantoont dat de betaling
                            inmiddels heeft plaatsgevonden of dat een verzoek om uitstel van
                            betaling of kwijtschelding, dan wel een verzoekschrift als genoemd in
                            artikel 25.1.15 of 26.1.11 van deze leidraad, en de beslagopdracht
                            elkaar hebben gekruist.</al>
          <al/>
          <al>Als het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag,
                            wordt onverwijld tot uitwinning van de goederen waarop beslag is gelegd,
                            overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als de belastingschuldige een
                            voorstel doet tot minnelijke afdoening van het beslag. Voorwaarde is dan
                            wel dat met de afdoening - gelet op de omstandigheden - naar het oordeel
                            van de ontvanger akkoord kan worden gegaan. Hierbij geldt als
                            uitgangspunt dat een minnelijke afdoening moet passen in het in deze
                            leidraad geformuleerde beleid.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.1.3. Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is
                                overleden</vet>
          </al>
          <al>Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, gaat
                            de belastingdeurwaarder pas tot tenuitvoerlegging over nadat de termijn
                            van drie maanden als bedoeld in artikel 4:185 BW, is verstreken.</al>
          <al/>
          <al>Als alle erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard, kan de
                            rechtbank de termijn van drie maanden verlengen.</al>
          <al/>
          <al>Als de nalatenschap wordt vereffend, kan de ontvanger gedurende de
                            vereffening zijn vordering niet op de nalatenschap verhalen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.1.4. Volgorde van uitwinning</vet>
            <vet> bij beslag</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.1.5. Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde
                                zaken</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.1.6. Beslaglegging voor vordering van derden</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag heeft gelegd, gaat hij
                            ook over tot beslaglegging voor vorderingen van derden met gelijke
                            rangorde, waarvan de invordering aan hem is opgedragen, ongeacht de
                            executiewaarde van de in beslag genomen zaken.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.1.7. Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling</vet>
            <vet> of
                                voldoening aan voorwaarden</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger kan een beschikking afgegeven, die inhoudt dat voor een
                            openstaande belastingschuld geen invorderingsmaatregelen meer worden
                            getroffen wanneer alsnog een bepaald bedrag wordt voldaan dan wel dat
                            aan bepaalde voorwaarden moet zijn voldaan. De ontvanger heft de gelegde
                            beslagen op nadat dit bedrag is betaald of aan die voorwaarden is
                            voldaan.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.1.8. Opheffing beslag tegen betaling door een derde</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger van een derde een bedrag krijgt aangeboden ter
                            opheffing van het beslag, dan kan de ontvanger hieraan zijn medewerking
                            verlenen als ten minste is voldaan aan de volgende voorwaarden:</al>
          <lijst>
            <li nr="3."><al>Het aangeboden geldbedrag komt niet direct of indirect uit het
                                    vermogen van de belastingschuldige;</al></li>
            <li nr="4."><al>Het aangeboden geldbedrag is aanzienlijk hoger dan de opbrengst
                                    die naar verwachting zou zijn verkregen bij een executie;</al></li>
            <li nr="5."><al>De belangen van de gemeente worden niet geschaad.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>De ontvanger houdt bij zijn beslissing rekening met de gerechtvaardigde
                            belangen van andere schuldeisers die op de betreffende zaken verhaal
                            zoeken, en hij kan aan zijn medewerking nadere voorwaarden
                            verbinden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.1.9. Opschorten van de executie</vet>
          </al>
          <al>De belastingdeurwaarder stelt bij het opmaken van het proces-verbaal van
                            beslag een verkoopdatum vast. Op deze datum vindt de openbare verkoop
                            plaats, tenzij de ontvanger ervan overtuigd is dat betaling van de
                            belastingschuld alsnog op zeer korte termijn zal plaatsvinden. In dat
                            geval kan de ontvanger besluiten de verkoopdatum op te schorten tot (in
                            totaal) maximaalvier maanden na de datum waarop het beslag is
                            gelegd.</al>
          <al/>
          <al>Als sprake is van beslag op roerende zaken, dan deelt de
                            belastingdeurwaarder de nieuwe verkoopdatum bij exploot aan de
                            belastingschuldige mee, tenzij deze nieuwe datum op grond van een
                            schriftelijke overeenkomst tussen de ontvanger en de belastingschuldige
                            is verschoven. Het opschorten van de verkoopdatum houdt op zich geen
                            uitstel van betaling in, in de zin van artikel 25 van de wet.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.1.10. Onderhandse verkoop</vet>
          </al>
          <al>Als een onderhandse verkoop van in beslag genomen zaken naar verwachting
                            aanzienlijk meer oplevert dan de verwachte opbrengst bij openbare
                            verkoop, dan kan de ontvanger kiezen voor een onderhandse verkoop.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger moet hierbij rekening houden met de gerechtvaardigde
                            belangen van eventuele derde rechthebbenden die zich bij hem bekend
                            hebben gemaakt. De ontvanger stelt deze derden in de gelegenheid om een
                            bedrag aan te bieden ter opheffing van het beslag. Onderhandse verkoop
                            vindt niet plaats als hierdoor de belangen van de gemeente worden
                            geschaad.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.1.11. Samenloop opheffing beslag en onderhandse
                            verkoop</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger kan de mogelijkheid hebben om te kiezen tussen:</al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>een aangeboden bedrag ter opheffing van het beslag als bedoeld
                                    in artikel 14.1.8 van deze leidraad;</al></li>
            <li nr="2."><al>een onderhandse verkoop als bedoeld in artikel 14.1.10 van deze
                                    leidraad.</al></li>
          </lijst>
          <al>De ontvanger geeft dan in het algemeen de voorkeur aan opheffing van het
                            beslag; voorwaarde is dat de hierdoor verkregen opbrengst niet lager is
                            dan die van een onderhandse verkoop.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.1.12. Strafrechtelijk beslag</vet>
          </al>
          <al>Als op een in beslag genomen goed ook een strafrechtelijk beslag ex
                            artikel 94 Sv rust - dat wil zeggen niet zijnde een beslag in het kader
                            van een ontnemingsmaatregel - dan wordt het beslag dat de
                            belastingdeurwaarder heeft gelegd pas vervolgd nadat het
                            strafrechtelijke beslag is opgeheven. Zolang niet duidelijk is wat er
                            met het strafrechtelijke beslag gebeurt, kan het fiscale beslag blijven
                            liggen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.1.13. Invordering en ontnemingswetgeving</vet>
          </al>
          <al>De gemeente belemmert zo min mogelijk de strafrechtelijke sanctionering
                            en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen.</al>
          <al/>
          <al>In geval van samenloop van de strafrechtelijke sanctionering en
                            ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen en het nemen van
                            invorderingsmaatregelen tot verhaal van een belastingschuld, treedt de
                            ontvanger terughoudend op. Dit houdt in dat de ontvanger in beginsel
                            niet direct overgaat tot uitwinning van gelegd beslag tenzij hiermee de
                            belangen van de gemeente worden geschaad.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.</vet>
            <vet>Beslag op roerende zaken die geen registergoederen
                            zijn</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.1.</vet>
            <vet>Kennisgeving vooraf</vet>
            <vet> en beslag roerende zaken</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingdeurwaarder op het woonadres van de belastingschuldige
                            niemand thuis treft en beslag op roerende zaken alleen kan plaatsvinden
                            met gebruikmaking van artikel 444 Rv, dan blijft deze wijze van
                            tenuitvoerlegging vooralsnog achterwege.</al>
          <al/>
          <al>De belastingdeurwaarder laat in dat geval een schriftelijke kennisgeving
                            achter met vermelding van dag en uur waarop hij zich weer op het
                            woonadres zal vervoegen.</al>
          <al/>
          <al>Deze handeling blijft achterwege als een belastingschuldige het
                            stelselmatig hierop laat aankomen, dan wel van deze handelwijze misbruik
                            wordt gemaakt of op andere wijze het belang van de invordering zich
                            tegen deze handelwijze verzet.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.2. Domiciliekeuze</vet>
            <vet> en beslag roerende
                            zaken</vet>
          </al>
          <al>Als het beslag wordt gelegd door een belastingdeurwaarder van een ander
                            Gemeente dan het kantoor waar bij de betekening van het dwangbevel
                            domicilie is gekozen, dan wordt in het beslagexploot tevens domicilie
                            gekozen ten kantore van de gemeente waar de belastingdeurwaarder die het
                            beslag legt zijn standplaats heeft.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.3. Aanbod van betaling</vet>
            <vet> en beslag roerende
                                zaken</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingschuldige ter voorkoming van beslaglegging aan de
                            belastingdeurwaarder aanbiedt om ter plekke te betalen, aanvaardt de
                            deurwaarder deze betaling. Van de betaling wordt een kwitantie
                            opgemaakt, waarvan een afschrift aan de belastingschuldige wordt
                            gelaten.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.4. Omvang van het beslag</vet>
            <vet> op roerende
                            zaken</vet>
          </al>
          <al>Het beslag wordt gelegd op zoveel zaken als - naar het oordeel van de
                            belastingdeurwaarder - ruimschoots voldoende is voor dekking van de
                            openstaande schuld inclusief rente en kosten.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.5. Beslag op roerende zaken van derden</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.6. Beroep of verzet door een derde</vet>
            <vet> tegen
                                inbeslagneming roerende zaken</vet>
          </al>
          <al>Als een derde bij de belastingdeurwaarder bezwaar maakt tegen de
                            inbeslagname van bepaalde roerende zaken waarvan hij de eigendom claimt,
                            wijst de belastingdeurwaarder op de mogelijkheid een beroepschrift in te
                            dienen bij het college op grond van artikel 22, eerste lid van de wet en
                            eventueel in verzet te gaan op grond van artikel 456 of artikel 435 Rv.
                            Als aan de eigendom van een derde niet kan worden getwijfeld en
                            vaststaat dat de ontvanger zijn verhaalsrecht niet kan effectueren,
                            blijft inbeslagname achterwege.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.7. Voldoening zekerheidsschuld door ontvanger</vet>
            <vet> en
                                beslag roerende zaken</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger kan het restant van de schuld van belastingschuldige aan
                            een derde op grond van artikel 6:30 BW voldoen in afwachting van
                            verrekening met de belastingschuldige, als de belastingdeurwaarder de
                            volgende zaken aantreft:</al>
          <al>- zaken die niet onder het bodemrecht vallen; en</al>
          <al>- strekken tot zekerheid voor de voldoening van een schuld die de
                            belastingschuldige aan de derde heeft (bijvoorbeeld huurkoop,
                            eigendomsvoorbehoud); en</al>
          <al>- waarop de ontvanger zich na voldoening van die schuld zou kunnen
                            verhalen.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger maakt van deze mogelijkheid slechts gebruik als de
                            executiewaarde van de desbetreffende zaken beduidend hoger is dan het
                            restant van de schuld. Dit geldt ook als het gaat om zaken van de
                            belastingschuldige die bij een derde in beslag zijn genomen en waarop
                            deze derde een retentierecht heeft.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.8. Beslag roerende zaken bij derden</vet>
          </al>
          <al>Op zaken van de belastingschuldige die zich bij een derde bevinden,
                            verhaalt de belastingdeurwaarder de belastingschuld zoveel mogelijk door
                            het leggen van een beslag op roerende zaken.</al>
          <al/>
          <al>De deurwaarder zal in de volgende gevallen echter beslag onder derden
                            leggen als:</al>
          <al>- de derde geen medewerking verleent aan het leggen van een beslag
                            roerende zaken;</al>
          <al>- het voor de belastingdeurwaarder feitelijk onmogelijk is om de zaken
                            zelf te zien, dan wel te inventariseren;</al>
          <al>- de derde een beroep doet als bedoeld in artikel 461d Rv, voordat het
                            exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten.</al>
          <al/>
          <al>Als de derde een dergelijk beroep doet nadat het exploot van beslag op
                            roerende zaken is afgesloten, legt de belastingdeurwaarder geen
                            afzonderlijk derdenbeslag maar geldt het beslag roerende zaken als
                            derdenbeslag. De belastingdeurwaarder betekent in dat geval binnen drie
                            dagen na de beslaglegging aan de derde een formulier in tweevoud als
                            bedoeld in artikel 475, tweede lid, Rv.</al>
          <al/>
          <al>Dit laatste geldt ook als de verwachting is gerechtvaardigd dat de derde
                            voor de executoriale verkoop een beroep zal doen als bedoeld in artikel
                            461d Rv.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.9. Wegvoeren van beslagen zaken</vet>
          </al>
          <al>Nadat op roerende zaken beslag is gelegd, wordt zoveel mogelijk aan de
                            belastingschuldige het feitelijk gebruik gelaten.</al>
          <al/>
          <al>Onder bijzondere omstandigheden kan de belastingdeurwaarder beslagen
                            zaken wegvoeren. Hij stelt daartoe een gerechtelijke bewaarder aan als
                            bedoeld in Rv. Het aanstellen van een bewaarder ontheft de ontvanger
                            niet van zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot de in beslag
                            genomen zaken.</al>
          <al/>
          <al>Het wegvoeren van zaken is mogelijk, als dit voor het behoud van die
                            zaken redelijkerwijze noodzakelijk is (artikel 446 Rv). Dit is
                            bijvoorbeeld aan de orde als de zaken dreigen te worden verduisterd of
                            beschadigd. Hetzelfde geldt als er gegronde vrees bestaat dat verhaal op
                            de zaken ernstig bemoeilijkt wordt of feitelijk onmogelijk is, indien de
                            zaken niet worden afgevoerd.</al>
          <al/>
          <al>Van de mogelijkheid tot het wegvoeren van de beslagen zaken wordt
                            slechts gebruik gemaakt:</al>
          <al>- als de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de schuld niet kan
                            worden ingevorderd en;</al>
          <al>- de ontvanger na marginale toetsing niet heeft kunnen constateren dat
                            de belastingaanslagen materieel onverschuldigd moeten worden
                            geacht.</al>
          <al/>
          <al>Het wegvoeren van zaken, waaronder motorrijtuigen naar aanleiding van
                            een actie op grond van artikel 18 van de wet, gebeurt niet door de
                            belastingdeurwaarder dan na daartoe verkregen toestemming van de
                            ontvanger van de gemeente. De toestemming kan ook worden verkregen van
                            de plaatsvervanger van de ontvanger of van een andere door de ontvanger
                            daartoe aangewezen functionaris.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.10. Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en
                                belasting zware motorrijtuigen</vet>
            <vet> en beslag roerende
                                zaken</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.11. Afsluiting</vet>
            <vet> en beslag roerende zaken</vet>
          </al>
          <al>De deurwaarder dan wel de bewaarder kan tot afsluiting van de ruimte
                            overgaan waarin ten laste van de ondernemingin beslag genomen
                            zaken zich bevinden, als:</al>
          <al>- de omstandigheden zich voordoen als genoemd in artikel 14.2.9 van deze
                            leidraad; en</al>
          <al>- de desbetreffende zaken niet of slechts tegen naar verhouding zeer
                            hoge kosten kunnen worden afgevoerd.</al>
          <al/>
          <al>Voor de afsluiting is voorafgaande toestemming vereist van de ontvanger.
                            De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de
                            ontvanger of van een andere door de ontvanger daartoe aangewezen
                            functionaris.Na afsluiting zal zo spoedig mogelijk tot
                            executoriale verkoop worden overgegaan.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.12. Bewaarder</vet>
            <vet> en beslag roerende zaken</vet>
          </al>
          <al>Als zaken op grond van artikel 14.2.9 van deze leidraad worden
                            weggevoerd of op grond van artikel 14.2.11 van deze leidraad afsluiting
                            plaatsvindt, stelt de belastingdeurwaarder daarbij een bewaarder aan die
                            in staat moet worden geacht ook daadwerkelijk de taken verbonden aan het
                            bewaarderschap met betrekking tot die zaken uit te oefenen. De
                            aanstelling van de bewaarder wordt vermeld in het proces-verbaal dat in
                            de betreffende situaties moet worden opgemaakt.</al>
          <al/>
          <al>Als een ambtenaar van de gemeente als bewaarder wordt aangesteld, is dit
                            zoveel mogelijk een belastingdeurwaarder, niet zijnde de
                            belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd. Aan de ambtenaar die
                            tot bewaarder is aangesteld, wordt hiervoor geen vergoeding
                            gegeven.</al>
          <al/>
          <al>De tot bewaarder aangestelde ambtenaar draagt er zorg voor dat de
                            beslagen zaken waarover hij tot bewaarder is aangesteld zo nodig worden
                            vervoerd of opgeslagen op een wijze die het risico van fysiek of
                            economisch bederf minimaliseert, meer dan voor de onderhavige zaken
                            onder normale omstandigheden gebruikelijk is. De in dit verband te nemen
                            maatregelen en de daaraan verbonden kosten moeten in een redelijke
                            verhouding staan tot de aard en de waarde van de desbetreffende
                            zaken.</al>
          <al/>
          <al>Tijdens de periode dat het beslag ligt, wordt in de navolgende gevallen
                            aan de bewaarder het bewaarderschap ontnomen en een ander tot bewaarder
                            aangesteld:</al>
          <al>- als de bewaarder geacht moet worden gedurende langere tijd lichamelijk
                            of geestelijk niet in staat te zijn de aan het bewaarderschap verbonden
                            taken uit te oefenen;</al>
          <al>- als de bewaarder is overleden; in dit geval hoeft het bewaarderschap
                            niet uitdrukkelijk te worden ontnomen;</al>
          <al>- als een ambtenaar van de gemeente tot bewaarder is aangesteld en deze
                            ambtenaar door oorzaken van personele of organisatorische aard
                            redelijkerwijs moet worden geacht geen betrokkenheid meer te (kunnen)
                            hebben bij het beslag.</al>
          <al/>
          <al>Ontslag van een bewaarder gebeurt steeds schriftelijk; in voorkomend
                            geval kan dit bij deurwaardersexploot.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.13. Executoriale verkoop computerapparatuur</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingdeurwaarder beslag legt op computerapparatuur, dan valt
                            alleen de zogenoemde 'hardware' onder dit beslag. De
                            belastingdeurwaarder moet - voordat tot executoriale verkoop wordt
                            overgegaan - nagaan of deze apparatuur nog de zogenoemde 'software'
                            bevat (bestanden, programma's en dergelijke). Als dat het geval is, dan
                            moet de belastingschuldige de mogelijkheid worden geboden om die
                            software te verwijderen en een back-up te maken.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.14. Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina
                                werken</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger moet er voor zorgdragen dat geen zilveren, gouden of
                            platina werken die niet zijn voorzien van de stempeltekenen die volgens
                            de Waarborgwet 1986 vereist zijn, in openbare verkoop worden gebracht of
                            met dat doel worden tentoongesteld.</al>
          <al/>
          <al>Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden of
                            platina werken voorkomen - al dan niet met het vereiste stempelteken -
                            moet de ontvanger aangifte doen zoals artikel 46 van de Waarborgwet 1986
                            dat voorschrijft.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.15. Beslag op illegale zaken</vet>
          </al>
          <al>Als voor beslag vatbare zaken worden aangetroffen waarvan in beginsel de
                            vervaardiging, het bezit of het gebruik strafbaar is (of het vermoeden
                            van strafbaarheid bestaat), kan de beslaglegging op de normale wijze
                            doorgang vinden. Wel wordt direct of zo snel mogelijk na de
                            beslaglegging de politie ingeschakeld om te bezien in hoeverre
                            aanleiding bestaat om strafrechtelijke maatregelen te nemen. Hierbij
                            geldt het bepaalde in artikel 14.1.12 van deze leidraad.</al>
          <al/>
          <al>Als geen strafrechtelijke maatregelen worden getroffen (de voormelde
                            zaken worden niet verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer), dan
                            moet de ontvanger contact opnemen met het college voordat maatregelen
                            worden getroffen om tot executoriale verkoop van de in beslag genomen
                            zaken over te gaan.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.16. Bieden voor rekening </vet>
            <vet>van de gemeente en beslag
                                roerende zaken</vet>
          </al>
          <al>Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de ontvanger een
                            andere belastingdeurwaarder dan de deurwaarder die met de verkoop belast
                            is, opdragen voor rekening van de gemeente te bieden.</al>
          <al/>
          <al>Daarnaast kan de ontvanger de belastingdeurwaarder opdracht geven om de
                            executie plaats te laten vinden via internetveiling. De regels hiervoor
                            dienen openbaar gemaakt te worden. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.17. Opheffing van het beslag</vet>
            <vet> op roerende
                                zaken</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de
                            ontvanger dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij
                            deurwaardersexploot kenbaar gemaakt. Opheffing van het beslag op
                            roerende zaken als bedoeld in artikel 445 Rv wordt altijd kenbaar
                            gemaakt bij deurwaardersexploot.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.18. Afboeking </vet>
            <vet>executieopbrengst verkoop roerende
                                zaken</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger verhaalt de openstaande schuld waarvoor het beslag roerende
                            zaken is gelegd op de executieopbrengst, inclusief de daarin begrepen
                            omzetbelasting. Voordat de opbrengst op de openstaande schuld wordt
                            afgeboekt, worden eerst de kosten van executie verrekend. De ontvanger
                            boekt de opbrengst vervolgens af met inachtneming van het bepaalde bij
                            artikel 7 van deze leidraad.</al>
          <al/>
          <al>Als er andere schuldeisers zijn die beslag hebben gelegd of als er
                            beperkt gerechtigden zijn van wie het recht door de executie is
                            vervallen, dan wordt zoveel mogelijk getracht in der minne
                            overeenstemming te bereiken over de toedeling van de netto-executie
                            opbrengst. Als dat niet mogelijk blijkt, dan zijn de artikelen 481 en
                            volgende Rv van toepassing.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.19. Proces-verbaal van verkoop</vet>
            <vet> roerende
                            zaken</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingschuldige te kennen geeft dat hij een afschrift van het
                            proces-verbaal van verkoop wenst, wordt hem dit zo spoedig mogelijk
                            toegezonden, met dien verstande dat de namen en woonplaatsen van de
                            kopers onleesbaar zijn gemaakt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.20. Gegevensverstrekking</vet>
            <vet> omtrent beslag roerende
                                zaken</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingschuldige of een belanghebbende derde de ontvanger
                            vraagt of een beslag nog ligt, dan verstrekt de ontvanger deze
                            informatie tenzij het belang van de invordering zich daartegen
                            verzet.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.2.21 Relaas va</vet>
            <vet>n onttrekking</vet>
          </al>
          <al>Ingeval goederen aan het beslag zijn onttrokken (artikel 198 Sr) kan van
                            dat feit op grond van artikel 162 Sv aangifte worden gedaan. De
                            ontvanger beslist over de inzending van een relaas van onttrekking aan
                            de officier van justitie.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>
              <vet>14.3. Beslag op onroerende
                            zaken</vet>
            </cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.3.1. Bewaring</vet>
            <vet> van in beslag genomen roerende zaken
                                bij beslag onroerende zaken</vet>
          </al>
          <al>Indien het beslag op een onroerende zaak mede omvat de in of op die zaak
                            aanwezige bestanddelen of natuurlijke vruchten, geldt het volgende. De
                            belastingdeurwaarder kan die bestanddelen of die vruchten wegvoeren om
                            in bewaring te geven indien dit voor het behoud van die bestanddelen of
                            vruchten noodzakelijk is. Het wegvoeren vindt niet plaats dan na daartoe
                            verkregen toestemming van de ontvanger. Het bepaalde in artikel 14.2.9
                            is van overeenkomstige toepassing.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.3.2. Nieuwe belastingschuld</vet>
            <vet> en beslag onroerende
                                zaken</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag op een onroerende zaak
                            heeft gelegd, zal hij voor een nader opgekomen belastingschuld zoveel
                            mogelijk opnieuw tot beslaglegging overgaan.</al>
          <al/>
          <al>In gevallen waarin de ontvanger zelf de eerste beslaglegger is, gaat hij
                            altijd tot beslaglegging over voor vorderingen van derden waarvan de
                            invordering aan hem is opgedragen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.3.3. Verhuurde of verpachte onroerende zaken</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger die beslag op de onroerende zaak heeft laten leggen en
                            tevens de huur of pacht wil incasseren, doet hiervoor zoveel mogelijk
                            een vordering ex artikel 19 van de wet onder de huurder of pachter. Er
                            wordt in zo’n geval dus niet gehandeld als bedoeld in artikel 507, derde
                            lid, Rv.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.3.4. Voorwaarden van verkoop</vet>
            <vet> van onroerende
                                zaken</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger vraagt de notaris een afschrift van de veilingvoorwaarden
                            die op de verkoop van toepassing zijn en hij treedt zo nodig in overleg
                            over de inhoud van deze voorwaarden.</al>
          <al/>
          <al>In overleg met de notaris wordt in de voorwaarden van verkoop bepaald
                            dat de kosten van executie, toewijzing en eventuele rangregeling door de
                            executant zullen worden voldaan uit de koopprijs en dat het tekort - als
                            de koopprijs niet toereikend mocht zijn - door de executant zal worden
                            aangezuiverd.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.3.5. Opheffing van het beslag</vet>
            <vet> onroerende
                            zaken</vet>
          </al>
          <al>Van de opheffing van een beslag op een onroerende zaak wordt
                            schriftelijk mededeling gedaan aan de belastingschuldige. Als het beslag
                            aan de huurder of pachter is betekend, ontvangt deze ook een
                            schriftelijke mededeling.</al>
          <al/>
          <al>Ook wordt van deze opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan
                            aan de (eventuele) derde-eigenaar, aan alle (eventuele) hypotheekhouders
                            en - indien van toepassing - aan de bewaarder.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.4. Beslag onder derden</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.4.1. Beslag op vordering van een derde</vet>
          </al>
          <al>In de artikelen 475 en volgende Rv is de mogelijkheid gegeven ten laste
                            van de belastingschuldige beslag te leggen onder een derde. Als blijkt
                            dat - na het afleggen van de buitengerechtelijke verklaring - de derde
                            geen gelden of zaken onder zich heeft, dan blijkt het beslag nooit te
                            hebben gelegen. De ontvanger stelt de derde hiervan op de hoogte.</al>
          <al/>
          <al>Een belastingaanslag kan ook worden verhaald door het leggen van
                            derdenbeslag op een vordering die formeel aan een ander dan de
                            belastingschuldige toebehoort, dan wel op naam van die ander -
                            bijvoorbeeld door een bank - wordt geadministreerd. Denk hierbij
                            bijvoorbeeld aan de echtgenoot met wie de belastingschuldige in
                            gemeenschap van goederen is gehuwd. In dat geval wordt het derdenbeslag
                            gelegd ten laste van de echtgenoot van de belastingschuldige, als de
                            echtgenoot alleen gerechtigd is de vermogensbestanddelen te vorderen die
                            onder het beslag vallen.</al>
          <al/>
          <al>In het beslag-exploot (waarvan afschrift wordt gelaten aan de
                            derdebeslagene) dat zowel aan de belastingschuldige als aan de
                            echtgenoot binnen acht dagen na het leggen van het beslag moet worden
                            betekend, moet de ontvanger zoveel mogelijk aangeven op welke gronden
                            hij de vordering die op naam van de echtgenoot is geadministreerd, meent
                            te kunnen uitwinnen ter verhaal van een vordering op de
                            belastingschuldige.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.4.2. Derdenbeslag of vordering ex artikel 19</vet>
          </al>
          <al>Als naast een derdenbeslag ook een vordering op grond van artikel 19 van
                            de wet mogelijk is, kiest de ontvanger voor het doen van een
                            vordering.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.4.3. Roerende zaken</vet>
            <vet> bij derden</vet>
          </al>
          <al>Als zich onder de derde roerende zaken van de belastingschuldige
                            bevinden, wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel
                            14.2.8 van deze leidraad.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.4.4. Plaats beslaglegging</vet>
            <vet> en derdenbeslag</vet>
          </al>
          <al>Aan de nauwkeurige vermelding in het exploot van beslag van de naam en
                            de eventuele rechtsvorm van de derde wordt bijzondere aandacht
                            geschonken. De situatie kan zich voordoen dat de derde een hoofdkantoor
                            heeft en een of meerdere bijkantoren. In dat geval legt de
                            belastingdeurwaarder het beslag zoveel mogelijk bij het hoofdkantoor dan
                            wel het filiaal of bijkantoor dat bemoeienis heeft met de gelden of
                            zaken waarop verhaal wordt gezocht.</al>
          <al/>
          <al>In spoedeisende gevallen kan het beslag worden gelegd onder een ander
                            filiaal of bijkantoor. De executantkiest in alle gevallen
                            domicilie bij de belastingdeurwaarder.</al>
          <al/>
          <al>Als er aanleiding toe bestaat, kan de ontvanger de omvang van het beslag
                            bij de beslaglegging beperken. Voor zover niet door een andere
                            schuldeiser beslag is gelegd, kan de omvang ook op een later tijdstip
                            nog worden beperkt. Van de beperking wordt in het beslagexploot of in
                            een afzonderlijk geschrift aan de derde uitdrukkelijk melding
                            gemaakt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.4.5. Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet
                                voor geldt</vet>
          </al>
          <al>Als beslag is gelegd in een situatie als bedoeld in artikel 475e dan wel
                            artikel 475f Rv en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn
                            levensonderhoud volledig afhankelijk is van de beslagen betalingen, dan
                            past de ontvanger zonder rechterlijke tussenkomst de regeling van de
                            beslagvrije voet toe als bedoeld in de artikelen 475b en 475d
                            Rv.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.4.6. Bij derdenbeslag in gebreke blijven tot het doen van
