<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR145372_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Wageningen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wageningen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wageningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stad Wageningen 22-02-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Wageningen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 147 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand artikel 8,lid 1 juncto artikel 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-02-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-02-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>op basis van de wijziging WWB</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>11.0201589</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Langdurigheidstoeslag gemeente Wageningen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>Considerans</al><al>De raad van de gemeente Wageningen;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        20.12 2012 inzake de vastelling van verordeningen in het kader van de
                        Wetwerk en bijstand.</al><al>Gelet op artikel 147,eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 8,eerste lid,
                        juncto artikel 30 van de Wet werk en bijstand;</al><al>Besluit</al><al>vast te stellen de volgende:</al><al>Verordening Langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand</al><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van 6 februari 2012</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Wageningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="b."><al>wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="c."><al>WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al></li><li nr="d."><al>WSF 2000: Wet Studiefinanciering;</al></li><li nr="e."><al>bijstandsnorm: de norm bedoeld in artikel 5 onderdeel c van de
                                    wet;</al></li><li nr="f."><al>uitkeringsgerechtigde: persoon bedoeld in artikel 1 onder o van
                                    de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;</al></li><li nr="g."><al>peildatum: de datum waarop in enig jaar het recht op de
                                    langdurigheidstoeslag ontstaat;</al></li><li nr="h."><al>inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet, met
                                    dien verstande dat voor de zinsnede ‘een periode waarover een
                                    beroep op bijstand wordt gedaan’ moet worden gelezen ‘de
                                    referteperiode’. Een bijstandsuitkering wordt, in afwijking van
                                    artikel 32 van de wet, voor de beoordeling van het recht op
                                    langdurigheidstoeslag als inkomen gezien.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverlet het bepaalde in artikel 36 van de wet komt in aanmerking
                                voor de langdurigheidstoeslag de belanghebbende die gedurende een
                                onafgebroken periode van 36 maanden aangewezen is geweest op een
                                inkomen dat niet hoger is 100% van de voor hem geldende
                                bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als
                                bedoeld in artikel 34 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Niet voor de langdurigheidstoeslag komt in aanmerking de
                                belanghebbende die een opleiding volgt als bedoeld in de WTOS, dan
                                wel een studie volgt als genoemd in de WSF 2000.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt een inkomen uit een
                                sociale verzekering of een sociale voorziening op het voor
                                belanghebbende van toepassing zijnde sociaal minimum geacht gelijk
                                te zijn aan de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het derde lid is niet van toepassing, indien de uit te betalen
                                bijstand voor een persoon als de belanghebbende vanwege het geldende
                                gemeentelijke toeslagen- en verlagingenbeleid lager zou zijn dan de
                                maximaal mogelijke bijstandsnorm voor respectievelijk een
                                alleenstaande, een alleenstaande ouder of gehuwden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Hoogte van de toeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De langdurigheidstoeslag bedraagt per jaar 40% van:</al><lijst><li nr="a."><al>de norm bedoeld in artikel 20 lid 1 onder b van de wet,
                                        vermeerderd met de toeslag genoemd in artikel 25 eerste lid
                                        van de wet, voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>de norm bedoeld in artikel 20 lid 2 onder b van de wet,
                                        vermeerderd met de toeslag genoemd in artikel 25 eerste lid
                                        van de wet, voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>de norm bedoeld in artikel 21 lid 2 onder c van de wet, voor
                                        een gezin; zoals deze artikelen gelden op 1 januari van het
                                        jaar waarin de peildatum valt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien één van de gehuwden op de peildatum is uitgesloten van het
                                recht op langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13
                                lid 1 van de wet komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor
                                een langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                                alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Onvoorziene gevallen</titel></kop><al>In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 6 februari 2012 en werkt terug tot
                            1 januari 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan aangehaald worden als : Verordening
