<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR14757_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-10-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-01-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-06-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>begripsomschrijvingen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                            letter a, van het</al></li></lijst></li></lijst><al> Asbestverwijderingsbesluit 2005; - Besluit indieningsvereisten: het
                            Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning als </al><al> bedoeld in artikel 40a, eerste lid en 57, tweede en derde lid van de
                            Woningwet ; - Besluit bouwwerken: het Besluit bouwvergunningsvrije en
                            licht-bouwvergunningsplichtige n </al><al> bouwwerken als bedoeld in artikel 43, eerste lid onder c en artikel 44,
                            tweede lid van de </al><al> Woningwet ; - bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als
                            bedoeld in artikel 2 van de </al><al> Woningwet; - bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 100a, eerste
                            lid, van de Woningwet belast zijn </al><al> met het bouw- en woningtoezicht; - bouwwerk: elke constructie van enige
                            omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, </al><al> die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de
                            grond verbonden is, </al><al> hetzij </al><al> direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                            plaatse te functioneren; - deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8:
                            hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6, </al><al> eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005; -
                            gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                            Bouwbesluit; - hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of
                            namens burgemeester en </al><al> wethouders is vastgesteld; - NEN: een door de Stichting Nederlands
                            Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; - NVN: een door de Stichting
                            Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm; straatpeil: </al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg
                                    grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
                                </al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de
                                    weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die
                                    hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; </al></li></lijst><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of
                            paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de
                            wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                            liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen. </al><al>2.In deze verordening wordt mede verstaan onder: bouwwerk: een gedeelte
                            van een bouwwerk; gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet>
                                (<cursief>Alternatief 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van
                                    de gemeente: </al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom; </al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de
                                    bij deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.
                                </al></li></lijst><al><vet> 2 De aanvraag bouwvergunning</vet><vet><onderstreept>Paragraaf
                                    1</onderstreept></vet><vet> Gegevens en bescheiden
                                    </vet><vet><cursief>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning
                                    (vervallen)</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                vergunningaanvragen (vervallen) Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel
                                8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht
                                        volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, waarbij voor een
                                        terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport
                                        daarnaast nog bestaat uit de resultaten van een onderzoek
                                        volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek
                                        milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993); </al></li><li nr="b."><al>de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens het
                                        Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de
                                        Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), in het
                                        geval dat de resultaten van het verkennend onderzoek
                                        uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging en voor de
                                        beoordeling van de ernst van deze verontreiniging een nader
                                        onderzoek, als bedoeld in het Protocol Nader Onderzoek deel
                                        1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1
                                        (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is. </al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                        asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is,
                                        vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in
                                        NEN 5707, uitgave 2003. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                artikel 1.2.5, onderdeel e, van de Bijlage bij het Besluit
                                indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op
                                een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als
                                genoemd in het Besluit bouwwerken. Deze verwijzing geldt niet voor
                                de hoogtebepalingen in het Besluit bouwwerken. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk
                                ontheffing van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport
                                als bedoeld in artikel 1.2.5, onderdeel e van de Bijlage bij het
                                Besluit indieningsvereisten, indien voor de toepassing van artikel
                                2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten
                                beschikbaar zijn. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen gedeeltelijk ontheffing verlenen
                                van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                in artikel 1.2.5, onderdeel e van de Bijlage van het Besluit
                                indieningsvereisten voor een bouwwerk met een beperkte
                                instandhoudingstermijn als bedoeld in Burgemeester en wethouders
                                kunnen gedeeltelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het
                                indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 1.2.6,
                                onderdeel e van de Bijlage van het Besluit indieningsvereisten voor
                                een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn als bedoeld in
                                artikel 45, eerste lid, van de Woningwet, indien uit het in NVN
                                5725, uitgave 1999, bedoelde vooronderzoek naar het historisch
                                gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie
                                onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig
                                veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 1999 niet rechtvaardigen.
                            </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken
                                zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is
                                gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                bouwvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                bouwvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7</nr><titel>Bouwregistratie (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8</nr><titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                                woonwagens en standplaatsen (vervallen)</titel></kop><al><vet><onderstreept>Paragraaf
                                2</onderstreept></vet><vet> Behandeling van de aanvraag om
                                bouwvergunning</vet><vet><cursief>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de
                                    aanvraag (vervallen) </cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Bekendmaking van termijnen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</titel></kop><al>In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende
                            bouwvergunning als bedoeld in artikel 58 van de Woningwet wordt
                            aangegeven: </al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de aanvrager; </al></li><li nr="b."><al>de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het bouwwerk;
                                </al></li><li nr="c."><al>de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd wordt;
                                </al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de Algemene
                                    wet bestuursrecht. </al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Paragraaf 3</onderstreept></vet><vet>
                                Welstandstoetsing</vet><vet><cursief>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria
                                    (vervallen)</cursief></vet></al><al><vet><onderstreept>Paragraaf
                                4</onderstreept></vet><vet> Het tegengaan van bouwen op
                                verontreinigde
                                    bodem</vet><vet><cursief>Artikel
                                    2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde
                            bodem</cursief></vet>Op een bodem die zodanig is
                            verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid
                            van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat bouwen
                            betrekking heeft op een bouwwerk: </al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                    verblijven; </al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is vereist;
                                    en </al></li><li nr="1."><al>dat de grond raakt, of </al></li><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                                    gehandhaafd. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden bouwvergunning</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden bouwvergunning</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                            bepaalde in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter e
                            van artikel 1.2.5 van de bij dit besluit behorende bijlage, kunnen
                            burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de bouwvergunning,
                            in het geval zij op grond van het in het Besluit indieningsvereisten
                            bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende
                            onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede
                            lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde
                            saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel
                            zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het
                            stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. </al><al><vet><onderstreept>Paragraaf 5</onderstreept></vet><vet> Voorschriften
                                van stedenbouwkundige aard en
                                    bereikbaarheidseisen</vet><vet><cursief>Artikel 2.5.1
                                    Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                    stedenbouwkundige
                                    bepalingen</cursief></vet><vet><cursief>( vervallen
                                    )</cursief></vet><vet><cursief>Artikel 2.5.2
                                    Anti-cumulatiebepaling</cursief></vet>Terrein
                            dat voor het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking moet worden
                            genomen mag niet nog eens bij de verlening van een bouwvergunning voor
                            een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen. <vet><cursief>Artikel
                                    2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                </cursief></vet></al><al><vet><cursief> Brandblusvoorzieningen</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                    mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een
                                    openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                    openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer. </al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                            breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije
                                            hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste
                                            4,2 m; </al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg
                                            en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en </al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                    bouwwerken, voorzover dit bijgebouw niet tot bewoning bestemd
                                    is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde
                                    terrein is gelegen. </al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                    bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                                    aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                    auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. </al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening. </al></li><li nr="6."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de
                                    ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3A</nr><titel>Brandweeringang</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3A</nr><titel>Brandweeringang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een automatische doormelding van brand naar de alarmcentrale
                                van de brandweer plaatsvindt, wordt, indien het gebouw over meerdere
                                toegangen beschikt, in overleg met de brandweer ten minste één van
                                de toegangen als brandweeringang aangewezen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een brandmelding
                                of te openen zijn met behulp van een systeem dat in overleg met de
                                brandweer is bepaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds: </al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                        het Bouwbesluit; </al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                        toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                        Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede
                                        voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig
                                        zijn. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: </al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en
                                    </al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                        tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die
                                        voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van
                                        het Bouwbesluit. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al><vet><cursief>Artikel 2.5.5 Ligging van de
                                voorgevelrooilijn</cursief></vet>De
                            voorgevelrooilijn is: </al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                    ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de
                                    evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel
                                    mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de
                                    bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van
                                    de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; </al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                    aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte
                                    van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as
                                    van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn
                                    gelegen op 10 meter uit de as van de weg. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn</titel></kop><al><vet><cursief>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</cursief></vet> Onverminderd het
                            bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwvergunningplichtig
                            bouwwerk te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.
                                    <vet><cursief>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding
                                    van de voorgevelrooilijn</cursief></vet></al><al> Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                            niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                                    afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                    aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als
                                    bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                    bouwwerken; </al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die
                                    bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van
                                    artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te
                                    weten: </al></li><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                    rioolleidingen en rioolputten; </al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van
                                    de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen - met inachtneming van het
                                bepaalde in het tweede lid - ontheffing verlenen van het verbod tot
                                het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor: </al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                        gelegen is dan het straatpeil; </al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                        artikel 3, eerste lid, onder i, en derde lid, van het
                                        Besluit bouwwerken, die naar hun aard en bestemming op een
                                        voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn;
                                    </al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                        overschrijden; </al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                        galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                        overschrijden; </al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                        dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                        reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.7; </al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                        bouwwerken. </al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch
                                        opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden verleend,
                                indien niet lager gebouwd wordt dan: 4,20 m boven de hoogte van de
                                rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter
                                weerszijden van die rijweg; 2,20 m boven de hoogte van een ander
                                deel van de weg; en dan nog voor zover de veiligheid van de
                                gebruikers van de weg niet in gevaar komt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><al> Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                            tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor het bouwen
                            op de weg van: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                    nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                    vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3,
                                    eerste lid, onder i, van het Besluit bouwwerken; </al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                    waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                    telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                    bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, b en e, van het
                                    Besluit bouwwerken; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines; </al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al></li><li nr="e."><al>andere bouwvergunningsplichtige bouwwerken, die naar hun aard en
                                    bestemming op de weg toelaatbaar zijn. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.
                                Afschuining van straathoeken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in: </al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                        ontheffing genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                        verleend; </al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                        ontheffing genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover
                                        het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is
                                        geplaatst; </al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik
                                op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet
                                de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek
                                van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden afgerond of
                                afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen; </al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van het
                                        Besluit bouwwerken bedoelde gebouwen; </al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                        woningen; </al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels; </al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de
                                        ontheffing is gebaat. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich: </al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                        vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal
                                        van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                        doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                        meter. Indien meer dan Eén ingeschreven cirkel binnen de
                                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de
                                        grootste; </al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van
                                        een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van
                                        de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a
                                        bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een
                                        of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich
                                        zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                        nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                        rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                        tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                        elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                        bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                        bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                        zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan
                                        1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de
                                        beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                        bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                        afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                        afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                        beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit
                                        lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                                        dan 15 meter. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht -
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het
                                gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn</titel></kop><al><vet><cursief>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</cursief></vet> Onverminderd het
                            bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwvergunningsplichtige
                            bouwwerken te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.
                                    <vet><cursief>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</cursief></vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is
                            niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                    gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                    pluimveeteelt daaronder begrepen; </al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                    voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                    daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens
                                    van het erf ten minste 20 meter bedraagt; </al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                                    afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een
                                    aan- of uitbouw, als bedoeld in artikel 2, onder a, van het
                                    Besluit bouwwerken; </al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                                    afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                    aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als
                                    bedoeld in de artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                    bouwwerken; </al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die
                                    bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van
                                    artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te
                                    weten: </al></li><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                    rioolleidingen en rioolputten; </al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden; </al></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e
                                    en f, van het Besluit bouwwerken. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                achtergevelrooilijn</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod tot
                            bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                    voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                    daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens
                                    van het erf minder dan 20 meter bedraagt; </al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                    zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan
                                    een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk
                                    terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; </al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                    bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd; </al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel 2, onder
                                    b, van het Besluit bouwwerken; </al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                    handels- of industrieterrein omvattend; </al></li><li nr="h."><al>bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde; </al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                    kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen
                                    dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                    bouw; </al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen, bedoeld in
                                    artikel 2, onder a, van het Besluit bouwwerken; </al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen
                                    en stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels,
                                    afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                    terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13; </al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                    Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                    monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om
                                    de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te
                                    verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die: </al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                        achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                        begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte
                                        heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing
                                blijven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in: </al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                        indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                        bestemd is; </al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                        wordt voldaan: </al><lijst><li nr="1."><al>en gunstige, andere indeling van het erf is
                                                aanwezig; </al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan
                                                twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan
                                                wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen,
                                                mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
                                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke
                                                afmetingen tot stand wordt gebracht; </al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                                bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen
                                                van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande
                                                toestand verbeterd. </al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte
                                daarvan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                        beletsel vormen; </al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend van het
                                        verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                                zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat
                                bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen
                                tussenruimten ontstaan die: </al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder
                                        dan 1 meter breed zijn; </al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig
                                is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onder
                                e, van het Besluit bouwwerken, zijn niet toegelaten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf
                                of terrein. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                hoofdtransportleidingen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                hoofdtransportleidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                                mogen zich geen delen bevinden van andere bouwvergunningplichtige
                                bouwwerken dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij
                                het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden met het
                                uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een
                                nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                                hoofdtransportleiding mogen geen bouwvergunningplichtige bouwwerken
                                worden gebouwd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien de elektrische spanning van de
                                        hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert; </al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en
                                        ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><al><vet><cursief>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de
                                    voorgevelrooilijn</cursief></vet> Alternatief 1 </al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door
                                    de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: </al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg; </al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter. </al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn. </al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn
                                    plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die
                                    onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden
                                    van de onderbreking voorkomende rooilijnen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn ( Alternatief 1
                                )</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn ( Alternatief 1
                                )</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de
                                achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: </al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;
                                    </al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor
                                elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan
                                van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien
                                een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten
                                tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                voorgevelrooilijn. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                achtergevelrooilijn</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                                gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels
                                ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in
                                artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste
                                bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal
                                de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                                eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                                worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor
                                de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de
                                voorgevel. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen (
                                Alternatief 1)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen (
                                Alternatief 1)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                bouwvergunningplichtig bouwwerk tussen de voor- en de
                                achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de
                                verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en
                                2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een
                                hoek vormen van: </al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom; </al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft
                                die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met het
                                horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken ( Alternatief
                                1)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet meer
                                bedragen dan 15 meter. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagst gelegen weg. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of
                                artikel 2.5.14 verleende ontheffing wordt opgericht op een niet aan
                                een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met
                                dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat
                                - daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden
                                toegelaten is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de
                                omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en
                                artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de
                                maximale hoogte overschrijden - buiten beschouwing worden gelaten.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al> Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en
                            derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24
                            is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                                    afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                    aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als
                                    bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                    bouwwerken; </al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders
                                    dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                    als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                    bouwwerken; </al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                    voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                    breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                    breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het product
                                    van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter
                                    plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                    meter. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                                bouwhoogte</titel></kop><al><vet><cursief>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    toegelaten bouwhoogte</cursief></vet> Burgemeester en
                            wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel
                            2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22,
                            eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 ten behoeve van: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                    andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                    vergaderingen; </al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                    indien de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat;
                                </al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                    handels- en industrieterrein; </al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                    bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k,
                                    van het Besluit bouwwerken, en indien: </al></li><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                    overschrijden en de welstand bij het verlenen van de ontheffing
                                    is gebaat; </al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen
                                    andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande; </al></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                    de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                    telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, derde
                                    lid, van het Besluit bouwwerken; </al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                    soortgelijke aard; </al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter;
                                </al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan
                                    1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge
                                    afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot de
                                    erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste
                                    voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot
                                    verschillende gebouwen behoren; </al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame; </al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen; </al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                    1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                    monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om
                                    de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te
                                    verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de
                                toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw
                                ruimtelijk beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de
                                verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de
                                achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding
                                van de maximale bouwhoogte. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door burgemeester en
                                wethouders worden verleend indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel 20
                                        Bro;</al></li><li nr="b."><al>de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het beleid van
                                        de provincie inzake artikel 19, lid 2 WRO; </al></li><li nr="c."><al>het desbetreffende bouwplan in overeenstemming is met in
                                        voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de voorbereiding van het besluit omtrent een ontheffing, als
                                bedoeld in het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande
                                dat: </al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de termijn van terinzagelegging eenieder
                                        schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kan
                                        inbrengen; </al></li><li nr="b."><al>indien er zienswijzen zijn ingebracht burgemeester en
                                        wethouders de beslissing over de aanvraag om reguliere
                                        bouwvergunning met ten hoogste zes weken kunnen verdagen.'
