<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR14768_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Marktverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De feanster</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Marktverordening gemeente Achtkarspelen 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-01-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2025-02-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Marktverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening op de warenmarkt(en) voor de gemeente Achtkarspelen
                        2009</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt
                        verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>markt: de door het college ingestelde warenmarkt;</al></li><li nr="b."><al>standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen
                                voor het uitoefenen van de markthandel;</al></li><li nr="c."><al>vaste standplaats: de standplaats die voor onbepaalde tijd ter
                                beschikking is gesteld aan een vergunninghouder;</al></li><li nr="d."><al>dagplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt
                                gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste
                                standplaats is toegewezen dan wel ingenomen;</al></li><li nr="e."><al>standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om
                                zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende
                                uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een
                                artikel;</al></li><li nr="f."><al>standwerkersplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking
                                wordt gesteld om te standwerken;</al></li><li nr="g."><al>vergunninghouder: degene aan wie door het college vergunning is
                                verleend voor het innemen van een standplaats;</al></li><li nr="h."><al>wachtlijst: de lijst van gegadigden voor een vaste standplaats;</al></li><li nr="i."><al>anciënniteitlijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste
                                standplaats;</al></li><li nr="j."><al>marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het
                                college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inrichting van de markt; branche-indeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt ten aanzien van de markt:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal standplaatsen;</al></li><li nr="b."><al>de afmetingen van de standplaatsen;</al></li><li nr="c."><al>de opstelling en indeling van de markt;</al></li><li nr="d."><al>welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en
                                    als standwerkersplaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan voor de markt vaststellen:</al><lijst><li nr="a."><al>een lijst met artikelengroepen of branches;</al></li><li nr="b."><al>een maximumaantal standplaatsen per branche.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al> Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in
                        deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een krachtens
                        deze verordening verleende vergunning of ontheffing, ter bescherming van de
                        belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.</al><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is
                        verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen in
                        acht te nemen. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>BEPALINGEN OVER VERGUNNINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Standplaatsvergunning</titel></kop><al>Het is verboden een
                        standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Vereisten</titel></kop><al>Voor toewijzing van een standplaats komt
                        uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de
                        leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft
                        ingediend bij het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Intrekking vaste
                            standplaatsvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in:</al><lijst><li nr="a."><al>op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;</al></li><li nr="b."><al>bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van
                                        artikel 7 van het marktreglement van de gemeente
                                        Achtkarspelen de vergunning wordt overgeschreven.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan een vastestandplaatsvergunning intrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                        gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in
                                        artikel 6 genoemde vereisten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 7 van het
                                marktreglement van de gemeente Achtkarspelen is overgeschreven,
                                reeds vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde
                                markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al>Onverminderd
                        het bepaalde in artikel 7 kan het college een vergunning voor een vaste
                        standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten
                        hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de
                        vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften
                                van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of</al></li><li nr="c."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt
                                geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</titel></kop><al> Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een
                        standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een
                        standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien
                        deze:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c."><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                standwerkersplaats;</al></li><li nr="d."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt
                                geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Onmiddellijke verwijdering</titel></kop><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college
                        een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen
                        indien hij:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften
                                van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c."><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                standwerkersplaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al> Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt
                        gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten
                        hoogste drie maanden en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van
                        de rechterlijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het
                        toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening
                        zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het college aangewezen
                        personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De
                        Marktverordening Achtkarspelen 1999, vastgesteld op 27 januari 2000, wordt
                        ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Besluiten van het college die genomen zijn krachtens de
                                Marktverordening Achtkarspelen 1999 gelden als besluiten genomen
                                krachtens deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning op grond van de Marktverordening
                                Achtkarspelen 1999 is ingediend en voor het tijdstip van
                                inwerkingtreding van deze verordening niet definitief op de aanvraag
                                is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al> Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij is
                        bekendgemaakt. <vet>Artikel 16. Citeertitel</vet> Deze verordening wordt
                        aangehaald als: Marktverordening gemeente Achtkarspelen 2009. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van ... [datum]. </ondertekening><ondertekening>De voorzitter, </ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd.</al><al>Onder c is het begrip vaste standplaats opgenomen. Door gebruik van het woord
                    ‘persoon’ in plaats van het begrip ‘ambtenaar’ bij de begripsomschrijving van
                    marktmeester onder j kan een niet-ambtenaar ook tot marktmeester worden
                    aangewezen. Bij aanwijzing (= mandaat) van een niet-ondergeschikte dient deze
                    (en zijn werkgever) in te stemmen met de mandaatverlening overeenkomstig artikel
                    10:4 van de Awb.</al><tussenkop>Artikel 2. Inrichting van de markt; branche-indeling</tussenkop><al>De in dit artikel opgenomen bevoegdheden zijn niet uitgewerkt, maar als
                    aandachtspunten in het modelbesluit opgenomen, zodat iedere gemeente de gewenste
                    uitwerking kan geven aan de bepalingen. Hierbij verdient het aanbeveling dat
                    gemeenten hiertoe de Handreiking veiligheid markten als basis hanteren. Deze
                    handreiking is een uitgave die tot stand is gekomen met behulp van de HBD, CVAH
                    en de VNG, en opgesteld door het onderzoeks- en adviesbureau SGBO in 2008. De
                    handreiking geeft richtlijnen voor maatregelen voor zowel gemeenten als
                    ondernemers.</al><al>Op grond van het eerste lid, onder a, stelt het college het aantal standplaatsen
                    op de markt vast met onder meer als doel het aantrekkelijk maken van de markt
                    voor de consumenten. Het aantal branches is in principe onbeperkt, tenzij het
                    gaat om een gespecialiseerde markt.</al><al>Bij de opstelling en indeling van de markt als bedoeld in het eerste lid, onder
                    c, wordt rekening gehouden met de verschillende branches. Voor de orde op de
                    markt is het van belang te bepalen welke materialen (kraam of ook andere
                    verkoopmaterialen) worden toegelaten en waar deze kunnen worden opgesteld. Naast
                    de traditionele (huur)kraam onderscheidt de Centrale vereniging voor de
                    ambulante handel (CVAH) bijvoorbeeld de instantkraam, de verrijdbare kraam en de
                    verkoopwagens. De onder b genoemde afmetingen van de standplaatsen kunnen
                    overigens ook een beperking geven voor bepaalde materialen.</al><al>Het tweede lid is facultatief bedoeld. Het schept de mogelijkheid een beperkt
                    aantal kooplieden per branche toe te laten. Hierdoor wordt bereikt dat op de
                    markt een zo groot mogelijke verscheidenheid aan branches aanwezig is en wordt
                    voorkomen dat te veel kooplieden van één branche op de markt optreden. Hierdoor
                    wordt de markt aantrekkelijker voor de consument.</al><tussenkop>Artikel 3. Nadere regels</tussenkop><al>De marktverordening 2003 bevatte een vrij uitgebreide regeling van de markt.
                    Uiteraard is het ook mogelijk dat de raad een marktverordening op hoofdlijnen
                    vaststelt en daarbij meerdere zaken door het college laat regelen. Het college
                    kan er ook voor kiezen beleidsregels in plaats van nadere regels vast te
                    stellen.</al><al>Met de herziening van het model in 2008 is er voor gekozen om de
                    modelverordening in te korten en een gedeelte van de bepalingen over te hevelen
                    naar een marktreglement. Op grond van artikel 3 is het college bevoegd deze
                    nadere regels te stellen.</al><tussenkop>Beleidsregels versus nadere regels</tussenkop><al>Aangezien vaak onduidelijkheid bestaat over het verschil tussen beide soorten
                    regels volgt hieronder een korte uiteenzetting van beleidsregels en nadere
                    regels. Het college kan beleidsregels opstellen ten aanzien van de gekregen
                    bevoegdheden. Verder kan het college nadere regels stellen op grond van art. 3
                    van de modelmarktverordening. Voor alle duidelijkheid: beleidsregels zijn
                    algemene regels omtrent de toepassing van bevoegdheden (zie de definitie in art.
