<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" cvdr-version="1.0" owms-version="3.5" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>142469_2</dcterms:identifier><dcterms:title>LANDSVERORDENING van 5 november 1996 houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafvordering</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Koninkrijksdeel">Sint Maarten</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-05-22</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanKoninkrijksdeel">regering en Staten gezamenlijk</overheid:isRatifiedBy><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">AB 2012, no. 25</dcterms:isFormatOf><dcterms:issued>2010-07-21</dcterms:issued><dcterms:alternative>Wetboek van Strafvordering</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-08-31</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-05-30</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artikel 1, artikel 111, artikel 114a, artikel 119a, artikel 119c, Titel XVII t/m Titel XXI, artikel 402</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>strafrecht</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Landsbesluit toevoeging in strafzaken</al><al>Landsbesluit vergelijkend onderzoek celmateriaal</al><al>Landsbesluit modelformulieren strafvordering</al><al>Landsbesluit bewaring inbeslaggenomen voorwerpen</al><al>Landsbesluit instemming overbrenging veroordeelde</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling kan op moment van plaatsing in de wettendatabank nog niet worden aangepast aan de nieuwe staatkundige situatie. </al><al>Reden daarvoor is dat de Samenwerkingsregeling eenvormig procesrecht Aruba, Curaçao en Sint Maarten ter vervanging van de Samenwerkingsregeling eenvormig procesrecht Nederlandse Antillen en Aruba nog niet in alle drie de landen is vastgesteld. Daarmee kan ook de daarin opgenomen Ministeriële Samenwerkingsraad nog niet functioneren; die Raad is de instantie die wijzigingen in de eenvormige landsverordeningen moet vaststellen. </al><al>In juridische zin betekent dit dat de regelingen op grond van de Samenwerkingsregeling niet kunnen worden aangepast tot het moment waarop Aruba de nieuwe Samenwerkingsregeling heeft goedgekeurd dan wel verworpen. </al><al></al><al>De oorspronkelijke regeling is ondertekend op 5 november 1996, gepubliceerd in P.B. 1996, no. 164, en in werking getreden op 1 oktober 1997.</al><al></al><al>De inwerkingtreding van de oorspronkelijke regeling is op grond van artikel 651, eerste lid, geregeld in Titel III, artikel IV, van de Invoeringslandsverordening wetboek van strafvordering (P.B. 1997, no. 237). Het tijdstip van inwerkingtreding van deze invoeringslandsverordening is vastgesteld bij Landsbesluit van 25 september 1997 (P.B. 1997, no. 251).</al><al>Het overgangsrecht met betrekking tot deze landsverordening is geregeld in Titel III van de Invoeringslandsverordening wetboek van strafvordering (P.B. 1997, no. 237).</al><al></al><al>Zie www.overheid.nl voor de historie van deze regeling vóór 10-10-10 via uitgebreid zoeken onder v.m. Nederlandse Antillen, met als zoekdatum 09-10-2010.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>LANDSVERORDENING van 5 november 1996 houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafvordering.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>(geconsolideerde versie, geldend vanaf 1-8-2000)</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><deel><kop><titel status="officieel"></titel></kop><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">I</nr><titel status="officieel">Algemene bepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">1</nr></kop><al>Voor de toepassing van deze landsverordening en de daarop berustende nadere regelingen en uitvoeringsvoorschriften wordt verstaan onder: </al><table><tgroup cols="3" char="" charoff="50" align="left"><colspec colname="col1" colwidth="27*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="8*"></colspec><colspec colname="col3" colwidth="65*"></colspec><tbody valign="top"><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>beschikkingen</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de niet op de terechtzitting gegeven beslissingen;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>commandant</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de bevelhebber van een oorlogsschip of een militair luchtvaartuig van het Koninkrijk;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>einduitspraken</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de uitspraken tot verklaring van onbevoegdheid, niet-ontvankelijkheid of nietigheid van de dag vaarding, en die welke na afloop van het gehele onderzoek op de terechtzitting over de zaak worden gedaan;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>gegevensverkeer</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de niet voor het publiek bestemde overdracht van informatie via de telecommunicatie-infrastructuur of door middel van daarop aangesloten randapparatuur;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>gezagvoerder van een luchtvaartuig</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>elke gezagvoerder van een Nederlands-Antilliaans burgerlijk luchtvaartuig of degene die deze vervangt;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>griffier</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de persoon die als griffier optreedt in de zin van hoofdstuk V van de Eenvormige landsverordening op de rechterlijke organisatie; </al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>Hof van Justitie en Hof</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, bedoeld in de artikelen 1 en 44 van de Eenvormige landsverordening op de rechterlijke organisatie; </al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>huiszoeking</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>het gericht en stelselmatig onderzoeken van een plaats als bedoeld in de artikelen 144 en 145 van het Wetboek van Strafrecht, op de aanwezigheid van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen; </al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>hulpofficieren van justitie</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de in artikel 191 bedoelde personen; </al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>inbeslagneming</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>het onder zich nemen of gaan houden van voorwerpen of vorderingen ten behoeve van de strafvordering; </al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>installatie ter zee</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>elke installatie buiten de Nederlandse Antillen opgericht op de bodem van de territoriale zee of dat deel van de Caraibische Zee of de Atlantische Oceaan, waarvan de grenzen samenvallen met die van het aan de Nederlandse Antillen toekomende gedeelte van het continentale plat;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>Nederlands-Antilliaans schip</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 88 van het Wetboek van Strafrecht;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>officieren van justitie</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de officier van justitie, hoofd van het parket, de officieren van justitie, de substituut-officieren van justitie en de plaatsvervangende officieren van justitie, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van de Eenvormige landsverordening op de rechterlijke organisatie;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>opsporingsambtenaren</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>alle personen die overeenkomstig de artikelen 184 en 185 met de opsporing van strafbare feiten zijn belast, alsmede de leden van het openbaar ministerie en de plaatselijke hoofden van politie, indien zij van hun opsporingsbevoegdheid gebruik maken;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>opvarende</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>degene, niet zijnde de schipper, die zich aan boord van een Nederlands-Antilliaans schip bevindt, ook indien hij buiten de Nederlandse Antillen het schip gedurende de reis tijdelijk verlaat, alsmede degene, niet zijnde de schipper, die zich op een bij landsbesluit aangewezen installatie ter zee bevindt;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ouders</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de ouders die de ouderlijke macht of de voogdij over de minderjarige uitoefenen;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>persoon</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>zowel de natuurlijke als de rechtspersoon;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>raadsman</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de advocaat van een verdachte;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>rechterlijke beslissingen</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>zowel de beschikkingen als de uitspraken;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>rechtstaal</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de gebezigde taal die in het rechtsgebied als officiële taal is toegelaten;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>schepeling</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>ieder die zich als scheepsofficier of scheepsgezel aan boord van een Nederlands-Antilliaans schip bevindt;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>schipper</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de gezagvoerder van een Nederlands-Antilliaans schip of degene die deze vervangt, alsmede degene die de leiding heeft op een bij landsbesluit aangewezen installatie ter zee;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>[vervallen]</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>[vervallen]</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>teruggave van inbeslaggenomen</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>voorwerpen</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>het verrichten van de in verband met de beëindiging van het beslag vereiste formaliteiten;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>uitspraken</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de op de terechtzitting gegeven beslissingen;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>verdrag</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een voor de Nederlandse Antillen verbindende overeen komst, als bedoeld in de artikelen 24 tot en met 28 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>voorbereidend onderzoek</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>het onderzoek dat aan de behandeling ter terechtzitting voorafgaat;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>voorlopige hechtenis</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de vrijheidsontneming ingevolge een bevel tot bewaring, gevangenneming of gevangenhouding en de bevelen tot verlenging daarvan;</al></entry></row><row><entry colname="col1" rotate="0"><al>aanbieder van een communicatiedienst</al></entry><entry colname="col2" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" rotate="0"><al>de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de uitoefening van een beroep of bedrijf aan de gebruikers van zijn dienst de mogelijkheid biedt te communiceren met behulp van een geautomatiseerd werk, of gegevens verwerkt of opslaat ten behoeve van een zodanige dienst of de gebruikers van die dienst; </al></entry></row><row><entry colname="col1" rotate="0"><al>gebruiker van een communciatiedienst</al></entry><entry colname="col2" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" rotate="0"><al>de natuurlijke persoon of rechtspersoon die met de aanbieder van een communicatiedienst een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot het gebruik van die dienst of die feitelijk gebruik maakt van een zodanige dienst;</al></entry></row><row><entry colname="col1" rotate="0"><al>gegevens</al></entry><entry colname="col2" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" rotate="0"><al>iedere weergave van feiten, begrippen of instructies, op een overeengekomen wijze, geschikt voor overdracht, interpretatie of verwerking door personen of geautomatiseerde werken;</al></entry></row><row><entry colname="col1" rotate="0"><al>opsporingsonderzoek</al></entry><entry colname="col2" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" rotate="0"><al>het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen;</al></entry></row><row><entry colname="col1" rotate="0"><al>voorwerpen</al></entry><entry colname="col2" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" rotate="0"><al>alle zaken en vermogensrechten.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Waar van misdrijf in het algemeen of van een misdrijf in het bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder mede begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Waar in bijzondere bepalingen met betrekking tot de inbeslagneming alleen over voorwerpen wordt gesproken, worden vorderingen daaronder mede begrepen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Onder eed wordt steeds mede begrepen de belofte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Onder staande houden wordt mede verstaan het doen halt houden van voertuigen en vaartuigen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">3</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een in dit wetboek vastgestelde termijn, binnen welke tegen enige beslissing beroep kan worden aangetekend, eindigende op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Het Landsbesluit houdende algemene maatregelen van de 20ste september 1954 (P.B. 1954, no. 92, zoals gewijzigd) is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een termijn van drie dagen wordt, zo nodig, zoveel verlengd, dat daarin ten minste twee dagen voorkomen die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Onder maand wordt verstaan de tijd van dertig dagen, onder een dag de tijd van vierentwintig uren.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">4</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tot de processtukken in de zin van dit wetboek worden gerekend de gegevens, die in verband met een verdenking tegen een bepaalde persoon ten behoeve van de politie en de justitie zijn verzameld, voor zover zij op die persoon betrekking hebben en voor zover zij in het verband van diens strafvervolging worden gebruikt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Onder de bevoegdheid tot kennisneming van processtukken wordt mede begrepen die tot het maken van aantekeningen daaruit. Het openbaar ministerie kan in het belang van een goede procesorde bij algemene regeling bepalen in welke gevallen en op welke wijze afschriften zullen worden verstrekt. Ook overigens regelt het openbaar ministerie, tenzij anders is bepaald, de wijze waarop kennisneming van processtukken wordt toegestaan, alsmede, zo nodig, de plaats waar en de wijze waarop bij die kennisneming toezicht zal worden uitgeoefend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Nadat de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, worden de in het tweede lid bedoelde beslissingen gegeven door de rechter, die over de zaak oordeelt of het laatst heeft geoordeeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">5</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het verhoren van personen ten behoeve van de strafvordering is gericht op het aan de dag brengen van de waarheid. Wanneer zij in verband met een beslissing in de gelegenheid worden gesteld opmerkingen te maken, worden zij gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Wanneer is voorgeschreven, dat de verdachte wordt gehoord, gaat daaraan een behoorlijke oproeping vooraf. Van het horen kan slechts worden afgezien, indien de verdachte daarvan uitdrukkelijk afstand heeft gedaan, of indien hij, ondanks een behoorlijke oproeping, niet is verschenen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">6</nr></kop><al>Ontdekking op heterdaad heeft plaats, wanneer het strafbare feit ontdekt wordt, terwijl het begaan wordt of terstond nadat het begaan is. De heterdaad wordt niet langer aanwezig geacht dan kort na de ontdekking.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">7</nr></kop><al>Bij de beantwoording van de vraag of een zaak al dan niet is geëindigd, wordt het rechtsgevolg, bij artikel 282 aan het bekend worden van nieuwe bezwaren verbonden, buiten beschouwing gelaten.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">8</nr></kop><al>Het in deze titel bepaalde geldt niet, wanneer uit enige bepaling van dit wetboek een andere betekenis blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">II</nr><titel status="officieel">Legaliteitsbeginsel</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">9</nr></kop><al>Strafvordering heeft alleen plaats in de gevallen en op de wijze bij landsverordening voorzien.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">III</nr><titel status="officieel">Het openbaar ministerie en de bevoegdheid van de rechter</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">10</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het openbaar ministerie vervolgt de strafbare feiten bij de rechter, die ingevolge het bepaalde in de Eenvormige landsverordening op de rechterlijke organisatie of andere wettelijke regelingen tot de kennisneming daarvan bevoegd is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Elk eilandgebied wordt als een afzonderlijk rechtsgebied van het gerecht in eerste aanleg beschouwd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">11</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De betrekkelijke bevoegdheid van de rechter wordt bepaald door het rechtsgebied waarbinnen het strafbare feit is begaan, of door het rechtsgebied waarbinnen de verdachte woont, feitelijk verblijft of wordt aangetroffen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij deelneming aan een strafbaar feit brengt de bevoegdheid ten aanzien van een van de als daders of medeplichtigen aansprakelijke personen ook de bevoegdheid mee ten aanzien van de andere.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien door meerdere personen, al dan niet tezamen, verschillende strafbare feiten zijn begaan, die in zodanig verband tot elkaar staan dat de behandeling voor dezelfde rechter gewenst moet worden geacht, worden deze feiten voor de toepassing van het tweede lid van dit artikel geacht in deelneming te zijn begaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>In elke stand van het geding kan de rechter, nadat de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, deze op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte verwijzen naar de rechter van een ander rechtsgebied.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">12</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Strafbare feiten buiten het rechtsgebied van de Nederlandse Antillen aan boord van een Nederlands-Antilliaans vaartuig of luchtvaartuig begaan, worden ter bepaling van de bevoegdheid van de rechter geacht te zijn begaan binnen het rechtsgebied van de Nederlandse Antillen ter plaatse waar de eigenaar van het vaartuig of luchtvaartuig woont of de zetel van het bedrijf is gevestigd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De vervolging van strafbare feiten, begaan buiten de Nederlandse Antillen doch niet aan boord van een Nederlands Antilliaans vaartuig of luchtvaartuig, vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in artikel 11.