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                gebouwen</titel></kop><al><vet><cursief> (Alternatief 2)
                            </cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer. </al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten
                                            minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00
                                            m bedragen; </al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                            voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de
                                            lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50
                                            m bij 5,00 m bedragen. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort. </al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste en het derde lid: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                            omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of </al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                            stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                            voorzien. </al></li></lijst></li></lijst><al><vet><onderstreept>Paragraaf 6</onderstreept></vet><vet> Voorschriften
                                inzake brandveiligheidinstallaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</vet><vet><cursief>Artikel 2.6.1
                                    Beginsel inzake
                            brandmeldinstallaties</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de
                                    ontdekking en melding van brand, dat een brand zo snel mogelijk
                                    kan worden ontdekt en gemeld. </al></li><li nr="2."><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.1 van bijlage
                                    10 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt
                                    voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis
                                    voldaan door toepassing van die voorschriften. </al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard en de
                                    geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding geeft.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</titel></kop><al>Artikel 2.6.2, eerste lid, komt te luiden:</al><lijst><li nr="1."><al>Een gebruiksfunctie:</al></li><li nr="a."><al>waarvan de hoogste vloer van een verblijfsruimte is gelegen op
                                    een in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening
                                    aangegeven waarde boven het meetniveau</al><al> als bedoeld in het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>waarvan de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt dan de in
                                    tabel 2.6.1 van</al><al> bijlage 10 van deze verordening aangegeven grenswaarden;</al></li><li nr="c."><al>waarvan het aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers meer
                                    bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze
                                    verordening aangegeven grenswaarde;</al></li><li nr="d."><al>die is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit meer bouwlagen
                                    dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 zijn aangegeven, is
                                    voorzien van een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535,
                                    uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002.</al></li><li nr="2."><al>In een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie of een
                                    woongebouw waar vanaf de toegang van een verblijfsruimte slechts
                                    in één richting kan worden gevlucht, dient de ruimte waardoor
                                    dient te worden gevlucht alsmede de ruimten van waaruit de
                                    betreffende vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd,
                                    voorzien te zijn van een brandmeldinstallatie met
                                    ruimtebewaking, indien er sprake is van één of meer van de
                                    volgende situaties:</al><lijst><li nr="a."><al>De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte
                                            en een punt vanwaar in meerdere richtingen kan worden
                                            gevlucht, bedraagt meer dan 10 meter; </al></li><li nr="b."><al>Het totale oppervlak van het gedeelte van de ruimte
                                            waardoor slechts in één richting kan worden gevlucht
                                            alsmede de op dit gedeelte aangewezen verblijfsruimten
                                            is groter dan 200 m2; </al></li><li nr="c."><al>Het aantal verblijfsruimten dat is aangewezen op de
                                            betreffende ruimte bedraagt meer dan 2. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie als bedoeld in
                                NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002, is uitgevoerd
                                als: </al><lijst><li nr="a."><al>niet-automatische bewaking; of </al></li><li nr="b."><al>gedeeltelijke bewaking; of </al></li><li nr="c."><al>volledige bewaking; zoals aangegeven in tabel 2.6.1 van
                                        bijlage 10 van deze verordening, of </al></li><li nr="d."><al>ruimte bewaking voor gedeeltelijk samenvallende vluchtroutes
                                        en risicoruimten. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2, lid 1, a, b en c, in een bouwwerk
                                aanwezige brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks door naar de
                                alarmcentrale van de brandweer, voor zover dit voor een
                                gebruiksfuctie staat aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van
                                deze verordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Kwaliteit van brandmeldinstallaties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2535,
                                    uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002. </al></li><li nr="2."><al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie welke op grond van artikel 2.6.3, lid 2
                                    rechtstreeks is doorgemeld naar de alarmcentrale van de
                                    brandweer, is ontworpen en aangelegd overeenkomstig een door of
                                    namens burgemeester en wethouders aanvaard programma van eisen
                                    als bedoeld in de NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave
                                    2002. </al></li><li nr="3."><al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie is voorzien van een geldig certificaat als
                                    bedoeld in de Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het
                                    Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den
                                    Haag, dan wel een certificaat waarvan een door burgemeester en
                                    wethouders erkende, ter zake kundige, onafhankelijke
                                    onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring heeft
                                    aangetoond dat dit certificaat ten minste gelijkwaardig is aan
                                    een certificaat als bedoeld in de vorengenoemde Regeling
                                    Brandmeldinstallaties 2002. </al></li></lijst><al> Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties</al><lijst><li nr="1."><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor
                                    alarmering dat gebruikers bij brand binnen redelijke tijd uit
                                    het bouwwerk kunnen vluchten. </al></li><li nr="2."><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.5 van bijlage
                                    11 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt
                                    voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis
                                    voldaan door toepassing van die voorschriften.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard en de
                                    geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding geeft.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6</nr><titel>Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gebruiksfunctie die op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van
                                een brandmeldinstallatie, is voorzien van een
                                ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een gebruiksfunctie, waarop het gestelde in artikel 2.6.2, tweede
                                lid, van toepassing is, dienen de betreffende verblijfsruimten te
                                zijn voorzien van een automatische ontruimingsalarminstallatie als
                                bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7</nr><titel>Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                ontruimingsalarminstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2575,
                                uitgave 2004. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                ontruimingsalarminstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig
                                een door of namens burgemeester en wethouders aanvaard programma van
                                eisen, als bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8</nr><titel>Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige aanduiding van vluchtroutes
                                dat gebruikers op veilige wijze uit het bouwwerk kunnen vluchten.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.8 van bijlage 12
                                van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
                                gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
                                toepassing van die voorschriften. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al> Een gebruiksfunctie, genoemd in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van deze
                            verordening, is voorzien van vluchtrouteaanduidingen, als bedoeld in NEN
                            6088, uitgave 2002. <vet><cursief>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van
                                    vluchtrouteaanduidingen</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een op grond van artikel 2.6.9 in een bouwwerk aanwezige
                                    vluchtrouteaanduiding voldoet aan het gestelde in NEN 6088,
                                    uitgave 2002.</al></li><li nr="2."><al>Een vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar en voldoende
                                    herkenbaar aangebracht.</al></li><li nr="3."><al>De in artikel 2.6.9 vermelde vluchtrouteaanduiding dient voor
                                    wat betreft de zichtbaarheidsaspecten te voldoen aan artikel 5.2
                                    tot en met 5.6 van NEN-EN 1838, uitgave 1999. </al></li><li nr="4."><al>Indien in een gebruiksfunctie of een deel van een
                                    gebruiksfunctie geen noodverlichting aanwezig is, is in geval
                                    van netspanningonderbreking het gestelde in lid 3 niet van
                                    toepassing. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11</nr><titel>Gelijkwaardigheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit
                                als gelijkwaardige oplossing een brandmeldinstallatie wordt
                                toegepast, is artikel 2.6.4 van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit
                                als gelijkwaardige oplossing een ontruimingsalarminstallatie wordt
                                toegepast, is artikel 2.6.7 van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit
                                als gelijkwaardige oplossing vluchtrouteaanduiding aanwezig is, is
                                artikel 2.6.10 van overeenkomstige toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten</titel></kop><al>Indien het naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor het goed
                            kunnen functioneren van publieke hulpverleningsdiensten bij een
                            calamiteit in dat bouwwerk noodzakelijk is, moet een voor het publiek
                            toegankelijk bouwwerk zijn voorzien van een installatie die mobiele
                            radiocommunicatie tussen hulpverleners binnen en buiten dat bouwwerk
                            mogelijk maakt. </al><al><vet><onderstreept>Paragraaf 7</onderstreept></vet><vet> Aansluitplicht
                                op de nutsvoorzieningen</vet><vet><cursief>Artikel 2.7.1 Eis tot
                                    aansluiting aan de waterleiding</cursief></vet></al><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                            brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het
                            distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst
                                    bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                    dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen,
                                    maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk
                                    niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                            brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                            distributienet voor elektriciteit: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst
                                    bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                    van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar
                                    de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet
                                    hoger zijn dan bij een afstand van 100 m. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m. Niet
                                        van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen voor
                                        bejaarden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                        m2; </al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;
                                    </al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke
                                        of publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in
                                        artikel 2.69 van het Bouwbesluit ( warmtedistributienet).
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al><vet><cursief>(Alternatief 2 )</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet
                                    van toepassing is deze eis in delen van de gemeente waarin geen
                                    openbare riolering aanwezig is. </al></li><li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald: </al><lijst><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                            binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting
                                            noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het
                                            gebouw, dan wel de grens van het erf of terrein moet of
                                            moeten kruisen; </al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding
                                            moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het
                                            terugvloeien van afvalwater en faecaliën, ingeval de
                                            leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op
                                            het openbaar riool te lozen. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er al
                                    dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten
                                    worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of
                                    de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming
                                    van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool,
                                    ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen
                                    daartoe aanleiding geeft. </al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze
                                    zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is: </al><lijst><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen; </al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering ( Alternatief
                                1</titel></kop><al>) </al><lijst><li nr="1."><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het
                                    Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een
                                    openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende
                                    bepalingen: </al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                            waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
                                            overstort; </al></li><li nr="b."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                            waterspoeling, moeten lozen op een beerput zonder
                                            overstort, een gierput of een rottingput met overstort;
                                        </al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede
                                            overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat
                                            geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                            optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen
                                            op een rottingput. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien afvoer op
                                    andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht
                                    mogelijk is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                                terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks
                                plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid
                                van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het
                                bouwwerk of de buitenriolering. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                rottingputten voorkomen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen
                                vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend
                                beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een
                                voldoende binnenwerkse middellijn. Aan beide laatstgenoemde eisen
                                wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde
                                in NEN 3215, uitgave 1997. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor
                                de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse waar
                                zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben
                                van ten minste 125 mm. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van
                                leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten
                                doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen
                                in bijlage 7. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare
                                net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al> De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet
                            worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder
                            bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich
                            het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij
                            moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als
                            één bouwwerk worden beschouwd. </al><al><vet>3 De melding</vet><vet>Artikel 3.1 De wijze van
                                melden</vet><vet>Artikel 3.2 Welstandscriteria</vet></al><al><vet> 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                                ingebruikneming van een bouwwerk</vet><vet><cursief>Artikel 4.1
                                    Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                    staking van bouwwerkzaamheden</cursief></vet></al><al> Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel
                            59 van de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken,
                            indien: </al><lijst><li nr="a."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                    bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt;
                                </al></li><li nr="b."><al>tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze
                                    werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                    stilliggen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven: </al><lijst><li nr="a."><al>de bouwvergunning; </al></li><li nr="b."><al>andere vergunningen en ontheffingen; </al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan; </al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13Woningwet, dan wel een besluit
                                    tot toepassing bestuursdwang of oplegging van een last onder
                                    dwangsom. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend mag
                            - onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning bepaalde -
                            niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders
                            voor zover nodig: </al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven; </al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                    uitgezet. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de
                                voorwaarden van de bouwvergunning - ten minste twee dagen voor de
                                aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces
                                in kennis te worden gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden
                                        daaronder begrepen; </al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                        slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel></kop><al> Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouw-besluit nodig acht. <vet><cursief>Artikel
                                    4.7 Bemalen van bouwputten</cursief></vet></al><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt. <vet><cursief>Artikel 4.8
                                    Veiligheid op het bouwterrein</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband
                                    staat, moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat
                                    de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de
                                    weg en de in de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten
                                    behoeve van naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun
                                    gebruikers. </al></li><li nr="2."><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                    moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de
                                    dagelijkse werktijd niet inbegrepen: </al><lijst><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van
                                            de uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel
                                            op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in
                                            gebruik stellen van de installaties door anderen dan
                                            daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;
                                        </al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een
                                            zodanige toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan,
                                            niet zonder meer door anderen dan de daartoe bevoegde
                                            personen in werking kunnen worden gesteld; </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                    elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer
                                    elektrisch aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden
                                    vereisen dat de voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid
                                    voldoende is gewaarborgd. </al></li><li nr="4."><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                    nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij
                                    uit veiligheidsoogpunt nodig zijn. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat
                                schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan
                                veroorzaken, verbieden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een
                                werk te gebruiken krachtwerktuig: </al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of
                                    </al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of </al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet
                                        mag worden gebruikt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties: </al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                        blz. 9); </al></li><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;
                                    </al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;
                                    </al></li><li nr="d."><al>overig afval. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>a. Van het gereedkomen van putten en van grond- en
                                huisaansluitleidingen van de </al><al> riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door
                                wanden en vloeren beneden straatpeil; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de
                                thermische isolatie in andere besloten constructies</al><al> moet het bouwtoezicht onmiddellijk na die voltooiing van de onder a
                                en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                bouwvergunning verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van
                                voltooiing is bepaald. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                bouwvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die
                                werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen; </al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing
                                        tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of
                                        de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming ( Vervallen)</titel></kop><al><vet>5 </vet><vet> Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids-
                                installaties, aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van
                                schadelijk en hinderlijk gedierte</vet><vet><onderstreept>Paragraaf
                                    1</onderstreept></vet><vet> Staat van open erven en
                                terreinen</vet><vet><cursief>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van
                                    open erven en terreinen</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                    bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden. </al></li><li nr="2."><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor
                                    de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor
                                    de gebruikers of anderen, ten gevolge van: </al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid; </al></li><li nr="b."><al>stank; </al></li><li nr="c."><al>verontreiniging; </al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;
                                        </al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.</titel></kop><al><vet><cursief> Brandblusvoorzieningen</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd
                                    van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang
                                    en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en
                                    het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen. </al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                            breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije
                                            hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste
                                            4,2 m; </al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg
                                            en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en </al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                    bouwwerken, voorzover dit niet voor bewoning is bestemd, maar
                                    wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                    gelegen. </al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                    brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                    tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                    tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks
                                    niet vereisen. </al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds: </al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3
                                            van het Bouwbesluit; </al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                            toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                            het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een
                                            mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                                            aanwezig zijn. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: </al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en </al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en
                                        </al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen
                                            2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit. </al></li></lijst></li></lijst><al><vet><onderstreept>Paragraaf 2</onderstreept></vet><vet> Staat van
                                brandveiligheidinstallaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</vet><vet><cursief>Artikel 5.2.1
                                    Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</cursief></vet></al><al>Voor bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.12 van
                            overeenkomstige toepassing. <vet><cursief>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van
                                    brandveiligheids-installaties in gebouwen, niet zijnde woningen,
                                    woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                                    kantoorgebouwen (vervallen)</cursief></vet></al><al><vet><cursief>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van
                                    brandveiligheid-installaties in woongebouwen van bijzondere aard
                                    (vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel
                                    5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                    logiesverblijven en logiesgebouwen
                                    (vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel
                                    5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                    kantoorgebouwen
                                    (vervallen)</cursief></vet><vet><onderstreept>Paragraaf
                                    3</onderstreept></vet><vet> Aansluiting op de
                                nutsvoorzieningen</vet><vet><cursief>Artikel 5.3.1 Eis tot
                                    aansluiting aan de waterleiding</cursief></vet></al><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                            bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                            aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst
                                    bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                    dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen,
                                    maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk
                                    niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                            elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                            distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst
                                    bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                    van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar
                                    de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet
                                    hoger zijn dan bij een afstand van 100 m. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                            gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet
                            voor aardgas: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst
                                    bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                    van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de
                                    kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet
                                    hoger zijn dan bij een afstand van 40 m. </al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op: </al><lijst><li nr="a."><al>woningen voor bejaarden; </al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2; </al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd; </al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al> De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                            aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën,
                            alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen voor
                            de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in artikel
                            5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een openbaar
                            riool. </al><al>1.Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig
                                    is; </al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                    openbaar riool zijn gelegen; </al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd; </al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                    bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende
                                    ruime gier- of beerput aanwezig is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                            gelden de volgende bepalingen: </al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                    waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                    doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn,
                                    tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden
                                    gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                    waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder
                                    overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende
                                    rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een
                                    doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de
                                    genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat
                                    geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                    optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                    afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van
                                    rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van
                                    water, bodem of lucht kan optreden; </al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                    afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                                terreinen</titel></kop><al> Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                            toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare
                                net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet
                            worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder
                            bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich
                            het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij
                            moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als
                            één bouwwerk worden beschouwd. </al><al><vet><onderstreept>Paragraaf 4</onderstreept></vet><vet> Het weren van
                                schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid
                                    </vet><vet><cursief>Artikel 5.4.1
                                Preventie</cursief></vet> Het normale onderhoud van een
                            bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke
                            staat bevindt. </al><al><vet>6</vet><vet> Brandveilig gebruik</vet><vet><onderstreept>Paragraaf
                                    1</onderstreept></vet><vet>
                                    Gebruiksvergunning</vet><vet><cursief>Artikel 6.1.1 Vergunning
                                    gebruik bouwwerk</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een
                                    gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk
                                    in gebruik te hebben of te houden, waarin: </al><lijst><li nr="a."><al>meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn,
                                            anders dan in een één- of meergezinshuis; </al></li><li nr="b."><al>aan meer dan tien personen bedrijfsmatig of in het kader
                                            van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft; </al></li><li nr="c."><al>aan meer dan tien kinderen jonger dan twaalf jaar, of
                                            aan meer dan tien lichamelijk en/of verstandelijk
                                            gehandicapten dagverblijf zal worden verschaft</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning
                                    slechts voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen,
                                    beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar
                                    en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand. </al></li><li nr="3."><al>Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist
                                    op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering
                                    van de omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na
                                    het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en
                                    wethouders aan de vergunning nieuwe voorwaarden verbinden en
                                    gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.2</nr><titel>Aanvraag gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden overgelegd
                                als genoemd in bijlage 2 van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken van
                                de door of namens burgemeester en wethouders vastgestelde
                                formulieren. De bij deze aanvraag behorende gegevens en bescheiden
                                moeten voldoen aan de eisen van de in het eerste lid genoemde
                                bijlage. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in ..voud
                                worden ingediend. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar
                                samenhangende terreinen. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bij de aanvraag om gebruiksvergunning behorende bescheiden moeten
                                door de aanvrager of diens gemachtigde worden ondertekend dan wel
                                worden gewaarmerkt. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een
                                bestaande situatie, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende
                                bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk blijken.
                            </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een
                                bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van
                                ontvangst is vermeld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 6.1.2 gestelde
                            eisen, alsmede aan de eisen die gelden ingevolge de artikelen 4:1 en 4:2
                            van de Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de
                            aanvrager in de gelegenheid om de door hen aan te geven ontbrekende
                            gegevens over te leggen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een
                                gebruiksvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten hoogste
                                zes weken verdagen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                                burgemeester en wethouders de beslissing aan indien: </al><lijst><li nr="a."><al>voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is vereist en zij
                                        over die vergunning nog niet hebben beslist; </al></li><li nr="b."><al>voor hetzelfde bouwwerk een besluit tot toepassing van
                                        bestuurdwang of opleggen van een last onder dwangsom dan wel
                                        een besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet is genomen
                                        wegens strijd met de voorschriften van het Bouwbesluit, als
                                        bedoeld in artikel 1b van de Woningwet, en deze binnen de in
                                        het eerste lid vermelde termijn is verzonden, doch aan dit
                                        besluit nog niet is voldaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat is
                                beslist op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld onder letter a
                                van het derde lid, dan wel nadat is voldaan aan het besluit als
                                bedoeld onder letter b van het derde lid en burgemeester en
                                wethouders hiervan in kennis zijn gesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.5</nr><titel>Weigeren gebruiksvergunning</titel></kop><al>Een gebruiksvergunning moet worden geweigerd indien een van de volgende
                            omstandigheden zich voordoet: </al><lijst><li nr="a."><al>de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van het bouwwerk
                                    kan in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht worden
                                    een brandveilig gebruik te zijn en door het stellen van
                                    voorwaarden kan geen voldoende brandveilig gebruik worden
                                    bereikt; </al></li><li nr="b."><al>de bouwvergunning is geweigerd. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.6</nr><titel>Intrekken gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een gebruiksvergunning intrekken
                                indien: </al><lijst><li nr="a."><al>blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of
                                        onvolledige gegevens hebben verleend; </al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan
                                        aan een voorwaarde van de vergunning; </al></li><li nr="c."><al>van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken
                                        na het onherroepelijk worden van de vergunning; </al></li><li nr="d."><al>van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of
                                        langer geen gebruik is gemaakt; </al></li><li nr="e."><al>het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op
                                        grond van een verandering van de inzichten en/of verandering
                                        van de omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk,
                                        opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het niet
                                        mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van voorwaarden
                                        dat belang voldoende te beschermen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan nadat
                                zij de houder van de vergunning hebben gehoord. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.7</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al> In het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                            gebruiksvergunning betrekking heeft moet deze vergunning aanwezig zijn,
                            en moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor de naleving
                            van dit hoofdstuk, ter inzage worden gegeven. </al><al><vet><onderstreept>Paragraaf 2 </onderstreept></vet><vet>Het voorkomen
                                van brand en het beperken van brand en
                                    brandgevaar</vet><vet><cursief>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor
                                    bouwwerken</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 3 bij deze
                                    verordening. </al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het verboden een
                                    bouwwerk, met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke
                                    ruimten in woonfuncties, te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 4 bij deze
                                    verordening. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.2</nr><titel>Verbod stoffen aanwezig te hebben</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In, op of nabij een bouwwerk is geen in bijlage 5 aangewezen
                                brandgevaarlijke stof aanwezig. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de in bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van de
                                        betreffende stoffen niet wordt overschreden, met dien
                                        verstande dat de totale toegestane hoeveelheid van de eerste
                                        zes rijen honderd kilogram of liter is, </al></li><li nr="b."><al>de betreffende stof zodanig is verpakt </al><lijst><li nr="§"><al>dat de verpakking tegen normale behandeling bestand
                                                is, en </al></li><li nr="§"><al>van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan
                                                ontsnappen, en </al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de betreffende stof wordt gebruikt met inachtneming van de
                                        op de verpakking aangegeven gevaarsaanduiding (R- en
                                        S-zinnen). </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde is voorts niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>de brandstof in het reservoir bij een verbandingsmotor;
                                    </al></li><li nr="b."><al>de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een
                                        ander warmteontwikkelend toestel; </al></li><li nr="c."><al>voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken, en </al></li><li nr="d."><al>het aanwezig hebben van een grotere dan de in bijlage 5
                                        aangegeven maximum hoeveelheid van de betreffende stof voor
                                        zover dat bij of krachtens de Wet Milieubeheer is
                                        toegestaan. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>4. Bij het bepalen van de hoeveelheid als bedoeld in het tweede lid
                                onder a, worden volledig meegerekend de inhoudsmaten van vaatwerk
                                dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof die in bijlage 5 als
                                brandgevaarlijk is aangemerkt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.3</nr><titel>Opslag en verwerking stoffen ( vervallen )</titel></kop><al><vet><onderstreept>Paragraaf 3</onderstreept></vet><vet> Het bestrijden
                                van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                                    brand</vet><vet><cursief>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden
                                    bluswaterwinplaatsen</cursief></vet><vet><cursief>(Vervallen)
                                </cursief></vet><vet><cursief>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en
                                    voorzieningen</cursief></vet> Het is verboden
                            voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen of te hebben dat
                            daardoor het onmiddellijk gebruik of de zichtbaarheid ervan wordt
                            belemmerd van: </al><lijst><li nr="a."><al>middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en
                                    bestrijding van brand; </al></li><li nr="b."><al>middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van
                                    personen en dieren bij brand. </al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Paragraaf 4 </onderstreept></vet><vet>Hinder in
                                verband met de brandveiligheid</vet><vet><cursief>Artikel 6.4.1
                                    Hinder in verband met de brandveiligheid</cursief></vet>
                            Onverminderd het bepaalde in of krachtens de artikelen 6.1.1 tot en met
                            6.3.2 is het verboden in, op, of aan een bouwwerk of op een open erf of
                            terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                            handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                            waardoor: </al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet,
                                    walm of stof wordt verspreid; </al></li><li nr="b."><al>brandgevaar wordt veroorzaakt; </al></li><li nr="c."><al>het vluchten wordt belemmerd. </al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                            betreft hinder, terzake waarvan de Wet milieubeheer of enige in deze wet
                            genoemde wet van toepassing is. </al><al><vet>7 </vet><vet> Overige
                                    gebruiksbepalingen</vet><vet><onderstreept>Paragraaf
                                    1</onderstreept></vet><vet> Overbevolking
                                    </vet><vet><cursief>Artikel 7.1.1 Overbevolking van
                                    woningen</cursief></vet>Het is verboden een
                            woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door
                            meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte.