                            Langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 6 februari 2012.</ondertekening><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>de griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><tussenkop>Decentralisatie langdurigheidstoeslag</tussenkop><al>Op 1 januari 2009 is een wetsvoorstel inwerking treden, waarmee de
                    langdurigheidstoeslagwerd gedecentraliseerd naar gemeenten. De huidige
                    langdurigheidstoeslag vindt zijn grondslag inartikel 36 van de Wet werk en
                    bijstand. Daarin is nauw omschreven in welke gevallen en onder</al><al>welke voorwaarden mensen met een laag inkomen in aanmerking komen voor de
                    toeslag. Degedachte achter de toeslag is, dat mensen die langdurig een inkomen
                    op het sociaal minimumhebben, geen financiële ruimte hebben om te reserveren
                    voor onverwachte uitgaven.In het Bestuursakkoord Rijk-gemeenten uit 2007 (“Samen
                    aan de slag”) is afgesproken dat delangdurigheidstoeslag gedecentraliseerd wordt
                    naar gemeenten. Artikel 36 van de wet blijft debasis, maar daarnaast wordt in
                    artikel 8 een bepaling toegevoegd waarin wordt bepaald dat</al><al>gemeenten in een verordening de precieze voorwaarden voor de
                    langdurigheidstoeslag moetenvastleggen.</al><al/><al>Naast deze wijzigingen is deze verordening op grond van de wetswijziging per
                    1.1.2012 gewijzigd. De gehuwdennorm is gewijzigd in een gezinsnorm. Bij de
                    hoogte van de Langdurigheidstoeslag wordt nu derhalve niet meer de gehuwdennorm
                    als referentienorm genomen, maar de gezinsnorm. </al><tussenkop>Bevoegdheid gemeenten</tussenkop><al>In het nieuwe artikel 36, eerste lid, is de basis voor de langdurigheidstoeslag
                    opgenomen:</al><tussenkop>“Het college verleent op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een
                    persoon van 21 jaar of ouderdoch jonger dan 65 jaar, die langdurig een laag
                    inkomen en geen in aanmerking te nemenvermogen als bedoeld in artikel
                    34.”</tussenkop><al>In artikel 8 wordt bepaald dat de verordening in ieder geval betrekking moet
                    hebben opde hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling
                    wordt gegeven aan debegrippen langdurig en laag inkomen.</al><tussenkop>Mogelijkheden voor eigen beleid</tussenkop><al>Op grond van de nieuwe bevoegdheden van gemeenten, zijn er diverse mogelijkheden
                    voor hetinvullen van eigen beleid. Naast de genoemde onderwerpen, kan het
                    daarbij ook gaan om deafstemming van het beleid op het gemeentelijke
                    re-integratiebeleid. Hierna wordt op derespectieve onderwerpen nader
                    ingegaan.</al><tussenkop>Doelgroep</tussenkop><al>De langdurigheidstoeslag geeft gemeenten nadrukkelijk de mogelijkheid deze ook
                    vantoepassing te laten zijn op werkenden met een laag inkomen. Voor de
                    duidelijkheid wordt hiergesteld dat gemeenten zelf de keuze kunnen maken of
                    werkenden onder de langdurigheidstoeslagkomen te vallen.In deze verordening is
                    ervan uitgegaan dat werkenden tot de doelgroep behoren. Kiest degemeente ervoor
                    ze uit te sluiten, dan dient in verordening tot uitdrukking te komen dat
                    delangdurigheidstoeslag alleen voor uitkeringsgerechtigden geldt.</al><tussenkop>Hoogte van de toeslag</tussenkop><al>Op dit moment is de hoogte van de toeslag centraal bepaald. Het zijn vaste
                    bedragen, alspercentage van de voor de persoon toepasselijke bijstandsnorm.
                    Gemeenten kunnen straks zelf dehoogte van de toeslag bepalen. Daarbij moet een
                    aantal zaken dingen bedacht worden. Een te laagbedrag doet geen recht aan het
                    karakter van de langdurigheidstoeslag, namelijk dat deze isbedoeld voor mensen
                    die financieel geen mogelijkheden hebben gehad te reserveren voor</al><al>onverwachte uitgaven. Een te hoog bedrag kan leiden tot het optreden van de
                    armoedeval.Immers, wordt op enig moment een hoger inkomen bereikt, dan vervalt
                    direct de hele toeslag.</al><tussenkop>Langdurig</tussenkop><al>De huidige referte periode is vijf jaar. Door gemeenten is de afgelopen jaren
                    aangegeven dat dezeperiode te lang is. Veeleer wordt gedacht aan 3 jaar, een
                    periode waarvoor ook door het Nibud isaangegeven dat de
                    reserveringsmogelijkheden minimaal worden.</al><tussenkop>Laag inkomen</tussenkop><al>Gemeenten zijn vrij om een eigen maximale inkomensgrens te hanteren. In
                    WERV-verband isafgesproken dat de inkomensgrens bepaald wordt op 100% van de
                    bijstandsnorm. Zie voor detoelichting op artikel 2 van de verordening.</al><tussenkop>Geen ambtshalve verstrekking</tussenkop><al>In de wet wordt bepaald dat het college de toeslag op aanvraag verstrekt. Dit
                    sluit de mogelijkheidvoor ambtshalve toekenning uit. Het kabinet geeft hierbij
                    aan dat het gaat om een vorm vanbijzondere bijstand, waarbij geldt dat voor elk
                    individueel geval beoordeeld moet worden of er een</al><al>recht bestaat.Er zijn echter wel mogelijkheden om de aanvraag te vereenvoudigen.
                    Als uit de gemeentelijkeadministratie blijkt dat in de situatie van betrokkene
                    het afgelopen jaar geen wijzigingen zijn</al><al>opgetreden, dan kan een volledig ingevuld aanvraag formulier toegezonden worden,
                    waarna debetrokkene door het zetten van de handtekening de aanvraag officieel
                    maakt.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Een referteperiode van 5 jaar, zoals artikel 36 WWB (tekst tot 1-1-2009)
                    voorschreef, werd doorgemeenten veelal als te lang ervaren. Nadat een
                    belanghebbende 3 jaar op een minimum inkomen</al><al>zijn aangewezen is er over het algemeen niet veel reserveringsruimte over.
