<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR147714_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Marktverordening Diemen 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemernieuws 1 maart 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Marktverordening Diemen 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 147, eerste lid en artikel 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-02-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-03-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-10-09</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>12-10</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Marktreglement Diemen 2012</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>marktverordening Diemen 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Diemen;</al><al>gelezen het voorstel van het college van 10 januari 2012;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, alsmede artikel 149 van de
                        Gemeentewet;</al><al>gezien het advies van de brandweer, en de marktcommissie;</al><al>overwegende dat het wenselijk is regels te stellen voor een ordelijk verloop
                        van de weekmarkt;</al><al>B E S L U I T:</al><al>vast te stellen de “Marktverordening Diemen 2012”</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>markt: de door het college ingestelde warenmarkt;</al></li><li nr="b."><al>standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is
                                    aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel;</al></li><li nr="c."><al>vaste standplaats: de standplaats die voor onbepaalde tijd ter
                                    beschikking is gesteld aan een vergunninghouder;</al></li><li nr="d."><al>dagplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt
                                    gesteld aan een gegadigde, omdat deze niet als vaste standplaats
                                    is toegewezen dan wel ingenomen;</al></li><li nr="e."><al>standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek
                                    om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende
                                    uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van één
                                    product;</al></li><li nr="f."><al>standwerkersplaats: de standplaats die per marktdag ter
                                    beschikking wordt gesteld om te standwerken en niet breder is
                                    dan 4.00 meter;</al></li><li nr="g."><al>vergunninghouder: degene aan wie door het college vergunning is
                                    verleend voor het innemen van een standplaats;</al></li><li nr="h."><al>wachtlijst: de lijst van gegadigden voor een vaste
                                    standplaats;</al></li><li nr="i."><al>anciënniteitlijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste
                                    standplaats op startdatum geselecteerd;</al></li><li nr="j."><al>marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het
                                    college</al></li><li nr="k."><al>brancheringslijst: een lijst met artikelengroepen of
                                    branches.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inrichting van de markt; branche-indeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt ten aanzien van de markt:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal standplaatsen;</al></li><li nr="b."><al>de afmetingen van de standplaatsen;</al></li><li nr="c."><al>de opstelling en indeling van de markt;</al></li><li nr="d."><al>welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats
                                        en als standwerkersplaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan voor de markt vaststellen:</al><lijst><li nr="a."><al>een brancheringslijst;</al></li><li nr="b."><al>een maximum aantal standplaatsen per branche;</al></li><li nr="c."><al>een anciënniteitlijst.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De door het college vastgestelde brancheringslijst geldt niet voor
                                dagplaatsen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college is bevoegd in het marktreglement nadere regels te stellen
                            betreffende het bepaalde in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een
                                krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, ter
                                bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning of
                                ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen in acht te nemen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Bepalingen over vergunningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Standplaatsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder
                                vergunning van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking
                                een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar
                                heeft bereikt en ingeschreven staat bij de Kamer van
                                Koophandel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvraag voor een vergunning voor een vaste standplaats dient te
                                worden ingediend middels een door het college vastgesteld
                                formulier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien niet voldaan wordt aan het gestelde in het tweede en derde
                                lid kan het college besluiten de aanvraag niet te behandelen </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr></kop><al><vet>Beslistermijn en weigeringsgronden</vet></al><al>1 Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning voor een vaste
                            standplaats binnen 8 weken na de datum van ontvangst van de
                            aanvraag.</al><lijst><li nr="2."><al> Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van
                                    toepassing op de bepalingen genoemd in deze verordening.</al></li><li nr="3."><al>Een aanvraag voor een vergunning om een vaste standplaats wordt
                                    geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvraag in strijd is met het op grond van artikel 2
                                            bepaalde t.a.v. de inrichting van de markt en de branche
                                            indeling;</al></li><li nr="b."><al>binnen 1 jaar na intrekking van een vaste vergunning op
                                            grond van artikel 7, 2<sup>e</sup> lid onder a of
                                            artikel 8 opnieuw een aanvraag om een vergunning voor
                                            een vaste standplaats wordt ingediend.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Degene die op grond van artikel 6, derde lid onder a, niet in
                                    aanmerking komt voor een vaste standplaatsvergunning kan een
                                    schriftelijk verzoek doen om op de wachtlijst te worden
                                    geplaatst.</al></li><li nr="5."><al>Indien op grond van de wachtlijst een standplaats wordt
                                    toegewezen kent het college aan diegene ambtshalve een
                                    vergunning voor een vaste standplaats toe op basis van de
                                    gegevens die zijn aangeleverd bij het verzoek tot plaatsing op
                                    de wachtlijst.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Intrekking vaste standplaatsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel
                                7 van het marktreglement van de gemeente Diemen de vergunning wordt
                                overgeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens
                                zijn verstrekt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 5,
                                2<sup>e</sup> lid genoemde vereisten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 7 van het
                                marktreglement van de gemeente Diemen is overgeschreven, reeds
                                vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde
                                markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 7 kan het college een vergunning
                            voor een vaste standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan
                            wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen,
                            indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat:</al><lijst><li nr="a."><al>krachtens deze verordening, het marktreglement en of de
                                    voorschriften van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of</al></li><li nr="c."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat
                                    wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</titel></kop><al>Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een
                            standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een
                            standwerkersplaats uitsluiten voor een redelijke termijn, indien
                            deze:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c."><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                    standwerkersplaats;</al></li><li nr="d."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat
                                    wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Onmiddellijke verwijdering</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het
                            college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te
                            verwijderen indien hij:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de
                                    voorschriften van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c."><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                    standwerkersplaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt
                            gestraft met een geldboete van de tweede categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de marktmeester(s) en de bij besluit van het
                            college aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Marktverordening gemeente Diemen, vastgesteld op 5 maart 2009, wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Besluiten van het college die genomen zijn krachtens de verordening
                                bedoeld in artikel 13 gelden als besluiten genomen krachtens deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag voor een vergunning op grond van de verordening bedoeld
                                in artikel 13 is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding
                                van deze verordening nog niet op de aanvraag is beslist, wordt
                                daarop beslist op grond van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De op het tijdstip van het in werking treden van deze verordening
                                bestaande wachtlijst en anciënniteitlijst blijven onverkort van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is
                            bekendgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Marktverordening Diemen 2012.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 23 februari 2012.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al><vet>De totstandkoming van de modelmarktverordening 2008</vet></al><al>De oorspronkelijke modelmarktverordening van de VNG is in mei 1998
                    totstandgekomen in samenwerking met het Centraal Overleg Marktaangelegenheden
                    (COM). In 2003 is de modelmarktverordening naar aanleiding van de dualisering
                    van het gemeentebestuur herzien en dit heeft geleid tot de modelmarktverordening
                    2003.</al><al>In 2008 is in het kader van de algehele deregulering van de modelverordeningen
                    door de VNG besloten ook de modelmarktverordening 2003 te herzien. Dit model is
                    vervangen door aantal nieuwe modellen. Dit betreft allereerst de
                    modelmarktverordening 2008 (I), waarin bepalingen voor het verkrijgen van een
                    vergunning voor een standplaats waren opgenomen. De regeling voor onder meer de
                    toewijzing van een vaste standplaats, dagplaats en standwerkerplaats is
                    opgenomen in het modelmarktreglement 2008. </al><al>Bij de voorbereiding van de Marktverordening 2012 zijn ook de reacties
                    meegenomen die ontvangen zijn na de vaststelling van de Marktverordening uit
                    2009 (o.a. van de CVAH) </al><al><vet>Grondslag en belang verordening</vet></al><al>In artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat gemeentelijke
                    verordeningen door de raad worden vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe
                    niet bij de wet of door de raad krachtens de wet aan het college of de
                    burgemeester is toegekend. Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet maakt de
                    raad de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig acht.</al><al>Artikel 160 van de Gemeentewet regelt de overheveling van de gemeentewettelijke