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">13</nr></kop><al>Indien geen bevoegde rechter door de voorgaande artikelen wordt aangewezen, is het gerecht in eerste aanleg, zittingsplaats Curaçao, bevoegd. </al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">14</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De ambtenaren van het openbaar ministerie bij het gerecht in eerste aanleg zijn tot de vervolging van strafbare feiten op alle eilandgebieden bevoegd, onverminderd het bepaalde in artikel 4, vijfde lid, van de Eenvormige landsverordening op de rechterlijke organisatie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De procureur-generaal houdt toezicht op een behoorlijke vervolging van strafbare feiten, en kan daartoe aan de officier van justitie, hoofd van het parket, de nodige bevelen geven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IV</nr><titel status="officieel">Rechterlijk bevel tot vervolging of verdere vervolging van strafbare feiten</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">15</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover bij het Hof van Justitie schriftelijk beklag doen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Onder rechtstreeks belanghebbende wordt mede verstaan een rechtspersoon, die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een belang behartigt, dat door de beslissing tot niet vervolging rechtstreeks wordt getroffen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wanneer op het gebied van de opsporing en de vervolging activiteiten niet of niet binnen een redelijke termijn hebben plaatsgevonden, wordt deze omstandigheid voor de toepassing van deze titel met een beslissing tot niet vervolging gelijkgesteld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">16</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De griffier van het Hof geeft de klager spoedig schriftelijk bericht van de ontvangst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Na ontvangst van het klaagschrift draagt het Hof de procureur-generaal op ten aanzien van de beslissing tot niet of niet verdere vervolging schriftelijk verslag te doen en de daartoe betrekkelijke stukken over te leggen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">17</nr></kop><al>Is de klager kennelijk niet ontvankelijk of het beklag kennelijk ongegrond, dan kan het Hof zonder nader onderzoek de klager niet ontvankelijk of het beklag ongegrond verklaren.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">18</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het Hof beslist niet alvorens de klager te hebben gehoord, althans behoorlijk daartoe te hebben opgeroepen, behoudens in het geval van artikel 17.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het oproepen van de klager kan ook achterwege blijven, wanneer door hem ter zake van hetzelfde feit reeds eerder beklag is gedaan, tenzij door de klager nieuwe omstandigheden zijn aangevoerd die, waren zij het Hof bekend geweest, tot een andere beslissing op dat eerdere beklag hadden kunnen leiden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien beklag is gedaan door meer dan twee personen, kan het Hof volstaan met het oproepen van de twee personen, wier namen en adressen als eerste in het klaagschrift zijn vermeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">19</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het Hof kan de persoon wiens vervolging wordt verlangd oproepen ten einde hem in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken over het in het beklag gedane verzoek en de gronden waarop dat berust. De oproeping gaat vergezeld van een afschrift van het klaagschrift of bevat een aanduiding van het feit waarop het beklag betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een bevel, als bedoeld in artikel 25, eerste lid, wordt niet gegeven dan nadat de persoon wiens vervolging wordt verlangd door het Hof is gehoord, althans behoorlijk daartoe is opgeroepen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">20</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd kunnen zich in raadkamer doen bijstaan door een advocaat. Zij kunnen zich doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze verklaart daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, of door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.Van deze bevoegdheid, alsmede van de mogelijkheid om toevoeging van een advocaat te verzoeken, wordt hun in de oproeping mededeling gedaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De voorzitter van het Hof staat, behoudens in het geval van artikel 17, de klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd, alsmede hun advocaten of gemachtigden toe van de op de zaak betrekking hebbende stukken kennis te nemen, indien daarom wordt verzocht. Kennisneming geschiedt op de wijze door de voorzitter te bepalen. De voorzitter kan, ambtshalve of op de vordering van de procureur-generaal, bepaalde stukken van kennisneming uitzonderen in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de opsporing of vervolging van strafbare feiten of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">21</nr></kop><al>De persoon wiens vervolging wordt verlangd is niet verplicht op de vragen, hem in raadkamer gesteld, te antwoorden. Hiervan wordt hem, voordat hij wordt gehoord, mededeling gedaan. De mededeling wordt in het proces-verbaal opgenomen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">22</nr></kop><al>Wanneer de klager of de persoon wiens vervolging wordt verlangd in raadkamer wordt gehoord, nodigt het Hof de procureur-generaal uit daarbij tegenwoordig te zijn.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">23</nr></kop><al>Het horen van de klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd kan ook aan een van de leden van het Hof worden opgedragen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">24</nr></kop><al>De artikelen 38 tot en met 42 met betrekking tot de behandeling in raadkamer zijn op deze titel van toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">25</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de klager ontvankelijk is en het Hof van oordeel is dat vervolging of verdere vervolging had moeten plaatshebben, beveelt het Hof dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet ter zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft of van het feit zoals het Hof dat in zijn bevel heeft omschreven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het Hof kan het geven van zodanig bevel ook weigeren op gronden aan het algemeen belang ontleend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In alle andere gevallen wijst het Hof het beklag af.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Alvorens te beslissen kan het Hof, indien het nader onderzoek wenselijk oordeelt, de stukken in handen van de rechter-commissaris stellen onder aanduiding van het onderwerp en de omvang van het onderzoek en, zo nodig, van de wijze waarop dit zal zijn in te stellen. Artikel 359, tweede lid, is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">26</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het Hof beslist zo spoedig mogelijk en bij een met redenen omklede beschikking.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Van elke beschikking zendt de griffier onverwijld een afschrift aan de procureur-generaal, de klager, alsmede, indien de artikelen 19, eerste lid, en 25, eerste lid, toepassing hebben gevonden, aan de persoon wiens vervolging wordt verlangd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">27</nr></kop><al>De leden van het Hof die over het beklag hebben geoordeeld, nemen noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep, deel aan de berechting.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">28</nr></kop><al>Bij toepassing van artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht is beklag niet toegelaten.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">29</nr></kop><al>Wanneer het Hof ambtshalve van oordeel is, dat de vervolging van strafbare feiten behoort ingesteld of voortgezet te worden, vinden de bepalingen van deze titel zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">V</nr><titel status="officieel">Schorsing van de vervolging</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">30</nr></kop><al>1.Indien de waardering van het tenlastegelegde feit afhangt van de beoordeling van een geschilpunt van burgerlijk recht, kan de rechter, in welke stand van de vervolging ook, de vervolging voor een bepaalde tijd schorsen ten einde de uitspraak van de burgerlijke rechter over het geschilpunt af te wachten. 2. De schorsing kan telkens voor een bepaalde tijd worden verlengd en te allen tijde worden opgeheven.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">31</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In zaken betreffende minderjarige verdachten kan de vervolging worden geschorst, indien, gelijktijdig met de vervolging, aanhangig is:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van beide of een van de ouders een verzoek of vordering tot ontheffing of tot ontzetting van de ouderlijke macht of van de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>ten aanzien van de voogd een verzoek tot ontzetting van de voogdij;</al></li><li nr="c."><al>over de verdachte een verzoek of een vordering tot ondertoezichtstelling.</al></li></lijst><al>De schorsing duurt voort totdat de beslissing daarop onherroepelijk zal zijn geworden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In zodanig geval wordt de schorsing geacht plaats te vinden wegens het bestaan van een geschilpunt van burgerlijk recht.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">32</nr></kop><al>Na het uitbrengen van de dagvaarding ter terechtzitting kan de verdachte de schorsing wegens het bestaan van een geschilpunt van burgerlijk recht enkel verzoeken, hetzij bij het bezwaarschrift dat tegen die dagvaarding kan worden ingediend, hetzij op de terechtzitting.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">33</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de verdachte na het begaan van het strafbare feit in een toestand is komen te verkeren dat hij niet meer in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen, schorst de rechter, in welke stand van de vervolging ook, de vervolging.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zodra van het herstel van de verdachte is gebleken, wordt de schorsing opgeheven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">34</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij schorsing van de vervolging kan de rechter, ambtshalve of op de vordering van het openbaar ministerie, niettemin spoedeisende maatregelen bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hij kan gelasten dat de schorsing zich niet zal uitstrekken tot hetgeen de voorlopige hechtenis betreft.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">35</nr></kop><al>Alvorens omtrent de schorsing te beslissen, kan de rechter getuigen en deskundigen horen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">36</nr></kop><al>De beslissingen omtrent de schorsing worden genomen hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie, hetzij op het verzoek van de verdachte of zijn raadsman, door de rechter voor wie de zaak wordt vervolgd of zal worden vervolgd, of voor wie de zaak het laatst is vervolgd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">37</nr></kop><al>Tegen beslissingen omtrent de schorsing staat het openbaar ministerie binnen drie dagen daarna en de verdachte binnen drie dagen na de betekening hoger beroep open bij het Hof van Justitie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VI</nr><titel status="officieel">Behandeling door de raadkamer</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">38</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin niet de beslissing door de rechter op de terechtzitting is voorgeschreven of aldaar ambtshalve wordt genomen, geschieden onderzoek en beslissing door de raadkamer. Echter geschieden op de terechtzitting onderzoek en beslissing omtrent alle vorderingen, verzoeken of voordrachten aldaar gedaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De raadkamer bij het Hof van Justitie is op straffe van nietigheid samengesteld uit drie leden. In eerste aanleg treedt de raadkamer enkelvoudig op. In dat geval vinden de bepalingen van deze titel overeenkomstig toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien door de raadkamer een beslissing moet worden gegeven na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting, is zij zoveel mogelijk samengesteld uit de leden die op de terechtzitting over de zaak hebben gezeten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De rechter die als rechter-commissaris in de zaak enig onderzoek heeft verricht of enige beslissing heeft genomen, neemt aan onderzoek en beslissing door de raadkamer geen deel.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">39</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De beschikking vermeldt de namen van de rechters door wie, en de dag waarop zij is gegeven, en wordt ondertekend door ieder van hen en de griffier die bij de beraadslaging tegenwoordig was. Indien de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft, kan de beschikking, mits daarvan eenvoudige aantekening wordt gedaan, mondeling worden gegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien een van hen tot die ondertekening buiten staat is, wordt hiervan aan het slot van de beschikking melding gemaakt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">40</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De raadkamer is bevoegd de nodige bevelen te geven, opdat het onderzoek dat aan haar beslissing vooraf moet gaan, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek zal plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De raadkamer zal, alvorens te beslissen, het openbaar ministerie horen en kan zich door de rechter-commissaris, die in de zaak betrokken is geweest, schriftelijk of mondeling doen inlichten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Zij is bevoegd de overlegging van processtukken en stukken van overtuiging te bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het horen kan ook aan een van de leden of plaatsvervangende leden van het Hof van Justitie of aan rechtersplaatsvervanger in eerste aanleg van het gebied waar de te horen persoon zich bevindt, worden opgedragen. In dat geval is artikel 42 van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">41</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte is bevoegd zich door zijn raadsman te doen bijstaan, wanneer hij wordt gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Elke andere persoon dan de verdachte die ingevolge enige bepaling van dit wetboek wordt gehoord, kan zich door een advocaat doen bijstaan. Deze wordt daarbij in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">42</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Van het onderzoek van de raadkamer wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt, behelzende de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en van hetgeen bij dat onderzoek is voorgevallen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien een verdachte, getuige of deskundige of de raadsman of de advocaat verlangt dat enige opgave in de eigen woorden zal worden opgenomen, geschiedt dat voor zover de opgave redelijke grenzen niet overschrijdt, zoveel mogelijk.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het proces-verbaal wordt door de voorzitter of door een van de andere leden van de raadkamer en de griffier vastgesteld en zo spoedig mogelijk na afloop van het onderzoek ondertekend.Voor zover de rechter of de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijn medewerking en wordt van zijn verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het wordt met de beschikking en de verdere tijdens het onderzoek in raadkamer in het geding gebrachte stukken bij de processtukken gevoegd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VII</nr><titel status="officieel">Rechterlijke voorzieningen bij dringende noodzaak</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">43</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In alle gevallen, waarin het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt en het wetboek zelf daaromtrent geen regeling bevat, kan een verzoek om zodanige voorziening worden gedaan door de verdachte of degene die daarbij een rechtstreeks hem bepaaldelijk aangaand belang heeft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op gelijke wijze komt het openbaar ministerie de bevoegdheid toe een zodanige voorziening te vorderen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Op het verzoek of de vordering, op straffe van niet-ontvankelijkheid met redenen te omkleden, wordt tijdens het voorbereidend onderzoek beslist door de rechter-commissaris en, na de aanvang of de beëindiging van het onderzoek ter terechtzitting, door de rechter die over de zaak oordeelt of het laatst heeft geoordeeld. Is de zaak bij het Hof aanhangig of aanhangig geweest, dan is het college of een door dit college aangewezen lid bevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Is de rechter aanstonds van oordeel, dat degene die het verzoek of de vordering heeft gedaan, niet-ontvankelijk is of dat elke redelijke grond aan het verzoek of de vordering ontbreekt, dan wijst hij zonder nader onderzoek en met eenvoudige redengeving de gevraagde voorziening af.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De voorziening kan zowel een gebod als een verbod bevatten, ook met betrekking tot gedragingen in de toekomst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De beschikking wordt zo spoedig mogelijk gegeven als door het belang van de zaak wordt gevorderd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>Voor zover de beschikking een veroordeling inhoudt, kan worden bepaald dat, indien, zo lang of zo dikwijls de veroordeelde aan die veroordeling niet voldoet, door hem zal zijn verbeurd een bij de beschikking vast te stellen geldsom, dwangsom genaamd. De dwangsom, eenmaal verbeurd, komt ten volle toe aan degene die de veroordeling heeft verkregen. Deze kan de dwangsom tenuitvoerleggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld. Wordt de dwangsom niet voldaan, dan kan de rechter op de vordering van het openbaar ministerie de gijzeling van de veroordeelde bevelen gedurende een door hem te bepalen termijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">8.</lidnr><al>De rechter is bevoegd om tenuitvoerlegging van zijn beschikking te bevelen bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">9.</lidnr><al>Tegen de beschikking van de rechter in eerste aanleg staat binnen drie dagen hoger beroep open bij het Hof van Justitie, indien daartoe, gelet op het belang van de gevraagde voorziening, door het Hof of een door dit college aangewezen lid verlof is verleend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">10.</lidnr><al>De artikelen 38 tot en met 42 vinden zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van de rechtstreeks belanghebbende vindt artikel 44 overeenkomstig toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">11.</lidnr><al>Tijdens de behandeling van het verzoek of de vordering kunnen aan de hierboven bedoelde procedure niet meer rechten worden ontleend dan de stand van de strafvorderlijke procedure toelaat.