                                    <vet><cursief>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en
                                    woonketen</cursief></vet> Het is verboden een woonwagen,
                            respectievelijk een woonkeet te bewonen met of toe te staan dat een
                            woonwagen, respectievelijk een woonkeet wordt bewoond door meer dan één
                            persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte. <vet><onderstreept>Paragraaf 2
                                </onderstreept></vet><vet>Staken van het
                                    gebruik</vet><vet><cursief>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij
                                    bouwvalligheid</cursief></vet> Het is verboden een
                            bouwwerk, een standplaats, een open erf of terrein te gebruiken of te
                            doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is
                            medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met: </al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk; </al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                                hygiëne</titel></kop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                            afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige
                            voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen
                            beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd
                            gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een
                            onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kunnen
                            burgemeester en wethouders gelasten het gebruik van het bouwwerk te
                            staken. <vet><cursief>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een
                                    woonwagen</cursief></vet> Indien in een besluit op
                            grond van artikel 13 van de Woningwet is bepaald dat het gebruik van een
                            gebouw op of behorende bij een standplaats moet worden gestaakt en
                            dientengevolge essentiële voorzieningen ten dienste van het bewonen van
                            een woonwagen buiten gebruik zijn gesteld, kunnen burgemeester en
                            wethouders gelasten het gebruik van de woonwagen te staken gedurende de
                            periode dat bedoelde voorzieningen niet functioneren.
                                    <vet><onderstreept>Paragraaf 3</onderstreept></vet><vet> Gebruik
                                van bouwwerken, open erven en terreinen</vet><vet><cursief>Artikel
                                    7.3.1
                                    (vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel
                                    7.3.2 Hinder</cursief></vet> Het is verboden in, op of
                            aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te
                            plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te
                            laten of werktuigen te gebruiken, waardoor: </al><lijst><li nr="a."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van
                                    het bouwwerk, het open erf of terrein; </al></li><li nr="b."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof
                                    of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast
                                    wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling
                                    daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte,
                                    dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of
                                    terrein; </al></li><li nr="c."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt. </al></li><li nr="d."><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover
                                    het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet
                                    milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing
                                    is. </al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Paragraaf 4</onderstreept></vet><vet> Het weren van
                                schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                    Reinheid</vet><vet><cursief>Artikel 7.4.1
                                Preventie</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.
                                </al></li><li nr="2."><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                    bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet
                                    wordt aangetrokken. </al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Paragraaf 5</onderstreept></vet><vet>
                                Watergebruik</vet><vet><cursief>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van
                                    water</cursief></vet> Het is verboden drink- en
                            werkwater, waarvan door burgemeester en wethouders schriftelijk is
                            medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken.
                                    <vet><onderstreept>Paragraaf 6
                                </onderstreept></vet><vet>Installaties</vet><vet><cursief>Artikel
                                    7.6.1 Gebruiksgereed houden van
                            installaties</cursief></vet>Installaties in of nabij
                            een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit en/of de Bouwverordening de
                            aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat
                            daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt. </al><al><vet>8</vet><vet> Slopen</vet><vet><onderstreept>Paragraaf
                                    1</onderstreept></vet><vet>
                                    Sloopvergunning</vet><vet><cursief>Artikel 8.1.1
                                    Sloopvergunning</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens
                                    daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een
                                    vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning).
                                </al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                    naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                    bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het
                                    verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor
                                    het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de
                                    Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                                    of oplegging van een last onder dwangsom. Burgemeester en
                                    wethouders kunnen aan deze aanschrijving voorwaarden verbinden
                                    als bedoeld in het derde lid. </al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning
                                    slechts voorschriften over: </al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen; </al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken; </al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden
                                            van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding
                                            in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en
                                            een fractie overig afval; </al></li><li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen
                                            van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede
                                            lid, letter c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn
                                            overgelegd. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde
                                    lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                    slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke
                                    opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden
                                    verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Burgemeester
                                    en wethouders verbinden aan de sloopvergunning met betrekking
                                    tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken
                                    daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn
                                    waarbinnen dit moet plaatsvinden; </al></li><li nr="5."><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                    indien in een tijdelijke bouwvergunning voor een seizoengebonden
                                    bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van het
                                    tijdelijke bouwwerk als bedoeld in het zesde lid van artikel 45
                                    van de Woningwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruikmaken van
                                een door of vanwege burgemeester en wethouders vastgesteld
                                formulier. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag moet inhouden: </al><lijst><li nr="a."><al>correspondentieadres van de aanvrager in Nederland; </al></li><li nr="b."><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en adres;
                                    </al></li><li nr="c."><al>naam en adres van degene, die met het slopen zal worden
                                        belast; </al></li><li nr="d."><al>de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop zich het te
                                        slopen bouwwerk bevindt en het huisnummer van het bouwwerk.
                                        Indien de sloopwerkzaamheden bestaan uit asbestverwijdering
                                        van meer dan één bouwwerk in het kader van hetzelfde
                                        project, wordt een lijst met bedoelde kadastrale
                                        aanduidingen en huisnummers van de desbetreffende bouwwerken
                                        bijgevoegd, welke lijst ingevolge het negende lid is
                                        gewaarmerkt; </al></li><li nr="e."><al>een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk
                                        waarop de sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien niet
                                        het gehele bouwwerk wordt gesloopt; </al></li><li nr="f."><al>het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte
                                        van het bouwwerk laatstelijk is gebezigd; </al></li><li nr="g."><al>mededeling of een bouwvergunning is of zal worden
                                        aangevraagd voor een op het perceel van het te slopen
                                        bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk op te
                                        richten of te veranderen of uit te breiden bouwwerk; </al></li><li nr="h."><al>een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal
                                        plaatsvinden; en voorts, indien van toepassing: </al></li><li nr="i."><al>het sloopveiligheidsplan. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen
                                bouwwerk asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te zijn
                                indien bij de aanvraag een van de volgende gegevens wordt
                                overgelegd: </al><lijst><li nr="a."><al>een afschrift van een asbestinventarisatierapport,
                                        uitgevoerd door een deskundig asbestonderzoeksbedrijf,
                                        waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen
                                        bouwwerk bevindt; </al></li><li nr="b."><al>een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór 26 februari 1998
                                        dat voldoet aan de eisen in BRL 5052, uitgave 1998, waaruit
                                        blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk
                                        bevindt; indien het bedoelde asbestonderzoeksrapport is
                                        opgesteld vóór 1 januari 1994, dient tevens een
                                        schriftelijke verklaring van de aanvrager te worden
                                        overgelegd dat er geen veranderingen van het te slopen
                                        bouwwerk hebben plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende
                                        materialen zijn toegepast; </al></li><li nr="c."><al>een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen bouwwerk is
                                        gebouwd na 1 juli 1993; </al></li><li nr="d."><al>bij woningen of naar bouwconstructie of materiaaltoepassing
                                        vergelijkbare, niet tot bewoning bestemde bouwwerken en
                                        bijgebouwen: een schriftelijke verklaring van de bouwer van
                                        het te slopen bouwwerk dat hij hierin geen asbest heeft
                                        toegepast, alsmede een schriftelijke verklaring van de
                                        aanvrager dat er sinds het tijdstip van de bouw geen
                                        veranderingen hebben plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende
                                        materialen zijn toegepast; </al></li><li nr="e."><al>bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke
                                        verklaring van de fabrikant of de leverancier dat het te
                                        slopen materiaal geen asbest bevat, alsmede een
                                        schriftelijke verklaring van de aanvrager dat het materiaal
                                        van deze fabrikant of leverancier afkomstig is; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien – gelet op het derde lid – wordt vermoed dat het bouwwerk
                                asbest bevat of de aanvrager weet of redelijkerwijs kan weten dat
                                zich in het bouwwerk asbest bevindt wordt met een
                                asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf aangetoond of
                                dit juist is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Indien geen
                                asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf wordt
                                overgelegd, moeten bij de aanvraag andere gegevens worden overgelegd
                                waaruit blijkt of asbest aanwezig is, en zo ja, waar dit asbest zich
                                bevindt. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien </al><lijst><li nr="a."><al>de aanvraag sloopvergunning uitsluitend betrekking heeft op
                                        het verwijderen van asbest op in de aanvraag aangeduide
                                        plaatsen, of </al></li><li nr="b."><al>een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid 3, onder b
                                        bij de aanvraag is gevoegd. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat
                                een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een bouwwerk
                                is verontreinigd met de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                                hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                                Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 159,
                                blz. 9), dient een onderzoek te worden ingesteld naar de
                                vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport met de uitslag van
                                dit onderzoek bij de aanvraag om sloopvergunning worden gevoegd.
                            </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in 3 voud
                                worden ingediend. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar
                                samenhangende terreinen dan wel indien zij betrekking heeft op
                                asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het kader van
                                hetzelfde project. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden moeten
                                door de aanvrager of diens gemachtigde ondertekend dan wel
                                gewaarmerkt worden. </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk betreft,
                                moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden de
                                bestaande en de nieuwe toestand duidelijk blijken. </al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een
                                bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van
                                ontvangst is vermeld. </al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van het
                                voornemen tot slopen voor zover dit slopen betrekking heeft op
                                asbest. </al></lid><lid><lidnr>13.</lidnr><al>Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor geen
                                sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen betrekking
                                heeft op asbest, aangemerkt als melding als bedoeld in artikel
                                8.2.1. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de bij of
                                krachtens artikel 8.1.2 gestelde eisen, alsmede de eisen die gelden
                                ingevolge de artikel 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht
                                stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid de
                                door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen binnen een
                                door hen te stellen termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens als
                                bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om
                                sloopvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.
                                Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste zes weken
                                verdagen. Een afschrift van hun besluit tot verdaging zenden zij zo
                                spoedig mogelijk aan de aanvrager. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslissen
                                burgemeester en wethouders over een aanvraag om sloopvergunning
                                binnen vier weken na de dag waarop de aanvraag om een
                                sloopvergunning is ingediend, indien het slopen uitsluitend is
                                bedoeld om asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk te
                                verwijderen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                                burgemeester en wethouders de beslissing aan indien een vergunning
                                krachtens artikel 11 of artikel 37 van de Monumentenwet 1988, een
                                provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening, een
                                leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en
                                dorpsvernieuwing, of een aanlegvergunning voor het slopen is vereist
                                en omtrent die vergunning(en) nog niet is beslist. De aanhouding
                                eindigt zes weken na bedoelde beslissing. Bij samenloop van
                                vergunningen wordt uitgegaan van de datum van de laatst genomen
                                beslissing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.5</nr><titel>Samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in het
                                kader van het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van een
                                bouwwerk waarvoor tevens een bouwvergunning is aangevraagd, kan bij
                                de aanvraag om sloopvergunning - voor zover voor beide aanvragen
                                dezelfde bescheiden en gegevens worden verlangd - worden verwezen
                                naar die bescheiden en gegevens die zijn ingediend bij de aanvraag
                                om bouwvergunning en behoeven dezelfde bescheiden niet nogmaals te
                                worden ingediend. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de beslissing
                                op de aanvraag om sloopvergunning de procedure van de beslissing op
                                de aanvraag om bouwvergunning in het geval dat beide aanvragen
                                gelijktijdig zijn ingediend. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren sloopvergunning</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren sloopvergunning</titel></kop><al> Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en
                                    ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende
                                    peil kan worden gewaarborgd; </al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het
                                    slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van
                                    voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;
                                </al></li><li nr="c."><al>een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een
                                    provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is
                                    vereist en deze niet is verleend; </al></li><li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van
                                    de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet
                                    is verleend; </al></li><li nr="e."><al>een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op
                                    grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is
                                    verleend. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekking sloopvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                            onvolledige opgave van gegevens; </al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                            sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is
                                            gemaakt; </al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden
                                            deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode
                                            van 26 weken stilliggen. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan
                                    nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord. </al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Paragraaf 2</onderstreept></vet><vet> Uitzonderingen
                                op het vereiste van sloopvergunning</vet><vet><cursief>Artikel 8.2.1
                                    Sloopmelding</cursief></vet></al><al>1.In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen sloopvergunning
                            vereist voor het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf
                            in zijn geheel slopen van: </al><lijst><li nr="a."><al>geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                    hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit
                                    een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de
                                    woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van
                                    een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor
                                    gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                    asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per
                                    kadastraal perceel bedraagt; </al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                                    vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die
                                    woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw
                                    niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf
                                    worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de
                                    oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking
                                    of vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per
                                    kadastraal perceel bedraagt; </al></li></lijst><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en
                            wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de
                            dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen sloopvergunning is
                            vereist. Met een woning wordt gelijk gesteld een woonkeet, woonwagen of
                            logiesverblijf. </al><lijst><li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                    worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens
                                    burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. </al></li><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in 2 voud
                                    worden ingediend. </al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld. </al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                    aard en het gebruik van het bouwwerk. </al></li><li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                    burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden
                                    of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld. </al></li><li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                    mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan,
                                    is de mededeling van rechtswege gedaan. </al></li><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld
                                    in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                    verwijdering, opslag en afvoer van asbest. </al></li><li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                    zevende lid is verplicht het gestelde in een door de minister
                                    van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer
                                    uitgegeven publicatie ter zake van het slopen van asbest
                                    bevattende vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de houder
                                    verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede
                                    de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van
                                    het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te
                                    nemen. </al></li><li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                    sloop vrijkomt is niet toegestaan. </al></li><li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste
                                    tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen,
                                    stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft
                                    gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te
                                    geven ontbrekende gegevens over te leggen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2</nr><titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                sloopvergunning</titel></kop><al> In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                            sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat betrekking
                            heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van de
                            uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen
                            van: </al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen; </al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie
                                    van kassen; </al></li><li nr="c."><al>rem- frictiematerialen; </al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren; </al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                    verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan
                                    2250 kilowatt.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Paragraaf 3</onderstreept></vet><vet> Verplichtingen
                                tijdens het slopen</vet><vet><cursief>Artikel 8.3.1 Veiligheid op
                                    sloopterrein</cursief></vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige
                            toepassing op het slopen en het sloopterrein. <vet><cursief>Artikel
                                    8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                                    bescheiden</cursief></vet></al><al>Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of het besluit tot
                            toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.3</nr><titel>Plichten van de houder van de sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat
                                betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de
                                vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen
                                krachtens aanneming van werk zal uitvoeren. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning stelt ten minste één week
                                voorafgaande aan de aanvang van het slopen, burgemeester en
                                wethouders schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen
                                waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                plaatsvinden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na de
                                uitvoering van de werkzaamheden burgemeester en wethouders een
                                afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in
                                artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.4</nr><titel>Plichten van degene die sloopt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend
                                voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt
                                ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding te
                                doen aan het bouw- en woningtoezicht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op
                                de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van
                                die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten
                                genoemde meldingen schriftelijk geschieden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk
                                aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt
                                gesloopt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met
                                asbest te voorkomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.6</nr><titel>Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen (
                                Vervallen)</titel></kop><al><vet><onderstreept>Paragraaf </onderstreept></vet><vet>4 Vrij
                                slopen</vet><vet><cursief>Artikel 8.4.1 Sloopafval
                                    algemeen</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                    vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens
                                    artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden
                                    in de navolgende fracties: </al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk
                                            17 de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                                            Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus
                                            2001, nr. 158, blz. 9); </al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips; </al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking; </al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen; </al></li><li nr="e."><al>asfalt; </al></li><li nr="f."><al>dakgrind; </al></li><li nr="g."><al>overig afval. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                    fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f,
                                    moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden. </al></li></lijst><al><vet>9</vet><vet> Welstand</vet><vet>Artikel 9.1 De advisering door de
                                welstandscommissie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen
                                    aan Hus &amp; Hiem, welstandsadvisering en monumentenzorg, die
                                    uit haar midden personen voordraagt als lid van de
                                    welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de
                                    welstandscommissie. </al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                    aanvragen voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als
                                    bedoeld in artikel 44, eerste lid onder d van de Woningwet. De
                                    welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                    genoemde welstandscriteria. </al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders beoordelen zonder advies van de
                                    welstandscommissie of licht-vergunningplichtige bouwwerken niet
                                    in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Burgemeester en
                                    wethouders baseren hun standpunt op de in de welstandsnota
                                    genoemde welstandscriteria. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><al><vet>( Alternatief 3 )</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden,
                                    waaronder een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste
                                    drie leden deskundig zijn op het gebied van architectuur,
                                    ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. </al></li><li nr="2."><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen. </al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                    minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                    beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand. </al></li><li nr="4."><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                    gemeentebestuur. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Benoeming en zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                                welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de
                                burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                                gemeenteraad. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9
                                bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in
                                de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><al> De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:
                            op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                            welstandsnota; de werkwijze van de welstandscommissie; op welke wijze
                            uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; de aard van de
                            beoordeelde plannen; de bijzondere projecten. De welstandscommissie kan
                            in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk
                            ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de
                            gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. <vet>Artikel 9.5 Termijn
                                van advisering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een
                                    lichte bouwvergunning uit binnen drie weken nadat door of namens
                                    burgemeester en wethouders daarom is verzocht. </al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                    reguliere bouwvergunning uit binnen zes weken nadat door of
                                    namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. </al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                    reguliere bouwvergunning eerste fase uit binnen drie weken nadat
                                    door of namens burgmeester en wethouders daarom is verzocht.