                    bestuursbevoegdheden aan het college. Hieronder valt de bevoegdheid om
                    jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen of te veranderen
                    (artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet). Naast de
                    bovengenoemde nieuwe modellen voor de marktverordeningen zijn analoog aan de
                    bevoegdheden van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet
                    ten behoeve van het college drie modelbesluiten beschikbaar, te weten:
                    Modelbesluit tot het instellen van een warenmarkt, Modelbesluit tot het
                    afschaffen van een warenmarkt en Modelbesluit tot het veranderen van een
                    warenmarkt.</al><al>De marktverordening beoogt de gemeentelijke belangen te beschermen. Het gaat
                    hier om belangen van openbare orde, zedelijkheid en gezondheid, beperking van
                    overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en de (verkeers)veiligheid
                    binnen de gemeente.</al><al><vet>Inhoud</vet></al><al>Hoofdstuk 1 van de marktverordening bevat een aantal algemene bepalingen die
                    betrekking hebben op de markt in zijn geheel. Hoofdstuk 2 bevat een aantal
                    bepalingen die van belang is voor de vergunningaanvraag Hoofdstuk 3 bevat de
                    straf-, overgangs- en slotbepalingen.</al><al><vet>Overige regelgeving ambulante handel</vet></al><al>De regulering van andere ambulante handel is te vinden in onze Algemene
                    plaatselijke verordening (Apv). Artikel 2.2.2 van de Apv bevat een
                    vergunningstelsel voor evenementen. Onder evenementen vallen bijvoorbeeld
                    braderieën. Verder bevat afdeling 2 van hoofdstuk 5 van de -Apv bepalingen over
                    collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten.</al><al><vet>Samenloop met de Algemene plaatselijke verordening (Apv)</vet></al><al>In de marktverordening wordt een regeling gegeven voor de plaatselijke
                    warenmarkt. Het is van belang dat in andere verordeningen wordt opgenomen dat
                    geen vergunning wordt verleend indien op grond van de marktverordening
                    vergunning is vereist. Hiermee kan worden voorkomen dat ‘een met de
                    marktverordening conflicterende’ vergunning dient te worden verleend op grond
                    van een andere verordening, zoals de Apv. Deze samenloop kan bijvoorbeeld spelen
                    bij de (losse)standplaatsvergunning (artikel 5.2.3 Apv).</al><al><vet>Vrijhouden van het marktterrein</vet></al><al>De gemeenteraad heeft een Wegsleepverordening vastgesteld op 28 mei 2009 en
                    heeft het marktterrein aangewezen als weg waar voertuigen kunnen worden
                    weggesleept. Ten onrechte op het marktterrein geparkeerde voertuigen kunnen op
                    basis van de Wegenverkeerswetgeving en de Wegsleepverordening worden weggesleept
                    (lex specialis).</al><al><vet>Instellen marktcommissie voor en door het college</vet></al><al>In Diemen is een marktcommissie die het college adviseert in
                    marktaangelegenheden.. Om het draagvlak te vergroten, zijn de commissieleden
                    gekozen door de markthandelaren. In de praktijk vindt eenmaal in de vier jaar
                    een verkiezing plaats voor de marktcommissie.</al><al><vet>Dienstenrichtlijn</vet></al><al>[Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december
                    2006 betreffende diensten op de interne markt, PB L376/36, 27 december
                    2006]</al><al>De Europese Dienstenrichtlijn is op 28 december 2006 in werking getreden met als
                    doel de nog bestaande belemmeringen van het vrije verkeer van diensten op te
                    heffen. Zo is over de vrijheid van vestiging (hoofdstuk 3) bepaald dat lidstaten
                    de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in beginsel niet
                    afhankelijk mag stellen van een vergunningstelsel (artikel 9).</al><al>Allereerst is gekeken of de verordening een dienst regelt, die onder de
                    reikwijdte van de Dienstenrichtlijn valt. Het begrip ‘dienst’ moet worden
                    uitgelegd als ‘dienstverrichting welke gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt’ en
                    sluit hiermee aan bij artikel 50 EG en de interpretatie van het EG Hof van
                    Justitie. De marktverordening (individuele vergunning) regelt de warenmarkt; het
                    gaat dus om de verkoop van goederen. Derhalve bevat dit model geen bepalingen
                    omtrent de toegang tot of de uitoefening van een dienst. Daarmee valt deze
                    verordening buiten de werkingsfeer van de Dienstenrichtlijn en hoeft er niet
                    verder te worden gescreend.</al><al><vet>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</vet></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatige verblijf blijkt. Bij de vergunningverlening met betrekking tot de
                    markt dient een gemeente hier rekening mee te houden.</al><al>In de Marktverordening 2009 bleek dat de formeel juridische afhandeling van
                    aanvragen onduidelijk geregeld was. Om hierin duidelijkheid te krijgen zijn
                    diverse leden toegevoegd. Zie hiervoor de artikelsgewijze toelichting .</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                        gehanteerd, gedefinieerd.</al><al>Onder c is het begrip vaste standplaats opgenomen. Door gebruik van het
                        woord ‘persoon’ in plaats van het begrip ‘ambtenaar’ bij de
                        begripsomschrijving van marktmeester onder j kan een niet-ambtenaar ook tot
                        marktmeester worden aangewezen. Bij aanwijzing (= mandaat) van een
                        niet-ondergeschikte dient deze (en zijn werkgever) in te stemmen met de
                        mandaatverlening overeenkomstig artikel 10:4 van de Awb.</al><al>Onder k is het begrip “brancheringslijst” gedefinieerd. Deze omschrijving
                        ontbrak in de vorige verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inrichting van de markt; branche-indeling</titel></kop><al>Op grond van het eerste lid, onder a, stelt het college het aantal
                        standplaatsen op de markt vast met onder meer als doel het aantrekkelijk
                        maken van de markt voor de consumenten. Het aantal branches is beperkt,
                        omdat het gaat om een gespecialiseerde markt.</al><al>Bij de opstelling en indeling van de markt als bedoeld in het eerste lid,
                        onder c, wordt rekening gehouden met de verschillende branches. Voor de orde
                        op de markt is het van belang te bepalen welke materialen (kraam of ook
                        andere verkoopmaterialen) worden toegelaten en waar deze kunnen worden
                        opgesteld. Naast de traditionele (huur)kraam onderscheidt de Centrale
                        vereniging voor de ambulante handel (CVAH) bijvoorbeeld de instantkraam, de
                        verrijdbare kraam en de verkoopwagens. De onder b genoemde afmetingen van de
                        standplaatsen kunnen overigens ook een beperking geven voor bepaalde
                        materialen.</al><al>Het tweede lid schept de mogelijkheid een beperkt aantal kooplieden per
                        branche toe te laten. Hierdoor wordt bereikt dat op de markt een zo groot
                        mogelijke verscheidenheid aan branches aanwezig is en wordt voorkomen dat te
                        veel kooplieden van één branche op de markt optreden. Hierdoor wordt de
                        markt aantrekkelijker voor de consument.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr="·"><al>ABRS 4 december 2002, nr. 200200350/1/H3, JG 03.00 , m.nt. M.
                                Geertsema. Het besluit van het college tot toevoeging van een
                                artikelgroep of branche op de markt is een algemeen verbindend
                                voorschrift (a.v.v.). Het betreft hier de wijziging van een
                                gemeentelijke, bindende regeling, met externe werking en een
                                algemeen karakter, zodat het bepaalde in artikel 8:2, aanhef en
                                onder a, van de Awb aan bezwaar en beroep in de weg staat.</al></li><li nr="·"><al>Rechtbank Rotterdam, sector bestuursrecht - Bloemenmarkt Amsterdam -
                                14 augustus 2001, JG 02.0013 m.nt. H. Borburgh. De Mededingingswet
                                is niet van toepassing op overheidshandelen dat (primair) strekt tot
                                het behartigen van een algemeen (publiek) belang van
                                niet-economische aard en dat kan worden herleid tot of gerelateerd
                                aan (andere) taken en bevoegdheden van het betrokken
                                overheidsorgaan. De gemeente is op dit terrein geen ondernemer.</al></li><li nr="·"><al>Vz. Rb. Maastricht, 14 november 2003, LJN: AN8555, AWB03/1497.
                                Branchebesluit is in beginsel niet appelabel. Het kan echter wel in
                                het kader van een beroep tegen een concreet, verzoekster rechtsreeks
                                in haar belang betreffend besluit beoordeeld worden. Branchering is
                                niet ongebruikelijk, zodat de gevolgen in beginsel tot het normale
                                bedrijfsrisico behoren.</al></li><li nr="·"><al>ABRS 28 februari 2000, JG 00.0130 m.nt. M. Geertsema, GS 7118, 4
                                m.nt. H.H., JB 2000, 114 m.nt. J.M.E.D.) Een besluit tot
                                vaststelling van het aantal standplaatsen op de markt, opstelling,
                                indeling en afmetingen is als algemeen verbindend voorschrift niet
                                vatbaar voor bezwaar en beroep. Het betreft hier niet een besluit
                                waarin nader naar tijd, plaats of object de toepasselijkheid van in
                                de verordening reeds besloten liggende normen worden bepaald, maar
                                de vaststelling van zelfstandige normen.</al></li><li nr="·"><al>ABRS 18 mei 1995, JG 95,0363 m.nt. R. Timmermans, inzake de
                                wijziging van het aantal standplaatsen per branche). De regels ten
                                behoeve van een brancheverdeling lenen zich voor herhaalde
                                toepassing. De brancheverdeling is daarmee aan te merken als een
                                algemeen verbindend voorschrift. Op grond van de Awb is bezwaar en
                                beroep hiertegen uitgesloten.</al></li><li nr="·"><al>Rechtbank Dordrecht, 30 mei 1997, JG 97.0205 m.nt. M. de Jong,
                                inzake het weren van een markavan;</al></li><li nr="·"><al>ABRS 16 januari 1997, JG 97.0208, inzake de indeling van de markt.
                                Teneinde de orde op de markt te waarborgen, dient de mogelijkheid te
                                worden gecreëerd dat voor het handeldrijven met verkoopwagens
                                afzonderlijke gedeelten van het marktterrein kunnen worden
                                aangewezen.</al></li></lijst><al>Bij het tweede lid onder c is de anciënniteitlijst toegevoegd. In de vorige
                        verordening was het begrip wel omschreven (in artikel 2) maar kwam verder
                        niet voor. In de praktijk wordt gewerkt met de anciënniteitlijst.</al><al>Het derde lid is toegevoegd omdat in de dagelijkse praktijk blijkt dat het
                        opvullen van de dagplaatsen niet of nauwelijks lukt als rekening gehouden
                        moet worden met de brancheringslijst. Dit geldt eveneens als een vaste
                        standplaatshouder (bv. door ziekte of vakantie) zijn/haar plaats tijdelijk
                        niet kan innemen. </al><al>Aangezien het voor de aantrekkelijkheid van de markt belangrijk is dat alle
                        plaatsen op de marktdagen zijn gevuld, is dit lid toegevoegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Bij de herziening van de verordening in 2009 is er voor gekozen om de
                        modelverordening in te korten en een gedeelte van de bepalingen over te
                        hevelen naar een marktreglement. Op grond artikel 3 is het college bevoegd
                        deze nadere regels te stellen. </al><al><cursief>Beleidsregels versus nadere regels</cursief></al><al>Aangezien vaak onduidelijkheid bestaat over het verschil tussen beide
                        soorten regels volgt hieronder een korte uiteenzetting van beleidsregels en
                        nadere regels. Het college kan beleidsregels opstellen ten aanzien van de
                        gekregen bevoegdheden. Verder kan het college nadere regels stellen op grond
                        van art. 3 van de marktverordening. Voor alle duidelijkheid: beleidsregels
                        zijn algemene regels omtrent de toepassing van bevoegdheden (zie de
                        definitie in art. 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht).