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VIII</nr><titel status="officieel">Algemeen voorschrift met betrekking tot rechterlijke beslissingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">44</nr></kop><al>Alle rechterlijke beslissingen op grond van dit wetboek worden, tenzij daarvoor een bijzondere regeling geldt, binnen een zo kort mogelijke termijn genomen, zijn met redenen omkleed, en worden ten spoedigste ter kennis gebracht van het openbaar ministerie, dat onverwijld voor betekening aan de verdachte zorgdraagt. Op de dag dat de beslissing schriftelijk ter kennis is gebracht, respectievelijk betekend is vangt de termijn aan waarbinnen enig rechtsmiddel is opengesteld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IX</nr><titel status="officieel">Geheimhouding</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">45</nr></kop><al>Een ieder, die betrokken is bij de uitvoering van dit wetboek en daarbij de beschikking krijgt over gegevens, waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit wetboek de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">X</nr><titel status="officieel">Beëdiging</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">46</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Hij, die ingevolge de bepalingen van dit wetboek mondeling een eed of belofte moet afleggen, zal:</al><lijst><li nr="a."><al>indien hij een eed aflegt, onder het opsteken van de twee voorste vingers van zijn rechterhand, uitspreken de woorden: "Zo waarlijk helpe mij God Almachtig";</al></li><li nr="b."><al>indien hij een belofte aflegt, uitspreken de woorden: "Dat beloof ik".</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Degene, in wiens handen de eed wordt afgelegd, houdt de betrokkene de volgende bij diens hoedanigheid passende verklaring voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van de getuige: dat hij de waarheid en niets dan de waarheid zal verklaren;</al></li><li nr="b."><al>ten aanzien van de deskundige en de tolk: dat hij zijn taak naar geweten zal vervullen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Hij, die aan zijn godsdienstige gezindheid de plicht ontleent de eed op andere wijze af te leggen, kan dat op die wijze doen. De eed kan ook worden afgelegd in de taal, die de betrokkene gewoon is te spreken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Hij, die tengevolge van een lichaams- of spraakgebrek de eed niet op de bij het eerste en derde lid bepaalde wijze kan afleggen, zal de eed afleggen op een wijze, zoveel mogelijk in overeenstemming met het in die artikelleden voorgeschrevene, te bepalen door degene in wiens handen de eed wordt afgelegd.</al><al>In plaats van de eed kan ter keuze van de betrokkene de belofte worden afgelegd.</al></lid></artikel></hoofdstuk></deel><deel><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>BOEK</label><titel status="officieel">DE VERDACHTE EN ZIJN RAADSMAN</titel></kop><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">I</nr><titel status="officieel">De verdachte</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Begripsomschrijving</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">47</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Als verdachte wordt aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Gedurende de vervolging wordt als verdachte aangemerkt degene tegen wie de vervolging is gericht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De aan de verdachte toekomende rechten komen tevens toe aan de veroordeelde tegen wie een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld of te wiens aanzien op een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen niet onherroepelijk is beslist.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Rechtskundige bijstand</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">48</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte heeft het recht zich, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek, door een of meer door hem gekozen of ingevolge de artikelen 61 tot en met 68 toegevoegde raadslieden te doen bijstaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hem wordt daartoe, wanneer hij dit verzoekt en hem rechtens de vrijheid is ontnomen, zoveel mogelijk met inachtneming van de huishoudelijke reglementen van de inrichting waarin hij verblijft, de gelegenheid gegeven zich met zijn raadsman of raadslieden in verbinding te stellen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wanneer de verdachte om bijstand van een raadsman verzoekt voordat hij door een opsporingsambtenaar wordt verhoord, kan het verhoor slechts dan een aanvang nemen, nadat de raadsman die bijstand heeft verleend, tenzij het onderzoek geen uitstel gedoogt, of de komst van de raadsman in redelijkheid niet kan worden afgewacht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De raadsman is niet bevoegd bij de verhoren door een opsporingsambtenaar aanwezig te zijn. Als het verhoor door een opsporingsambtenaar plaatsvindt, nadat de verdachte in dezelfde zaak door de rechter-commissaris is verhoord, komen de raadsman ten aanzien van het verhoor door de opsporingsambtenaar dezelfde bevoegdheden toe als hem bij het verhoor door de rechter-commissaris zijn toegekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>In de gevallen waarin de raadsman tot bijwoning van het verhoor is toegelaten, onthoudt hij zich van alles wat de strekking heeft het verhoor te beïnvloeden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">49</nr></kop><al>In alle gevallen waarin de verdachte overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek wordt gehoord, is hij bevoegd zich door een raadsman te doen bijstaan. Deze wordt in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken. Gelijke bevoegdheid komt hem toe, wanneer de verdachte niet in staat is in persoon te worden gehoord.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Zwijgrecht</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">50</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte heeft het recht zich van antwoorden te onthouden.Voor een verhoor wordt de verdachte meegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In alle gevallen waarin iemand als verdachte wordt verhoord, onthoudt de verhorende rechter of ambtenaar zich van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid is afgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verklaringen van de verdachte, bepaaldelijk die welke een bekentenis van schuld inhouden, worden in het proces-verbaal van het verhoor zoveel mogelijk in zijn eigen woorden opgenomen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Processtukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50a</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verdachte kan de officier van justitie dan wel, indien een gerechtelijk vooronderzoek is geopend, de rechter-commissaris schriftelijk gemotiveerd verzoeken door hem aangeduide processen-verbaal of andere voorwerpen bij de processtukken te voegen. Op dit verzoek wordt zo spoedig mogelijk beslist. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Afwijzing van een verzoek als bedoeld in het eerste lid geschiedt schriftelijk en onder opgave van redenen. Van deze beslissing kan de verdachte binnen drie dagen in beroep komen bij de rechter-commissaris dan wel, indien de afwijzing door de rechter-commissaris is geschied, bij het Hof van Justitie.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">51</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte heeft het recht om desgevraagd van de op zijn zaak betrekking hebbende processtukken kennis te nemen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Niettemin kan tijdens het voorbereidend onderzoek de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit bepaaldelijk vordert, de verdachte de kennisneming van bepaalde processtukken onthouden. Daartoe bestaat slechts dan grond, voor zover het belang dat de verdachte bij kennisneming heeft, niet opweegt tegen het belang op grond waarvan de kennisneming wordt onthouden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wanneer enig onderzoek niet tot een vervolging heeft geleid of zal leiden, kan de verdachte of de gewezen verdachte de kennisneming van de processtukken niet meer worden onthouden, tenzij dwingende aan het algemene belang van de strafvordering te ontlenen gronden zich daartegen verzetten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Ingeval de verdachte de kennisneming van bepaalde processtukken wordt onthouden, wordt hem onder opgave van redenen schriftelijk meegedeeld dat de hem ter inzage gegeven stukken niet volledig zijn.Van deze beslissing kan hij binnen drie dagen in beroep komen bij de rechter-commissaris.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">52</nr></kop><al>Tijdens het voorbereidend onderzoek mag aan de verdachte niet worden onthouden de kennisneming van:</al><lijst><li nr="a."><al>de processen-verbaal van zijn verhoren;</al></li><li nr="b."><al>de processen-verbaal betreffende verhoren of handelingen van onderzoek, waarbij hij of zijn raadsman de bevoegdheid heeft gehad tegenwoordig te zijn, tenzij en voor zover uit het proces-verbaal blijkt van enige omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, en in verband daarmee een bevel als bedoeld in artikel 70, tweede of derde lid, is gegeven;</al></li><li nr="c."><al>de overige processen-verbaal van verhoren, waarvan de inhoud hem mondeling volledig mededeling is gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">53</nr></kop><al>De kennisneming van geen enkel processtuk in het oorspronkelijke of in afschrift mag de verdachte worden onthouden, zodra het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten, of, indien een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg is betekend.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">54</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Kennisneming van processtukken, die zijn opgemaakt met betrekking tot de persoonlijkheid of de zielstoestand van de verdachte, kan hem alleen dan geheel of gedeeltelijk worden onthouden, indien de rapporteur verklaart, dat kennisneming bepaaldelijk niet in het belang van de verdachte moet worden aangemerkt en voorts dat er geen mogelijkheden aanwezig worden geacht de kennisneming onder begeleiding van een deskundige te doen plaatsvinden. Daaromtrent beslist het gerecht waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd dan wel, indien geen vervolging heeft plaatsgehad of deze nog niet is ingesteld, de rechter-commissaris.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ingeval de verdachte kennisneming op de voet van het bepaalde in het eerste lid geheel of gedeeltelijk niet wordt toegestaan, kan de kennisneming nochtans wel aan de raadsman worden toegestaan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIJFDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Behandeling binnen een redelijke termijn</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">55</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte heeft recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De termijn vangt aan op het moment dat de verdachte had verwacht en redelijkerwijze had kunnen verwachten, dat zijn zaak strafrechtelijk zou worden vervolgd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Een termijn, waardoor de verdachte langer dan in het algemeen wenselijk is onder de dreiging van een strafvervolging of van de voortzetting daarvan heeft moeten leven, wordt als onredelijk aangemerkt, tenzij bijzondere omstandigheden het tijdsverloop kunnen rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Indien de verdachte de bevoegdheid, hem bij artikel 56 toegekend, onbenut heeft gelaten, kan hij zich later niet meer op de onredelijkheid van een termijn beroepen, tenzij door het tijdsverloop de kwaliteit van de strafrechtspleging zodanig is aangetast, dat de rechter ook ambtshalve gronden aanwezig acht om het tijdsverloop te beoordelen en daaraan gevolgen te verbinden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">56</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris waakt tegen nodeloze vertraging van het voorbereidend onderzoek. Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, draagt hij in het bijzonder ervoor zorg, dat de zaak met de meest mogelijke spoed wordt voortgezet.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Wanneer het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, wordt het toezicht op nodeloze vertraging uitgeoefend door de rechter, die over de zaak ter terechtzitting oordeelt, of door het Hof van Justitie, nadat hoger beroep is ingesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De bevoegde rechter kan, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bevelen dat het onderzoek binnen een uiterste termijn wordt voortgezet dan wel wordt beëindigd. Hij kan zich daartoe de nodige processtukken doen overleggen. Nadat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, komen deze bevoegdheden de rechter ook ambtshalve toe.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Indien een eenmaal aangevangen vervolging niet wordt voortgezet, kan de rechter tevens verklaren dat de zaak geëindigd is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De verdachte wordt gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Een beslissing als bedoeld in het derde of vierde lid, kan tot een uiterste termijn worden aangehouden, indien het openbaar ministerie aannemelijk maakt, dat het onderzoek alsnog zal worden voortgezet dan wel verdere vervolging zal plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>Wanneer de zaak ter terechtzitting in hoger beroep aanhangig is gemaakt, vindt ten aanzien van het Hof van Justitie artikel 38, derde lid, geen toepassing.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">II</nr><titel status="officieel">De raadsman</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Algemene bepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">57</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Als raadslieden worden slechts toegelaten advocaten, die bij het Hof van Justitie zijn ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan het Hof van Justitie op verzoek van de verdachte aan advocaten, die niet bij het Hof van Justitie zijn ingeschreven, toestaan als raadsman op te treden, mits deze samenwerkt met een bij het Hof van Justitie ingeschreven advocaat.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Medeverdachten, die geen tegenstrijdige belangen hebben, kunnen door dezelfde raadsman worden bijgestaan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">58</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bevoegdheden die bij of krachtens dit wetboek uitdrukkelijk aan de verdachte zijn toegekend, kunnen door diens raadsman worden uitgeoefend, indien deze door de verdachte is gemachtigd en de aard van de bevoegdheid zich daartegen niet verzet.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Machtiging door de verdachte zal worden aangenomen, wanneer de raadsman verklaart dat dit het geval is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Toezending van processtukken aan de verdachte geschiedt tevens aan diens raadsman, voor zover dat uitdrukkelijk is bepaald.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Keuze van de raadsman</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">59</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte is te allen tijde bevoegd een of meer raadslieden te kiezen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tot de keuze van een of meer raadslieden is ook de wettige vertegenwoordiger van de verdachte bevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Is de verdachte verhinderd van zijn wil te dien aanzien te doen blijken en heeft hij geen wettige vertegenwoordiger, dan is zijn echtgenoot of de meest gerede van zijn bloed- of aanverwanten, tot de vierde graad ingesloten, tot die keuze bevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De ingevolge het tweede of derde lid gekozen of de ingevolge de artikelen 61 tot en met 68 toegevoegde raadsman treedt af, zodra de verdachte zelf een raadsman heeft gekozen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan worden geregeld, op welke wijze van een keuze ingevolge het eerste, tweede of derde lid dient te blijken.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">60</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De gekozen raadsman geeft, zolang het opsporingsonderzoek duurt, van zijn optreden als zodanig schriftelijk kennis aan de officier van justitie en aan de in de zaak betrokken hulpofficier. Gelijke kennisgeving geschiedt als de raadsman niet meer voor een bepaalde verdachte optreedt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien hij een gekozen of toegevoegde raadsman vervangt, geeft hij ook daarvan overeenkomstig het eerste lid kennis aan de daar bedoelde personen en aan de vervangen raadsman. Door deze mededeling neemt de werkzaamheid van de vervangen toegevoegde of vroeger gekozen raadsman een einde.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Toevoeging van een raadsman</titel></kop><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel">1.</nr><titel status="officieel">Algemene bepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">61</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tenzij in dit wetboek anders is bepaald, geschiedt toevoeging van een raadsman door de instantie, daartoe bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aangewezen. Bij of krachtens dit landsbesluit worden regels gesteld omtrent de taakuitoefening van de instantie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De toevoeging geschiedt zoveel mogelijk in overeenstemming met de voorkeur van de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De toevoeging heeft plaats zonder kosten voor de verdachte, behoudens het in de tweede volzin van dit artikellid bepaalde.Wanneer zich in de omstandigheden van de verdachte zodanige wijzigingen mochten voordoen dat op grond daarvan, naar het oordeel van de instantie die met de toevoeging is belast, aannemelijk kan worden geacht dat de verdachte in staat is de kosten van een raadsman zelf te dragen, wordt de kosteloze toevoeging beëindigd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">62</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Aan iedere verdachte, die in verzekering is gesteld, wordt een raadsman toegevoegd, zodra tegen hem het bevel tot inverzekeringstelling wordt verleend, tenzij hij uitdrukkelijk heeft verklaard van het recht op toevoeging afstand te doen. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie die het bevel heeft verleend, licht onverwijld de instantie die met de toevoeging is belast, omtrent de inverzekeringstelling in.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een toevoeging ingevolge het eerste lid blijft tijdens de voorlopige hechtenis van kracht, tenzij de verdachte niet on- of minvermogend is in de zin van het Landsbesluit Kosteloze rechtskundige bijstand (P.B. 1959, no. 198).</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden zoveel mogelijk in overeenstemming met de situatie op de eilanden nadere regels gesteld omtrent de toevoeging aan in verzekering gestelde verdachten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">63</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien het bevel, bedoeld in artikel 62, eerste lid, niet is verleend, wordt een verdachte van een misdrijf, van wiens onvermogen voldoende is gebleken, op diens verzoek een raadsman toegevoegd, zodra de vervolging tegen hem is aangevangen. De verdachte kan aan het verzoek niet het recht ontlenen de zaak op te houden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het eerste lid is tevens van toepassing in hoger beroep.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gegeven omtrent de wijze waarop het onvermogen moet worden gestaafd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Omtrent zijn bevoegdheid om toevoeging van een raadsman te verzoeken wordt de verdachte van misdrijf ingelicht op de voet van artikel 82. Echter geschiedt de mededeling in geval van aantekening van hoger beroep door de griffier van het gerecht, dat vonnis heeft gewezen. Indien de verdachte, anders dan krachtens een bevel tot inverzekeringstelling, rechtens zijn vrijheid is ontnomen, wordt het verzoek onverwijld door de officier van justitie ter kennis gebracht van de instantie die met de toevoeging is belast.