                                </al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                    welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                    bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen
                                    van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door
                                    burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van
                                    afdoening van de aanvraag om </al><lijst><li nr="a."><al>een lichte bouwvergunning langer is dan de in artikel
                                            46, eerste lid, sub a van de Woningwet bedoelde termijn
                                            van zes weken; </al></li><li nr="b."><al>een reguliere bouwvergunning langer is dan de in artikel
                                            46, eerste lid, sub van de Woningwet bedoelde termijn
                                            van twaalf weken; </al></li><li nr="c."><al>een bouwvergunning eerste fase langer is dan de in
                                            artikel 46, eerste lid, sub c van de Woningwet bedoelde
                                            termijn van zes weken. </al></li></lijst></li></lijst></artikel></regeling-tekst><bijlage><tussenkop>Bijlagen</tussenkop><al><vet>Bijlage 1</vet> Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</al><al>Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1 <vet><cursief>Artikel 1 De bij
                            de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als bedoeld in
                            artikel 2.1.3 van de bouwverordening
                            (vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel 2 De bij de
                            aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden als bedoeld
                            in artikel 2.1.6 van de bouwverordening
                            (vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel
                            3 Funderingsplan
                            (vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel
                            4 Constructieve en aanverwante gegevens
                            (vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel
                            5 Bouwveiligheidsplan
                            (vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel
                            6 Eisen ten aanzien van tekeningen
                            (vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel
                            7 Eisen ten aanzien van berekeningen
                    (vervallen)</cursief></vet></al><al><vet>Bijlage 2</vet> Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunningBijlage
                    behorende bij artikel 6.1.2 De aanvraag voor een gebruiksvergunning als bedoeld
                    in artikel 6.1.1 moet de volgende gegevens bevatten. <vet>Artikel 1</vet></al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het correspondentie-adres in Nederland van de aanvrager;
                        </al></li><li nr="b."><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                            correspondentie-adres in Nederland, en een door de aanvrager
                            ondertekende machtiging; </al></li><li nr="c."><al>een duidelijke omschrijving van de plaats en de bestemming van het
                            bouwwerk of de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; </al></li><li nr="d."><al>de wijze van verwarming van het bouwwerk, onder vermelding van de
                            energiebron; </al></li><li nr="e."><al>voor de in artikel 6.1.1, bedoelde bouwwerken bovendien het maximum
                            aantal personen, dat gelijktijdig in het bouwwerk zal verblijven. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al><vet>Artikel 2</vet> De aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 6.1.1, moet
                    zijn voorzien van de volgende tekeningen en overige bescheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>een situatietekening, vermeldende de kadastrale aanduiding en zo
                            mogelijk de straatnaam en het huisnummer van het bouwwerk c.q. de
                            bouwwerken, op een schaal van 1:1000; </al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige plattegrondtekening van het bouwwerk c.q. de bouwwerken
                            op een schaal van ten minste 1:100, aangevende de indeling, de
                            bestemming van de verschillende ruimten en de aan te brengen
                            brandveiligheidsvoorzieningen, waarop voor de in artikel 6.1.1, eerste
                            lid, onder c en d, bedoelde bouwwerken tevens de opstelling van de
                            bedden moet zijn aangegeven; </al></li><li nr="c."><al>voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a,
                            daarenboven: een plattegrond op een schaal van tenminste 1:100,
                            aangevende de vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het
                            publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte; </al></li><li nr="d."><al>voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a,
                            voor zover daarin ten behoeve van de gebruikers zitplaatsen in rijen
                            worden opgesteld, daarenboven: een plattegrondtekening op een schaal van
                            tenminste 1:100, aangevende de opstelling van de zitplaatsen, de vrij te
                            houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare
                            vrije vloeroppervlakte. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al><vet>Artikel 3</vet> De tekeningen moeten duidelijk en zaakkundig zijn
                    uitgevoerd, een en ander overeenkomstig het gestelde in artikel 2.2 van de
                    bijlage bij Besluit indieningsvereisten. </al><tussenkop>Bijlage 3</tussenkop><al>Gebruikseisen voor bouwwerken <cursief>Algemene toelichting bij bijlage
                        3</cursief> Deze gebruikseisen gelden voor alle bouwwerken met inbegrip van
                    woonfuncties en woonwagens. De eisen worden gesteld met als doel een
                    brandveilige situatie te realiseren. De voorschriften hebben een
                    gebruikscomponent en een beheercomponent. Onder de gebruikscomponent vallen de
                    voorschriften die gericht zijn op het brandveilig gebruik. Deze voorschriften
                    hebben als doel risico’s te beperken. Het risico op een brandgevaarlijke
                    situatie kan beperkt worden door preventieve maatregelen (veilig omgaan met
                    mogelijk gevaarlijke situaties) en het inperken van mogelijke gevolgen. Onder de
                    beheercomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het instandhouden
                    van het voorgeschreven niveau van gebruiksveiligheid en brandveiligheid.
                        <vet>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De bij het bouwwerk behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen
                            moeten voldoende worden vrijgehouden. </al></li><li nr="2."><al>De verbindingsweg, bedoeld in de artikelen 2.5.3, eerste en tweede lid,
                            en 5.1.2, eerste en tweede lid, en de bijbehorende opstelplaatsen voor
                            brandweervoertuigen moeten over de volle hoogte en ter breedte van de
                            verharding worden vrijgehouden. Hekwerken die deze verbindingswegen en
                            opstelplaatsen afsluiten, moeten snel en gemakkelijk kunnen worden
                            geopend. </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 1 Lid 1 De term ‘voldoende vrij’ kan worden
                    geïnterpreteerd aan de hand van de publicatie ‘Handleiding Bluswatervoorziening
                    en bereikbaarheid’ of de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ uitgave
                    Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus
                    7010, 6801 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl Lid 2 Het snel
                    kunnen openen betekent dat de vertraging als gevolg van het moeten openen van
                    het hekwerk maximaal 30 seconden bedraagt. <vet>Artikel 2 Elektrische
                        installaties en toestellen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel
                            te gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die
                            installatie of dat toestel gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.
                        </al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel
                            op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik door de wijze waarop die
                            installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert
                            voor het ontstaan van brand. </al></li><li nr="3."><al>De bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste
                            noodverlichtingsinstallatie wordt ten minste eenmaal per jaar door een
                            ter zake kundige gecontroleerd op de goede werking. Het nodige onderhoud
                            wordt verricht. </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 2 Lid 1 Geacht wordt te zijn voldaan aan de eisen indien
                    de eigenschappen van de verlichtingsinstallatie in overeenstemming zijn met het
                    bepaalde in de Regeling Bouwbesluit 2003, zoals laatstelijk herzien. Lid 2 Het
                    is niet toegestaan een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel aan te
                    brengen in de omgeving van brandgevaarlijke materialen. De stoffering en
                    versiering moet vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende
                    apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 90o C bedraagt (zie ook
                    Bijlage 4, artikel 2). Lid 3 Er wordt geacht te zijn voldaan aan de eis wanneer
                    de inspectie en het onderhoud is verricht volgens de publicatie 79 ‘Inspectie en
                    onderhoud van noodverlichtingsinstallaties’ van ISSO/NFVN/Uneto-VNI, juni 2004.
                    De resultaten van de inspectie en onderhoud dienen opgenomen te worden in het
                    logboek. De publicatie is verkrijgbaar bij Instituut voor Studie en Stimulering
                    van onderzoek op het gebied van gebouwinstallaties (ISSO), Postbus 1819, 3000 BV
                    ROTTERDAM, telefoon (010) 206 59 69, www.isso.nl. <vet>Artikel 3 Installaties
                        voor verwarming en kookdoeleinden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden
                            opgeslagen/opgesteld. Stooktoestellen die buiten een stookruimte zijn
                            opgesteld, dienen vrij te worden gehouden van brandbare goederen. </al></li><li nr="2."><al>Een opening ten behoeve van de toevoer van verbrandingslucht, op grond
                            van enige regeling geëist, wordt niet afgesloten. </al></li><li nr="3."><al>Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te
                            gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie
                            of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand. Het
                            bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht
                            aanwezig te zijn bij het gebruik van: </al><lijst><li nr="o"><al>centraleverwarmingsinstallaties die voldoen aan de
                                    veiligheidseisen voor centraleverwarmingsinstallaties, opgenomen
                                    in NEN 3028, uitgave 2004; </al></li><li nr="o"><al>centraleverwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat
                                    wordt gedistribueerd door middel van pijpleidingen welke
                                    installaties bovendien voldoen aan de
                                    gasinstallatievoorschriften, opgenomen in NEN 1078, uitgave
                                    1999; </al></li><li nr="o"><al>niet op de centrale distributienetten aangesloten installaties
                                    voor het stoken met vloeibaar gas die voldoen aan de eisen in
                                    NEN 1078, uitgave 1999. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te
                            gebruiken, indien dat gebruik door de wijze waarop die installatie of
                            dat toestel is opgesteld of aangebracht gevaar oplevert voor het
                            ontstaan van brand. </al></li><li nr="5."><al>Het is verboden een verwarmingstoestel dat bedoeld is te functioneren
                            met een rookgasafvoer te gebruiken zonder een doeltreffende voorziening
                            voor de afvoer van rook. </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 3 Lid 1 Met brandbare goederen wordt bedoeld goederen
                    die zijn opgenomen in de Regeling Bouwbesluit 2003. In de stookruimte mogen
                    dergelijke goederen niet worden opgeslagen of opgesteld. De straling rondom een
                    stooktoestel buiten een stookruimte mag geen pyrofore verbranding veroorzaken.
                    Dit betekent dat het gebied rondom het stooktoestel waar een temperatuur van 90
                    graden Celsius kan optreden, moet worden vrijgehouden van brandbare materialen.
                    Dit artikel ligt in de lijn van artikel 6.4.1 waarin onder andere wordt gesteld
                    dat het verboden is brand en/of brandgevaar te veroorzaken. Lid 2 Wanneer de
                    toevoer van een gesloten verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal het
                    verbrandingstoestel op den duur niet meer functioneren. Wanneer de toevoer van
                    een open verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal er in het verbrandingstoestel
                    een tekort aan zuurstof ontstaan. Als gevolg hiervan zal er een onvolledige
                    verbranding plaatsvinden. Bij een onvolledige verbranding komt het zeer giftige
                    koolmonoxide vrij. De koolmonoxide zal naar binnen stromen en vormt hiermee een
                    gevaar voor mensen. Werkzaamheden, waaronder die voor onderhoud, herstel en
                    sloop, dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de goede werking van de
                    luchttoevoer daardoor niet wordt verstoord. Lid 3 De genoemde normbladen
                    bevatten eisen die mede verband houden met de brandveiligheid. Lid 4 Een
                    installatie voor verwarming en kooldoeleinden in de omgeving van
                    brandgevaarlijke materialen is niet toegestaan. Er dienen zodanige maatregelen
                    getroffen te worden, bijvoorbeeld door het verplaatsen van de
                    verwarmingsinstallatie of het aanbrengen van een isolerende laag, dat de
                    brandbare materialen niet hun eigen ontbrandingstemperatuur zullen bereiken.
                    Wanneer de temperatuur van de materialen nabij een rookafvoerkanaal hoger kan
                    worden dan 90o C dienen deze materialen onbrandbaar te zijn volgens NEN 6064,
                    uitgave 1991 en NEN 6064/2, uitgave 2001 ‘Bepaling van de onbrandbaarheid van
                    bouwmaterialen’. Lid 5 De voorzieningen die op grond van enig voorschrift uit
                    het Bouwbesluit zijn vereist, dienen te voldoen aan de aansluitvoorwaarden.
                        <vet>Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rookgassen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken dat
                            niet doeltreffend is gereinigd. </al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook uit te branden.
                        </al></li><li nr="3."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken,
                            indien dit gebruik door de toestand waarin de voorziening voor afvoer
                            van rook zich bevindt dreigend gevaar oplevert voor de veiligheid van
                            personen. </al></li><li nr="4."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook waarin brand heeft
                            gewoed te gebruiken voordat het is gereinigd en zonodig hersteld. </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 4 Lid 1 Met een doeltreffende reiniging wordt in geval
                    van vaste en vloeibare brandstoffen bedoeld dat een voorziening voor de afvoer
                    van rook afhankelijk van het gebruik gemiddeld eenmaal per jaar wordt gereinigd.
                    Voor een afvoerkanaal voor gasvormige brandstoffen is eenmaal per jaar een
                    controle en indien noodzakelijk een reiniging noodzakelijk. Lid 2 Het is niet
                    toegestaan de omgeving overlast te bezorgen door een voorziening voor de afvoer
                    van rook uit te branden. Daarnaast is er een aanzienlijk risico op het ontstaan
                    van beschadigingen aan de voorziening voor de afvoer van rook als gevolg van het
                    uitbranden. Lid 3 Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook
                    te gebruiken, die niet deugdelijk is geconstrueerd, of die scheurvorming
                    vertoont. De omgeving van een dergelijke voorziening voor de afvoer van rook mag
                    geen gevaar lopen. Lid 4 Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer
                    van rook te gebruiken die niet is gereinigd en zonodig hersteld nadat er een
                    brand heeft gewoed. De voorziening voor de afvoer van rook kan dan namelijk
                    scheurvorming vertonen en daarmee loopt de omgeving gevaar. </al><tussenkop>Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te roken of vuur te hebben in een ruimte bestemd voor de
                            opslag van een of meer der stoffen genoemd in de Regeling bouwbesluit
                            2003; bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van
                            brandbare vloeistoffen en/of gassen kunnen veroorzaken; bij het vullen
                            van een brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of een brandbaar
                            gas. </al></li><li nr="2."><al>Niemand mag roken of vuur bij zich hebben op plaatsen waar een zodanig
                            verbod, ter voldoening aan hetgeen bij of krachtens wettelijk
                            voorschrift is gesteld, op een voor een ieder kenbare wijze is
                            aangegeven. </al></li><li nr="3."><al>Het rookverbod c.q. open vuur verbod wordt op opvallende plaatsen
                            duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van het opschrift ‘VERBODEN
                            TE ROKEN’ of ‘VERBODEN VOOR OPEN VUUR’, dan wel door middel van een
                            gestandaardiseerd symbool overeenkomstig het gestelde in de norm NEN
                            3011, uitgave 2004. </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 5 Lid 1Vanwege de aanwezigheid van brandgevaarlijke
                    stoffen mag in een opslagruimte niet worden gerookt of open vuur aanwezig zijn.
                    Niemand mag roken of vuur bij zich dragen op plaatsen waar een dergelijke verbod
                    is afgekondigd. Er dient in de desbetreffende ruimte duidelijk en zichtbaar een
                    bord met het opschrift ‘verboden te roken’ aangebracht te worden. Lid 2 Niemand
                    mag roken of vuur bij zich dragen op plaatsen waar een dergelijk verbod is
                    afgekondigd. Op de betreffende plaatsen dient duidelijk zichtbaar met
                    pictogrammen aangeduid te zijn dat roken en het bij zich dragen van vuur
                    verboden is. Het verbod kan zijn opgesteld in de Woningwet, de Wet milieubeheer,
                    de Brandweerwet of de Arbeidsomstandighedenwet of de bij deze wetten behorende
                    besluiten en maatregelen. Lid 3 In het derde lid van artikel 5 wordt geregeld
                    hoe aan de mensen kenbaar gemaakt moet worden dat er sprake is van een
                    rookverbod. <vet>Artikel 6 Blusleidingen en de bijbehorende
                        pompinstallaties</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                            onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid
                            en goede werking van blusleidingen en de eventueel bijbehorende
                            pompinstallaties. </al></li><li nr="2."><al>Bij oplevering van de installatie en daarna eenmaal per vijf jaar wordt
                            de droge blusleiding getest conform NEN 1594, uitgave 1991 en NEN
                            1594/A1, uitgave 1997. </al></li><li nr="3."><al>De pompinstallatie voor de blusleiding moet ten minste eenmaal per maand
                            worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden
                            gerepareerd. </al></li><li nr="4."><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                            onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede
                            werking van de blusleiding en de bijbehorende pompinstallatie. </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 6 Lid 1 De blusleidingen en de bijbehorende
                    pompinstallaties dienen eenmaal per jaar visueel geïnspecteerd te worden op
                    gebreken door de gebouweigenaar. De resultaten van de inspectie dienen te worden
                    vastgelegd in het logboek. Indien gebreken zijn geconstateerd, dienen deze
                    verholpen te worden door een installateur. Lid 2 De droge blusleiding dient
                    eenmaal per vijf jaar gecontroleerd en zonodig gerepareerd te worden door een
                    installateur. De droge blusleiding moet, na geheel met water te zijn gevuld,
                    worden onderworpen aan een druk van 1600 kPa gemeten op de hoogte van het
                    maaiveld. Deze druk moet zich zonder bijpompen gedurende vijf minuten handhaven.
                    Boven de zeventig meter moet voor elke tien meter de druk met 100 kPa worden
                    verhoogd. De resultaten van deze test moeten, in de vorm van een testrapport,
                    opgenomen worden in het logboek. Lid 3 Het toepassingsgebied van de in artikel
                    6, tweede lid genoemde norm NEN 1594, uitgave 1991 en NEN 1594/A1, uitgave 1997
                    ‘Droge blusleidingen in en aan gebouwen’ beperkt zich tot gebouwen die niet
                    hoger zijn dan zeventig meter. Dit houdt verband met de beschikbare opvoerdruk
                    van een blusvoertuig van de brandweer die vanaf deze hoogte problematisch wordt.
                    Bij gebouwen hoger dan zeventig meter dient een zelfstandige pompinstallatie te
                    worden geïnstalleerd. De pompinstallatie dient minimaal eenmaal per
                    vierentwintig uur gedurende vijf minuten proef te draaien. Dit dient automatisch
                    te gebeuren. Bij brandmelding moet de testprocedure worden overbrugd. Het
                    functioneren hiervan moet buiten de pompruimte, bijvoorbeeld in de portiersloge,
                    receptie en/of een commandoruimte, optisch worden gesignaleerd. (Ontleend aan de
                    publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor
                    Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon
                    (026) 355 24 55, www.nvbr.nl) Ten minste eenmaal per maand dienen de resultaten
                    van het automatische proefdraaien vastgelegd te worden in het logboek. Lid 4 De
                    installatie dient gecontroleerd te worden door een installateur die indien
                    noodzakelijk herstelwerkzaamheden uitvoert. De resultaten van de inspectie
                    dienen opgenomen te worden in het logboek. <vet>Artikel 7 Brandweerlift</vet>
                    Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud
                    worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid, veiligheid en
                    goede werking van brandweerliften; Toelichting bij artikel 7 Wanneer een lift
                    regelmatig wordt getest volgens het Warenwetbesluit Liften wordt niet volledig
                    voldaan aan dit artikel. Bij een vervolgkeuring worden door het Liftinstituut de
                    volgende zaken gecontroleerd: </al><lijst><li nr="·"><al>Oproep hoofdstopplaats; </al></li><li nr="·"><al>Alle overige oproepen vervallen; </al></li><li nr="·"><al>Alleen kooiopdrachten; </al></li><li nr="·"><al>Parkeren met geopende deuren; </al></li><li nr="·"><al>Fotocellen uitgeschakeld. </al></li></lijst><al>Een lift dient ook getest te worden op de volgende onderdelen: </al><lijst><li nr="·"><al>De schachtventilatie; </al></li><li nr="·"><al>De plaatsing van de schakelaar voor de liftvoeding in de
                            laagspanningsruimte; </al></li><li nr="·"><al>De ligging van de voedingskabel naar de hoofdschakelaar van de lift in
                            de machinekamer. </al></li></lijst><al>Een vervolgkeuring vindt de eerste keer plaats na uiterlijk twaalf maanden en
                    vervolgens iedere keer na uiterlijk achttien maanden. De resultaten van de test
                    dienen opgenomen te worden in het logboek. Indien nodig, dienen onmiddellijk
                    herstelwerkzaamheden uitgevoerd te worden. Het onderhoud van liften wordt
                    geregeld in NEN-EN 13015, uitgave 2001 ‘Onderhoud van liften en roltrappen –
                    Regels voor onderhoudsinstructies’. <vet>Artikel 8 Brandmeldinstallatie</vet>
                    Met betrekking tot het gebruik van de bij of krachtens hoofdstuk 2 vereiste
                    brandmeldinstallatie met verplichte doormelding naar de brandweer moet te allen
                    tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, als bedoeld in de
                    Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor Criminaliteitspreventie
                    en Veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel een certificaat waarvan een door
                    burgemeester en wethouders erkende, ter zake kundige, onafhankelijke
                    onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit
                    certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de
                    vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002. Toelichting bij artikel 8
                    Deze eis is bedoeld om ongewenste en onechte meldingen op een adequate manier te
                    voorkomen. Om dit te bereiken is het onder andere noodzakelijk dat er een
                    opgeleid beheerder brandmeldinstallatie beschikbaar is, zoals bedoeld in NEN
                    2654-1, uitgave 2002 ‘Beheer, controle en onderhoud van
                    brandbeveiligingsinstallaties’. Het certificaat dient te worden opgenomen in het
                    logboek. Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn burgemeester en
                    wethouders bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de
                    NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in
                    de verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de
                    bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                    voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                    gepubliceerd. <vet>Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ontruimingsalarminstallatie moet te allen tijde voor onmiddellijk
                            gebruik beschikbaar zijn. Het beheer, de controle en het onderhoud van
                            de ontruimingsalarminstallatie wordt geregeld conform NEN 2654-2,
                            uitgave 2004. </al></li><li nr="2."><al>De gebruiker van het bouwwerk waarin bij of krachtens enig wettelijk
                            voorschrift een ontruimingsalarminstallatie is geëist, stelt een
                            ontruimingsplan op ten behoeve van de in het bouwwerk aanwezige
                            personen. Het ontruimingsplan wordt opgesteld volgens de relevante delen
                            van de NTA 8112. </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 9 Lid 1 Om in een calamiteit alle aanwezigen te kunnen
                    alarmeren, stelt hoofdstuk 2 eisen aan de aanwezigheid van een
                    ontruimingsalarminstallatie. Uiteraard moet de werking van een aanwezige
                    ontruimingsalarminstallatie (ook wanneer deze niet geëist wordt in bedoeld
                    hoofdstuk 2, maar wel in een gebouw aanwezig is) gegarandeerd zijn. Gebruikers
                    van een gebouw moeten namelijk kunnen vertrouwen op de goede werking van de
                    ontruimingsalarminstallatie. Lid 2 Het ontruimingsplan wordt opgenomen in het
                    logboek. Daarnaast worden de verslagen van de ontruimingsoefeningen bijgehouden
                    in het logboek. Voor de opstelling van het ontruimingsplan wordt de aanbeveling
                    voor het opstellen van ontruimingsplannen gevolgd. Deze NTA 8112 ‘Leidraad voor
                    een ontruimingsplan’ wordt uitgegeven door het Nederlands Normalisatie
                    Instituut. Voor veel gebruiksfuncties is een apart deel beschikbaar. De totale
                    reeks ziet er als volgt uit. Op dit moment zijn nog niet alle delen beschikbaar.