                        Nadere regels zijn algemene regels die te karakteriseren zijn als algemeen
                        verbindende voorschriften. Beleidsregels kennen een inherente
                        afwijkingsbevoegdheid in tegenstelling tot nadere regels. Op grond van
                        artikel 4:84 van de Awb dient een bestuursorgaan een uitzondering op een
                        beleidsregel te maken indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen. Dit
                        wordt de inherente afwijkingsbevoegdheid van de beleidsregel genoemd.
                        Hierdoor zijn beleidsregels flexibeler dan nadere regels (algemeen
                        verbindende voorschriften). Immers, van nadere regels is geen afwijking
                        mogelijk.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Nadere regels worden opgevat als algemeen verbindende voorschriften. Zie
                        bijvoorbeeld ABRS 4 juli 1994, JG 95.0133, m.nt. A.B. Engberts, AB (1994)
                        698 m.nt. R.M. van Male.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><al>Door aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen te
                        verbinden, kan een verfijning in de gewenste rechtstoestand worden
                        aangebracht. De in het eerste lid genoemde belangen in verband waarmee de
                        vergunning of ontheffing is vereist, zijn de gemeentelijke belangen van
                        openbare orde, zedelijkheid en gezondheid, beperking van overlast,
                        regulering van het woon- en leefklimaat en de veiligheid binnen de gemeente.
                        Zie ook de inleiding bij deze toelichting onder Grondslag en belang
                        verordening.</al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning/ontheffing verbonden
                        zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning/ontheffing of
                        voor toepassing van andere bestuursrechtelijke sancties. De strafbepaling
                        van artikel 11 is eveneens van toepassing.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Bepalingen over vergunningen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Standplaatsvergunning</titel></kop><al>De vergunning geeft het recht om een standplaats op de markt in te nemen. De
                        vergunninghouder moet voldoen aan de voorschriften en beperkingen die aan de
                        vergunning zijn verbonden (artikel 4). De vergunning is persoonlijk en niet
                        overdraagbaar. Met de indieningsvereisten is deels rekening gehouden met de
                        opmerkingen die de CVAH heeft gemaakt bij de vorige verordening.</al><al>De verkoop van waren op een markt dient uitsluitend te geschieden door
                        degenen aan wie door het college vergunning daarvoor is verleend. Iedere
                        andere wijze van verkopen op markten is verboden. Een uitzondering op deze
                        regel kan worden gemaakt voor degenen, die de kooplieden van koffie, soepen
                        en dergelijke voorzien.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Met de verplichting de standplaats persoonlijk in te nemen strookt niet de
                        gebruikmaking van een ontheffing om rond te gaan met koffie en dergelijke op
                        het marktterrein. (ABRS 20 januari 1998, jbMarkten bladzijde 9)</al><al>Vanuit het oogpunt van lastenverlichting was het wenselijk de
                        indieningvereisten uit de modelmarktverordening 2003 eens nader onder de
                        loep te nemen. In dat kader zijn de voorheen geldende verplichtingen tot het
                        overleggen van de inschrijving in het handelsregister en de CRK-kaart
                        (registratiekaart van het Centraal Registratiekantoor (CRK) bij het
                        Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD) komen te vervallen. Deze vereisten
                        veroorzaakten onnodig veel administratieve lasten voor de aanvrager, terwijl
                        het niet in verhouding stond tot het te dienen doel. Daarnaast dienden deze
                        inschrijvingen ook niet het doel, waarmee wordt beoogd markten te houden. De
                        inschrijvingen zien op economische aspecten en dit valt buiten de
                        huishouding van een gemeente. Om deze reden is aan de wens van de CVAH deels
                        tegemoet gekomen.</al><al>In plaats daarvan is nu slechts het vereiste van een handelingsbekwaam
                        natuurlijk persoon opgenomen, die de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt en
                        ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel (Een uittreksel van de KvK
                        overleggen is niet meer nodig. Op het aanvraagformulier dient alleen het KvK
                        nummer te worden ingevuld. De gemeente vraagt zelf de gegevens zo nodig bij
                        de KvK op). Hiermee is dwingend vastgelegd dat alleen natuurlijke personen
                        tot de markt worden toegelaten en wordt voorkomen dat rechtspersonen een
                        overheersende positie op de markt kunnen innemen. Door de koppeling van de
                        vergunning aan een natuurlijk persoon wordt een zo eerlijk mogelijke
                        verdeling van alle marktstandplaatsen in Nederland bereikt. Uiteraard kan
                        het wel zo zijn dat de natuurlijke persoon een onderneming drijft in de vorm
                        van een rechtspersoon. Ook dan wordt de natuurlijke persoon (de
                        bedrijfsleider) aangemerkt als vergunninghouder. Het is echter niet mogelijk
                        de vergunning op naam van de rechtspersoon te stellen.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>ABRS 18 april 1995, JG (1995) 91, inzake onderscheid natuurlijk
                        persoon/rechtspersoon.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Beslistermijn en weigeringsgronden</titel></kop><al>In artikel 6 is een regeling opgenomen voor een formeel juridische
                        afhandeling van de aanvragen. In de verordening uit 2009 ontbrak deze
                        waardoor er mogelijk onduidelijkheden konden ontstaan bij de behandeling van
                        een vergunningaanvraag.</al><al>Het eerste lid sluit aan bij de gebruikelijke termijn waarbinnen op een
                        aanvraag dient te worden beslist.</al><al>Het tweede lid voorkomt dat bij niet tijdig beslissen op een aanvraag een
                        aanvrager een fictieve vergunning krijgt en daarmee een recht heeft op een
                        vaste plaats op de markt terwijl het kan voorkomen dat er feitelijk geen
                        plaatsen zijn. Dit is zeer ongewenst in verband met de brandveiligheid en de
                        bereikbaarheid voor hulpdiensten. Daarom is er in dit geval voor gekozen om
                        af te wijken van paragraag 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht.</al><al>Het derde lid bevat de weigeringsgronden voor een aanvraag. Formeel
                        juridisch dient een verzoek om vergunning of ingewilligd te worden, of
                        afgewezen of buiten behandeling te worden gesteld. Weigeringsgronden waren
                        niet opgenomen in de verordening uit 2009.</al><al>Het vierde lid is nieuw. Een geweigerde aanvraag voor een vaste standplaats
                        leidt niet automatisch tot plaatsing op de wachtlijst. Om toch op de
                        wachtlijst te kunnen komen is dit lid toegevoegd. In het aangepaste
                        aanvraagformulier is daartoe een aparte vraag opgenomen zodat bij weigering
                        niet apart een verzoek ingediend hoeft te worden (lastenverlichting).</al><al>In het vijfde lid is geregeld dat een persoon die op de wachtlijst staat
                        niet apart een aanvraag moet indienen als er een plek op de markt vrijkomt.
                        Het college kent dan ambtshalve een vergunning voor een vaste standplaats
                        toe. Daarbij zullen de gegevens worden gehanteerd zoals die bij de
                        oorspronkelijke aanvraag zijn opgegeven.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Intrekking vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al>Als de in het eerste lid genoemde gronden zich voor doen, wordt altijd tot
                        intrekking van de vaste standplaatsvergunning overgegaan. In het tweede lid
                        worden intrekkingsbevoegdheden (‘kan’ betekent: is bevoegd, dat wil zeggen
                        is niet verplicht) genoemd ten aanzien van de vergunning.</al><al>Bij dag- en standwerkersplaatsen ligt intrekking van de vergunning minder
                        voor de hand. Daarom is deze bepaling beperkt tot de vaste
                        standplaatsvergunning. Ten aanzien van dagplaatsen en standwerkersplaatsen
                        zal echter eerder worden overgegaan tot bestuursdwang of onmiddellijke
                        verwijdering op grond van artikel 10.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Hoewel wettelijke grondslag ontbreekt voor intrekking van
                        standplaatsvergunning, mag het college deze vergunning intrekken wegens een
                        administratieve fout, mits hierbij algemene beginselen van behoorlijk
                        bestuur in acht worden genomen. In casu was de intrekking niet in strijd met
                        deze beginselen. (ABRS 12 december 2001, JB 2002, 27 m.nt. C.L.G.F.H.)</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al>In artikel 8 worden de gronden genoemd op basis waarvan een vergunning voor
                        een vaste standplaats kan worden ingetrokken of geschorst. De zinsnede
                        ‘Onverminderd het bepaalde in artikel 7’ geeft aan dat ook de intrekking op
                        grond van artikel 7 een punitieve sanctie is. Er is sanctiebeleid
                        vastgesteld waarin wordt aangegeven in welke gevallen de vergunning wordt
                        geschorst dan wel ingetrokken.</al><al>Het artikel heeft een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden
                        af of tot intrekking of schorsing wordt overgegaan.</al><al>In onderdeel c wordt ervan uitgegaan dat het niet betalen van marktgeld een
                        grond kan zijn voor intrekking of schorsing van een standplaatsvergunning
                        voor de markt. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
                        van State van 29 juli 1999 (JG 99.0184 m.nt. M. Geertsema) inzake het hoger
                        beroep van S. Gonesh tegen de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 6
                        november 1998, vormt naar ons inzicht voldoende basis om deze intrekkings-
                        of schorsingsgrond in de verordening op te nemen. De Afdeling overwoog in
                        deze zaak dat ingevolge de Verordening op de straathandel van de gemeente
                        Amsterdam een vergunning voor een vaste standplaats kan worden ingetrokken
                        ‘wegens het niet voldoen aan verplichtingen die voor de vergunninghouder
                        voortvloeien uit de voor die markt geldende heffingsverordening’. Het stond
                        tussen partijen vast dat Gonesh ten tijde van het nemen van de beslissing op
                        bezwaar reeds gedurende langere tijd niet aan zijn uit de geldende
                        heffingsverordening voortvloeiende betalingsverplichtingen had voldaan. Het
                        dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuidoost van de gemeente Amsterdam kon
                        de aan Gonesh verleende vergunning derhalve intrekken.</al><al>Het moge duidelijk zijn dat deze intrekkings- of schorsingsgrond niet
                        lichtvaardig mag worden gebruikt. Het kan wel een oplossing bieden voor
                        (notoire) ‘wanbetalers’. Voor alle duidelijkheid wijzen wij erop dat deze
                        uitspraak zich naar ons inzicht alleen uitstrekt tot betalingsverplichtingen
                        op basis van publiekrechtelijke regelingen. De vraag of intrekking of
                        schorsing ook mogelijk is bij het niet nakomen van privaatrechtelijke
                        betalingsverplichtingen (huur of pacht) blijft in deze uitspraak
                        onbeantwoord.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr="·"><al>ABRS 15 augustus 2001, JU 021011. Terechte voorwaardelijke
                                tijdelijke schorsing van marktstandplaats wegens overtreding van
                                Reglement warenmarkten Den Haag. Standplaatshouder is tevoren
                                diverse malen gewaarschuwd. Opgelegde sanctie is niet onevenredig
                                zwaar. Schorsingsregime is niet onverbindend wegens strijd met art.