                                verklaring</vet>
          </al>
          <al>De derde-beslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de
                            ontvanger in gebreke gesteld als zeven kalenderdagen na de termijn van
                            vier weken nog geen verklaring van hem is ontvangen.</al>
          <al/>
          <al>Hij wordt daarbij gesommeerd om onverwijld tot verklaring over te
                            gaan.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.4.7. Bij derdenbeslag niet afdragen na het doen van
                                verklaring</vet>
          </al>
          <al>De derdebeslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de ontvanger
                            in gebreke gesteld als niet is overgegaan tot afdracht van de opeisbare
                            geldsommen of tot het aan de belastingdeurwaarder ter beschikking
                            stellen van de goederen en/of zaken binnen de termijn genoemd in de
                            schriftelijke uitnodiging van de ontvanger aan de derde-beslagene.</al>
          <al/>
          <al>Hij wordt daarbij gesommeerd om binnen zeven kalenderdagen aan zijn
                            verplichting te voldoen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.4.8. Afdracht binnen de vierwekentermijn</vet>
            <vet> bij
                                derdenbeslag</vet>
          </al>
          <al>Een derde-beslagene kan binnen de termijn van vier weken verklaring doen
                            van hetgeen hij onder zich heeft en de belastingdeurwaarder laten weten
                            direct tot afdracht te willen overgaan.</al>
          <al/>
          <al>In dat geval deelt de ontvanger hem namens de belastingdeurwaarder mee -
                            als er geen aanleiding bestaat de verklaring te betwisten - dat het
                            beslag van rechtswege vervalt op het moment dat de door de
                            derde-beslagene af te dragen geldsommen of ter beschikking te stellen
                            goederen en/of zaken door de belastingdeurwaarder zijn
                            ontvangen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.4.9. Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of
                                lijfrente</vet>
          </al>
          <al>Bij een derdenbeslag op een polis van een levens- of spaarverzekering of
                            lijfrente geldt - naast de voorschriften in artikel 479l en volgende Rv
                            het volgende:</al>
          <al>- De ontvanger stelt zich terughoudend op bij het leggen van
                            derdenbeslag als er sprake is van een niet-bovenmatige
                            oudedagsvoorziening;</al>
          <al>- De ontvanger betrekt in zijn overwegingen de verhouding tussen de
                            openstaande belastingschuld en de opbrengst bij afkoop of belening van
                            de polis. Bij de bepaling van de opbrengst houdt de ontvanger rekening
                            met het feit dat een (voortijdige) afkoop of belening van de polis in
                            bepaalde gevallen wordt aangemerkt als een verboden handeling die tot
                            negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen leiden als gevolg waarvan
                            een aanslag in de inkomstenbelasting kan worden opgelegd;</al>
          <al>- Als de netto-opbrengst van de polis minder dan € 2.500 bedraagt, de
                            polis wordt afgekocht of het derdenbeslag is gelegd drie jaren voor de
                            expiratiedatum, wint de ontvanger het derdenbeslag niet uit en gaat hij
                            niet over tot afkoop of belening. In dat geval laat de ontvanger - in
                            overleg met belastingschuldige - het beslag liggen tot de
                            expiratiedatum;</al>
          <al>- De omstandigheid dat het verzekerde bedrag pas na lange tijd tot
                            uitkering komt, staat op zich een derdenbeslag niet in de weg;</al>
          <al>- De belastingaanslagen waarvoor het derdenbeslag wordt gelegd moeten
                            onherroepelijk vaststaan en in redelijkheid materieel verschuldigd
                            worden geacht.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.4.10. Retentierecht</vet>
            <vet> en derdenbeslag</vet>
          </al>
          <al>Als de derdebeslagene een retentierecht heeft op de zaken die door het
                            derdenbeslag van de ontvanger zijn getroffen, dan kan de ontvanger op
                            grond van artikel 6:30 BW overgaan tot betaling van het bedrag waarvoor
                            het retentierecht geldt in afwachting van verrekening met de
                            belastingschuldige. Het bedrag moet dan wel beduidend lager zijn dan de
                            executiewaarde van de desbetreffende zaak.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.4.11. Opheffing van het derdenbeslag</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de
                            ontvanger dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij
                            deurwaardersexploot kenbaar gemaakt aan zowel de belastingschuldige als
                            de derde.</al>
          <al/>
          <al>In andere gevallen wordt van de opheffing schriftelijk kennis gegeven
                            aan de derde-beslagene. De ontvanger zendt aan de belastingschuldige een
                            afschrift van deze kennisgeving.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.4.12. Onverschuldigde betaling</vet>
            <vet> en
                            derdenbeslag</vet>
          </al>
          <al>Als een derde tegen de ontvanger een vordering uit onverschuldigde
                            betaling instelt en de ontvanger aan deze vordering voldoet, wordt de
                            belastingaanslag waarvoor het derdenbeslag is gelegd, geacht in zoverre
                            niet te zijn voldaan.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger kan de invordering van die aanslag dan ook hervatten alsof
                            er geen derdenbeslag is gelegd.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.4.13. Derdenbeslag onder de Staat of de ontvanger en het doen
                                van verklaring</vet>
          </al>
          <al>Als derdenbeslag wordt gelegd onder de Staat of de ontvanger, dan is
                            specificatie verplicht; er wordt in dit verband verwezen naar artikel
                            479 Rv. </al>
          <al/>
          <al>De verplichting tot specificatie heeft niet tot doel het verhaal te
                            belemmeren, maar de taak van de Staat of de ontvanger te verlichten. Dit
                            betekent dat de verklaring in het kader van het derdenbeslag zich niet
                            moet beperken tot de ex artikel 479 Rv genoemde vermogensbestanddelen,
                            maar zich ook moet uitstrekken tot alles wat de geëxecuteerde te
                            vorderen heeft van de Staat of de ontvanger en wat bij de Staat of de
                            ontvanger bekend was op het moment van beslaglegging.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.4.14. Derdenbeslag op voorlopige teruggaaf</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.5. Beslag op schepen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>1</vet>
            <vet>4.5.1. Beletten van het vertrek</vet>
            <vet> van het
                                schip</vet>
          </al>
          <al>De belastingdeurwaarder kan een bewaarder aanstellen en de nodige
                            maatregelen nemen om het vertrek van het schip te beletten. Denk hierbij
                            bijvoorbeeld aan het 'aan de ketting leggen' van het schip. Zo nodig
                            voorziet de belastingdeurwaarder zich - na daartoe overleg te hebben
                            gepleegd met de ontvanger - van deskundige bijstand. De kosten van deze
                            bijstand komen voor rekening van de belastingschuldige.</al>
          <al/>
          <al>In daartoe aanleiding gevende gevallen kan het feitelijk gebruik van het
                            schip weer aan de belastingschuldige worden gelaten, bijvoorbeeld
                            wanneer ter voorkoming van een executoriale verkoop door de
                            belastingschuldige een voorstel tot minnelijke afdoening is gedaan en
                            dit voorstel voor de ontvanger - gelet op de omstandigheden -
                            aanvaardbaar is.</al>
          <al>In ieder geval zal een minnelijke afdoening moeten passen in het bij
                            artikel 25 van deze leidraad geformuleerde uitstelbeleid.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.5.2. De executie van schepen</vet>
          </al>
          <al>Tenzij een andere wijze van verkoop is toegestaan of voorgeschreven
                            gebeurt de executoriale verkoop van een schip ten overstaan van een
                            bevoegde notaris.</al>
          <al/>
          <al>De verkoop van een buitenlands zeeschip kan ook plaatsvinden ten
                            overstaan van de rechtbank. Van deze mogelijkheid zal met name gebruik
                            moeten worden gemaakt als het land van herkomst de verkoop door een
                            notaris niet erkent.</al>
          <al/>
          <al>De executie van niet-teboekgestelde schepen gebeurt op dezelfde wijze
                            als de executie van andere roerende zaken die geen registergoederen
                            zijn. Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de ontvanger
                            een andere belastingdeurwaarder dan de belastingdeurwaarder die met de
                            verkoop is belast, opdragen voor rekening van de gemeente te bieden. De
                            ontvanger geeft deze belastingdeurwaarder zo nodig nadere
                            aanwijzingen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.5.3. Afgelasting van de verkoop</vet>
            <vet> van een
                            schip</vet>
          </al>
          <al>Als een aangekondigde verkoop van een schip om enigerlei reden geen
                            doorgang kan vinden, dan draagt de ontvanger er zorg voor dat de
                            aanplakbiljetten onmiddellijk worden verwijderd. Hij treft ook voor op
                            andere wijze gedane aankondigingen dienovereenkomstige maatregelen.</al>
          <al>Als de belastingschuldige niet van de afgelasting op de hoogte is, dan
                            wordt hem hiervan onverwijld schriftelijk en gemotiveerd mededeling
                            gedaan. Als verwacht mag worden dat deze mededeling de
                            belastingschuldige niet meer voor het aangekondigde tijdstip van verkoop
                            bereikt, dan stelt de ontvanger hem zo mogelijk op een andere wijze in
                            kennis.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.5.4. Deskundige hulp</vet>
            <vet> en beslag op schepen</vet>
          </al>
          <al>Als bij een executie deskundige hulp is gewenst, kan de ontvanger een
                            makelaar of een andere ter zake kundige inschakelen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>14.5.5. Opheffing van het beslag</vet>
            <vet> op schepen</vet>
          </al>
          <al>Van de opheffing van het beslag wordt schriftelijk mededeling gedaan aan
                            de belastingschuldige. Ook wordt - ingeval van teboekgestelde schepen -
                            van de opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de
                            ingeschreven schuldeisers.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>15</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al>Er zijn in deze leidraad op artikel 15 van de wet geen beleidsregels
                                gemaakt.<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Xopus.aspx?id=148483&amp;xml=RegelingXML.ashx?id=148483#_ftn1">[1]</extref></al>
          <al>
            <extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Xopus.aspx?id=148483&amp;xml=RegelingXML.ashx?id=148483#_ftnref1">[1]</extref> Let op: als de invordering wordt toegepast met artikel
                            15, eerste lid, aanhef, of onderdeel a of b, van de wet is betekening
                            van een dwangbevel door terpostbezorging niet mogelijk.</al>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>16</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al>Vervallen</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>17</nr>
            <titel>Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel</titel>
          </kop>
          <al>Artikel 17 van de wet geeft een zelfstandige regeling voor het instellen
                            van verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel. Naast de
                            belastingschuldige kan een ieder tegen wie de dwanginvordering is
                            gericht in verzet komen.</al>
          <al/>
          <al>Verzet is mogelijk zodra de betekening van het dwangbevel heeft
                            plaatsgevonden. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het
                            dwangbevel, voor zover dit door het verzet wordt bestreden. Ook kan
                            verzet worden gedaan tegen een vordering als bedoeld in artikel 19 van
                            de wet.</al>
          <al/>
          <al>Er kan geen verzet worden ingesteld tegen de in rekening gebrachte
                            kosten van de aanmaning en de betekeningskosten van het dwangbevel.</al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 17 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- de schorsing van de invordering bij verzet tegen tenuitvoerlegging
                            dwangbevel;</al>
          <al>- verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste
                            adressering.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>17.1. Schorsing van de invordering</vet>
            <vet> bij verzet tegen
                                tenuitvoerlegging dwangbevel</vet>
          </al>
          <al>Als naar de mening van de ontvanger het doen van verzet zo duidelijk
                            kansloos is dat er sprake is van misbruik van een bevoegdheid als
                            bedoeld in artikel 3:13 BW, kan hij - na verkregen toestemming van het
                            college besluiten de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voort te
                            zetten.</al>
          <al/>
          <al>Als sprake is van een beslag onder een derde, en de derde heeft een
                            buitengerechtelijke verklaring afgelegd die de ontvanger onjuist of
                            onvolledig acht, dan deelt de ontvanger de schorsing van de executie
                            schriftelijk aan de derde mee onder vermelding van de grond waarop deze
                            schorsing berust.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger vermeldt daarbij tevens onder verwijzing naar artikel 476
                            Rv, dat door deze mededeling de schorsing ook tegen de derde werkt. Ook
                            wordt in de mededeling vermeld dat de verklaring wordt betwist en dat
                            tot dagvaarding zal worden overgegaan, nadat de schorsende werking van
                            het verzet is opgeheven.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>17.2. Verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste
                                adressering</vet> Als het aanslagbiljet, de aanmaning of het
                            afschrift van het per post betekende dwangbevel aan een onjuist adres is
                            verzonden en daarom de belastingschuldige niet heeft bereikt, is verzet
                            mogelijk.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>18</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al>Er zijn in deze leidraad op artikel 18 van de wet geen beleidsregels
                            gemaakt. </al>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>19</nr>
            <titel>Doen van een vordering</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>De in artikel 19 van de wet omschreven vordering geeft de
                                ontvanger de mogelijkheid om in bepaalde gevallen op eenvoudige
                                wijze belastingschuld te verhalen op hetgeen een derde aan de
                                belastingschuldige is verschuldigd of ten behoeve van hem onder zich
                                heeft of zal krijgen.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 19 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- de algemene regels over het doen van een vordering;</al>
          <al>- de faillissementsvordering;</al>
          <al>- vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen;</al>
          <al>- de overheidsvordering, bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de
                            wet.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.1. Vordering algemeen</vet>
          </al>
          <al>Als het doen van een vordering rechtens mogelijk is, wordt mede ter
                            besparing van kosten aan dit eenvoudige invorderingsmiddel de voorkeur
                            gegeven boven derdenbeslag. </al>
          <al/>
          <al>Ingeval van twijfel of degene aan wie de vordering zou moeten worden
                            gericht wel houder van penningen is, moet al naar gelang de
                            omstandigheden worden beoordeeld of het leggen van derdenbeslag de
                            voorkeur verdient.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.1.1. Bekendmaking vordering</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger maakt de vordering bekend door toezending van een brief aan
                            degene aan wie de vordering is gedaan en aan de belastingschuldige.</al>
          <al/>
          <al>Als de ontvanger dat wenselijk acht, kan hij de vordering ook aan
                            genoemde personen laten betekenen door de belastingdeurwaarder. Bij de
                            betekening van een vordering handelt de belastingdeurwaarder
                            overeenkomstig de voor betekening van exploten geldende regels van het
                            Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</al>
          <al/>
          <al>Voor de betekening brengt de belastingdeurwaarder geen kosten in
                            rekening.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.1.2. Voldoen aan de vordering</vet>
          </al>
          <al>Als de derde betaalt op een vordering die betrekking heeft op twee of
                            meer belastingaanslagen heeft hij niet het recht om aan te geven ter
                            voldoening van welke belastingaanslag de betaling strekt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.1.3. Niet voldoen aan de vordering</vet>
          </al>
          <al>Derdenbeslag wordt alleen gelegd als aan de vordering ten onrechte niet
                            is voldaan, dan wel de derde hierop ten onrechte niet heeft gereageerd.
                            Hiervan is zeker sprake als blijkt dat het uitblijven van het voldoen
                            aan de vordering te wijten is aan de derde.</al>
          <al/>
          <al>Als de ontvanger in verband met de kosten of om andere redenen
                            derdenbeslag niet opportuun acht, wordt daarvan afgezien en wordt de
                            vordering ingetrokken.</al>
          <al/>
          <al>Als wordt overgegaan tot het leggen van derdenbeslag wordt in het
                            beslagexploot melding gemaakt van de vordering die aan het beslag is
                            voorafgegaan en van de datum waarop die vordering is gedaan.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.1.4. Intrekken van een vordering</vet>
          </al>
          <al>Zodra een vordering om enigerlei reden niet langer hoeft te worden
                            gehandhaafd, trekt de ontvanger deze bij beschikking in. De ontvanger
                            maakt deze beschikking bekend aan degene aan wie de vordering is
                            gedaan.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.1.5. Vermindering of vernietiging van de
                                belastingaanslag</vet>
            <vet> in relatie tot vordering</vet>
          </al>
          <al>Als een derde op vordering van de ontvanger betaalt en naderhand
                            vermindert of vernietigt de inspecteur de belastingaanslag, dan wordt de
                            hieruit voortvloeiende teruggaaf verrekend of uitbetaald aan de
                            belastingschuldige.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.1.6. Doorbreken beslagverboden</vet>
            <vet> en
                            vordering</vet>
          </al>
          <al>Bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de wet (het
                            vereenvoudigd beslag op vorderingen tot bepaalde periodieke uitkeringen)
                            bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid een wettelijk beslagverbod
                            gedeeltelijk te negeren. Van deze mogelijkheid maakt de ontvanger alleen
                            gebruik als de belastingschuldige kan worden gekwalificeerd als een
                            notoire wanbetaler in de zin van artikel 19, tweede lid, van de
                            wet.</al>
          <al/>
          <al>De vordering waarbij een beroep wordt gedaan op de verruimde
                            beslagmogelijkheid vindt steeds separaat plaats en wordt vooraf
                            schriftelijk aangekondigd aan de belastingschuldige, onder vermelding
                            van het bijzondere karakter daarvan.</al>
          <al/>
          <al>De vordering kan niet plaatsvinden voor kinderbijslag onder welke
                            benaming dan ook. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de
                            verruimde beslagmogelijkheid uitgegaan van het maximale bereik: een
                            tiende deel van het bedrag dat op grond van de wet niet vatbaar is voor
                            beslag.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.1.7. Notoire wanbetaler</vet>
            <vet> en vordering</vet>
          </al>
          <al>In afwijking in zoverre van artikel 19, tweede lid, van de wet vindt de
                            vordering waarbij de doorbreking van een wettelijk beslagverbod wordt
                            ingeroepen slechts plaats indien voldaan is aan de volgende
                            voorwaarden:</al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt heeft de
                                    belastingschuldige meer dan één aanslag onbetaald gelaten;</al></li>
            <li nr="2."><al>de enige of laatste betalingstermijn van deze aanslagen is op
                                    het tijdstip waarop de vordering plaats vindt met ten minste
                                    twee maanden overschreden;</al></li>
            <li nr="3."><al>de belastingschuldige komt niet voor uitstel van betaling of
                                    kwijtschelding in aanmerking omdat hij, naar de ontvanger bekend
                                    is, beschikt over voldoende vermogen of voldoende
                                    betalingscapaciteit om de belastingaanslagen te voldoen.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.1.8. Vordering ten laste van de echtgenoot</vet>
          </al>
          <al>Als de echtgenoot van de belastingschuldige recht heeft op gelden,
                            penningen of periodieke betalingen die in de huwelijksgemeenschap
                            vallen, dan kan de ontvanger een vordering ten laste van de echtgenoot
                            doen. De bekendmaking van de vordering dient zo spoedig mogelijk, maar
                            uiterlijk binnen acht dagen na het doen van de vordering, te geschieden
                            aan de belastingschuldige en de echtgenoot afzonderlijk. Voor zover het
                            periodieke uitkeringen betreft die onder de opsomming van artikel 19,
                            eerste lid, van de wet vallen, past de ontvanger de beslagvrije voet toe
                            alsof de echtgenoot de belastingschuldige is.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.2. De faillissementsvordering</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.2.1. Aan te melden schulden</vet>
            <vet> in
                            faillissement</vet>
          </al>
          <al>In een faillissement vallen de belastingschulden - en ook de
                            invorderingsrente - voor zover zij materieel zijn ontstaan vóór de dag
                            van de faillietverklaring. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de
                            materiële belastingschuld ontstaat van dag tot dag tenzij het tegendeel
                            blijkt:</al>
          <al>- Belastingschulden ontstaan tot aan de datum van het faillissement
                            worden als faillissementsschulden aangemerkt;</al>
          <al>- Belastingschulden ontstaan vanaf de datum van het faillissement zijn
                            niet verifieerbaar en moeten eventueel als boedelschuld worden
                            aangemeld.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger splitst de belastingaanslag naar tijdsevenredigheid of
                            tijdstip en doet twee aparte vorderingen:</al>
          <al>- één voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden aangemeld;</al>
          <al>- één voor het gedeelte dat als boedelschuld kan worden aangemerkt.</al>
          <al/>
          <al>Voorlopige aanslagen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet
                            kan de ontvanger niet eerder aanmelden dan nadat de termijnen die aan
                            die aanslagen verbonden zijn, zijn vervallen. De ontvanger splitst de
                            voorlopige aanslagen naar tijdsevenredigheid of tijdstip.</al>
          <al/>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.2.2. Belastingschulden ontstaan gedurende een surséance zijn
                                boedelschulden in faillissement</vet>
          </al>
          <al>Belastingschulden die materieel zijn ontstaan gedurende de periode van
                            een surséance van betaling die aan het faillissement voorafgaat, kunnen
                            op grond van artikel 249 FW worden beschouwd als boedelschulden in het
                            faillissement.</al>
          <al/>
          <al>Het bepaalde in artikel 19.2.1 van de leidraad is op deze schulden en de
                            belastingaanslagen die hierop betrekking hebben op soortgelijke wijze
                            van toepassing.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.2.3. Opkomen in faillissement</vet>
          </al>
          <al>Van de bevoegdheid om van de curator dadelijke voldoening aan de
                            vordering te verlangen maakt de ontvanger geen gebruik, tenzij
                            bijzondere omstandigheden met het oog op het belang van de invordering
                            daartoe noodzaken.</al>
          <al/>
          <al>In alle gevallen waarin de ontvanger in het faillissement opkomt,
                            vermeldt hij in de vordering dat hij aanspraak maakt op eventuele
                            voorrang. Als de curator tijdens het faillissement materieel ontstane
                            belastingschulden die als boedelschuld kunnen worden aangemerkt, ten
                            onrechte niet voldoet, dan wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot
                            de curator om langs minnelijke weg alsnog voldoening te
                            bewerkstelligen.</al>
          <al/>
          <al>Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing, wendt de ontvanger
                            zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval
                            kan de ontvanger zich rechtstreeks verhalen op de boedel.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.3. Vorderingen met betrekking tot periodieke
                                </vet>
            <vet>uitkeringen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.3.1. Overwegen van vordering op periodieke
                            uitkeringen</vet>
          </al>
          <al>Bij de beoordeling van de vraag of een vordering wordt gedaan met
                            betrekking tot een periodieke uitkering, is doorslaggevend het feit dat
                            de vordering een bijzonder invorderingsinstrument betreft waarmee een
                            doelmatige en doeltreffende invordering van belastingschulden is
                            beoogd.</al>
          <al/>
          <al>Dit betekent dat de vordering in beginsel de voorkeur verdient boven
                            andere invorderingsmaatregelen waarbij het dwangbevel ten uitvoer wordt
                            gelegd door middel van beslag. Als het invordering van zeer geringe
                            bedragen betreft, bestaat er aanleiding eerst andere
                            invorderingsmaatregelen te proberen alvorens de derde via de vordering
                            te betrekken.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.3.2. Vooraankondiging</vet>
            <vet> van vordering op periodieke
                                uitkeringen</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger het dwangbevel per post heeft betekend en de
                            invordering vervolgt door een vordering onder de werkgever (artikel 19,
                            eerste lid, onderdeel a, van de wet) of door een andere vordering op een
                            periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden, is hij
                            verplicht de belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen
                            van zijn voornemen een vordering te doen.</al>
          <al>De ontvanger doet de vooraankondiging niet eerder dan nadat vier dagen
                            zijn verstreken na de datum waarop hij het afschrift van het dwangbevel
                            met bevel tot betaling ter post heeft bezorgd.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger doet de betreffende vordering niet eerder dan zeven dagen
                            na de dagtekening van de vooraankondiging. De vooraankondiging blijft
                            achterwege als de ontvanger de vordering doet bij een werkgever of
                            uitkeringsinstantie die reeds op vordering van de ontvanger een
                            belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten
                            betalen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.3.3. Beslagvrije voet</vet>
            <vet> en vordering op periodieke
                                uitkeringen</vet>
          </al>
          <al>Als een vordering wordt gedaan voor periodieke uitkeringen die niet
                            vallen onder de opsomming van artikel 19, eerste lid, van de wet (en
                            waarvoor geen beslagvrije voet geldt) en de belastingschuldige toont aan
                            dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van deze
                            uitkeringen, dan past de ontvanger de artikelen 475b en 475d Rv
                            toe.</al>
          <al/>
          <al>In dat geval geldt de vordering nog slechts voor het gedeelte waarmee de
                            periodieke uitkering de beslagvrije voet overtreft. Hetzelfde geldt bij
                            vorderingen ten laste van een belastingschuldige die niet in Nederland
                            woont of vast verblijft.</al>
          <al/>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.3.4. Informatieverstrekking voor vaststelling beslagvrije
                                voet</vet>
          </al>
          <al>De beslagvrije voet wordt bepaald aan de hand van de gegevens die bij de
                            ontvanger bekend zijn. Als de ontvanger de beslagvrije voet niet tot een
                            juist bedrag kan vaststellen zonder nadere informatie van de
                            belastingschuldige, stelt hij - op basis van artikel 58 van de wet - de
                            belastingschuldige in de gelegenheid die nadere informatie te
                            verstrekken. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de belastingschuldige
                            een partner heeft en het inkomen van de partner bij de ontvanger niet
                            bekend is.</al>
          <al/>
          <al>Als de belastingschuldige de gevraagde informatie niet verstrekt, wordt
                            de beslagvrije voet vastgesteld op 45% van de bijstandsnorm. Als de
                            belastingschuldige vervolgens de gevraagde informatie alsnog verstrekt,
                            wijzigt de ontvanger de beslagvrije voet en past deze toe vanaf de
                            eerstvolgende inhouding, dus zonder terugwerkende kracht.</al>
          <al/>
          <al>In situaties waarin de ontvanger de beslagvrije voet heeft vastgesteld
                            zonder vooraf informatie over inkomsten en uitgaven op te vragen bij de
                            belastingschuldige, herstelt de ontvanger de beslagvrije voet als door
                            de belastingschuldige wordt aangetoond dat deze te laag is vastgesteld.
                            Als de belastingschuldige kan aantonen dat de beslagvrije voet al op een
                            eerder moment op een te laag bedrag was vastgesteld, gebeurt dit met
                            terugwerkende kracht.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.3.5. Belastingschuldige woont in buitenland</vet>
            <vet> en beslag
                                periodieke uitkering</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingschuldige in het buitenland woont, kan hij uit Nederland
                            een periodieke uitkering genieten die in het woonland belast is op grond
                            van een overeenkomst inzake voorkoming van dubbele belasting. In dat
                            geval wordt op verzoek van de belastingschuldige het beslag op de
                            periodieke uitkering beperkt met de belasting die in het woonland over
                            die uitkering verschuldigd is. De belastingschuldige moet bij zijn
                            verzoek gegevens overleggen waaruit deze belasting blijkt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.3.6. Verrekening ex artikel 117 Ambtenarenwet</vet>
          </al>
          <al>Verhaal op (periodieke) inkomsten die een belastingschuldige geniet
                            vanwege de Staat, gebeurt door aan de betreffende autoriteit verrekening
                            te vragen volgens artikel 117 van de Ambtenarenwet en subsidiair door
                            een vordering te doen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.3.7. Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm</vet>
          </al>
          <al>Periodieke uitkeringen kunnen lager zijn dan de bijstandsnorm omdat de
                            betrokkene in natura geniet wat een bijstandsgerechtigde uit de
                            bijstandnorm geacht wordt te betalen. In een dergelijk geval vermindert
                            de ontvanger de beslagvrije voet met het bedrag dat aan deze genietingen
                            in natura kan worden toegerekend.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.3.8. Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>19.4. Beslagvrije voet en overheidsvordering</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij vanwege de
                            toepassing van de overheidsvordering, bedoeld in artikel 19, vierde lid,
                            van de wet, een lager bedrag aan bestaansmiddelen overhoudt dan
                            overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet, maakt de
                            ontvanger de overheidsvordering op verzoek van de belastingschuldige in
                            zoverre ongedaan met inachtneming van hetgeen hierna volgt. Bij het
                            verzoek verstrekt de belastingschuldige naast de gegevens die van belang
                            zijn voor de vaststelling van de beslagvrije voet een overzicht van de
                            banktegoeden, waaronder begrepen spaartegoeden, waarover de
                            belastingschuldige onmiddellijk na de overheidsvordering kon beschikken.
                            Ongedaanmaking blijft beperkt tot de laatste overheidsvordering
                            voorafgaand aan het verzoek van de belastingschuldige. Als sprake is van
                            een belastingschuldige als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de
                            wet, berekent de ontvanger de beslagvrije voet met inachtneming van het
                            bepaalde in artikel 19, eerste lid, laatste volzin van de wet. Het
                            bepaalde in artikel 19.1.7 van deze leidraad is hierbij van toepassing.
