<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR147206_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet werk en bijstand 2012 gemeente Ouder-Amstel</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">weekbad voor Ouder-Amstel dd 22 februari 2012, www.ouder-amstel.nl</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet werk en bijstand 2012 gemeente Ouder-Amstel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekendartikel 8, lid 1, onderdeel c van de wet Werk en Bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-02-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-12-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012/02</overheidrg:kenmerk></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet werk en bijstand 2012 gemeente Ouder-Amstel</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Ouder-Amstel,</al><al/><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 20 december 2011 ,
                        nummer 2012/02 ,</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c van de Wet werk en
                        bijstand;</al><al/><al>overwegende dat op grond van artikel 30, eerste lid, van de Wet werk en
                        bijstand het verplicht is vast te stellen in een verordening voor welke
                        categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke
                        criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt
                        bepaald<vet>,</vet></al><al/><al/><al><vet>BESLUIT :</vet></al><al> Vast te stellen de volgende gewijzigde <vet>Verordening Toeslagen en
                        Verlagingen Wet werk en bijstand 2012 gemeente Ouder-Amstel</vet></al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet;</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="2."><al>gezinsnorm: </al><al>de norm voor een gezin waarvan alle
                                        meerderjarige gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn zoals bedoeld in artikel 21 lid 1 Wwb;</al><al>het college:</al><al>burgemeester en wethouders van de gemeente Ouder- Amstel;</al><al>de raad: </al><al>de gemeenteraad van Ouder-Amstel;</al><al>woning: </al><al>een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 Wwb;</al><al>woonkosten: </al><lijst><li nr="I."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel d Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="II."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten 
                        behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met 
                        het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te 
                        stellen bedrag voor onderhoud. </al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>doelgroep</titel></kop><al><onderstreept>Deze verordening is uitsluitend van toepassing op
                            belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In geval
                            van een gezin gelden de bepalingen van deze verordening uitsluitend
                            indien alle gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn en ten minste twee
                            gezinsleden 21 jaar of ouder.</onderstreept></al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>criteria voor het wel of niet
                                    verhogen van de bijstandsnorm voor alleenstaanden en
                                    alleenstaande ouders</titel></kop><al><onderstreept>Toeslagen:</onderstreept></al><al><onderstreept>1. De toeslag, zoals bedoeld in artikel 25 Wwb,
                            bedraagt:</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>a. 20 procent van de gezinsnorm voor een
                                    belanghebbende in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                                    heeft.</onderstreept></al></li><li nr="2."><al><onderstreept>b. 10 procent van de gezinsnorm voor belanghebbende
                                    die met één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde
                                    woning heeft.</onderstreept></al></li></lijst><al><onderstreept>2. Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke
                            kosten van het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld
                            met een inwonend studerend kind dat aanspraak maakt op
                            studiefinanciering of een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en
                            schoolkosten.</onderstreept></al><al><onderstreept>3. In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor
                            een alleenstaande van 21 jaar:</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>a. 5 procent van de gezinsnorm indien in zijn woning
                                    geen ander zijn hoofdverblijf heeft;</onderstreept></al></li><li nr="2."><al><onderstreept>b. 2 procent van de gezinsnorm indien hij met één of
                                    meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
                                    heeft.</onderstreept></al></li></lijst><al><onderstreept>4. In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor
                            een alleenstaande van 22 jaar:</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>a. 10 procent van de gezinsnorm indien in zijn woning
                                    geen ander zijn hoofdverblijf heeft;</onderstreept></al></li><li nr="2."><al><onderstreept>b. 5 procent van de gezinsnorm indien hij met één of
                                    meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
                                    heeft.</onderstreept></al></li></lijst><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>criteria voor het verlagen van de
                                    bijstandsnorm voor een gezin</titel></kop><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>1. De verlaging zoals bedoeld in artikel 26 Wwb
                                    bedraagt 10 procent van de gezinsnorm voor een belanghebbende
                                    die met één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde
                                    woning heeft.</onderstreept></al></li><li nr="2."><al><onderstreept>2. Voor toepassing van dit artikel kunnen de