                                156 Gemeentewet.</al></li><li nr="·"><al>Vz. Rb.‘s-Gravenhage 28 maart 2007, LJN: BA2568, AWB07/2195.
                                Schorsing van de marktvergunning in verband met vermeende bedreiging
                                van een medewerker van de Dienst Stadsbeheer. Van in een
                                telefoongesprek gebruikte bedreiging kan niet worden gezegd dat het
                                belang van de openbare orde van de makrt in het geding was. In casu
                                staat de schorsing niet in redelijke verhouding tot de gedane
                                uitlatingen.</al></li><li nr="·"><al>ABRS 30 maart 2001, AB 2001, 189 m.nt. L.D. De intrekking van een
                                standplaatsvergunning op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam voor een
                                week is een maatregel met een punitief karakter die door de rechter
                                op zijn evenredigheid dient te worden getoetst, doch de enkele
                                omstandigheid dat de strafrechter betrokkene een taakstraf heeft
                                opgelegd, leidt niet tot het oordeel dat het bestuursorgaan reeds
                                daarom niet tot het opleggen van een maatregel mocht overgaan. De
                                opgelegde maatregel moet zelfstandig op evenredigheid worden
                                beoordeeld. De Afdeling neemt voor dat oordeel mede in aanmerking
                                dat het bestuursorgaan een eigen taak heeft bij het handhaven van de
                                rust en orde op de markt. Niet kan worden gezegd dat deze maatregel
                                niet in een redelijke verhouding staat tot het wangedrag. Het geven
                                van slechts een waarschuwing staat niet alleen niet in verhouding
                                tot de ernst van de overtreding, maar maakt ook de handhaving van de
                                verordening illusoir.</al></li><li nr="·"><al>Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning in te trekken
                                of te schorsen, dient het daarbij te letten op het bepaalde in
                                artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht. Zie Rechtbank
                                Amsterdam 17 februari 1994, JB (1994) 58, inzake intrekken zonder
                                horen ex artikel 4:8 Awb.</al></li><li nr="·"><al>Rb. Middelburg 1 september 2005, LJN: AU5267, AWB 04/932. Schorsing
                                kan als een punitieve sanctie worden aangemerkt. Dit brengt met zich
                                mee dat ten aanzien van de relevante feiten die aan de
                                waarschuwingen ten grondslag liggen hoge eisen worden gesteld, zoals
                                een deugdelijk sanctiebeleid.</al></li><li nr="·"><al>ABRS 8 september 2004 , LJN: AQ9962, rolnr: 200308336/1.
                                Waarschuwingen al dan niet mondeling, gebaseerd op een op schrift
                                gesteld en bekend gemaakt sanctiesysteem, worden aangemerkt als
                                besluiten in de zin van de Awb.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</titel></kop><al>In artikel 8 is de intrekking of schorsing van een vergunning voor een vaste
                        standplaats geregeld. Intrekking of schorsing ligt uiteraard minder voor de
                        hand bij niet-vaste standplaatsen, maar in de praktijk is het van belang
                        gebleken om naast de bevoegdheid tot onmiddellijke verwijdering (artikel 10)
                        ook een vergunninghouder van een dagplaats of standwerkersplaats langduriger
                        van de markt te kunnen verwijderen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen
                        indien een vergunninghouder voor een vaste standplaats op de vuist gaat met
                        een dagplaatshouder of standwerker.</al><al>In dit artikel 9 is dan ook de mogelijkheid opgenomen om in de daarin
                        genoemde gevallen de vergunninghouder voor een redelijke termijn uit te
                        sluiten van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats. In de
                        beschikking tot uitsluiting moet worden aangegeven om hoeveel dagen het gaat
                        (maximaal vier) en om welke concrete dagen.</al><al>Het in onderdeel d genoemde kan worden opgenomen ter bestraffing van
                        niet-betalende dagplaatshouders of standwerkers. Zie verder de toelichting
                        onder artikel 8, onderdeel c.</al><al>Het college heeft een sanctiebeleid vastgesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Onmiddellijke verwijdering</titel></kop><al>In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat ter uitvoering van wetten,
                        algemene maatregelen van bestuur en provinciale en gemeentelijke
                        verordeningen het gemeentebestuur de bevoegdheid heeft om bestuursdwang toe
                        te passen. Dit artikel bevat voor het college de bevoegdheidsgrondslag om
                        bestuursdwang toe te passen bij overtreding van de marktverordening en de
                        daarop gebaseerde voorschriften. In de artikelen 5:21 tot en met 5:31c van
                        de Awb worden regels over de besluitvorming omtrent het opleggen van een
                        last onder bestuursdwang (en dwangsom (art. 5:31d t/m 5:39 awb) gegeven. De
                        in artikel 10 geregelde onmiddellijke verwijdering is een vorm van
                        bestuursdwang, waarbij de spoedeisendheid als bedoeld in artikel 5:24, zesde
                        lid, van de Awb wordt verondersteld. Achteraf dient dan het besluit tot het
                        toepassen van bestuursdwang op papier te worden gesteld. Van deze
                        bevoegdheid dient uiteraard alleen in zeer spoedeisende gevallen gebruik te
                        worden gemaakt. Overigens is in artikel 5:23 van de Awb geregeld dat de
                        bepalingen over bestuursdwang niet van toepassing zijn indien wordt
                        opgetreden ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde.</al><al>Op grond van artikel 4:8 van de Awb dienen belanghebbenden bij toepassing
                        van artikel 10 in beginsel in de gelegenheid te worden gesteld hun
                        zienswijze (mondeling dan wel schriftelijk) kenbaar te maken. Artikel 4:11
                        Awb bepaalt dat dit horen niet nodig is in spoedeisende situaties.</al><al>Onderdeel c is gewijd aan de niet-actieve standwerker. Duidelijk kwam in het
                        COM de wens naar voren om dergelijke ‘verkapte stille kramers’ aan te kunnen
                        pakken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Ten aanzien van de in artikel 11 opgenomen strafbepaling geldt dat van
                        overtreding alleen sprake kan zijn indien de verordening een ge- of
                        verbodsnorm (een verplichtende norm) inhoudt. Tegen overtredingen van de in
                        deze verordening opgenomen bepalingen, alsmede tegen handelingen die de orde
                        op de markt op enigerlei wijze kunnen verstoren, verdient voor wat de
                        organisatie betreft een administratieve afhandeling de voorkeur.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al><cursief>In artikel 5:11 van de Awb wordt aangegeven dat onder
                            toezichthouder wordt verstaan: een natuurlijk persoon, die bij of
                            krachtens een wettelijk voorschrift is belast met het houden van
                            toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                            voorschrift. Een persoon die aangewezen is als toezichthouder beschikt
                            in beginsel over alle in afdeling 5.2 van de Awb opgenomen bevoegdheden.
                            Op grond van artikel 5:14 van de Awb kunnen deze bevoegdheden bij
                            verordening of bij besluit van het college worden beperkt.
                            </cursief><cursief>In dit verband is tevens artikel 5:16a van de Awb van
                            belang. Hierin staat beschreven dat een
                            t</cursief><cursief>oezichthouder bevoegd is van personen inzage te
                            vorderen van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                            op de identificatieplicht.</cursief></al><al>Het ligt voor de hand de marktmeester als toezichthouder aan te wijzen. Door
                        toevoeging van de marktmeester is verzekerd dat deze na beëdiging als
                        opsporingsambtenaar kan fungeren.</al><al>Een bepaling over buitengewone opsporingsambtenaren is overbodig en in
                        strijd met Aanwijzing 92 van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving.