                            Voordat de ontvanger tot teruggaaf overgaat, gaat hij na of de
                            belastingschuldige op het moment dat de overheidsvordering is gedaan,
                            beschikte over banktegoeden, waaronder begrepen spaartegoeden. Als het
                            totaal van de banktegoeden waarover de belastingschuldige onmiddellijk
                            na de overheidsvordering kon beschikken groter is dan de voor hem
                            geldende beslagvrije voet, vermindert de ontvanger de teruggaaf met het
                            meerdere.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>20</nr>
            <titel>Lijfsdwang</titel>
          </kop>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>21</nr>
            <titel>Voorrecht rijksbelastingen</titel>
          </kop>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>22</nr>
            <titel>Bodemrecht</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Artikel</cursief>
            <cursief> 22 van de wet gaat over het
                                bodemrecht.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 22 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- de werkingssfeer van het bodemrecht;</al>
          <al>- bodemrecht en bestuurlijke boeten;</al>
          <al>- overbetekening bodembeslag;</al>
          <al>- de volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement;</al>
          <al>- de volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement;</al>
          <al>- bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar;</al>
          <al>- bodemrecht en voorrang;</al>
          <al>- verzet en beroep.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.1. Werkingssfeer</vet>
            <vet> en reikwijdte bodemrecht</vet>
          </al>
          <al>Derden die de eigendom pretenderen van in beslag genomen roerende of
                            onroerende zaken, kunnen hun rechten op die zaken - op de voet van de
                            artikelen 456 respectievelijk 538 en volgende Rv - geldend maken. Op
                            grond van artikel 435 Rv kunnen derden zich ook tegen het beslag
                            verzetten. </al>
          <al>Onafhankelijk hiervan kunnen derden die geheel of gedeeltelijk recht
                            menen te hebben op roerende zaken waarop voor een belastingschuld beslag
                            is gelegd, hun bezwaren tegen de beslaglegging van die zaken in de
                            administratieve sfeer door middel van een beroepschrift voorleggen aan
                            het college van de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>Met derden worden hier niet alleen bedoeld degenen die zich op een
                            eigendomsrecht beroepen, maar ook degenen die een beperkt recht op de
                            zaak menen te hebben. Een tijdig ingediend beroepschrift op de voet van
                            artikel 22, eerste lid, van de wet schort de executie van rechtswege
                            op.</al>
          <al/>
          <al>Artikel 22, derde lid, van de wet ontneemt derden de mogelijkheid van
                            verzet in rechte tegen de inbeslagneming van de in dat artikel bedoelde
                            zaken en genoemde belastingaanslagen. Dit noemt men het bodemrecht van
                            de fiscus. Dit voorrecht kan de ontvanger van de gemeente niet
                            toepassen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.2. Bodemrecht en bestuurlijke boeten</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.3. Overbetekening bodembeslag</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger bekend is met de omstandigheid dat zaken in eigendom
                            toebehoren aan een derde, dan is hij op grond van artikel 435, derde
                            lid, Rv verplicht bij beslaglegging op die zaken, dit beslag binnen acht
                            dagen na de beslaglegging aan die derde te doen betekenen door de
                            belastingdeurwaarder.</al>
          <al/>
          <al>Bij deze overbetekening moet de derde schriftelijk worden gemeld dat hij
                            de mogelijkheid heeft een beroepschrift tegen de inbeslagneming te
                            richten aan het college.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger gaat onmiddellijk tot betekening aan de derde over als hij
                            op enig later tijdstip - maar vóór de geplande verkoopdatum - kennis
                            krijgt van het feit dat de in beslag genomen zaken eigendom zijn van die
                            derde. Als tussen het moment van de betekening aan de derde en de
                            vastgestelde verkoopdatum minder dan acht dagen liggen, gaat de
                            ontvanger over tot het vaststellen van een nieuwe
                            verkoopdatum.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.4. Volgorde uitwinning bodembeslag buiten
                            faillissement</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.5. Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.6. Bodemrecht en insolventie van de
                                derde-eigen</vet>
            <vet>aar</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.7. Bodemrecht en voorrang</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.8. Verzet en beroep</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.8.1. Verzet artikel 435, derde lid, Rv</vet>
            <vet> tegen
                                bodembeslag</vet>
          </al>
          <al>Als uit een verzetschrift ex artikel 435, derde lid, Rv blijkt dat de
                            derde geen eigenaar is van de zaken genoemd in dat verzetschrift, of
                            voor de ontvanger anderszins duidelijk is dat de derde geen eigenaar is
                            van de betreffende zaken, dan vindt executie van die zaken in beginsel
                            doorgang.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.8.2. Taken met betrekking tot de schriftelijke mededeling ex
                                artikel 435, derde lid, Rv</vet>
            <vet> inzake bodembeslag</vet>
          </al>
          <al>Als de derde een schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv
                            heeft gedaan, heft de ontvanger het beslag op als zonder meer duidelijk
                            is dat het zaken betreft waarop de ontvanger geen verhaal kan
                            nemen.</al>
          <al/>
          <al>In de overige gevallen zendt de ontvanger de schriftelijke mededeling
                            door naar het college. Als ook het college geen aanleiding ziet aan het
                            verzet tegemoet te komen, dan stuurt de ontvanger de stukken door naar
                            een advocaat met het verzoek een procedure aan te spannen om een
                            executoriale titel tegen de derde te verkrijgen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.8.3. Opschorting verkoop na verzet in rechte</vet>
            <vet> tegen
                                bodembeslag</vet>
          </al>
          <al>Een verzet op de voet van artikel 456 Rv tegen de verkoop van roerende
                            zaken schort de voortgang van de executie niet van rechtswege op.</al>
          <al>Niettemin schort de ontvanger de invordering in het algemeen op en neemt
                            hij geen onherroepelijke maatregelen, tenzij naar het oordeel van de
                            ontvanger het opschorten van de invordering de belangen van de gemeente
                            schaadt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.8.4. Beroepschrift ex artikel 22</vet>
            <vet> van de
                            wet</vet>
          </al>
          <al>Het beroepschrift ex artikel 22 van de wet moet worden ingediend bij de
                            ontvanger, waaronder de belastingschuldige ressorteert. Een
                            beroepschrift kan niet meer worden ingediend als het beslag is opgeheven
                            of vervallen.</al>
          <al/>
          <al>Als toch een beroepschrift wordt ingediend, dan zal het college dit
                            beroepschrift niet in behandeling nemen omdat het beslag niet meer
                            ligt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.8.5. Beroepschriftprocedure</vet>
            <vet> ex artikel 22 van de
                                wet</vet>
          </al>
          <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 22 van de wet geldt voor de
                            beroepsfase dat als uit een beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop
                            het beroep is gebaseerd, de ontvanger de indiener verzoekt om het
                            beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De
                            ontvanger wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring
                            bij het niet voldoen aan de motiveringsplicht.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.8.6. Taak van de ontvanger met betrekking tot beroepschrift ex
                                artikel 22</vet>
            <vet>, eerste lid, van de wet</vet>
          </al>
          <al>Een beroepschrift dat te laat is ingediend - maar dat betrekking heeft
                            op een beslag dat nog steeds ligt - zal het college niet ontvankelijk
                            verklaren, tenzij hij van oordeel is dat de indiener niet in verzuim is
                            geweest.</al>
          <al/>
          <al>Een beroepschrift dat in verband met te late indiening niet-ontvankelijk
                            is verklaard, zal het college ambtshalve in behandeling nemen. De
                            ontvanger schort in het algemeen eveneens de verkoop op - ongeacht de
                            eventuele wettelijke noodzaak daartoe - als een tijdig ingediend
                            beroepschrift niet op alle inbeslaggenomen zaken betrekking heeft.</al>
          <al/>
          <al>Als de belanghebbende zich met zijn bezwaren tot de ontvanger wendt
                            voordat hij een beroepschrift indient of een procedure aanspant, dan
                            wijst de ontvanger de belanghebbende op de mogelijkheid een
                            beroepschrift tot het college te richten. Als de ontvanger in dit
                            stadium met de belanghebbende tot een oplossing kan komen, verdient dit
                            uiteraard aanbeveling. In geval van leasing geldt echter dat de
                            ontvanger een beslag niet opheft dan na overleg met het
                            college.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.8.7. Beslissing college op het beroepschrift</vet>
            <vet> tegen
                                een bodembeslag</vet>
          </al>
          <al>Het college motiveert de beslissing ook als sprake is van een te laat
                            ingediend beroepschrift. Het college zendt zijn beslissing op een
                            ontvankelijk verklaard beroepschrift aan de ontvanger. De ontvanger
                            draagt zorg voor onmiddellijke betekening van de beslissing aan de
                            derde, aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan
                            de bewaarder. Voor de betekening van de beslissing van het college
                            worden geen kosten in rekening gebracht.</al>
          <al>Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt
                            hetzij door het college rechtstreeks aan de adressant of zijn
                            gemachtigde en zo nodig aan de bewaarder gezonden, hetzij op verzoek van
                            het college betekend op de wijze die geldt voor een ontvankelijk
                            verklaard beroepschrift.</al>
          <al/>
          <al>Als het gewenst is dat de zaken - in afwachting van de beslissing op het
                            beroepschrift - spoedig worden verkocht, dan kan de ontvanger na overleg
                            met het college erin toestemmen dat de verkoop door de derde gebeurt
                            mits de opbrengst - die in de plaats van de zaken treedt - in afwachting
                            van de beslissing bij de ontvanger wordt gedeponeerd.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.8.8. Onduidelijk bezwaar</vet>
            <vet> tegen bodembeslag</vet>
          </al>
          <al>De situatie kan zich voordoen dat de ontvanger uit het ingediende
                            bezwaarschrift niet kan opmaken of is beoogd administratief beroep in te
                            stellen op grond van artikel 22 eerste lid, van de wet dan wel verzet
                            aan te tekenen op grond van artikel 435, derde lid, Rv.</al>
          <al/>
          <al>Als dat het geval is, nodigt de ontvanger de derde uit zich daarover
                            binnen tien dagen uit te laten. Als de derde niet reageert, wordt het
                            geschrift aangemerkt als een beroepschrift ex artikel 22, eerste lid,
                            van de wet.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.8.9. Samenloop administratief beroep en verzet</vet>
            <vet> tegen
                                bodembeslag</vet>
          </al>
          <al>Als de derde zowel een beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de
                            wet indient als een schriftelijke mededeling doet als bedoeld in artikel
                            435, derde lid, Rv, dan zendt de ontvanger eerst het beroepschrift ter
                            behandeling aan het college, voordat hij het verzet ex artikel 435,
                            derde lid, Rv behandelt.</al>
          <al/>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.8.10. Criteria voor de beslissing op het beroepschrift ex
                                artikel 22</vet>
            <vet>, eerste lid, van de wet</vet>
          </al>
          <al>Bij de beslissing van het college op een beroepschrift dat is ingediend
                            tegen de inbeslagneming van bodemzaken voor belastingaanslagen als
                            bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet, wordt het eigendomsrecht
                            van een derde ontzien in die gevallen waarin sprake is van eigendom van
                            de derde.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.8.11. Beëindiging operationele lease-overeenkomst</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>22.8.12. Executie</vet>
            <vet> en bodemrecht</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>22bis</nr>
            <titel>Mededeling</titel>
          </kop>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>22a</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al>Vervallen.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr> 23</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al> Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>23a</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>24</nr>
            <titel>Verrekening</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Artikel 24 van de wet regelt de verrekening door de ontvanger
                                van in te vorderen en uit te betalen bedragen. Bij de verrekening
                                mag de ontvanger geen gebruik maken van de algemene
                                verrekeningsbepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Tijdens
                                faillissement, surséance en wettelijke schuldsanering geldt artikel
                                24 van de wet niet; dan zijn de artikelen 53 tot en met 56, 234, 235
                                en 307 van de FW van toepassing.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 24 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- wanneer verrekening;</al>
          <al>- betwiste schuld en verrekening;</al>
          <al>- reikwijdte van de verrekening;</al>
          <al>- bekendmaking verrekening;</al>
          <al>- instemmingsregeling bij cessie en verpanding.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>24.1. Wanneer verrekening</vet>
          </al>
          <al>De verrekening vindt niet van rechtswege plaats. De ontvanger bepaalt of
                            al dan niet tot verrekening wordt overgegaan.</al>
          <al/>
          <al>Als de belastingschuldige de ontvanger verzoekt een bepaalde
                            belastingteruggaaf of een ander uit te betalen bedrag met een bepaalde
                            openstaande aanslag of andere vordering te verrekenen, dan willigt de
                            ontvanger dit verzoek altijd in.</al>
          <al/>
          <al>Dit geldt ook als het verzoek wordt gedaan nog voordat de teruggaaf is
                            geformaliseerd of het uit te betalen bedrag is vastgesteld. In dat geval
                            schort de ontvanger de invordering echter niet zonder meer op. Zo nodig
                            kan de belastingschuldige om uitstel van betaling in verband met de te
                            verwachten teruggaaf respectievelijk het te verwachten uit te betalen
                            bedrag verzoeken (zie artikel 25.3 van deze leidraad).</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>24.1.1. Voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>24.2. Betwiste schuld</vet>
            <vet> en verrekening</vet>
          </al>
          <al>In het algemeen gaat de ontvanger niet tot verrekening over met een te
                            betalen bedrag dat de belastingschuldige betwist en waarvoor de
                            ontvanger uitstel van betaling heeft verleend op grond van artikel 25.2
                            van deze leidraad.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger kan wel verrekenen als de financiële situatie van de
                            belastingschuldige zodanig is dat vrees voor onverhaalbaarheid
                                bestaat.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>
              <cursief>24.3. Reikwijdte van de verrekening</cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>Ondanks het feit dat de wet daartoe wel de mogelijkheid biedt, worden
                            uit te betalen bedragen niet automatisch verrekend met aanslagen die
                            (nog) niet invorderbaar zijn. Dit laat onverlet dat de ontvanger bevoegd
                            is om in gevallen zoals omschreven in artikel 19, tweede lid, van de wet
                            binnen de betalingstermijn te verrekenen.</al>
          <al/>
          <al>Bij een belastingaanslag waarvan een betalingstermijn van een
                            termijnbetaling is verstreken, kan de ontvanger alleen verrekenen voor
                            zover de termijn is verstreken.</al>
          <al/>
          <al>Hierop maakt de ontvanger een uitzondering als er sprake is van een
                            situatie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen b, c of d,
                            van de wet. Dan is verrekening mogelijk met alle termijnen van de
                            voorlopige aanslag vanaf het moment dat zich één van de genoemde
                            situaties voordoet.</al>
          <al/>
          <al>Verrekening met andere bedragen waarvan de invordering aan de ontvanger
                            is opgedragen, kan plaatsvinden vanaf het moment waarop de invordering
                            aan de ontvanger is opgedragen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>24.4. Bekendmaking</vet>
            <vet> verrekening</vet>
          </al>
          <al>Verrekening van een uit te betalen bedrag door de ontvanger gebeurt bij
                            beschikking. De beschikking wordt aan de belastingschuldige
                            bekendgemaakt door toezending of uitreiking van een
                            kennisgeving.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>24.5. Verrekening en fiscale eenheid
                            vennootschapsbelasting</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>24.6. Instemmingsregeling</vet>
            <vet> bij cessie en
                            verpanding</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>24.6.1. Geen verrekening bij instemming</vet>
            <vet> cessie of
                                verpanding</vet>
          </al>
          <al>In artikel 24, vierde lid, van de wet is een instemmingsregeling
                            opgenomen die verrekening uitsluit als de ontvanger instemt met cessie
                            (artikel 3:94 BW) of stille verpanding (artikel 3:239 BW) van een uit te
                            betalen bedrag.</al>
          <al/>
          <al>Als de ontvanger niet heeft ingestemd, kan hij tot verrekening met
                            openstaande schulden overgaan ook al is de cessie of verpanding aan hem
                            meegedeeld. De ontvanger verrekent het uit te betalen bedrag met de
                            belastingschulden die openstaan op het moment van formalisering van het
                            uit te betalen bedrag.</al>
          <al/>
          <al>Bij openbare verpanding van een uit te betalen bedrag geldt geen
                            instemmingsregeling.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>24.6.2. Mogelijkheid van cessie of verpanding</vet>
            <vet> uit te
                                betalen bedragen</vet>
          </al>
          <al>Cessie of stille verpanding van een uit te betalen bedrag is mogelijk
                            mits dit bedrag voldoende bepaald is omschreven.</al>
          <al/>
          <al>Stille verpanding is mogelijk vanaf het moment dat de aanspraak op
                            teruggaaf van het saldo van positieve en negatieve elementen van de
                            belastingaanslag of de teruggaafbeschikking materieel vaststaat. Dit is
                            op zijn vroegst het geval na het einde van het jaar of tijdvak waarop de
                            teruggaaf betrekking heeft.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>24.6.3. Instemming of weigering met een cessie of
                            verpanding</vet>
          </al>
          <al>De weigering van een instemming met de cessie of verpanding heeft
                            betrekking op de gehele cessie of verpanding. De instemming wordt niet
                            gedeeltelijk verleend. Wel bestaat de mogelijkheid om een uit te betalen
                            bedrag in gedeelten te cederen of te verpanden. De ontvanger moet dan
                            bij iedere cessie of verpanding afzonderlijk beoordelen of hij daarmee
                            instemt.</al>
          <al/>
          <al>Instemming met een cessie of verpanding wordt alleen geweigerd als de
                            ontvanger gegronde redenen heeft om aan te nemen dat instemmen met de
                            cessie of verpanding zal kunnen leiden tot oninbaarheid dan wel
                            onverhaalbaarheid van een ten tijde van de mededeling invorderbare
                            belastingaanslag (of anderszins voor verrekening vatbare schuld) waarmee
                            het uit te betalen bedrag zonder cessie of verpanding had kunnen worden
                            verrekend. De weigering voorkomt aldus dat de invordering van deze
                            aanslag wordt gefrustreerd. Deze situatie zal zich onder meer voordoen
                            bij een belastingschuldige die bekend staat als een notoir slechte
                            betaler.</al>
          <al>Met nadruk wordt vermeld dat bij de beoordeling of met een cessie of
                            verpanding moet worden ingestemd geen rekening wordt gehouden met
                            materieel ontstane belastingschulden die nog niet zijn geformaliseerd in
                            een belastingaanslag. De ontvanger is verplicht met een cessie of
                            verpanding in te stemmen als op het tijdstip van de mededeling van de
                            cessie of verpanding ten name van de belastingschuldige geen voor
                            verrekening vatbare (en dus geformaliseerde) schuld invorderbaar
                            is.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger maakt zijn beschikking aan de belastingschuldige en aan de
                            derde - in dit geval de pandhouder of cessionaris - bekend door middel
                            van een gedagtekende kennisgeving, waarbij de belastingschuldige op de
                            mogelijkheid wordt gewezen bij het college beroep in te stellen. In
                            verband met het cessie- en verpandingsverbod van artikel 7b van de wet
                            geldt dit niet voor uitbetalingen inkomstenbelasting.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>24.6.4. Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding
                                en Awb</vet>
          </al>
          <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 24 van de wet geldt met betrekking
                            tot een beroepschrift waaruit niet direct duidelijk blijkt waarop het
                            beroep is gebaseerd, dat de ontvanger de indiener verzoekt het
                            beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De
                            ontvanger wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring
                            bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>24.6.5. Bekendmaking beschikking college bij cessie of
                                verpanding</vet>
          </al>
          <al>De beschikking van het college op het beroepschrift wordt bekend gemaakt
                            door toezending of uitreiking van de beschikking aan zowel de
                            belastingschuldige als de derde, in dit geval de pandhouder of
                            cessionaris.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>24.6.6.</vet>
            <vet>Houding ontvanger bij procedure tegen weigeren
                                instemming</vet>
            <vet> met cessie of verpanding</vet>
          </al>
          <al>De belastingschuldige kan zich tot de voorzieningenrechter wenden met
                            het verzoek de ontvanger te verbieden de instemming te weigeren. Totdat
                            de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan, gaat de ontvanger niet
                            tot verrekening over.</al>
          <al>Als de rechter het verzoek afwijst, dan verrekent de ontvanger niet
                            eerder dan nadat veertien dagen zijn verstreken na de dag van de
                            uitspraak, tenzij tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld.</al>
          <al>Als de rechter het verzoek ook in hoger beroep afwijst, verrekent de
                            ontvanger niet eerder dan nadat de uitspraak in hoger beroep
                            onherroepelijk vaststaat.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>25</nr>
            <titel>Uitstel van betaling</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Op grond van artikel 25 van de wet kan de ontvanger - onder
                                door hem te stellen voorwaarden - uitstel van betaling verlenen aan
                                de belastingschuldige voor (een gedeelte van) een opgelegde
                                belastingaanslag.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Het verlenen van uitstel van betaling gebeurt in beginsel op
                                schriftelijk verzoek van de belastingschuldige. In daartoe
                                aanleiding gevende gevallen kan de ontvanger ook ambtshalve uitstel
                                van betaling verlenen.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>De ontvanger kan een verleend uitstel van betaling bij
                                beschikking tussentijds beëindigen.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 25 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- de algemene uitgangspunten van het uitstelbeleid; </al>
          <al>- uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag;</al>
          <al>- uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag;</al>
          <al>- uitstel in verband met betalingsproblemen;</al>
          <al>- betalingsregeling voor particulieren;</al>
          <al>- betalingsregeling voor ondernemers;</al>
          <al>- administratief beroep.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.1. Algemene uitgangspunten uitstelbeleid</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.1.1. Houding van de ontvanger tijdens behandeling
                                verzoek</vet>
            <vet> om uitstel</vet>
          </al>
          <al>Gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling handelt
                            de ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek
                            is toegewezen.</al>
          <al/>
          <al>Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de gemeente kunnen worden
                            geschaad, kan de ontvanger ondanks het verzoek om uitstel wel
                            invorderingsmaatregelen treffen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.1.2. Toewijzing van het verzoek om uitstel van
                            betaling</vet>
          </al>
          <al>Bij toewijzing van het verzoek vermeldt de ontvanger de voorwaarden
                            waaronder hij uitstel van betaling verleent in de
                            beschikking.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.1.3. Redenen afwijzing verzoek om uitstel</vet>
          </al>
          <al>Een verzoek om uitstel van betaling wordt in ieder geval afgewezen
                            als:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>de medewerking van de verzoeker aan de gemeente naar het oordeel
                                    van de ontvanger onvoldoende is;</al></li>
            <li nr="b."><al>onjuiste gegevens worden verstrekt;</al></li>
            <li nr="c."><al>de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de door de
                                    ontvanger daartoe gestelde termijn zijn verstrekt;</al></li>
            <li nr="d."><al>de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld (zie artikel 25.1.1,
                                    25.2.5, 25.5.2 en 25.6.2 van deze leidraad);</al></li>
            <li nr="e."><al>de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kan
                                    worden gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde belasting te
                                    betalen;</al></li>
            <li nr="f."><al>de berekende betalingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct
                                    voldaan kan worden;</al></li>
            <li nr="g."><al>de betalingsregeling zich over een voor de ontvanger
                                    onaanvaardbare termijn uitstrekt;</al></li>
            <li nr="h."><al>de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling
                                    volgens de ontvanger geen uitkomst zal bieden; </al></li>
          </lijst>
          <lijst>
            <li nr="i."><al>sprake is van een verzoek om uitstel van betaling van een
                                    belastingaanslag in verband met betalingsmoeilijkheden en
                                    voorafgaande aan dat verzoek uitstel is genoten in verband met
                                    een bezwaar- of beroepsprocedure tegen die aanslag, terwijl
                                    gedurende die procedure betalingsmiddelen ter beschikking hebben
                                    gestaan, waarmee de belastingschuld kon worden betaald;</al></li>
            <li nr="j."><al>de aanslag betrekking heeft op reinigingsrecht, leges,
                                    toeristenbelasting, marktgelden of precariobelasting;</al></li>
            <li nr="k."><al>niet van toepassing;</al></li>
            <li nr="l."><al>indien de belastingschuldige reeds eerder een regeling heeft
                                    genoten, maar deze niet is nagekomen;</al></li>
            <li nr="m."><al>indien ter zake van de aanslag reeds een beslagopdracht naar de
                                    belastingdeurwaarder is uitgegaan dan wel door de
                                    belastingdeurwaarder reeds beslag is gelegd;</al></li>
            <li nr="n."><al>in geval van een vordering op grond van artikel 19 van de
                                    wet;</al></li>
            <li nr="o."><al>niet van toepassing.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>De ontvanger is niet verplicht de belastingschuldige in de gelegenheid
                            te stellen zijn zienswijze naar voren te laten brengen voordat hij het
                            verzoek om uitstel geheel of gedeeltelijk afwijst. Als het verzoek om
                            uitstel wordt afgewezen, moet gemotiveerd worden waarom tot afwijzing
                            van het verzoek is besloten. Daarbij moeten alle afwijzingsgronden
                            worden genoemd; er kan niet worden volstaan met het noemen van de
                            voornaamste afwijzingsgrond.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.1.4. Redenen beëindigen uitstel</vet>
          </al>
          <al>Het uitstel wordt in ieder geval beëindigd als:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>niet aan de voorwaarden wordt voldaan waaronder het uitstel is
                                    verleend;</al></li>
            <li nr="b."><al>tijdens de looptijd van het uitstel blijkt dat onjuiste gegevens
                                    zijn verstrekt;</al></li>
            <li nr="c."><al>de aanleiding tot uitstel van betaling is weggevallen;</al></li>
            <li nr="d."><al>de financiële omstandigheden van de belastingschuldige zodanig
                                    veranderen of zijn veranderd dat het naar het oordeel van de
                                    ontvanger onjuist is het uitstel te continueren;</al></li>
            <li nr="e."><al>de medewerking van de verzoeker aan de gemeente naar het oordeel
                                    van de ontvanger onvoldoende is;</al></li>
            <li nr="f."><al>zich een situatie voordoet zoals omschreven in artikel 10 van de
                                    wet en de ontvanger van mening is dat de verhaalbaarheid van de
                                    belastingschuld waarvoor uitstel is verleend, ernstig in gevaar
                                    komt;</al></li>
            <li nr="g."><al>belastingschuldige in staat van faillissement wordt verklaard,
                                    hem surséance van betaling wordt verleend of hij wordt
                                    toegelaten tot de wettelijke schuldsanering natuurlijke
                                    personen.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>25.1.5 Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één
                                termijn</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingschuldige een betalingsregeling van meer dan één termijn
                            niet nakomt, kan de ontvanger alvorens hij de regeling beëindigt, de
                            belastingschuldige in de gelegenheid stellen om alsnog binnen tien dagen
                            de achterstand te voldoen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.1.6. Van rechtswege vervallen van een verleend
                            uitstel</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger uitstel heeft verleend tot een bepaald tijdstip en dit
                            tijdstip is verstreken, dan is daardoor het uitstel van rechtswege
                            vervallen.</al>
          <al/>
          <al>Als het verzoek om uitstel van betaling schriftelijk is ingediend, stelt
                            de ontvanger de belastingschuldige van het vervallen van het verleende
                            uitstel schriftelijk op de hoogte onder opgaaf van reden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.1.7. Geen invordering tijdens verleend uitstel</vet>
          </al>
          <al>Tenzij in de leidraad anders is aangegeven, kan de ontvanger voor een
                            belastingaanslag waarvoor hij uitstel van betaling heeft verleend, geen
                            invorderingsmaatregelen nemen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.1.8. Na (afwijzen) uitstel tien dagen wachttijd</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger geen (verder) uitstel van betaling verleent of een
                            verleend uitstel beëindigt, of als het college afwijzend heeft beslist
                            op een ingediend beroepschrift tegen de afwijzing of beëindiging, dan
                            wordt de vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen
                            een termijn van tien dagen na dagtekening van de beschikking. Hetzelfde
                            geldt als het uitstel van betaling van rechtswege is vervallen en
                            daarvan een mededeling is gedaan.</al>
          <al/>
          <al>Een dergelijke mededeling blijft overigens achterwege als op telefonisch
                            verzoek uitstel is verleend. In dat geval geldt de termijn van tien
                            dagen niet.</al>
          <al/>
          <al>Verkorting of het niet verlenen van deze termijn vindt onder meer plaats
                            als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het
                            niet onmiddellijk aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen
                            van de gemeente worden geschaad. Verder geldt deze termijn niet als een
                            executieverkoop wordt opgeschort en in verband daarmee uitstel van
                            betaling is verleend in samenhang met een
                            prolongatieovereenkomst.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.1.9. Uitstel voor een ambtshalve belastingaanslag</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.1.10. Uitstel voor een aanslag ter behoud van rechten</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.1.11. Uitstel voor een bestuurlijke boete</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete
                            in verband met bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de bestuurlijke
                            boete.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger verleent ook uitstel van betaling voor een bestuurlijke
                            boete als sprake is van een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag en
                            de bedragen van die belastingaanslag en die van de boetebeschikking op
                            één aanslagbiljet zijn vermeld. De ontvanger verleent dit uitstel niet
                            als uit het bezwaarschrift blijkt dat het bezwaar zich niet richt tegen
                            de bestuurlijke boete.</al>
          <al/>
          <al>Aan het uitstel kan de ontvanger voorwaarden verbinden die ertoe
                            strekken de belangen van de gemeente veilig te stellen. De ontvanger
                            verleent het uitstel tot het moment waarop op het bezwaarschrift is
                            beslist.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.1.12. Tijdens uitstel nieuwe aanslagen</vet>
            <vet>
                            voldoen</vet>
          </al>
          <al>Bij uitstel wegens betalingsmoeilijkheden stelt de ontvanger de
                            voorwaarde dat voor nieuwe belastingaanslagen geen betalingsachterstand
                            zal ontstaan.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.1.13. Zekerheid</vet>
            <vet> bij uitstel</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger kan bij het verlenen van uitstel van betaling de voorwaarde
                            stellen dat de belastingschuldige of een derde zekerheid stelt. Bij het
                            stellen van zekerheid gaat de voorkeur uit naar zekerheden die op
                            eenvoudige wijze kunnen worden gesteld, bewaakt en uitgewonnen.</al>
          <al/>
          <al>Een aangeboden zekerheid in de vorm van een bezitloze verpanding van
                            voorraden is in beginsel niet aanvaardbaar vanwege de aard van deze
                            zekerheid. De ontvanger aanvaardt een bezitloze verpanding van voorraden
                            slechts als aannemelijk is dat de belastingschuld niet kan worden
                            betaald en andere zekerheidsvormen niet voorhanden zijn.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.1.14. Tijdstip indiening verzoek</vet>
            <vet> om
                            uitstel</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger neemt een verzoek om uitstel van betaling altijd in
                            behandeling, ongeacht het tijdstip van indiening en het stadium van de
                            invordering.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger wijst een verzoek om uitstel van betaling in verband met
                            betalingsproblemen in het algemeen af als het verzoek is ingediend nadat
                            aankondiging van een ten laste van de belastingschuldige te houden
                            executoriale verkoop in een dagblad heeft plaatsgevonden, of als
                            publicatie daarvan niet meer is te voorkomen.</al>
          <al/>
          <al>Om de belangen van de gemeente niet te schaden, kan de ontvanger de
                            beslissing op een vlak voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om
                            uitstel mondeling bekend maken. De ontvanger bevestigt deze beslissing
                            zo spoedig mogelijk bij beschikking. In dat geval geldt uiteraard niet
                            de termijn van tien dagen waarbinnen de ontvanger de invordering niet
                            mag aanvangen of voortzetten.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger willigt geen enkel verzoek om uitstel meer in als de
                            belastingdeurwaarder is begonnen met de executoriale verkoop.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.1.15. Verzoekschriften aan andere instellingen</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger houdt de invordering aan als een verzoekschrift is
                            ingediend bij de raad, het college of de gemeentelijke ombudsman. Als
                            naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet
                            direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de
                            gemeente worden geschaad, kan de ontvanger na voorafgaande toestemming
                            van het college toch invorderingsmaatregelen treffen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.2. Uitstel in verband met bezwaar tegen een
                                belastingaanslag</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.2.1. Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag</vet>
          </al>
          <al>De belastingschuldige kan bezwaren tegen de hoogte van een
                            belastingaanslag door middel van een bezwaarschrift kenbaar maken. Een
                            in verband daarmee gevraagd uitstel van betaling kan de ontvanger
                            verlenen tot het moment waarop de inspecteur uitspraak op het
                            bezwaarschrift doet. Onder een bezwaarschrift wordt ook begrepen een
                            door de belastingschuldige ingediend (hoger) beroepschrift.</al>
          <al/>
          <al>Het in artikel 25.2 van deze leidraad beschreven uitstelbeleid heeft
                            uitsluitend betrekking op het door de belastingschuldige bestreden deel
                            van de belastingaanslag waarvoor uitstel is verzocht of
                            verleend.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.2.2. Uitstel van betaling in geval van een bezwaar- of
                                beroepschrift</vet>
          </al>
          <al>Voor het bestreden bedrag van een aanslag moet de belastingschuldige een
                            verzoek om uitstel van betaling indienen. Het indienen van een
                            bezwaarschrift geldt niet tevens als een verzoek om uitstel van
                            betaling.</al>
          <al>Een beroepschrift tegen de uitspraak van de inspecteur op het
                            bezwaarschrift en een ingesteld hoger beroep of beroep in cassatie tegen
                            een rechterlijke uitspraak over de juistheid van een dergelijke
                            uitspraak, gelden niet als een verzoek om uitstel van betaling. In die
                            gevallen moet de belastingschuldige dus een afzonderlijk verzoek om
                            uitstel van betaling indienen bij de ontvanger.</al>
          <al>Als de belastingschuldige bij de ontvanger een verzoek om uitstel
                            indient in verband met een op korte termijn in te dienen bezwaarschrift,
                            dan licht de ontvanger de inspecteur daaromtrent in en wordt dit verzoek
                            ook aangemerkt als een pro-forma bezwaarschrift.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.2.2.A. Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een
                                bezwaarschrift</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel indient bij de
                            ontvanger in verband met een bezwaarschrift tegen de belastingaanslag
                            dan moet hij in het verzoek het bestreden bedrag van de aanslag en de
                            berekening van dat bedrag vermelden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.2.2.B. Ontbrekende gegevens</vet>
          </al>
          <al>Als in het verzoek aan de ontvanger om uitstel van betaling in verband
                            met een ingediend bezwaarschrift het bestreden bedrag of de berekening
                            daarvan niet zijn vermeld, dan stelt de ontvanger de belastingschuldige
                            in de gelegenheid de ontbrekende gegevens alsnog schriftelijk mee te
                            delen. De ontvanger kan voorts aan de belastingschuldige nadere gegevens
                            vragen ter bepaling van de hoogte van het bestreden bedrag. De ontvanger
                            geeft de belastingschuldige een termijn van ten hoogste een maand vanaf
                            de dagtekening van zijn verzoek om nadere gegevens. De invordering wordt
                            voor die termijn geschorst.</al>
          <al>Een langere termijn (of verlenging van de eerder gegeven termijn) is
                            mogelijk als de ontvanger van oordeel is dat dit redelijk is. Als de
                            belastingschuldige de verleende termijn ongebruikt voorbij laat gaan,
                            wijst de ontvanger het verzoek om uitstel af.</al>
          <al>Hetgeen in dit artikel is vermeld is van overeenkomstige toepassing op
                            een uitdrukkelijk verzoek om uitstel van betaling opgenomen in het
                            bezwaarschrift zelf. Ook is hetgeen in dit artikel is vermeld van
                            overeenkomstige toepassing op een door de belastingschuldige bij de
                            ontvanger ingediend verzoek om uitstel in verband met een op korte
                            termijn in te dienen bezwaarschrift. In dit laatste geval licht de
                            ontvanger de inspecteur daaromtrent in en wordt het verzoek tevens
                            aangemerkt als een pro forma bezwaarschrift. Als sprake is van een
                            verzoek om uitstel in verband met een ingediend beroepschrift, dient
                            tevens een kopie van het beroepschrift te worden overgelegd.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.2.3. De beslissing op het verzoek om uitstel van
                            betaling</vet>
          </al>
          <al>In het algemeen wijst de ontvanger een verzoek om uitstel van betaling
                            in verband met een bezwaarschrift toe als aan de in de artikelen 25.2.2,
                            25.2.2.A en 25.2.2.B gestelde eisen is voldaan. De ontvanger kan aan het
                            uitstel voorwaarden verbinden. De toewijzende beslissing strekt zich
                            niet verder uit dan tot het bestreden bedrag.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.2.4. Uitstel in verband met een onderlinge
                                overlegprocedure</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.2.5. Zekerheid</vet>
            <vet> bij uitstel in verband met
                                bezwaar</vet>
          </al>
          <al>Als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling kan de
                            ontvanger zekerheid verlangen voor de bestreden belastingschuld. In
                            beginsel vraagt de ontvanger alleen zekerheid, als de aard en omvang van
                            de belastingschuld in relatie tot de verhaalsmogelijkheden die bij de
                            ontvanger bekend zijn daartoe aanleiding geven. Bij zijn beslissing
                            houdt de ontvanger ook rekening met het aangifte- en betalingsgedrag in
                            het verleden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.2.6. Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden
                                belastingschuld</vet>
          </al>
          <al>Zolang de belastingaanslag waartegen een bezwaarschrift is ingediend
                            niet onherroepelijk vaststaat, treft de ontvanger voor de betwiste
                            belastingschuld in beginsel geen onherroepelijke
                            invorderingsmaatregelen.</al>
          <al/>
          <al>Als echter aanwijzingen bestaan dat de belangen van de gemeente of de
                            belangen van de belastingschuldige door het achterwege laten van
                            onherroepelijke invorderingsmaatregelen worden geschaad, dan kan de
                            ontvanger die maatregelen wel treffen.</al>
          <al/>
          <al>Het leggen van beslag dat feitelijk dienst doet als een
                            bewaringsmaatregel geldt niet als een onherroepelijke
                            invorderingsmaatregel.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.2.7. Verrekening tijdens uitstel in verband met
                            bezwaar</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger uitstel heeft verleend, blijft verrekening van het
                            bestreden bedrag met een teruggaaf op een andere belastingaanslag of
                            andere uit te betalen bedragen achterwege, in afwachting van de
                            uitspraak op het bezwaarschrift, tenzij anders is bepaald in deze
                            leidraad onder artikel 24.</al>
          <al/>
          <al>Ook kan hiervan worden afgeweken als de financiële situatie van de
                            belastingschuldige zodanig is - bijvoorbeeld gelet op de solvabiliteit
                            van diens onderneming in relatie tot de hoogte van de (bestreden)
                            belastingschuld - dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat en verder
                            niet voldoende zekerheid is gesteld.</al>
          <al/>
          <al>Als de ontvanger overgaat tot verrekening, licht hij de
                            belastingschuldige in bij de bekendmaking van de beschikking omtrent
                            zijn beweegredenen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.2.7A. Nadere voorwaarden bij herbeoordeling verleend uitstel
                            </vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger bij het verlenen van het uitstel geen nadere
                            voorwaarden heeft gesteld, kan hij uiterlijk binnen vier maanden vanaf
                            de datum dat het uitstel is verleend voor het ingediende bezwaarschrift
                            schriftelijk aan de belastingschuldige nadere voorwaarden stellen.
                            Hierbij kijkt de ontvanger of de looptijd voor het afdoen van het
                            bezwaarschrift in relatie tot de hoogte van het bestreden bedrag van de
                            aanslag daartoe aanleiding geeft. Voor de beoordeling of hij zekerheid
                            verlangt voor de bestreden belastingschuld, past de ontvanger de in
                            artikel 25.2.5 van deze leidraad opgenomen voorwaarden toe. Indien de
                            belastingschuldige tijdig voldoet aan deze voorwaarden, continueert de
                            ontvanger het uitstel. De ontvanger trekt het uitstel in als de
                            belastingschuldige niet aan deze voorwaarden voldoet. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.2.8. Geen uitstel voor het niet bestreden bedrag</vet>
          </al>
          <al>Als sprake is van een bestreden en niet-bestreden bedrag van een
                            belastingaanslag, dan verleent de ontvanger uitstel onder de
                            opschortende voorwaarde dat het niet-bestreden bedrag per omgaande dan
                            wel tijdig wordt betaald.</al>
          <al/>
          <al>Als niet per omgaande dan wel niet tijdig wordt betaald, wordt de
                            invordering zonder nadere aankondiging voor de gehele belastingaanslag
                            aangevangen dan wel voortgezet.</al>
          <al/>
          <al>Een nieuw verzoek om uitstel voor de betreffende belastingaanslag in
                            verband met bezwaar neemt de ontvanger pas in behandeling als het
                            niet-bestreden gedeelte van de belastingaanslag is voldaan.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.2.9. Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de
                                belastingaanslag</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger trekt het uitstel van betaling in, als dit is verleend in
                            verband met bezwaar voor het volledige bedrag van de belastingaanslag en
                            later blijkt dat het bezwaar slechts betrekking heeft op een gedeelte
                            van dat bedrag.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger deelt daarbij mee dat hij een nieuw verzoek om uitstel voor
                            de betreffende belastingaanslag in verband met bezwaar pas in
                            behandeling neemt, als het niet-bestreden gedeelte van de
                            belastingaanslag tijdig is voldaan.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.3. Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen
                                bedrag</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>2</vet>
            <vet>5.3.1. Uitstel in verband met een belastingteruggaaf en
                                andere uit te betalen bedragen</vet>
          </al>
          <al>Als binnen afzienbare tijd een door de ontvanger uit te betalen bedrag
                            wordt verwacht, kan de ontvanger uitstel van betaling verlenen tot het
                            moment waarop hij dit uit te betalen bedrag kan verrekenen met de
                            belastingaanslag waarvoor uitstel wordt gevraagd.</al>
          <al>Er is sprake van een binnen afzienbare tijd te verwachten
                            belastingteruggaaf als:</al>
          <al>- het belastingjaar of belastingtijdvak waarover de teruggaaf wordt
                            verwacht is afgelopen; en</al>
          <al>- de belastingschuldige een verzoek om teruggaaf heeft ingediend;
                            en</al>
          <al>over die teruggaaf tussen de inspecteur en de belastingplichtige geen
                            verschil van mening bestaat.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.3.2. Berekening van het uit te betalen bedrag</vet>
            <vet> bij
                                uitstel</vet>
          </al>
          <al>Bij het verzoek om uitstel moet een berekening van het uit te betalen
                            bedrag zijn gevoegd. Als dit ontbreekt of onvoldoende is gemotiveerd,
                            verleent de ontvanger uitstel om de verzoeker in de gelegenheid te
                            stellen alsnog zijn verzoek (nader) te motiveren.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger verleent dit uitstel voor ten hoogste één maand na de
                            dagtekening van de uitstelbeschikking. De ontvanger kan voor een langere
                            periode uitstel verlenen als hij dit redelijk acht.</al>
          <al/>
          <al>Als na het verstrijken van de gestelde termijn het verzoek niet (nader)
                            is gemotiveerd, is het uitstel vervallen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.3.3. Beslissing op het verzoek</vet>
            <vet> om uitstel in verband
                                met een uit te betalen bedrag</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger beslist - onder door hem te stellen voorwaarden - in het
                            algemeen positief op een volledig gemotiveerd verzoek om uitstel van
                            betaling. De toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot
                            het te verrekenen bedrag.</al>
          <al/>
          <al>Het verschil tussen het bedrag van de belastingaanslag en het te
                            verrekenen bedrag moet de belastingschuldige tijdig betalen. De
                            ontvanger kan echter een betalingsregeling toestaan als daartoe
                            aanleiding bestaat.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.3.4. Verrekening en uitstel in verband met een te verwachten uit
                                te betalen bedrag</vet>
          </al>
          <al>Uit te betalen bedragen waarop het uitstel geen betrekking heeft,
                            verrekent de ontvanger met de openstaande belastingschuld waarvoor
                            uitstel van betaling is verleend in verband met een te verwachten uit te
                            betalen bedrag.</al>
          <al/>
          <al>Als volgens de ontvanger de continuïteit van de bedrijfsvoering direct
                            gevaar loopt als gevolg van een eventuele verrekening van teruggaven en
                            niet hoeft te worden gevreesd voor onverhaalbaarheid van de schuld, dan
                            kan hij deze teruggaven (gedeeltelijk) uitbetalen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.4. Uitstel in verband met betalingsproblemen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.4.1. Beslissing op een verzoek</vet>
            <vet> om uitstel in verband
                                met betalingsproblemen</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingschuldige de belasting - geheel of gedeeltelijk - niet
                            binnen de wettelijke betalingstermijnen kan voldoen, kan de ontvanger
                            aan de belastingschuldige op diens verzoek een betalingsregeling
                            toestaan. De ontvanger kan daarbij voorwaarden stellen.</al>
          <al/>
          <al>Bij de beoordeling van het verzoek om uitstel spelen niet alleen de
                            omstandigheden van dat moment een rol. Als de belastingschuldige in het
                            verleden bijvoorbeeld niet heeft gereserveerd voor redelijkerwijs
                            voorzienbare schulden of nalatig is geweest bij het doen van aangiften
                            of betalingen, kan dit een rol spelen bij het toestaan en verlengen van
                            een betalingsregeling of bij het stellen van voorwaarden bij een
                            betalingsregeling.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger kan een betalingsregeling weigeren als de
                            betalingsproblemen zijn terug te voeren op structurele problemen of
                            activiteiten die geen perspectief bieden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.4.2. Uitstel en motorrijtuigenbelasting</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.4.3. Verrekening tijdens</vet>
            <vet> een
                                betalingsregeling</vet>
          </al>
          <al>Tijdens een betalingsregeling verrekent de ontvanger belastingteruggaven
                            en andere teruggaven met een openstaande belastingschuld. Als daar
                            aanleiding toe is, kan de ontvanger afzien van het verrekenen van
                            bepaalde teruggaven.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.4.4. Uitstel in verband met faillissement, WSNP en
                                surséance</vet>
          </al>
          <al>Faillissementsschulden en belastingaanslagen waarop de wettelijke
                            schuldsaneringsregeling van toepassing is, moet de ontvanger op de
                            gebruikelijke wijze bij de curator dan wel de bewindvoerder aanmelden.