                    De actuele stand van zaken vindt u op www.nen.nl. </al><al> Deel 1: Kantoorgebouwen Deel 2: Onderwijsgebouwen Deel 3: Kinderopvanggebouwen
                    Deel 4: Gebouwen met een publieksfunctie Deel 5: Logiesgebouwen Deel 6:
                    Gezondheidszorggebouwen Deel 7: Industriegebouwen Deel 8: Cellen en celgebouwen
                    Deel 9: Ontruimingshandleiding en ontruimingskaart voor
                    niet-vergunningsplichtige bouwwerken Wanneer het door u benodigde deel nog niet
                    beschikbaar is, kunt u gebruik maken van de publicatie ‘Ontruimingsplannen en
                    –oefeningen’ van het Nederlands Instituut voor Bedrijfshulpverlening. Deze
                    publicatie is verkrijgbaar via het Nederlands Instituut voor
                    Bedrijfshulpverlening (NIBHV), Postbus 8714, 3009 AS Rotterdam. www.nibhv.nl. De
                    aanwezigheid van een ontruimingsplan wordt eveneens vereist op grond van artikel
                    6.1.1, tweede lid, MBV, artikel 9 van bijlage 3 MBV, artikel 15 Arbowet en
                    afdeling 4 van het Arbobesluit. <vet>Artikel 10 Automatische
                        brandblusinstallatie</vet> Met betrekking tot het gebruik van de
                    automatische brandblusinstallatie moet te allen tijde een geldig certificaat
                    kunnen worden overgelegd, dat door burgemeester en wethouders wordt aanvaard.
                    Burgemeester en wethouders aanvaarden altijd een geldig certificaat indien dit
                    certificaat afkomstig is van een certificeringsinstelling die terzake is erkend
                    door de Raad voor Accreditatie. Toelichting bij artikel 10 Dit artikel heeft als
                    doel dat de werking van een automatische brandblusinstallatie in een gebouw
                    altijd gegarandeerd is. Een automatische brandblusinstallatie kan toegepast
                    worden in een gebouw in het kader van ‘gelijkwaardigheid’ of in het kader van
                    ‘gelijkwaardige veiligheid’. We spreken over ‘gelijkwaardigheid’ wanneer er
                    sprake is van een situatie die past binnen het toepassingsgebied van het
                    Bouwbesluit waarbij de eigenaar van het gebouw de automatische
                    brandblusinstallatie toepast als alternatief voor bouwkundige brandwerende
                    voorzieningen. We spreken over ‘gelijkwaardige veiligheid’ wanneer er sprake is
                    van een situatie die buiten het toepassingsgebied van het Bouwbesluit valt. Een
                    voorbeeld hiervan is een gebouw dat hoger is dan zeventig meter. Het Europese
                    non-discriminatiebeginsel brengt bovendien met zich mee dat certificaten van
                    instellingen uit andere lidstaten van de Europese Unie, alsmede Noorwegen,
                    IJsland en Liechtenstein, eveneens moeten worden aanvaard, mits zulke
                    certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de gevestigde instituten in
                    Nederland worden afgegeven. De onderhavige eis in de bouwverordening geldt
                    uitsluitend voor een certificaat(gedeelte) inzake het gebruik van de
                    automatische brandblusinstallatie, dat wil zeggen een – niet verlopen -
                    kwaliteitsverklaring betreffende de periodieke goedkeuring van de staat van
                    onderhoud, het gebruiksgereed zijn en de goede werking. Uiterlijk één maand na
                    de aanleg van de installaties, en vervolgens iedere twaalf maanden daarna,
                    worden de installaties geïnspecteerd door een EN 45004, type A,
                    inspectie-instelling die geaccrediteerd is door de Stichting Raad voor
                    Accreditatie. De inspectierapporten zijn binnen de inrichting aanwezig.
                    Burgemeester en wethouders kunnen beleid voeren op dit onderdeel en daarin
                    bepalen van welke certificeringsinstellingen die niet terzake erkend zijn door
                    de Raad voor Accreditatie geldige certificaten worden aanvaard. Een installatie
                    is voorzien van een geldige kwaliteitsverklaring (certificaat) die is afgegeven
                    door een certificatie-instelling die geaccrediteerd is door de Stichting Raad
                    voor Accreditatie. </al><tussenkop>Artikel 11 Brandslanghaspels en de bijbehorende
                    pompinstallatie</tussenkop><tussenkop>Artikel 11 Brandslanghaspels en de bijbehorende pompinstallatie </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De pompinstallatie van een bij of krachtens enig wettelijk voorschrift
                            aanwezige brandslanghaspel moet ten minste eenmaal per maand worden
                            gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd. </al></li><li nr="2."><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                            onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid
                            en goede werking van de brandslanghaspel en de daarbij behorende
                            pompinstallaties conform NEN-EN 671-3, uitgave 2000. </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 11 De resultaten van de controles dienen opgenomen te
                    worden in het logboek. De als Nederlandse norm aanvaarde Europese norm NEN-EN
                    671-3, uitgave 2000 ‘Vaste brandblusinstallaties – brandslangsystemen – deel 3:
                    Onderhoud van brandslanghaspels met vormvaste slang en brandslanginstallaties
                    met plat opgerolde slang’ geeft eisen voor de inspectie en het onderhoud van
                    brandslanghaspels en brandslangsystemen, waardoor de werking van het product in
                    overeenstemming blijft met het doel waarvoor ze zijn geproduceerd, geleverd of
                    geïnstalleerd. Brandslanghaspels en brandslangsystemen zijn bedoeld als eerste
                    interventiemiddel bij het blussen van een brand totdat er krachtiger blusacties
                    door de brandweer worden ingezet. <vet>Artikel 12 Automatisch werkende
                        deuren</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Automatisch werkende deuren in een vluchtroute mogen de ontvluchting
                            niet belemmeren. </al></li><li nr="2."><al>Bij aanwezigheid van een sluisconstructie worden voorzieningen
                            getroffen, zodat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt gedaan.
                        </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 12 Lid 1 Automatisch werkende deuren in een vluchtroute
                    moeten bij het wegvallen van de netspanning automatisch opengaan of gemakkelijk
                    met de hand kunnen worden geopend en vervolgens in geopende stand blijven staan.
                    Op handmatig te openen schuifdeuren moet duidelijk kenbaar worden gemaakt hoe de
                    deur moet worden geopend. Dit artikel geldt niet voor automatisch werkende
                    schuifdeuren waarvoor een brandwerendheidseis of een rookwerendheidseis geldt op
                    grond van enig wettelijk voorschrift. De betreffende deuren moeten zelfsluitend
                    zijn en handmatig geopend kunnen worden. Lid 2 Bij aanwezigheid van een
                    sluisconstructie dienen voorzieningen te zijn getroffen dat in geval van brand
                    de sluiswerking teniet wordt gedaan. De voorzieningen moeten voldoen aan het
                    gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse
                    Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA
                    Arnhem, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl. Voorbeelden van sluisconstructies
                    die in dit artikellid bedoeld worden, zijn tochtsluizen en bewakingssluizen. Dit
                    artikellid is niet van toepassing op rooksluizen zoals bedoeld in artikel 2.135
                    van het Bouwbesluit. <vet>Artikel 12A Deuren van overdruktrappenhuizen</vet> De
                    deuren die op de verdiepingen van gebouwen leiden naar een overdruktrappenhuis,
                    als bedoeld in NEN 6092, uitgave 1995, moeten op ooghoogte zijn voorzien van een
                    herkenbaar opschrift waaruit blijkt dat het een overdruktrappenhuis is. </al><al>Toelichting bij artikel 12A Wanneer een trappenhuis op overdruk staat, kunnen
                    vluchtende mensen denken dat de toegang tot het trappenhuis op slot zit. De
                    weerstand van een deur waarbij het trappenhuis op overdruk staat, is groter dan
                    de weerstand van een normale deur. Een voorbeeld van een opschrift is: ‘HARD
                    DUWEN, trappenhuis kan op overdruk staan’. <vet>Artikel 13 Kwaliteit van
                        vluchtrouteaanduiding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vluchtrouteaanduiding, die bij of krachtens enig wettelijk
                            voorschrift is vereist, dient altijd goed zichtbaar te zijn. </al></li><li nr="2."><al>De vluchtrouteaanduiding die bij of krachtens enig wettelijk voorschrift
                            is vereist, wordt tenminste eenmaal per jaar gecontroleerd en zo nodig
                            gerepareerd. </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 13 Lid 1 De vluchtrouteaanduiding dient te voldoen aan
                    het gestelde in artikel 2.6.8 tot en met 2.6.10 van de bouwverordening.
                    Vluchtrouteaanduidingen moeten te allen tijde zichtbaar zijn. Hiermee wordt
                    bedoeld dat er geen gordijnen voor de vluchtrouteaanduiding mogen hangen. Voor
                    de staat van vluchtrouteaanduidingen in bestaande bouwwerken en als grondslag
                    voor een besluit op grond van artikel 13 Woningwet, dan wel het toepassen van
                    bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom wordt het hiervoor
                    bedoelde voorschrift in artikel 2.6.9, eerste lid van overeenkomstige toepassing
                    verklaard in artikel 5.2.1 van de bouwverordening. Lid 2 De resultaten van de
                    controle dienen opgenomen te worden in het logboek. <vet>Artikel 14
                        Gasflessen</vet><vet>(Vervallen) </vet><vet>Artikel 15
                        Rookbeheersingssystemen</vet> Met betrekking tot het gebruik, het onderhoud
                    en de controle van het bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste
                    rookbeheersingssysteem moet te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden
                    overgelegd, dat is verleend door een door burgemeester en wethouders aanvaarde
                    instelling. Toelichting bij artikel 15 Er bestaan diverse
                    rookbeheersingssystemen. Voorbeelden zijn: rook- en warmteafvoerinstallaties,
                    overdrukinstallaties en stuwkrachtventilatie. Van het gebruik, het onderhoud en
                    de controle van rookbeheersingssystemen moet te allen tijde een certificaat
                    kunnen worden overlegd. De rookbeheersinssystemen moeten voldoen aan het
                    gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse
                    Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA
                    Arnhem, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl . <vet>Artikel 16
                        Overdrukinstallatie (vervallen) </vet></al><tussenkop>Artikel 17 Onderhoud van rook- en brandscheidingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een
                            rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten minste
                            eenmaal per maand gecontroleerd op een goede werking en zo nodig
                            gerepareerd. </al></li><li nr="2."><al>Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige
                            onderhoud verricht en een controle gehouden op de goede werking van de
                            voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een
                            rookwerendheidseis en/of een brandwerendheidseis geldt. </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 17 Alle voorzieningen in doorvoeren door een wand
                    waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten
                    minste eenmaal per maand gecontroleerd op een goede werking en zo nodig
                    gerepareerd. Voorbeelden van de bedoelde voorzieningen zijn brandkleppen en
                    brandmanchetten. Deze voorzieningen kunnen getroffen zijn in
                    luchtbehandelingskanalen, maar ook kabelgoten, transportsystemen en buizenpost
                    zijn voorbeelden van doorvoeren die door wanden kunnen lopen waarvoor een
                    rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt. De resultaten van de
                    controles dienen opgenomen te worden in het logboek. <vet>Artikel 18
                        Brandweeringang</vet><vet>(vervallen) </vet><vet>Artikel 19
                    Logboek</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De historie van de brandbeveiligingsvoorzieningen, de werkzaamheden en
                            het onderhoud bij of krachtens enig voorschrift uit deze verordening
                            inclusief bijlagen vereist, worden in een logboek vermeld. </al></li><li nr="2."><al>Het logboek ligt in het bouwwerk ter inzage en wordt onmiddellijk aan de
                            met toezicht belaste personen getoond. </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 19 Met de historie van de installatie wordt bedoeld:
                    alle technisch relevante informatie voor een correcte aanleg van de installatie,
                    de werkzaamheden die verricht zijn aan de installatie, de verslagen van de
                    maandelijkse controles, de certificaten etc. Eveneens dienen de resultaten van
                    de ontruimingsoefeningen in het logboek vastgelegd te worden. Het logboek moet
                    onmiddellijk beschikbaar zijn, zodat handhavers en toezichthouders het kunnen
                    raadplegen. <vet>Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale
                        bedrijfsuitoefening</vet> Voordat er onderhouds-, herstellings-, wijzigings-
                    of sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd, waarbij stoffen als bedoeld in de
                    Regeling bouwbesluit 2003, of gereedschappen worden gebruikt, in, op of aan een
                    bouwwerk of installatie van een bouwwerk dat vanwege zijn kunstwaarde,
                    wetenschappelijk of maatschappelijk belang bijzondere bescherming behoeft tegen
                    brandgevaar, wordt dit door de rechthebbende van dat bouwwerk aan burgemeester
                    en wethouders gemeld. Toelichting bij artikel 20 Burgemeester en wethouders
                    dienen op de hoogte te worden gesteld van werkzaamheden die worden verricht aan
                    bijzondere gebouwen. Het betreft hier onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of
                    sloopwerkzaamheden waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit 2003
                    of gereedschappen worden gebruikt. Bijzondere gebouwen zijn gebouwen die
                    kunstwaarde hebben of van wetenschappelijk of maatschappelijk belang zijn. Per
                    gemeente wordt bepaald voor welke gebouwen deze eis van toepassing is.
                        <vet>Artikel 21 Rookmelders in woningen</vet> De op grond van artikel 2.146,
                    lid 7, van het Bouwbesluit 2003 aanwezige rookmelders moeten adequaat
                    functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002. Toelichting bij artikel 21 Met dit
                    artikel wordt bedoeld dat de rookmelders in woningen die op grond van artikel
                    2.146, lid 7 van het Bouwbesluit vereist zijn, adequaat moeten functioneren
                    volgens NEN 2555, uitgave 2002, ‘Brandveiligheid van gebouwen – rookmelders voor
                    woonfuncties’. De op grond van enig ander wettelijk voorschrift noodzakelijke
                    rookmelders vallen buiten dit artikel. Rookmelders hebben een beperkte
                    levensduur. De werking van de rookmelder dient te allen tijde gegarandeerd te
                    zijn. <vet>Artikel 22 Roltrap</vet> Een terugloopruimte van een roltrap wordt
                    ter voorkoming van brand vrijgehouden van vuil en stof. Deze ruimte wordt
                    daartoe overeenkomstig NEN-EN 13015, uitgave 2001, ten minste eenmaal per
                    kwartaal onderhouden en gereinigd. Toelichting bij artikel 22 Wanneer de
                    terugloopruimte van een roltrap niet deugdelijk onderhouden en gereinigd is,
                    bestaat er een verhoogd risico op het ontstaan van brand. <vet>Artikel 23
                        Garantiecertificaat</vet> Constructie-onderdelen die uitsluitend met
                    aanvullende behandelingen de benodigde prestaties kunnen garanderen, zijn
                    voorzien van een geldig certificaat. Het certificaat wordt opgenomen in het
                    logboek. Toelichting bij artikel 23 Voorbeelden van constructie-onderdelen die
                    uitsluitend met aanvullende behandelingen de benodigde prestaties kunnen
                    garanderen zijn: </al><lijst><li nr="·"><al>Rieten daken; na behandeling kan een rieten dak niet-brandgevaarlijk
                            zijn. </al></li><li nr="·"><al>Stalen draagconstructies; na behandeling met een verfsysteem kan de
                            draagconstructie brandwerend zijn. </al></li><li nr="·"><al>Houten gevelbekleding; na behandeling met een impregneermiddel kan de
                            gevelbekleding voldoen aan de eisen die gelden ten aanzien van
                            brandvoortplanting. </al></li></lijst><al>Aangezien de benodigde behandeling van de constructie veroudert, bestaat er een
                    risico op een vermindering van de kwaliteit. Deze kwaliteit dient gegarandeerd
                    te worden doordat een geldig certificaat beschikbaar is. Er wordt vanuit gegaan
                    dat de benodigde voorzieningen in beginsel goed zijn aangebracht en dat ze in
                    stand worden gehouden. <vet>Artikel 24 Opslag van goederen in rookvrije
                        vluchtroutes</vet> De opslag van goederen is niet toegestaan in: </al><lijst><li nr="a."><al>rookvrije vluchtroutes van slaapgebouwen (woonfunctie, logiesfunctie,
                            celfunctie, gezondheidszorgfunctie); </al></li><li nr="b."><al>brand- en rookvrije vluchtroutes van niet-slaapgebouwen
                            (bijeenkomstfunctie, industriefunctie, kantoorfunctie, onderwijsfunctie,
                            sportfunctie, winkelfunctie, overige gebruiksfunctie). </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 24 In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan
                    constructie-onderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van
                    brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen dient voorkomen
                    te worden dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het oppervlak van
                    een bouwwerk. Tevens dient voorkomen te worden dat als gevolg van een hevige
                    rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt. In ruimten
                    waardoor gevlucht wordt, stelt het Bouwbesluit over het algemeen hogere eisen
                    aan het materiaalgedrag in relatie tot de ontwikkeling van brand en de beperking
                    van het ontstaan van rook. In deze ruimten is de opslag van goederen daarom niet
                    toegestaan. De opslag van bijvoorbeeld papier, stoelen, etc. heeft immers niet
                    dezelfde kwaliteit als de bouwconstructies waarvoor die hogere eisen aan
                    brandvoortplanting en rookdichtheid geldt. De bedoelde vluchtroutes waarin
                    opslag niet is toegestaan, zijn bijvoorbeeld gangen en trappenhuizen in gebouwen
                    met woonfuncties, logiesfuncties en gezondheidszorgfuncties (slaapgebouwen) of
                    de brand- en rookvrije vluchtroutes (meestal trappenhuizen) in gebouwen met een
                    kantoorfunctie, onderwijsfunctie, bijeenkomstfunctie, winkelfunctie
                    (niet-slaapgebouwen). Wanneer volgens het Bouwbesluit in de vluchtroute
                    verhoogde eisen gelden aan de mate van brandvoortplanting en rookdichtheid
                    (brandvoortplantingsklasse 3, 2 of 1 / T2 of T1 en/of rookdichtheid 5,4 of 2,2
                    m-1) is de opslag van goederen in deze ruimten niet toegestaan. <vet>Artikel 25
                        Bluswaterwinplaats op eigen terrein</vet> De rechthebbende op een bouwwerk,
                    ten behoeve waarvan een bluswaterwinplaats aanwezig is, is verplicht deze
                    zodanig te onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kan
                    worden beschikt. Toelichting bij artikel 25 Een bluswaterwinplaats op eigen
                    terrein moet altijd beschikbaar zijn. De eigenaar van het bouwwerk ten behoeve
                    waarvan de bluswaterwinplaats aanwezig is, moet ervoor zorgen dat de
                    bluswaterwinplaats zodanig is onderhouden dat er altijd voldoende bluswater
                    beschikbaar is. Het bedoelde onderhoud omvat ten minste een periodieke test op
                    het leveren van voldoende capaciteit en een adequate bereikbaarheid. Deze test
                    dient in de frequentie te worden uitgevoerd die gebruikelijk is voor de publieke
                    brandkranen in de gemeente. Op verzoek van of namens burgemeester en wethouders
                    dient van de test een bewijs (testrapport) te worden overlegd. </al><al><vet>Bijlage 4</vet> Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                    niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfunctiesDe eisen worden gesteld met als
                    doel een brandveilige situatie te realiseren. De voorschriften hebben een
                    gebruikscomponent en een beheercomponent. Onder de gebruikscomponent vallen de
                    voorschriften die gericht zijn op het brandveilig gebruik. Deze voorschriften
                    hebben als doel risico’s te beperken. Het risico op een brandgevaarlijke
                    situatie kan beperkt worden door preventieve maatregelen (veilig omgaan met
                    mogelijk gevaarlijke situaties) en het inperken van mogelijke gevolgen. Onder de
                    beheercomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het instandhouden
                    van het voorgeschreven niveau van gebruiksveiligheid en brandveiligheid.