                        Immers, in artikel 142, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van
                        Strafvordering, is onder meer bepaald dat met de opsporing van strafbare
                        feiten als buitengewoon opsporingsambtenaar zijn belast de personen die
                            <cursief>bij </cursief>verordeningen zijn belast met het toezicht op de
                        naleving daarvan, een en ander voor zover het die feiten betreft en de
                        personen zijn beëdigd. Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun
                        aanwijzing aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen, is een nadere
                        regeling niet nodig. De aanwijzing als toezichthouder op grond van artikel
                        26 is de grondslag voor de aanwijzing als buitengewoon opsporingsambtenaar.
                        De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone opsporingsambtenaren beperkt
                        zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder zijn. Zij dienen op grond van
                        het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar aan eisen van vakbekwaamheid en
                        betrouwbaarheid te voldoen en te zijn beëdigd door de
                        procureur-generaal.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de verordening
                        in werking treedt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al>Een overgangsregeling als hier opgenomen, achten wij noodzakelijk voor de
                        rechtszekerheid van de betrokkenen. Het is van belang oude rechten te
                        eerbiedigen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al> Voor algemeen verbindende voorschriften is de regeling uit artikel 142 van
                        de Gemeentewet van toepassing . Deze bepaalt dat alle verordeningen in
                        werking treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip
                        daarvoor is aangewezen.</al><al>Het is ook geoorloofd in de verordening te bepalen dat de dag van
                        inwerkingtreding door het college van burgemeester en wethouders zal worden
                        vastgesteld. Daarom is bepaald dat de verordening in werking
                        treedt de dag na bekendmaking.</al><al>De marktverordening is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding
                        waarvan straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze
                        bekendgemaakt als alle overige besluiten van het gemeentebestuur die
                        algemeen verbindende voorschriften inhouden (artikel 139 Gemeentewet). Wel
                        is van belang dat de gemeente gehouden is dit besluit mee te delen aan het
                        parket van het arrondissement waarin de gemeente is gelegen (artikel 143
                        Gemeentewet).</al><al>In verband met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht is het uiteraard
                        niet mogelijk aan de bepalingen van een strafvordering terugwerkende kracht
                        te verlenen.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Het besluit van de raad tot vaststelling van de Marktverordening is terecht
                        aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift waartegen ingevolge art.
                        8:2, aanhef en onder a, van de Awb geen beroep en daaraan voorafgaand
                        bezwaar openstaat. (ABRS 21 augustus 2000, AB 2001, 345 m.nt. L.D.)</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In de citeertitel wordt een jaartal opgenomen om de betrokken regeling te
                        onderscheiden van de voorgaande regeling.</al></divisie><divisie><kop><titel>marktreglement behorende bij marktverordening Diemen 2012</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen;</al><al>gelet op artikel 160, eerste lid sub h, van de Gemeentewet, artikel 3 van de
                        Marktverordening Diemen 2012 en de Algemene wet bestuursrecht;</al><al>overwegende dat het wenselijk is nadere regels te stellen met betrekking tot
                        uitvoering van de marktverordening en een ordelijk verloop van de
                        markt;</al><al>B E S L U I T:</al><al>vast te stellen de volgendenadere regels voor de weekmarkt in de
                        gemeente Diemen</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>De in artikel 1 van de Marktverordening Diemen 2012 gegeven
                        begripsomschrijvingen zijn van overeenkomstige toepassing op deze nadere
                        regels.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Bepalingen over vergunningen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inhoud vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al>1. Een vaste standplaatsvergunning vermeldt in ieder geval:</al><al>a. de naam en voornamen, de geboortedatum en -plaats, het adres en de
                        woonplaats van de vergunninghouder;</al><al>b. een duidelijke omschrijving van de toegewezen vaste standplaats met
                        vermelding van het nummer en de afmetingen daarvan;</al><al>c. de kraam of andere verkoopmaterialen die de vergunninghouder bij het
                        innemen van de standplaats mag gebruiken;</al><al>d. het soort artikelen dat de vergunninghouder mag verhandelen of de branche
                        waartoe de vergunninghouder behoort;</al><al>e. de datum waarop aan de vergunninghouder voor het eerst vergunning is
                        verleend en zijn volgnummer op de anciënniteitlijst;</al><al>f. dat de vergunninghouder zelf zorg draagt voor de inzameling en afvoer van
                        zijn afval en dat hij zijn standplaats schoon oplevert;</al><al>g. de wijze waarop de vergunninghouder zijn elektriciteit betrekt;</al><al>h. welke geluidsapparatuur op de standplaats is toegestaan;</al><al>i. welke kook-, bak- en verwarmingsapparatuur zijn toegestaan;</al><al>j. dat de kosten voor het gebruik van de gemeentelijke stroomkasten aan de
                        gebruiker</al><al> worden doorbelast.</al><al>2. Aan de vergunning wordt een gewaarmerkte kopie van een geldig
                        verblijfsdocument ter identificatie gehecht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inschrijving op de anciënniteitlijst</titel></kop><al>Vergunninghouders van vaste standplaatsen worden ingeschreven op een
                        doorlopend genummerde lijst met vermelding van en in volgorde van de datum
                        waarop aan hen voor het eerst een vaste standplaats is toegewezen. Bij deze
                        inschrijving wordt tevens vermeld de soort artikelen die de vergunninghouder
                        mag verhandelen of de branche waartoe hij behoort.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Inschrijving op de wachtlijst</titel></kop><al>1. Het college schrijft de aanvrager op zijn verzoek in op de wachtlijst,
                        indien hij voldoet aan de in artikel 5 van de Marktverordening Diemen 2012
                        gestelde vereisten, maar aan hem geen vaste standplaats kan worden
                        toegewezen.</al><al>2. Het college vermeldt bij de inschrijving in ieder geval:</al><al>a. het burgerservicenummer, de naam en voornamen, de geboortedatum en
                        -plaats, het adres en de woonplaats van de aanvrager;</al><al>b. de datum waarop de aanvraag door hem is ontvangen;</al><al>c. de soort artikelen die de aanvrager wil verhandelen of de branche waartoe
                        hij behoort;</al><al>d. de kraam of andere verkoopmaterialen die de aanvrager wil gebruiken en de
                        afmetingen hiervan.</al><al>3. Het college verstrekt de aanvrager een schriftelijk bewijs van
                        inschrijving.</al><al>4. De inschrijving op de wachtlijst is na het voldoen van de voor de
                        inschrijving vereiste leges, voor onbeperkte duur.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Doorhalen van inschrijving op wachtlijst</titel></kop><al>De inschrijving op de wachtlijst wordt doorgehaald:</al><lijst><li nr="a."><al>op schriftelijk verzoek van de ingeschrevene;</al></li><li nr="b."><al>bij overlijden van de ingeschrevene;</al></li><li nr="c."><al>wanneer aan de ingeschrevene een vergunning voor een vaste
                                standplaats is verleend, tenzij hij deze op grond van bijzondere
                                omstandigheden niet aanvaardt;</al></li><li nr="d."><al>indien niet meer aan de vereisten van artikel 5 van de
                                Marktverordening Diemen 2012 wordt voldaan.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Volgorde toewijzing vaste standplaatsen</titel></kop><al>Indien voor de toewijzing van een beschikbare vaste standplaats meerdere
                        verzoeken in aanmerking komen, wordt de standplaats achtereenvolgens
                        toegewezen aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunninghouder van een vaste standplaats die aan het college
                                schriftelijk de wens te kennen heeft gegeven van standplaats te
                                willen veranderen, in volgorde van plaatsing op de
                                anciënniteitlijst;</al></li><li nr="b."><al>degene die zich op de wachtlijst heeft laten inschrijven, in
                                volgorde van inschrijving op deze lijst.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Overschrijving vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al>1. In geval van overlijden of , blijvende arbeidsongeschiktheid van de
                        vergunninghouder kan de vaste standplaatsvergunning worden overgeschreven op
                        de echtgenoot, de geregistreerde partner of een andere achterblijvende
                        persoon met wie hij duurzaam samenwoonde.</al><al>2. Indien de vergunning niet kan worden overgeschreven op grond van het
                        eerste lid, kan de vergunning worden overgeschreven op een kind van de
                        vergunninghouder of een medewerk(st)er van de vergunninghouder die tenminste
                        twee jaar in loondienst van het marktbedrijf van de vergunninghouder heeft
                        gewerkt of gedurende eenzelfde periode als mede-eigenaar in dit bedrijf
                        heeft gefunctioneerd en zich heeft laten inschrijven op de wachtlijst.</al><al>3. Een aanvraag tot overschrijving wordt ingediend binnen twee maanden na
                        het overlijden van de vergunninghouder, of nadat de blijvende
                        arbeidsongeschiktheid is vastgesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Toewijzing dagplaats</titel></kop><al>1. Toewijzing van een dagplaats geschiedt door afgifte van een vergunning
                        namens het college op het moment dat een standplaats niet als vaste
                        standplaats wordt ingenomen.</al><al>2. De op een marktdag vrijgekomen dagplaats wordt, indien er meer gegadigden
                        zijn dan dagplaatsen, volgens loting toegewezen aan de gegadigden die zich
                        daarvoor op de dag zelf vóór 07.30 uur aanmelden bij de marktmeester.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Toewijzing standwerkersplaats</titel></kop><al>1. Indien er meer standwerkers zijn dan standwerksplaatsen, wijst het
                        college een standwerkersplaats toe door middel van loting, welke plaatsvindt
                        om 07.30 uur.</al><al>2. Indien een standwerker zich wil doen bijstaan, meldt hij dit vooraf aan
                        de marktmeester onder vermelding van de naam van degene die hem zal
                        bijstaan. Degene die hem zal bijstaan, mag niet op eigen naam deelnemen aan
                        de loting.</al><al>3. Als er geen gegadigden zijn voor een standwerkersplaats dan kan deze
                        standwerkersplaats als dagplaats worden ingenomen krachtens het bepaalde in
                        artikel 8,</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Bepalingen over het gebruik van de standplaats</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Persoonlijk innemen standplaats; bijstand</titel></kop><al>1. De vergunninghouder is persoonlijk verantwoordelijk voor de aan de