                            Voor deze schulden treft de ontvanger geen betalingsregeling.</al>
          <al/>
          <al>Zo lang onzeker is of alle boedelschulden uit de boedel kunnen worden
                            voldaan kan de ontvanger voor de betaling daarvan uitstel verlenen.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger kan tijdens een surséance van betaling op verzoek van de
                            bewindvoerder uitstel van betaling verlenen voor de belastingschuld die
                            voor de aanvang van de surséance materieel verschuldigd is geworden. De
                            ontvanger stelt daarbij de voorwaarde dat de belastingschuldige nieuw
                            opkomende verplichtingen stipt nakomt.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger kan ook tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling onder
                            de gebruikelijke voorwaarden uitstel van betaling verlenen voor
                            belastingaanslagen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling niet van
                            toepassing is.</al>
          <al/>
          <al>Als voor belastingaanslagen zekerheid is gesteld, wint de ontvanger deze
                            uit. Daarna informeert hij de curator dan wel de bewindvoerder over de
                            wijziging in de hoogte van de belastingschuld.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.4.5. Uitstel van betaling erfbelasting bij verkrijging eigen
                                woning door broers of zussen van de erflater</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>
              <vet>25.5. Betalingsregeling voor
                            particulieren</vet>
            </cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.5.1. Duur betalingsregeling</vet>
            <vet> particulieren</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger verleent de belastingschuldige uitstel van betaling voor
                            een periode van ten hoogste twaalf maanden, te rekenen vanaf de eerste
                            vervaldatum van de aanslag. Slechts als er volgens de ontvanger
                            bijzondere omstandigheden zijn, kan hij de belastingschuldige een
                            langere termijn gunnen.</al>
          <al>Indien uit het verzoek om uitstel blijkt dat de belastingschuldige over
                            onvoldoende betalingscapaciteit beschikt om binnen twaalf maanden zijn
                            schuld te betalen, dan neemt de ontvanger dat verzoek ambtshalve in
                            behandeling als een verzoek om kwijtschelding zodra alle
                            verhaalsmogelijkheden zijn benut en uitgeput. Bij de beoordeling daarvan
                            neemt hij de gehele belastingschuld in beschouwing. Artikel 26.1.2 is in
                            deze situatie niet van toepassing indien en voor zover de
                            belastingschuldige gebruik maakt van het daartoe ingestelde
                            verzoekformulier voor uitstel van betaling en hij dit formulier volledig
                            invult.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.5.2. Voorwaarden aan betalingsregeling</vet>
            <vet>
                                particulieren</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger kan aan het verlenen van uitstel verschillende voorwaarden
                            verbinden. In ieder geval stelt de ontvanger aan het verlenen van een
                            betalingsregeling de voorwaarde dat nieuw opkomende fiscale en andere
                            financiële verplichtingen - waarvan de invordering aan de ontvanger is
                            opgedragen - tijdig worden nagekomen. De ontvanger stelt verder als
                            voorwaarde dat de belastingschuldige een incassomachtiging verstrekt,
                            tenzij hem blijkt dat automatische incasso niet uitvoerbaar is.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger kan alvorens het uitstel te verlenen zekerheid eisen als de
                            aard en de omvang van de schuld in relatie tot de uitsteltermijn en de
                            bekende verhaalsmogelijkheden daartoe aanleiding geven. Ook het
                            aangifte- en betalingsgedrag in het verleden kan aanleiding zijn voor
                            het eisen van zekerheid.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.5.3. Kort uitstel </vet>
            <vet>particulieren</vet>
          </al>
          <al>Op schriftelijk of telefonisch verzoek kan zonder nader onderzoek een
                            betalingsregeling worden getroffen met een looptijd tot maximaal drie
                            maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag, als aan de
                            volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>de totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt
                                    minder dan € 20.000. Hierbij wordt geen rekening gehouden met
                                    belastingschuld waarvoor uitstel van betaling in verband met een
                                    ingediend bezwaar- of beroepschrift is verleend;</al></li>
            <li nr="b."><al>Vervallen</al></li>
            <li nr="c."><al>aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag
                                    of voor andere belastingaanslagen uitstel van betaling in
                                    verband met betalingsproblemen of uitstel in verband met een te
                                    verwachten uit te betalen bedrag verleend;</al></li>
            <li nr="d."><al>deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente;</al></li>
            <li nr="e."><al>de belastingschuldige heeft geen belastingschuld openstaan
                                    waarvoor een hernieuwd bevel van betaling is betekend door de
                                    belastingdeurwaarder;</al></li>
            <li nr="f."><al>de belastingschuldige verstrekt voor de betalingsregeling een
                                    incassomachtiging tenzij het de ontvanger blijkt dat
                                    automatische incasso niet uitvoerbaar is.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.5.4. Behandeling verzoek betalingsregeling</vet>
            <vet>
                                particulieren</vet>
          </al>
          <al>In andere gevallen als bedoeld in artikel 25.5.3 van deze leidraad, gaat
                            de ontvanger aan de hand van de daartoe door de verzoeker verstrekte
                            gegevens over tot de berekening van de betalingscapaciteit en de
                            beoordeling van de vermogenspositie. De ontvanger verleent in ieder
                            geval geen uitstel van betaling als voor de belastingschuld waarvoor
                            uitstel wordt gevraagd al uitstel op grond van artikel 25.5.3 van deze
                            leidraad is verleend, ongeacht of dit uitstel nog loopt of reeds is
                            beëindigd.</al>
          <al/>
          <al>Voor de berekening van de betalingscapaciteit vraagt de ontvanger zo
                            nodig nadere gegevens bij de verzoeker op. Bij de berekening van de
                            betalingscapaciteit gaat de ontvanger uit van de begrippen en normen die
                            gelden bij het kwijtscheldingsbeleid, behalve voor zover daarvan in de
                            artikelen 25.5.6 tot en met 25.5.9 van deze leidraad wordt afgeweken.
                            Ook met betrekking tot het vermogen gaat de ontvanger uit van het
                            vermogensbegrip zoals dat geldt in de
                            kwijtscheldingsregeling.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.5.5. Vermogen en betalingsregeling</vet>
            <vet>
                                particulieren</vet>
          </al>
          <al>De aanwezigheid van vermogen op het moment van het indienen van het
                            verzoek staat een betalingsregeling in het algemeen in de weg. Dit geldt
                            met name indien het vermogen zonder bezwaar liquide is te maken.</al>
          <al/>
          <al>Het vermogen dat onder het kwijtscheldingsbeleid voor particulieren is
                            vrijgesteld, staat een betalingsregeling echter niet in de weg. Onder
                            vermogen wordt in dit verband verstaan de bezittingen van de
                            belastingschuldige en diens echtgenoot, verminderd met de schulden die
                            een hogere preferentie hebben dan de belastingschuld.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.5.6. Betalingscapaciteit</vet>
            <vet> en betalingsregeling
                                particulieren</vet>
          </al>
          <al>Naast het aanwezige vermogen speelt bij de beoordeling van de financiële
                            omstandigheden de zogenoemde betalingscapaciteit van de verzoeker een
                            belangrijke rol, zowel ten tijde van het indienen van het verzoek als
                            gedurende de looptijd van de betalingsregeling. De betalingscapaciteit
                            van de belastingschuldige die door de ontvanger wordt berekend, bepaalt
                            in belangrijke mate het bedrag dat de belastingschuldige (periodiek) op
                            de achterstallige schuld moet aflossen. De betalingscapaciteit geeft ook
                            aan in hoeverre een betalingsregeling zinvol is.</al>
          <al/>
          <al/>
          <al>Uitgangspunt voor de berekening van de betalingscapaciteit bij een
                            verzoek om een betalingsregeling is het inkomen van de
                            belastingschuldige en diens echtgenoot. </al>
          <al/>
          <al>Bij de berekening van de betalingscapaciteit gaat de ontvanger met
                            betrekking tot de huur- en hypotheekverplichtingen voor de woning waarin
                            de belastingschuldige feitelijk verblijft uit van de werkelijke
                            uitgaven.</al>
          <al/>
          <al>De betalingscapaciteit bestaat uit het netto besteedbaar inkomen na
                            aftrek van het normbedrag voor levensonderhoud. Voor de
                            betalingsregeling eist de ontvanger 80% van de betalingscapaciteit
                            op.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.5.7. Berekening betalingscapaciteit: bijzondere
                            uitgaven</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger kan - afhankelijk van de concrete situatie van de
                            belastingschuldige en zijn gezin - bepaalde aanvaardbare uitgaven op de
                            berekende betalingscapaciteit in mindering brengen. Het moet dan gaan om
                            uitgaven die samenhangen met de maatschappelijke positie van de
                            belastingschuldige, en die naar het oordeel van de ontvanger niet in
                            redelijkheid kunnen worden betaald uit het normbedrag voor
                            levensonderhoud en de zogenaamde uitvoeringstolerantie van 20%.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.5.8. Berekening betalingscapaciteit:
                                aflossingsverplichtingen aan derden</vet>
          </al>
          <al>In het algemeen blijven bij de berekening van de betalingscapaciteit de
                            aflossingsverplichtingen aan derden buiten beschouwing. De ontvanger kan
                            een uitzondering maken voor aflossingen op schulden waarvan het
                            niet-betalen tot ongewenste effecten kan leiden, of waaraan een
                            preferentie is verbonden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.5.9. Berekening betalingscapaciteit: extra
                            inkomsten</vet>
          </al>
          <al>Bij de berekening van de betalingscapaciteit houdt de ontvanger slechts
                            rekening met extra inkomsten, zoals vakantiegeld, tantièmes en
                            dergelijke, voor zover uitbetaling daarvan plaatsvindt dan wel zou
                            moeten plaatsvinden in de periode waarvoor de betalingsregeling
                            geldt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.5.10. Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling
                                voor</vet>
          </al>
          <al>Als een belastingschuldige uitstel vraagt en tegelijkertijd een
                            betalingsregeling voorstelt waarbij de schuld binnen twaalf maanden
                            wordt afbetaald en deze regeling afwijkt van hetgeen de ontvanger heeft
                            berekend, dan hoeft een niet al te grote afwijking niet te leiden tot
                            afwijzing van het verzoek.</al>
          <al/>
          <al>Als de regeling die door de belastingschuldige is voorgesteld voor de
                            ontvanger niet aanvaardbaar is, maar een andere regeling wel ingewilligd
                            kan worden, dan deelt de ontvanger onder afwijzing van het verzoek de
                            belastingschuldige mee welke regeling hij desgevraagd wel kan
                            verlenen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.5.11. Betalingsregeling langer dan twaalf maanden</vet>
          </al>
          <al>Het beleid zoals beschreven bij de berekening van de betalingscapaciteit
                            bij regelingen tot en met twaalf maanden, is van overeenkomstige
                            toepassing op een regeling die vanwege bijzondere omstandigheden langer
                            dan twaalf maanden duurt. Hierbij moet in acht worden genomen dat de
                            belastingschuldige zijn van de kwijtscheldingsnormen afwijkende uitgaven
                            - waaronder ook de huur of de hypotheeklasten - in de eerste twaalf
                            maanden van de betalingsregeling zodanig moet verminderen, dat na de
                            twaalfde maand zoveel mogelijk de volledige betalingscapaciteit die aan
                            het kwijtscheldingsbeleid is ontleend, kan worden benut om de schuld te
                            voldoen. De ontvanger sluit met de betalingsregeling hier op
                            aan.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.6. Betalingsregeling voor ondernemers</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.6.1. Duur betalingsregeling</vet>
            <vet> ondernemers</vet>
          </al>
          <al>Een betalingsregeling moet een zo kort mogelijke periode beslaan. Bij
                            het vaststellen van de duur van de betalingsregeling houdt de ontvanger
                            rekening met de omstandigheden, bijvoorbeeld de aard en de omvang van de
                            schuld, de liquiditeits- en de vermogenspositie van de onderneming en
                            het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden.</al>
          <al/>
          <al>De betalingsregeling zal in elk geval een looptijd van twaalf maanden
                            niet te boven gaan, gerekend vanaf de (laatste) vervaldag van de
                            belastingaanslag.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.6.2. Voorwaarden betalingsregeling</vet>
            <vet>
                            ondernemers</vet>
          </al>
          <al>Aan het verlenen van een betalingsregeling stelt de ontvanger de
                            voorwaarde dat de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere
                            financiële verplichtingen - waarvan de invordering aan de ontvanger is
                            opgedragen - bijhoudt. De ontvanger stelt verder als voorwaarde dat de
                            belastingschuldige een incassomachtiging verstrekt, tenzij hem blijkt
                            dat automatische incasso niet uitvoerbaar is.</al>
          <al/>
          <al>Bovendien stelt de ontvanger de voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld
                            (zie artikel 25.1.13 van deze leidraad). De hoogte van de zekerheid moet
                            gelijk zijn aan de schuld waarvoor uitstel wordt verzocht. De ontvanger
                            kan zekerheid stellen door het leggen van beslag (on)roerende
                            zaken.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>
              <vet> 25.6.2A. Bijzondere omstandigheden betalingsregeling
                                    ondernemers </vet>
            </vet>
          </al>
          <al>Als een ondernemer door een oorzaak die buiten zijn invloed ligt in
                            tijdelijke liquiditeitsproblemen is gekomen, kan de ontvanger
                            desgevraagd uitstel voor een langere periode verlenen of zonder dat voor
                            het volledige bedrag zekerheid is gesteld. Daartoe moet de ondernemer
                            aan de hand van een door een derde deskundige opgestelde verklaring (zie
                            artikel 25.6.2B) het voor de ontvanger aannemelijk maken dat: </al>
          <al>a. het gaat om werkelijk bestaande betalingsproblemen; </al>
          <al>b. die betalingsproblemen van tijdelijke aard zijn; </al>
          <al>c. die betalingsproblemen vóór een bepaald tijdstip zullen worden
                            opgelost; en </al>
          <al>d. dat er sprake is van een levensvatbare onderneming. </al>
          <al>De ontvanger kan bij het verlenen van dit uitstel nadere voorwaarden
                            stellen. Om bij onvoorziene tegenslagen de mogelijke verliezen voor de
                            gemeente te beperken, wordt zoveel als mogelijk is door de ontvanger
                            zekerheid verlangd. De zekerheid kan ook omvatten een beslag.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>
              <vet> 25.6.2B. Verklaring derde deskundige </vet>
            </vet>
          </al>
          <al>De verklaring van de derde deskundige bevat een beoordeling van de aard
                            van de betalingsproblemen, gaat in op de aannemelijkheid van de
                            bedrijfseconomische gezondheid van de onderneming, de haalbaarheid van
                            het in de toekomst inlopen van de betalingsachterstand en geeft blijk
                            van de waarneming van de aan dat oordeel ten grondslag liggende feiten
                            en omstandigheden door de deskundige. </al>
          <al>Aan de derde deskundige worden geen formele eisen gesteld. Het kan
                            bijvoorbeeld gaan om een externe consultant, een externe financier, een
                            brancheorganisatie of de (huis)accountant. De ontvanger kan aan de
                            verklaring van de derde deskundige ook eisen stellen. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet> 25.6.2C. Geen uitstel voor ondernemers in verband met
                                betalingsproblemen als al kort uitstel is verleend </vet>
          </al>
          <al>De ontvanger verleent in ieder geval geen uitstel van betaling als voor
                            de belastingschuld waarvoor uitstel is gevraagd al uitstel op grond van
                            artikel 25.6.2D is verleend, ongeacht of dit uitstel nog loopt of reeds
                            is beëindigd. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet> 25.6.2D. Kort uitstel van betaling voor ondernemers </vet>
          </al>
          <al>Ondernemers kunnen zonder nader onderzoek op schriftelijk of telefonisch
                            verzoek kort uitstel van betaling krijgen. Dit uitstel bedraagt maximaal
                            vier maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag. </al>
          <al>De voorwaarden die aan de ontvanger stelt aan dit uitstel zijn:</al>
          <al>a. De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt
                            minder dan € 20.000. Hierbij wordt geen rekening gehouden met
                            belastingschuld waarvoor uitstel van betaling in verband met een
                            ingediend bezwaar- of beroepschrift is verleend. </al>
          <al>b. Er staan ten name van de belastingschuldige geen belastingaanslagen
                            open waarvoor dwangbevelen zijn betekend. </al>
          <al>c. Er staat geen vergrijpboete open. </al>
          <al>d. Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag of
                            voor andere aanslagen uitstel van betaling in verband met
                            betalingsproblemen of uitstel in verband met een te verwachten uit te
                            betalen bedrag verleend. </al>
          <al>e. N.V.T.</al>
          <al>f. Er is geen sprake van een aangifteverzuim. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.6.3. Uitstelbeleid particulieren geldt voor
                            ex-ondernemers</vet>
          </al>
          <al>Voor ex-ondernemers is het uitstelbeleid van toepassing zoals dat geldt
                            voor particulieren, ook als de belastingschuld betrekking heeft op de
                            ondernemingsperiode.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.6.4. Uitstel voor ondernemers en
                            overheidssteun/subsidie</vet>
          </al>
          <al>Als het de ontvanger bekend is dat van overheidszijde een onderzoek
                            wordt ingesteld naar de mogelijkheid van subsidie- of steunverlening om
                            de schuld te voldoen of een sanering mogelijk te maken, dan verleent de
                            ontvanger uitstel van betaling als hij de verwachting heeft dat het
                            verzoek door de (potentiële) subsidiënt zal worden gehonoreerd. De
                            belastingschuldige moet dan wel aan de lopende verplichtingen
                            voldoen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.7. Administratief beroep</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.7.1. Toetsing uitstelbeschikking door het
                            college</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel afwijst
                            of een verleend uitstel beëindigt, kan de belastingschuldige daartegen
                            administratief beroep instellen bij het college van de gemeente. De
                            belastingschuldige moet het beroepschrift indienen bij de ontvanger die
                            de beschikking heeft genomen.</al>
          <al/>
          <al>Gedurende de behandeling van het beroepschrift handelt de ontvanger
                            overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek om uitstel
                            is toegewezen. Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de gemeente
                            kunnen worden geschaad, kan hij ondanks de behandeling van het beroep
                            wel invorderingsmaatregelen treffen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.7.2. Beroepsfase uitstel</vet>
          </al>
          <al>Met overeenkomstige toepassing van artikel 24 van de regeling geldt dat
                            de termijn voor het indienen van een beroepschrift tien dagen bedraagt.
                            Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep
                            gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het
                            beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De
                            ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij
                            het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.7.3. Beslissing college op beroepschrift bij uitstel</vet>
          </al>
          <al>In alle gevallen waarin het college van de gemeente het beroep gegrond
                            oordeelt, kan hij de zaak inhoudelijk afdoen, hetzij door het verzoek
                            alsnog toe te wijzen, hetzij door het af te wijzen onder verbetering of
                            vervanging van de gronden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.7.4. Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstel</vet>
          </al>
          <al>De belastingschuldige kan beroep instellen bij het college tegen het
                            niet tijdig nemen van een beslissing op een verzoek om uitstel van
                            betaling. Het indienen van een beroepschrift is in deze situatie niet
                            aan een termijn gebonden.</al>
          <al/>
          <al>Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger uitstel van
                            betaling had moeten verlenen, dan hoeft het college niet te volstaan met
                            de uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan hij op
                            het beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk
                            beslissen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25.7.5. Beroep of herhaald verzoek om uitstel bij </vet>
            <vet>de
                                ontvanger</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingschuldige bij de ontvanger bezwaar maakt tegen de
                            beslissing op het verzoek om uitstel of voor dezelfde belastingschuld
                            een herhaald verzoek om uitstel indient, dan merkt de ontvanger dit aan
                            als een beroepschrift.</al>
          <al/>
          <al>Als de ontvanger op dat moment aanleiding ziet om een voor de
                            belastingschuldige gunstigere beslissing te nemen, geeft hij echter een
                            nieuwe beschikking. Als de belastingschuldige het ook met de nieuwe
                            beschikking niet eens is, dan kan hij daartegen binnen tien dagen in
                            beroep gaan bij het college.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>25a</nr>
            <titel>Uitstel van betaling exitheffingen</titel>
          </kop>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>25a.1. <vet>Beoordeling zekerheid bij uitstel van betaling ter zake
                                    van exitheffingen</vet></vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>26</nr>
            <titel>Kwijtschelding van belastingen</titel>
          </kop>
          <al>Artikel 26, eerste lid, van de wet bepaalt dat bij ministeriële regeling
                            regels worden gegeven voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van
                            rijksbelastingen. De ontvanger verleent gehele of gedeeltelijke
                            kwijtschelding als de belastingschuldige niet in staat is anders dan met
                            buitengewoon bezwaar de belastingaanslag te betalen. In het algemeen zal
                            van buitengewoon bezwaar sprake zijn als de middelen om een
                            belastingaanslag te betalen ontbreken en ook niet binnen afzienbare tijd
                            worden verwacht.</al>
          <al/>
          <al>De kwijtscheldingsregels op basis van artikel 26 van de wet zijn
                            vastgelegd in de regeling. In de artikelen 19a en 22a van de regeling
                            zijn de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
                            personen in de belastingsfeer tot uitdrukking gebracht.</al>
          <al/>
          <al>Bij de berekening van de kwijtschelding worden de kosten van bestaan
                            binnen een bepaalde bandbreedte gesteld op 90% van het inkomen van de
                            belastingschuldige. Gemeenten mogen een ruimer kwijtscheldingsbeleid
                            voeren door dit percentage te verhogen tot maximaal 100% (artikel 255,
                            vierde lid, van de Gemeentewet). In Epe is dit percentage in de
                            verordeningen reinigingsheffingen en rioolheffingen op 100%
                            gesteld.</al>
          <al/>
          <al>Aan een aansprakelijkgestelde kan geen kwijtschelding worden verleend.
                            Wel kan hij op zijn verzoek worden ontslagen van de
                            betalingsverplichting. In artikel 53, derde lid van de wet is bepaald
                            dat bij ministeriële regeling regels worden gegeven op grond waarvan de
                            ontvanger de aansprakelijkgestelde geheel of gedeeltelijk van zijn
                            betalingsverplichting kan ontslaan als deze niet in staat is anders dan
                            met buitengewoon bezwaar te betalen.</al>
          <al/>
          <al>De voorwaarden voor het al dan niet verlenen van kwijtschelding, gelden
                            ook voor het ontslag van de betalingsverplichting.</al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 26 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- algemene uitgangspunten van het kwijtscheldingsbeleid;</al>
          <al>- kwijtschelding van belastingen voor particulieren;</al>
          <al>- kwijtschelding van belastingen voor ondernemers;</al>
          <al>- administratief beroep;</al>
          <al>- voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om
                            kwijtschelding;</al>
          <al>- geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing van het verzoek om
                            kwijtschelding;</al>
          <al>- geautomatiseerde kwijtschelding.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.1. Algemene uitgangspunten
                            kwijtscheldingsbeleid</vet>
          </al>
          <al>
            <vet>26.1.1. Kwijtschelding van betaalde belastingschulden</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger verleent ook kwijtschelding van belastingaanslagen die al
                            zijn betaald, als aan de volgende voorwaarde is voldaan:</al>
          <al>- de belastingschuldige dient het verzoek om kwijtschelding in binnen
                            zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet. Als het verzoek later
                            wordt ingediend, kan het verzoek ambtshalve in behandeling worden
                            genomen ;</al>
          <al>- de belastingschuldige heeft betaald onder omstandigheden die
                            aanleiding zouden hebben gegeven tot kwijtschelding als hij daar eerder
                            om had verzocht.</al>
          <al/>
          <al>Als de ontvanger het verzoek toewijst, betaalt hij de belastingschuldige
                            het bedrag terug waarvoor kwijtschelding is verleend. Van de ontstane
                            invorderingskosten wordt geen kwijtschelding verleend, tenzij het
                            ontstaan van de kosten niet aan de belastingschuldige is te
                            verwijten.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.1.2. Het indienen van een verzoek om kwijtschelding</vet>
          </al>
          <al>Het verzoek om kwijtschelding moet binnen zes weken na dagtekening van
                            de aanslag worden ingediend bij de ontvanger op een daartoe ingesteld
                            verzoekformulier. Als het verzoek later wordt ingediend, kan het verzoek
                            ambtshalve in behandeling worden genomen. In dat geval wordt als
                            voorwaarde voor de kwijtschelding opgenomen de verplichting om de
                            invorderingskosten die inmiddels zijn ontstaan te voldoen. Van de
                            ontstane invorderingskosten wordt geen kwijtschelding verleend, tenzij
                            het ontstaan van de kosten niet aan de belastingschuldige is te
                            verwijten.</al>
          <al/>
          <al>Als de belastingschuldige een verzoek om kwijtschelding indient, maar
                            dit niet doet op het daartoe bestemde formulier, neemt de ontvanger het
                            verzoek niet als zodanig in behandeling. De ontvanger zendt een
                            verzoekformulier aan de belastingschuldige en stelt deze in de
                            gelegenheid het verzoek alsnog binnen twee weken in te dienen. </al>
          <al/>
          <al>In afwachting hiervan wordt de invordering in beginsel opgeschort. Als
                            de belastingschuldige het formulier niet terugzendt, wijst de ontvanger
                            het verzoek af.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.1.3. Niet ingevuld of onjuist ingevuld
                                verzoekformulier</vet>
            <vet> om kwijtschelding</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger een uitgereikt of toegezonden verzoekformulier
                            onvolledig ingevuld terugontvangt, stelt hij de belastingschuldige in de
                            gelegenheid de ontbrekende gegevens alsnog binnen twee weken te
                            verstrekken. In afwachting daarvan schort de ontvanger de invordering in
                            beginsel op.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger vraagt de gegevens slechts één maal op. Als de
                            belastingschuldige niet alle gevraagde nadere gegevens bijvoegt,
                            beschouwt de ontvanger het verzoek ook als onvolledig ingevuld en wijst
                            hij het verzoek af.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.1.4. Gegevens en normen ten tijde van indiening
                                verzoek</vet>
            <vet> om kwijtschelding</vet>
          </al>
          <al>Bij de beoordeling van het verzoek zijn de gegevens en normen van belang
                            die gelden op het moment van indiening van het verzoek, tenzij in de
                            leidraad anders is aangegeven.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.1.5. Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder
                                voorwaarden</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger besluit dat kwijtschelding zal worden verleend nadat
                            aan één of meer voorwaarden is voldaan, dan neemt hij die voorwaarden in
                            de beschikking op.</al>
          <al/>
          <al>Als de ontvanger in de voorwaarden heeft opgenomen dat verrekening zal
                            plaatsvinden van uit te betalen bedragen, dan stelt hij tevens de
                            termijn vast waarin verrekening van die bedragen zal plaatsvinden. De
                            termijn bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de dagtekening van
                            de kennisgeving, dan wel - als dit minder is - de tijd die nog
                            overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt.</al>
          <al/>
          <al>Als tot de voorwaarden de voldoening van een deel van de schuld behoort,
                            dan moet de ontvanger de belastingschuldige uitnodigen om binnen een
                            termijn van tien dagen een voorstel te doen met betrekking tot de
                            betaling van dat deel. Hierbij is het uitstelbeleid (zie artikel 25 van
                            deze leidraad) van toepassing. Als tot de voorwaarden naast de
                            voldoening van een deel van de schuld ook de verrekening van teruggaven
                            behoort, wordt het te betalen bedrag niet beïnvloed door de hoogte van
                            de verrekende teruggaven.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.1.6. Motivering afwijzing van het verzoek</vet>
            <vet> om
                                kwijtschelding</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger het verzoek om kwijtschelding afwijst, moet hij
                            motiveren waarom hij tot afwijzing van het verzoek heeft besloten.
