<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR147286_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelverordening Wwb, Ioaw/Ioaz 2012 Ouder-Amstel</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">weekblad voor Ouder-Amstel dd. 22 februari 2012, www.Ouder-Amstel.nl</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelverordening Wwb, Ioaw/Ioaz 2012 Ouder-Amstel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8 lid 1 onderdelen b en h, artikel 9a lid 12 en artikel 18 lid 1,2 en 3 van de Wet Werk en Bijstand</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 20 en 35 van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongechikte werkkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 20 en 35 van de wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-02-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012/02</overheidrg:kenmerk></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelverordening Wwb, Ioaw/Ioaz 2012 Ouder-Amstel</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Maatregelverordening Wwb, Ioaw en Ioaz 2012</vet></al><al/><al/><al>De raad van de gemeente Ouder-Amstel;</al><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders dd. 20 december 2011, met
                        overneming van de daarin vermelde motieven;</al><al>Gelet op artikel 8 lid 1 onderdelen b en h, artikel 9a lid 12 en artikel 18
                        lid 1, 2 en 3 van de Wet werk en bijstand, de artikelen 20 en 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers en de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al/><al>BESLUIT:</al><al>Vast te stellen:</al><al>de volgende maatregelverordening Wwb, Ioaw en Ioaz 2012 Ouder-Amstel</al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (Wwb), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (Ioaz), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
                                de Gemeentewet.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></li><li nr="3."><al>Het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                Ouder-Amstel.</al></li><li nr="4."><al>De raad: de gemeenteraad van Ouder-Amstel.</al></li><li nr="5."><al>Uitkering: algemene bijstand op grond van de Wwb, alsmede een
                                uitkering op grond van de Ioaw en de Ioaz.</al></li><li nr="6."><al>Bijstandsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel
                                5 onderdeel c Wwb of, voorzover sprake is van een Ioaw of Ioaz
                                uitkering, de grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5
                                Ioaw respectievelijk artikel 5 Ioaz.</al></li><li nr="7."><al>Benadelingsbedrag: </al></li><li nr="8."><al>De uitkering die teveel of ten onrechte is verstrekt als gevolg van
                                het schenden van de inlichtingenplicht; en</al></li><li nr="9."><al>De uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een
                                beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening van het bestaan.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                        vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het bedrag
                        waarmee de uitkering wordt verlaagd, en, als dit van toepassing is, de reden
                        om af te wijken van de standaardmaatregel.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Afzien van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het toepassen van een maatregel indien:
                            </al></li><li nr="2."><al>Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="3."><al>De gedraging meer dan een jaar voor constatering van die gedraging
                                door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een
                                schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die
                                gedraging ten onrechte of teveel uitkering is verleend. Een
                                maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging
                                heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan afzien van een maatregel indien het daarvoor
                                dringende redenen aanwezig acht.</al></li><li nr="5."><al>Indien het college afziet van een maatregel op grond van dringende
                                redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte
                                gesteld.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een maatregel wordt toegepast met ingang van de dag volgend op de
                                datum waarop het besluit tot het toepassen van de maatregel aan een
                                belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op
                                dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>Als een maatregel overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is,
                                omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken, kan de maatregel met
                                terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de
                                periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad dan wel de
                                uitkering over de periode waarin de gedraging heeft
                                plaatsgevonden.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een maatregel wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan een maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al><lijst><li nr="1."><al>Aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 Wwb; of</al></li><li nr="2."><al>De verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2 tot en met 4 “bijstandsnorm” worden gelezen als
                                “bijstandsnorm plus de op grond van artikel 12 Wwb verleende
                                bijzondere bijstand”.</al></li><li nr="4."><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                hoofdstukken 2 tot en met 4 “bijstandsnorm” worden gelezen als “de
                                verleende bijzondere bijstand”.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Niet nakomen van de verplichtingen met betrekking tot de
                            arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid
                        niet wordt behouden of één van de verplichtingen op grond van artikel 9 Wwb,
                        artikel 9a Wwb, artikel 55 Wwb respectievelijk artikel 37 Ioaw, artikel 38
                        Ioaw, artikel 37 Ioaz en artikel 38 Ioaz niet of onvoldoende worden
                        nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieen:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al></li></lijst><al>Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV
                        Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie.</al><lijst><li nr=""><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                        arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="2."><al>Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek
                                        naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="3."><al>Het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                        college aangeboden voorziening zoals bedoeld in artikel 9
                                        lid 1 onderdeel b Wwb en artikel 10 lid 1 Wwb
                                        respectievelijk artikel 36 lid 1 Ioaw en artikel 37 lid 1
                                        onderdeel e Ioaz, voor zover dit niet heeft geleid tot het