                        vergunninghouder toegewezen vaste standplaats.</al><al>2. De vergunninghouder neemt bij voorkeur de toegewezen vaste standplaats
                        persoonlijk in. Onder persoonlijk innemen wordt mede verstaan familie in de
                        eerste graad.</al><al>3. De vergunninghouder kan een met name genoemd persoon machtigen om namens
                        de vergunninghouder de vaste standplaats in te nemen. Deze persoon dient te
                        voldoen aan de in artikel 5 van de Marktverordening Diemen 2012 gestelde
                        eisen.</al><al>4. De machtiging geschiedt op een door ons vastgesteld formulier en dient
                        tenminste 1 dag voordat van de machtiging gebruik wordt gemaakt, te zijn
                        ingediend bij de gemeente.</al><al>5. De gemachtigde handelt overeenkomstig artikel 11 van dit reglement
                        ingeval deze omstandigheden zich voordoen </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Afwezigheid wegens vakantie of bijzondere omstandigheden</titel></kop><al>1. De vergunninghouder van een vaste standplaats dan wel de gemachtigde die
                        wegens vakantie of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn vaste
                        standplaats in te nemen, deelt dit zo spoedig mogelijk mee aan de
                        marktmeester(bv.via telefoon, SMS of e-mail). Tevens geeft de
                        vergunninghouder aan hoe lang de afwezigheid duurt.</al><al>2. De marktmeester vermeldt de afwezigheid, inclusief de reden en duur, in
                        het dagrapport.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Legitimatie en identiteit vergunninghouder of gemachtigde</titel></kop><al>1. Degene die een standplaats op de markt inneemt of wenst in te nemen,
                        dient op eerste aanvraag van de marktmeester aan te tonen dat hij de
                        vergunninghouder is.</al><al>2. Degene die de vaste standplaats inneemt als gemachtigde als bedoeld in
                        artikel 10, lid 3 van dit reglement, dient op eerste aanvraag van de
                        marktmeester aan te tonen dat hij de gemachtigde is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tijdstip innemen standplaats/aan- en afvoer goederen</titel></kop><al>1. De weekmarkt vindt plaats op woensdagen van 09.00 uur tot 15.00 uur.</al><al>2. Het is verboden voor vergunninghouders of gemachtigden op het
                        marktterrein meer dan drie uur voor aanvang en meer dan twee uur na afloop
                        van de markt met een voertuig, goederen of anderszins ruimte in te nemen of
                        goederen aan of af te voeren.</al><al>3. De vergunninghouder of gemachtigde is verplicht zijn standplaats tot de
                        sluitingstijd van de markt met een representatieve uitgestalde voorraad
                        verkoopwaar te blijven innemen.</al><al>4. Indien de vergunninghouder of de gemachtigde zijn vaste standplaats niet
                        uiterlijk om 08.00 uur heeft ingenomen, wordt de desbetreffende standplaats
                        voor die dag als dagplaats aangemerkt, tenzij de marktmeester de standplaats
                        van de vergunninghouder voor hem beschikbaar houdt.</al><al>5. Een voertuig mag alleen onderdeel uitmaken van de standplaats indien dit
                        voor de directe uitvoering van de verkoopactiviteiten noodzakelijk is en
                        past binnen de afmetingen van de standplaats. Het voertuig dient dan
                        onderdeel uit te maken van de vaste standplaatsvergunning.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Aantal keren innemen standplaats</titel></kop><al>1. De vergunninghouder mag maximaal 4 keer per kalenderjaar met gegronde
                        redenen afwezig zijn.</al><al>2. In bijzondere gevallen kan het college op schriftelijk en gemotiveerd
                        verzoek van de vergunninghouder hiervan afwijken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Verboden waar</titel></kop><al>1. Het is verboden op het marktterrein tijdens de duur van de markt met
                        goederen of waren ten verkoop rond te lopen of te rijden, muziek ten gehore
                        te brengen, dan wel om handelsreclame te verspreiden.</al><al>2. Het is verboden tweedehandsartikelen (met uitzondering van boeken en
                        tijdschriften) en sexartikelen op de weekmarkt te verkopen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Eisen brandveiligheid</titel></kop><al>1. Kramen en stands dienen minimaal drie meter uit een gevel met deur en
                        raamopeningen te worden opgesteld. Voor kramen met een inrichting voor
                        bakken, braden of verwarmen bedraagt deze afstand vijf meter.</al><al>2. Kramen met een inrichting voor bakken, braden en verwarmen mogen niet
                        worden opgesteld onder luifels of markiezen.</al><al>3. De hoge flat en de ingangen van het winkelcentrum dienen bereikbaar te
                        zijn voor de brandweer. Hierdoor dient een breedte van 3,5 meter te worden
                        vrijgehouden, gemeten uit de luifel.</al><al>4. De zij-ingang van het winkelcentrum is tevens een nooduitgang, hetgeen
                        inhoudt dat in de nabijheid van de zij-ingang geen kramen mogen worden
                        opgesteld.</al><al>5. Uitstallingen van marktwaar zijn slechts toegestaan indien deze
                        uitstallingen binnen de afmetingen van de luifel worden geplaatst. </al><al>6. Tussen de luifels dient een minimale afstand van 1,50 meter aangehouden
                        te worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Niet doorgaan / beëindigen markt</titel></kop><al>De burgemeester is bevoegd om de markt niet door te laten gaan dan wel
                        onmiddellijk te beëindigen indien:</al><lijst><li nr="1."><al>Een calamiteit of een verstoring van de openbare orde, veiligheid of
                                gezondheid op of in de onmiddellijke nabijheid van het marktterrein
                                zich voordoet;</al></li><li nr="2."><al>Er sprake is van weersomstandigheden die de veiligheid van
                                marktkooplieden en bezoekers in gevaar kunnen brengen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit reglement treedt in werking de dag nadat de marktverordening Diemen 2012
                        in werking is getreden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit reglement wordt aangehaald als: Marktreglement Diemen 2012.</al><al>Diemen, 10 januari 2012</al><al>Het college van de gemeente Diemen</al><al>de secretaris de burgemeester</al></divisie><divisie><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>In verband met de behoefte aan duidelijker en eenvoudiger regels is er voor
                        gekozen om de marktverordening af te slanken, in die zin dat de
                        kaderstellende bevoegdheden van de raad en de uitvoerende bevoegdheden van
                        onder andere het college uit elkaar zijn getrokken.</al><al>De raad geeft het college op grond van artikel 3 van de marktverordening de
                        bevoegdheid nadere regels te stellen. Met dit reglement wordt hieraan
                        invulling gegeven. Getracht wordt om hiermee een duidelijk handvat aan te
                        reiken voor de marktmeesters. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Aangezien het reglement feitelijk een uitwerking is van artikel 3 van de
                        marktverordening , is het wenselijk de gehanteerde begrippen hierbij aan te
                        laten sluiten.</al><al>In de verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>markt: de door het college ingestelde warenmarkt;</al></li><li nr="b."><al>standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen
                                voor het uitoefenen van de markthandel;</al></li><li nr="c."><al>vaste standplaats: de standplaats die voor onbepaalde tijd ter
                                beschikking is gesteld aan een vergunninghouder;</al></li><li nr="d."><al>dagplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt
                                gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste
                                standplaats is toegewezen dan wel ingenomen;</al></li><li nr="e."><al>standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om
                                zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende
                                uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een
                                artikel;</al></li><li nr="f."><al>standwerkersplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking
                                wordt gesteld om te standwerken;</al></li><li nr="g."><al>vergunninghouder: degene aan wie door het college vergunning is
                                verleend voor het innemen van een standplaats;</al></li><li nr="h."><al>wachtlijst: de lijst van gegadigden voor een vaste standplaats;</al></li><li nr="i."><al>anciënniteitlijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste
                                standplaats;</al></li><li nr="j."><al>marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het
                                college;</al></li><li nr="k."><al>brancheringslijst: een lijst met artikelengroepen of branches.</al></li></lijst><al>Onder c is het begrip vaste standplaats opgenomen. Door gebruik van het
                        woord ‘persoon’ in plaats van het begrip ‘ambtenaar’ bij de
                        begripsomschrijving van marktmeester onder j kan een niet-ambtenaar ook tot
                        marktmeester worden aangewezen. Bij aanwijzing (= mandaat) van een
                        niet-ondergeschikte dient deze (en zijn werkgever) in te stemmen met de
                        mandaatverlening overeenkomstig artikel 10:4 van de Awb.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Bepalingen over vergunningen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inhoud vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al>In dit artikel wordt weergegeven welke onderdelen een vaste
                        standplaatsvergunning ten minste weergeeft.</al><al>Onder het eerste lid, onderdeel a, is expliciet opgenomen dat naam én
                        voornamen van de vergunninghouder in de vergunning worden opgenomen. Dit
                        vergemakkelijkt de identificatie van de vergunninghouder. Ook de eis van het
                        tweede lid dient dit laatste doel.</al><al>Onder een duidelijke omschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt
                        bij voorkeur gedacht aan een tekening of plattegrond waarop de afmetingen
                        van de standplaatsen en de nummering daarvan zijn aangegeven.</al><al>Ingevolge het vermelde onder c worden in de vergunning de verkoopmaterialen
                        (kramen, tafels, (verkoop)wagens en dergelijke) opgesomd die de
                        vergunninghouder bij het innemen van de standplaats mag gebruiken. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inschrijving op de anciënniteitlijst</titel></kop><al>De anciënniteitlijst voorkomt dat reeds gevestigde vergunninghouders achter
                        worden gesteld bij nieuwkomers. Voor alle duidelijkheid zouden alle
                        vergunninghouders schriftelijk kunnen worden bericht hoe ze zijn
                        ingeschreven op deze lijst. Immers, indien volgens het overgangsrecht
                        bestaande vergunningen van kracht blijven onder de nieuwe verordening, is
                        uit deze vergunningen niet de positie op de lijst af te lezen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Inschrijving op de wachtlijst</titel></kop><al>Voor het goed functioneren van de markt is een goede registratie van de
                        marktkooplieden noodzakelijk. De wachtlijst is bedoeld voor die personen die
                        graag een vaste standplaats op de markt willen verwerven, maar aan wie op
                        het moment dat zij de aanvraag doen geen standplaats kan worden toegewezen.