                            Daarbij moet hij alle afwijzingsgronden noemen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.1.7. Na afwijzen kwijtschelding tien dagen wachttijd bij
                                voortzetting invordering</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger geen kwijtschelding verleent, of als het college
                            afwijzend heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen de
                            afwijzing, dan wordt de vervolging in beginsel niet aangevangen of
                            voortgezet binnen een termijn van tien dagen na dagtekening van de
                            beschikking. Deze termijn wordt niet of niet geheel verleend als naar
                            het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet
                            direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de
                            gemeente worden geschaad.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.1.8. Mondeling meedelen </vet>
            <vet>afwijzen
                            kwijtschelding</vet>
          </al>
          <al>Om de belangen van de gemeente niet te schaden, kan de ontvanger de
                            beslissing op een kort voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om
                            kwijtschelding mondeling bekend maken. De ontvanger bevestigt deze
                            beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking. In dat geval geldt niet
                            de termijn van tien dagen waarbinnen de ontvanger de invordering niet
                            mag aanvangen of voortzetten.</al>
          <al/>
          <al>Evenzo geldt voor een kort voor de executoriale verkoop gedaan verzoek
                            dat niet is ingediend op een verzoekformulier of op een verzoekformulier
                            dat onvolledig is ingevuld, dat de ontvanger de belastingschuldige niet
                            in de gelegenheid stelt het verzoek in te dienen op het daartoe bestemde
                            formulier of de belastingschuldige niet in de gelegenheid stelt de
                            ontbrekende gegevens aan te vullen (zoals bepaald in de artikelen 26.1.2
                            en 26.1.3 van deze leidraad), maar het verzoek afwijst.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.1.9. Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend</vet>
          </al>
          <al>Er wordt geen kwijtschelding verleend als:</al>
          <al>- de gevraagde gegevens voor de beoordeling van het verzoek niet, niet
                            volledig, onjuist, of niet op het door de ontvanger uitgereikte
                            formulier (zie ook de artikelen 26.1.2 en 26.1.3 van deze leidraad) zijn
                            verstrekt;</al>
          <al>- uit de verstrekte gegevens voor de beoordeling van het verzoek een
                            onevenredige verhouding blijkt tussen de omvang van de uitgaven
                            enerzijds en het inkomen anderzijds en de belastingschuldige de in dat
                            verband door de ontvanger gevraagde opheldering niet - of naar het
                            oordeel van de ontvanger in onvoldoende mate - verschaft;</al>
          <al>- de belastingschuldige heeft nagelaten de vereiste aangifte in te
                            dienen. In dat geval wordt de belastingschuldige meegedeeld dat een
                            nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend, dan
                            nadat de inspecteur op grond van de alsnog verstrekte gegevens de
                            belastingaanslag tot het juiste bedrag heeft kunnen vaststellen. Het
                            verzoek dat wordt ingediend nadat de belastingaanslag tot het juiste
                            bedrag is vastgesteld, behandelt de ontvanger als een eerste
                            verzoek;</al>
          <al>- een bezwaarschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in
                            behandeling is bij de inspecteur, dan wel een beroepschrift tegen de
                            hoogte van de belastingaanslag in behandeling is bij de rechtbank of (in
                            hoger beroep) bij het gerechtshof. Een eventuele vermindering of
                            vernietiging van de belastingaanslag dient namelijk aan kwijtschelding
                            vooraf te gaan. De belastingschuldige wordt meegedeeld dat een nieuw
                            verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend dan nadat op
                            het bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep) is beslist;</al>
          <al>- voor de desbetreffende belastingaanslag zekerheid is gesteld;</al>
          <al>- er sprake is van meer dan één belastingschuldige;</al>
          <al>- een derde nog voor de belastingschuld aansprakelijk kan worden
                            gesteld;</al>
          <al>het aan de belastingschuldige kan worden toegerekend dat de
                            belastingaanslag niet kan worden voldaan. Daarvan is onder andere sprake
                            als:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>het aan opzet of grove schuld van de belastingschuldige is te
                                    wijten dat te weinig belasting is geheven;</al></li>
            <li nr="b."><al>(vervallen);</al></li>
            <li nr="c."><al>een uitbetaald bedrag (bijvoorbeeld een belastingteruggaaf) niet
                                    is aangewend ter voldoening van de schuld waarvan kwijtschelding
                                    wordt gevraagd, tenzij het een voorlopige teruggaaf betreft voor
                                    zover die niet voor beslag vatbaar is;</al></li>
            <li nr="d."><al>vanaf de bekendmaking van de belastingaanslag tot aan de
                                    indiening van het verzoek om kwijtschelding op enig moment
                                    voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag te kunnen
                                    voldoen;</al></li>
            <li nr="e."><al>de belastingschuldige wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat
                                    een belastingaanslag zou worden opgelegd en nalatig is gebleven
                                    in verband daarmee middelen te reserveren;</al></li>
            <li nr="f."><al>deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente;</al></li>
            <li nr="g."><al>deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente;</al></li>
            <li nr="h."><al>de belastingschuldige geen gebruik heeft gemaakt van het recht
                                    op aanvullende bijstand, waardoor de belastingaanslag
                                    (gedeeltelijk) zou kunnen worden betaald;</al></li>
          </lijst>
          <al>- de belastingschuldige in surséance van betaling of in staat van
                            faillissement verkeert, tenzij een akkoord is gesloten als bedoeld in de
                            artikelen 138 en 252 FW;</al>
          <al>- ten aanzien van de belastingschuldige de schuldsaneringsregeling
                            natuurlijke personen van toepassing is verklaard, tenzij sprake is van
                            een akkoord als bedoeld in artikel 329 FW, dan wel van een
                            belastingaanslag, niet zijnde een belastingaanslag als bedoeld in
                            artikel 8, tweede lid van de regeling, voor zover die materieel
                            verschuldigd is geworden op een tijdstip of over een tijdvak dat is
                            gelegen na de uitspraak waarbij de schuldsaneringsregeling van
                            toepassing is verklaard, en niet kan worden aangemerkt als een
                            boedelschuld;</al>
          <al> - het verzoek is ingediend voor een voorlopige aanslag én die aanslag
                            nog niet is gevolgd door een (definitieve) aanslag. In gevallen dat het
                            verzoek overigens zou moeten worden toegewezen, verleent de ontvanger
                            tegelijkertijd (ambtshalve) uitstel van betaling totdat de definitieve
                            aanslag is opgelegd. In de eventuele uitstelbeschikking deelt de
                            ontvanger de belastingschuldige mee dat na oplegging van de definitieve
                            aanslag desgewenst een nieuw kwijtscheldingsverzoek kan worden ingediend
                            waarin eventueel ook de definitieve aanslag kan worden betrokken;</al>
          <al>- door de ontvanger nadere voorwaarden zijn gesteld en aan die
                            voorwaarden nog niet is voldaan. Zodra aan de gestelde voorwaarden is
                            voldaan, kan alsnog kwijtschelding worden verleend.</al>
          <al/>
          <al>Ook wordt geen kwijtschelding verleend voor het bedrag van de te betalen
                            belasting waarop het verzoek betrekking heeft als aannemelijk is dat dit
                            bedrag kan worden voldaan omdat:</al>
          <al>- binnen twee jaren na het verzoek als gevolg van sterk wisselende
                            inkomens een hoger inkomen is te verwachten;</al>
          <al>- binnen een jaar na indiening van het verzoek een verbetering is te
                            verwachten in de financiële omstandigheden;</al>
          <al>- binnen een jaar na het verzoek een belastingteruggaaf, anders dan de
                            voorlopige teruggaaf, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de regeling
                            kan worden verwacht. De vraag of buitengewoon bezwaar bestaat de
                            verschuldigde belasting te betalen, kan immers slechts betrekking hebben
                            op een per saldo verschuldigd bedrag. Alleen voor dat saldo moeten de
                            aanwezige financiële middelen worden aangesproken. Dit houdt in dat geen
                            kwijtschelding kan worden verleend als de belastingaanslag binnen een
                            jaar door middel van verrekening kan worden aangezuiverd.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.1.10. Begrip 'ex-ondernemer'</vet>
            <vet> en
                            kwijtschelding</vet>
          </al>
          <al>Als een ex-ondernemer om kwijtschelding vraagt, past de ontvanger het
                            kwijtscheldingsbeleid voor particulieren toe.</al>
          <al/>
          <al>Er is geen sprake van een ex-ondernemer als (een deel van) het
                            bedrijfsvermogen nog aanwezig is. In dat geval zal het verzoek om
                            kwijtschelding moeten worden behandeld overeenkomstig het bepaalde in
                            artikel 26.3 van deze leidraad. Het nog aanwezige bedrijfsvermogen zal
                            geheel moeten worden gebruikt ter aflossing van de openstaande
                            (zakelijke) belastingaanslagen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.1.11. Verzoekschriften aan andere instellingen</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is
                            ingediend bij het college, de raad of de gemeentelijke ombudsman. Als
                            naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet
                            direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de
                            gemeente worden geschaad, kan de ontvanger na voorafgaande toestemming
                            van het college toch invorderingsmaatregelen treffen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.1.12. Kwijtschelding en automatische incasso</vet>
          </al>
          <al>Indien de belastingschuld door middel van automatische incasso van de
                            bankrekening van de belastingschuldige wordt afgeschreven, blijven deze
                            afschrijvingen gedurende de behandeling van het kwijtscheldingsverzoek
                            en het eventuele administratieve beroep doorgang vinden, tenzij de
                            belastingschuldige verzoekt om opschorting daarvan.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2. Kwijtschelding van belastingen voor
                            particulieren</vet>
          </al>
          <al>
            <vet>26.2.1. Vermogen</vet>
            <vet> en kwijtschelding
                            particulieren</vet>
          </al>
          <al>Onder vermogen wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van
                            de bezittingen van de belastingschuldige en zijn echtgenoot, verminderd
                            met de schulden van de belastingschuldige en de echtgenoot die hoger
                            bevoorrecht zijn dan de rijksbelastingen.</al>
          <al>Ook als de belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd, of
                            bij ongehuwd samenlevenden als sprake is van een samenlevingscontract,
                            is het voorgaande van overeenkomstige toepassing ondanks het feit dat de
                            partner niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de
                            belastingaanslag.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.2. De inboedel</vet>
            <vet> en kwijtschelding
                                particulieren</vet>
          </al>
          <al>De waarde van de inboedel wordt niet als vermogensbestanddeel in
                            aanmerking genomen als deze bij gedwongen verkoop niet meer dan € 2.269
                            bedraagt. Als de waarde meer bedraagt, wordt de volle waarde als
                            vermogen in aanmerking genomen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.3. De auto </vet>
            <vet>en kwijtschelding
                            particulieren</vet>
          </al>
          <al>De waarde van de personenauto wordt niet als vermogensbestanddeel in
                            aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt
                            ingediend een waarde heeft van € 2.269 of minder. Als de waarde meer
                            bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen. Als
                            op de auto voor een financier een pandrecht is gevestigd, moet ter
                            vaststelling van de actuele (over)waarde de financieringsschuld in
                            mindering worden gebracht. </al>
          <al/>
          <al>Een auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen
                            als de belastingschuldige aan de ontvanger - zo nodig na een verzoek
                            daartoe - aannemelijk kan maken dat die auto absoluut onmisbaar is voor
                            de uitoefening van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband
                            met invaliditeit of ziekte van de belastingschuldige of zijn
                            gezinsleden. Met gezinsleden wordt bedoeld de echtgenoot van
                            belastingschuldige, of zijn kind(eren) voor zover deze geen eigen
                            inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit de auto in beginsel zou kunnen
                            worden betaald.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.4. Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor
                                particulieren</vet>
          </al>
          <al>Incidentele ontvangsten op een bank- of girorekening (zoals bijvoorbeeld
                            vakantiegeld) worden voor de bepaling van een aanwezig
                            vermogensbestanddeel ook in aanmerking genomen, tenzij bij de berekening
                            van de betalingscapaciteit met dat bedrag rekening is gehouden. Deze
                            situatie zal zich met name voordoen bij de vakantiegelduitkering.</al>
          <al/>
          <al>De nog beschikbare kredietruimte van een doorlopend krediet wordt in de
                            kwijtscheldingsregeling niet als een vermogensbestanddeel
                            aangemerkt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.5. De eigen woning en kwijtschelding voor
                            particulieren</vet>
          </al>
          <al>De waarde van onroerende zaken die een belastingschuldige in zijn bezit
                            heeft, wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel. Voor de
                            waardebepaling van de onroerende zaak is uitgangspunt de waarde van de
                            onroerende zaak bij verkoop vrij te aanvaarden.</al>
          <al/>
          <al>Als de aanwezigheid van vermogen vastgelegd in onroerende zaken leidt
                            tot de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding en de
                            belastingaanslag wordt vervolgens niet betaald, kan de voortzetting van
                            de invordering bij oudere belastingschuldigen die hun laatste
                            levensjaren in hun eigen woning willen slijten, leiden tot een
                            onverdedigbare hardheid.</al>
          <al/>
          <al>Een gedwongen verhuizing in verband met de verkoop van de woning zal
                            voor deze groep belastingschuldigen een onevenredig grotere belasting
                            zijn dan voor andere belastingschuldigen. In die gevallen kan de
                            ontvanger in overleg met de belastingschuldige afzien van prompte
                            invordering en in plaats daarvan uitstel van betaling verlenen, gedekt
                            door een hypotheek op de eigen woning of door het leggen van een beslag
                            op de woning. De hypotheek moet opeisbaar zijn na het overlijden van de
                            langstlevende of bij een eerder vrijkomen van de woning.</al>
          <al/>
          <al>Het verlenen van een zodanig uitstel blijft beperkt tot uitzonderlijke
                            gevallen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.6. Vermogen van kinderen</vet>
            <vet> en kwijtschelding voor
                                particulieren</vet>
          </al>
          <al>Als bij de belastingschuldige kinderen thuis wonen die over een eigen
                            vermogen beschikken, wordt dat vermogen bij de beoordeling van het door
                            de ouder ingediende verzoek om kwijtschelding niet in aanmerking
                            genomen, tenzij die ouder (een deel van) zijn vermogen heeft toebedeeld
                            aan zijn kind(eren) om daaruit een fiscaal voordeel te
                            behalen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.7. Nalatenschappen</vet>
            <vet> en kwijtschelding voor
                                particulieren</vet>
          </al>
          <al>Voor de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding van
                            belastingaanslagen ten name van overledenen zijn de financiële
                            omstandigheden van de erfgenamen in beginsel niet van belang. Alleen de
                            vraag of de belastingaanslagen uit het actief van de nalatenschap
                            (hadden) kunnen worden voldaan is van belang.</al>
          <al/>
          <al>Dit uitgangspunt geldt niet als het verzoek wordt gedaan door de
                            overblijvende partner/erfgenaam. In dat geval worden de persoonlijke
                            financiële omstandigheden wel mee in aanmerking genomen, ook al zouden
                            bijvoorbeeld de kinderen als mede-erfgenamen voor een deel van de
                            belastingschuld kunnen worden aangesproken.</al>
          <al/>
          <al>Als een erfgenaam op grond van een ingediend verzoek voor kwijtschelding
                            in aanmerking zou komen, wordt de betrokkene bij beschikking voor zijn
                            aandeel in de belastingschuld ontslag van betalingsverplichting
                            verleend. Deze werkwijze wordt ook gevolgd als de partner van de
                            erflater het verzoek om kwijtschelding indient.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.8. </vet>[vervallen] </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.9. </vet>
          </al>
          <al>Vervallen</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.10. Betalingscapaciteit</vet>
            <vet> en kwijtschelding voor
                                particulieren</vet>
          </al>
          <al>Als is vastgesteld dat geen of onvoldoende vermogensbestanddelen
                            aanwezig zijn om de openstaande belastingaanslag te voldoen, moet worden
                            beoordeeld in hoeverre de aanwezige betalingscapaciteit voldoende is om
                            de belastingaanslag te voldoen.</al>
          <al/>
          <al>De betalingscapaciteit wordt gevormd door het positieve verschil tussen
                            het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van de
                            belastingschuldige en de gemiddeld per maand te verwachten kosten van
                            bestaan in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het
                            verzoek om kwijtschelding is ingediend.</al>
          <al/>
          <al>Het netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige wordt
                            vermeerderd met het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar
                            inkomen van zijn echtgenoot in de periode van twaalf maanden vanaf de
                            datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend. Ook wanneer de
                            belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd of bij
                            ongehuwd samenlevenden wanneer sprake is van een samenlevingscontract,
                            is het voorgaande van toepassing, ondanks het feit dat de partner niet
                            aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de
                            belastingaanslag. De vaststelling van het totale netto besteedbaar
                            inkomen staat los van de aansprakelijkheid tot betaling van de aanslagen
                            waarvan kwijtschelding wordt verzocht.</al>
          <al/>
          <al>De verantwoordelijkheid van de echtgenoot, voor schulden van de
                            belastingschuldige, wordt beperkt tot de (materiële) belastingschulden
                            die stammen uit de huwelijkse periode dan wel uit de periode waarin de
                            gezamenlijke huishouding is gevoerd. Dat kan tot gevolg hebben dat in
                            voorkomende gevallen de belastingaanslag moet worden gesplitst. Het
                            vermogen en de betalingscapaciteit van de echtgenoot van
                            belastingschuldige, worden dus buiten beschouwing gelaten voor zover een
                            door de belastingschuldige ingediend verzoek om kwijtschelding
                            betrekking heeft op belastingschulden die zijn ontstaan vóór de aanvang
                            van de huwelijkse periode dan wel de gezamenlijke huishouding. Het toe
                            te passen normbedrag is in dit geval het normbedrag voor een
                            alleenstaande ofeen alleenstaande ouder (zie artikel 16 van de
                            regeling).</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.11. Vakantiegeld</vet>
            <vet> en kwijtschelding voor
                                particulieren</vet>
          </al>
          <al>Tot het inkomen wordt ook het vakantiegeld gerekend. Het vakantiegeld
                            wordt gesteld op 7% van de - aan loonheffing onderworpen - inkomsten
                            waarbij aanspraak bestaat op vakantiegeld.</al>
          <al/>
          <al>Als uit het ingediende verzoekformulier blijkt, dan wel de ontvanger uit
                            eigen wetenschap bekend is dat het reëel genoten vakantiegeld meer of
                            minder bedraagt dan 7%, wordt het reëel genoten vakantiegeld in
                            aanmerking genomen. Zo is bijvoorbeeld sprake van een lager percentage
                            dan 7 in het geval de belastingschuldige een bijstandsuitkering geniet.
                            In dat geval moet dus worden uitgegaan van het percentage genoemd in
                            artikel 19, derde lid, van de Pw.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.12. Studiefinanciering</vet>
            <vet> en kwijtschelding voor
                                particulieren</vet>
          </al>
          <al>Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt rekening
                            gehouden met inkomsten die studenten ontvangen op grond van de WSF 2000
                            en hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                            schoolkosten (WTOS VO-18+ ).</al>
          <al/>
          <al>Studenten in het hoger en middelbaar beroepsonderwijs hebben recht op
                            een normbudget voor levensonderhoud: in het kader van de
                            kwijtscheldingsregeling is dit normbudget de optelsom van basisbeurs,
                            maximale aanvullende beurs en maximale basislening. Daarbij wordt
                            rekening gehouden met het feit of de student thuiswonend, dan wel
                            uitwonend is. In voorkomend geval wordt dit normbudget verhoogd met de
                            partnertoeslag of de één-oudertoeslag.</al>
          <al>De inkomsten van een student worden gesteld op een forfaitair
                            bedrag.</al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="A."><al>Voor studenten in het hoger onderwijs is dit het bedrag voor het
                                    normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair
                                    bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 61.</al></li>
            <li nr="B."><al>Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs is dit het
                                    bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met
                                    een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 53 en
                                    met het bedrag aan onderwijsretributie.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>Als de belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen
                            inkomsten wordt eveneens uitgegaan van de forfaitaire inkomsten, zoals
                            hiervoor berekend onder A en B. </al>
          <al/>
          <al>Als de daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen
                            collegegeldkrediet voor studenten in het hoger onderwijs) en de eigen
                            inkomsten uitstijgen boven de voor het desbetreffende huishoudtype
                            maximaal geldende kosten van bestaan wordt om de betalingscapaciteit te
                            kunnen berekenen de navolgende formules gebruikt: Formule 1: (P + Q) – R
                            – S = X</al>
          <al>In deze formule wordt met P aangegeven het totaal van de daadwerkelijk
                            genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen collegegeldkrediet
                            voor studenten in het hoger onderwijs). Het totaal van de eigen
                            inkomsten wordt aangegeven met Q. Met R wordt aangegeven het voor de
                            kwijtschelding geldende normbudget voor levensonderhoud. Het in
                            mindering te brengen bedrag van de daadwerkelijk ontvangen lening van de
                            IB-groep wordt aangeduid met S. De uitkomst van deze berekening wordt
                            aangegeven met X, met dien verstande dat X altijd tenminste nul
                            bedraagt.</al>
          <al/>
          <al>Formule 2: X + Y = T</al>
          <al/>
          <al>In deze formule wordt met Y aangegeven het forfaitaire bedrag aan
                            inkomsten van de betreffende student zoals bedoeld onder A of B. Het
                            resultaat van de berekening volgens formule 1 (X) vermeerderd met Y is
                            het inkomen (T). Dit inkomen vormt vervolgens het uitgangspunt om het
                            netto-besteedbaar inkomen te kunnen berekenen en de
                            betalingscapaciteit.</al>
          <al/>
          <al>In sommige gevallen bestaat de studiefinanciering voor een groot deel of
                            zelfs geheel uit een lening. In die situaties wordt ook uitgegaan van de
                            vorenvermelde forfaitaire inkomsten en is hetgeen in dit artikel is
                            vermeld van overeenkomstige toepassing.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.13. Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage</vet>
            <vet> en
                                kwijtschelding voor particulieren</vet>
          </al>
          <al>Uitkeringen die worden ontvangen in het kader van bijzondere bijstand en
                            die zijn bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de
                            reguliere bijstandsuitkering niet voorziet, worden niet als inkomen in
                            aanmerking genomen. </al>
          <al/>
          <al>De bijzondere (aanvullende) bijstand voor personen jonger dan 21 jaar,
                            wordt daarentegen wél als inkomen in aanmerking genomen, evenals de
                            ouderlijke bijdrage in geld die deze jongeren ontvangen. In dat geval is
                            de bijzondere bijstand niet bestemd voor bestrijding van specifieke
                            kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet. De
                            bijzondere bijstand voor jongeren dient ter aanvulling van de zeer lage
                            bijstandsnorm, als de ouderlijke bijdrage - die geacht wordt deze lage
                            bijstandsnorm aan te vullen tot het niveau van de bijstandsnorm voor
                            personen van 21 tot 65 jaar - geheel of gedeeltelijk
                            ontbreekt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.13a. Persoonsgebonden budget en kwijtschelding voor
                                particulieren</vet>
          </al>
          <al>Verstrekkingen die worden ontvangen uit een persoonsgebonden budget voor
                            specifieke kosten op het gebied van zorg, begeleiding of hulp en waarop
                            geen aanspraak bestaat vanuit de zorgverzekering of de reguliere
                            bijstand, worden niet als inkomen in aanmerking genomen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.14. Betalingen op belastingschulden</vet>
            <vet> en
                                kwijtschelding voor particulieren</vet>
          </al>
          <al>Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen wordt geen rekening
                            gehouden met belastingaanslagen die in de loop van de periode van twaalf
                            maanden vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend, nog zullen
                            worden opgelegd.</al>
          <al/>
          <al>Tot betalingen op belastingschulden worden naast betalingen aan
                            rijksbelastingen ook de betalingen gerekend die worden verricht op
                            gemeentelijke belastingen (met uitzondering van de rechten die zijn
                            vermeld in artikel 229 van de Gemeentewet) en andere belastingen en
                            heffingen van lokale overheden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.15. Woonlasten en kwijtschelding van belasting van
                                voorhuwelijkse belastingschulden</vet>
          </al>
          <al>Als het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden
                            die zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode, dan wel de
                            gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 Pw (zie artikel 26.2.10
                            van deze leidraad), worden de woonlasten in aanmerking genomen tot ten
                            hoogste 50% van het bedrag dat de uitkomst is van de berekening op grond
                            van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de regeling.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.15.A. Woonlasten van meerpersoonshuishoudens</vet>
          </al>
          <al>In het geval de belastingschuldige met tenminste twee personen van 18
                            jaar of ouder een gezamenlijke huishouding voert alsmede in het geval de
                            belastingschuldige met één of meer bloedverwanten in de eerste graad van
                            18 jaar of ouder een gezamenlijke huishouding voert dan wel anderszins
                            op één adres verblijf houdt, wordt bij de berekening van de
                            betalingscapaciteit geen rekening gehouden met de netto-woonlasten,
                            tenzij de belastingschuldige aannemelijk maakt dat de woonlasten niet
                            gedeeld kunnen worden. Het vorenstaande geldt niet als sprake is van
                            commerciële verhuur, te weten als sprake is van kostgangers of
                            kamerhuurders.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.16. Uitgaven in verband met
                                onderhoudsverplichtingen</vet>
            <vet> en kwijtschelding voor
                                particulieren</vet>
          </al>
          <al>Naast de alimentatieverplichtingen wordt bij de berekening van het netto
                            besteedbaar inkomen de daadwerkelijk betaalde onderhoudsbijdrage - de
                            bijdrage die een gemeente op grond van de Pw van een ex-partner vordert
                            in de kosten van bijstand - in mindering gebracht.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.17. Kwijtschelding tijdens WSNP</vet>
          </al>
          <al>Als sprake is van een belastingschuldige ten aanzien van wie de
                            schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
                            verklaard, en die belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van
                            nadien opgekomen belastingschulden die niet zijn aan te merken als
                            boedelschuld, dan wordt het verzoek behandeld overeenkomstig het
                            bestaande beleid.</al>
          <al>Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de
                            betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in
                            mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat onder beheer van
                            de bewindvoerder naar de boedel gaat. Verder wordt opgemerkt dat de
                            middelen die de boedel vormen en onder beheer van de bewindvoerder
                            berusten, niet beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12
                            van de regeling.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.18. </vet>
          </al>
          <al>Vervallen</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.19. Normpremie ziektekostenverzekering begrepen in de
                                bijstandsuitkering</vet>
          </al>
          <al>De normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor
                            zover is begrepen in de bijstandsnorm, bedraagt voor een alleenstaande
                            of een alleenstaande ouder € 39 per maand en voor echtgenoten € 85 per
                            maand.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.2.20. Onderhoud gezinsleden in het buitenland</vet>
          </al>
          <al>De hier te lande alleenwonende gehuwde belastingschuldige die zijn in
                            het buitenland verblijvende echtgenote en/of kinderen daadwerkelijk
                            onderhoudt, wordt voor de berekening van de betalingscapaciteit niet als
                            een alleenstaande aangemerkt. Uitgegaan wordt van het normbedrag voor
                            echtgenoten in de zin van artikel 3 Wwb. Als huur wordt de hier te lande
                            betaalde huur in aanmerking genomen. Door toepassing van het normbedrag
                            voor echtgenoten in de zin van artikel 3 Pw, wordt in het
                            kwijtscheldingsbeleid op forfaitaire wijze rekening gehouden met de
                            bedragen die de buitenlandse werknemer aan zijn bloed- of aanverwanten
                            overmaakt voor de kosten van levensonderhoud. Met de werkelijke bedragen
                            die de buitenlandse belastingschuldige overmaakt, wordt geen rekening
                                gehouden.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>
              <vet>26.3. Kwijtschelding van
                                    belastingen</vet>
            </cursief>
            <cursief>
              <vet> voor
                                ondernemers</vet>
            </cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.3.1. Kwijtschelding</vet>
            <vet> voor ondernemers bij een
                                saneringsakkoord</vet>
          </al>
          <al>Kwijtschelding voor ondernemers vindt alleen plaats bij een
                            saneringsakkoord tussen de schuldenaar en alle schuldeisers tot
                            gedeeltelijke betaling van de schuld tegen finale kwijting.</al>
          <al/>
          <al>Deze kwijtschelding komt pas aan de orde nadat alle gestelde zekerheden
                            zijn uitgewonnen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.3.2. Aansprakelijkheid </vet>
            <vet>en kwijtschelding voor
                                ondernemers</vet>
          </al>
          <al>Voordat de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord gaat hij na of
                            de mogelijkheid bestaat (een) derde(n) aansprakelijk te stellen voor
                            onbetaald gebleven belastingschuld. Als de (te verwachten) opbrengst uit
                            de aansprakelijkstelling zodanig is dat het aanbod tot een
                            saneringsakkoord voor de ontvanger geen betere perspectieven biedt,
                            treedt de ontvanger niet toe tot het akkoord.</al>
          <al/>
          <al>Bij toetreding tot een saneringsakkoord kan de ontvanger er van afzien
                            derden alsnog aansprakelijk te stellen. In dat geval moet bij de
                            vaststelling van het bedrag dat aan de ontvanger moet worden voldaan
                            rekening worden gehouden met het bedrag dat uit de aansprakelijkstelling
                            geïnd had kunnen worden. </al>
          <al/>
          <al>Als de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord en daarnaast nog
                            derden aansprakelijk stelt, blijft bij de vaststelling van het bedrag
                            dat in het akkoord moet worden voldaan een (eventuele) opbrengst uit de
                            aansprakelijkstelling buiten beschouwing. In de situatie dat de
                            aansprakelijkgestelde zijn regresrecht op de gesaneerde onderneming
                            uitoefent en het bedrijf daardoor opnieuw in moeilijkheden komt, eist de
                            ontvanger niet dat de onderneming het ontstane tekort alsnog aanvult.
                            Als later blijkt dat de aansprakelijkgestelde niet kan betalen, eist de
                            ontvanger evenmin het ontstane tekort op.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.3.3. Voorwaarden tot deelname aan een
                            saneringsakkoord</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger verleent geen medewerking aan een saneringsakkoord waarbij
                            één of meer schuldeisers het gedeelte van hun vordering dat niet wordt
                            voldaan niet kwijtschelden maar overdragen aan een derde of omzetten in
                            aandelenkapitaal.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.3.4. Toepassingsbereik sanering</vet>
            <vet>sakkoord</vet>
          </al>
          <al>Bij de beoordeling van het aangeboden saneringsakkoord bekijkt de
                            ontvanger welke belastingaanslagen in het akkoord kunnen worden
                            betrokken. Uitgangspunt hierbij is de formele belastingschuld ten tijde
                            van het verzoek.</al>
          <al>Bij de behandeling van het aangeboden akkoord is het de taak van de
                            belastingschuldige/ondernemer er voor te zorgen dat de formele schuld zo
                            nauwkeurig mogelijk overeenstemt met de materiële schuld. Als de
                            belastingschuldige niet de gegevens overlegt die (kunnen) leiden tot een
                            juiste vaststelling van de verschuldigde belasting, is er geen
                            aanleiding voor de ontvanger toe te treden tot het aangeboden
                            akkoord.</al>
          <al/>
          <al>Naast de Rijksbelastingdienst heeft ook de gemeente de
                            inspanningsverplichting om de te saneren schuld zo volledig mogelijk en
                            tot het juiste bedrag vast te stellen en de eventueel nog (materieel)
                            verschuldigde belastingen over tijdvakken tot aan het tijdstip waarop
                            het verzoek om sanering is ingediend, te formaliseren.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.3.5. Ten minste dubbele percentage</vet>
            <vet> en
                                saneringsakkoord</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.3.6. Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord</vet>
          </al>
          <al>Bestuurlijke boeten moeten ook integraal in het akkoord worden
                            betrokken. Uitgangspunt is dat het heffingstraject moet worden afgewerkt
                            voordat tot sanering kan worden overgegaan. Daarna past de ontvanger het
                            akkoordpercentage toe op de belastingschuld én op de bestuurlijke
                            boete.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.3.7. Rente en kosten en saneringsakkoord</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger betrekt rente en kosten integraal in het akkoord. Het
                            bedrag dat op basis van het akkoord is betaald, wordt in afwijking van
                            artikel 7 van de wet op de hoofdsom afgeboekt. De ontvanger vermeldt dit
                            in de beschikking.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.3.8. Speciale crediteuren en saneringsakkoord</vet>
          </al>
          <al>Een aantal crediteuren neemt een zodanige positie in dat zij niet
                            noodzakelijkerwijs tot een akkoord hoeven toe te treden om (een deel
                            van) de vordering die zij hebben te kunnen innen. Tot die crediteuren
                            behoren onder meer:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>Pandhouders, omdat het recht van voorrang van de pandhouder op
                                    het in pand gegeven goed boven het voorrecht van de fiscus gaat,
                                    staat het niet deelnemen van de pandhouder aan het akkoord niet
                                    aan een deelname daaraan door de ontvanger in de weg.
                                    Vanzelfsprekend zal in aanmerking moeten worden genomen dat het
                                    recht van voorrang van de pandhouder afhankelijk is van - en dus
                                    qua belang beperkt is tot - de waarde van het in pand gegeven
                                    goed. Voor het niet door pand gedekte gedeelte van zijn
                                    vordering kan de pandhouder slechts als concurrent schuldeiser
                                    worden aangemerkt. De bezitloos pandhouder wiens pandrecht
                                    betrekking heeft op een zaak als bedoeld in artikel 21, tweede
                                    lid, tweede volzin van de wet is voor die zaak lager bevoorrecht
                                    dan de fiscus. Voor hem geldt het voorgaande dus niet. Vordering
                                    van de gemeente moeten als concurrente vorderingen worden
                                    aangemerkt.</al></li>
            <li nr="-"><al>Leveranciers die de eigendom van de geleverde zaak hebben
                                    voorbehouden. Als een leverancier de eigendom van de geleverde
                                    zaak heeft voorbehouden, moet bij het bepalen van de grootte van
                                    zijn vordering rekening worden gehouden met dat
                                    eigendomsvoorbehoud. Het voorgaande is niet van toepassing als
                                    de rijksontvanger met toepassing van het bodemrecht beslag heeft
                                    gelegd op deze zaak. In dat geval wordt door de rijksontvanger
                                    integrale voldoening van de waarde van de bodemzaak worden
                                    geëist en voor het restant van de fiscale vordering (ten minste)
                                    het dubbele percentage;</al></li>
            <li nr="-"><al>Cessionarissen, als sprake is van rechtsgeldige gecedeerde uit
                                    te betalen bedragen en de ontvanger heeft eveneens met de cessie
                                    ingestemd, dan wordt bij een akkoord de vordering van de
                                    crediteur/cessionaris in aanmerking genomen met inachtneming van
                                    de te verwachten uit te betalen bedragen. De hoogte van de
                                    vordering van de ontvanger wordt bepaald zonder rekening te
                                    houden met de te verwachten - maar rechtsgeldig gecedeerde - uit
                                    te betalen bedragen.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>Onder 'dwangcrediteuren' worden verstaan leveranciers die niet bereid
                            zijn aan een akkoord mee te werken omdat de onderneming zonder hen niet
                            verder kan werken.</al>
          <al/>
          <al>Hiermee vergelijkbaar is de adviseur/boekhouder die de stukken moet
                            produceren die voor de beoordeling van het aanbod nodig zijn. Bij de
                            beoordeling van het akkoord houdt de ontvanger rekening met de volledige
                            betaling van de vordering van de adviseur/boekhouder.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.4. Administratief beroep</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.4.1. Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om
                                kwijtschelding</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingschuldige zich niet kan verenigen met de beschikking van
                            de ontvanger op het verzoek om kwijtschelding, kan hij een gemotiveerd
                            beroepschrift richten tot het college. Het beroepschrift wordt ingediend
                            bij de ontvanger. In verband met het aan het college uit te brengen
                            advies zendt de ontvanger zo nodig opnieuw een verzoekformulier aan de
                            belastingschuldige toe.</al>
          <al/>
          <al>Als de belastingschuldige het nader toegezonden verzoekformulier niet
                            terugzendt, stelt de ontvanger hem in de gelegenheid dit alsnog te doen.