                                        geen doorgang vinden of tot voortijdige beeindiging van die
                                        voorziening;</al></li><li nr="4."><al>Het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren
                                        van een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a Wwb,
                                        indien van toepassing;</al></li><li nr="5."><al>Het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
                                        verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel b
                                        Wwb respectievelijk artikel 37 lid 1 onderdeel e Ioaz niet
                                        te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                        ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder
                                        zoals bedoeld in artikel 9a lid 1 Wwb respectievelijk 38 lid
                                        1 Ioaw en artikel 38 lid 1 Ioaw en artikel 38 lid 1
                                        Ioaz;</al></li><li nr="6."><al>Het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld
                                        in artikel 9 lid 1 Wwb of artikel 55 Wwb voorzover het gaat
                                        om een persoon jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na
                                        de melding zoals bedoeld in artikel 43 lid 4 en 5 Wwb.</al></li></lijst></li><li nr=""><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="2."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="3."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                        college aangeboden voorziening gericht op de
                                        arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 9 lid 1
                                        onderdeel b Wwb en artikel 10 lid 1 Wwb respectievelijk
                                        artikel 36 lid 1 Ioaz en artikel 37 lid 1 onderdeel e Ioaz,
                                        voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of
                                        tot voortijdige beeindiging van die voorziening;</al></li><li nr="4."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                        opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals bedoeld in
                                        artikel 9 lid 1 onderdeel c Wwb, artikel 37 lid 1 onderdeel
                                        f Ioaw of artikel 37 lid 1 onderdeel f Ioaz.</al></li></lijst></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>De maatregel, bij gedragingen zoals bedoeld in artikel 6, wordt vastgesteld
                        op:</al><lijst><li nr="1."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="2."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="3."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende de inlichtingenplicht zoals bedoeld in
                                artikel 17 Wwb respectievelijk artikel 13 Ioaw of artikel 13 Ioaz
                                niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de
                                verlening van de uitkering of de voortzetting daarvan niet binnen de
                                door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, maar wel
                                binnen de hersteltermijn zoals bedoeld in artikel 54 lid 2 Wwb
                                respectievelijk artikel 17 lid 2 Ioaw en artikel 17 lid 2 Ioaz,
                                wordt een maatregel opgelegd van vijf procent van de bijstandsnorm
                                gedurende één maand.</al></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van een maatregel zoals bedoeld in het eerste lid
                                kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar, te rekenen vanaf de datum waarop eerder een belanghebbende een
                                schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                            gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                zoals bedoeld in artikel 17 Wwb respectievelijk artikel 78s lid 3 en
                                4 Wwb, artikel 13 van de Ioaw of artikel 13 van de Ioaz niet heeft
                                geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                uitkering, bedraagt de maatregel vijf procent van de bijstandsnorm
                                gedurende één maand.</al></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van een maatregel bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een
                                schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                            gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                zoals bedoeld in artikel 17 Wwb respectievelijk artikel 78s lid 3 en
                                4 Wwb, artikel 13 van de Ioaw of artikel 13 van de Ioaz heeft geleid
                                tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                uitkering, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het
                                benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2."><al>De maatregel wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="1."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag tot en met € 1000;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                benadelingsbedrag vanaf € 1000 tot en met € 2000;</al></li><li nr="4."><al>veertig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                benadelingsbedrag vanaf € 2000 tot en met € 4000;</al></li><li nr="5."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                benadelingsbedrag groter dan € 4000.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een
                        maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan zoals bedoel in artikel 18 lid 2
                                Wwb, anders dan het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
                                als bedoeld in artikel 6 lid 3 onderdeel b van deze verordening,
                                wordt afgestemd op het benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2."><al>De maatregel wordt vastgesteld op:</al><al> a. tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een </al><al>benadelingsbedrag tot en met € 1000;</al><al> b. twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een </al><al> benadelingsbedrag vanaf € 1000 tot en met € 2000;</al><al> c. veertig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een </al><al> benadelingsbedrag vanaf € 2000 tot en met € 4000;</al><al> d. honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij </al><al>een benadelingsbedrag groter dan € 4000.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college
                        of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                        de uitvoering van de Wwb, Ioaw of Ioaz, wordt een maatregel opgelegd van
                        minimaal vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van
                                meerdere op deze verordening genoemde verplichtingen, wordt één
                                maatregel opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de
                                maatregel wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste
                                maatregel is gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen,
                                wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd.