                                    noodzakelijke kosten van het bestaan in ieder geval in het
                                    geheel niet worden gedeeld met een inwonend studerend kind dat
                                    aanspraak maakt op studiefinanciering.</onderstreept></al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>verlaging
                                woonsituatie</titel></kop><al><onderstreept>De verlaging in verband met de woonsituatie zoals bedoeld in
                            artikel 27 van de wet bedraagt :</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>1. 20% van de gezinsnorm indien een woning wordt
                                    bewoond waaraan voor de belanghebbende geen woonkosten zijn
                                    verbonden;</onderstreept></al></li><li nr="2."><al><onderstreept>2. 10% van de gezinsnorm indien geen woning bewoond
                                    wordt.</onderstreept></al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>verlaging algemene bijstand
                                    schoolverlaters</titel></kop><al><onderstreept>1. De verlaging voor schoolverlaters zoals bedoeld in artikel
                            28 Wwb bedraagt 10 procent van de gezinsnorm gedurende 3 maanden,
                            gerekend vanaf het tijdstip van de beëindiging van de aanspraak op
                            studiefinanciering of tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de
                            schoolkosten;</onderstreept></al><al><onderstreept>2. Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van een
                            belanghebbende op wie artikel 3 lid 3 of 4 van toepassing
                            is.</onderstreept></al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al><onderstreept>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 van deze
                            verordening geschiedt zodanig dat de toepasselijke bijstandsnorm ten
                            minste bedraagt:</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>a. 50 procent van de gezinsnorm voor een
                                    alleenstaande;</onderstreept></al></li><li nr="2."><al><onderstreept>b. 70 procent van de gezinsnorm voor een alleenstaande
                                    ouder;</onderstreept></al></li><li nr="3."><al><onderstreept>c. 80 procent van de gezinsnorm voor een
                                    gezin.</onderstreept></al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al><onderstreept><cursief>1. </cursief>Deze verordening treedt in
                                    werking met ingang van 1 januari
                                2012.</onderstreept></al></li><li nr="2."><al><onderstreept>2. De <cursief>‘Toeslagenverordening Wet werk en
                                        bijstand gemeente Ouder-Amstel</cursief>, vastgesteld door
                                    de raad in 2009, wordt ingetrokken met ingang van de dag van
                                    inwerkingtreding van deze verordening.</onderstreept></al></li></lijst><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>citeertitel</titel></kop><al><onderstreept>Deze verordening kan worden aangehaald
                        als:</onderstreept></al><al/><al/><al><vet><onderstreept>‘Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet werk en
                                bijstand 2012</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>gemeente Ouder-Amstel’</onderstreept></vet></al><al/><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van
                        Ouder-Amstel,</ondertekening><ondertekening>op 9 februari 2012.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING TOESLAGENVERORDENING WWB 2012 GEMEENTE
                            OUDER-AMSTEL</vet></al><al/><al>De Wwb kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een
                        systeem van basisnormen, toeslagen en verlagingen. De normen zijn geregeld
                        in paragraaf 2 Wwb. Paragraaf 3 Wwb voorziet in toeslagen en verlagingen. De
                        som van deze drie onderdelen (normen, toeslagen en verlagingen) levert de
                        bijstandsnorm op. Het gaat dan om de bijstandsnorm voor personen van 21 tot
                        en met 64 jaar die niet in een inrichting verblijven.</al><al/><al>De Wwb kent verschillende normen voor alleenstaanden, alleenstaande ouders
                        en gezinnen. Alleenstaanden en alleenstaande ouders komen in aanmerking voor
                        een toeslag indien zij hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                        hebben dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel
                        kunnen delen van deze kosten met een ander. De woonsituatie is hierbij van
                        doorslaggevende betekenis. De hoogte van de toeslag, welke wordt aangegeven
                        in de toeslagenverordening, bedraagt maximaal 20 procent van het netto
                        minimumloon en moet aansluiten bij het niveau van de noodzakelijke
                        bestaanskosten. Voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar kan de toeslag
                        afwijkend worden vastgesteld.</al><al/><al>De Wwb kent de volgende grondslagen om de norm of toeslag voor personen van
                        21 tot en met 64 jaar die niet in een inrichting verblijven te
                        verlagen:</al><lijst><li nr=""><al>Het kunnen delen van kosten met een ander door een gezin;</al></li><li nr=""><al>De woonsituatie;</al></li><li nr=""><al>De recente beeindiging van deelname aan onderwijs of
                                beroepsopleiding.</al></li></lijst><al/><al>Voor de berekening van de bijstandsnorm geldt een vaste volgorde: eerst de
                        norm, dan eventueel een toeslag en vervolgens de verlagingen. Het college is
                        bevoegd om de algemene bijstand (de bijstandsnorm na aftrek van eventuele
                        inkomsten) in afwijking van deze regel hoger of lager vast te stellen indien
                        de individuele omstandigheden van de belanghebbende daartoe aanleiding