                            Als de belastingschuldige hieraan geen gevolg geeft, stelt de ontvanger
                            het college daarvan in kennis. De ontvanger adviseert het college dan om
                            niet aan het beroepschrift tegemoet te komen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.4.2. Herhaald verzoek om kwijtschelding</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger merkt een herhaald verzoek om kwijtschelding aan als een
                            beroepschrift dat gericht is aan het college. Als de ontvanger zelf
                            aanleiding ziet om een gunstigere beslissing te nemen dan in zijn
                            eerdere beschikking, handelt hij het herhaalde verzoek zelf af.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger behandelt een herhaald verzoek om kwijtschelding als een
                            eerste verzoek als het verzoek is afgewezen als gevolg van een
                            duidelijke, ambtelijke fout.</al>
          <al/>
          <al>In deze gevallen kan de belastingschuldige na de beslissing van de
                            ontvanger een beroepschrift indienen bij het college.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.4.3. Beroepsfase kwijtschelding</vet>
          </al>
          <al>Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep is
                            gebaseerd, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift
                            binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst
                            daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet
                            voldoen aan deze motiveringsplicht.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.4.4. Gegevens en normen eerste verzoek</vet>
            <vet> om
                                kwijtschelding</vet>
          </al>
          <al>Bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek om
                            kwijtschelding zijn de gegevens en normen van belang die van toepassing
                            waren bij de beoordeling van het eerste verzoek. Wanneer echter blijkt
                            dat het inkomen van de belastingschuldige ten opzichte van het eerste
                            verzoek zodanig is gedaald dat de betalingscapaciteit destijds in
                            belangrijke mate tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vindt een
                            herberekening plaats. Ook wijzigingen in de aanspraak inzake huurtoeslag
                            en zorgtoeslag kunnen leiden tot een herberekening. Een herberekening
                            vindt niet plaats bij wijzigingen in de kosten van bestaan.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.4.5. Beslissing college op beroep bij kwijtschelding</vet>
          </al>
          <al>In alle gevallen waarin het college het beroep gegrond oordeelt, kan het
                            college de zaak inhoudelijk afdoen. Hetzij door het verzoek alsnog toe
                            te wijzen, hetzij door het af te wijzen onder verbetering of vervanging
                            van de gronden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.4.6. Invordering na administratief beroep en herhaald
                                verzoek</vet>
            <vet> om kwijtschelding</vet>
          </al>
          <al>Als een verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen, wordt de invordering
                            niet eerder voortgezet dan nadat tien dagen zijn verstreken. Artikel 9
                            van de regeling is van overeenkomstige toepassing. Als binnen de termijn
                            van tien dagen een beroepschrift wordt ingediend, dan wordt gedurende de
                            behandeling van dit beroepschrift ook gehandeld overeenkomstig artikel 9
                            van de regeling.</al>
          <al/>
          <al>Indiening van het beroepschrift na de termijn van tien dagen leidt tot
                            niet-ontvankelijkheid. Dit neemt echter niet weg dat - als het belang
                            van de invordering zich daartegen niet verzet - van het college mag
                            worden verwacht dat het alsnog ambtshalve de grieven die in het
                            beroepschrift zijn aangedragen op hun waarde beoordeelt. Ook in dat
                            geval wordt gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling.</al>
          <al/>
          <al>Of het belang van de invordering zich tegen ambtshalve behandeling
                            verzet, hangt af van de omstandigheden. Hiervan is echter in ieder geval
                            sprake als inmiddels onherroepelijke invorderingsmaatregelen zijn
                            genomen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>2</vet>
            <vet>6.4.7. Niet tijdig besliss</vet>
            <vet>en op een verzoek
                                om kwijtschelding</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger nalaat om tijdig een beslissing te nemen op een verzoek
                            om kwijtschelding, kan de belastingschuldige hiertegen beroep instellen
                            bij het college. Hieraan is geen termijn gebonden.</al>
          <al/>
          <al>Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger kwijtschelding
                            had moeten verlenen, dan hoeft het college niet te volstaan met de
                            uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan het
                            college op het beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk
                            beslissen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.5. Voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om
                                kwijtschelding</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.5.1. Invordering na afwijzing</vet>
            <vet> verzoek om
                                kwijtschelding</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger afwijzend heeft beslist op een verzoek om
                            kwijtschelding of een aangeboden akkoord, of het college heeft afwijzend
                            beslist op een ingediend beroepschrift tegen een afwijzende beschikking
                            van de ontvanger, dan moet de belastingschuldige het op de
                            belastingaanslag(en) verschuldigde bedrag binnen tien dagen na
                            dagtekening van de afwijzende beschikking of binnen de betaaltermijnen
                            die op het aanslagbiljet zijn aangegeven, voldoen. Na deze termijn kan
                            de ontvanger de invordering aanvangen dan wel voortzetten. De termijn
                            van tien dagen geldt niet als sprake is van een situatie als bedoeld in
                            artikel 10 van de wet.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.6. Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om
                                kwijtschelding</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor kwijtschelding
                            maar de ontvanger voortzetting van de invordering niet gewenst vindt,
                            wijst de ontvanger het verzoek om kwijtschelding af. De ontvanger neemt
                            in die beschikking op in hoeverre hij geen invorderingsmaatregelen zal
                            treffen.</al>
          <al/>
          <al>Als de ontvanger besluit tot het niet meer nemen van
                            invorderingsmaatregelen voor de nog openstaande schuld zonder dat hij
                            daaraan voorwaarden verbindt, heeft de beslissing voor de
                            belastingschuldige materieel dezelfde gevolgen als kwijtschelding.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger kan ook besluiten geen invorderingsmaatregelen meer te
                            nemen voor de nog openstaande schuld onder de voorwaarde dat eventuele
                            uit te betalen bedragen verrekend worden met de buiten de invordering
                            gelaten schuld. De termijn waarbinnen verrekening plaatsvindt bedraagt
                            maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de beschikking, dan
                            wel - als dit minder is - de tijd die nog overblijft voordat de
                            verjaring van de belastingaanslag intreedt. De ontvanger neemt deze
                            verrekeningsvoorwaarde uitdrukkelijk in de beschikking op.</al>
          <al>Als de ontvanger besluit voorlopig geen invorderingsmaatregelen meer te
                            nemen, zal hij in zijn beschikking voorwaarden of een tijdsbepaling
                            opnemen. Anders dan kwijtschelding is een dergelijke beschikking
                            herroepelijk. Als de belastingschuldige de voorwaarden niet nakomt,
                            neemt de ontvanger een nieuwe beschikking waarbij hij zijn eerdere
                            beschikking intrekt. De ontvanger kan hiertoe pas overgaan nadat hij de
                            belastingschuldige een brief heeft gestuurd over zijn voornemen de
                            eerdere beschikking in te trekken en niet binnen
                                <cursief>veertien</cursief> dagen alsnog aan de voorwaarden of de
                            tijdsbepaling is voldaan</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>26.7. Geautomatiseerde kwijtschelding</vet>
          </al>
          <al>Als de gemeente gebruik maakt van de mogelijkheid van geautomatiseerde
                            kwijtschelding, wordt er getoetst in het laatste kwartaal van het jaar
                            voorafgaande aan het belastingjaar waarvoor de kwijtschelding eventueel
                            kan worden verleend. </al>
          <al/>
          <al>De toetsing vindt plaats door het Inlichtingenbureau aan de hand van
                            jaarlijks vastgestelde criteria. Deze criteria worden vastgesteld door
                            het Ministerie van Financiën. Als op grond van deze toetsing geen recht
                            bestaat op geautomatiseerde kwijtschelding kan in een later stadium
                            alsnog een individueel verzoek worden ingediend.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>27</nr>
            <titel>Verjaring</titel>
          </kop>
          <al>Afdeling 4.4.3 van de Awb en artikel 27 van de wet bepaalt dat het recht
                            tot dwanginvordering en het recht tot verrekening verjaren door verloop
                            van vijf jaren:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>na de aanvang van de dag volgende op die waarop die
                                    belastingaanslag geheel invorderbaar is;</al></li>
            <li nr="-"><al>dan wel - als dit tot een later tijdstip leidt - vijf jaren na
                                    de aanvang van de dag volgende op die waarop de ontvanger de
                                    laatste akte van vervolging heeft betekend (stuiting van de
                                    verjaring);</al></li>
            <li nr="-"><al>verjaring van belastingteruggaven.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>Het tweede lid van dit artikel bepaalt limitatief in welke gevallen er
                            sprake is van verlenging van de verjaringstermijn (schorsing van de
                            verjaring).</al>
          <al/>
          <al>Na intreding van de verjaring maakt de ontvanger geen gebruik van de
                            mogelijkheid om in te vorderen door middel van een dagvaarding.</al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 27 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>versnelde invordering en verjaring;</al></li>
            <li nr="-"><al>aansprakelijkgestelden en verjaring;</al></li>
            <li nr="-"><al>stuiting van de verjaring;</al></li>
            <li nr="-"><al>schorsing van de verjaring;</al></li>
            <li nr="-"><al>afstand van verjaring;</al></li>
            <li nr="-"><al>rente en kosten en verjaring.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>27.1. Versnelde invordering</vet>
            <vet> en verjaring</vet>
          </al>
          <al>Als de invordering is aangevangen met toepassing van artikel 10 van de
                            wet begint de verjaringstermijn te lopen op het moment dat de
                            belastingaanslagen onmiddellijk en tot het volle bedrag invorderbaar
                            werden. De oorspronkelijke vervaldag heeft op dat moment voor de
                            verjaring geen belang meer.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>27.2. Aansprakelijkgestelden</vet>
            <vet> en verjaring</vet>
          </al>
          <al>Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex artikel 49 van de wet) is
                            niet voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door verjaring van de
                            belastingaanslag terzake waarvan aansprakelijk is gesteld, eindigt ook
                            het recht van dwanginvordering en verrekening van de
                            aansprakelijkheidsvordering.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>27.3. Stuiting van de verjaring</vet>
          </al>
          <al>Als de betekening van een dwangbevel uitsluitend plaatsvindt om de
                            verjaring te stuiten, dan licht de ontvanger de belastingschuldige in
                            over het doel van de betekening. Deze betekening is kosteloos. </al>
          <al/>
          <al>Om de verjaring te stuiten kan een dwangbevel meer dan éénmaal worden
                            betekend. Als de ontvanger de verjaring van een rechtsvordering tot
                            betaling stuit door een schriftelijke mededeling, maakt hij die
                            schriftelijke mededeling bekend aan de belastingschuldige.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>27.4. Schorsing van de verjaring</vet>
          </al>
          <al>Uitstel van betaling voor een gedeelte van de belastingaanslag verlengt
                            de verjaringstermijn voor de gehele belastingaanslag.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>27.5. Afstand van verjaring</vet>
          </al>
          <al>Van eenmaal verkregen verjaring kan afstand worden gedaan. De ontvanger
                            beroept zich echter alleen op afstand van verjaring, als zonder meer
                            duidelijk is dat de belastingschuldige daadwerkelijk bedoelt afstand van
                            de verjaring te doen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>27.6. Rente en kosten</vet>
            <vet> en verjaring</vet>
          </al>
          <al>De op een belastingaanslag belopen rente en kosten zijn onlosmakelijk
                            met de belastingaanslag verbonden. Als voor een belastingaanslag de
                            verjaring is ingetreden, laat de ontvanger dus ook voor de rente en
                            kosten invordering en verrekening achterwege.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>27.7.</vet>
            <vet>Na verjaring geen civiele invordering</vet>
          </al>
          <al>Na intreding van de verjaring maakt de ontvanger geen gebruik van de
                            mogelijkheid om een belastingschuld in te vorderen door middel van een
                            dagvaarding.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Artikel 27.8 Verjaring van belastingteruggaven</vet>
          </al>
          <al>Voor de verjaring van belastingteruggaven geldt eenzelfde
                            verjaringstermijn als voor belastingschulden. Na verjaring ontstaat een
                            natuurlijke verbintenis. De ontvanger zal een beroep op de verjaring
                            doen, tenzij hij gerede twijfel heeft of de belastingaanslag aan de
                            belastingschuldige is bekendgemaakt.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>27a</nr>
            <titel>Betalingskorting</titel>
          </kop>
          <al>De bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>28</nr>
            <titel>Invorderingsrente</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Artikel 28 van de wet regelt het in rekening brengen en
                                vergoeden van invorderingsrente.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 28 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>correctie berekende invorderingsrente;</al></li>
            <li nr="-"><al>vermindering terecht in rekening gebrachte
                                    invorderingsrente;</al></li>
            <li nr="-"><al>verzuim van de gemeente en invorderingsrente;</al></li>
            <li nr="-"><al>rente- of schadevergoeding;</al></li>
            <li nr="-"><al>kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk;</al></li>
            <li nr="-"><al>verminderingen en toepassing artikel 28, zesde lid, van de
                                    wet.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>28.1. Cheque buitenland</vet>
            <vet> en invorderingsrente</vet>
          </al>
          <al>[Vervallen per 1 januari 2011].</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>28.2. Correctie berekende invorderingsrente</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger corrigeert de renteberekening als daarbij onjuiste gegevens
                            zijn gebruikt. Dit geldt ook voor een belastingaanslag waaraan een
                            nieuwe dagtekening wordt toegekend die leidt tot een ander
                            aanvangstijdstip voor de renteberekening.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>28.3. Vermindering terecht in rekening gebrachte
                                invorderingsrente</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger als gevolg van een te late betaling terecht rente in
                            rekening brengt, kan er slechts in uitzonderlijke situaties aanleiding
                            bestaan die rente te verminderen. De ontvanger moet dan van mening zijn
                            dat het niet tijdig voldoen van de belastingschuld niet kan worden
                            verweten aan de belastingschuldige en bovendien dat de invordering van
                            rente onredelijk en onbillijk is.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger kan slechts naar aanleiding van een ingediend
                            bezwaarschrift de verschuldigde rente verminderen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>28.4. </vet>
          </al>
          <al>Vervallen </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>28.5.</vet>
          </al>
          <al>Vervallen </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>28.6. Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk</vet>
          </al>
          <al>Kwijtschelding van uitsluitend invorderingsrente is niet mogelijk. De
                            ontvanger doet ook geen toezegging dat de rente niet zal worden
                            ingevorderd. Dit laat onverlet dat de ontvanger kwijtschelding verleent
                            of rente buiten invordering laat, als hij de hoofdsom kwijtscheldt of
                            buiten invordering laat op grond van het bepaalde in artikel 26 van deze
                            leidraad.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>28.7. </vet>
          </al>
          <al>Vervallen</al>
          <al/>
          <al/>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>28a en artikel 28b</nr>
          </kop>
          <al>Er zijn in deze leidraad op artikel 28a en artikel 28b van de wet geen
                            beleidsregels gemaakt. </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>28c</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al>Er zijn in deze leidraad op artikel 28c van de wet geen beleidsregels
                            gemaakt.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>29</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al>Er zijn in deze leidraad op artikel 29 van de wet geen beleidsregels
                            gemaakt.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>30</nr>
            <titel>Beschikking betalingskorting en invorderingsrente</titel>
          </kop>
          <al>Artikel 30 van de wet bepaalt dat de ontvanger het bedrag van de
                            betalingskorting en de invorderingsrente vaststelt bij een voor bezwaar
                            vatbare beschikking. Op deze beschikking is hoofdstuk V van de AWR van
                            toepassing. De ontvanger kan geen betalingskorting verlenen van
                            belastingen.</al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 30 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- beschikking terug te nemen betalingskorting;</al>
          <al>- verzoek tot vermindering rente is bezwaar;</al>
          <al>- betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en
                            cassatie;</al>
          <al>- teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van
                            betaling;</al>
          <al>- geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende
                            betalingskorting.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>30.1. Beschikking</vet>
            <vet> terugnemen betalingskorting
                            </vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>30.2. Verzoek tot vermindering rente is bezwaar</vet>
          </al>
          <al>Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in rekening
                            gebrachte rente merkt de ontvanger aan als een bezwaarschrift.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>30.3. Betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en
                                cassatie</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het
                            bezwaar, handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het
                            Besluit beroep in belastingzaken 2005<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Xopus.aspx?id=148483&amp;xml=RegelingXML.ashx?id=148483#_ftn1">[1]</extref>, met dien verstande dat de ontvanger in een procedure
                            niet dezelfde stukken hoeft over te leggen als de inspecteur. De
                            ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over de
                            toepassing van de regeling betalingskorting dan wel invorderingsrente
                            relevant zijn.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>30.4. Teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel
                                van betaling</vet>
          </al>
          <al>Het beleid omtrent teruggenomen betalingskorting is niet van toepassing
                            voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>Indiening van een bezwaar- of beroepschrift (in hoger beroep) schort de
                            verplichting om de invorderingsrente te betalen niet op. Als om uitstel
                            van betaling wordt verzocht is het beleid van artikel 25 van deze
                            leidraad en artikel 34 van de regeling van overeenkomstige
                            toepassing.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>30.5. Geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende
                                betalingskorting</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. </al>
          <al>
            <extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Xopus.aspx?id=148483&amp;xml=RegelingXML.ashx?id=148483#_ftnref1">[1]</extref> Besluit van 1 juni 2005, nr. CPP 2005/1077M
                            (Belastingdienst)</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>31 en artikel 31a</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al>In artikel 4 van de Regeling gemeentelijke belastingen<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Xopus.aspx?id=148483&amp;xml=RegelingXML.ashx?id=148483#_ftn1">[1]</extref> is bepaald de ministeriële regeling als bedoeld in
                            artikel 31 van de Invorderingswet 1990 overeenkomstige toepassing vindt. </al>
          <al/>
          <al>Verder zijn in deze leidraad op de artikelen 31 en artikel 31a van de
                            wet geen beleidsregels gemaakt. </al>
          <al>
            <extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Xopus.aspx?id=148483&amp;xml=RegelingXML.ashx?id=148483#_ftnref1">[1]</extref> Besluit van 24 maart 2009, nr. 2009-06293</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>32</nr>
            <titel>Samenloop fiscale en civiele aansprakelijkheidsbepalingen</titel>
          </kop>
          <al>Artikel 32 van de wet bepaalt dat naast de aansprakelijkheidsbepalingen
                            die in hoofdstuk VI van de wet zijn opgenomen, de ontvanger ook een
                            beroep kan doen op aansprakelijkheidsbepalingen in andere wettelijke
                            regelingen. De ontvanger kan dus ook een beroep doen op
                            aansprakelijkheidsbepalingen uit bijvoorbeeld het Burgerlijk Wetboek of
                            het Wetboek van Koophandel.</al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 32 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- keuze aansprakelijkheid;</al>
          <al>- gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>32.1. Keuze aansprakelijkheid</vet>
          </al>
          <al>In situaties waarin de ontvanger feitelijk de keuze heeft tussen de
                            toepassing van zowel een aansprakelijkheidsbepaling uit de wet als een
                            aansprakelijkheidsbepaling uit het civiele recht, geldt in beginsel
                            hetgeen is vermeld in artikel 3.1 van deze leidraad.</al>
          <al/>
          <al>In de belangenafweging die aan de aansprakelijkstelling voorafgaat,
                            wordt in beginsel doorslaggevend gewicht toegekend aan die
                            aansprakelijkheidsbepaling waarbij de aansprakelijke in de gelegenheid
                            is zich te disculperen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>32.2. Gemeenschapsschulden</vet>
            <vet> en
                            aansprakelijkheid</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger merkt een belastingschuld in principe aan als een
                            gemeenschapsschuld. De ontbinding van een goederengemeenschap ontheft de
                            echtgenoten niet van hun aansprakelijkheid voor gemeenschapsschulden die
                            zijn ontstaan vóór de ontbinding van de gemeenschap. Ieder van de
                            echtgenoten blijft aansprakelijk voor het geheel van de
                            gemeenschapsschulden waarvoor hij/zij voordien aansprakelijk was.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>33</nr>
            <titel>Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste
                                vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen</titel>
          </kop>
          <al>Artikel 33 van de wet bevat hoofdelijke aansprakelijkheidsregels die
                            gelden voor de invordering van alle (rijks)belastingen.</al>
          <al/>
          <al>Deze regels dienen ertoe om, als op het in dit artikel genoemde lichaam
                            geen verhaal meer kan worden uitgeoefend, die personen voor de nog
                            verschuldigde belasting aan te spreken, die in een nauwe betrekking
                            staan of stonden tot het desbetreffende lichaam en invloed (hadden)
                            kunnen uitoefenen op het betalen van de belastingschulden.</al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 33 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger;</al>
          <al>- feitelijke vestiging;</al>
          <al>- lichaam dat is ontbonden;</al>
          <al>- vereffenaar;</al>
          <al>- bestuurder;</al>
          <al>- gewezen bestuurder.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>33.1. Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger</vet>
            <vet>
                                bij aansprakelijkheid</vet>
          </al>
          <al>De begrippen ‘vaste inrichting’ en ‘vaste vertegenwoordiger’ zijn
                            dezelfde als bij de heffing van de diverse belastingen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>33.2. Feitelijke vestiging</vet>
            <vet> bij
                            aansprakelijkheid</vet>
          </al>
          <al>Het begrip 'gevestigd' in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, van de
                            wet, heeft een feitelijke betekenis. Waar een lichaam is gevestigd, moet
                            worden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger moet hierbij aansluiting zoeken bij het materiële
                            vestigingsbegrip van artikel 4, eerste lid, van de AWR.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>33.3. Lichaam dat is ontbonden</vet>
            <vet> bij
                                aansprakelijkheid</vet>
          </al>
          <al>De ontbinding van het lichaam waarop artikel 33, eerste lid, onderdeel
                            c, van de wet doelt, kan - behalve op grond van de verschillende formele
                            ontbindingsbepalingen - onder omstandigheden ook worden afgeleid uit
                            handelingen van vennoten of organen van rechtspersonen.</al>
          <al/>
          <al>Voor de berekening van de driejaarstermijn wordt de stilzwijgende
                            ontbinding - bedoeld in de vorige volzin - geacht zich te hebben
                            voltrokken ten tijde van het verrichten van de handelingen.</al>
          <al/>
          <al>Als ontbinding kan niet worden aangemerkt het feitelijk staken van de
                            bedrijfsuitoefening en/of het voortzetten van de activiteiten van de
                            vennootschap in een andere rechtsvorm, het zogenaamde 'leeg' maken van
                            het lichaam.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>33.4. Vereffenaar</vet>
            <vet> bij aansprakelijkheid</vet>
          </al>
          <al>Niet alleen degene die met de vereffening is belast, is aansprakelijk op
                            grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet, maar ook
                            degene die feitelijk als vereffenaar is opgetreden zonder dat van een
                            uitdrukkelijke lastgeving sprake is.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger moet aannemelijk maken dat het niet-betalen van de
                            belastingschuld is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van de
                            vereffenaar. De betekenis van het begrip kennelijk onbehoorlijk bestuur
                            in dit lid is dezelfde als in artikel 36 van de wet.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>33.5. Bestuurder</vet>
            <vet> bij aansprakelijkheid</vet>
          </al>
          <al>Voor de toepassing van artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de wet
                            wordt als bestuurder niet alleen degene aangemerkt die als zodanig in
                            het Handelsregister staat ingeschreven. Ook wordt als bestuurder
                            aangemerkt degene die zich feitelijk als bestuurder heeft
                            gedragen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>33.6. Gewezen bestuurder</vet>
            <vet> bij
                            aansprakelijkheid</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger kan de gewezen bestuurder aansprakelijk stellen voor de
                            belastingschuld waarvoor hij ten tijde van zijn bestuursperiode
                            hoofdelijk aansprakelijk was, te weten de schuld die in deze periode
                            materieel is ontstaan.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>33.7. Disculpatie bestuurders, leiders en vaste vertegenwoordigers
                            </vet>
          </al>
          <al>Bestuurders van lichamen zonder rechtspersoonlijkheid of van een
                            rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd
                            is alsmede leiders van een vaste inrichting van een niet in Nederland
                            gevestigd lichaam dan wel de in Nederland wonende of gevestigde vaste
                            vertegenwoordiger van dat lichaam, zijn niet aansprakelijk voor zover
                            zij bewijzen dat de niet-betaling niet aan hen is te wijten. </al>
          <al>Niet-verwijtbaarheid wordt naar redelijkheid en billijkheid beoordeeld,
                            waarbij veel afhankelijk is van de feitelijke omstandigheden. Zo kan van
                            niet-verwijtbaarheid sprake zijn als een ondernemer, hoewel hij de
                            nodige voorzieningen heeft getroffen om eventuele tegenslagen in zijn
                            bedrijf het hoofd te bieden, toch wordt geconfronteerd met niet te
                            voorziene calamiteiten. Daaronder is begrepen een sterk verslechterde
                            economische situatie van zodanige omvang dat hij ondanks zijn voorzorgen
                            niet meer in staat is zijn betalingsverplichtingen na te komen. </al>
          <al/>
          <al>Ook kan plotseling betalingsonmacht ontstaan door een bijzondere
                            gebeurtenis, bijvoorbeeld een niet voorzienbare, omvangrijke
                            miscalculatie of door het faillissement van een belangrijke debiteur.
                            Bij dit laatste geldt echter dat een ondernemer die zijn bedrijf
                            uitoefent op een te zwakke financiële basis zich niet gemakkelijk op
                            niet-verwijtbaarheid zal kunnen beroepen. </al>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>34 tot en met 47</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>48</nr>
            <titel>Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen</titel>
          </kop>
          <al>Artikel 48 van de wet regelt niet de aansprakelijkheid van de erfgenaam,
                            maar geeft aan dat de erfgenaam - als rechtsopvolger van de erflater -
                            niet voor alle belastingaanslagen voor het volle bedrag zal worden
                            aangesproken.</al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 48 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- beneficiaire aanvaarding;</al>
          <al>- invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>48.1. Beneficiaire aanvaarding</vet>
          </al>
          <al>Als een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving is
                            aanvaard, wordt de vereffening van de boedel afgewacht, met dien
                            verstande dat de ontvanger maatregelen neemt ter beveiliging van zijn
                            rechten (zie echter ook artikel 14.1.3 van deze leidraad).</al>
          <al/>
          <al>Aantasting van het vermogen van de erfgenamen blijft uiteraard
                            achterwege.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>48.2. Invordering ten laste van een erfgenaam</vet>
          </al>
          <al>Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene niet meer
                            tegen de gezamenlijke erfgenamen kan worden opgetreden, blijft
                            invordering ten laste van een erfgenaam slechts onder bijzondere
                            omstandigheden achterwege. De gemeente hanteert geen drempelbedrag Een
                            gering restbedrag kan op tactische gronden buiten invordering te
                            laten.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>48a</nr>
            <titel>Aansprakelijkheid van derden voor uitbetaalde bedragen
                                inkomstenbelasting of omzetbelasting</titel>
          </kop>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>49</nr>
            <titel>Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling</titel>
          </kop>
          <al>Artikel 49 van de wet regelt de formele bepalingen voor
                            aansprakelijkstellingen. Het geeft aan op welke wijze een materiële
                            aansprakelijkheid wordt omgezet in een formele aansprakelijkstelling. De
                            bepalingen gelden niet alleen voor de in de wet opgenomen
                            aansprakelijkheidsregels, maar gelden ook voor de aansprakelijkheid in
                            enige andere wettelijke regeling, bijvoorbeeld in het Burgerlijk Wetboek
                            en het Wetboek van Koophandel.</al>
          <al/>
          <al>De aansprakelijkstelling vindt plaats bij voor bezwaar vatbare
                            beschikking, en wel afzonderlijk voor een ieder die aansprakelijk wordt
                            gesteld.</al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 49 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete;</al>
          <al>- aansprakelijkstelling voor invorderingsrente;</al>
          <al>- de aansprakelijkstelling - in gebreke zijn;</al>
          <al>- informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten- en
                            inlenersaansprakelijkheid;</al>
          <al>- informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden;</al>
          <al>- eerst uitwinning belastingschuldige;</al>
          <al>- volgorde van aansprakelijkstellen;</al>
          <al>- bezwaar en uitstel van betaling;</al>
          <al>- overgangsrecht.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>49.1. Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger kan de beschikking aansprakelijkstelling voor de
                            bestuurlijke boete opnemen in dezelfde brief waarbij hij ook de
                            beschikking voor de aansprakelijkstelling voor de belastingschuld
                            bekendmaakt. De ontvanger moet dan in de beschikking de gronden
                            vermelden waarop de aansprakelijkstelling voor de boete
                                berust<cursief>.</cursief></al>
          <al/>
          <al>Als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om de gronden, waarop
                            het voornemen tot een aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete
                            berust, te betwisten of de ontvanger is van oordeel dat de betwisting
                            van de aansprakelijke ongegrond is, dan zal hij de derde daarvan op de
                            hoogte stellen en overgaan tot aansprakelijkstelling voor de
                            bestuurlijke boete op de voet van artikel 49, eerste lid, van de
                            wet.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>49.2. Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente</vet>
          </al>
          <al>Als aan de aansprakelijkgestelde invorderingsrente in rekening moet
                            worden gebracht, dan wordt de rente berekend over het bedrag waarvoor
                            hij aansprakelijk is gesteld.</al>
          <al/>
          <al>Voor zover in het bedrag van de aansprakelijkstellingsbeschikking tevens
                            een bedrag aan invorderingsrente is opgenomen, wordt over dat bedrag
                            geen rente in rekening gebracht.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>49.3. De aansprakelijkstelling</vet>
            <vet> - in gebreke
                            zijn</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>49.3.1. Wanneer in gebreke</vet>
          </al>
          <al>De belastingschuldige is in gebreke als de betaling van zijn
                            belastingschuld niet heeft plaatsgevonden binnen de betalingstermijn die
                            voor de belastingaanslag geldt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>49.3.2. In gebreke zijn en versnelde invordering</vet>
          </al>
          <al>De belastingschuldige wordt ook geacht in gebreke te zijn als de
                            belastingaanslag op grond van artikel 10 van de wet terstond
                            invorderbaar is.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>49.3.3. In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere
                                invorderingsmaatregelen’</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger aan de belastingschuldige een beschikking heeft
                            gestuurd waarin hij toezegt geen verdere invorderingsmaatregelen tegen
                            de belastingschuldige meer te nemen, kan een derde voor de
                            desbetreffende belastingschuld niettemin aansprakelijk worden gesteld,
                            mits die mogelijkheid uitdrukkelijk in de beschikking is
                            vermeld.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>49.4. Informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling
                                keten- en inlenersaansprakelijkheid</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>49.5. Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden</vet>
          </al>
          <al>Op grond van het bepaalde in artikel 49, zesde lid, van de wet moet de
                            ontvanger de aansprakelijkgestelde desgevraagd op de hoogte stellen van
                            de gegevens over de belasting waarvoor hij aansprakelijk is
                            gesteld.</al>
          <al/>
          <al>Tot de gegevens die op grond van genoemde bepaling moeten worden
                            verstrekt, behoren in elk geval de stukken die op de zaak betrekking
                            hebben als bedoeld in de artikelen 7:4 en 8:42 Awb. Hieronder worden
                            verstaan alle stukken die bij het nemen van het besluit een rol hebben
                            gespeeld. Naast de gegevens die zijn vastgelegd in de genoemde stukken
                            moeten desgevraagd ook andere gegevens worden verstrekt, mits die
                            gegevens redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken
                            van bezwaar of het instellen van beroep.</al>
          <al/>
          <al>De gegevens worden - na een daartoe strekkend verzoek van de
                            aansprakelijk gestelde - vooruitlopend op het indienen van een
                            bezwaarschrift of op het instellen van beroep verstrekt.</al>
          <al/>
          <al>Hoewel artikel 49, zesde lid, van de wet betrekking heeft op de gegevens
                            over de belasting, is goedgekeurd dat de gegevensverstrekking zich
                            daartoe niet beperkt, maar mede betrekking heeft op (alle) andere
                            aspecten van de aansprakelijkheidsbeslissing. Voorwaarde is wel dat deze
                            gegevens hetzij gerekend kunnen worden tot de stukken die op de zaak
                            betrekking hebben als hiervoor genoemd, hetzij redelijkerwijs van belang
                            kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar tegen de
                            aansprakelijkheidsbeschikking of het instellen van beroep tegen daarop
                            volgende beslissingen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>49.6. Aansprakelijkheid: eerst uitwinning
                            belastingschuldige</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger zal zich in beginsel eerst verhalen op
                            vermogensbestanddelen van de belastingschuldige voordat hij overgaat tot
                            uitwinning van de vermogensbestanddelen van de aansprakelijkgestelde,
                            tenzij zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 14.1.4, laatste
                            volzin, van de leidraad.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>49.7. Volgorde van aansprakelijkstellen</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger een derde aansprakelijk kan stellen op grond van meer
                            dan één fiscale of civielrechtelijke aansprakelijkheidsbepaling, dan
                            hoeft hij daarbij geen volgorde in acht te nemen. Hetzelfde geldt als de
                            ontvanger verscheidene derden op grond van dezelfde dan wel op grond van
                            verschillende aansprakelijkheidsbepalingen aansprakelijk kan
                            stellen.</al>
          <al/>
          <al>Dit geldt niet in de gevallen waarvoor in de wet of deze leidraad anders
                            is bepaald.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>49.8. Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de
                                beschikking aansprakelijkstelling</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>4</vet>
            <vet>9.8.1. Bezwaar en uitstel van betaling</vet>
          </al>
          <al>Een bezwaarschrift tegen de beschikking aansprakelijkstelling wordt
                            tevens aangemerkt als een verzoek om uitstel van betaling.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>49.9. Overgangsrecht</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>49.9.1. Bij civiele procedure geen invordering of
                            verrekening</vet>
          </al>
          <al>Tijdens de civiele procedure volgend op een betwisting op grond van het
                            tot 1 december 2002 geldende recht vinden geen invorderingsmaatregelen
                            plaats. Bij vrees voor onverhaalbaarheid kunnen wel conservatoire
                            maatregelen worden genomen.</al>
          <al/>
          <al>Eveneens vindt tijdens de civiele procedure geen verrekening plaats van
                            uit te betalen bedragen ten name van de aansprakelijkgestelde met een
                            aansprakelijkheidsschuld. Bij vrees voor onverhaalbaarheid kan
                            conservatoir beslag worden gelegd op het uit te betalen
                            bedrag.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>49.9.2. Wijziging eis</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger wijzigt zijn eis als in de fiscale procedure die de
                            belastingschuldige voert een onherroepelijke uitspraak is gedaan met
                            betrekking tot de hoogte van de belastingaanslag die leidt tot
                            aanpassing van het bedrag van de aansprakelijkheidsschuld, en artikel
                            50, zesde lid, van de wet (oud) van toepassing is.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>51</nr>
            <titel>Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid</titel>
          </kop>
          <al>De versnelde invordering op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet
                            is niet van toepassing op een aansprakelijkgestelde. Wel heeft de
                            ontvanger de mogelijkheid om conservatoir beslag te leggen op grond van
                            artikel 51 van de wet met toepassing van de regels van het Wetboek van
                            Burgerlijke Rechtsvordering.</al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 51 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over conservatoir beslag en uitstel in verband met
                            bezwaar.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>51.1. Conservatoir beslag en uitstel in verband met
                            bezwaar</vet>
          </al>
          <al>Als er conservatoir beslag ligt en de aansprakelijkgestelde verzoekt om
                            uitstel van betaling in verband met een bezwaar tegen de beschikking,
                            dan verleent de ontvanger alleen uitstel van betaling als er zekerheid
                            wordt gesteld.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>52</nr>
            <titel>Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling</titel>
          </kop>
          <al>Op grond van artikel 52, eerste lid, van de wet heeft de
                            aansprakelijkgestelde een betalingstermijn van twee maanden na
                            dagtekening van de beschikking van de aansprakelijkstelling.</al>
          <al/>
          <al>Als na het verstrijken van deze termijn geen betaling heeft
                            plaatsgevonden en geen bezwaarschrift tegen de beschikking is ingediend,
                            is het in de beschikking vermelde bedrag invorderbaar.</al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 52 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over vermindering van de belastingaanslag.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>52.1. Vermindering van de belastingaanslag en
                                aansprakelijkstelling</vet>
          </al>
          <al>Als de inspecteur de aanslag vermindert, past de ontvanger het bedrag
                            van de aansprakelijkstellingsbeschikking aan voor zover dat voortvloeit
                            uit de vermindering en deelt dat mee aan de aansprakelijkgestelde.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>53</nr>
            <titel>Aansprakelijkheid: verhaalrechten en kwijtschelding</titel>
          </kop>
          <al>De ontvanger heeft op grond van het bepaalde in artikel 53 recht om ook
                            de regels voor de verrekening (artikel 24 van de wet met uitzondering
                            van het derde lid) toe te passen voor een aansprakelijkgestelde. Dit
                            leidt ertoe dat een openstaande aansprakelijkheidsschuld kan worden
                            verrekend met een aan de aansprakelijkgestelde uit te betalen
                            bedrag.</al>
          <al/>
          <al>Als de aansprakelijkgestelde niet in staat is - anders dan met
                            buitengewoon bezwaar - de belastingschuld waarvoor hij aansprakelijk is
                            gesteld geheel of gedeeltelijk te voldoen, dan kan aan hem op verzoek
                            ontslag van betalingsverplichting worden verleend.</al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 53 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over geen zelfstandige verjaring van de
                            aansprakelijkheidsschuld.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>53.1. Geen zelfstandige verjaring van de
                                aansprakelijkheidsschuld</vet> Een aansprakelijkheidsschuld
                            (beschikking ex artikel 49 van de wet) is niet voor zelfstandige
                            verjaring vatbaar. Door verjaring van de belastingaanslag waarvoor
                            aansprakelijk is gesteld, eindigt ook het recht van dwanginvordering en
                            verrekening van de aansprakelijkheidsvordering.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>54</nr>
            <titel>Mededeling aan de aansprakelijkgestelde</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Artikel 54 van de wet regelt de uitbetaling van een teruggaaf
                                aan de aansprakelijkgestelde die het gevolg is van een vermindering
                                van de belastingaanslag waarvoor hij aansprakelijk is
                                gesteld.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 54 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over geen zelfstandige verjaring van de
                            aansprakelijkheidsschuld.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>54.1. Betaling teruggaaf aanhouden bij
                            aansprakelijkstelling</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger houdt de betaling van de teruggaaf - als bedoeld in artikel
                            54, eerste lid, van de wet - aan gedurende vier weken na de dagtekening
                            van de schriftelijke mededeling aan de belastingschuldige.</al>
          <al/>
          <al>In deze periode kan de belastingschuldige - als de derde zich al voor de
                            aansprakelijkheidsschuld op hem heeft verhaald - derdenbeslag leggen
                            onder de ontvanger op het bedrag van de teruggaaf. In de
                            derdenbeslagprocedure zal worden uitgemaakt aan wie de ontvanger het
                            bedrag van de teruggaaf moet betalen.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>55 tot en met 57</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al>Er zijn in deze leidraad op artikelen 55 tot en met 57 van de wet geen
                            beleidsregels gemaakt.</al>
          <al/>
          <al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>58</nr>
            <titel>Informatieverplichtingen van de belastingschuldigde of de
                                aansprakelijkgestelde</titel>
          </kop>
          <al>Artikel 58 van de wet regelt de verplichting voor de belastingschuldige
                            en de aansprakelijkgestelde tot het verstrekken van gegevens en
                            inlichtingen en het ter beschikking stellen van gegevensdragers die voor
                            de invordering van de 'eigen' belastingschulden van belang zijn.</al>
          <al/>
          <al>Verder regelt artikel 58 van de wet de identificatieverplichting
                            tegenover de ontvanger.</al>
          <al/>
          <al>Onder de gegevens die voor de invordering van de 'eigen'
                            belastingschulden van de belastingschuldige van belang zijn, vallen ook
                            de gegevens die de ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij
                            mogelijk derden aansprakelijk kan stellen.</al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 58 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure;</al>
          <al>- gegevens voor invordering ‘eigen’ belastingschulden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>58.1. Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke
                                procedure</vet>
          </al>
          <al>Het is de ontvanger niet toegestaan een invorderingsonderzoek te doen
                            instellen, nadat de rechter de ontvanger in de gelegenheid heeft gesteld
                            bewijs te leveren voor in een procedure aangevoerde stellingen, indien
                            en voor zover dat onderzoek wordt ingesteld om gegevens te verwerven om
                            dat bewijs te kunnen leveren.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>58.2 Gegevens voor invordering van ‘eigen’
                            belastingschulden</vet>
          </al>
          <al>Onder gegevens die voor de invordering van de ‘eigen’ belastingschulden
                            van de belastingschuldige van belang zijn, vallen ook de gegevens die de
                            ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij mogelijk derden
                            aansprakelijk kan stellen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>58.3. Invorderingsonderzoek tijdens faillissement </vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>59</nr>
            <titel>Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde</titel>
          </kop>
          <al>Op grond van artikel 249 van de Gemeentewet is artikel 59 van de wet
                            niet van toepassing bij de invordering van gemeentelijke
                            belastingen.</al>
          <al/>
          <al>Artikel 59 legt aan degene die de boekhouding of gegevens van de
                            belastingschuldige of aansprakelijkgestelde (bij)houdt de verplichting
                            op de gevraagde gegevens aan de ontvanger van de rijksbelastingdienst te
                            verstrekken. Het artikel kan op grond van artikel 246a van de
                            Gemeentewet bij algemene maatregel van bestuur geheel of gedeeltelijk
                            van toepassing worden verklaard voor gemeentelijke belastingen. In de
                            betreffende algemene maatregel van bestuur, het Besluit
                            gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing (Stb. 1995, 346) is
                            ten aanzien van de invordering geen bepaling opgenomen die overeenkomt
                            met artikel 59. In artikel 7 van het Besluit gegevensverstrekking is
                            alleen bepaald dat de rijksbelastingdienst desgevraagd gegevens en
                            inlichtingen moet verstrekken over de inkomens- en vermogenspositie van
                            de belastingschuldige die een verzoek om kwijtschelding van
                            gemeentelijke belasting heeft gedaan op de voet van artikel 26 van de
                            wet. Bij de beoordeling van een ingediend kwijtscheldingsverzoek kunnen
                            de opgegeven inkomens- en vermogensgegevens worden geverifieerd bij de
                            rijksbelastingdienst.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>60</nr>
            <titel>Formele bepalingen voor de informatieverplichtingen</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Artikel 60 van de wet regelt de formele bepalingen voor de
                                informatieverplichtingen.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 60 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- het stellen van een redelijke termijn voor verstrekken van
                            informatie;</al>
          <al>- de kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar
                            stellen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>60.1. Redelijke termijn voor verstrekken van informatie</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger stelt een redelijke termijn voor het verstrekken van de
                            gegevens en inlichtingen of het ter beschikking stellen van de
                            gegevensdragers.</al>
          <al/>
          <al>Als de ontvanger belang heeft bij een spoedige verstrekking of
                            beschikbaarstelling kan deze termijn ook terstond zijn.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>60.2. Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of
                                beschikbaar stellen</vet>
          </al>
          <al>Als de opgevraagde gegevens niet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud
                            worden verstrekt, herhaalt de ontvanger zijn verzoek en vordert hij op
                            basis van artikel 60, eerste lid, van de wet correcte en concrete
                            gegevens.</al>
          <al/>
          <al>Als de gegevens ook na herhaald verzoek niet voldoen aan de gestelde
                            eisen, beoordeelt de ontvanger of hij een civiele procedure begint of de
                            strafsancties van Hoofdstuk VIII van de wet toepast.</al>
          <al/>
          <al>Gegevensverstrekking vindt in beginsel uitsluitend schriftelijk plaats.