                                Deze maatregels worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de
                                ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een maatregel is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 6 lid 2 of 3, artikel 10 lid 1 of
                                artikel 11 lid 1 van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan
                                een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in voornoemde artikelen,
                                wordt de duur van de maatregel verdubbeld.</al></li><li nr="2."><al>Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een maatregel is toegepast vanwege een
                                artikel 12 van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan een
                                verwijtbare gedraging zoals bedoeld in voornoemde artikelen, wordt
                                de hoogte van de maatregel verdubbeld.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Blijvende of tijdelijke weigering Ioaw/Ioaz</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering Ioaw/Ioaz</titel></kop><al>Indien het college de uitkering op grond van artikel 20 lid 1 Ioaw of
                        artikel 20 lid 2 Ioaz blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot
                        deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een
                        maatregel zou kunnen leiden, blijft een maatregel ter zake van die gedraging
                        achterwege.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.</al><al>De maatregelverordening Wwb 2010 alsmede de maatregelverordening Ioaw/Ioaz
                        worden per 1 januari 2012 ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: maatregelverordening Wwb, Ioaw en
                        Ioaz 2012 Ouder-Amstel.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 9 februari 2012</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING MAATREGELVERORDENING WWB, IOAW EN IOAZ 2012
                            OUDER-AMSTEL</vet></al><al/><al><vet>Rechten en plichten in de Wwb</vet></al><al>De gemeenteraad heeft in de Wwb een verantwoordelijkheid met betrekking tot
                        de invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede
                        gelet op de rechtszekerheid van een bijstandgerechtigde moet de gemeenteraad
                        het eigen gemeentelijk beleid vastleggen in een verordening.</al><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op algemene
                        bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                        onafhankelijk te worden van de uitkering.</al><al>Artikel 18 lid 1 Wwb spreekt over het afstemmen van de bijstand en de
                        daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en
                        middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het
                        vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden
                        verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht
                        worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden
                        van bijstandsgerechtigden. Artikel 18 lid 2 Wwb legt een directe koppeling
                        tussen de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op
                        een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                        onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling
                        van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                        uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook
                        van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                        verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de
                        uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een
                        verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet
                        het college af van een dergelijke maatregel. Het college moet niettemin bij
                        de vaststelling van de maatregel rekening houden met de persoonlijke
                        omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het college
                        kan dan ook van een maatregel afzien indien het college daartoe zeer
                        dringende reden aanwezig acht.</al><al>Is afgezien van een maatregel wegens het ontbreken van elke vorm van
                        verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen
                        ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de
                        afstemming op grond van artikel 18 lid 1 Wwb van een maatregel afgezien, dan
                        is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing
                        te laten in geval van recidive.</al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal
                        het college de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dat
                        volgt uit artikel 18 lid 3 Wwb. Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet
                        opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden
                        opnieuw tegen het licht worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast te
                        stellen of belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de
                        maatregel zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige
                        gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                        omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde maatregel in
                        zwaarte of duur bij te stellen (zie CRvB 19-04-1022, nr. 10/4882 Wwb).</al><al>Een maatregel krachtens de maatregelverordening moet niet gezien worden als