                        geven.</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al><vet><onderstreept>Toelichting per artikel</onderstreept></vet></al><al/><al/><al><vet><onderstreept><cursief>Artikel 1:
                                begripsomschrijving</cursief></onderstreept></vet></al><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de Wwb, Awb of
                        de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in de verordening. Dit
                        voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de
                        betreffende wetten ook de verordening moet worden aangepast.</al><al/><al><cursief>Lid 2 onderdeel b: gezinsnorm</cursief></al><al>Voor het begrip “gezinsnorm” wordt verwezen naar de norm voor een gezin
                        waarvan alle meerderjarige gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn, zoals
                        bedoeld in artikel 21 lid 1 Wwb. Deze norm komt overeen met de gehuwdennorm
                        zoals die luidde vóór 1 januari 2012 waarbij beide echtgenoten jonger dan 65
                        jaar zijn.</al><al/><al><cursief>Lid 2 onderdeel e: woning</cursief></al><al>Het begrip “woning” is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd omdat
                        de tekst van de Wwb nergens een omschrijving geeft van dit begrip. Wel
                        vermeldt artikel 3 lid 6 Wwb dat in de Wwb en de daarop berustende
                        bepalingen onder een woning mede een woonwagen of woonschip verstaan moet
                        worden. Voort volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wwb dat voor
                        de invulling van het begrip woning kan worden aangesloten bij de Wet op de
                        huurtoeslag. Daarom is in deze verordening bepaald dat onder “woning” wordt
                        verstaan: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de
                        huurtoeslag, alsmede en woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3
                        lid 6 Wwb.</al><al/><al><cursief>Lid 2 onderdeel f: woonkosten</cursief></al><al>Het begrip “woonkosten” is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor
                        de toepassing van artikel 5 van deze verordening (verlaging woonsituatie).
                        Aangesloten is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van
                        de Algemene Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was
                        opgenomen. Volgens de CRvB volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming
                        van de Abw dat het begrip woonkosten ten tijde van de Abw (nog steeds) moest
                        worden uitgelegd conform de bepalingen van het tot 1 januari 1996 geldende
                        Bijstandsbesluit landelijke normering. Aangenomen moet worden dat deze
                        rechtspraak ook onder de Wwb nog van betekenis is.</al><al/><al>Bij “het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten” kan
                        worden gedacht aan het rioolrecht, het eigenaarsdeel van de onroerende
                        zaakbelasting, de opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de
                        waterschapslasten en de erfpachtcanon.</al><al/><al><cursief><vet><onderstreept>Artikel 2:
                            doelgroep</onderstreept></vet></cursief></al><al><onderstreept>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden
                            in de leeftijdscategorie van 21 tot 65 jaar. Vanwege de lagere
                            jongerennorm is ervoor gekozen geen verdere verlaging toe te passen bij
                            belanghebbenden van 18 tot 21 jaar.</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>In het geval van een gezin is ervoor gekozen om deze
                            verordening uitsluitend toe te passen indien alle gezinsleden jonger dan
                            65 jaar zijn en ten minste twee gezinsleden 21 jaar of ouder zijn. Hier
                            is aansluiting gezocht bij de gezinsnormen zoals neergelegd in artikel
                            21 Wwb. Ten aanzien van een gezin waarvan ten minste twee gezinsleden 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar zijn, geldt immers de gezinsnorm
                            zoals neergelegd in artikel 21 lid 1 Wwb. Voor gezinnen die bestaan uit
                            twee meerderjarige personen waarvan één of beide 18,19 of 20 jaar zijn
                            en gezinnen die bestaan uit drie meerderjarige personen, waarvan twee
                            personen 18,19 of 20 jaar zijn, gelden lagere normen zoals opgenomen in
                            artikel 21 lid 2 Wwb. Ten aanzien van deze gezinnen is deze verordening
                            niet van toepassing.</onderstreept></al><al/><al><vet><onderstreept><cursief>Artikel 3: criteria voor het wel of niet
                                    verhogen van de bijstandsnorm voor alleenstaande en
                                    alleenstaande
                        ouders</cursief></onderstreept></vet></al><al><onderstreept>Lid 1</onderstreept></al><al><onderstreept>Op grond van artikel 25 Wwb kan het college de norm voor een
                            alleenstaande (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag
                            indien een belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                            bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of
                            gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. Artikel 3 van
                            deze verordening vormt overigens het spiegelbeeld van artikel 4 van deze
                            verordening</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>De gemeenteraad is op grond van artikel 30 lid 2 Wwb verplicht
                            te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gezinsnorm bedraagt voor de
                            alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                            hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de
                            norm of toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in artikel 3 lid 1