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien het vermoeden bestaat dat bij de verdachte van misdrijf gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van de geestvermogens aanwezig is en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen, wordt hem, indien hij nog geen raadsman heeft en een vervolging ter zake van het misdrijf tegen hem is aangevangen, tijdens het voorbereidend onderzoek door de rechter-commissaris ambtshalve een raadsman toegevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De in het vierde lid bedoelde inlichtingen en kennisgevingen geschieden overeenkomstig bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vast te stellen bepalingen. Daarbij worden tevens voorschriften gegeven omtrent de wijze waarop het verzoek om toevoeging behoort te worden gedaan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">64</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een toevoeging heeft slechts plaats, indien de verdachte geen raadsman heeft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Elke toevoeging geldt zowel voor de eerste aanleg als voor het hoger beroep. Hierbij wordt het voorbereidend onderzoek geacht deel uit te maken van de eerste aanleg.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel"> 2.</nr><titel status="officieel"> Vervanging van de toegevoegde raadsman</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">65</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman wordt de verdachte een andere raadsman toegevoegd. De toegevoegde raadsman geeft van zijn verhindering of ontstentenis kennis aan de instantie die met de toevoeging is belast.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op verzoek van de toegevoegde raadsman of van de verdachte kan een andere raadsman worden toegevoegd. Indien de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen, wordt diens verzoek door de officier van justitie zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht van de instantie die met de toevoeging is belast.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">66</nr></kop><al>De toegevoegde raadsman kan de waarneming van bepaalde verrichtingen namens hem door een andere advocaat doen geschieden, mits hij of die ander daarvan schriftelijk kennis geeft aan de officier van justitie en, voor zover nodig, aan de hulpofficier van justitie tijdens het voorbereidend onderzoek of, indien de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, aan de bevoegde rechter.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel">3.</nr><titel status="officieel">Beroep inzake toevoeging</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">67</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte kan tijdens het voorbereidend onderzoek de rechter-commissaris of, indien de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, de bevoegde rechter om toevoeging van een raadsman verzoeken:</al><lijst><li nr="a."><al>indien hij binnen vierentwintig uren na het tijdstip waarop ingevolge artikel 62 toevoeging had moeten plaatshebben, nog geen raadsman heeft;</al></li><li nr="b."><al>indien zijn verzoek als bedoeld in de artikelen 63, eerste en tweede lid, en 65, tweede lid, niet is ingewilligd;</al></li><li nr="c."><al>indien hem bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman geen andere raadsman is toegevoegd;</al></li><li nr="d."><al>indien de toevoeging op grond van artikel 61, derde lid, is beëindigd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt zo spoedig mogelijk beslist. De verdachte wordt, tenzij het verzoek aanstonds wordt ingewilligd, op het verzoek gehoord.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Par. </label><nr status="officieel">4. </nr><titel status="officieel">Kennisgeving van de toevoeging</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">68</nr></kop><al>Van elke toevoeging en van elke wijziging daarin wordt onverwijld, op de wijze bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te bepalen, kennis gegeven aan de officier van justitie, de raadsman, de verdachte en bovendien, in geval van een gerechtelijk vooronderzoek, aan de rechter-commissaris, alsmede, indien de verdachte in het huis van bewaring of de gevangenis verblijft, aan de directeur van die inrichting.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel"> 5. </nr><titel status="officieel">Beloning en vergoeding van kosten</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">69</nr></kop><al>Voor de beloning van de bijstand door toegevoegde raadslieden alsmede voor de vergoeding van door hen noodzakelijk gemaakte onkosten worden uit's Lands kas middelen beschikbaar gesteld naar regelen te stellen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Bevoegdheden van de raadsman betreffende het verkeer met de verdachte en de kennisneming van processtukken</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">70</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De raadsman heeft vrije toegang tot de verdachte wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen, kan hem buiten aanwezigheid van anderen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door anderen wordt kennisgenomen, een en ander onder het vereiste toezicht, met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, zulks onverminderd hetgeen door de wettelijke bepalingen wordt gevorderd, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien uit bepaalde omstandigheden een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte hetzij zal strekken om de verdachte bekend te maken met enige omstandigheid, waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, hetzij wordt misbruikt voor pogingen om de waarheidsvinding te belemmeren, kan tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de rechter-commissaris en overigens tijdens het voorbereidend onderzoek de officier van justitie telkens aan de bevoegde autoriteiten bevelen, dat de raadsman geen toegang tot de verdachte zal hebben of deze niet alleen zal mogen spreken en dat brieven of andere stukken, tussen raadsman en verdachte gewisseld, niet zullen worden uitgereikt. Het bevel omschrijft de bepaalde omstandigheden in de voorgaande volzin bedoeld; het beperkt de vrijheid van verkeer tussen raadsman en verdachte niet meer en wordt voor niet langer gegeven dan door die omstandigheden wordt gevorderd, en is in elk geval slechts gedurende ten hoogste acht dagen van kracht.Van het bevel geschiedt onverwijld schriftelijke mededeling aan de raadsman en aan de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De raadsman kan tegen het bevel binnen drie dagen na die mededeling een bezwaarschrift indienen bij het Hof van Justitie. Deze wordt gehoord, althans behoorlijk daartoe opgeroepen. Het Hof kan bij zijn beslissing het bevel opheffen, wijzigen of aanvullen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Wanneer het betreft een persoon die verdacht wordt van een van de in de artikelen 97 tot en met 113 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven tegen de veiligheid van de Staat, kan tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de rechter-commissaris en overigens tijdens het voorbereidend onderzoek de officier van justitie telkens voor het tijdvak van ten hoogste veertien dagen bevelen, dat er geen vrij verkeer tussen de verdachte en zijn raadsman zal plaatsvinden, indien hij van oordeel is, dat het belang van het onderzoek zich daartegen bepaaldelijk verzet. Van het bevel geschiedt onverwijld schriftelijke mededeling aan de raadsman en aan de verdachte. Het derde lid is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Alle belemmeringen van het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte, die ingevolge een van de vier voorgaande leden bevolen zijn, nemen een einde zodra het gerechtelijk vooronderzoek is beëindigd of, ingeval een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg is betekend.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk></deel><deel><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>BOEK</label><titel status="officieel">ENIGE BIJZONDERE DWANGMIDDELEN</titel></kop><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">I</nr><titel status="officieel">Algemeen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">71</nr></kop><al>Bij de toepassing van elk dwangmiddel gelden, behalve de overige in dit wetboek gestelde eisen, als algemene voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>dat de toepassing van het dwangmiddel, na afweging van de in het geding zijnde belangen, niet onredelijk is,</al></li><li nr="b."><al>dat de bevoegdheid een dwangmiddel toe te passen niet voor een ander doel wordt aangewend dan waarvoor zij is verleend,</al></li><li nr="c."><al>dat het doel van het dwangmiddel niet op andere, meer doelmatige en minder ingrijpende wijze kan worden bereikt, en</al></li><li nr="d."><al>dat de ernst van de door het dwangmiddel te veroorzaken inbreuk redelijkerwijze door de ernst van het strafbare feit wordt gerechtvaardigd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">II</nr><titel status="officieel">Staandehouding en aanhouding</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">72</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Iedere opsporingsambtenaar is bevoegd van de verdachte een opgave van zijn naam, voornamen, geboortedatum, adres en woon- of verblijfplaats te vorderen en hem daartoe staande te houden. De verdachte is verplicht aan de vordering te voldoen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De opsporingsambtenaar is tevens bevoegd getuigen naar de in het eerste lid bedoelde gegevens te vragen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">73</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van ontdekking op heterdaad van enig strafbaar feit is ieder bevoegd de verdachte aan te houden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Geschiedt de aanhouding door een opsporingsambtenaar, dan draagt deze zorg dat de aangehoudene zonder uitstel naar een plaats van verhoor en terstond daarna voor een officier van justitie of een hulpofficier wordt geleid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Geschiedt de aanhouding door de officier van justitie of een hulpofficier dan geleidt deze de aangehoudene zonder uitstel naar een plaats van verhoor; hij kan ook de aanhouding of voorgeleiding van de verdachte bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Geschiedt de aanhouding door een ander, dan levert deze de aangehoudene onverwijld aan een opsporingsambtenaar over, onder afgifte aan deze van mogelijk inbeslaggenomen voorwerpen, die dan handelt overeenkomstig de bepaling van het tweede lid. In geval van overlevering aan de officier van justitie of de hulpofficier is het derde lid van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">74</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ook buiten het geval van ontdekking op heterdaad is de officier van justitie bevoegd de verdachte van enig strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, of van het strafbare feit omschreven in artikel 454, aanhef en onder ten 3e, van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, aan te houden en zonder uitstel naar een plaats van verhoor te geleiden; hij kan ook de aanhouding of voorgeleiding van de verdachte bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Kan het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan komt gelijke bevoegdheid toe aan de hulpofficier van justitie. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan de officier van justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Kan ook het optreden van een hulpofficier niet worden afgewacht, dan is elke opsporingsambtenaar bevoegd de verdachte aan te houden, onder de verplichting zorg te dragen dat hij onverwijld voor de officier van justitie of de hulpofficier wordt geleid. Op de hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, is de tweede volzin van het tweede lid van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">75</nr></kop><al>De hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, geeft van de aanhouding uiterlijk binnen vierentwintig uren schriftelijk of mondeling kennis aan de officier van justitie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">III</nr><titel status="officieel">Betreden van plaatsen ter aanhouding</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">76</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van ontdekking op heterdaad van een misdrijf kan ieder, ter aanhouding van de verdachte, elke plaats betreden, met uitzondering van een woning tot het binnentreden waarvan de bewoner geen uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven, en van de plaatsen in artikel 164 genoemd, op de tijden in dat artikel aangegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zowel in geval van ontdekking op heterdaad als buiten dat geval kan iedere opsporingsambtenaar, ter aanhouding van de verdachte, elke plaats betreden. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Een opsporingsambtenaar die overeenkomstig het tweede lid een plaats heeft betreden, kan in afwachting van de komst van de ambtenaar die bevoegd is ter aanhouding de plaats te doorzoeken, de maatregelen nemen, die redelijkerwijze nodig zijn om te voorkomen, dat de verdachte zich aan zijn aanhouding onttrekt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">77</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan de officier van justitie ter aanhouding van de verdachte elke plaats doorzoeken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij dringende noodzakelijkheid en indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, kan een hulpofficier van justitie deze bevoegdheid uitoefenen. Hij behoeft daartoe verlof van de officier van justitie. Dit verlof is met redenen omkleed.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het doorzoeken van plaatsen geschiedt onder leiding van de officier van justitie of, in geval van toepassing van het tweede lid, onder leiding van de hulpofficier van justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IV</nr><titel status="officieel">Onderzoek aan lichaam en kleding</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">78</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie of de hulpofficier, voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden, kan bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze bepalen, dat hij aan zijn lichaam of aan zijn kleding zal worden onderzocht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De overige opsporingsambtenaren zijn bevoegd de aangehoudene, tegen wie ernstige bezwaren bestaan, aan zijn kleding te onderzoeken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wanneer er in geval van het eerste lid bijzondere aanwijzingen zijn dat voorwerpen of stoffen in of langs de weg van de natuurlijke openingen van het lichaam verborgen worden gehouden, kan het onderzoek aan het lichaam zich ook daartoe uitstrekken, doch slechts indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het onderzoek plaatsvindt door een medisch deskundige, wanneer het betreft een onderzoek van de maag, een rectaal of vaginaal onderzoek, en een meer dan oppervlakkig onderzoek van andere lichaamsholten, en</al></li><li nr="b."><al>het onderzoek geschiedt op een daartoe geschikte plaats en, indien het niet door een medisch deskundige wordt verricht, door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als dat van de verdachte die aan het onderzoek wordt onderworpen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Indien bij het onderzoek, bedoeld in het derde lid, instrumenten of kunstmatige middelen worden aangewend met het doel de verwijdering van voorwerpen en stoffen uit het lichaam te bewerkstelligen, dient voor het gebruik daarvan door de rechter-commissaris machtiging te worden verleend. In die machtiging kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de wijze van uitvoering.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">79</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman een deskundige, verbonden aan een van de bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan te wijzen laboratoria, benoemen met de opdracht een onderzoek te verrichten dat gebaseerd is op een vergelijking tussen kenmerken van celmateriaal. De deskundige brengt aan de rechter-commissaris een met redenen omkleed verslag uit.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris geeft de verdachte, indien deze bekend is, steeds en zo spoedig mogelijk schriftelijk kennis van de aan de deskundige verleende opdracht, van de tijd waarop en van het laboratorium alwaar het onderzoek plaatsvindt of heeft plaatsgevonden en van de uitslag daarvan. Hij wijst de verdachte op artikel 79b.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter-commissaris doet het celmateriaal vernietigen overeenkomstig de daartoe bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, gestelde regels. Van de vernietiging wordt onverwijld proces-verbaal opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Kenmerken van celmateriaal kunnen worden opgenomen in een register. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen1, worden regels gesteld omtrent de inrichting en raadpleging van het register, alsmede omtrent de gevallen waarin de opname van gegevens in dit register is toegestaan en de wijze waarop daartegen bij het Hof beroep kan worden ingesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Het register, bedoeld in het vierde lid, kan, volgens bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen1, te stellen regels, worden geraadpleegd ten behoeve van opsporingsonderzoek waarop het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, geen betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">79a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan op de vordering van de officier van justitie bevelen dat van de verdachte van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, bloed zal worden afgenomen ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in artikel 79, eerste lid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevel kan slechts worden gegeven, indien uit feiten of omstandigheden blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte en indien het onderzoek redelijkerwijze nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid. Het bevel is met redenen omkleed en wordt betekend aan de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter-commissaris geeft het bevel niet, dan nadat de verdachte is gehoord en vruchteloos is uitgenodigd vrijwillig bloed ten behoeve van het onderzoek af te staan. De verdachte is bevoegd zich door een raadsman te doen bijstaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het bevel tot afname van bloed wordt niet ten uitvoer gelegd, indien aannemelijk is dat afname van bloed om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De verdachte ten aanzien van wie een bevel als bedoeld in het eerste lid, is gegeven, wordt door een arts zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek en een tegenonderzoek noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Bij toepassing van het vierde lid of indien de deskundige als bedoeld in artikel 79, eerste lid, oordeelt dat het bloed van de verdachte geen geschikt materiaal voor het daar bedoelde onderzoek zal opleveren, kan de rechter-commissaris bevelen dat van de verdachte wangslijmvlies, haarwortels of ander bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen1, aan te wijzen celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in artikel 79, eerste lid. De laatste volzin van het tweede lid en het derde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>De verdachte kan tegen het krachtens het eerste of zesde lid gegeven bevel binnen zeven dagen na betekening in hoger beroep komen bij het Hof van Justitie, dat zo spoedig mogelijk beslist. De verdachte wordt gehoord. Het bevel wordt in afwachting van de beslissing van het Hof niet ten uitvoer gelegd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">79b</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte kan, indien geen verzoek als bedoeld in artikel 79, eerste lid, is gedaan, binnen veertien dagen nadat hem de uitslag van het onderzoek als bedoeld in artikel 79, eerste lid, schriftelijk is kennisgegeven, de rechter-commissaris verzoeken een andere door de verdachte aangewezen deskundige, verbonden aan een van de bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan te wijzen laboratoria, te benoemen met de opdracht een onderzoek te verrichten dat gebaseerd is op een vergelijking tussen kenmerken van celmateriaal. Indien daartoe voldoende celmateriaal beschikbaar is, willigt de rechter-commissaris het verzoek in. De deskundige brengt aan de rechter-commissaris een met redenen omkleed verslag uit. Artikel 79, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In geval van toepassing van het eerste lid wordt de verdachte een bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te bepalen gedeelte van de kosten van het onderzoek in rekening gebracht, indien dit onderzoek het in opdracht van de rechter-commissaris verrichte onderzoek bevestigt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien onvoldoende materiaal voor tegenonderzoek als bedoeld in het eerste lid beschikbaar is, stelt de rechter-commissaris de verdachte, indien slechts één verdachte bekend is, in de gelegenheid een deskundige als bedoeld in artikel 267 aan te wijzen. De deskundige dient verbonden te zijn aan een van de bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan te wijzen laboratoria. Het eerste lid is niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">79c</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ten aanzien van het onderzoek door deskundigen als bedoeld in de artikelen 79 en 79b, zijn de bepalingen van de zesde afdeling van de derde Titel van het Vierde Boek van overeenkomstige toepassing, behoudens voor zover daarvan in artikel 79 en 79b wordt afgeweken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij toepassing van artikel 267 is artikel 79b niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">79d</nr></kop><al>Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen2, worden regels gesteld omtrent de wijze van uitvoering van de artikelen 79, 79a, en 79b, in het bijzonder met betrekking tot de wijze waarop celmateriaal van een persoon wordt afgenomen, de methode en de plaats van onderzoek, de aanwijzing van de deskundigen, het door de deskundigen uit te brengen verslag, de wijze waarop het recht op tegenonderzoek kan worden uitgeoefend en het bewaren van celmateriaal.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">V</nr><titel status="officieel">Ophouding voor verhoor</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">80</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Als de aangehouden verdachte naar een plaats van verhoor is geleid, mag hij met het oog op het verhoor niet langer dan zes uren worden opgehouden, met dien verstande dat de tijd tussen 10 uur 's avonds en 8 uur 's morgens niet wordt meegerekend. De hulpofficier van justitie kan bepalen, dat het verhoor, indien het belang van de zaak dat bepaaldelijk vordert, aaneensluitend na 10 uur wordt voortgezet. De duur van het verhoor na 10 uur wordt op de zes uren in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De termijn vangt aan op het tijdstip dat de verdachte op de plaats van verhoor is aangekomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Is de verdachte niet in staat het verhoor te ondergaan, dan vangt de termijn aan op het tijdstip dat hij daartoe wel in staat is.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">81</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte wordt aan geen andere beperkingen onderworpen dan die welke voor het doel van de ophouding voor het verhoor of in het belang van de orde volstrekt noodzakelijk zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tijdens de ophouding voor het verhoor kunnen onder meer de in artikel 90, tweede lid, onderdelen a en c, bedoelde maatregelen in het belang van het onderzoek worden bevolen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de maatregelen die in het belang van het onderzoek kunnen worden bevolen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VI</nr><titel status="officieel">Mededeling van rechten bij ophouding voor verhoor</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">82</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Iedere verdachte, die naar een plaats van verhoor is geleid, wordt terstond daarna, in ieder geval voordat het verhoor een aanvang neemt, op de hoogte gebracht van:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en de reden van de vrijheidsontneming,</al></li><li nr="b."><al>het recht om zich te onthouden van antwoorden, en</al></li><li nr="c."><al>het recht zich door een raadsman te doen bijstaan en, bij toepasselijkheid van de artikelen 62 of 63, het recht om toevoeging van een raadsman te verzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Behalve de mondelinge mededeling van de rechten, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de verdachte een formulier uitgereikt, waarop die rechten zijn vermeld. Het model van het formulier wordt vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen. Het formulier is steeds beschikbaar in tenminste de navolgende talen: Nederlands, Papiamentu, Engels en Spaans.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Na de mededeling van zijn rechten tekent de verdachte het formulier voor gezien. Weigert hij te tekenen, dan wordt daarvan in het proces-verbaal melding gemaakt. Een afschrift van het formulier wordt bij de processtukken gevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De mededeling geschiedt in een taal die de verdachte verstaat. Bij gegronde twijfel of een verdachte de mededeling goed heeft begrepen, neemt het verhoor geen aanvang, voordat de bijstand van een tolk is ingeroepen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VII</nr><titel status="officieel">Inverzekeringstelling</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">83</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie of de hulpofficier, voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden of verhoord, kan na het verhoor, in het belang van het onderzoek bevelen dat hij tijdens het onderzoek ter beschikking van de justitie zal blijven en daarvoor op een in het bevel aan te duiden plaats in verzekering zal worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte wordt, door de officier van justitie of de hulpofficier voorafgaand aan het bevel, gehoord. Hem wordt tevens meegedeeld, dat hem vanaf het tijdstip waarop het bevel tot inverzekeringstelling wordt verleend en gedurende die periode, kosteloos een raadsman zal worden toegevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Van het horen wordt in het proces-verbaal van verhoor melding gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De hulpofficier geeft van zijn bevel ten spoedigste, maar in ieder geval binnen vierentwintig uren schriftelijk of mondeling kennis aan de officier van justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Zodra het belang van het onderzoek dit toelaat, gelast de officier van justitie de invrijheidstelling van de verdachte. Binnen de eerste vierentwintig uren is daartoe ook bevoegd de hulpofficier, die het bevel heeft gegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Gelast de hulpofficier de invrijheidstelling niet, dan doet hij de verdachte voor de officier van justitie geleiden, voor zover deze niet anders beslist.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">84</nr></kop><al>De officier van justitie doet de aangehouden verdachte, wiens bewaring hij noodzakelijk oordeelt, onverwijld geleiden voor de rechter-commissaris.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">85</nr></kop><al>Wordt de verdachte noch overeenkomstig artikel 83 in verzekering gesteld, noch overeenkomstig artikel 84 voor de rechter-commissaris geleid, dan wordt hij, na te zijn verhoord, dadelijk in vrijheid gesteld.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">86</nr></kop><al>Het bevel tot inverzekeringstelling wordt slechts verleend in geval van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting in eerste aanleg is aangevangen, kan zodanig bevel voor hetzelfde feit niet meer worden verleend.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">87</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevel tot inverzekeringstelling is gedurende ten hoogste twee dagen van kracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij dringende noodzakelijkheid in het belang van het onderzoek kan de inverzekeringstelling door de officier van justitie eenmaal worden verlengd en wel met ten hoogste acht dagen. De verdachte wordt door de officier van justitie gehoord voordat hij overeenkomstig artikel 89 voor de rechter-commissaris wordt geleid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De termijnen gaan in op het ogenblik van de tenuitvoerlegging. Zij lopen niet gedurende de tijd dat de verdachte zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel heeft onttrokken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Artikel 83,vijfde en zesde lid, en artikel 86 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">88</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevel tot inverzekeringstelling of tot verlenging daarvan is gedagtekend en ondertekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevat een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van het strafbare feit, en vermeldt zoveel mogelijk de datum en de plaats van het feit, de grond van de uitvaardiging en de bepaalde omstandigheden die tot het aannemen van die grond hebben geleid. Het vermeldt tevens het tijdstip waarop en de duur waarvoor het is verleend, alsmede de plaats waar de inverzekeringstelling wordt ondergaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte wordt in het bevel met naam, voornamen en andere bekende persoonsgegevens aangeduid of, wanneer deze onbekend zijn, zo duidelijk mogelijk aangewezen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Een afschrift van het bevel wordt hem onverwijld uitgereikt. Aan het bureau van de reclassering wordt eveneens een afschrift verstrekt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">89</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vierentwintig uren nadat de tenuitvoerlegging van het bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling een aanvang heeft genomen, voor de rechter-commissaris geleid. De raadsman is bevoegd daarbij aanwezig te zijn. Hij wordt in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de rechter-commissaris voortzetting van de inverzekeringstelling onrechtmatig oordeelt, gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte. Blijft zodanig bevel achterwege, dan behoudt het door de officier van justitie of de hulpofficier verleende bevel zijn volledige rechtskracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de voorgeleiding overeenkomstig het eerste lid niet heeft plaatsgevonden, wordt de verdachte terstond in vrijheid gesteld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">90</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De in verzekering gestelde personen worden aan geen andere beperkingen onderworpen dan die welke voor het doel van hun opsluiting of in het belang van de orde volstrekt noodzakelijk zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tijdens de inverzekeringstelling kunnen door de officier van justitie en, in geval van het gerechtelijk vooronderzoek, de rechter-commissaris in het bijzonder als maatregel in het belang van het onderzoek jegens de verdachte worden bevolen:</al><lijst><li nr="a."><al>het maken van afbeeldingen, al dan niet in bepaalde standen;</al></li><li nr="b."><al>het tijdelijk doen aantrekken van bepaalde kleding, daaronder begrepen het opzetten van een bril of het dragen van een pruik;</al></li><li nr="c."><al>het vastleggen van uiterlijke lichamelijke kenmerken;</al></li><li nr="d."><al>een onderzoek van schrijf- en stemkenmerken;</al></li><li nr="e."><al>sorteer- en geurproeven;</al></li><li nr="f."><al>een tegenoverstelling met derden;</al></li><li nr="g."><al>de beperking of ontzegging van de uitreiking van kranten en lectuur;</al></li><li nr="h."><al>algemeen of individueel bepaalde bezoek-, contact- en correspondentieverboden;</al></li><li nr="i."><al>een verbod op het voeren van telefoongesprekken;</al></li><li nr="j."><al>afzondering;</al></li><li nr="k."><al>het overbrengen naar bepaalde plaatsen;</al></li><li nr="l."><al>het afscheren, knippen of laten groeien van baard- en hoofdhaar;</al></li><li nr="m."><al>de in artikel 78 bedoelde onderzoeken en de aldaar bedoelde verwijdering van voorwerpen en stoffen;</al></li><li nr="n."><al>een onderzoek van het op grond van artikel 78 verkregen materiaal.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De in het tweede lid, onderdelen a tot en met c, alsmede f tot en met j, bedoelde maatregelen kunnen tevens worden bevolen door de hulpofficier van justitie die de inverzekeringstelling heeft gelast, indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De toepassing van de in het tweede lid bedoelde maatregelen wordt schriftelijk vastgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Voor maatregelen als bedoeld in het tweede lid, onderdelen l, m, voor zover het de verwijdering van voorwerpen en stoffen uit het lichaam betreft, en n, voor zover het lichaamsmateriaal betreft, dient door de rechter-commissaris een machtiging te worden verleend. Artikel 78, vierde lid, laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De uitvoering van de in het tweede lid bedoelde maatregelen geschiedt onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>Tegen de oplegging van in het tweede lid bedoelde maatregelen kan de verdachte binnen zeven dagen een bezwaarschrift indienen bij het Hof.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">8.</lidnr><al>Een maatregel wordt, in afwachting van de rechterlijke beslissing op het bezwaarschrift, niet ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter-commissaris of de officier van justitie de onverwijlde tenuitvoerlegging in het belang van het onderzoek volstrekt noodzakelijk acht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">9.</lidnr><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">90a</nr></kop><al>39 Met betrekking tot de behandeling van in verzekering gestelde personen en tot de eisen waaraan de voor inverzekeringstelling bestemde plaatsen moeten voldoen, worden bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nadere regels gesteld, voor zover daarin bij een bijzondere landsverordening, houdende regels voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsontneming, niet is voorzien.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">91</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tijdens de periode van inverzekeringstelling kan de verdachte, onverminderd het bepaalde in artikel 89, de rechter-commissaris schriftelijk om zijn invrijheidstelling verzoeken. De rechter-commissaris hoort de verdachte en de officier van justitie, indien hij daartoe gronden aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op het verzoek wordt zo spoedig mogelijk beslist. Indien de rechter-commissaris de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt, gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VIII</nr><titel status="officieel">Voorlopige hechtenis</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Bewaring</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">92</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier van justitie, een bevel tot bewaring van de verdachte verlenen. De griffier geeft van de vordering onverwijld mondeling of schriftelijk kennis aan de raadsman en doet hem alsmede de officier van justitie en de hulpofficier tevens mededeling omtrent de plaats waar en, zo mogelijk, het tijdstip waarop de verdachte door de rechter-commissaris zal worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de rechter-commissaris reeds aanstonds van oordeel is, dat voor het verlenen van zodanig bevel geen grond bestaat, wijst hij de vordering af.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In het andere geval hoort hij, alvorens te beslissen, de verdachte omtrent de vordering van de officier van justitie en kan hij te dien einde, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, diens dagvaarding gelasten. Indien het voorafgaand horen van de verdachte niet kan worden afgewacht, wordt deze bij de eerste gelegenheid na het bevel gehoord.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">93</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevel tot bewaring is van kracht gedurende een door de rechter-commissaris te bepalen termijn van ten hoogste acht dagen, die ingaat op het ogenblik van de tenuitvoerlegging.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op de vordering van de officier van justitie kan de rechter-commissaris de geldigheidsduur van het bevel eenmaal voor een termijn van ten hoogste acht dagen verlengen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter-commissaris hoort de verdachte, indien hij daartoe gronden aanwezig acht.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">94</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">40 1.</lidnr><al>Ten aanzien van de bewaring zijn artikel 90, met uitzondering van het derde en zesde lid, alsmede artikel 90a van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De uitvoering van de maatregelen die krachtens het eerste lid kunnen worden bevolen, vindt in het huis van bewaring plaats onder de verantwoordelijkheid van het hoofd van het huis van bewaring.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Gevangenhouding en gevangenneming</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">95</nr></kop><al>De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier van justitie, de gevangenhouding bevelen van de verdachte die zich in bewaring bevindt, doch niet dan na hem in de gelegenheid te hebben gesteld om te worden gehoord.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">96</nr></kop><al>De rechter-commissaris kan, indien dit nodig is om de uitlevering van de verdachte te verkrijgen, op de vordering van de officier van justitie de gevangenneming van de verdachte bevelen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">97</nr></kop><al>Na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting, kan de rechter in eerste aanleg ambtshalve of op de vordering van de officier van justitie, de gevangenneming van de verdachte bevelen. Zo nodig hoort de rechter deze vooraf; hij is bevoegd te dien einde zijn dagvaarding te gelasten.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">98</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is van kracht gedurende een door de rechter te bepalen termijn van ten hoogste zestig dagen, die ingaat op het ogenblik van de tenuitvoerlegging.