                    Daarom wordt hier eentermijn van 3 jaar aangehouden. Dit sluit ook aan bij de
                    impliciet door de wetgever gegeventermijn. De minimumleeftijd is immers door de
                    wetgever teruggebracht van 23 naar 21 jaar. Een</al><al>belanghebbende is immers (normaal gesproken) vanaf zijn 18e voor de WWB een
                    zelfstandigrechtssubject.</al><al>Het begrip ‘laag inkomen’ wordt ingevuld als een inkomen dat in elke maand in de
                    referteperiodeniet hoger is dan de bijstandsnorm. Onder bijstandsnorm wordt op
                    grond van de wettelijke definitie(artikel 5 onder c WWB) verstaan de op de
                    belanghebbende van toepassing zijnde norm</al><al>vermeerderd of verminderd met de voor hem van toepassing zijnde gemeentelijke
                    verhoging ofverlaging.Het tweede lid sluit studenten uit van het recht op een
                    toeslag. De reden is dat van deze categorie</al><al>niet gezegd kan worden dat het perspectief van inkomensverbetering ontbreekt.
                    Deze visie isbevestigd door de Staatssecretaris in zijn brief van 14 oktober
                    2008 over de reparatie van hetwetsvoorstel.</al><al>Door toevoeging van het derde lid is duidelijk dat een belanghebbende met een
                    inkomen op hetniveau van het sociaal minimum krachtens een andere regeling dan
                    de WWB toch in aanmerkingkan komen voor het recht op langdurigheidstoeslag, ook
                    al zou ten gevolge van een iets andere</al><al>berekeningssystematiek en/of afrondingsverschillen er netto een iets hogere
                    uitkering wordenontvangen dan de bijstandsnorm. Te denken valt aan de
                    minimum-uitkeringen ingevolgde de Anw,Ioaw, Ioaz, Wajong, WW (al dan niet plus
                    TW), WAO/WIA (al dan niet plus TW), ZW (al dan niet</al><al>plus TW). Indien deze uitkeringen door de wetgever bewust zijn verhoogd tot
                    bedragen boven hetsociaal minimum, zoals bijvoorbeeld met de volledige
                    WAO-uitkering is gebeurd, heeft dit liduiteraard geen gelijkstellende werking.
                    Eventuele andere inkomsten van de belanghebbende(bijvoorbeeld uit alimentatie)
                    blijven wel van belang.</al><al>Ook is gelijkstelling uiteraard niet aan de orde, indien de concrete
                    bijstandsnorm voor eenbelanghebbende vanwege het gemeentelijke toeslagen- en
                    verlagingenbeleid lager zou zijn dan demaximaal mogelijke bijstandsnorm voor een
                    alleenstaande, voor een alleenstaande ouder</al><al>respectievelijk voor gehuwden, al naar gelang de situatie van belanghebbende. Zo
                    kan hetbijvoorbeeld zo zijn dat een belanghebbende wel een Wajong-uitkering
                    heeft op het sociaalminimum voor een alleenstaande, maar dat de voor betrokkene
                    geldende bijstandsnorm in feite10% lager ligt omdat hij bij derden (bv. ouders)
                    inwoont. Deze persoon ontvangt aan nettoinkomsten per maand circa € 125,00 meer
                    dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Eenlangdurigheidstoeslag is dan niet aan
                    de orde.Er is niet voor gekozen om het recht op langdurigheidstoeslag ook toe
                    kennen bij een inkomenboven bijstandsniveau. Hierdoor zou de doelgroep, in
                    combinatie met de kortere referteperiode, tezeer worden vergroot, terwijl juist
                    bij deze groep het correct vaststellen van het inkomen over een periode van drie
                    jaar niet eenvoudig zal zijn. Verder is het de vraag, of bij een hogere</al><al>inkomensgrens de leeftijdsgrens van 65 jaar, die wel wenselijk is, juridisch nog
                    stand zou kunnenhouden omdat in dat geval strijdig is met het verbod op
                    leeftijdsdiscriminatie zoals dat is vastgelegd in artikel 26 van Internationaal
                    Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>In dit artikel wordt de hoogte van de toeslag geregeld. In deze verordening
                    wordt uitgegaan vaneen percentage van de toepasselijke bijstandsnorm. Tot de
                    decentralisatie van de Ltd was dezehoogte wettelijk bepaald op 40% van de
                    toepasselijke norm. In deze verordening wordt dit</al><al>voortgezet. Hierdoor hoeft het bedrag van de toeslag niet jaarlijks aangepast te
                    worden aan dewijziging in de normbedragen van de WWB. De genoemde percentages
                    zijn de huidige percentageswanneer de bedragen van de langdurigheidstoeslag
                    worden afgezet tegen de bijstandsnormen. Hetstaat gemeenten vrij hier eigen –
                    wellicht meer uniforme – percentages te hanteren.Lid 2 regelt de situatie waarin
                    een van de echtelieden uitgesloten is van het recht op uitkering. Als</al><al>de partner bijvoorbeeld rechtens van zijn vrijheid is beroofd, dan geldt de norm
                    voor eenalleenstaande of alleenstaande ouder voor de bepaling van de hoogte van
                    de toeslag.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>