                    1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Nadere regels zijn algemene
                    regels die te karakteriseren zijn als algemeen verbindende voorschriften.
                    Beleidsregels kennen een inherente afwijkingsbevoegdheid in tegenstelling tot
                    nadere regels. Op grond van artikel 4:84 van de Awb dient een bestuursorgaan een
                    uitzondering op een beleidsregel te maken indien bijzondere omstandigheden
                    daartoe nopen. Dit wordt de inherente afwijkingsbevoegdheid van de beleidsregel
                    genoemd. Hierdoor zijn beleidsregels flexibeler dan nadere regels (algemeen
                    verbindende voorschriften). Immers, van nadere regels is geen afwijking
                    mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 4. Voorschriften en beperkingen</tussenkop><al>Door aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen te verbinden,
                    kan een verfijning in de gewenste rechtstoestand worden aangebracht. De in het
                    eerste lid genoemde belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is
                    vereist, zijn de gemeentelijke belangen van openbare orde, zedelijkheid en
                    gezondheid, beperking van overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en
                    de veiligheid binnen de gemeente. Zie ook de inleiding bij deze toelichting
                    onder Grondslag en belang verordening.</al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning/ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning/ontheffing of voor
                    toepassing van andere bestuursrechtelijke sancties. De strafbepaling van artikel
                    11 is eveneens van toepassing.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Bepalingen over vergunningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5. Standplaatsvergunning</tussenkop><al>De vergunning geeft het recht om een standplaats op de markt in te nemen. De
                    vergunninghouder moet voldoen aan de voorschriften en beperkingen die aan de
                    vergunning zijn verbonden (artikel 4). De vergunning is persoonlijk en niet
                    overdraagbaar.</al><al>De verkoop van waren op een markt dient uitsluitend te geschieden door degenen
                    aan wie door het college vergunning daarvoor is verleend. Iedere andere wijze
                    van verkopen op markten is verboden. Een uitzondering op deze regel kan worden
                    gemaakt voor degenen, die de kooplieden van koffie, soepen en dergelijke
                    voorzien.</al><tussenkop>Artikel 6. Vereisten</tussenkop><al>Vanuit het oogpunt van lastenverlichting was het wenselijk de indieningvereisten
                    uit de modelmarktverordening 2003 eens nader onder de loep te nemen. In dat
                    kader zijn de voorheende geldende verplichtingen tot het overleggen van de
                    inschrijving in het handelsregister en de CRK-kaart (registratiekaart van het
                    Centraal Registratiekantoor (CRK) bij het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD)
                    komen te vervallen. Deze vereisten veroorzaakten onnodig veel administratieve
                    lasten voor de aanvrager, terwijl het niet in verhouding stond tot het te dienen
                    doel. Daarnaast dienden deze inschrijvingen ook niet het doel, waarmee wordt
                    beoogd markten te houden. De inschrijvingen zien op economische aspecten en dit
                    valt buiten de huishouding van een gemeente.</al><al>In plaats daarvan is nu slechts het vereiste van een handelingsbekwaam
                    natuurlijk persoon opgenomen, die de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt.