                        <vet>Artikel 1 Uitgangen en vluchtroutes</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een deur in de vluchtroute wordt, bij aanwezigheid van personen in het
                            bouwwerk, zodanig gesloten, dat de deur in geval van calamiteit ten
                            behoeve van deze personen van binnen uit onmiddellijk over de minimaal
                            vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet
                            worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp. Deze eis geldt
                            niet voor de toegangsdeur van een woonfunctie, een celfunctie of een
                            vergelijkbare gebruiksfunctie als de celfunctie. </al></li><li nr="2."><al>Deuren en luiken die een brandwerende en/of rookwerende functie hebben,
                            worden niet langer in geopende stand gehouden dan voor het verkeer van
                            personen of het vervoer van goederen noodzakelijk is, tenzij door middel
                            van automatische inrichtingen die de deuren, respectievelijk luiken,
                            loslaten zodra een toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of
                            rookwering moeten dienen. </al></li><li nr="3."><al>Een deur die in een vluchtroute ligt van een ruimte waarin meer dan 100
                            personen zullen verblijven en een deur in een doorgang of uitgang
                            bestemd voor ontvluchting van meer dan 100 personen wordt niet anders
                            gesloten dan door middel van </al><lijst><li nr="o"><al>een sluiting, waarbij de deur opengaat door een lichte druk
                                    tegen de deur, in de vluchtrichting gezien, </al></li><li nr="o"><al>Een sluiting waarvan de bedieningsinrichting bestaat uit een op
                                    de deur, in de vluchtrichting gezien, aangebrachte voorziening,
                                    waarbij de deur opengaat door een lichte druk tegen deze
                                    voorziening (panieksluiting). </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Aan de tegen de vluchtrichting in gekeerde zijde van een nooddeur in een
                            uitwendige scheidingsconstructie wordt een opschrift aangebracht volgens
                            NEN 3011, uitgave 2004. Het opschrift luidt: “NOODDEUR VRIJHOUDEN”.
                        </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 1 Lid 1Deuren in een vluchtroute moeten bij de
                    aanwezigheid van personen in een bouwwerk onmiddellijk geopend kunnen worden,
                    zonder dat hiervoor een sleutel noodzakelijk is. De eis geldt niet voor de
                    toegangsdeur van een woonfunctie en een celfunctie. Een woonfunctie moet
                    namelijk in verband met inbraakwerendheid met een sleutel afgesloten kunnen
                    worden en een celfunctie moet vanwege de aard van de functie met een sleutel
                    afgesloten kunnen worden. In het artikel is expliciet vermeld dat van deze eis
                    de toegangsdeur van een woonfunctie en een celfunctie zijn uitgesloten, omdat in
                    gebouwen met meerdere woonfuncties en celfuncties ook veelal deuren in rookvrije
                    vluchtroutes voorkomen. Om een veilige ontvluchting mogelijk te maken, moeten
                    deze deuren in rookvrije vluchtroutes wel zonder sleutel geopend kunnen worden.
                    Bij een celfunctie worden in veel gevallen ten aanzien van deze eis specifieke
                    afspraken gemaakt met de gebouweigenaar. De interne organisatie van gebouwen met
                    een celfunctie kan bepaalde brandweertaken overnemen en de coördinatie houden
                    over de ontruiming. In de portiersloge/centraalpost dient voor het geval het
                    cellengedeelte onder de rook staat en betreden ervan zonder gebruik van
                    adembeschermende apparatuur niet verantwoord is een speciale kast aanwezig te
                    zijn, die toegankelijk is voor de brandweer en waarin zich een voldoende aantal
                    moedersleutels bevindt waarmee alle deuren in het cellencomplex kunnen worden
                    geopend. Het aantal dient in overleg met de plaatselijke brandweer te worden
                    vastgesteld. In het artikel wordt tevens bepaald dat deze eis niet geldt voor
                    een vergelijkbare functie als de celfunctie. Hiermee worden bijzondere situaties
                    bedoeld, zoals psychiatrische instellingen e.d. Bij dergelijke situaties moeten
                    specifieke afspraken gemaakt worden met de gebouweigenaar. In het reguliere
                    gebruik mogen deuren afgesloten zijn, mits de deuren automatisch worden
                    ontgrendeld in geval van een calamiteit. Projectspecifiek moeten hier passende
                    elektrotechnische oplossingen voor worden gezocht. Lid 2 De automatische
                    inrichtingen voor het loslaten van deuren, respectievelijk luiken zodra een
                    toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of rookwering dienen, voldoen
                    aan het gestelde in hoofdstuk 10 van de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding. Lid 3 De voorziening moet voldoen aan het gestelde in de
                    publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor
                    Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6810 HA ARNHEM,
                    telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl. Prestatie-eisen aan de
                    bedieningsinrichting worden tevens gegeven in NEN-EN 1125, uitgave 2003 Ontw. En
                    ‘Hang- en sluitwerk – panieksluitingen voor vluchtdeuren met een horizontale
                    bedieningsstang voor het gebruik van vluchtroutes – Eisen en
                    beproevingsmethoden’. Belangrijk aandachtspunt voor de uitvoeringspraktijk is
                    dat een in onderdeel a en b bedoelde deursluiting in het concrete geval
                    daadwerkelijk overeenkomstig de instructies van de fabrikant/leverancier van de
                    betreffende sluiting wordt aangebracht. Verkeerd aanbrengen van de sluiting kan
                    de beoogde werking daarvan namelijk teniet doen of bemoeilijken, met alle
                    veiligheidsrisico’s van dien. De bedieningsinrichting moet op een hoogte tussen
                    0,9 – 1,1 meter gemeten vanaf de vloer worden aangebracht. Wanneer er
                    aanwijsbare redenen zijn om hiervan af te wijken (bijvoorbeeld in een
                    kinderdagverblijf) kan dit overlegd worden met de brandweer. Hierbij wordt aan
                    de basiseis voldaan, dat de deur opengaat door een lichte druk tegen de
                    voorziening. Met andere woorden: als je tegen de deur aanloopt, moet deze open
                    gaan. Lid 4Nooddeuren zijn te allen tijde bruikbaar en ook de route achter de
                    deur is vrij. Dit geldt ook voor situaties waarbij de nooddeur uitkomt in de
                    buitenlucht. Op maaiveld worden geen auto’s, fietsen of andere obstakels
                    geplaatst die de vluchtroute belemmeren. Het opschrift voldoet aan NEN 3011:2004
                    ‘Veiligheidskleuren en -tekens in de werkomgeving en in de openbare ruimte’. Een
                    nooddeur is een deur die uitsluitend bestemd is om het bouwwerk te ontvluchten.
                    Bij de overige deuren van het gebouw is een dergelijk opschrift niet
                    noodzakelijk, omdat deze deuren ook als toegang gebruikt kunnen worden. De
                    beschikbaarheid en bereikbaarheid van toegangsdeuren is over het algemeen goed.
                        <vet>Artikel 2 Bekleding, stoffering en versiering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Stoffering en versiering worden vrijgehouden van spots en andere warm
                            wordende apparatuur. De temperatuur ter plaatse van de versiering is
                            niet hoger dan 90 °C. </al></li><li nr="2."><al>Tussen het vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte versiering
                            blijft een vrije ruimte over van minimaal 2,5 meter. </al></li><li nr="3."><al>De versiering als bedoeld in het vorige lid is in geval van brand niet
                            gemakkelijk ontvlambaar, in geval van brand vindt geen druppelvorming
                            plaats. </al></li><li nr="4."><al>Met brandbaar gas gevulde ballonnen zijn binnen een bouwwerk niet
                            aanwezig. </al></li><li nr="5."><al>De toe te passen materialen en aankledingsproducten hebben in
                            vluchtroutes een navlamduur van ten hoogste 15 seconden en een
                            nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden. </al></li><li nr="6."><al>De toegepaste bekleding, stoffering en versiering voldoen ten minste aan
                            de eisen ten aanzien van de brand- en rookklassen zoals gesteld in
                            afdeling 2.12 en 2.15 van het Bouwbesluit 2003 die op die locatie gelden
                            voor constructieonderdelen. </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 2 Lid 1 Bij stoffering en versiering moet naast de
                    inrichting van een gebouw ook gedacht worden aan tijdelijke versiering. Lid 2
                    Een vrije hoogte van 2,5 meter is noodzakelijk in verband met de menselijke
                    maat. Lid 3 In Nederland zijn geen normen beschikbaar voor de bepaling van de
                    materiaaleigenschappen van versieringen voor wat betreft ‘makkelijk ontvlambaar’
                    en ‘druppelvorming’. Daarom is op www.brandweerkennisnet.nl , informatie
                    beschikbaar waarin een handvat wordt gegeven voor het brandveilig gebruiken van
                    versieringen. U vindt dit document ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als
                    te downloaden pdf-bestand op genoemde internetsite. Er is geen relatie tussen de
                    mate van brandvoortplanting of rookdichtheid van een materiaal en de mate van
                    druppelvorming. Om druppelvorming te kunnen bepalen is dus een vastgelegde
                    testmethode noodzakelijk. Daarna kunnen prestatie-eisen geformuleerd worden.
                    Zolang er geen testmethode is, is het stellen van prestatie-eisen niet mogelijk.
                    De voorwaarde dat versiering, bekleding en bijvoorbeeld tentzeilen bij brand
                    geen druppelvorming mogen vertonen, is dus niet terug te leiden naar enige norm.
                    De gemeenten die deze voorwaarden hanteren, doen dat op basis van de
                    gemeentelijke beleidsvrijheid. Dit neemt niet weg dat het stellen van een
                    dergelijke voorwaarde duidelijk gemotiveerd moet kunnen worden. Op onderdelen
                    zou gebruik gemaakt kunnen worden van de NTA 8007 ‘Brandgedrag
                    versieringsmaterialen’. Bij de toelichting op artikel 2, zesde lid wordt na de
                    tweede alinea een tekst ingevoegd, luidende: In Nederland zijn geen normen
                    beschikbaar voor de bepaling van de materiaaleigenschappen van stoffering en
                    bekleding voor wat betreft ‘brand- en rookklassen’. Voor versiering is in
                    Nederland de NTA 8007 ‘Brandgedrag versieringsmaterialen’ opgesteld. Deze norm
                    geeft geen classificatie van brand- en rookklassen (of een vergelijkbaar systeem
                    met een transponeringstabel) zoals dat in het Bouwbesluit wordt gebruikt. Daarom
                    is op www.brandweerkennisnet.nl informatie beschikbaar waarin een handvat wordt
                    gegeven voor het brandveilig gebruiken van versieringen. U vindt dit document
                    ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als te downloaden pdf-bestand op
                    genoemde internetsite. Lid 4 Wanneer er in een bouwwerk met gas gevulde
                    ballonnen aanwezig zijn, is er een verhoogde kans op het ontstaan van een
                    ontploffing en als gevolg daarvan branduitbreiding. Lid 5 Voor textielproducten
                    dienen de navlamduur en de nagloeiduur bepaald te zijn volgens NEN-EN-ISO 6940,
                    uitgave 2004 ‘Textiel – brandgedrag – bepaling van de ontvlambaarheid van
                    verticaal geplaatste proefstukken’ en NEN-EN-ISO 6941, uitgave 2004 ‘Textiel –
                    brandgedrag – meting van de vlamverspreidingseigenschappen van verticaal
                    geplaatste proefstukken’. Voor kunststofproducten zijn nog geen normen
                    beschikbaar. Lid 6 In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan
                    constructie-onderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van
                    brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen dient voorkomen
                    te worden dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het oppervlak van
                    een bouwwerk. Tevens dient voorkomen te worden dat als gevolg van een hevige
                    rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt. Aan bekleding,
                    stoffering en versiering in een bouwwerk worden dezelfde eisen gesteld als aan
                    constructieonderdelen zoals beschreven in afdeling 2.12 en 2.15 van het
                    Bouwbesluit. <vet>Artikel 3 Elektrische verlichting</vet> Indien een ruimte de
                    mogelijkheid met zich meebrengt dat deze tijdens de aanwezigheid van personen
                    wordt verduisterd, is in die ruimte, indien er meer dan vijftig personen
                    gelijktijdig verblijven, elektrische verlichting aanwezig van zodanige sterkte
                    dat een redelijke oriëntering mogelijk is. Toelichting bij artikel 3Met dit
                    artikel wordt gewaarborgd dat in ruimten die mogelijk verduisterd zijn tijdens
                    de aanwezigheid van personen altijd elektrische verlichting aanwezig is. Er moet
                    een elektrische verlichtingsinstallatie met een dusdanige sterkte aanwezig zijn
                    dat oriëntatie mogelijk is. Mensen moeten daar altijd over kunnen beschikken.
                        <vet>Artikel 4 Aanduiding van blusmiddelen</vet> Een blusmiddel dat bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift aanwezig is, is voldoende herkenbaar of
                    zichtbaar aangegeven. Toelichting bij artikel 4 Wanneer er sprake is van een
                    ingebouwd blusmiddel, is het blusmiddel onvoldoende herkenbaar. Dit betekent dat
                    in deze gevallen een pictogram aangebracht moet worden, zodat aan de buitenzijde
                    van de kast zichtbaar is, dat er een blusmiddel in de kast aanwezig is. Wanneer
                    er sprake is van een blusmiddel in bijvoorbeeld een stellingenmagazijn of in een
                    winkel met schappen of andere belemmeringen, is het blusmiddel onvoldoende
                    zichtbaar. Een platte sticker op of boven het blusmiddel is in de omgeving
                    onvoldoende zichtbaar. In deze gevallen moet een pictogram aangebracht worden,
                    zodat in de omgeving zichtbaar wordt dat er een blusmiddel aanwezig is. De
                    voorziening moet voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6801 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl. <vet>Artikel 5 Toepassen van vuurwerk binnen een gebouw</vet>
                    Voor het afsteken van vuurwerk in bouwwerken wordt veertien dagen van tevoren
                    een overzicht bij burgemeester en wethouders ingediend, waaruit blijkt dat die
                    activiteit op veilige wijze zal plaatsvinden. Toelichting bij artikel 5Om de
                    veiligheid bij het ontsteken van vuurwerk in bouwwerken te waarborgen, is het
                    van belang dat burgemeester en wethouders inzicht hebben in de wijze waarop de
                    activiteit wordt uitgevoerd. Het aspect veiligheid verdient bijzondere aandacht.
                    Degene die het vuurwerk afsteekt in bouwwerken moet veertien dagen van tevoren
                    een overzicht bij burgemeester en wethouders indienen waaruit blijkt dat die
                    activiteit op een veilige wijze plaatsvindt. De beoordeling vindt plaats op
                    grond van artikel 6.4.1. <vet>Artikel 6 Opstelling van inventaris</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moet tussen de rijen een vrije
                            ruimte aanwezig zijn van ten minste 0,40 meter, gemeten tussen de
                            loodlijnen door de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen.
                            Indien in een rij tussen zitplaatsen tafeltjes zijn geplaatst, moet de
                            genoemde vrije ruimte ter plaatse van de tafeltjes doorlopen. </al></li><li nr="2."><al>In rijen opgestelde zitplaatsen, waarbij sprake is van </al><lijst><li nr="o"><al>meer dan 4 stoelen in een rij, en </al></li><li nr="o"><al>meer dan 4 rijen, en </al></li><li nr="o"><al>een ruimte waarin meer dan 100 stoelen aanwezig zullen zijn,
                                </al></li></lijst></li></lijst><al>zijn zo gekoppeld dan wel aan de vloer bevestigd dat deze ten gevolge van
                    gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen. </al><lijst><li nr="3."><al>Een rij zitplaatsen, die slechts aan één einde op een gangpad of uitgang
                            uitkomt, mag niet meer dan 8 zitplaatsen bevatten. </al></li><li nr="4."><al>Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of een uitgang
                            uitkomt, mag ten hoogste bevatten: </al><lijst><li nr="o"><al>16 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen kleiner
                                    is dan 0,45 meter; </al></li><li nr="o"><al>32 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is
                                    dan 0,45 meter; </al></li><li nr="o"><al>50 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is
                                    dan 0,45 meter en er bovendien aan beide einden van de rijen per
                                    4 rijen een uitgang met een breedte van ten minste 1,10 meter
                                    aanwezig is. </al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De inrichting van een ruimte, met inbegrip van door personen bezette
                            stoelen, neemt tot een hoogte van 2,5 meter slechts zodanige
                            oppervlakten in beslag –gemeten in loodrechte projectie op de vloer- dat
                            ten minste </al><lijst><li nr="o"><al>0,25 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon
                                    waarvoor geen zitplaats aanwezig is, </al></li><li nr="o"><al>0,30 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon
                                    waarvoor een zitplaats aanwezig is die zodanig is of is
                                    aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan
                                    verschuiven of omvallen, </al></li><li nr="o"><al>0,50 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon
                                    waarvoor een zitplaats aanwezig is die niet zodanig is of is
                                    aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan
                                    verschuiven of omvallen. </al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Inrichtingen in een ruimte waarin personen verblijven, zijn, indien de
                            vrije vloeroppervlakte minder dan 0,5 m2 per persoon bedraagt, zodanig
                            aangebracht dat zij ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of
                            omvallen. </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 6 Lid 1 Hiermee wordt een voldoende doorstroomcapaciteit
                    tussen in rijen opgestelde stoelen gewaarborgd. Lid 2 Het onderling koppelen van
                    stoelen dient zodanig gerealiseerd te worden dat deze als gevolg van gedrang
                    niet ontkoppeld kunnen worden. Er wordt geacht voldaan te worden aan de gestelde
                    eis wanneer de stoelkoppelingen voldoen aan NEN-EN 14703:2005 Ontw. En ‘Meubelen
                    – verbindingen voor gekoppelde zitmeubelen – sterkte en veiligheidseisen en
                    beproevingsmethoden’. Lid 3 Hiermee wordt gewaarborgd dat slechts een beperkt
                    aantal mensen op een ‘doodlopend eind’ zitten. Wanneer doodlopende rijen
                    zitplaatsen te lang worden, ontstaat het gevaar dat mensen over stoelen
                    klauteren waardoor paniek en chaos ontstaat. Dit gevaar moet worden voorkomen.