                            onderdeel a van deze verordening.</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt
                            verondersteld dat noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen
                            worden. Zolang geen sprake is van een gezinslid of van een gezamenlijke
                            huishouding moet ervan worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld
                            kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats. Gekozen is voor 10
                            procent van de gezinsnorm (zie artikel 3 lid 1 onderdeel b van deze
                            verordening).</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Lid 2 </onderstreept></al><al><onderstreept>Uit artikel 25 lid 1 Wwb en artikel 26 Wwb volgt dat een
                            belanghebbende de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan
                            delen met thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder met een laag
                            inkomen. Hiervan is sprake indien dat kind een in aanmerking te nemen
                            inkomen heeft van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van
                            levensonderhoud voor hoger onderwijs genoemd in artikel 3.18 van de Wet
                            studiefinanciering 2000.</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Uit het systeem van de Wwb volgt dat een alleenstaande ouder
                            in theorie kosten kan delen met zijn inwonend studerend kind tussen 18
                            en 27 jaar dat per maand een in aanmerking te nemen inkomen heeft dat
                            meer bedraagt dan het bedrag zoals bedoeld in artikel 25 lid 1 Wwb (€
                            604,15) en minder dan het bedrag zoals bedoeld in artikel 4 lid 2 Wwb (€
                            1023,42). Het kind behoort dan immers op grond van artikel 4 lid 2 Wwb
                            niet tot het gezin. Het is dus “een ander” (als bedoeld in artikel 25
                            Wwb) waarmee kosten gedeeld kunnen worden.</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Een studerend kind dat meer verdient dan € 1023,42 is een
                            niet-rechthebbend gezinslid. In theorie kunnen weliswaar kosten gedeeld
                            worden met dit niet-rechthebbende gezinslid, maar zijn inkomen wordt ook
                            al meegenomen bij het bepalen van het recht op bijstand van de overige
                            gezinsleden (voor zover dit hoger is dan € 1023,42). Het ligt niet voor
                            de hand daarbovenop nog een verlaging toe te passen wegens
                            kostendeling.</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>In deze verordening is er voor gekozen te bepalen dat in het
                            geheel geen kosten kunnen worden gedeeld met een inwonend studerend
                            kind. Dit betekent dat de gemeenteraad geen gebruik maakt van de
                            theoretische mogelijkheid een lagere toeslag te verstrekken aan een
                            alleenstaande ouder met een inwonend studerend kind van 18 jaar of ouder
                            met een in aanmerking te nemen inkomen tussen € 604,15 en € 1023,42. Een
                            alleenstaande met een inwonend studerend kind komt daarmee in aanmerking
                            voor een toeslag van 20 procent van de gezinsnorm. Met deze keuze wordt
                            een inconsequent systeem voorkomen, met name wanneer het inwonend
                            studerend kind weinig meer verdient dan € 1023,42. In dat geval zou
                            immers ook geen verlaging worden toegepast omdat hij een
                            niet-rechthebbend gezinslid is.</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Ten aanzien van een zorgbehoevende die niet tot het gezin
                            behoort zoals bedoeld in artikel 4 lid 5 Wwb en waarmee ook kosten
                            kunnen worden gedeeld, is in deze verordening geen uitzondering
                            geformuleerd. Reden hiervoor is dat het kosten delen met deze personen
                            niet leidt tot een inconsequent systeem.</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Lid 3 en 4</onderstreept></al><al><onderstreept>Op grond van rtiekl 29 lid 1 Wwb kan het college de toeslag
                            voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen. Dat is
                            geregeld in artikel 3 lid 3 en 4 van deze verordening. In het derde lid
                            is de toeslag geregeld voor een alleenstaande van 21 jaar. In het vierde
                            lid is de toeslag vastgesteld voor een alleenstaande van 22
                            jaar.</onderstreept></al><al/><al><vet><onderstreept><cursief>Artikel 4: criteria voor het verlagen van de
                                    bijstandsnorm voor een
                            gezin</cursief></onderstreept></vet>Op grond van artikel 26
                        Wwb kan het college de gezinsnorm verlagen indien belanghebbenden lagere
                        algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm
                        voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze
                        kosten met een ander.</al><al/><al>Artikel 4 van deze verordening vormt het spiegelbeeld van artikel 3 van deze
                        verordening. Ingeval in de woning van het gezin een ander zijn hoofdverblijf
                        heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan
                        gedeeld kunnen worden. Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de
                        gezinsnorm (zie artikel 4 lid 1 van deze verordening).</al><al/><al>Artikel 4 lid 2 van deze verordening komt overeen met de bepaling zoals
                        opgenomen in artikel 3 lid 2 van deze verordening. Verwezen wordt dan ook
                        naar de toelichting zoals opgenomen bij artikel 3 van deze verordening.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 5: verlaging woonsituatie</cursief></vet></al><al>Op grond van artikel 27 Wwb kan het college de norm voor alleenstaande