                        een strafrechtelijke sanctie. Indien een betreffende gedraging ook een
                        strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor
                        vervolgd worden. Ondanks het feit dat de verlaging geen strafrechtelijke
                        sanctie is, kunnen de verlaging en de strafvervolging niet naast elkaar
                        bestaan als sprake is van hetzelfde rechtsfeit (bijvoorbeeld
                        inlichtingenfraude). Het beginsel van “ne bis in idem” staat daaraan in de
                        weg.</al><al/><al><vet>Afstemmen in de Ioaw en de Ioaz</vet></al><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een Ioaw of Ioaz
                        uitkering te verlagen of te weigeren indien een belanghebbende de aan het
                        recht op uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt
                        (artikel 20 Ioaw en artikel 20 Ioaz). De gemeente moet het gemeentelijk
                        beleid vastleggen in een verordening (artikel 35 lid 1 onderdeel b Ioaw en
                        artikel 35 lid 1 onderdeel b Ioaz).</al><al>De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en
                        maatregelenregime, waarbij zij opgemerkt dat de mogelijkheid om een boete op
                        te leggen al per 1 januari 2010 was vervallen.</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING MAATREGELVERORDENING WWB, IOAW EN IOAZ 2012
                            OUDER-AMSTEL</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begrippen</vet></al><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de Wwb, Ioaw,
                        Ioaz, Awb of de Gemeentewet niet afzonderlijk te definieren in deze
                        verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende
                        definities in de betreffende wetten ook de verordening moet worden
                        gewijzigd.</al><al>Onder de “bijstandsnorm” (lid 2 onderdeel d) wordt in deze verordening
                        verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is
                        de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en verminderd met
                        verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een
                        uitkering op grond van de Ioaw of de Ioaz wordt onder bijstandsnorm verstaan
                        de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 Ioaw en artikel 5
                        Ioaz.</al><al/><al><vet>Artikel 2. Het besluit tot het opleggen van een maatregel</vet></al><al>Het opleggen van een maatregel op grond van deze verordening vindt plaats
                        door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende
                        bezwaar en beroep indienen. In artikel 2 van deze verordening is aangegeven
                        wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien
                        rechtstreeks voort uit de Awb en dan met name uit de motiveringsvereiste. De
                        motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van
                        een deugdelijke motivering is voorzien.</al><al/><al><vet>Artikel 3. Afzien van een maatregel</vet></al><al><cursief>Afzien van een maatregel (lid 1)</cursief></al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel “indien elke vorm van
                        verwijtbaarheid” ontbreekt, is overgenomen uit artikel 18 lid 2 Wwb
                        (respectievelijk artikel 20 lid 3 Ioaw en artikel 20 lid 3 Ioaz). Aangenomen
                        moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van
                        verwijtbaarheid (zie CRvB 24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, LJN AD4887). Het is
                        aan het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan
                        het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van
                        verwijtbaarheid afgezien van een maatregel, dan is het niet mogelijk om bij
                        toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 14 van
                        deze verordening). Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18 lid 1
                        Wwb van een maatregel afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de
                        betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                        recidive.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                        effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat
                        de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden regelt artikel
                        3 lid 1 onderdeel b van deze verordening dat het college geen maatregel
                        oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                        plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde
                        niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag of de gemeente
                        overgaat tot het opleggen van een maatregel.</al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                        gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                        bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                        jaar.</al><al/><al><cursief>Afzien van een maatregel in verband met dringende redenen (lid 2 en
                            3)</cursief></al><al>In artikel 3 lid 2 van deze verordening is geregeld dat kan worden afgezien
                        van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen
                        aanwezig zijn. De verordening stelt een algemene verplichting tot het
                        opleggen van een maatregel voorop. Uitzondering moeten echter mogelijk zijn
                        indien voor de belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden.