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien het bevel is gegeven op de terechtzitting, dan wel, binnen de krachtens het eerste lid bepaalde termijn, het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen, blijft het bevel voor onbepaalde tijd geldig en blijft van kracht totdat het is opgeheven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De termijn gedurende welke het bevel van kracht is, kan door de rechter-commissaris op de vordering van de officier van justitie, voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting eenmaal met ten hoogste dertig dagen worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Indien een gerechtelijk vooronderzoek is gevorderd en dit op grond van bijzondere, op de zaak zelf betrekking hebbende omstandigheden niet binnen negentig dagen nadat het bevel tot gevangenhouding van kracht is geworden, is voltooid, kan op de vordering van de officier van justitie de rechter-commissaris in de gevallen en op de gronden, vermeld in de artikelen 100 en 101, de termijn nog eenmaal met ten hoogste dertig dagen verlengen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld op elke vordering op grond van dit artikel te worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Op bevelen tot verlenging, overeenkomstig het derde en vierde lid, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">99</nr></kop><al>Ten aanzien van de gevangenhouding en de gevangenneming is artikel 94 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Gevallen waarin voorlopige hechtenis is toegestaan</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">100</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven in geval van verdenking van:</al><lijst><li nr="a."><al>een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, of</al></li><li nr="b."><al>een van de misdrijven omschreven in de artikelen 204, eerste en tweede lid, 236, 245, derde lid, 259, 266, 298, eerste lid, 321a, 334, 339, 339a, 366, eerste lid, 368, 404, 405, 410 en 431 van het Wetboek van Strafrecht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevel kan voorts worden gegeven, indien de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in de Nederlandse Antillen heeft, en hij verdacht wordt van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Gronden voor voorlopige hechtenis</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">101</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een bevel, als bedoeld in artikel 100, kan slechts worden gegeven, indien uit feiten of omstandigheden blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte ter zake van de in dat artikel vermelde misdrijven, en voorts:</al><lijst><li nr="a."><al>indien uit bepaalde gedragingen van de verdachte of uit bepaalde, hem persoonlijk betreffende omstandigheden blijkt van ernstig gevaar voor vlucht, of</al></li><li nr="b."><al>indien uit bepaalde omstandigheden blijkt van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, die de onverwijlde vrijheidsontneming vordert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid kan voor de toepassing van het eerste lid slechts in aanmerking worden genomen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien wegens het vermoedelijk begane feit levenslange gevangenisstraf, dan wel tijdelijke van zes jaren of meer kan worden opgelegd of de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt, of</al></li><li nr="b."><al>indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden, dat de verdachte een misdrijf zal begaan, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld, of waardoor de veiligheid van de staat of de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht, dan wel algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan, of</al></li><li nr="c."><al>indien de voorlopige hechtenis in redelijkheid noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Een bevel tot voorlopige hechtenis blijft achterwege, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsontneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat hem bij tenuitvoerlegging van het bevel langere tijd rechtens zijn vrijheid zou worden ontnomen dan de duur van de straf of maatregel.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIJFDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Tenuitvoerlegging en opheffing van bevelen tot voorlopige hechtenis</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">102</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De termijn gedurende welke een bevel tot voorlopige hechtenis van kracht is, loopt niet gedurende de tijd dat de verdachte zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel heeft onttrokken of hem uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Ondergaat evenwel de verdachte op het tijdstip dat het bevel tot voorlopige hechtenis wordt gegeven een vrijheidsstraf, dan wordt de tenuitvoerlegging van de straf van rechtswege geschorst zolang het bevel van kracht is. De in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd wordt in dat geval zoveel mogelijk in mindering gebracht op die straf.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien binnen de in de eerste volzin van het eerste lid bedoelde termijn een vordering krachtens artikel 281, dan wel een bezwaarschrift tegen de dagvaarding is ingediend, blijft het bevel, onverminderd het bepaalde in artikel 98, tweede lid, van kracht totdat dertig dagen zijn verstreken sedert de dag waarop onherroepelijk op de vordering of het bezwaarschrift is beschikt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">103</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevel tot voorlopige hechtenis kan te allen tijde door de rechter-commissaris, dan wel nadat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, door de rechter in eerste aanleg worden opgeheven. De rechter in eerste aanleg kan dit doen ambtshalve, op het verzoek van de verdachte of op de vordering van de officier van justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte die voor de eerste maal opheffing verzoekt, wordt, tenzij de rechter reeds aanstonds tot inwilliging besluit, in de gelegenheid gesteld op het verzoek te worden gehoord.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">ZESDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Hoger beroep inzake bevelen tot voorlopige hechtenis</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">104</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Uiterlijk drie dagen na de tenuitvoerlegging kan de verdachte van de beschikking, houdende bevel tot gevangenneming of gevangenhouding, bij het Hof van Justitie in hoger beroep komen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Binnen dezelfde termijn kan de verdachte in beroep komen van een bevel tot verlenging van de gevangenhouding, doch slechts wanneer door hem geen hoger beroep werd ingesteld tegen het bevel tot gevangenhouding en ook niet tegen een eerder bevel tot verlenging.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Alvorens het Hof beslist wordt de verdachte in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">ZEVENDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Voorlopige hechtenis bij einduitspraken</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">105</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij alle einduitspraken wordt, behoudens het bepaalde in artikel 34, tweede lid, het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven, indien, ter zake van het feit waarvoor dat bevel is verleend, aan de verdachte noch een vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, noch een maatregel die vrijheidsontneming meebrengt of kan meebrengen, onvoorwaardelijk is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf die van de reeds ondergane voorlopige hechtenis met minder dan vijf maanden overtreft en geen maatregel die vrijheidsontneming meebrengt of kan meebrengen onvoorwaardelijk is opgelegd, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 103, bij de einduitspraak het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste en tweede lid van dit artikel wordt onder de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd begrepen de tijd gedurende welke de verdachte in verzekering was gesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Indien de einduitspraak tot invrijheidstelling van de verdachte zou moeten leiden, kan de rechter, in afwijking van het eerste lid en alle belangen in aanmerking genomen, bepalen, dat de voorlopige hechtenis gedurende een termijn van ten hoogste drie weken van kracht blijft, onverminderd het bepaalde in het vijfde en zesde lid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien de einduitspraak nietigverklaring van de dagvaarding inhoudt, de officier van justitie een nieuwe dagvaarding uitbrengt en de behandeling ter terechtzitting binnen de termijn van drie weken geen aanvang heeft genomen, wordt de verdachte bij het verstrijken van die termijn terstond in vrijheid gesteld.Vindt de behandeling ter terechtzitting wel binnen deze termijn plaats, dan duurt de voorlopige hechtenis voort, overeenkomstig artikel 98, tweede lid, ook ingeval de verdachte tegen die nieuwe dagvaarding een bezwaarschrift heeft ingediend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Indien de einduitspraak vrijspraak van het tenlastegelegde of ontslag van rechtsvervolging inhoudt en tegen die beslissing hoger beroep is aangetekend, dient de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep binnen drie weken na de einduitspraak te zijn aangevangen. Indien die termijn is verstreken, voordat de behandeling in hoger beroep een aanvang heeft genomen, of indien, voordat die termijn is verstreken, het openbaar ministerie van het hoger beroep heeft afgezien, wordt de verdachte terstond in vrijheid gesteld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">106</nr></kop><al>Behoudens het bepaalde in artikel 105, tweede lid, zijn bevelen tot voorlopige hechtenis en die tot opheffing daarvan dadelijk uitvoerbaar.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">107</nr></kop><al>Indien het Hof van Justitie tot het geven van enige beslissing is geroepen voordat beroep van de einduitspraak is aangetekend, wordt daarbij de opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis gelast, indien dit uit de beslissing voortvloeit.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">108</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Na de aantekening van beroep van de einduitspraak worden de in de artikelen 96 tot en met 103 bedoelde bevelen met overeenkomstige toepassing van die artikelen gegeven door het Hof van Justitie, behoudens de volgende afwijkingen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Onverminderd het in artikel 97 bepaalde, kan het Hof ook bij de einduitspraak, niettegenstaande een eerder beëindigde voorlopige hechtenis en onverminderd het in de artikelen 100 en 101, eerste en tweede lid, onderdelen a en b, bepaalde, de gevangenneming van de verdachte bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is, na de einduitspraak in eerste aanleg, voor een termijn van ten hoogste vijf maanden van kracht. Echter toetst het Hof binnen een termijn van dertig dagen, nadat hoger beroep is aangetekend, of de gevallen en de gronden, bedoeld in de artikelen 100 en 101, nog aanwezig zijn. Het Hof hoort de verdachte, indien het daartoe gronden aanwezig acht. De termijn van vijf maanden kan, indien er gegronde redenen zijn, waarom het onderzoek op de terechtzitting niet binnen deze termijn een aanvang kan nemen, door het Hof eenmaal met ten hoogste dertig dagen worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding, dat voor het verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn door het onderzoek op de terechtzitting is gevolgd, is, evenals een tijdens of na dat onderzoek verleend bevel, geldig voor onbepaalde tijd, behoudens invrijheidstelling ingevolge de artikelen 103, 105, 107 en 108, vijfde lid, totdat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, ook ingeval tegen de einduitspraak beroep in cassatie is aangetekend of de Hoge Raad de zaak overeenkomstig artikel 14 van de Cassatieregeling van de Nederlandse Antillen en Aruba naar het Hof heeft verwezen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Buiten de gevallen voorzien in artikel 105 heft het Hof van Justitie het bevel op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf, tenzij een maatregel die vrijheidsontneming meebrengt of kan meebrengen onvoorwaardelijk is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd begrepen de tijd gedurende welke de verdachte in verzekering was gesteld.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">ACHTSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Het horen van de in voorlopige hechtenis gestelde verdachte</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">109</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tenzij de verdachte ter gelegenheid van zijn verhoor mondeling is meegedeeld dat een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem zal worden uitgevaardigd, wordt hij binnen vierentwintig uren na zijn opneming in de plaats waarin de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan, gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het horen geschiedt gedurende het voorbereidend onderzoek door de rechter-commissaris; na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg door de rechter in eerste aanleg; na de aantekening van beroep van de einduitspraak door het Hof van Justitie dan wel een lid van dat college.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Van het horen wordt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 213 tot en met 218 steeds proces-verbaal opgemaakt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">NEGENDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Inhoud van de bevelen en hun betekening</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">110</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging van de geldigheidsduur daarvan is gedagtekend en ondertekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het omschrijft het strafbare feit op zodanige wijze, dat de verdachte daaruit redelijkerwijze kan begrijpen, welke verdenking ten aanzien van hem is gerezen, alsmede de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de in artikel 101 gestelde voorwaarden zijn vervuld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte wordt in het bevel met naam, voornamen en andere bekende persoonsgegevens aangeduid of, wanneer deze onbekend zijn, zo duidelijk mogelijk aangewezen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het bevel vermeldt voorts het tijdstip waarop en de duur waarvoor het is verleend, alsmede de plaats waarin de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Het wordt voor of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte betekend.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TIENDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Schorsing en opschorting van de voorlopige hechtenis</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">111</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter kan hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bevelen, dat de voorlopige hechtenis zal worden geschorst, zodra de verdachte al of niet onder zekerheidstelling zich, in de vorm door de rechter te bepalen, bereid heeft verklaard tot nakoming van de aan de schorsing te verbinden voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Onder de voorwaarden van de schorsing wordt steeds opgenomen:</al><lijst><li nr="a."><al>dat de verdachte, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken, en</al></li><li nr="b."><al>dat de verdachte, ingeval hij wegens het feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De zekerheidstelling voor de nakoming van de voorwaarden bestaat in de storting van geldswaarden door de verdachte of een derde.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De rechter bepaalt in zijn beslissing het bedrag waarvoor, en de wijze waarop zekerheid zal zijn te stellen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De verdachte wordt op het eerste verzoek of de eerste vordering gehoord.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">112</nr></kop><al>De rechter kan ambtshalve, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte in de beslissing tot schorsing wijziging brengen. De verdachte wordt gehoord.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">113</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter kan ambtshalve of op de vordering van het openbaar ministerie te allen tijde de opheffing van de schorsing bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Alvorens daartoe over te gaan, hoort de rechter zo mogelijk de verdachte en kan hij te dien einde, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, diens dagvaarding gelasten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">114</nr></kop><al>De bevoegdheid tot schorsing, tot opheffing van de schorsing of tot wijziging van de aan de schorsing verbonden voorwaarden komt toe aan de rechter, die de voorlopige hechtenis heeft bevolen. Indien de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, is de rechter die over de zaak oordeelt of het laatst heeft geoordeeld, daartoe bevoegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>114a</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de opheffing geschiedt wegens het niet nakomen van voorwaarden, kan bij de beslissing tot opheffing de zekerheid vervallen worden verklaard aan het Land.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beslissing geldt als een onherroepelijke uitspraak van de burgerlijke rechter en wordt als zodanig ten uitvoer gelegd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de verdachte zich na de opheffing van de schorsing aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekt, wordt, indien dit nog niet is gebeurd, de zekerheid vervallen verklaard aan het Land. De zekerheid wordt eveneens, ook zonder dat de opheffing van de schorsing is bevolen, vervallen verklaard aan het Land, indien de verdachte de voorwaarde bedoeld in artikel 111, tweede lid onder b, niet nakomt. De beslissing wordt ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie gegeven. Het tweede lid is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">115</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de verdachte de voorwaarden niet naleeft, of indien uit bepaalde omstandigheden blijkt van het bestaan van gevaar voor vlucht, kan zijn aanhouding worden bevolen door de officier van justitie of een hulpofficier van justitie. Deze laatste geeft van zijn bevel en van de aanhouding krachtens dat bevel onverwijld kennis aan de officier van justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de officier van justitie de gedane aanhouding noodzakelijk blijft achten, dient hij onverwijld zijn vordering bij de rechter in, die binnen tweemaal vierentwintig uren daarna beslist.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">116</nr></kop><al>De beslissingen tot schorsing, tot opheffing daarvan en die tot wijziging van de beslissing zijn dadelijk uitvoerbaar.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">117</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tegen de beschikkingen van de rechter-commissaris of van de rechter in eerste aanleg tot schorsing of tot wijziging van een beslissing tot schorsing, staat voor de officier van justitie uiterlijk drie dagen daarna beroep bij het Hof van Justitie open.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte, die schorsing of opheffing van de voorlopige hechtenis dan wel wijziging van een beslissing tot schorsing heeft verzocht, kan van een afwijzende beslissing op dat verzoek uiterlijk drie dagen na de betekening bij het Hof van Justitie in hoger beroep komen. De verdachte kan, ongeacht de aard van de beslissing, slechts eenmaal in beroep komen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Tegen de door het Hof bevolen schorsing of wijziging van een beslissing tot schorsing is geen voorziening toegelaten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">118</nr></kop><al>Waar in deze paragraaf wordt gesproken van schorsing, wordt daaronder begrepen opschorting.