                        (ouder)of gezin, of de toeslag voor een alleenstaande (ouder) of gezin lager
                        vaststellen indien een belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten
                        van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg
                        van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een
                        woning.</al><al/><al><cursief>Geen woonkosten</cursief></al><al>In artikel 5 onderdeel a van deze verordening is bepaald dat de norm of
                        toeslag wordt verlaagd met 20 procent van de gezinsnorm indien een woning
                        wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. In
                        artikel 1 van deze verordening is bepaald wat onder woonkosten moet worden
                        verstaan.</al><al/><al>Er kan sprake zijn van een situatie waarin er geen huur of hypotheeklasten
                        zijn, maar anderszins wel sprake is van andere woonlasten. Ook in dat geval
                        bedraagt de verlaging 20 procent van de gezinsnorm. Van lagere
                        bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn:</al><lijst><li nr=""><al>Bij het niet aanhouden van een woning (in dat geval is artikel 5 lid
                                1 onderdeel b van deze verordening van toepassing);</al></li><li nr=""><al>Bij bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden,
                                bijvoorbeeld in het geval van krakers;</al></li><li nr=""><al>Indien een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de
                                woonlasten betaalt van de woning.</al></li></lijst><al/><al>Als een derde, bijvoorbeeld de ex-echtgenoot, de woonlasten van de door
                        belanghebbende bewoonde woning draagt, heeft het college de keuze om het
                        aldus verkregen woongenot aan te merken als inkomsten in natura of de norm
                        of toeslag te verlagen op grond van artikel 27 Wwb (zie ook TK 2002-2003, 28
                        870, nr. 3, p. 54-55).</al><al/><al>Overigens kan het college, indien noch in het kader van artikel 27 Wwb noch
                        in het kader van artikel 33 lid 1 Wwb rekening wordt gehouden met de
                        situatie waarin een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalt, de
                        bijstand in voorkomende gevallen lager vaststellen op grond van het
                        individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 Wwb.</al><al/><al><cursief>Geen woning wordt bewoond</cursief></al><al>In artikel 5 onderdeel b van deze verordening is bepaald dat de verlaging 10
                        procent van de gezinsnorm bedraagt indien geen woning wordt bewoond. Deze
                        bepaling ziet op de mogelijkheid om de uitkering van dak- en thuislozen te
                        verlagen omdat deze lagere bestaanskosten hebben dan belanghebbenden die een
                        woning bewonen.</al><al/><al>Tegenover het ontbreken van kosten omdat geen woonruimte wordt aangehouden,
                        staat dat dak- en thuislozen regelmatig kosten zullen moeten maken voor dak-
                        en thuislozenopvang. Daarom is gekozen voor een verlaging van slechts 10
                        procent van de gezinsnorm.</al><al/><al/><al><vet><onderstreept><cursief>Artikel 6: verlagen algemene bijstand
                                    schoolverlaters</cursief></onderstreept></vet></al><al><onderstreept>Op grond van artikel 28 Wwb kan het college voor een
                            belanghebbende die recent de deelname heeft beeindigd aan onderwijs of
                            een beroepsopleiding, de norm of toeslag gedurende zes maanden na het
                            tijdstip van die beeindiging lager vaststellen. Het moet dan wel gaan om
                            onderwijs of een beroepsopleiding waarvoor aanspraak bestond op
                            studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op een
                            tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van
                            hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                            schoolkosten.</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>In artikel 6 lid 1 van deze verordening is bepaald dat de
                            verlaging voor schoolverlaters 10 procent van de gezinsnorm bedraagt
                            gedurende 3 maanden, gerekend vanaf het tijdstip van de beeindiging van
                            de aanspraak op de studiefinanciering of tegemoetkoming in de
                            onderwijsbijdrage en de schoolkosten. Deze verlaging kan echter niet
                            worden toegepast ten aanzien van een belanghebbende op wie artikel 3 lid
                            3 of 4 van deze verordening van toepassing is (artikel 6 lid 2 van deze
                            verordening). Dit volgt uit artikel 30 lid 2 onderdeel b Wwb waarin is
                            bepaald dat jegens een belanghebbende niet tegelijkertijd een
                            schoolverlatersverlaging en een verlaging voor een alleenstaande van 21
                            of 22 jaar mag worden toegepast.</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Bij toepassing van de verlaging voor schoolverlaters is het
                            volgende van belang. Om de verlaging te kunnen toepassen moet voldaan
                            zijn aan de voorwaarde dat voor het onderwijs of de beroepsopleiding
                            recht bestond op studiefinanciering op grond van de Wet op det
                            studiefinanciering 2000 (WSF 2000) of op een tegemoetkoming in de
                            studiekosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming
                            onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). Van belang is dat de
                            belanghebbende daadwerkelijk recht heeft op studiefinanciering en niet
                            dat het volgen van de soort opleiding daar in theorie recht op geeft.