                    Hiermee is dwingend vastgelegd dat alleen natuurlijke personen tot de markt
                    worden toegelaten en wordt voorkomen dat rechtspersonen een overheersende
                    positie op de markt kunnen innemen. Door de koppeling van de vergunning aan een
                    natuurlijk persoon wordt een zo eerlijk mogelijke verdeling van alle
                    marktstandplaatsen in Nederland bereikt. Uiteraard kan het wel zo zijn dat de
                    natuurlijke persoon een onderneming drijft in de vorm van een rechtspersoon. Ook
                    dan wordt de natuurlijke persoon (de bedrijfsleider) aangemerkt als
                    vergunninghouder. Het is echter niet mogelijk de vergunning op naam van de
                    rechtspersoon te stellen.</al><al>In het kader van deregulering is in 2008 ook het modelaanvraagformulier
                    gescreend op onnodige administratieve lasten. De VNG heeft samen met Egem een
                    digitaal aanvraagformulier ontwikkeld. Hiermee kan de aanvraag worden
                    vereenvoudigd. Het is wenselijk dat eventuele papieren formulieren voor wat
                    betreft de vraagstelling worden aangepast aan het Egem-formulier.</al><tussenkop>Artikel 7. Intrekking vaste standplaatsvergunning</tussenkop><al>Als de in het eerste lid genoemde gronden zich voor doen, wordt altijd tot
                    intrekking van de vaste standplaatsvergunning overgegaan. In het tweede lid
                    worden intrekkingsbevoegdheden (‘kan’ betekent: is bevoegd, dat wil zeggen is
                    niet verplicht) genoemd ten aanzien van de vergunning.</al><al>Bij dag- en standwerkersplaatsen ligt intrekking van de vergunning minder voor
                    de hand. Daarom is deze bepaling beperkt tot de vaste standplaatsvergunning. Ten
                    aanzien van dagplaatsen en standwerkersplaatsen zal echter eerder worden
                    overgegaan tot bestuursdwang of onmiddellijke verwijdering op grond van artikel
                    10.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Straf-, overgangs- en slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 8. Intrekking en schorsing vaste
                    standplaatsvergunning</tussenkop><al>In artikel 8 worden de gronden genoemd op basis waarvan een vergunning voor een
                    vaste standplaats kan worden ingetrokken of geschorst. De zinsnede ‘Onverminderd
                    het bepaalde in artikel 7’ geeft aan dat ook de intrekking op grond van artikel
                    7 een punitieve sanctie is. Het verdient aanbeveling een sanctiebeleid vast te
                    stellen waarin wordt aangegeven in welke gevallen de vergunning wordt geschorst
                    dan wel ingetrokken.</al><al>Het artikel heeft een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af
                    of tot intrekking of schorsing wordt overgegaan.</al><al>In onderdeel c wordt ervan uitgegaan dat het niet betalen van marktgeld een
                    grond kan zijn voor intrekking of schorsing van een standplaatsvergunning voor
                    de markt. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    van 29 juli 1999 (JG 99.0184 m.nt. M. Geertsema) inzake het hoger beroep van S.
                    Gonesh tegen de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 6 november 1998, vormt
                    naar ons inzicht voldoende basis om deze intrekkings- of schorsingsgrond in het
                    model op te nemen. De Afdeling overwoog in deze zaak dat ingevolge de
                    Verordening op de straathandel van de gemeente Amsterdam een vergunning voor een
                    vaste standplaats kan worden ingetrokken ‘wegens het niet voldoen aan
                    verplichtingen die voor de vergunninghouder voortvloeien uit de voor die markt
                    geldende heffingsverordening’. Het stond tussen partijen vast dat Gonesh ten
                    tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar reeds gedurende langere tijd
                    niet aan zijn uit de geldende heffingsverordening voortvloeiende
                    betalingsverplichtingen had voldaan. Het dagelijks bestuur van het stadsdeel
                    Zuidoost van de gemeente Amsterdam kon de aan Gonesh verleende vergunning
                    derhalve intrekken.</al><al>Het moge duidelijk zijn dat deze intrekkings- of schorsingsgrond niet
                    lichtvaardig mag worden gebruikt. Het kan wel een oplossing bieden voor
                    (notoire) ‘wanbetalers’. Voor alle duidelijkheid wijzen wij erop dat deze