                        In de marktverordening is niet gekozen voor een zogenaamd meeloopsysteem.
                        Dit systeem heeft als nadeel dat een gegadigde zich iedere keer moet melden
                        zonder dat hij de zekerheid heeft, dat hij op de markt kan staan. Dit kan
                        problemen opleveren bij verse, bederfelijke waren.</al><al>Om rechtszekerheid aan de aanvrager te verschaffen, is het gewenst dat hij
                        van zijn inschrijving als gegadigde voor een vaste standplaats een
                        schriftelijk bewijs krijgt. De jaarlijkse verlenging van de inschrijving op
                        de wachtlijst is komen te vervallen in verband met administratieve
                        lastenverlichting voor zowel de ondernemer als de gemeentelijke organisatie.
                        Bij het indienen van een verzoek om een vaste standplaats kan op het
                        aanvraagformulier tegelijk aangegeven worden dat, ingeval van weigering van
                        het verzoek (in verband met strijd met het bepaalde in de marktverordening
                        of in verband met de inrichting van de markt en/of de branche-indeling),
                        verzocht wordt om plaatsing op de wachtlijst. De plaatsing op de wachtlijst
                        is voor onbepaalde tijd. Ook de jaarlijkse leges voor handhaving op de
                        wachtlijst komen te vervallen. Hiervoor in de plaats is een eenmalig, iets
                        hoger legesbedrag verschuldigd.</al><al>Aangezien bij het indienen van een verzoek ook het burgerservicenummer wordt
                        opgegeven, is op basis van dit nummer verzoeker (ook na jaren) te
                        achterhalen.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr="·"><al>ABRS 15 oktober 1997, jbMarkten bladzijde 41, inzake bepalendheid
                                datum van inschrijving;</al></li><li nr="·"><al>ABRS 27 april 1992, AB (1992) 446, inzake verloting van vrijgekomen
                                standplaats bij gering verschil in data van inschrijving;</al></li><li nr="·"><al>ABRS 23 juli 2003, LJN: AI0277, inzake de wachtlijstregeling. De in
                                de marktverordening neergelegde wachtlijstregeling is gekoppeld aan
                                de persoonsgebonden vergunning. De standplaats dient door de
                                vergunninghouder persoonlijk te worden ingenomen.)</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Doorhalen van inschrijving op wachtlijst</titel></kop><al>In dit artikel worden de dwingende redenen genoemd waarom een gegadigde voor
                        een vaste standplaats van de wachtlijst dient te worden gehaald. Bij
                        bijzondere omstandigheden valt b.v. te denken aan een (tijdelijke) ziekte,
                        opleiding of een mogelijke wijziging / uitbreiding van de
                        bedrijfsactiviteiten. </al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr="·"><al>ABRS 17 augustus 1995, GS (1996) 7037, 5 m.nt. C.P.J. Goorden,
                                inzake onbevoegde doorhaling van de wachtlijst;</al></li><li nr="·"><al>ABRS 26 juli 2006, LJN: AU5086. Inschrijving op de wachtlijst is
                                komen te vervallen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Volgorde toewijzing vaste standplaatsen</titel></kop><al>In dit artikel is de volgorde van toewijzing van vaste standplaatsen op de
                        markt geregeld. Aangezien niet alle standplaatsen dezelfde mogelijkheden
                        bieden, is het redelijk dat in eerste aanleg aan vergunninghouders van een
                        vaste standplaats de gelegenheid wordt geboden een naar hun oordeel betere
                        standplaats te verkrijgen. Na hen kunnen de ingeschrevenen op de wachtlijst
                        in de gelegenheid worden gesteld een keuze te doen uit de dan nog
                        beschikbare standplaatsen. De volgorde van inschrijving op de wachtlijst van
                        deze personen is hierbij bepalend, waarbij wordt uitgegaan van het moment
                        van inschrijving van het lopende jaar. Indien het college een
                        branche-indeling heeft vastgesteld, zal hiermee bij de toewijzing van vaste
                        standplaatsen rekening dienen te worden gehouden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Overschrijving vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al>Komt een vergunninghouder te overlijden of wordt hij blijvend
                        arbeidsongeschikt, dan moet het op sociale overwegingen gerechtvaardigd
                        worden geacht, dat zijn vergunning voor een vaste standplaats op de
                        achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner (als bedoeld in
                        artikel 1:80a van het Burgerlijk Wetboek) of een andere achterblijvende
                        persoon met wie hij duurzaam samenwoonde kan worden overgeschreven. In het
                        eerste lid is vastgelegd dat de echtgenoot en de daarmee gelijkgestelde
                        partners recht hebben op de vaste standplaats van de vergunninghouder.</al><al>Een kind van de vergunninghouder dat voldoet aan de in het tweede lid
                        gestelde eisen heeft recht op een vaste standplaats op de markt. Bij de
                        actualisatie van de verordening en het opstellen van het reglement in 2011
                        is de mogelijkheid gehandhaafd, dat de vergunning ook op een medewerk(st)er
                        kan worden overgeschreven. Dit omdat het tegenwoordig niet meer
                        vanzelfsprekend is dat een kind het bedrijf van zijn ouders voort wil zetten
                        en het in de praktijk wenselijk bleek dat deze mogelijkheid ook voor
                        medewerkers werd geboden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Toewijzing dagplaats</titel></kop><al>De in het eerste lid vereiste vergunning wordt door de marktmeester in
                        mandaat schriftelijk verleend.</al><al>Het in het tweede lid vermelde uiterste tijdstip van melding bij de
                        marktmeester dient te worden gekoppeld aan het in artikel 13, vierde lid,
                        genoemde uiterste tijdstip voor het innemen van een vaste standplaats.</al><al>Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat de brancheringslijst niet geldt
                        voor dagplaatsen. Dit is in de Marktverordening Diemen 2012, artikel 2,
                        derde lid, geregeld. Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij de
                        marktverordening.</al><al>Hierbij merken wij op dat vanuit de marktcommissie verzocht is om rekening
                        te houden met de brancheringslijst. Dit kan echter in de praktijk de nodige
                        problemen opleveren met het vullen van de markt. Als er andere branches
                        zijn, dan zal hiervoor in de praktijk gekozen worden. Dit is echter niet
                        altijd het geval. Om de marktplaatsen wel bezet te krijgen (het
                        aantrekkelijk houden van de markt) kan het dan voorkomen dat eenzelfde
                        branche een dagplaats toegewezen krijgt. Praktijkervaring is overigens dat
                        een gegadigde voor een dagplaats zich zelden spontaan meldt. Als praktische
                        oplossing worden dan gegadigden benaderd die op de wachtlijst voor de
                        weekmarkt staan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Toewijzing standwerkersplaats</titel></kop><al>Wanneer standwerkersplaatsen worden toegewezen, is het gewenst dat dit zo
                        objectief mogelijk gebeurt om de bekende en de minder bekende standwerkers
                        een gelijke kans te geven. Daarom is in het eerste lid bepaald dat de
                        toewijzing geschiedt door loting indien er meer standwerkers zijn dan
                        standwerkersplaatsen.Ingeval van loting (hetgeen in de dagelijkse praktijk
                        weinig voorkomt) wordt voorrang gegeven aan de marktkooplieden van wie is
                        gebleken dat zij in de uitoefening van de markthandel uitsluitend en
                        daadwerkelijk als standwerker plegen op te treden.</al><al>Gebleken is dat een sterke behoefte bestaat aan uniforme en duidelijke
                        richtlijnen voor de toewijzing van standwerkersplaatsen, zowel bij de
                        marktbeheerders als bij de marktgebruikers, in het bijzonder bij de
                        standwerkers zelf.</al><al>Deze groep kooplieden heeft een eigen wijze van werken. Bij de benadering
                        van het publiek treden zij geheel anders op dan de zogenaamde stille
                        kramers. Zij verhogen de levendigheid van de markt en maken deze daardoor
                        aantrekkelijker voor het publiek.</al><al>Teneinde verstarring tegen te gaan en om te voorkomen dat de standwerker,
                        die jaar in jaar uit dezelfde plaats bezet, langzamerhand een stille kramer
                        zou worden, wordt het in het algemeen ongewenst geacht aan deze categorie
                        kooplieden vaste standplaatsen toe te wijzen. Dit standpunt wordt door de
                        officiële landelijke organisatie van standwerkers (Stibesta) steeds met klem
                        naar voren gebracht. Vooral ook omdat het werkterrein van de standwerkers
                        zich over het gehele land uitstrekt, is het voorts gewenst, dat de regels
                        voor de toewijzing van de standplaatsen aan deze bijzondere categorie
                        kooplieden op alle markten in Nederland zo veel mogelijk gelijkluidend
                        zijn.</al><al>Alhoewel in principe een scherpe scheiding tussen de voor de stille kramers
                        en de voor standwerkers bestemde standplaatsen dient te blijven bestaan, zal