                    Een voldoende uitstroomcapaciteit van een doodlopende rij stoelen moet
                    gegarandeerd zijn. Lid 4 Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende
                    ontruiming gerealiseerd wordt. Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van
                    stoelen verdient de doorstroomcapaciteit van de looppaden tussen de stoelen
                    bijzondere aandacht. Lid 5 Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende
                    ontruiming gerealiseerd wordt. Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van
                    meubelen en objecten in een ruimte verdient de doorstroomcapaciteit van de
                    verkeersgebieden nadere aandacht. Lid 6 Om een veilige ontvluchting te kunnen
                    garanderen in een ruimte waarin veel mensen samenkomen, moet de inrichting
                    hiervan niet kunnen verschuiven of omvallen. Wanneer de inrichting omvalt of
                    verschuift zal dit namelijk de ontvluchting belemmeren en leiden tot ongewenste
                    paniek. <vet>Artikel 7 Afval</vet><vet>(Vervallen) </vet><vet>Artikel 8
                        Periodieke controle van draagbare blustoestellen</vet> Ten minste eenmaal
                    per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige onderhoud verricht conform
                    NEN 2559, uitgave 2001 en een controle gehouden op de reinheid en de goede
                    werking van draagbare blustoestellen. Indien nodig worden deze gerepareerd.
                    Toelichting bij artikel 8De aanwezigheid van draagbare blustoestellen wordt bij
                    of krachtens wettelijke voorschriften gesteld. In sommige situaties zijn
                    draagbare blustoestellen in een gebouw aanwezig op vrijwillige basis of op
                    verzoek van verzekeraars. Aangezien het gebruik van draagbare blustoestellen
                    eenvoudig is, moeten gebruikers van het gebouw ervan uit kunnen gaan dat de
                    werking van de draagbare blustoestellen gegarandeerd is. Alle draagbare
                    blustoestellen, dus ook degene die op vrijwillige basis worden opgehangen,
                    moeten worden gecontroleerd op reinheid en een goede werking en indien nodig
                    gerepareerd. <vet>Artikel 9 Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaal</vet>
                    Hout, hardboard, triplex, multiplex, spaanplaat en kunststof plaatmateriaal in
                    buitenwanden, scheidingswanden of plafonds van stands, podia, kramen etc. die in
                    gebouwen zijn gelegen, wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat </al><lijst><li nr="a."><al>het materiaal ten minste 3,5 mm dik is en </al></li><li nr="b."><al>het materiaal kan worden ingedeeld in klasse 4 als bedoeld in NEN 6065,
                            uitgave 1991 en NEN 6065/A1, uitgave 1997. </al></li></lijst><al>Toelichting bij artikel 9 In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan
                    constructieonderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand
                    en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen dient voorkomen te
                    worden dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs een oppervlak. Tevens
                    dient voorkomen te worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het
                    zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt. Met ingang van 13 mei 2003 is het
                    gebruik van de Euroklassen voor het brandgedrag van bouwmaterialen en -producten
                    in het Bouwbesluit geïntroduceerd. In de Ministeriële Regeling Bouwbesluit is
                    een tabel gepubliceerd waarmee de in het Bouwbesluit vereiste
                    brandvoortplantingsklasse en rookdichtheid (NEN 6065, NEN 1775 en NEN 6066) kan
                    worden vertaald naar een Europese brandklasse. De Ministeriële Regeling kunt u
                    vinden via www.vrom.nl. <vet>Artikel 10 Glas</vet> Glas als versiering en/of
                    bekleding aan plafonds en wanden dan wel in plafonds van stands podia, kramen
                    etc. of in buitenwanden en scheidingswanden tussen stands podia, kramen etc.
                    wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarde dat het glas als veiligheidsglas
                    wordt aangemerkt of dat het glas is voorzien van een ingegoten kruiswapening met
                    een maximale maaswijdte van 16 mm. Toelichting bij artikel 10 In de praktijk is
                    gebleken dat het toepassen van glas als versiering aan plafonds een veilige
                    inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. In geval van brand moet voorkomen
                    worden dat bij het bezwijken van glas grote stukken naar beneden vallen en die
                    stukken daarmee een gevaar vormen voor de vluchtende mensen en/of hulpdiensten.
                    In dit artikel wordt dit gevaar gereduceerd. <vet>Artikel 11 Textiel in
                        horizontale toepassing</vet> Textiel in horizontale toepassing bij stands,
                    podia, kramen etc. wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat het
                    textiel onderspannen is met metaaldraad op een onderlinge afstand van ten
                    hoogste 0,35 meter of dat het textiel onderspannen is met metaaldraad in twee
                    richtingen met een maaswijdte van ten hoogste 0,70 meter Toelichting bij artikel
                    11 In de praktijk is gebleken dat het toepassen van textiel in horizontale
                    toepassing een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. Tevens dient
                    te worden voorkomen dat textiel dat in horizontale toepassing is aangebracht,
                    naar beneden valt en daarmee vluchtende personen hindert. Met dit voorschrift
                    wordt dit gevaar gereduceerd. <vet>Artikel 12 Toepassing van kunststof
                        foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier of fotopapier</vet> Kunststof
                    foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier en fotopapier in stands, podia, kramen
                    etc. wordt geplakt op een ondergrond van onbrandbaar materiaal, board, triplex,
                    multiplex, spaanplaat, hout of glas en verwerkt volgens het gestelde in artikel
                    9 en 10 van bijlage 4 van de bouwverordening. Toelichting bij artikel 12 In het
                    Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten aanzien van de
                    beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van
                    rook. Met deze eisen wordt voorkomen dat een beginnende brand zich snel
                    uitbreidt langs een oppervlak. Tevens wordt voorkomen dat als gevolg van een
                    hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt. </al><tussenkop>Bijlage 5 </tussenkop><al>Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen Bijlage behorend bij artikel 6.2.2
                    Tabel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="42*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>ADR-klasse </al></entry><entry colname="col2"><al>Omschrijving </al></entry><entry colname="col3"><al>Verpakkinggroep </al></entry><entry colname="col4"><al>Toegestane maximum hoeveelheid in kg of l*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 UN 1950 Spuitbussen &amp; UN 2037 Houders, klein, gas
                                    </al></entry><entry colname="col2"><al>gassen zoals propaan, zuurstof, stikstof, argon,
                                        kooldioxide, acyteleen, aerosolen (spuitbussen) </al></entry><entry colname="col3"><al>n.v.t. </al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 </al></entry><entry colname="col2"><al>brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en
                                        aceton </al></entry><entry colname="col3"><al>II </al></entry><entry colname="col4"><al>25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een
                                        vlampunt tussen 61°C en 100°C </al></entry><entry colname="col2"><al>brandbare vloeistoffen zoals terpetine en bepaalde inkten
                                    </al></entry><entry colname="col3"><al>III </al></entry><entry colname="col4"><al>50 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.1, 4.2, 4.3</al></entry><entry colname="col2"><al>4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen
                                        en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand
                                        zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor
                                        zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel)
                                        en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water
                                        brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium
                                        en calciumcarbonaat</al></entry><entry colname="col3"><al>II en III </al></entry><entry colname="col4"><al>50 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.1 </al></entry><entry colname="col2"><al>brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide </al></entry><entry colname="col3"><al>II en III </al></entry><entry colname="col4"><al>50 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.2 </al></entry><entry colname="col2"><al>organische peroxiden zoals dicymyl peroxide en di-propionyl
                                        peroxide </al></entry><entry colname="col3"><al>n.v.t. 1 </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 gasflessen </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>n.v.t </al></entry><entry colname="col4"><al>115 liter waterinhoud </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt
                                        tussen 61°C en 100°C </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>III </al></entry><entry colname="col4"><al>1.000 liter</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* Eenheid bepaald overeenkomstig het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer. Op grond van artikel 6.2.2 is het in beginsel verboden een stof
                    die in bijlage 5 is aangemerkt, aanwezig te hebben in, op of nabij een bouwwerk.
                    Hierop worden echter uitzonderingen gemaakt. De uitzonderingen maken het
                    mogelijk om deze stoffen in beperkte voorraad aanwezig te hebben. Hierbij moet
                    gedacht worden aan ‘huishoudelijk gebruik’. De grenzen die in bijlage 5 zijn
                    aangegeven zijn afgestemd op de ondergrenzen die in de Wet Milieubeheer worden
                    gesteld. <vet><cursief>Bijlage 6</cursief></vet><cursief> (
                    Vervallen)</cursief></al><al><vet>Bijlage 7</vet> Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de
                    buitenriolering op erven en terreinenBijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 De
                    NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende: </al><lijst><li nr="a."><al>NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen'
                            (met correctieblad d.d. december 1979); </al></li><li nr="b."><al>NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met
                            correctieblad d.d. december 1979); </al></li><li nr="c."><al>NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                            buitenrioleringen'; </al></li><li nr="d."><al>NEN-EN 1401-1, uitgave 1998, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                            buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor
                            buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig; met correctieblad
                            NEN-EN 1401-1/C1, uitgave 1998, Nederlandstalig); </al></li><li nr="e."><al>NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                            aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3,
                            uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig); </al></li><li nr="f."><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                            aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en
                            monstername' (Engelstalig); </al></li><li nr="g."><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3.
                            Beproevingsmethoden' (Engelstalig). </al></li></lijst><al><vet>Bijlage 8</vet> ( Vervallen) </al><al><vet>Bijlage 9</vet> Reglement van orde van de welstandscommissieDe tekst van
                    het reglement van orde dient vanuit de specifiek lokale situatie te worden
                    opgesteld. In de praktijk blijken er grote verschillen in werkwijze tussen de
                    (provinciale) welstandsorganisaties, waardoor het vrijwel onmogelijk is om een
                    universeel toepasbare tekst voor een reglement van orde op te nemen in de
                    modelbouwverordening. De verschillen hebben onder meer betrekking op het al dan
                    niet werken met rayonarchitecten, het al niet gebruik van subcommissies en het
                    al dan niet samenwerken met een monumentencommissie. Een reglement van orde,
                    afgestemd op de eigen werkwijze, stellen gemeenten in het algemeen op in
                    samenwerking met de provinciale welstandsorganisaties waarbij zij zijn
                    aangesloten. </al><al><vet>Bijlage 10</vet> Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1
                    (brandmeldinstallaties) </al><table><tgroup cols="13"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="6*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="6*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="6*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="6*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="6*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="6*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="6*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="6*"/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth="6*"/><colspec colname="col12" colnum="12" colwidth="6*"/><colspec colname="col13" colnum="13" colwidth="6*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col5" namest="col3"><al>Leden van Toepassing</al></entry><entry colname="col6" nameend="col9" namest="col6"><al>Grenswaarden </al></entry><entry colname="col10" nameend="col13" namest="col10"><al>Omvang van bewaking </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid </al></entry><entry colname="col4"><al>Omvang van de bewaking </al></entry><entry colname="col5"><al>Kwaliteit </al></entry><entry colname="col6"><al>Hoogte hoogste vloer (m) </al></entry><entry colname="col7"><al>Gebruiksoppervlakte (m2) </al></entry><entry colname="col8"><al>Aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers </al></entry><entry colname="col9"><al>Aantal bouwlagen </al></entry><entry colname="col10"><al>Niet automatisch </al></entry><entry colname="col11"><al>Gedeeltelijk </al></entry><entry colname="col12"><al>Volledig </al></entry><entry colname="col13"><al>Doormelding </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Artikel </al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.2 </al></entry><entry colname="col4"><al>2.6.3 </al></entry><entry colname="col5"><al>2.6.4 </al></entry><entry colname="col6"><al>2.6.2 </al></entry><entry colname="col7"><al>2.6.2 </al></entry><entry colname="col8"><al>2.6.2 </al></entry><entry colname="col9"><al>2.6.2 </al></entry><entry colname="col10"><al>2.6.3 </al></entry><entry colname="col11"><al>2.6.3 </al></entry><entry colname="col12"><al>2.6.3 </al></entry><entry colname="col13"><al>2.6.3 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lid </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>1a </al></entry><entry colname="col7"><al>1b </al></entry><entry colname="col8"><al>1c </al></entry><entry colname="col9"><al>1d </al></entry><entry colname="col10"><al>1a </al></entry><entry colname="col11"><al>1b </al></entry><entry colname="col12"><al>1c </al></entry><entry colname="col13"><al>2 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1 </al></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie niet van een woonwagen </al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>* </al></entry><entry colname="col5"><al>* </al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>- </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie bestemd voor minder zelfredzame personen in
                                        combinatie met permanent toezicht </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry><entry colname="col4"><al>* </al></entry><entry colname="col5"><al>* </al></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>1 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>- </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>* </al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie bestemd voor minder zelfredzame personen zonder
                                        permanent toezicht </al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>- </al></entry><entry colname="col11"><al>* </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overig woonfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>- </al></entry><entry colname="col4"><al>- </al></entry><entry colname="col5"><al>- </al></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>- </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>Bijeenkomstfunctie </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport</al></entry><entry colname="col3"><al>- </al></entry><entry colname="col4"><al>- </al></entry><entry colname="col5"><al>- </al></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>- </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4
                                        jaar. </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry><entry colname="col4"><al>* </al></entry><entry colname="col5"><al>* </al></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>200 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>- </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>* </al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>* </al></entry><entry colname="col6"><al>2,4 </al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>- </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>* </al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overige bijeenkomstfunctie </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry><entry colname="col4"><al>* </al></entry><entry colname="col5"><al>* </al></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>500 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>1 </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>2 </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>1000 </al></entry><entry colname="col8"><al>1 </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>- </al></entry><entry colname="col11"><al>* </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>5000 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>- </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>* </al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>5=13 </al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>1 </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>- </al></entry><entry colname="col11"><al>* </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>13=50 </al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>- </al></entry><entry colname="col11"><al>* </al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>50=70 </al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>* </al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 </al></entry><entry colname="col2"><al>Celfunctie </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry><entry colname="col4"><al>* </al></entry><entry colname="col5"><al>* </al></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>1 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>- </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>* </al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 </al></entry><entry colname="col2"><al>Gezondheidszorgfunctie </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden patiënten </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry><entry colname="col4"><al>* </al></entry><entry colname="col5"><al>* </al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>- </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>* </al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overige gezondheidszorgfunctie </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry><entry colname="col4"><al>* </al></entry><entry colname="col5"><al>* </al></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>500 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>250 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>1 </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>2 </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>20=50 </al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>50=70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 </al></entry><entry colname="col2"><al>Industriefunctie </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lichte industriefunctie </al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>- </al></entry><entry colname="col5"><al>- </al></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>- </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overige industriefunctie </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry><entry colname="col4"><al>* </al></entry><entry colname="col5"><al>* </al></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>1000 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>500 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>2 </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>20 </al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 </al></entry><entry colname="col2"><al>Kantoorfunctie </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry><entry colname="col4"><al>* </al></entry><entry colname="col5"><al>* </al></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>500 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>250 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>1 </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>2 </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>20=50 </al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>50=70 </al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>- </al></entry><entry colname="col11"><al>* </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7 </al></entry><entry colname="col2"><al>Logiesfunctie </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Logiesgebouw </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry><entry colname="col4"><al>* </al></entry><entry colname="col5"><al>* </al></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>1 </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>5 </al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>250 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>- </al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>* </al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overige logiesfunctie </al></entry><entry colname="col3"><al>- </al></entry><entry colname="col4"><al>- </al></entry><entry colname="col5"><al>- </al></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>- </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8 </al></entry><entry colname="col2"><al>Onderwijsfunctie </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry><entry colname="col4"><al>* </al></entry><entry colname="col5"><al>* </al></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>500 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>250 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>1 </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>2 </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>20=50 </al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>50=70 </al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>* </al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9 </al></entry><entry colname="col2"><al>Sportfunctie </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>* </al></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>1000 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>500 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>20=50 </al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>50=70 </al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10 </al></entry><entry colname="col2"><al>Winkelfunctie </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>500 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>1 </al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>* </al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>&lt;13 </al></entry><entry colname="col7"><al>5000 </al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>&lt;13 </al></entry><entry colname="col7"><al>10000 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>- </al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>* </al></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>13&lt;50 </al></entry><entry colname="col7"><al>1000 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>13=50 </al></entry><entry colname="col7"><al>5000 </al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>13=50 </al></entry><entry colname="col7"><al>10000 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>50=70 </al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11 </al></entry><entry colname="col2"><al>Overige gebruiksfunctie </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van
                                        motorvoertuigen </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>1000 </al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>- </al></entry><entry colname="col12"><al>* </al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>2500 </al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>* </al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>- </al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer </al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>- </al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>2500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>13 </al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Andere overige gebruiksfunctie </al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>F</al></entry><entry colname="col7"><al>F</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>* </al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12 </al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwwerk geen gebouw zijnde </al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>F</al></entry><entry colname="col7"><al>F</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>* </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                    toelichting op de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.4. Bij de toepassing van de in
                    de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.4 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften
                    wordt in tabel 2.6.1 verstaan onder: - : dit lid is niet van toepassing * : het
                    hele artikel is van toepassing &gt; : alle waarden groter dan de achter dit
                    teken aangegeven waarde = : alle waarden kleiner of gelijk aan de achter dit
                    teken aangegeven waarde F : in dit geval is volstaan met het geven van de
                    functionele eis in artikel 2.6.1, eerste lid, in afwachting van mogelijk nog te
                    ontwikkelen nadere criteria a : zonder doormelding naar een
                    brandweeralarmcentrale 1: indien in combinatie met een grenswaarde in m2: deze
                    voorziening dient altijd aanwezig te zijn, ongeacht de grootte van het
                    vloeroppervlak Wanneer in de tabel twee grenswaarden of prestatie-eisen in
                    dezelfde rij van de tabel worden gegeven, moet aan beide criteria worden
                    voldaan. Voorbeeld: Bij de winkelfunctie komt in tabel 2.6.1 van bijlage 10 het
                    meest duidelijk tot uitdrukking dat aan het vereiste van twee criteria moet
                    worden voldaan voordat een brandmeldinstallatie nodig is. Bijeenkomstfunctie
                    niet zijnde de bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport – wanneer het
                    gebruiksoppervlak groter is dan 1.000 m2 en er meer dan 1 verblijfsruimte
                    bestemd voor bezoekers is, dan is gedeeltelijke bewaking en doormelding
                    noodzakelijk. Wanneer in de tabel grenswaarden of prestatie-eisen in
                    verschillende regels van de tabel worden gegeven, moet aan één van de criteria
                    worden voldaan. Voorbeeld: Bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger
                    dan 4 jaar – wanneer het gebruiksoppervlak groter is dan 200 m2 of er een vloer
                    op een hoogte ligt van meer dan 2,4 meter ten opzichte van het meetniveau, dan
                    is volledige bewaking en doormelding vereist. </al><tussenkop>Bijlage 11 </tussenkop><al>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsintallatie) Bijlage 11 Tabel
                    2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsinstallaties) </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="62*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Gebruiksfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikelen van toepassing </vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Aanwezigheid </al></entry><entry colname="col3"><al>Kwaliteit </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel </al></entry><entry colname="col2"><al>2.6.6 </al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.7 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1 Woonfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>woonfunctie niet van een woonwagen bestemd voor minder
                                        zelfredzame personen </al></entry><entry colname="col2"><al>* </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 Bijeenkomstfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 Celfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 Gezondheidszorgfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>* </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 Industriefunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Industriefunctie industriefunctie niet zijnde een lichte
                                        industriefunctie </al></entry><entry colname="col2"><al>* </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 Kantoorfunctie </al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7 Logiesfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Logiesgebouw</al></entry><entry colname="col2"><al>* </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8 Onderwijsfunctie </al></entry><entry colname="col2"><al>* </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9 Sportfunctie </al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10 Winkelfunctie </al></entry><entry colname="col2"><al>* </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11 Overige gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>overige besloten gebruiksfunctie voor het stallen van
                                        motorvoertuigen </al></entry><entry colname="col2"><al>* </al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer </al></entry><entry colname="col2"><al>* </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>andere overige gebruiksfunctie </al></entry><entry colname="col2"><al>* </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12 Bouwwerk geen gebouw zijnde </al></entry><entry colname="col2"><al>- </al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                    toelichting op de artikelen 2.6.6 en 2.6.7. Voor de toepassing van de in de
                    artikelen 2.6.5 tot en met 2.6.7 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt
                    in tabel 2.6.5 verstaan onder: -: dit lid is niet van toepassing; *: het hele
                    artikel is van toepassing; <vet>BIJLAGE 12 </vet></al><tussenkop>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding) Tabel
                    2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding) </tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="57*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="31*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Gebruiksfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikelen van toepassing</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Aanwezigheid </al></entry><entry colname="col3"><al>Kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel </al></entry><entry colname="col2"><al>2.6.9 </al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1 Woonfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woongebouw </al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 Bijeenkomstfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 Celfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Cellengebouw</al></entry><entry colname="col2"><al>* </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 Gezondheidszorgfunctie </al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 Industriefunctie </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>industriefunctie niet zijnde een lichte industriefunctie
                                    </al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 Kantoorfunctie </al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7 Logiesfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Logiesgebouw</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8 Onderwijsfunctie </al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9 Sportfunctie </al></entry><entry colname="col2"><al>* </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10 Winkelfunctie </al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11 Overige gebruiksfunctie </al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12 Bouwwerk geen gebouw zijnde</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer </al></entry><entry colname="col2"><al>F </al></entry><entry colname="col3"><al>* </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ander bouwwerk geen gebouw zijnde </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                    toelichting op de artikelen 2.6.9 en 2.6.10. Voor de toepassing van de in de
                    artikelen 2.6.8 tot en met 2.6.10 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt
                    in tabel 2.6.8 verstaan onder: -: dit lid is niet van toepassing; *: het hele
                    artikel is van toepassing; </al><al>F : in dit geval is volstaan met het geven van de functionele eis in artikel
                    2.6.8, eerste lid, in afwachting van mogelijk nog te ontwikkelen nadere
                    criteria. </al></bijlage><nota-toelichting><tussenkop>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                    toelichting</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar.