                            In uitzonderingssituaties kan de ontvanger toestaan dat de gegevens
                            mondeling worden verstrekt. In verband met de bewijsvoering zorgt de
                            ontvanger voor een vastlegging van het gesprek.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>61</nr>
            <titel>Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen</titel>
          </kop>
          <al>Artikel 61 van de wet bepaalt voor de in de artikelen 58, 59 en 60 van
                            de wet opgenomen verplichtingen dat niemand zich op geheimhouding kan
                            beroepen, zelfs niet als die geheimhoudingsverplichting bij wettelijk
                            voorschrift zou zijn opgelegd.</al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 61 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over niet van de administratie gescheiden
                            (beroeps-)vertrouwelijke gegevens.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>61.1. Niet van de administratie gescheiden (beroeps-)
                                vertrouwelijke gegevens</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger heeft alleen belang bij die gegevens en inlichtingen en
                            gegevensdragers die hem inzicht verschaffen in de financiële positie van
                            de belastingschuldige.</al>
          <al/>
          <al>Doorgaans zijn de beroepsvertrouwelijke gegevens en de financiële
                            gegevens gescheiden. Als het onvermijdelijk is dat de ontvanger
                            privacygegevens onder ogen krijgt, vormt dit geen grond om de
                            verstrekking van gegevens of de beschikbaarstelling van gegevensdragers
                            te weigeren. De ontvanger is op grond van artikel 67, eerste lid, van de
                            wet gehouden tot geheimhouding van die gegevens.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>62</nr>
            <titel>Informatieverplichtingen van de administratieplichtige</titel>
          </kop>
          <al>Op grond van artikel 249 van de Gemeentewet is artikel 62 van de wet
                            niet van toepassing bij de invordering van gemeentelijke
                            belastingen.</al>
          <al/>
          <al>Artikel 62 van de wet legt aan derden de verplichting op om gegevens en
                            inlichtingen die voor de invordering van belang kunnen zijn te
                            verstrekken aan de ontvanger van de rijksbelastingdienst. In artikel
                            246a van de Gemeentewet is bepaald dat bij algemene maatregel van
                            bestuur regels kunnen worden gesteld om de artikelen 59 en 62 van de
                            Invorderingswet 1990 geheel of gedeeltelijk van toepassing te verklaren
                            of een overeenkomstige bepaling vast te stellen. In de betreffende
                            algemene maatregel van bestuur, het Besluit gegevensverstrekking
                            gemeentelijke belastingheffing is ten aanzien van de invordering geen
                            bepaling opgenomen die overeenkomt met artikel 62. In een aantal
                            gevallen kunnen gemeenten echter toch gebruik maken van inlichtingen van
                            derden. Het kan daarbij gaan om de volgende gevallen:</al>
          <al>- Verschaffing inlichtingen door de rijksbelastingdienst. De
                            Staatssecretaris van Financiën heeft in onderdeel 2.1.1.3 van het
                            Voorschrift informatieverstrekking 1993 bepaald dat aan gemeenten
                            desgevraagd informatie wordt verstrekt voor zover die zijn belast met de
                            uitvoering van de belastingwet of invordering op basis van de
                            Invorderingswet 1990. Op grond van dit voorschrift kunnen aan de
                            rijksbelastingdienst ten aanzien van een derde bijvoorbeeld gegevens
                            over werkgevers of uitkerende instanties worden gevraagd indien een
                            beslag op loon of uitkering wordt overwogen. Opgemerkt wordt dat het
                            voorschrift geen wettelijke verplichting aan de rijksbelastingdienst
                            oplegt tot het verstrekken van inlichtingen.</al>
          <al>- Inlichtingenplicht derden op grond van artikel 475g Rv.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>62bis</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al>Er zijn in deze leidraad op artikel 62bis van de wet geen beleidsregels
                            gemaakt.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>62a tot en met 63a</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al>Er zijn in deze leidraad op de artikelen 62a tot en met 63a van de wet
                            geen beleidsregels gemaakt.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>63b</nr>
            <titel>Bestuurlijke boeten</titel>
          </kop>
          <al>In aansluiting op artikel 63b van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- algemene uitgangspunten;</al>
          <al>- betalingsverzuim bij aanslagbelastingen;</al>
          <al>- verplichting toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>63b.1.</nr>
            <titel>Algemene uitgangspunten</titel>
          </kop>
          <al>Bij het opleggen van bestuurlijke verzuimboeten op grond van hoofdstuk
                            VIIA van de wet zijn, naast de bepalingen van de AWR die in artikelen
                            63b van de wet worden genoemd, de voorschriften van titel 5.1 en titel
                            5.4 van de Awb van toepassing. Ook zijn de algemene bepalingen in
                            hoofdstuk 1 van de Beleidsregels fiscaal bestuurlijke boeten van
                            toepassing, voor zover deze een invulling geven aan het geldende
                            wettelijke kader.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>63b.2.</nr>
            <titel>Betalingsverzuim bij aanslagbelastingen</titel>
          </kop>
          <al>Voor het opleggen van de boete wordt een systematiek gehanteerd waarbij
                            de boete wordt gerelateerd aan de hoogte van de niet, gedeeltelijk niet
                            of niet binnen de termijn betaalde belasting. </al>
          <al/>
          <al>Ter zake van een verzuim als bedoeld in artikel 63b, eerste lid, van de
                            wet kan de ontvanger een boete opleggen van 5 procent van de niet,
                            gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn betaalde belasting tot het
                            wettelijk maximum van die bepaling. De boete wordt minimaal gesteld op €
                            50. In afwijking hiervan kan de ontvanger in uitzonderlijke gevallen een
                            boete tot het in artikel 63b, eerste lid, van de wet genoemde maximum
                            opleggen, zonder rekening te houden met de genoemde 5 procent. De
                            opgelegde verzuimboete wordt niet verlaagd bij latere wijziging van het
                            bedrag waarover die boete is berekend.</al>
          <al/>
          <al>Als een aanslag in meerdere termijnen betaald mag worden, kunnen er met
                            betrekking tot die aanslag ook meerdere verzuimen als bedoeld in artikel
                            63b, eerste lid, van de wet voorkomen. Als er meerdere dergelijke
                            verzuimen zijn, zijn er even zoveel beboetbare feiten. Bij de bepaling
                            van de hoogte van de boete vanwege een verzuim, houdt de ontvanger
                            alleen rekening met de belasting die betrekking heeft op de
                            desbetreffende betalingstermijn.</al>
          <al/>
          <al>De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar behoeft
                            niet gelijktijdig met een eventuele (ambtshalve) beslissing te worden
                            genomen.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>63b.3.</nr>
            <titel>Verplichting toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt</titel>
          </kop>
          <al>Ter zake van het verzuim als bedoeld in artikel 63b, tweede lid, van de
                            wet kan de ontvanger een verzuimboete opleggen van 50 procent van het in
                            dat artikel genoemde wettelijk maximum. In afwijking hiervan kan in
                            uitzonderlijke gevallen een boete tot het in artikel 63b, tweede lid,
                            van de wet genoemde maximum worden opgelegd.</al>
          <al/>
          <al>De boete wordt opgelegd aan degene die niet aan zijn verplichting
                            voldoet. Dit kan een ander zijn dan de belastingschuldige.</al>
          <al/>
          <al>De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar behoeft
                            niet gelijktijdig met een eventuele (ambtshalve) beslissing te worden
                            genomen.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>63c en 64</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al>Er zijn in deze leidraad op de artikelen 63c en 64 van de wet geen
                            beleidsregels gemaakt.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>65</nr>
            <titel>Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor
                                misdrijf</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Bij het niet of niet correct nakomen van een verplichting tot
                                het verstrekken van gegevens of het ter beschikking stellen van
                                gegevensdragers, kan sprake zijn van opzet.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>In artikel 65, eerste en tweede lid, van de wet wordt de
                                strafmaat voor dit strafbare feit gegeven. De beide straffen die in
                                die leden zijn genoemd, kunnen cumulatief worden toegepast. Artikel
                                65a van de wet merkt dit strafbare feit aan als een
                                misdrijf.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Het derde lid van artikel 65 van de wet bevat de zogenaamde
                                'inkeerregeling':het recht op strafvervolging vervalt als een
                                persoon tijdig tot inkeer komt en alsnog zorgt voor een juiste en
                                volledige verstrekking van informatie.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 65 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over de reikwijdte opzetcriterium bij een
                                misdrijf.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>65.1. Reikwijdte opzetcriterium bij
                                misdrijf</vet>
          </al>
          <al>De vereiste opzet voor de toepassing van artikel 65, eerste en tweede
                            lid, van de wet behoeft zich niet uit te strekken tot het feit dat te
                            weinig belasting wordt ingevorderd.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>65a en artikel 66</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al>Er zijn in deze leidraad op artikel 65a en artikel 66 van de wet geen
                            beleidsregels gemaakt.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>67</nr>
            <titel>Geheimhoudingsplicht</titel>
          </kop>
          <al>Artikel 67 van de wet regelt de geheimhoudingsplicht. In het tweede lid
                            van dat artikel is bepaald dat de geheimhoudingsplicht niet geldt
                            als:</al>
          <al>- bekendmaking verplicht is volgens een wettelijk voorschrift;</al>
          <al>- sprake is van structurele gegevensverstrekking aan bestuursorganen die
                            bij ministeriële regeling (voor de gemeente geldt: bij besluit van het
                            college) zijn aangewezen; </al>
          <al>- de bekendmaking plaatsvindt aan de belastingschuldige zelf voor zover
                            deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Daarnaast kan het college op grond van het derde lid ontheffing
                                van de geheimhoudingsplicht verlenen.</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>In aansluiting op artikel 67 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al>
          <al>- bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige zelf;</al>
          <al>- informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke
                            betalingen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>67.1. Bekendmaking aan de belastingschuldige</vet>
          </al>
          <al>De geheimhoudingsplicht geldt niet voor de bekendmaking van gegevens aan
                            degene op wie zij betrekking hebben (de belastingschuldige) voor zover
                            deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt. Ook het verstrekken van
                            informatie over belastingschulden aan de belastingschuldige zelf valt
                            niet onder de geheimhoudingsplicht. Onder belastingschuldige moet hier
                            mede worden verstaan: diens vertegenwoordiger, curator, bewindvoerder of
                            erfgenaam. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>67.2 Bekendmaking aan derden in het belang van de invordering
                            </vet>
          </al>
          <al>De geheimhoudingsplicht geldt niet voor zover de bekendmaking van
                            gegevens noodzakelijk is voor de uitvoering van de Invorderingswet 1990.
                            Dat laatste moet ruim worden opgevat. Als bekendmaking van belang is
                            voor de invordering van de verschuldigde belasting (aanslag) of een
                            aansprakelijkheidsvordering (beschikking), kan de bekendmaking (aan
                            derden) plaatsvinden zonder dat daarmee de geheimhoudingsplicht wordt
                            geschonden. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>67.3. Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over
                                periodieke betalingen</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>68 tot en met 72</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al>Er zijn in deze leidraad op de artikelen 68 tot en met 72 van de wet
                            geen beleidsregels gemaakt.</al>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>73</nr>
            <titel>Insolventieprocedures</titel>
          </kop>
          <al>In dit artikel is het volgende beleid over insolventieprocedures
                            opgenomen:</al>
          <al>- de algemene uitgangspunten insolventieprocedures;</al>
          <al>- insolventieprocedure: wettelijke schuldsanering;</al>
          <al>- insolventieprocedure: surséance;</al>
          <al>- insolventieprocedure: faillissement;</al>
          <al>- insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door leden van de
                            Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren (‘NVVK’) of
                            gemeenten;</al>
          <al>- insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door anderen dan leden
                            van de NVVK of gemeenten;</al>
          <al>- insolventieprocedures: akkoorden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.1. Algemene uitgangspunten
                            insolventieprocedures</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.1.1. Aanmelden belastingschulden in WSNP of
                            faillissement</vet>
          </al>
          <al>Uiterlijk veertien dagen vóór de verificatievergadering meldt de
                            ontvanger zijn vorderingen ter verificatie aan bij de bewindvoerder.
                            Daarbij wordt er van uitgegaan dat belastingschulden die naar tijdvak
                            worden geheven, geacht worden van dag tot dag te ontstaan.</al>
          <al>De ontvanger meldt ook conserverende belastingschulden ter verificatie
                            aan bij de bewindvoerder.</al>
          <al>Voor het indienen van vorderingen in het faillissement wordt verwezen
                            naar artikel 19.2 van deze leidraad. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.1.2. Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of
                                faillissement</vet>
          </al>
          <al>Aansprakelijkstelling voor belastingaanslagen tijdens zowel het
                            faillissement als tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling is
                            mogelijk. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.1.3. Boedelschulden</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de curator
                            worden voldaan. Als belastingschulden die als boedelschulden kunnen
                            worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan, wendt de ontvanger
                            zich in beginsel eerst tot de curator teneinde informatie te verkrijgen
                            over de toestand van de boedel en zo mogelijk langs minnelijke weg
                            alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een
                            bevredigende oplossing wendt de ontvanger zich met zijn grieven tot de
                            rechter-commissaris. In het uiterste geval kan de ontvanger rechtstreeks
                            verhaal zoeken op de boedel.</al>
          <al/>
          <al>Het voorgaande is ook van toepassing bij een wettelijke
                            schuldsaneringsregeling.</al>
          <al/>
          <al>Bij de invordering van boedelschulden kan de ontvanger tijdens de
                            wettelijke schuldsaneringsregeling niet het faillissement van de
                            schuldenaar aanvragen.</al>
          <al/>
          <al>Belastingschulden ontstaan gedurende een surséance zijn boedelschulden
                            in het faillissement (zie artikel 19.2.2 van deze
                            leidraad).</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.1.4. Proceskostengarantie</vet>
          </al>
          <al>Als de curator een gerechtelijke procedure (niet zijnde de
                            bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure) moet aanspannen om een bate voor
                            de boedel te kunnen realiseren, en de aanwezige baten van de boedel niet
                            toereikend zijn om de proceskosten te voldoen, kan de curator bij de
                            ontvanger een gemotiveerd verzoek indienen om garantstelling voor het
                            bedrag dat niet uit de boedel kan worden voldaan.</al>
          <al/>
          <al>Bij de beoordeling van het verzoek neemt de ontvanger als uitgangspunt
                            dat:</al>
          <al>- de boedel bij de actie van de curator moet zijn gebaat;</al>
          <al>- de ontvanger (een deel van) de in het faillissement ingediende
                            vordering zal kunnen innen.</al>
          <al/>
          <al>Daarnaast stelt de ontvanger de eis dat de schuldeisers - die bij een
                            verdeling van de activa eveneens zullen profiteren van de vermoedelijke
                            opbrengst van de procedure - bereid zijn om naar evenredigheid mee
                            garant te staan voor de proceskosten. Dit geldt ook voor
                            boedelschuldeisers. Als een bewindvoerder in de wettelijke
                            schuldsaneringsregeling de ontvanger een verzoek om garantstelling doet,
                            treedt de ontvanger in overleg met het college.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.1.5. Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de
                                curator</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.1.6. Bodemvoorrecht in faillissement en in de WSNP</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.1.7. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.1.8. Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP</vet>
          </al>
          <al>Voor uitstel van betaling in relatie tot faillissement en WSNP wordt
                            verwezen naar artikel 25.1.4 en artikel 25.4.4 van deze
                            leidraad.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.1.9. Kwijtschelding in relatie tot faillissement en
                            WSNP</vet>
          </al>
          <al>Zie voor kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP artikel
                            26.1.9 van deze leidraad.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.2. Insolventieprocedure: Wettelijke
                            schuldsanering</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>7</vet>
            <vet>3.2.1. Kwijtschelding tijdens WSNP</vet>
          </al>
          <al>Voor de situatie dat een belastingschuldige, ten aanzien van wie de
                            schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
                            verklaard, verzoekt om kwijtschelding van nadien opgekomen
                            belastingschulden die niet zijn aan te merken als boedelschuld, wordt
                            verwezen naar artikel 26.2.17 van deze leidraad.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.2.2. </vet>
            <vet>De WSNP is beëindigd met een schone
                            lei</vet>
          </al>
          <al>Belastingvorderingen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling van
                            toepassing is en voor zover die na de beëindiging op grond van artikel
                            356, tweede lid, FW onvoldaan zijn gebleven, zijn aan te merken als
                            natuurlijke verbintenissen ongeacht of de vorderingen door de ontvanger
                            bij de bewindvoerder zijn aangemeld.</al>
          <al/>
          <al>Met betrekking tot te betalen belastingaanslagen die betrekking hebben
                            op de periode waarin de wettelijke schuldsaneringsregeling van
                            toepassing was en die zijn vastgesteld na beëindiging (met schone lei)
                            van die regeling, zal de ontvanger in beginsel afzien van invordering.