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IX</nr><titel status="officieel">Inbeslagneming</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Algemene bepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">119</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Vatbaar voor inbeslagneming zijn alle voorwerpen en vorderingen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, aan te tonen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voorts zijn vatbaar voor inbeslagneming alle voorwerpen en vorderingen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">119a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van verdenking van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier of meer jaren is gesteld, of een misdrijf, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier of meer jaren is gesteld, of een misdrijf, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, kunnen voorwerpen in beslag worden genomen tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan het Land ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 38e Wetboek van strafrecht van de Nederlandse Antillen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, kunnen in beslag worden genomen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>die voorwerpen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig zijn van het misdrijf in verband waarmee de geldboete kan worden opgelegd onderscheidenlijk het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, en</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al> voldoende aanwijzingen bestaan dat die voorwerpen aan die ander zijn gaan toebehoren met het doel de uitwinning van die voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en</al></li><li nr="c."><al>de ander ten tijde van dat gaan toebehoren wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat die voorwerpen van enig misdrijf afkomstig waren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In het geval, bedoeld in het derde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het derde lid bedoelde voorwerpen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">119b</nr></kop><al>Voor de toepassing van de artikelen 119 en 119a geldt:</al><lijst><li nr="a."><al>dat beslag op vorderingen wordt gelegd en beëindigd door een schriftelijke kennisgeving aan de schuldenaar;</al></li><li nr="b."><al>dat bij het leggen en beëindigen van beslag op onroerende goederen de tussenkomst van de deurwaarder wordt ingeroepen en formaliteiten in acht worden genomen welke ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de Nederlandse Antillen gelden ten aanzien van de mededeling of aanzegging van de inbeslagneming, dan wel de betekening van het proces-verbaal van inbeslagneming, de aantekening, inschrijving of doorhaling in registers en de betekening daarvan aan derden;</al></li><li nr="c."><al>dat bij het leggen of beëindigen van beslag op schepen en luchtvaartuigen formaliteiten in acht worden genomen welke ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de Nederlandse Antillen gelden ten aanzien van de betekening van het proces-verbaal van inbeslagneming, en ingevolge enige regeling inzake teboekgestelde schepen onderscheidenlijk luchtvaartuigen ten aanzien van de inschrijving en doorhaling daarvan in registers.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">119c</nr></kop><al>Op het beslag, bedoeld in artikel 119a, is de Vierde Titel van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing, behoudens dat:</al><lijst><li nr="1."><al>voor het leggen van het beslag geen verlof van de rechter in eerste aanleg vereist is, noch vrees voor verduistering behoeft te bestaan;</al></li><li nr="2."><al>een maximum bedrag waarvoor het recht tot verhaal zal worden uitgeoefend in het proces-verbaal van inbeslagneming of het beslagexploit dient te worden vermeld;</al></li><li nr="3."><al>geen overeenkomstige toepassing toekomt aan voorschriften omtrent termijnen waarbinnen na het beslag de eis in de hoofdzaak dient te zijn ingesteld;</al></li><li nr="4."><al>voor roerende zaken die geen registergoederen zijn en rechten aan toonder of order ook volstaan kan worden met het door een opsporingsambtenaar opmaken van een proces-verbaal van inbeslagneming en het afgeven van een bewijs van ontvangst aan degene bij wie de voorwerpen in beslag zijn genomen;</al></li><li nr="5."><al>het niet in acht nemen van termijnen waarbinnen betekening van het beslag moet plaatsvinden, buiten de gevallen van artikel 119b, onderdeel b, geen nietigheid van het beslag meebrengt;</al></li><li nr="6."><al>geen overeenkomstige toepassing toekomt aan artikel 721 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De officier van justitie geeft, indien de hoofdzaak na het beslag ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt, daarvan zo spoedig mogelijk aan de derde schriftelijk kennis;</al></li><li nr="7."><al>geen overeenkomstige toepassing toekomt aan artikel 722 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;</al></li><li nr="8."><al>op in beslag genomen roerende zaken die in bewaring worden genomen de artikelen 141 tot en met 143 van toepassing zijn;</al></li><li nr="9."><al>de beëindiging van het beslag met inachtneming van de bepalingen van dit wetboek geschiedt.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">119d</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tot bewaring van het recht tot verhaal kan de officier van justitie namens het Land de bevoegdheid uitoefenen, welke in artikel 1358 van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen is toegekend aan een schuldeiser die in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld als gevolg van een onverplicht door de schuldenaar verrichte rechtshandeling. De artikelen 39 en 41 van het Faillissementsbesluit 1931 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voor de toepassing van de artikelen 39 en 41 van het Faillissementsbesluit 1931 geldt het in die artikelen bedoelde vermoeden van wetenschap voor rechtshandelingen welke door de verdachte of veroordeelde zijn verricht binnen één jaar vóór het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De officier van justitie heeft voorts tot bewaring van het recht tot verhaal de bevoegdheid namens het Land als schuldeiser in het faillissement van de verdachte of de veroordeelde op te komen. Zolang het bedrag van de boete of van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel nog niet vaststaat wordt hij geacht voor een voorwaardelijke vordering op te komen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De officier van justitie behoudt de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en het tweede lid, ondanks faillissement, voor zover de voorwerpen waarop de onverplichte rechtshandelingen betrekking hebben, niet door de curator op grond van de artikelen 38 tot en met 47 van het Faillissementsbesluit 1931 worden opgevorderd.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Inbeslagneming door opsporingsambtenaren of bijzondere personen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">120</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Hij die de verdachte aanhoudt of staande houdt, kan voor inbeslagneming vatbare voorwerpen, door deze met zich gevoerd, in beslag nemen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Met betrekking tot het onderzoek aan het lichaam of de kleding van de aangehouden verdachte gelden de bepalingen van artikel 78.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">121</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Opsporingsambtenaren kunnen te allen tijde voor inbeslagneming vatbare voorwerpen in beslag nemen en daartoe, in geval van ontdekking op heterdaad, zonodig elke plaats betreden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In geval van ontdekking op heterdaad zijn zij ter inbeslagneming tevens bevoegd in voer-, vaar- en luchtvaartuigen gericht en stelselmatig onderzoek te doen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">122</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van ontdekking op heterdaad of van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan de officier van justitie bij dringende noodzakelijkheid en indien het optreden van de rechter-commissaris niet kan worden afgewacht:</al><lijst><li nr="a."><al>ter inbeslagneming huiszoeking doen en de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag nemen;</al></li><li nr="b."><al>ter gelegenheid van een schouw elders, voor inbeslagneming vatbare voorwerpen, voor zover deze voor de hand worden aangetroffen, in beslag nemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Kan het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan komt de bevoegdheid toe aan een hulpofficier van justitie, onder verplichting om van de ondernomen handeling onverwijld kennis te geven aan de officier van justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In geval van toepassing van het eerste en tweede lid is de officier van justitie of de hulpofficier van justitie bevoegd elke plaats te betreden. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">123</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van een strafbaar feit als omschreven in de artikelen 97 tot en met 102, 103a tot en met 104c, 245, 246, 256, 258, 259, 260, 265 of 447 van het Wetboek van Strafrecht, zijn de opsporingsambtenaren te allen tijde bevoegd ter inbeslagneming de uitlevering te vorderen van alle voor inbeslagneming vatbare voorwerpen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zij hebben te allen tijde vrije toegang tot alle plaatsen, waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat een zodanig strafbaar feit wordt begaan. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">124</nr></kop><al>De opsporingsambtenaren hebben te allen tijde vrije toegang tot alle lokaliteiten en alle plaatsen, waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed, dat zij door een goud- of zilversmid, kashouder, horlogemaker, rijwiel- of autohandelaar, uitdrager, opkoper of tagrijn worden gebruikt. Artikel 95bis van het Wetboek van Strafrecht, zomede de artikelen 155 tot en met 164 van dit wetboek zijn van toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">125</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij personen met bevoegdheid tot verschoning, als bedoeld bij artikel 252, worden, tenzij met hun toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, waartoe hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Geschiedt bij zodanige personen huiszoeking, dan vindt zij, tenzij met hun toestemming, alleen plaats, voor zover zij zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden, en strekt zij zich niet uit tot brieven of andere geschriften die niet het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">126</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tenzij het belang van het onderzoek dit dringend vordert, wordt tot inbeslagneming in een woning niet overgegaan dan nadat de bewoner of, indien hij afwezig is, een van zijn aanwezige huisgenoten is gehoord en vruchteloos uitgenodigd de voorwerpen vrijwillig af te geven ter inbeslagneming.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voor zover het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet, stelt de opsporende ambtenaar de bewoner of, indien deze afwezig is, een van zijn aanwezige huisgenoten in de gelegenheid, zich omtrent de ter plaatse aangetroffen en voor inbeslagneming vatbare voorwerpen te verklaren. Hetzelfde geldt ten aanzien van de verdachte, indien deze tegenwoordig is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte is bevoegd zich tijdens een huiszoeking door zijn raadsman te doen bijstaan, zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">127</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van ontdekking op heterdaad of van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan de officier van justitie, in afwachting van het optreden van de rechter-commissaris, bij dringende noodzakelijkheid ter inbeslagneming de uitlevering tegen ontvangstbewijs bevelen van de pakketten, brieven, stukken en andere berichten, die aan de post, de telegrafie of aan een andere instelling van vervoer zijn toevertrouwd; een en ander voor zover zij klaarblijkelijk voor de verdachte bestemd of van hem afkomstig zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ieder die ten behoeve van dat vervoer zodanige zaken onder zich heeft of krijgt, geeft dienaangaande aan de officier van justitie of aan de hulpofficier op diens vordering de door deze gewenste inlichtingen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">128</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie geeft inbeslaggenomen pakketten, brieven, stukken en andere berichten, die aan de post, de telegrafie of aan een andere instelling van vervoer waren toevertrouwd en waarvan de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd, onverwijld aan de vervoerder ter verzending terug.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tot kennisneming van de inhoud van de overige zaken, voor zover deze gesloten zijn, gaat de officier van justitie niet over dan na daartoe door de rechter-commissaris te zijn gemachtigd.Wordt de machtiging niet verleend, dan geeft de officier van justitie de inbeslaggehouden zaken onverwijld aan de vervoerder ter verzending terug.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">129</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Blijken de zaken na opening van belang voor het onderzoek, dan voegt de officier van justitie deze bij de processtukken of de stukken van overtuiging. In het tegenovergestelde geval worden zij, na door de officier van justitie te zijn gesloten, door deze onverwijld naar hun bestemming verzonden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voor zover het belang van het onderzoek dit niet verbiedt, worden zij vooraf door de hulpofficier van justitie gewaarmerkt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De inhoud van de door de officier van justitie geopende zaken, voor zover deze niet bij de processtukken of de stukken van overtuiging zijn gevoegd, wordt door hem geheim gehouden. Gelijke geheimhouding wordt door hem en door de hulpofficier van justitie in acht genomen ter zake van de inlichtingen, in artikel 127, tweede lid, vermeld, voor zover daarvan niet uit de processtukken blijkt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Van de inbeslagneming, de teruggave, de opening en de verzending wordt door de officier van justitie proces-verbaal opgemaakt, dat bij de processtukken wordt gevoegd.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">A De inbeslagneming op grond van artikel 119a</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">129a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Beslag op grond van artikel 119a kan slechts worden gelegd of gehandhaafd krachtens schriftelijke machtiging op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De machtiging wordt door de officier van justitie zo spoedig mogelijk aan de verdachte of de veroordeelde, en zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze betekend.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Inbeslagneming door de rechter-commissaris</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">130</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris is tot inbeslagneming van alle daarvoor vatbare voorwerpen bevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 125, eerste lid, is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">131</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan bevelen dat hij, die redelijkerwijze moet worden vermoed houder te zijn van enig bepaald voor inbeslagneming vatbaar voorwerp, dit ter inbeslagneming aan hem zal uitleveren of op de griffie van het gerecht in eerste aanleg overbrengen, een en ander binnen de termijn en op de wijze bij het bevel te bepalen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevel wordt mondeling of schriftelijk gegeven. In het laatste geval wordt het betekend.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">132</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ieder tot wie het bevel wordt gericht, is verplicht daaraan te voldoen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Niettemin bestaan geldige redenen van weigering op grond van bevoegdheid tot verschoning voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de personen, bedoeld bij artikel 251;</al></li><li nr="b."><al>de personen, bedoeld bij artikel 252, voor zover de uitlevering of overbrenging met hun plicht tot geheimhouding in strijd zou zijn;</al></li><li nr="c."><al>de personen, bedoeld bij artikel 253, voor zover de uitlevering of overbrenging hen of een van hun daarin genoemde betrekkingen aan het gevaar van een strafrechtelijke vervolging zou blootstellen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">133</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevel tot uitlevering of overbrenging wordt niet gegeven aan de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ten aanzien van brieven of andere geschriften kan het bevel alleen worden gegeven, indien deze van de verdachte afkomstig zijn, voor hem zijn bestemd of hem toebehoren, of wel indien zij het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">134</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan op het verzoek van de belanghebbende bevelen dat deze door de griffier kosteloos een gewaarmerkt afschrift van de uitgeleverde of overgebrachte brieven of geschriften zal worden gegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Betreft het een authentiek stuk onder bewaring van een openbare bewaarder, dan kan het afschrift in de plaats van het oorspronkelijke stuk strekken, zolang dit niet is terug ontvangen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">135</nr></kop><al>Indien het over te brengen stuk een gedeelte uitmaakt van een register, waarvan het niet kan worden afgescheiden, kan de rechter-commissaris bevelen dat het register, voor de tijd bij het bevel te bepalen, ter inzage zal worden overgebracht of aan hem zal worden uitgeleverd ten einde afschriften van het geheel of een gedeelte daarvan te doen vervaardigen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">136</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Buiten het geval van huiszoeking, kan de officier van justitie of de rechter-commissaris op de vordering van de officier van justitie, ter inbeslagneming op elke plaats een onderzoek instellen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zij kunnen zich daarbij doen vergezellen van bepaalde door hen aangewezen personen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">137</nr></kop><al>De rechter-commissaris is na een met redenen omklede vordering van de officier van justitie bevoegd huiszoeking ter inbeslagneming te doen en daarbij de te onderzoeken plaatsen te betreden.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">138</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Huiszoeking geschiedt, zoveel mogelijk in tegenwoordigheid van de officier van justitie, door of onder leiding van de rechter-commissaris. Artikel 136, tweede lid, is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ingeval de huiszoeking moet geschieden in een ander eilandgebied doet de rechter-commissaris een daartoe strekkend verzoek aan zijn ambtgenoot in dat andere eilandgebied.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Artikel 126 is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">139</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De huiszoeking kan zich, indien dat voor het onderzoek strikt noodzakelijk is, uitstrekken tot de inbeslagneming van alle daarvoor vatbare voorwerpen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 125, eerste lid, is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">140</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De artikelen 127 tot en met 129 vinden ten aanzien van de rechter-commissaris overeenkomstige toepassing; de bemoeienissen van de officier van justitie, bij de artikelen 128 en 129 vermeld, worden bij het optreden van de rechter-commissaris door deze zo spoedig mogelijk overgenomen en voortgezet.