                        Uit het woord “dringend” blijkt dat er wel iets heel bijzonders en
                        uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene
                        principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk
                        van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er
                        kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten
                        aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiele of sociale gevolgen
                        voor belanghebbende en/of dienst gezin. Daarbij moet worden opgemerkt dat
                        ernstige financiele gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een
                        maatregel af te zien, aangezien dit inherent is aan het verlagen van de
                        uitkering.</al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                        opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband
                        met eventuele recidive is geregeld in artikel 14 van deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel</vet></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                        uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>Met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>Door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                                eerstvolgende maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is
                        de gemakkelijkste methode. Dan hoeft namelijk niet te worden overgegaan tot
                        herziening van de uitkering en terugvordering van het teveel betaalde
                        bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een maatregel wordt
                        opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de
                        kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van
                        de hoogte van de maatregel moet worden uitgegaan van de voor die maand
                        geldende bijstandsnorm.</al><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                        gevallen dient de maatregel met terugwerkende kracht te worden toegepast
                        (zie lid 2). Het afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een
                        bijzondere vorm van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk
                        tot teveel verstrekte uitkering. De uitkering die op grond van het
                        afstemmingsbesluit teveel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58 lid
                        1 onderdeel a Wwb, respectievelijk artikel 25 lid 1 Ioaw en Ioaz, worden
                        teruggevorderd. Hierbij moet wel worden bedacht dat afstemming met
                        terugwerkende kracht niet altijd mogelijk is. Als alle uitkering over de
                        betreffende periode is ingetrokken en teruggevorderd, resteert er niets meer
                        om af te stemmen. Als de gedraging schending van de inlichtingenplicht
                        betreft, kan aangifte worden gedaan bij het OM, ook als de vordering minder
                        bedraagt dan de aangiftegrens van € 10.000 (uitzondering 5 in de Aanwijzing
                        Sociale Zekerheidsfraude).</al><al/><al><vet>Artikel 5. Berekeningsgrondslag</vet></al><al><cursief>Bijstandsnorm (lid 1)</cursief></al><al>In artikel 5 lid 1 van deze verordening is het uitgangspunt vastgelegd dat
                        een maatregel wordt berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm
                        wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of
                        verlaging en inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de
                        Ioaw of de Ioaz wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5
                        Ioaw/Ioaz. </al><al/><al><cursief>Bijzondere bijstand (lid 2 en 3)</cursief></al><al>In artikel 5 lid 2 onderdeel a van deze verordening is bepaald dat een
                        maatregel ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan een
                        belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel
                        12 Wwb. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm,
                        die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende
                        bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als een maatregel
                        uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot
                        rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in het derde
                        lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat
                        uit de bijstandsnorm en de verleende bijzondere bijstand op grond van
                        artikel 12 Wwb.</al><al>Artikel 5 lid 2 onderdeel b van deze verordening maakt het mogelijk dat het
                        college in incidentele gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere
                        bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een
                        belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een maatregel kan
                        uitsluitend worden opgelegd indien daadwerkelijk bijzondere bijstand is
                        verstrekt, en de aanvraag bijvoorbeeld niet is afgewezen wegens
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. De verordening biedt ruimte
                        om een maatregel toe te passen op de langdurigheidstoeslag.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Gedragingen</vet></al><al>De artikelen 6 en 7 van deze verordening moeten in onderlinge samenhang
                        worden gelezen. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 6,
                        zijn ondergebracht in categorieen. Aan die categorieen wordt in artikel 7
                        een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De
                        categorieen zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt
                        ernstiger naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet
                        verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al><al/><al><cursief>Lid 2 onderdeel f: inspanningen jongeren in eerste vier weken na
                            melding</cursief></al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9
                        lid 1 Wwb). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij worden
                        beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding
                        (artikel 43 lid 4 en 5 Wwb). Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat
                        op grond van artikel 13 lid 2 onderdeel d Wwb geen recht op bijstand. Zijn
                        er wel inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college
                        onvoldoende, dan kan het college de uitkering verlagen. </al><al/><al><vet>Artikel 7. Hoogte en duur van de maatregel</vet></al><al>Zie de toelichting bij artikel 6.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Te laat verstrekken van gegevens</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Indien de belanghebbende de voor de verlening van de uitkering van belang
                        zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet binnen de door het college
                        gestelde termijn heeft verstrekt, kan het college het recht op uitkering
                        opschorten (zie artikel 54 lid 2 Wwb, artikel 17 lid 2 Ioaw en artikel 17
                        lid 2 Ioaz). Het college geeft vervolgens een hersteltermijn waarbinnen de
                        belanghebbende het verzuim kan herstellen door alsnog de gegevens of
                        bewijsstukken te verstrekken. Indien de belanghebbende de gegevens of
                        bewijsstukken binnen deze termijn verstrekt, wordt een maatregel opgelegd op
                        grond van artikel 8 van deze verordening. Op grond van artikel 8 lid 2 kan
                        dan eerst een waarschuwing worden gegeven. Als de gegevens of bewijsstukken
                        buiten de hersteltermijn worden verstrekt, zal de uitkering worden
                        ingetrokken (zie artikel 54 lid 4 Wwb).</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Artikel 8 lid 2 van deze verordening geeft de mogelijkheid in plaats van een
                        maatregel een waarschuwing te geven. De waarschuwing wordt schriftelijk
                        afgegeven en is vatbaar voor bezwaar en beroep.</al><al/><al><vet>Artikel 9. Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen
                            zonder gevolgen voor de bijstand</vet></al><al>In dit artikel wordt `nulfraude` geregeld. Dit is het verstrekken van
                        onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder dat dit heeft geleid tot het ten
                        onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. Een voorbeeld van
                        nulfraude is het niet opgeven van een vermogensbestanddeel waarbij de waarde
                        van het bestanddeel niet tot gevolg heeft dat de voor belanghebbende
                        geldende vermogensgrens wordt overschreden.</al><al>Artikel 9 lid 2 van deze verordening geeft de mogelijkheid om in plaats van
                        een maatregel een waarschuwing te geven. De waarschuwing wordt schriftelijk
                        afgegeven en is vatbaar voor bezwaar en beroep.</al><al/><al><vet>Artikel 10. Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen
                            met gevolgen voor de bijstand</vet></al><al>Op grond van artikel 10 van deze verordening kan een maatregel worden
                        opgelegd voor een schending van de inlichtingenplicht die heeft geleid tot
                        het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. De ernst
                        van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                        benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan
                        uitkering.</al><al>Als de maatregelwaardige gedraging ook een strafbaar oplevert, dient het
                        college hiervan proces verbaal op te maken en aangifte te doen bij het
                        Openbaar Ministerie (OM) indien het bedrag waarvoor is gefraudeerd boven de
                        aangiftegrens komt. In de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude wordt als
                        aangiftegrens een benadelingsbedrag van € 10.000 gehanteerd. Bij
                        fraudebedragen beneden de aangiftegrens zal het OM in de regel geen
                        strafvervolging inzetten. In een aantal gevallen kan echter bij wijze van
                        uitzondering ook strafvervolging plaatsvinden bij fraudebedragen beneden de
                        € 10.000. Op grond van de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude geldt de grens
                        van € 10.000 voor strafrechtelijke afdoening niet voor zaken tegen
                        verdachten die geen uitkering (meer) genieten. Het college kan dus ook bij
                        een benadelingsbedrag beneden de aangiftegrens aangifte doen bij het OM,
                        indien er geen maatregel kan worden toegepast.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet></al><al>Aan de Wwb ligt het beginsel ten grondslag dat eenieder in eerste instantie
                        in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                        mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat
                        iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te
                        voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of
                        voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van
                        een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                        het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen
                        (als die er toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger
                        bedrag is aangewezen op bijstand):</al><lijst><li nr=""><al>Het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr=""><al>Het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al></li><li nr=""><al>Het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                                voorziening.</al></li></lijst><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid is
                        een gedraging die ook zou kunnen worden gekwalificeerd als een
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                        bestaan. Vanwege de samenhang met de arbeidsverplichtingen is er echter voor
                        gekozen deze gedraging onder te brengen in artikel 6 van deze verordening
                        (zie artikel 6 lid 3 onderdeel b).</al><al>Op grond van artikel 11 van deze verordening kan een maatregel worden
                        opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van
                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de
                        gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat
                        is het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan bijstand.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al>Onder de term “zeer ernstige misdragingen” kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. Het college kan alleen een
                        maatregel opleggen indien er een verband bestaat tussen de ernstige
                        misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het vaststellen van het recht op
                        een uitkering. De Wwb, maar ook de Ioaw en Ioaz bevatten immers geen
                        afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige misdragingen. Het
                        recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich zeer
                        ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van
                        een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting (zie bijvoorbeeld CRvB
                        06-07-2010, nr. 08/2025 Wwb, LJN BN 0660). Vandaar dat in artikel 12 van
                        deze verordening wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten
                        hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden
                        met de uitvoering van Wwb, Ioaw of Ioaz. Indien een belanghebbende zich zeer
                        ernstig misdraagt, geheel los van een (andere) aan de uitkering verbonden
                        verplichting –hij komt bijvoorbeeld uit eigen beweging stennis maken- dan is
                        binnen de Wwb (respectievelijk Ioaw en Ioaz) tegen deze gedraging geen
                        sanctie mogelijk.</al><al>Een belanghebbende heeft ook een inlichtingenplicht jegens het UWV. Daarom
                        kan geconcludeerd worden dat ook zeer ernstige misdragingen jegens
                        (medewerkers van) het UWV, zouden kunnen leiden tot een maatregel van de
                        bijstand op grond van de maatregelverordening. Het zich zeer ernstig
                        misdragen jegens een medewerker van het re-integratiebureau, omdat deze
                        personen werken in opdracht van het college en de misdraging van negatieve
                        invloed is op de op belanghebbende uit hoofde van de Wwb rustende
                        verplichting tot arbeidsinschakeling (zie Rechtbank Rotterdam 26-03-2008,
                        nr. 07/1478, LJN BC 9884) valt hier ook onder.</al><al/><al><vet>Artikel 13. Samenloop van gedragingen</vet></al><al>De regeling voor samenloop ziet op twee mogelijke situaties. Enerzijds de
                        situatie dat sprake is van één gedraging die schending van meerdere
                        verplichtingen oplevert; in dat geval dient uit te worden gegaan van de
                        verplichting waarop de hoogste maatregel van toepassing is (lid 1).
                        Anderzijds is de situatie geregeld waarin sprake is van verschillende
                        gedragingen (meerdraadse samenloop, lid 2). In het laatste geval moet voor
                        iedere afzonderlijke gedraging een maatregel worden opgelegd, tenzij dit
                        niet verantwoord is. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele
                        omstandigheden. De maatregel wordt dan over meerdere maanden
                        uitgesmeerd.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Recidive</vet></al><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom
                        sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                        verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte
                        of duur van de maatregel. Een maatregel kan nooit hoger zijn dan 100%.
                        Daarom is bij gedragingen waar relatief zware maatregels voor gelden,
                        gekozen voor een verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats van de
                        hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging
                        bedoeld die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien wegens
                        dringende redenen is afgezien van het opleggen van een maatregel. Is vanwege
                        de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een maatregel,
                        dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee
                        te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf
                        maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is
                        opgelegd, is verzonden.</al><al>Op basis van artikel 14 van deze verordening kan een recidivemaatregel
                        slechts één keer worden toegepast. Indien een belanghebbende na een tweede
                        verwijtbare gedraging wederom verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en
                        de duur van de maatregel individueel moeten worden vastgesteld, waarbij
                        gekeken zal moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van
                        verwijtbaarheid en de omstandigheden.</al><al/><al><vet>Artikel 15. Samenloop bij weigeren uitkering Ioaw/Ioaz</vet></al><al>Het college is op grond van artikel 20 Ioaz respectievelijk artikel 20 Ioaz
                        bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een
                        belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar
                        dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag
                        of een maatregel moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het
                        college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de
                        uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college
                        concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze
                        verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 15 van deze verordening
                        is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Hierbij is
                        aansluiting gezocht met de datum van inwerkingtreding van een aantal voor de
                        Wwb van belang zijnde wetsvoorstellen, zoals het wetsvoorstel “Wijziging van
                        de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in
                        jongeren gericht op de bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
                        vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden” (32
                        815).</al><al/><al><vet>Artikel 17. Citeertitel</vet></al><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening.</al><al/><al/><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>