                            Daarbij geldt dat aannemelijk moet zijn dat:</al>
          <al>- de bewindvoerder de aan de betreffende aanslag voorafgaande voorlopige
                            aanslagen / teruggaven of voorschotten dan wel het ontbreken daarvan
                            voldoende op juistheid heeft getoetst; en </al>
          <al>- over de resultaten van die toetsing in voorkomend geval tijdig contact
                            heeft opgenomen met de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>Belastingteruggaven die zijn vastgesteld nadat de toepassing van de
                            wettelijke schuldsaneringsregeling is geëindigd en die betrekking hebben
                            op een periode vóór de uitspraak van de toepassing van de wettelijke
                            schuldsaneringsregeling kan de ontvanger verrekenen met de vorderingen
                            die tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd.</al>
          <al/>
          <al>Met betrekking tot belastingteruggaven die betrekking hebben op de
                            periode voor de beëindiging (met schone lei) van de wettelijke
                            schuldsaneringsregeling en die worden vastgesteld na beëindiging van die
                            regeling, geldt het volgende. Teruggaven (na mogelijke verrekening met
                            openstaande schulden) van minder dan € 500 worden uitbetaald aan de
                            belastingschuldige zelf. Indien de belastingteruggave (na mogelijke
                            verrekening met openstaande schulden) € 500 of meer bedraagt, zal de
                            ontvanger contact opnemen met de gewezen bewindvoerder om met hem te
                            overleggen of de vereffening moet worden heropend.</al>
          <al/>
          <al>Ook na beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan de
                            ontvanger derden nog aansprakelijk stellen voor niet-betaalde
                            belastingaanslagen die als natuurlijke verbintenissen moeten worden
                            aangemerkt.</al>
          <al/>
          <al>Reeds in gang gezette aansprakelijkheidsprocedures kan de ontvanger
                            voortzetten.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet> 73.2.3. De WSNP is beëindigd zonder schone lei of de schone lei is
                                ingetrokken </vet>
          </al>
          <al>De WSNP kan ook eindigen zonder schone lei (artikel 358, tweede lid, Fw)
                            en de reeds verstrekte schone lei kan worden ingetrokken (artikel 358a,
                            eerste lid, Fw). In die situaties kan de ontvanger de invordering
                            hervatten. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.2.4. De WSNP is tussentijds beëindigd </vet>
          </al>
          <al>Als een schuldsaneringsregeling tussentijds wordt beëindigd
                            in de zin van artikel 350, vijfde lid, Fw, blijft omzetting in
                            faillissement achterwege als er geen baten beschikbaar zijn. In die
                            situatie geldt het invorderingsbeleid voor natuurlijke personen bij
                            opheffing van een faillissement wegens gebrek aan baten (artikel
                            73.4.14). </al>
          <al/>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.3. Insolventieprocedure - surséance</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.3.1. Uitstel en surséance</vet>
          </al>
          <al>Voor uitstel van betaling in relatie tot surséance wordt verwezen naar
                            artikel 25.1.4 en 25.4.4 van deze leidraad.</al>
          <al/>
          <al>Voor kwijtschelding in relatie tot surséance wordt verwezen naar artikel
                            26.1.9 van deze leidraad.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.3.2. Ketenaansprakelijkheid en
                                bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot surséance</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.4. Insolventieprocedure: faillissement</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.4.1. Faillissementsaanvraag: algemeen</vet>
          </al>
          <al>De belastingaanslag(en) waarvoor de ontvanger het faillissement
                            aanvraagt, moet(en) onherroepelijk vaststaan of in redelijkheid
                            materieel verschuldigd worden geacht. Een faillissementsaanvraag blijft
                            achterwege als de belastingschuldige aantoont dat de betalingsonmacht
                            van korte duur is.</al>
          <al/>
          <al>Voor een voorlopige aanslag vraagt de ontvanger slechts een
                            faillissement aan als:</al>
          <al>- die aanslag is gevolgd door een definitieve aanslag; of</al>
          <al>- naast de voorlopige aanslag ook andere aanslagen onbetaald zijn
                            gebleven.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.4.2. Ontbinding van rechtspersonen in plaats van
                                faillissementsaanvraag</vet>
          </al>
          <al>Als sprake is van een rechtspersoon die geen activiteiten meer
                            uitoefent, en bovendien bekend is dat geen baten aanwezig zijn, dan
                            wordt de voorkeur gegeven aan het treffen van maatregelen die moeten
                            leiden tot ontbinding van die rechtspersoon boven het aanvragen van het
                            faillissement van die rechtspersoon.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.4.3. Particulieren en faillissement</vet>
          </al>
          <al>Het aanvragen van het faillissement van een particulier blijft
                            achterwege als wordt verwacht dat de ontvanger de eventuele
                            vermogensbestanddelen ook geheel of nagenoeg geheel zonder faillissement
                            kan uitwinnen, zelfs als daarbij niet de gehele schuld wordt
                            voldaan.</al>
          <al/>
          <al>Particulieren zijn in dit verband natuurlijke personen die niet een
                            onderneming drijven of zelfstandig een beroep uitoefenen en waarvan niet
                            aannemelijk is dat zij van plan zijn dit te doen.</al>
          <al/>
          <al>Voor zover de openstaande belastingschulden het gevolg zijn van
                            bedrijfsvoering of uitoefening van een zelfstandig beroep, worden
                            natuurlijke personen die hun bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening
                            hebben gestaakt in dit verband niet beschouwd als
                            particulieren.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.4.4. Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingschuldige - voordat de faillissementsaanvraag in
                            behandeling is genomen - een verzoek om kwijtschelding, dan wel een
                            buitengerechtelijk akkoord aanbiedt (een en ander in de zin van artikel
                            73.6 van deze leidraad), dan zal de ontvanger de faillissementsaanvraag
                            aanhouden dan wel intrekken om het verzoek dan wel het aanbod aan een
                            nader oordeel te onderwerpen.</al>
          <al/>
          <al>Hiervan wordt afgeweken als op voorhand duidelijk is dat het verzoek dan
                            wel het aanbod louter is gedaan om de behandeling van de
                            faillissementsaanvraag te traineren. Er wordt ook van afgeweken als het
                            aanbod onvoldoende past binnen het door de gemeente gehanteerde
                            kwijtscheldingsbeleid respectievelijk het in het kwijtscheldingsbeleid
                            opgenomen saneringsbeleid, en/of gebaseerd is op een onjuiste
                            voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de ontvanger het verzoek
                            dan wel het aanbod bij beschikking gemotiveerd af, zonder de
                            faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.4.5. Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling
                                faillissementsaanvraag door rechter</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel van betaling doet,
                            voordat de rechtbank de faillissementsaanvraag in behandeling heeft
                            genomen, dan zal de ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden dan
                            wel intrekken om het verzoek aan een nader oordeel te onderwerpen.</al>
          <al/>
          <al/>
          <al>De ontvanger doet dit niet als duidelijk is dat het verzoek louter is
                            gedaan om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren, of
                            als het verzoek onvoldoende past binnen het door de gemeente gehanteerde
                            uitstelbeleid, en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van
                            zaken. In deze gevallen wijst de ontvanger het verzoek bij beschikking
                            gemotiveerd af, zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te
                            houden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.4.6. Toestemming voor faillissementsaanvraag</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger moet voor iedere faillissementsaanvraag schriftelijk
                            toestemming van het college hebben.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.4.7. </vet>
            <vet>Vervallen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.4.8. Verlenen van steunvordering en
                            faillissementsaanvraag</vet>
          </al>
          <al>Voor het verstrekken van de gegevens van de belastingschuldige geldt
                                <vet>niet</vet> hetgeen in artikel 73.4.1 tot en met 73.4.6 is
                            vermeld met betrekking tot een faillissementsaanvraag door de
                            ontvanger.</al>
          <al/>
          <al>Wel is voor het verstrekken van de gegevens toestemming van het college
                            vereist, als het een belastingschuldige betreft die een bedrijf voert of
                            zelfstandig een beroep uitoefent waaraan in totaal meer dan vijftig
                            werknemers zijn verbonden. De gegevens worden uitsluitend schriftelijk
                            verstrekt.</al>
          <al/>
          <al>Als de ontvanger zelf het initiatief neemt om een andere schuldeiser van
                            de belastingschuldige te benaderen met het verzoek het faillissement van
                            de belastingschuldige aan te vragen met gebruikmaking van de
                            belastingschuld als steunvordering, dan geldt <vet>wel</vet> hetgeen is
                            vermeld in artikel 73.4.1, 73.4.3 en 73.4.6 van deze leidraad. In dat
                            geval is dus ook toestemming van het college vereist.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.4.9. Verzet tegen faillietverklaring</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger gebruik wil maken van de mogelijkheid tot verzet tegen
                            de faillietverklaring als bedoeld in artikel 10 FW heeft hij hiervoor
                            toestemming van het college nodig.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.4.10. Beroep op regresrecht in faillissement</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.4.11. Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij
                                faillissement</vet>
          </al>
          <al>Voor toezending of uitreiking van het aanslagbiljet ingeval van
                            faillissement wordt verwezen naar artikel 8.1 van deze
                            leidraad.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.4.12. Opkomen in faillissement</vet>
          </al>
          <al>Van de bevoegdheid op grond van artikel 19 van de wet om van de curator
                            dadelijke voldoening aan de vordering te verlangen wordt verwezen naar
                            artikel 19.2.3 van deze leidraad.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.4.13. Volgorde uitwinning bodembeslag in
                            faillissement</vet>
          </al>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.4.14. Na de toepassing van het faillissement</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger maakt in beginsel geen gebruik van de bevoegdheid van
                            artikel 196 FW, om na de beëindiging van een faillissement het
                            proces-verbaal van de verificatievergadering voor het onbetaald gebleven
                            bedrag tegen de schuldenaar te executeren. Als er wel aanleiding tot
                            invordering bestaat, doet de ontvanger dit zoveel mogelijk bij
                            dwangbevel.</al>
          <al>Bij natuurlijke personen hervat de ontvanger slechts in bijzondere
                            omstandigheden de invordering na beëindiging van het faillissement. Deze
                            omstandigheden doen zich onder andere voor als de betrokkene binnen vijf
                            jaar na het faillissement beschikt over een meer dan modaal inkomen of
                            over vermogensbestanddelen van substantiële waarde.</al>
          <al/>
          <al>Als na beëindiging van het faillissement daaruit ontvangen gelden moeten
                            worden terugbetaald, treedt de ontvanger in verband met artikel 194 FW
                            in overleg met de curator.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.4.15. Opening nationale (secundaire)
                            insolventieprocedure</vet>
          </al>
          <al>Als de belastingschuldige woont of gevestigd is in een lidstaat van de
                            EU - niet Denemarken - en aldaar in staat van insolventie verkeert
                            terwijl in Nederland sprake is van een nevenvestiging, kan in Nederland
                            op grond van de EG-insolventieverordening een zogenoemde territoriale of
                            secundaire procedure worden geopend.</al>
          <al/>
          <al>Onmiddellijk na kennisname van de in het buitenland geopende
                            hoofdprocedure, beoordeelt de ontvanger of hij baat heeft bij het openen
                            van een secundaire of territoriale procedure in Nederland. Een
                            secundaire procedure betreft alleen de liquidatieprocedure - dus niet de
                            surseance van betaling - en wordt afgewikkeld volgens het in Nederland
                            geldende recht. De staat van insolventie behoeft daarbij niet te worden
                            aangetoond.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.4.16. Omzetting faillissement in WSNP</vet>
          </al>
          <al>Als omzetting van een faillissement in een wettelijke
                            schuldsaneringsregeling mogelijk is, toetst de ontvanger - als de
                            schuldenaar hier uitdrukkelijk om verzoekt - een door de schuldenaar in
                            het faillissement aangeboden akkoord aan het beleid ingevolge artikel
                            19a en 22a van de regeling.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.5. Insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering</vet>
            <vet>
                                door leden van de NVVK of gemeenten</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.5.1. Algemeen</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een periode van maximaal
                            36 maanden als:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode
                                    Schuldregeling van de NVVK tot stand is gekomen of een
                                    overeenkomst tot stand is gekomen die dezelfde strekking heeft
                                    als die gedragscode en waarbij voor de berekening van de
                                    aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa
                                    gepubliceerde normen;</al></li>
            <li nr="b."><al>de schuldhulpverlener lid is van de NVVK of de schuldregeling
                                    wordt uitgevoerd door een gemeente in eigen beheer (zie ook
                                    artikel 73.5a);</al></li>
            <li nr="c."><al>de schuldregeling betrekking heeft op natuurlijke personen, niet
                                    zijnde ondernemers;</al></li>
            <li nr="d."><al>redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige
                                    afgezien van de formaliteiten die daarvoor verricht moeten
                                    worden in aanmerking zou komen voor de wettelijke
                                    schuldsaneringsregeling natuurlijke personen;</al></li>
            <li nr="e."><al>aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst
                                    een bedrag zal zijn betaald van ten minste dezelfde omvang als
                                    kan worden verkregen indien er sprake zou zijn van een
                                    wettelijke schuldsanering.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>Op basis van de voorwaarde onder c is de betreffende regeling ook van
                            toepassing op een ex-ondernemer, als aannemelijk is dat hij in de
                            toekomst geen bedrijf of niet zelfstandig een beroep zal
                            uitoefenen.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger verleent het uitstel pas als de schuldhulpverlener hem
                            schriftelijk heeft bericht dat de overeenkomst tot schuldregeling tot
                            stand is gekomen. Het uitstel vangt aan met ingang van de datum van de
                            schuldregelingsovereenkomst. Na totstandkoming van een
                            schuldregelingsovereenkomst onderzoekt de schuldhulpverlener of een
                            schuldregeling met de schuldeisers tot stand kan worden gebracht. De
                            schuldhulpverlener rondt dit onderzoek af binnen 120 dagen, gerekend
                            vanaf de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Wanneer de
                            schuldregeling met de schuldeisers tot stand is gebracht, wordt de
                            schuldregelingsovereenkomst voortgezet; de schuldhulpverlener stelt de
                            schuldeisers daarvan schriftelijk op de hoogte. Slaagt de
                            schuldhulpverlener niet in het tot stand brengen van de schuldregeling,
                            wordt de schuldregelingsovereenkomst beëindigd. </al>
          <al>Deze regeling is ook van toepassing op belastingaanslagen waarvan in
                            beginsel geen kwijtschelding wordt verleend (zoals belastingaanslagen
                            motorrijtuigenbelasting), omdat de wettelijke schuldsaneringsregeling
                            ook van toepassing is op die belastingaanslagen.</al>
          <al/>
          <al>De uitstelregeling geldt voor belastingaanslagen die betrekking hebben
                            op de (materieel) verschuldigde belasting tot en met de dag van de
                            dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst en is definitief in die
                            zin dat daarop van de zijde van de ontvanger in beginsel niet meer kan
                            worden teruggekomen.</al>
          <al/>
          <al>De gespecificeerde schriftelijke opgave vermeldt alle tot op de datum
                            van het verzoek (materieel) verschuldigde belastingen en is definitief
                            in de zin dat daarop van de zijde van de ontvanger in beginsel niet meer
                            kan worden teruggekomen. In voorkomend geval wordt het bedrag van de
                            verschuldigde belastingen door middel van schatting bepaald. In het
                            geval de in de vorige volzin bedoelde schatting naar achteraf blijkt
                            substantieel te laag mocht zijn, kan de ontvanger daarop alleen
                            terugkomen indien terzake van die belasting ten tijde van de schatting
                            ten onrechte geen aangifte was gedaan danwel indien de
                            belastingschuldige of de schuldhulpverlener wisten of behoorden te weten
                            dat de schatting te laag was.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.5.2. Opschorten invorderingsmaatregelen na verzoek
                            MSNP</vet>
          </al>
          <al>Een schuldhulpverleningstraject vangt in het algemeen aan met een
                            stabilisatie-overeenkomst tussen de schuldenaar en de schuldhulpverlener
                            als bedoeld in artikel 73.5.1, onder b. Voor de toepassing van dit
                            artikel wordt met een stabilisatie-overeenkomst gelijkgesteld een
                            schriftelijke mededeling van de schuldhulpverlener inhoudend dat hij
                            activiteiten ontplooit die erop gericht zijn de financiële situatie van
                            de schuldenaar op korte termijn te stabiliseren.</al>
          <al>Vanaf de ontvangst van een afschrift van de stabilisatie-overeenkomst
                            neemt de ontvanger gedurende 120 dagen geen
                            dwanginvorderingsmaatregelen.</al>
          <al>Lopende invorderingsmaatregelen schort de ontvanger op, zo nodig in
                            overleg met de schuldhulpverlener. Voorts vindt verrekening alleen
                            plaats met teruggaven die betrekking hebben op belasting die (materieel)
                            is ontstaan tot en met de dag waarop het afschrift van de
                            stabilisatie-overeenkomst is ontvangen.</al>
          <al/>
          <al>Als zich bijzondere omstandigheden voordoen kan de voormelde termijn
                            door de schuldhulpverlener in overleg met de ontvanger met maximaal 120
                            dagen worden verlengd. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.5.3. Gevolgen uitstel MSNP voor
                            invorderingsmaatregelen</vet>
          </al>
          <al>Eventuele gelegde beslagen vervallen zodra een schuldregeling tussen de
                            schuldenaar en diens schuldeisers tot stand is gekomen ( en de
                            schuldregelingsovereenkomst dus wordt voortgezet). Verrekening kan
                            plaatsvinden met teruggaven die betrekking hebben op belasting die
                            (materieel) is ontstaan tot en met de dag waarop het afschrift van de
                            stabilisatie-overeenkomst is ontvangen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.5.4. Houding ontvanger tijdens uitstel MSNP</vet>
          </al>
          <al>Als sprake is van een verleend uitstel van betaling op grond van een
                            schuldregelingsovereenkomst, handelt de ontvanger gedurende de periode
                            van uitstel op dezelfde wijze als bij een wettelijke
                            schuldsaneringsregeling.</al>
          <al/>
          <al>Als de belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van
                            belastingschulden die materieel zijn ontstaan na de dag van de
                            dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst, dan wordt het verzoek
                            behandeld overeenkomstig het bestaande beleid. </al>
          <al/>
          <al>Dit houdt onder meer in dat bij de berekening van de betalingscapaciteit
                            op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt
                            gebracht dat deel van het inkomen dat door de schuldhulpverlener wordt
                            beheerd. Verder wordt opgemerkt dat de middelen die onder beheer van de
                            schuldhulpverlener berusten, niet worden beschouwd als vermogen in de
                            zin van artikel 12 van de regeling.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.5.5. Intrekken uitstel gedurende MSNP</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger trekt het uitstel in als:</al>
          <al>- hij niet uiterlijk binnen 120 dagen na de dagtekening van de
                            schuldregelingsovereenkomst door de schuldhulpverlener schriftelijk is
                            geïnformeerd dat de schuldregelingsovereenkomst wordt voortgezet;</al>
          <al>-de schuldenaar nieuw opkomende belastingschulden die (materieel)
                            betrekking hebben op belasting verschuldigd na de dag van de dagtekening
                            van de schuldregelingsovereenkomst, onbetaald laat;</al>
          <al>- de schuldenaar zijn lopende fiscale verplichtingen niet nakomt;</al>
          <al>- de schuldenaar zijn schuldeisers tracht te benadelen;</al>
          <al>- de schuldregelingsovereenkomst wordt beëindigd, anders dan in de
                            zin</al>
          <al> van art. 73.5.6</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger trekt in de situaties genoemd bij het eerste, tweede, derde
                            en vierde gedachtestreepjehet uitstel niet eerder in, dan nadat hij de
                            schuldhulpverlener een brief heeft gestuurd over zijn voornemen het
                            uitstel in te trekken als belastingschuldige niet binnen veertien dagen
                            zijn verplichtingen correct nakomt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.5.6. De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen
                            MSNP</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger uitstel van betaling heeft verleend voor de periode van
                            de MSNP, wordt een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener
                            na afloop van de overeenkomst tot schuldregeling aangemerkt als het
                            aanbieden van een buitengerechtelijk akkoord in de zin van artikel 19a
                            van de regeling.</al>
          <al/>
          <al>In de kennisgeving moet zijn gesteld dat de overeenkomst na eindcontrole
                            is beëindigd en de schuldenaar aan zijn verplichtingen heeft
                            voldaan.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.5.7. Na de toevoeging van de MSNP</vet>
          </al>
          <al>Met betrekking tot te betalen belastingaanslagen die betrekking hebben
                            op de periode waarin de minnelijke schuldsaneringsregeling van
                            toepassing was en die zijn vastgesteld na beëindiging van die regeling,
                            zal de ontvanger in beginsel, als de schuldenaar aan zijn verplichtingen
                            uit die regeling heeft voldaan, afzien van invordering. Daarbij geldt
                            dat aannemelijk moet zijn dat:</al>
          <al>- de schuldhulpverlener de aan de betreffende aanslag voorafgaande
                            voorlopige aanslagen/teruggaven dan wel het ontbreken daarvan voldoende
                            op juistheid heeft getoetst; en</al>
          <al>- hij over de resultaten van die toetsing in voorkomend geval tijdig
                            contact heeft opgenomen met de ontvanger.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.5a Insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door anderen
                                dan leden van de NVVK of gemeenten</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>Algemeen</al>
          <al>Verzoeken om een minnelijke schuldsaneringsregeling gedaan door een
                            persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet
                            op het consumentenkrediet, niet zijnde een NVVK-lid of een gemeente,
                            worden in behandeling genomen met inachtneming van het volgende.</al>
          <al/>
          <al>De ontvanger zal een belangenafweging moeten maken en zich daarbij
                            moeten afvragen of hij al dan niet tot instemming met de schuldregeling
                            kan komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang
                            dat hij heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het
                            belang van de schuldenaar dat door die weigering wordt geschaad.</al>
          <al>Bij die belangenafweging zullen de volgende omstandigheden een rol
                            kunnen spelen:</al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar
                                    gedocumenteerd;</al></li>
            <li nr="2."><al>is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is
                                    waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden
                                    geacht;</al></li>
            <li nr="3."><al>biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig
                                    uitzicht voor de schuldenaar;</al></li>
            <li nr="4."><al>biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig
                                    uitzicht voor de ontvanger: hoe groot is de kans dat de
                                    weigerende ontvanger dan evenveel of meer zal ontvangen;</al></li>
            <li nr="5."><al>bestaat er precedentwerking voor vergelijkbare gevallen;</al></li>
            <li nr="6."><al>wat is de zwaarte van het financiële belang dat de ontvanger
                                    heeft bij volledige nakoming;</al></li>
            <li nr="7."><al>hoe groot is het aandeel van de weigerende ontvanger in de
                                    totale schuldenlast;</al></li>
            <li nr="8."><al>staat de weigerende ontvanger alleen naast de overige met de
                                    schuldregeling instemmende schuldeisers;</al></li>
            <li nr="9."><al>is er eerder een minnelijke of een gedwongen schuldregeling
                                    geweest die niet naar behoren is nagekomen.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>Als uit de belangenafweging volgt dat kan worden ingestemd met een
                            dergelijk verzoek dan verleent de ontvanger op het moment van het ingaan
                            van de schuldregeling voor 36 maanden uitstel van betaling. Artikel 73.5
                            is zoveel als mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.6. </vet>
            <vet>Insolventieprocedures: akkoorden</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.6.1. Buitengerechtelijk akkoord</vet>
          </al>
          <al>In het tweede lid van de artikelen 19a en 22a van de regeling zijn
                            bepalingen opgenomen die de doelstellingen van de WSNP - namelijk het
                            sluiten van een buitengerechtelijk akkoord met de gezamenlijke
                            schuldeisers over de sanering van de schulden zonder tussenkomst van een
                            rechter - ook voor de gemeente laten gelden.</al>
          <al/>
          <al>Deze bepalingen zijn ook van toepassing op betalingsverplichting van een
                            aansprakelijkgestelde van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat
                            de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is. Een
                            verzoek tot het sluiten van een buitengerechtelijk akkoord kan een ieder
                            indienen, ook de schuldenaar.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.6.2. Voorwaarden voor toetreding tot een buitengerechtelijk
                                akkoord</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger moet zich er eerst van verzekeren of redelijkerwijs mag
                            worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van
                            toepassing zal worden verklaard. Van belang voor de beantwoording van
                            die vraag is artikel 288 FW dat de weigeringsgronden voor de rechter
                            bevat op een verzoek om toepassing van de wettelijke
                            schuldsaneringsregeling.</al>
          <al/>
          <al>De betaling van het aangeboden bedrag moet in beginsel ineens
                            plaatsvinden. Als de ontvanger bij wijze van uitzondering instemt met
                            betaling in termijnen eist hij zekerheid. </al>
          <al>Als in het buitengerechtelijk akkoord belastingschulden zijn begrepen
                            waarvoor derden aansprakelijk kunnen worden gesteld, neemt de ontvanger
                            als voorwaarde op dat de kwijtschelding pas wordt geëffectueerd op het
                            moment dat op grond van die aansprakelijkheid geen baten meer kunnen
                            worden verkregen. De ontvanger ziet van deze voorwaarde af als in het
                            aangeboden bedrag de baten in de aansprakelijkheid tot uitdrukking
                            komen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.6.3. Gevolgen buitengerechtelijk akkoord</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger toetreedt tot een buitengerechtelijk akkoord verleent
                            hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald
                            blijft, nadat hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord toekomt,
                            heeft ontvangen. Zo nodig stelt hij een derdebeslagene of houder van
                            penningen op de hoogte van het verval van het beslag en zorgt hij voor
                            doorhaling van een beslag op een registergoed. </al>
          <al/>
          <al>Een buitengerechtelijk akkoord is niet van invloed op gelegde beslagen.
                            De ontvanger heft de beslagen op zodra hij ontvangt wat hij heeft
                            gevorderd op grond van het buitengerechtelijk akkoord.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.6.4. Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk
                                akkoord</vet>
          </al>
          <al>De betaling van het aangeboden bedrag moet in beginsel ineens
                            plaatsvinden. Als de ontvanger bij wijze van uitzondering instemt met
                            betaling in termijnen eist hij zekerheid.</al>
          <al/>
          <al>Als in het akkoord belastingschulden zijn begrepen waarvoor derden
                            aansprakelijk kunnen worden gesteld, neemt de ontvanger als voorwaarde
                            op dat de kwijtschelding pas wordt geëffectueerd op het moment dat op
                            grond van die aansprakelijkheid geen baten meer kunnen worden verkregen.
                            De ontvanger ziet van deze voorwaarde af als in het aangeboden bedrag de
                            baten in de aansprakelijkheid tot uitdrukking komen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.6.5. Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord</vet>
          </al>
          <al>Als de ontvanger vrijwillig toetreedt tot een gerechtelijk akkoord
                            verleent hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat
                            onbetaald blijft, nadat hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord
                            toekomt, heeft ontvangen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.6.6. Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk
                                akkoord</vet>
          </al>
          <al>Bij de beoordeling van een akkoord stelt de ontvanger eerst vast op
                            welke belastingaanslagen het akkoord betrekking heeft. Uitgangspunt
                            daarbij is de materiële belastingschuld die is ontstaan tot aan de dag
                            dat de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken of de dag
                            waarop een buitengerechtelijk akkoord wordt aangeboden.</al>
          <al/>
          <al>Er rust een inspanningsverplichting op de gemeente om de te saneren
                            schuld zo volledig mogelijk en tot het juiste bedrag vast te stellen, in
                            die zin dat de materieel verschuldigde belasting wordt geformaliseerd in
                            een aanslag.</al>
          <al>De ontvanger betrekt bestuurlijke boeten, rente en kosten integraal in
                            een akkoord.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.6.7. </vet>
            <vet>Vervallen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.6.8. Gevolgen dwangakkoord</vet>
          </al>
          <al>Als de rechter in het kader van een wettelijke schuldsanering een
                            dwangakkoord oplegt aan de gezamenlijke schuldeisers, lijdt de ontvanger
                            het deel van de belastingschuld dat onvoldaan blijft oninbaar.</al>
          <al/>
          <al>Aangezien de ontvanger niet heeft ingestemd met het akkoord, verleent
                            hij geen kwijtschelding. De belastingvorderingen die resteren na het
                            dwangakkoord blijven als natuurlijke verbintenissen over.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>73.6.9. Kwijtschelding voor ondernemers bij een
                                saneringsakkoord</vet>
          </al>
          <al>Indien een akkoord op grond van artikel 22a van de regeling niet
                            mogelijk is, vindt kwijtschelding voor ondernemers uitsluitend plaats
                            bij een zogenoemd saneringsakkoord in de zin van artikel 22 van de
                            regeling. Zie ook artikel 26.3 van deze leidraad.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>74</nr>
            <titel>Uitstel- en kwijtscheldingsfaciliteiten</titel>
          </kop>
          <al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>75</nr>
            <titel>Kosten van vervolging</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel beschrijft het beleid bij het in rekening brengen van kosten
                            van vervolging. Met 'vervolgingskosten of kosten' wordt bedoeld de
                            kosten die op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen
                            (Kostenwet) in rekening worden gebracht.</al>
          <al/>
          <al>Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden
                            die de belastingdeurwaarder verricht voor de invordering op civiele
                            wijze.</al>
          <al/>
          <al>In dit artikel is het volgende beleid over kosten van vervolging
                            opgenomen:</al>
          <al>- gevorderde som bevat geen vervolgingskosten;</al>
          <al>- aan derden toekomende bedragen;</al>
          <al>- rechtsmiddelen en vervolgingskosten;</al>
          <al>- verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar;</al>
          <al>- niet in rekening brengen van vervolgingskosten;</al>
          <al>- onverschuldigdheid van vervolgingskosten;</al>
          <al>- niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten;</al>
          <al>- versnelde invordering en vervolgingskosten;</al>
          <al>- aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten;</al>
          <al>- geen kwijtschelding van vervolgingskosten;</al>
          <al>- limitering betekeningskosten dwangbevel.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>75.1. Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten</vet>
          </al>
          <al>De gevorderde som bij een aanmaning of dwangbevel (waarvan
                            onderscheidenlijk sprake is in artikel 2 en artikel 3, eerste lid, van
                            de Kostenwet invordering rijksbelastingen) is te verstaan als het
                            belastingbedrag waarvoor de aanmaning of het dwangbevel is
                            uitgevaardigd, dus zonder de vervolgingskosten en eventuele - pro
                            memorie opgenomen - rente.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>75.2. Aan derden toekomende bedragen</vet>
          </al>
          <al>Onder de bedragen die op grond van artikel 6 van de Kostenwet
                            invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening
                            worden gebracht, vallen:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>de kosten van de advertenties als bedoeld in artikel 3, vierde
                                    lid, en artikel 4, eerste lid, van de Kostenwet invordering
                                    rijksbelastingen;</al></li>
            <li nr="-"><al>de vergoeding van de bewaarder dan wel door hem ingeschakelde
                                    derden;</al></li>
            <li nr="-"><al>de kosten van het openen van deuren en huisraad als bedoeld in
                                    artikel 444 Rv;</al></li>
            <li nr="-"><al>de kosten van het verrichten van werkzaamheden voor de verkoop
                                    ter plaatse van de in beslag genomen zaken;</al></li>
            <li nr="-"><al>de kosten van het verrichten van werkzaamheden door makelaars,
                                    deskundigen en afslagers;</al></li>
            <li nr="-"><al>de kosten van het doen overbrengen van de in beslag genomen
                                    zaken als de verkoop elders plaatsvindt;</al></li>
            <li nr="-"><al>de kosten van het aanbrengen en verwijderen door derden van
                                    wielklemmen of andere bestanddelen die verhindering van gebruik,
                                    vervoer en belasting van de in beslaggenomen roerende zaken
                                    bewerkstelligen;</al></li>
            <li nr="-"><al>de kosten van opslag, afvoer en bewaarneming van inbeslaggenomen
                                    roerende zaken.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>Om redenen van beleid worden de laatstgenoemde kosten enkel in rekening
                            gebracht als de verkoop op uitdrukkelijk verzoek van de
                            belastingschuldige elders gebeurt dan wel als daarbij voornamelijk zijn
                            belang is gediend. Eventuele gemaakte reiskosten door de gemeente voor
                            de betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kunnen niet op
                            de belastingschuldige worden verhaald, evenals mogelijke porti- en
                            telefoonkosten.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>75.3. Rechtsmiddelen en vervolgingskosten</vet>
          </al>
          <al>De ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over
                            de toepassing van de Kostenwet relevant zijn.</al>
          <al/>
          <al>Indiening van een bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep)
                            stuit op grond van artikel 6:16 Awb niet de aanvang of de voortzetting
                            van de tenuitvoerlegging van de akte van vervolging.</al>
          <al/>
          <al>Als om uitstel van betaling wordt verzocht, is het beleid dat is
                            verwoord in artikel 25.1 en 25.2 van deze leidraad van overeenkomstige
                            toepassing.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>75.4. Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als
                                bezwaar</vet>
          </al>
          <al>Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van de in
                            rekening gebrachte kosten wordt aangemerkt als een bezwaarschrift. Het
                            bepaalde in artikel 75.3 van deze leidraad is van overeenkomstige
                            toepassing.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>75.5. Niet in rekening brengen van vervolgingskosten</vet>
          </al>
          <al>In de volgende gevallen brengt de ontvanger voor het uitbrengen van
                            exploten geen vervolgingskosten in rekening:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>herhaalde betekening van een dwangbevel;</al></li>
            <li nr="-"><al>(herhaalde) betekening van een dwangbevel uitsluitend ter
                                    stuiting van de verjaring;</al></li>
            <li nr="-"><al>betekening van een vordering;</al></li>
            <li nr="-"><al>betekening aan een minderjarige of onder curatele gestelde als
                                    bedoeld in artikel 13.3 van deze leidraad met dien verstande dat
                                    de eerste betekening wel, maar de tweede betekening (aan de
                                    wettelijke vertegenwoordiger) niet in rekening wordt
                                    gebracht;</al></li>
            <li nr="-"><al>betekening van een beslissing van het college op een
                                    beroepschrift tegen de inbeslagneming van roerende zaken aan de
                                    derde die het beroepschrift heeft ingediend, de beslagene en zo
                                    nodig de bewaarder, al dan niet gepaard gaande met gehele of
                                    gedeeltelijke opheffing van het beslag;</al></li>
            <li nr="-"><al>betekening van een proces-verbaal van overgang van de bewaring
                                    van beslagen roerende zaken, anders dan op verzoek of door
                                    toedoen van de belastingschuldige.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>
            <vet>75.6. Onverschuldigdheid van vervolgingskosten</vet>
          </al>
          <al>Naast de gevallen waarin ten aanzien van de kostenberekening rekenfouten
                            zijn gemaakt dan wel een onjuist tarief is gehanteerd, zijn kosten niet
                            verschuldigd in de volgende gevallen:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>Als de betaling op de rekening van de gemeente is bijgeschreven
                                    op of voorafgaand aan de dag waarop de kosten verschuldigd zijn
                                    geworden;</al></li>
            <li nr="-"><al>Voor zover na het in rekening brengen van de kosten een afname
                                    van de schuld, anders dan door betaling, kwijtschelding of
                                    verrekening tot stand is gekomen. Deze situatie zal zich
                                    voordoen bij vermindering van belastingaanslagen, alsmede bij
                                    afboeking van definitieve negatieve aanslagen op voorlopige
                                    positieve aanslagen van hetzelfde jaar;</al></li>
            <li nr="-"><al>Als er achteraf bezien al voor het in rekening brengen van de
                                    kosten om beleidsmatige redenen aanleiding is geweest om de
                                    invordering op te schorten. Hierbij valt te denken aan:</al><al>° een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel;</al><al>° een ingediend aanvraagformulier voor kwijtschelding, mits
                                    volledig ingevuld;</al><al>° een ingediend verzoekschrift bij het college of de raad. </al></li>
            <li nr=""><al/><al> Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat zich omstandigheden
                                    kunnen voordoen waarin het noodzakelijk is de invordering wel
                                    voort te zetten. In dat geval komen de hieraan verbonden kosten
                                    vanzelfsprekend niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.</al><al/><al>Bepalend is de ontvangst van bovengenoemde stukken door de
                                    ontvanger zelf, dan wel degene met wie de ontvanger in dit kader
                                    redelijkerwijs vereenzelvigd kan worden (bijvoorbeeld het
                                    college). Als er sprake is van een ingediend aanvraagformulier
                                    voor kwijtschelding worden de kosten die inmiddels zijn ontstaan
                                    niet kwijtgescholden en/of gecorrigeerd tenzij het ontstaan van
                                    de kosten niet aan de belastingschuldige is te verwijten. Kosten
                                    worden in afwijking van het voorgaande altijd in rekening
                                    gebracht als sprake is van trainering van de invordering.</al></li>
            <li nr="-"><al>Als na het in rekening brengen van de kosten aan de
                                    belastingaanslag een nieuwe dagtekening is toegekend;</al></li>
            <li nr="-"><al>Als een derdenbeslag nooit blijkt te hebben gelegen als bedoeld
                                    in artikel 14.4.1 van deze leidraad;</al></li>
            <li nr="-"><al>Als zaken - die in een onroerende zaak aanwezig zijn - zowel in
                                    een beslag op roerende als in een beslag op onroerende zaken
                                    zijn begrepen omdat twijfel bestaat over de vraag of deze zaken
                                    roerend dan wel onroerend zijn en duidelijkheid is verkregen
                                    door middel van welk beslag die zaken moeten worden uitgewonnen.
                                    In dat geval zijn de kosten die verband houden met het niet
                                    voortgezette beslag niet verschuldigd;</al></li>
            <li nr="-"><al>Als zaken - die op of in een schip van de belastingschuldige
                                    aanwezig zijn - zowel in een beslag op het schip als in een
                                    beslag op roerende zaken zijn begrepen omdat twijfel bestaat
                                    over de vraag of deze zaken een bestanddeel vormen van het schip
                                    dan wel zelfstandige roerende zaken zijn, en duidelijkheid is
                                    verkregen door middel van welk beslag die zaken moeten worden
                                    uitgewonnen. In dat geval zijn de kosten die verband houden met
                                    het niet voortgezette beslag niet verschuldigd;</al></li>
            <li nr="-"><al>Als invorderingsmaatregelen worden getroffen met inachtneming
                                    van de artikelen 10 en 15 van de wet, en de belastingschuldige
                                    binnen twee werkdagen na uitreiking van het aanslagbiljet de
                                    openstaande belastingschuld betaalt.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>75.7. Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten</vet>
          </al>
          <al>In uitzonderlijke situaties kan er voor de ontvanger aanleiding bestaan
                            de in rekening gebrachte vervolgingskosten - hoezeer ook verschuldigd -
                            te verminderen als de belastingschuldige hier schriftelijk om
                            verzoekt.</al>
          <al/>
          <al>Van zo’n situatie kan sprake zijn als de belastingschuldige aantoont in
                            omstandigheden te hebben verkeerd die het hem feitelijk onmogelijk
                            maakten zijn verplichtingen tijdig na te komen en bovendien de
                            invordering van vervolgingskosten - gezien de omstandigheden van het
                            specifieke geval - onredelijk en onbillijk is.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>75.8. Versnelde invordering en vervolgingskosten</vet>
          </al>
          <al>Als invorderingsmaatregelen worden getroffen met inachtneming van de
                            artikelen 10 en 15 van de wet, vermeldt de belastingdeurwaarder in de
                            akte van betekening bij het dwangbevel dat de in verband met die
                            maatregelen berekende vervolgingskosten niet verschuldigd zijn als de
                            openstaande belastingschuld binnen twee werkdagen na uitreiking van het
                            aanslagbiljet wordt betaald. De vorige volzin is van overeenkomstige
                            toepassing op de beslagkosten.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>75.9. Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten</vet>
          </al>
          <al>Voor de door aansprakelijkgestelden verschuldigde kosten die het gevolg
                            zijn van invorderingsmaatregelen die tegen de aansprakelijkgestelde zijn
                            genomen, is dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>75.10. Geen kwijtschelding van vervolgingskosten</vet>
          </al>
          <al>Kwijtschelding van vervolgingskosten is niet mogelijk wegens vermeende
                            betalingsonmacht. De ontvanger doet in dat geval ook geen toezegging dat
                            deze kosten niet zullen worden ingevorderd.</al>
          <al/>
          <al>Het voorgaande laat onverlet dat kwijtschelding wordt verleend dan wel
                            kosten buiten invordering worden gelaten, wanneer de hoofdsom wordt
                            kwijtgescholden dan wel buiten invordering gelaten. Hiervoor wordt
                            verwezen naar hetgeen is vermeld bij artikel 26 van deze
                            leidraad.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>75.11. Limitering betekeningskosten dwangbevel</vet>
          </al>
          <al>Als op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere ten name van die
                            belastingschuldige gestelde dwangbevelen worden betekend en de
                            betekeningskosten in totaal meer zouden bedragen dan het maximumbedrag
                            als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Kostenwet invordering
                            rijksbelastingen, zijn niet meer betekeningskosten verschuldigd dan dit
                            maximumbedrag.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>76 tot en met 79</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>80</nr>
            <titel>Invordering, Awb en het moment van vaststelling van
                                (naheffings)aanslagen</titel>
          </kop>
          <al>In dit artikel is beleid opgenomen met betrekking tot artikel 4:121 van
                            de Awb en het moment van vaststelling van
                            naheffingsaanslagen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>80.1. Tenuitvoerlegging termijndwangbevel</vet>
          </al>
          <al>Een eenmaal ingestelde vervolging voor één of meer van de vervallen
                            termijnen van de belastingaanslag wordt met dezelfde voortvarendheid
                            voltooid als de eindvervolging. </al>
          <al/>
          <al>Voor die nader vervallen termijnen moet wel eerst een aanmaning worden
                            verzonden, waarna voor die termijnen een eigen dwangbevel kan worden
                                uitgevaardigd.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>
              <cursief>80.2. Moment van vaststelling van
                                    (naheffings)aanslagen</cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>Het overgangsrecht met betrekking tot Afdeling 4.4.1 van de Awb
                            (Vaststelling en inhoud van de verplichting tot betaling) bepaalt kort
                            gezegd het volgende. Op een betalingsverplichting die is vastgesteld of
                            ontstaan voor 1 juli 2009 geldt het recht van voor die datum. Voor
                            betalingsverplichtingen van na 1 juli 2009 geldt de genoemde afdeling
                            4.4.1. Bij aanslagbelastingen geldt als moment van vaststelling de datum
                            van dagtekening van de aanslag. Bij aangiftebelastingen wordt voor het
                            moment van vaststelling aangesloten bij de dagtekening van de
                            naheffingsaanslag.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>81</nr>
            <titel>Overgangsbepaling, inwerkingtreding en citeertitel</titel>
          </kop>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>de Leidraad invordering gemeentelijke belastingen van 16
                                    februari 2005, laatstelijk gewijzigd op 28 maart 2006 wordt
                                    ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum
                                    van inwerkingtreding.</al></li>
            <li nr="2."><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na
                                    die van de bekendmaking.</al></li>
            <li nr="3."><al>Deze regeling kan worden aangehaald als Leidraad invordering
                                    gemeentelijke belastingen.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Epe, 3 november 2009</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>Burgemeester en wethouders van Epe, </ondertekening>
        <ondertekening>de burgemeester, M. van Lente</ondertekening>
        <ondertekening> de secretaris, mr. T.J.J. Peeters</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>