                    uitspraak zich naar ons inzicht alleen uitstrekt tot betalingsverplichtingen op
                    basis van publiekrechtelijke regelingen. De vraag of intrekking of schorsing ook
                    mogelijk is bij het niet nakomen van privaatrechtelijke betalingsverplichtingen
                    (huur of pacht) blijft in deze uitspraak onbeantwoord.</al><tussenkop>Artikel 9. Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</tussenkop><al>In artikel 8 is de intrekking of schorsing van een vergunning voor een vaste
                    standplaats geregeld. Intrekking of schorsing ligt uiteraard minder voor de hand
                    bij niet-vaste standplaatsen, maar in de praktijk is het van belang gebleken om
                    naast de bevoegdheid tot onmiddellijke verwijdering (artikel 10) ook een
                    vergunninghouder van een dagplaats of standwerkersplaats langduriger van de
                    markt te kunnen verwijderen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een
                    vergunninghouder voor een vaste standplaats op de vuist gaat met een
                    dagplaatshouder of standwerker.</al><al>In dit artikel 9 is dan ook de mogelijkheid opgenomen om in de daarin genoemde
                    gevallen de vergunninghouder voor maximaal vier marktdagen uit te sluiten van de
                    toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats.. In de beschikking tot
                    uitsluiting moet worden aangegeven om hoeveel dagen het gaat (maximaal vier) en
                    om welke concrete dagen.</al><al>Het in onderdeel d genoemde kan worden opgenomen ter bestraffing van
                    niet-betalende dagplaatshouders of standwerkers. Zie verder de toelichting onder
                    artikel 8, onderdeel c.</al><tussenkop>Artikel 10. Onmiddellijke verwijdering</tussenkop><al>In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat ter uitvoering van wetten,
                    algemene maatregelen van bestuur en provinciale en gemeentelijke verordeningen
                    het gemeentebestuur de bevoegdheid heeft om bestuursdwang toe te passen. Dit
                    artikel bevat voor het college de bevoegdheidsgrondslag om bestuursdwang toe te
                    passen bij overtreding van de marktverordening en de daarop gebaseerde
                    voorschriften. In de artikelen 5:21 tot en met 5:36 van de Awb worden regels
                    over de besluitvorming omtrent en de toepassing van bestuursdwang (en dwangsom)
                    gegeven. De in artikel 10 geregelde onmiddellijke verwijdering is een vorm van
                    bestuursdwang, waarbij de spoedeisendheid als bedoeld in artikel 5:24, zesde
                    lid, van de Awb wordt verondersteld. Achteraf dient dan het besluit tot het
                    toepassen van bestuursdwang op papier te worden gesteld. Van deze bevoegdheid
                    dient uiteraard alleen in zeer spoedeisende gevallen gebruik te worden gemaakt.
                    Overigens is in artikel 5:23 van de Awb geregeld dat de bepalingen over
                    bestuursdwang niet van toepassing zijn indien wordt opgetreden ter onmiddellijke
                    handhaving van de openbare orde.</al><al>Op grond van artikel 4:8 van de Awb dienen belanghebbenden bij toepassing van
                    artikel 10 in beginsel in de gelegenheid te worden gesteld hun zienswijze
                    (mondeling dan wel schriftelijk) kenbaar te maken. Artikel 4:11 Awb bepaalt dat
                    dit horen niet nodig is in spoedeisende situaties.</al><al>Onderdeel c is gewijd aan de niet-actieve standwerker. Duidelijk kwam in het COM
                    de wens naar voren om dergelijke ‘verkapte stille kramers’ aan te kunnen
                    pakken.</al><tussenkop>Artikel 11. Strafbepaling</tussenkop><al>Ten aanzien van de in artikel 11 opgenomen strafbepaling geldt dat van
                    overtreding alleen sprake kan zijn indien de verordening een ge- of verbodsnorm
                    (een verplichtende norm) inhoudt. Tegen overtredingen van de in deze verordening
                    opgenomen bepalingen, alsmede tegen handelingen die de orde op de markt op
                    enigerlei wijze kunnen verstoren, verdient voor wat de organisatie betreft een
                    administratieve afhandeling de voorkeur.</al><tussenkop>Artikel 12. Toezichthouders</tussenkop><tussenkop>In artikel 5:11 van de Awb wordt aangegeven dat onder toezichthouder
                    wordt verstaan: een natuurlijk persoon, die bij of krachtens een wettelijk
                    voorschrift is belast met het houden van toezicht op de naleving van het