                            De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig
                            bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-,
                            nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.
                            Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de
                            aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                            burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                            artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen.
                            De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als
                            de adviezen. </al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het indienen van de
                            aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                            welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op
                            het bouwplan. </al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt
                            behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan,
                            dient de aanvrager van de bouwvergunning een uitnodiging te ontvangen
                            voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt
                            behandeld. </al></li><li nr="4."><al>Alternatief 1: Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht.
                            Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij
                            deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet,
                            waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase en
                            de beraadslagingen. Alternatief 2: Belanghebbenden hebben geen
                            spreekrecht. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</tussenkop><al> ( Alternatief 2)</al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies voor
                            regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 44,
                            eerste lid onder d van de Woningwet mandateren aan een of meerdere
                            daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter en/of
                            secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel
                            van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. </al></li><li nr="2."><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als bedoeld
                            in het vorige lid alsnog voor aan de welstandscommissie. </al></li><li nr="3."><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien
                            burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager -
                            een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester
                            en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de
                            Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. </al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beoordeling of een bouwplan voor
                            een licht-vergunningplichtig bouwwerk niet in strijd is met redelijke
                            eisen van welstand mandateren aan een door hen aan te wijzen ambtenaar,
                            indien in de welstandsnota voor de verschillende categorieën licht
                            vergunningplichtige bouwwerken toetsingscriteria zijn opgenomen. </al></li><li nr="5."><al>In het geval het bouwplan als bedoeld in het vorige lid niet voldoet aan
                            de betreffende welstandscriteria, leggen burgemeester en wethouders het
                            bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.
                        </al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                            burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                            bouwvergunning. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                    standplaatsen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen
                            heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken of
                            standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het
                            daartoe strekkende besluit niet dan nadat: </al><lijst><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend; </al></li><li nr="b."><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                            voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                            verordening. </al></li></lijst><al><vet>10 Overige administratieve bepalingen</vet><vet><cursief>Artikel 10.1 De
                            aanvraag om woonvergunning</cursief></vet>Bij de
                    aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet moeten
                    worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en het doel waarvoor het
                    laatstelijk is gebruikt. <vet><cursief>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning
                            tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of
                            woonwagen</cursief></vet><vet><cursief>(
                        vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel 10.3 Overdragen
                            vergunningen</cursief></vet> Door of namens burgemeester en
                    wethouders wordt de bouwvergunning, de woonvergunning als bedoeld in artikel 60
                    van de Woningwet, de gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1, dan wel de
                    sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1 op aanvraag van degene op wiens
                    naam de vergunning is gesteld of op aanvraag van zijn rechtverkrijgende
                    overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens naam de vergunning is
                    gesteld. <vet><cursief>Artikel 10.4 Overdragen mededeling
                        (vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel 10.5 Het kenteken
                            voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar
                            verklaarde standplaatsen</cursief></vet><vet><cursief>(
                            vervallen)</cursief></vet></al><tussenkop>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                    voorschriften </tussenkop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de herziening
                    en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                    voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening
                    behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken
                    norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen
                    en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. </al><al><vet>11 Handhaving</vet> ( vervallen) <vet><cursief>Artikel 11.1 Stilleggen van
                            de bouw</cursief></vet><vet><cursief>(
                        vervallen)</cursief></vet></al><tussenkop>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming (
                    vervallen)Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen ( vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen ( vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen) </tussenkop><al><vet>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet><vet><cursief>Artikel 12.1
                            Strafbare feiten ( Vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel
                            12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</cursief></vet> Indien
                    ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in enig ander
                    verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief bodemonderzoek is verricht,
                    geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5 bedoelde
                    verkennende bodem-onderzoek, tenzij burgemeester en wethouders van mening zijn
                    dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden
                    gezien. <vet><cursief>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat
                            van open erven en terreinen</cursief></vet> Het bepaalde in de
                    artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet van
                    toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van een
                    bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van 12
                    juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel 40 van de
                    Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.
                            <vet><cursief>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                            gebruiksvergunning</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 2.1.1 van de
                            brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 30 maart
                            1994 geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1. </al></li><li nr="2."><al>Een ontheffing, aanschrijving, toestemming, voorschrift of beperking -
                            hoe ook genaamd - verleend krachtens de brandbeveiligingsverordening,
                            vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 30 maart 1994, blijft van kracht
                            totdat de termijn waarvoor zij is verleend, is verstreken of totdat zij
                            is ingetrokken. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (Vervallen) Artikel 12.6
                    Slotbepaling (Alternatief 1 = inwerkingtreding ineens) </tussenkop><tussenkop>Artikel 12.6 Slotbepaling (Alternatief 1 = inwerkingtreding ineens) </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2007</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen: </al><lijst><li nr="a."><al>de bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 28 april
                                    2005 en alle daarin aangebrachte wijzigingen; </al></li><li nr="b."><al>de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit
                                    d.d. 30 maart 1994 en alle daarin aangebrachte wijzigingen, voor
                                    zover deze brandbeveiligingsverordening eisen aan het
                                    brandveilig gebruik van bouwwerken stelt. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'bouwverordening'. </al></li></lijst></nota-toelichting><bijlage><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><al><vet>1.Inleidende
                    bepalingen</vet>.........................................................................................................9</al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen. </al><al>Artikel 1.2 Termijnen (vervallen) </al><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente (Alternatief 1)</al><al>2 De aanvraag
                    bouwvergunning..........................................................................................10</al><al><vet><cursief><onderstreept>Paragraaf
                    1</onderstreept></cursief></vet><vet><cursief> Gegevens en
                        bescheiden.</cursief></vet><cursief>..</cursief>.............................................................................10</al><al>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen) </al><al>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen)</al><al>Artikel 2.1.3 Aanvraag bouwvergunning (vervallen) </al><al>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                    vergunningaanvragen</al><al>(vervallen) </al><al>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek </al><al>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag
                    om</al><al>bouwvergunning (vervallen)</al><al>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (vervallen) </al><al>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                    bouwvergunning</al><al>woonwagens en standplaatsen (vervallen)</al><al><vet><cursief><onderstreept>Paragraaf
                    2</onderstreept></cursief></vet><vet><cursief> Behandeling van
                        de aanvraag om
                        bouwvergunning</cursief></vet>...................................11</al><al>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen)</al><al>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                    (vervallen)</al><al>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen (vervallen)</al><al>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
                    (vervallen)</al><al>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen) </al><al>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</al><al><vet><cursief><onderstreept>Paragraaf
                    3</onderstreept></cursief></vet><vet><cursief> Welstandstoetsing
                    </cursief></vet><cursief>...........</cursief>...............................................................................11</al><al>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen) </al><al><vet><cursief><onderstreept>Paragraaf
                    4</onderstreept></cursief></vet><vet><cursief> Het tegengaan van
                        bouwen op verontreinigde
                        bodem</cursief></vet><cursief>.......</cursief>..........................11</al><al>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</al><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</al><al><vet><cursief><onderstreept>Paragraaf
                    5</onderstreept></cursief></vet><vet><cursief> Voorschriften van
                        stedenbouwkundige aard</cursief></vet><cursief>
                            ..</cursief>.............................................11</al><al>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                    stedenbouwkundige</al><al>bepalingen (vervallen) </al><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</al><al>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer</al><al> Brandblusvoorzieningen</al><al>Artikel 2.5.3.A. Brandweeringang</al><al>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten </al><al>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                    voorgevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</al><al>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                    voorgevelrooilijn.</al><al>Afschuining van straathoeken</al><al>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                    achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen </al><al>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen </al><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</al><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</al><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                    ondergrondse</al><al> hoofdtransportleidingen </al><al>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn (Alternatief
                    1)</al><al>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn (Alternatief
                    1) </al><al>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                    achtergevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen
                    (Alternatief 1)</al><al>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken (Alternatief
                    1)</al><al>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                    terreinen</al><al>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken </al><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</al><al>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                    bouwhoogte </al><al>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van
                    de toegelaten</al><al>bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</al><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                    gebouwen </al><al><vet><cursief><onderstreept>Paragraaf
                    6</onderstreept></cursief></vet><vet><cursief> Voorschriften
                        inzake brandveiligheidinstallaties en</cursief></vet></al><al><vet>vluchtrouteaanduidingen</vet>
                    ....................................................................................................21</al><al>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties.</al><al>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties </al><al>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties.</al><al>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties.</al><al>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties </al><al>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties</al><al>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</al><al>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid </al><al>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke
                    hulpverleningsdiensten</al><al><vet><cursief><onderstreept>Paragraaf
                    7</onderstreept></cursief></vet><vet><cursief> Aansluitplicht op
                        de
                        nutsvoorzieningen..</cursief></vet><cursief>.....................................................</cursief>.24</al><al>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering (Alternatief
                    2)</al><al>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
                    (Alternatief 1)</al><al>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                    erven en </al><al>terreinen</al><al>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                    openbare net</al><al>van de nutsvoorzieningen.</al><al><vet>3 De melding
                    .........</vet>...............................................................................................................26</al><al>Artikel 3.1 De wijze van melden</al><al>Artikel 3.2 Welstandscriteria</al><al><vet>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                    ingebruikneming van een bouwwerk</vet>
                    .............................................................................................................................27</al><al>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                    tussentijdse staking</al><al>van bouwwerkzaamheden </al><al>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen)</al><al>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</al><al>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                    van) de</al><al>bouwwerkzaamheden</al><al>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen </al><al>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</al><al>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</al><al>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</al><al>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                    hinder</al><al>Artikel 4.11 Bouwafval</al><al>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                    bouwwerkzaamheden</al><al>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</al><al>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming ( vervallen)</al><al><vet>5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids- installaties,
                    aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk
                    gedierte</vet> ................................30</al><al><vet><cursief>Paragraaf 1 Staat van open erven en
                    terreinen</cursief></vet>..................................................................30</al><al>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</al><al>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</al><al>Brandblusvoorzieningen.</al><al>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten .</al><al><vet><cursief>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen</cursief></vet>............31</al><al>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en</al><al>vluchtrouteaanduidingen </al><al>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in
                    gebouwen, niet zijnde</al><al>woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of</al><al>kantoorgebouwen (vervallen)</al><al>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                    woongebouwen van</al><al>bijzondere aard (vervallen)</al><al>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                    logiesverblijven en</al><al>logiesgebouwen (vervallen)</al><al>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                    kantoorgebouwen (vervallen) </al><al><vet><cursief>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen
                </cursief></vet>...........................................................31</al><al>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet </al><al>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                    erven en </al><al>terreinen</al><al>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                    openbare net ..</al><al>van de nutsvoorzieningen4</al><al><vet><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk
                    gedierte. Reinheid.</cursief></vet>
                    .........................32</al><al>Artikel 5.4.1 Preventie.</al><al><vet>6 Brandveilig gebruik</vet>
                    ..........................................................................................................33</al><al><vet><cursief>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</cursief></vet>
                    .......................................................................................33</al><al>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk .</al><al>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</al><al>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</al><al>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</al><al>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</al><al>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</al><al>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</al><al><vet><cursief>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van
                    brand en brandgevaar</cursief></vet>....34</al><al>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</al><al>Artikel 6.2.2 Verbod stoffen aanwezig te hebben </al><al>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen ( Vervallen) </al><al><vet><cursief>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van
                    ongevallen bij brand</cursief></vet> .....35</al><al>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen (
                    vervallen)</al><al>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</al><al>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</al><al><vet>Overige
                    gebruiksbepalingen.............................................................................................36
                </vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 1
                    Overbevolking</cursief></vet>..................................................................................................36</al><al>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen </al><al>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen </al><al><vet><cursief>Paragraaf 2 Staken van het
                    gebruik</cursief></vet>....................................................................................36</al><al>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</al><al>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek
                    aan</al><al>hygiëne</al><al>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</al><al><vet><cursief>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                    terreinen</cursief></vet>.....................................36</al><al>Artikel 7.3.1 (vervallen)</al><al>Artikel 7.3.2 Hinder</al><al><vet><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk
                    gedierte. Reinheid</cursief></vet>
                    ..........................37</al><al>Artikel 7.4.1 Preventie</al><al><vet><cursief>Paragraaf 5
                    Watergebruik.....</cursief></vet>...............................................................................................37</al><al>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</al><al><vet><cursief>Paragraaf 6 Installaties
                </cursief></vet>........................................................................................................37</al><al>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</al><al><vet>8
                    Slopen</vet>.................................................................................................................................38</al><al><vet><cursief>Paragraaf 1 Sloopvergunning</cursief></vet>
                    .............................................................................................38</al><al>Artikel 8.1.1 Sloopvergunning</al><al>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning.</al><al>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen.</al><al>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</al><al>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</al><al>Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</al><al>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</al><al><vet><cursief>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van
                    sloopvergunning</cursief></vet>.................................41</al><al>Artikel 8.2.1 Sloopmelding </al><al>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                    sloopvergunning</al><al><vet><cursief>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het
                    slopen</cursief></vet>
                    ..................................................................42</al><al>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein </al><al>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning </al><al>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</al><al>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</al><al>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen (
                    Vervallen)</al><al><vet><cursief>Paragraaf 4 Vrij slopen</cursief></vet>
                    ........................................................................................................43</al><al>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</al><al><vet>9 Welstand</vet>
                    ............................................................................................................................44</al><al>Artikel 9.1 (nieuw) De advisering door de welstandscommissie</al><al>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie (Alternatief 3)</al><al>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</al><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</al><al>Artikel 9.5 Termijn van advisering</al><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting </al><al>(mbt. lid 4 alternatief 1)</al><al>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat (Alternatief 2)</al><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebrach</al><al>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                    standplaatsen</al><al><vet>10 Overige administratieve
                    bepalingen</vet>..............................................................................47</al><al>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</al><al>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een
                    ontruimde</al><al>onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen ( vervallen)</al><al>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</al><al>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen)</al><al>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en</al><al>woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (
                    vervallen)</al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en
                    andere</al><al>voorschriften</al><al><vet>11
                    Handhaving</vet>......................................................................................................................48</al><al>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw ( Vervallen)</al><al>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming (
                    vervallen)</al><al>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen ( Vervallen)</al><al>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen)</al><al><vet>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen
                </vet>...........................................................................49</al><al>Artikel 12.1 Strafbare feiten ( Vervallen)</al><al>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek </al><al>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open
                    erven en</al><al>terreinen </al><al>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning </al><al>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (vervallen) </al><al>Artikel 12.6 Slotbepaling (Alternatief 1 = inwerkingtreding ineens)</al><al>BIJLAGEN</al><al><vet>Bijlage 1
                    ................................................................................................................................</vet>50</al><al>Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1</al><al>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als </al><al>bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen) </al><al>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens
                    en</al><al>bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening</al><al>(vervallen) </al><al>Artikel 3 Funderingsplan (vervallen)</al><al>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen)</al><al>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan (vervallen)</al><al>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen)</al><al>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen)</al><al><vet>Bijlage 2</vet>
                    ................................................................................................................................51</al><al>Bijlage behorende bij artikel 6.1.2</al><al><vet>Bijlage 3</vet>
                    ................................................................................................................................52</al><al>Bijlage behorende bij artikel 6.2.1 , eerste lid</al><al>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten</al><al>Artikel 2 Elektrische installaties en toestellen</al><al>Artikel 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden.</al><al>Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rookgassen</al><al>Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur</al><al>Artikel 6 Blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties</al><al>Artikel 7 Brandweerlift</al><al>Artikel 8 Brandmeldinstallatie</al><al>Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie</al><al>Artikel 10 Brandblusinstallatieen de bijbehorende pompinstallaties </al><al>Artikel 11 Brandslanghaspels </al><al>Artikel 12 Automatisch werkende vluchtdeuren</al><al>Artikel 12 A Deuren van overdruktrappenhuizen</al><al>Artikel 13 Vluchtroute aanduidingen</al><al>Artikel 14 Gasflessen ( vervallen)</al><al>Artikel 15 Rook- en warmteafvoerinstallatie</al><al>Artikel 16 Overdrukinstallatie</al><al>Artikel 17 Onderhoud van rook- en brandscheidingen</al><al>Artikel 18 Brandweeringang (vervallen)</al><al>Artikel 19 Logboek</al><al>Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale
                    bedrijfsuitoefening</al><al>Artikel 21 Rookmelders in woningen</al><al>Artikel 22 Roltrap</al><al>Artikel 23 Garantiecertificaat</al><al>Artikel 24 Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes</al><al>Artikel 25 Bluswaterwinplaats op eigen terrein</al><al><vet>Bijlage
                    4</vet>.................................................................................................................................64</al><al>Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, tweede lid</al><al>Artikel 1 Uitgangen en vluchtwegen</al><al>Artikel 2 Bekleding, stoffering en versiering</al><al>Artikel 3 Elektrische verlichting </al><al>Artikel 4 Aanduiding van blusmiddelen</al><al>Artikel 5 Toepassen van vuurwerk binnen een gebouw </al><al>Artikel 6 Opstelling van inventaris</al><al>Artikel 7 Afval ( vervallen)</al><al>Artikel 8 Periodieke controle van draagbare blustoesttellen</al><al>Artikel 9 Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaal</al><al>Artikel 10 Glas</al><al>Artikel 11 Textiel in horizontale toepassing</al><al>Artikel 12 Toepassing van kunststof foliemateriaal, behangpapier,
                    crepepapier of fotopapier</al><al><vet>Bijlage
                    5</vet>.................................................................................................................................71</al><al>Bijlage behorend bij artikel 6.2.2</al><al><vet>Bijlage
                    6</vet><vet>(Vervallen)</vet>...............................................................................................................73</al><al><vet>Bijlage
                    7</vet>.................................................................................................................................73</al><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al><al><vet>Bijlage 8</vet>.<vet>( Vervallen </vet>)</al><al><vet>Bijlage
                    9</vet>.....................................................................................................................74 </al><al><vet>Bijlage
                    10</vet>...................................................................................................................75</al><al>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)</al><al><vet>Bijlage
                    11</vet>...................................................................................................................79 </al><al>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsintallatie)</al><al><vet>Bijlage
                    12</vet>...................................................................................................................80 </al><al>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)</al><al><vet> Inleidende bepalingen</vet></al></bijlage></regeling></body></cvdr>