                            Dit volgt uit de bedoeling van de wetgever zoals die blijkt uit de
                            toelichting op artikel 28 Wwb. Daarnaast is van belang dat de
                            belanghebbende zijn recht op studiefinanciering ontleent aan de WSF 2000
                            of de WTOS. Een extraneus valt niet onder de WSF 2000. Daarvoor is
                            inschrijving als student vereist. Een voormalig extraneus is dus geen
                            schoolverlater in de zin van artikel 28 Wwb.</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Indien het inkomen van belanghebbende voorafgaande aan de
                            bijstand hoger is dan de bijstandsnorm omdat belanghebbende naast zijn
                            studiefinanciering inkomsten uit bijvoorbeeld arbeid of stagevergoeding
                            ontving (en de belanghebbende er bij bijstandsverlening er dus op
                            achteruit gaat in plaats van –zoals bij een overgang van alléén WSF 2000
                            naar bijstand- op vooruit), maakt niet dat de schoolverlatersverlaging
                            in zo’n geval niet kan worden toegepast. De invloed van inkomsten naast
                            de studiefinanciering van de belanghebbende spelen in het kader van de
                            schoolverlatersverlaging geen rol.</onderstreept></al><al/><al><vet><onderstreept><cursief>Artikel 7:
                                anti-cumulatiebepaling</cursief></onderstreept></vet></al><al><onderstreept>De verlagingen in de Toeslagenverordening zien op
                            verschillende omstandigheden en kunnen elk afzonderlijk als redelijk
                            worden aangemerkt. Zonder een anti-cumulatiebepaling zou dat echter
                            kunnen betekenen dat het college de bijstandsnorm (vanwege de samenloop
                            van verlagingen) dermate laag moet vaststellen, dat er feitelijk geen
                            sprake meer is van een toereikende uitkering. In voorkomende gevallen
                            zou het college de bijstand op grond van het individualiseringsbeginsel
                            van artikel 18 lid 1 Wwb hoger moeten vaststellen. Er is voor gekozen
                            reeds in de Toeslagenverordening een absoluut minimumbedrag vast te
                            leggen waarop het college de bijstandsnorm (norm inclusief eventuele
                            toeslag en verlagingen) tenminste moet vaststellen.</onderstreept></al><al><onderstreept>Het individualiseringsbeginsel van artikel 30 lid 2 onderdeel
                            b Wwb dat in de Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de
                            schoolverlatersverlaging (artikel 28 Wwb) en de leeftijdsverlaging
                            (artikel 29 Wwb) niet gelijktijdig mogen worden toegepast, wordt reeds
                            voldaan door de formulering van artikel 6 lid 2 van de
                            Toeslagenverordening.</onderstreept></al><al/><al><vet><onderstreept><cursief>Artikel 8:
                                inwerkingtreding</cursief></onderstreept></vet></al><al><onderstreept>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                            2012. Hierbij is aansluiting gezocht bij de datum van inwerkingtreding
                            van een aantal voor de Wwb van belang zijnde wetsvoorstellen, zoals het
                            wetsvoorstel “Wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van
                            die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van
                            deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen
                            verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden”.</onderstreept></al><al/><al/><al><cursief><vet>Artikel 9: citeertitel</vet></cursief></al><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening.</al><al/><al/><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>