                    bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Een persoon die aangewezen
                    is als toezichthouder beschikt in beginsel over alle in afdeling 5.2 van de Awb
                    opgenomen bevoegdheden. Op grond van artikel 5:14 van de Awb kunnen deze
                    bevoegdheden bij verordening of bij besluit van het college worden beperkt. In
                    dit verband is tevens artikel 5:16a van de Awb van belang. Hierin staat
                    beschreven dat een toezichthouder bevoegd is van personen inzage te vorderen van
                    een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                    identificatieplicht.</tussenkop><al>Het ligt voor de hand de marktmeester als toezichthouder aan te wijzen. Door
                    toevoeging van de marktmeester is verzekerd dat deze na beëdiging als
                    opsporingsambtenaar kan fungeren.</al><al>Een bepaling over buitengewone opsporingsambtenaren is overbodig en in strijd
                    met Aanwijzing 92 van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Immers, in
                    artikel 142, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering,
                    is onder meer bepaald dat met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar zijn belast de personen die <cursief>bij</cursief>
                    verordeningen zijn belast met het toezicht op de naleving daarvan, een en ander
                    voor zover het die feiten betreft en de personen zijn beëdigd. Aangezien
                    buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het Wetboek van
                    Strafvordering ontlenen, is een nadere regeling niet nodig. De aanwijzing als
                    toezichthouder op grond van artikel 26 is de grondslag voor de aanwijzing als
                    buitengewoon opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone
                    opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder
                    zijn. Zij dienen op grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar aan
                    eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid te voldoen en te zijn beëdigd door
                    de procureur-generaal.</al><tussenkop>Artikel 13. Intrekking oude regeling</tussenkop><al>De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de verordening in
                    werking treedt.</al><tussenkop>Artikel 14. Overgangsbepalingen</tussenkop><al>Een overgangsregeling als hier opgenomen, is noodzakelijk voor de
                    rechtszekerheid van de betrokkenen. Het is van belang oude rechten te
                    eerbiedigen. Indien de gemeente bestaande wachtlijsten en anciënniteitslijsten
                    heeft, dient hiervoor apart overgangsrecht te worden gecreëerd.</al><tussenkop>Artikel 15. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Op 1 januari 2005 is de Tijdelijke referendumwet (Trw) vervallen. Dit brengt met
                    zich mee dat voor algemeen verbindende voorschriften de regeling uit artikel 142
                    van de Gemeentewet weer van toepassing is. Deze bepaalt dat alle verordeningen
                    in werking treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip
                    daarvoor is aangewezen.</al><al>Het is ook geoorloofd in de verordening te bepalen dat de dag van
                    inwerkingtreding door het college van burgemeester en wethouders zal worden
                    vastgesteld. Het alternatief luidt in dat geval: <cursief>‘Deze verordening
                        treedt in werking op een door het college nader te bepalen
                        tijdstip.’</cursief></al><al>De marktverordening is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding
                    waarvan straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze
                    bekendgemaakt als alle overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden (artikel 139 Gemeentewet). Wel is van belang
                    dat de gemeente gehouden is dit besluit mee te delen aan het parket van het
                    arrondissement waarin de gemeente is gelegen (artikel 143 Gemeentewet).</al><al>In verband met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht is het uiteraard niet
                    mogelijk aan de bepalingen van een strafvordering terugwerkende kracht te
                    verlenen.</al><tussenkop>Artikel 16. Citeertitel</tussenkop><al>In de citeertitel wordt een jaartal opgenomen om de betrokken regeling te
                    onderscheiden van de voorgaande regeling.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>