                        het in sommige gevallen - in het belang van de markt dan wel uit
                        billijkheidsoverwegingen tegenover de betrokken kooplieden - niet van
                        overwegend bezwaar zijn, opengebleven standwerkersplaatsen aan stille
                        kramers toe te wijzen, met dien verstande, dat aan laatstbedoelde kooplieden
                        wordt duidelijk gemaakt, dat zij hieraan nimmer enig recht op de betreffende
                        standplaats zullen kunnen ontlenen. Tot toewijzing van dergelijke
                        standplaatsen aan stille kramers is alleen dan over te gaan, indien op de
                        markt beslist geen voor deze categorie kooplieden bestemde standplaatsen
                        meer beschikbaar zijn.</al><al>Belangrijk is voorts de in het tweede lid opgenomen mogelijkheid om als
                        koppel of duo een standwerkersplaats te kunnen betrekken. Uitdrukkelijk is
                        hierbij echter de voorwaarde gesteld dat een duo zich tevoren als zodanig
                        bij de marktmeester moet melden en dat een duo als één loting wordt
                        aangemerkt.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>ARRS 26 juli 1991, JG 92.0124 m.nt. van L.J.J. Rogier, inzake sanctioneren
                        van een standwerker.</al><al>In de dagelijkse praktijk melden zich nauwelijks standwerkers. Om te
                        voorkomen dat op de markt een lege (standwerkers)plaats blijft is het derde
                        lid opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Bepalingen over het gebruik van de standplaats</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Persoonlijk innemen standplaats; bijstand</titel></kop><al>Het CVAH ziet geen toegevoegde waarde meer in de eis van persoonlijk
                        aanwezig zijn van de vergunninghouder op de markt en ziet meer in het
                        persoonlijk verantwoordelijk zijn van de vergunninghouder voor zijn vaste
                        standplaats. Deze laatste opvatting wordt onderschreven. In lid 1 is deze
                        opvatting verwoord.</al><al>In artikel 10, tweede lid is nu bepaald dat de vergunninghouder <cursief>bij
                            voorkeur</cursief> verplicht is zelf op zijn standplaats aanwezig te
                        zijn. Hiermee is aangegeven dat de gemeente een duidelijke voorkeur heeft
                        dat de vergunninghouder zelf de vaste standplaats inneemt. Dit is echter
                        niet meer verplicht. Een ondernemer krijgt hierdoor de ruimte om personeel
                        (i.c. een gemachtigde) in te zetten op de vaste standplaats. Dit is in lid
                        3, 4 en 5 verder uitgewerkt. </al><al>De gemachtigde voert de verkoopactiviteiten uit namens de
                        vergunninghouder.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Afwezigheid wegens vakantie of bijzondere omstandigheden</titel></kop><al>In dit artikel worden de uitzonderingen gegeven op het uitgangspunt dat de
                        vergunninghouder of de gemachtigde zelf op de standplaats aanwezig dient te
                        zijn. Het is wel noodzakelijk dat de marktmeester van elke verhindering tot
                        marktbezoek snel en zo tijdig mogelijk op de hoogte wordt gesteld. Dit is
                        van belang voor vergunninghouders, bijvoorbeeld voor veilingbezoek, inkoop,
                        bezoek aan vergaderingen en overige bedrijfs- en sociale
                        verplichtingen.</al><al>Onder bijzondere omstandigheden wordt tevens ziekte van de vergunninghouder
                        verstaan. Een verplichting van de vergunninghouder om een geneeskundige
                        verklaring te overleggen is niet meer in de marktverordening opgenomen,
                        omdat de KNMG-artsenfederatie (de beroeporganisatie voor artsen) haar leden
                        ontraadt die informatievoorziening over hun patiënten te verstrekken. De
                        federatie hanteert het standpunt dat van de behandelend arts, die een
                        vertrouwensrelatie heeft met zijn patiënt, niet verwacht mag worden dat deze
                        een onbevooroordeeld advies uitbrengt. Er bestaat geen wettelijke basis op
                        grond waarvan het college de vergunninghouder zou kunnen verplichten een
                        geneeskundige keuring te ondergaan. Het college kan de vergunninghouder wel
                        aanbieden zich door bijvoorbeeld de GG&amp;GD of Arbodienst te laten
                        onderzoeken om zijn ziekte aan te tonen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Legitimatie en identiteit vergunninghouder of gemachtigde</titel></kop><al>In dit verband is artikel 5:16a van de Awb van belang. Hierin staat
                        beschreven dat een toezichthouder bevoegd is van personen inzage te vorderen
                        van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                        identificatieplicht.</al><al>Aan de verplichting om bij de standplaats duidelijk zichtbaar naam en
                        eventuele bedrijfsnaam aan te geven wordt in de dagelijkse praktijk
                        nauwelijks invulling gegeven. Om deze reden is deze verplichting niet meer
                        opgenomen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tijdstip innemen standplaats/aan- en afvoer goederen</titel></kop><al>Het marktterrein behoort tot de openbare weg. Teneinde het marktterrein
                        tijdens de markt vrij te maken van alle verkeer is een verkeersbesluit
                        genomen. Ten onrechte geparkeerde auto’s kunnen met toepassing van
                        bestuursdwang, op kosten van de eigenaars, van het marktterrein worden
                        verwijderd nog vóór de eigenlijke opbouw van de markt. De tijden waarop het
                        terrein beschikbaar moet zijn ten behoeve van de markt, zijn duidelijk
                        medegedeeld op de borden. </al><al>Het tweede lid maakt duidelijk dat het in het algemeen, in het belang van de
                        orde op de markt, de vergunninghouder niet kan worden toegestaan de markt op
                        willekeurige, vóór de sluitingstijd gelegen, momenten te verlaten. Het
                        tijdstip waarop het marktterrein verlaten moet zijn is met 1 uur verruimd
                        omdat in de praktijk hieraan behoefte bestaat.</al><al>Op grond van het vierde lid is het mogelijk dat over een vaste standplaats
                        beschikt kan worden ten gunste van een andere koopman, indien de
                        vergunninghouder de markt op een bepaalde dag niet bezoekt. Daartoe is
                        bepaald dat de vaste standplaats vóór een bepaald uur ingenomen moet
                        zijn.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Kantongerecht Maastricht 1 november 1995, PG (1996) 4450, inzake
                        schadevergoeding in verband met zorgplicht gemeente met betrekking tot het
                        autovrij maken van het marktterrein.</al><al>Het college is bevoegd een ontheffing op grond van de Wegenverkeerswet 1994
                        en het Reglement voor verkeerregels en verkeerstekens te verlenen. Het
                        college zal hiertoe alleen overgaan indien het noodzakelijk is dat een
                        aantal verkeersovertredingen in het belang van de markt moet worden begaan. </al><al>Vijfde lid:</al><al>Uitgangspunt is geen voertuigen op de markt. Hiervan kan worden afgeweken
                        als de verkoop noodzakelijkerwijs direct uit de wagen moet
                        plaatsvinden.</al><al>Het college beslist op verzoek om ontheffing na advies van de
                        marktcommissie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Aantal keren innemen standplaats</titel></kop><al>Dit artikel is opgenomen om continuïteit van bepaalde kramen op de weekmarkt
                        te kunnen garanderen. Het artikel zorgt ervoor dat de weekmarkt een vaste
                        uitstraling krijgt. </al><al>De afwezigheid kan b.v.ontstaan door ziekte, vakantie, overlijden van
                        partner of familielied, bijwonen symposium op vakgebied. </al><al>De in het tweede lid geboden mogelijkheid om van dit aantal af te wijken kan
                        bv. gelegen zijn in het volgen van een medisch noodzakelijke behandeling. Op
                        een gemotiveerd verzoek van de vergunninghouder beslist het college. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Verboden waar</titel></kop><al>De gemeente Diemen wil niet dat de in artikel 15 genoemde waren worden
                        verkocht op de weekmarkt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Eisen brandveiligheid</titel></kop><al><vet>De brandweer heeft een aantal eisen gesteld ten aanzien van het
                            marktplein en de indeling van de markt. Deze zijn in dit reglement
                            opgenomen. Bij de marktindeling is hier rekening mee gehouden. </vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Niet doorgaan / beëindigen markt</titel></kop><al>Dit artikel is toegevoegd. In de afgelopen jaren is het voorgekomen dat een
                        markt niet is doorgegaan door weersomstandigheden. </al><al>Het eerste lid spreekt voor zichzelf. </al><al>Het tweede lid ziet toe op bepaalde weersomstandigheden, zoals bv. (te
                        verwachten) zware wind of hevige sneeuwval in combinatie met gladde
                        wegen.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Voor wat betreft de inwerkingtreding van het reglement wordt logischerwijze
                        aansluiting gezocht bij de inwerkingtreding van de marktverordening, op
                        basis waarvan deze nadere regels zijn opgesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In de citeertitel wordt een jaartal opgenomen om het reglement te
                        onderscheiden van eventuele voorgaande reglementen.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>