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris is bevoegd te bepalen dat van de inhoud van inbeslaggenomen gesloten pakketten, brieven, stukken en andere berichten, die aan de post, de telegrafie of een andere instelling van vervoer waren toevertrouwd, zal worden kennis genomen, voor zover zij klaarblijkelijk voor de verdachte bestemd of van hem afkomstig zijn.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">141</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Inbeslaggenomen voorwerpen worden zoveel mogelijk gesloten en verzegeld in een omslag waarop een mededeling van de dag van de inbeslagneming en een vermelding van degene bij wie zij zijn inbeslaggenomen, met een korte opgave van de inhoud, wordt gesteld en ondertekend. Indien de voorwerpen niet geschikt zijn om in een omslag te worden gesloten, wordt daaraan een strook gehecht, waarop gelijke mededeling en vermelding met een korte aanduiding van het voorwerp wordt gesteld en ondertekend. Kan aan een of ander niet worden voldaan, dan worden de voorwerpen zoveel mogelijk gewaarmerkt. Zoveel mogelijk wordt aan degene bij wie zij zijn inbeslaggenomen, een bewijs van ontvangst afgegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De inbeslaggenomen voorwerpen waarvan de bewaring noodzakelijk wordt geacht, worden, zodra het belang van het onderzoek het toelaat, gesteld onder de hoede van een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aangewezen bewaarder.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Inbeslaggenomen voorwerpen kunnen ook aan een andere door het openbaar ministerie aangewezen bewaarder in gerechtelijke bewaring worden gegeven, indien dit voor het behoud, de bestemming of de beveiliging van deze voorwerpen redelijkerwijs noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">142</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voorwerpen worden niet vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek bestemd, tenzij na verkregen machtiging.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de voorwerpen niet geschikt zijn voor opslag, of dit hoogst ongewenst wordt geacht, kan de machtiging door het openbaar ministerie worden verleend aan de bewaarder, dan wel aan de ambtenaar die de voorwerpen in afwachting van hun vervoer naar de bewaarder onder zich heeft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de voorwerpen niet geschikt zijn voor opslag gedurende langere tijd, of dit hoogst ongewenst wordt geacht, kan het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd of anders het laatst werd vervolgd, op de vordering van het openbaar ministerie, de machtiging aan de bewaarder verlenen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Dit artikel blijft, voor zover teruggave van voorwerpen in de zin van artikel 144 mogelijk is, buiten toepassing, behoudens in het geval dat de rechthebbende afstand heeft gedaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Gelden en geldswaarden worden gestort in de consignatiekas dan wel op een daartoe bestemde rekening van het Land.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">143</nr></kop><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels gesteld omtrent de wijze, waarop de inbeslaggenomen voorwerpen worden bewaard en ter beschikking van het onderzoek gehouden, dan wel, ingevolge artikel 142, worden vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek bestemd.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIJFDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">144</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zodra het belang van de strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp, doet het openbaar ministerie dit door de bewaarder teruggeven aan degene, aan wie het door het strafbare feit is onttrokken. Is deze niet bekend, dan wordt het voorwerp teruggegeven aan degene bij wie het is inbeslaggenomen, tenzij deze het voorwerp onrechtmatig in zijn bezit heeft gekregen. In het laatste geval wordt het voorwerp teruggegeven aan de degene aan wie teruggave van het voorwerp op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is. Is deze niet bekend, dan wordt met het voorwerp gehandeld overeenkomstig artikel 142.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een verplichting tot teruggave bestaat niet ten aanzien van voorwerpen, waarvan de rechthebbende schriftelijk heeft verklaard afstand te doen. Met betrekking tot deze voorwerpen kan, ook indien zij geschikt zijn voor opslag, een machtiging worden verleend als bedoeld in artikel 142, tweede lid; voor het overige wordt daarmee gehandeld als met verbeurdverklaarde voorwerpen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">145</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een last tot teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp dat in bewaring is gegeven is gericht tot de bewaarder.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien deze aan de last niet kan voldoen, omdat het voorwerp op wettige wijze vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek bestemd is, gaat hij na daartoe verkregen machtiging van het gerecht, bedoeld in artikel 142, derde lid, over tot uitbetaling van de prijs, die het voorwerp bij verkoop door hem redelijkerwijze had moeten opbrengen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de bewaarder, buiten de gevallen in het tweede lid bedoeld, niet in staat is aan de last tot teruggave te voldoen dan wel het geven van zodanige last niet mogelijk bleek, houdt hij het voorwerp ter beschikking van de rechthebbende totdat sedert de last tot teruggave zes maanden, onderscheidenlijk sedert de inbeslagneming drie jaren, zijn verstreken. Is teruggave alsdan nog niet mogelijk gebleken dan wordt met het voorwerp gehandeld als met verbeurdverklaarde voorwerpen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De bewaarder geeft het voorwerp niet terug zolang er een beslag op rust, door een derde onder hem gelegd ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij degene door wie de last tot teruggave is gegeven uitdrukkelijk anders bepaalt</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">145a</nr></kop><al>Het openbaar ministerie kan op verzoek van de beslagene of van een andere belanghebbende een voorwerp dat op grond van artikel 119a in beslag is genomen onder zekerheidstelling doen teruggeven. De zekerheid bestaat in de storting van geldswaarden door de beslagene of een derde, of in de verbintenis van een derde als waarborg, voor een bedrag en op een wijze als door het openbaar ministerie wordt aanvaard.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">ZESDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">[vervallen]</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">146</nr></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">147</nr></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">148</nr></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">149</nr></kop><al>[vervallen]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">ZEVENDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Beklag over inbeslagneming</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">150</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van inbeslaggenomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over de teruggave aan een bepaald persoon, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, als bedoeld in de artikelen 127, 128 en 140.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het klaagschrift wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen of de kennisneming van de gegevens ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift is niet ontvankelijk, indien het is ingediend op het tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie jaren na de inbeslagneming of kennisneming ingediend ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, binnen het rechtsgebied waarvan de inbeslagneming of kennisneming is geschied. Het gerecht is bevoegd tot afdoening tenzij de vervolging mocht zijn aangevangen voordat met de behandeling van het klaagschrift een aanvang kon worden gemaakt. In dat geval zendt de griffier het klaagschrift ter afdoening aan het gerecht, bedoeld in het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het gerecht geeft een met redenen omklede beschikking, nadat de klager in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Op last van het gerecht stelt de griffier tevens andere belanghebbenden van het klaagschrift in kennis, hun de gelegenheid biedende hetzij zelf binnen een in de kennisgeving te vermelden termijn een klaagschrift in te dienen, betrekking hebbend op hetzelfde voorwerp, hetzij tijdens de behandeling van het klaagschrift te worden gehoord. In het laatste geval geldt de kennisgeving als oproeping.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich beklaagt over het uitblijven van een last tot teruggave aan hem, dan wordt de beslagene in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Acht het gerecht het beklag gegrond, dan geeft het de daarmee overeenkomende last.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">150a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De belanghebbenden, anderen dan de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde, kunnen zich schriftelijk beklagen over een schikking als bedoeld in artikel 503b op de grond dat deze betrekking heeft op hun toekomende voorwerpen en de officier van justitie die de voorwaarden heeft opgelegd, onderscheidenlijk de schikking is aangegaan, niet bereid is gebleken die voorwerpen of de waarde die zij bij verkoop redelijkerwijs hadden moeten opbrengen te vergoeden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het klaagschrift wordt, niet later dan nadat de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde aan de gestelde voorwaarden of aan de termen van de schikking heeft voldaan, dan wel de klager daarmee bekend is geworden, ingediend ter griffie van het gerecht waarbij de in het eerste lid bedoelde officier van justitie is geplaatst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het gerecht behandelt het klaagschrift in het openbaar.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Tijdens de behandeling van het klaagschrift worden de klager en de officier van justitie in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Het gerecht doet tevens de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde oproepen ten einde hem in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Deze kan zich doen bijstaan door een advocaat of een daartoe bij bijzondere volmacht gemachtigde welke in de gelegenheid wordt gesteld de nodige opmerkingen te maken. De beschikking van het gerecht is met redenen omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken. Aan de klager en de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde die voor de behandeling is verschenen wordt door de griffie tijdig te voren schriftelijk mededeling gedaan van de dag der uitspraak. Acht dit gerecht het beklag gegrond, dan verklaart het de voorwaarden, onderscheidenlijk de schikking, bedoeld in het eerste lid, vervallen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">151</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De belanghebbenden, andere dan de veroordeelde, kunnen zich schriftelijk beklagen over de verbeurdverklaring van hun toebehorende voorwerpen of over de onttrekking van zodanige voorwerpen aan het verkeer. Geen beklag staat open, indien het bedrag, waarop de verbeurdverklaarde voorwerpen bij de uitspraak zijn geschat, is betaald of ingevorderd, dan wel vervangende vrijheidsstraf is toegepast.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het klaagschrift wordt, binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden, ingediend ter griffie van het gerecht dat in hoogste feitelijke aanleg de beslissing heeft genomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het gerecht behandelt het klaagschrift in het openbaar.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Tijdens de behandeling van het klaagschrift worden de klager en het openbaar ministerie in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De beschikking van het gerecht is met redenen omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken. Aan de klager wordt door de griffier tijdig te voren schriftelijk mededeling gedaan van de dag der uitspraak.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Acht het gerecht het beklag gegrond, dan herroept het de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer en geeft een last, als bedoeld in artikel 397.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Bij de herroeping van een verbeurdverklaring kan het gerecht de voorwerpen aan het verkeer onttrokken verklaren, indien zij daarvoor vatbaar zijn. De artikelen 35a, 35b en 37, laatste zinsnede, van het Wetboek van Strafrecht zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">152</nr></kop><al>Zodra het openbaar ministerie bemerkt, dat een inbeslaggenomen voorwerp tijdens het begaan van het strafbare feit toebehoorde aan een ander dan de verdachte, stelt het die persoon, indien zijn verblijfplaats bekend is, in kennis van de bevoegdheden die hij heeft ingevolge de artikelen 150 en 151.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">153</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op een last, ingevolge deze afdeling gegeven met betrekking tot een voorwerp, is artikel 145 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Aan een last tot teruggave van een voorwerp, dat verbeurd verklaard of aan het verkeer onttrokken verklaard was met verlening van een geldelijke tegemoetkoming, wordt niet voldaan zolang het bedrag niet in 's Lands kas is teruggestort.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">154</nr></kop><al>Met hetgeen onder het Land berust als verbeurdverklaarde of aan het verkeer onttrokken verklaarde voorwerpen, wordt, zolang de mogelijkheid van herroeping van de straf of maatregel bestaat, gehandeld naar de artikelen 141 tot en met 143.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">154a</nr></kop><al>68 Tot kennisneming van geschillen over de toepassing door openbaar ministerie van zijn bevoegdheden uit hoofde van artikel 119d is de burgerlijke rechter bevoegd.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">X</nr><titel status="officieel">Binnentreden in woningen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">155</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor het binnentreden in een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner is een bijzondere schriftelijke machtiging vereist, onverminderd het bepaalde in het vierde lid. Van het vereiste van een machtiging is vrijgesteld de rechter of de rechter-commissaris, die bevoegd is tot binnentreden zonder toestemming van de bewoner.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het model van de machtiging wordt vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De machtiging wordt, zo mogelijk voorafgaande aan het binnentreden of anders bij de eerste gelegenheid daarna, aan de bewoner getoond. De machtiging wordt de bewoner in afschrift uitgereikt of voor hem achtergelaten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Een machtiging als bedoeld in het eerste lid, is voor de officier van justitie of de hulpofficier van justitie met het oog op de opsporing van misdrijven, huiszoeking ter inbeslagneming van voorwerpen of het doorzoeken van een woning ter aanhouding van een verdachte niet vereist in de gevallen waarin met het binnentreden niet kan worden gewacht, totdat hij over een machtiging beschikt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">156</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tot het geven van een bijzondere schriftelijke machtiging zijn alleen de procureur-generaal, de officier van justitie en de hulpofficier van justitie bevoegd. Ingeval de officier van justitie of de hulpofficier van justitie zelf een machtiging nodig heeft, dan wordt die door de naast hogere autoriteit gegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De machtiging kan uitsluitend worden gegeven aan hen, die bij of krachtens dit wetboek bevoegd zijn verklaard zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner in een woning binnen te treden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">157</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De machtiging wordt gegeven voor het binnentreden in een bepaalde in de machtiging aan te duiden woning.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ten behoeve van de opsporing van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten kan een machtiging worden gegeven, die betrekking heeft op een groter aantal woningen die niet bepaald in de machtiging worden aangeduid. In dat geval wordt in de machtiging nauwkeurig vermeld, in verband met welke misdrijven wordt binnengetreden, en voor welke tijdsduur de machtiging geldt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Ten behoeve van de aanhouding, de medebrenging of de gevangenneming van een in de machtiging aan te duiden persoon kan een machtiging worden gegeven die geldt voor iedere woning, waarin die persoon zich bevindt of redelijkerwijze verondersteld wordt zich te bevinden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">158</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De machtiging omschrijft het doel van het binnentreden en zoveel mogelijk de grond van de verdenking.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De machtiging is gedagtekend en ondertekend. Zij blijft van kracht tot en met de derde dag na die waarop zij is gegeven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">159</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tussen middernacht en zes uur 's morgens kan slechts zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner worden binnengetreden, voor zover dit dringend noodzakelijk is en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij afwezigheid van de bewoner kan slechts worden binnengetreden, voor zover dit dringend noodzakelijk is en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">160</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De procureur-generaal of de officier van justitie, die de machtiging heeft gegeven, kan degene die bevoegd is binnen te treden, vergezellen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Degene die bevoegd is zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner binnen te treden, kan zich door anderen doen vergezellen, voor zover dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijze is vereist en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">161</nr></kop><al>Degene die bevoegd is zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner binnen te treden, kan zich de toegang tot of de doorgang in de woning verschaffen, voor zover het doel van het binnentreden dit redelijkerwijze vereist. Hij kan daartoe zo nodig de hulp van de sterke arm inroepen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">162</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Onverminderd hetgeen in deze titel ten aanzien van de machtiging is bepaald, is degene die in een woning binnentreedt, verplicht zich voorafgaand tegenover de bewoner te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. Indien twee of meer personen voor hetzelfde doel in een woning binnentreden, rusten deze verplichtingen slechts op degene die bij het binnentreden de leiding heeft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de naleving van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen naar redelijke verwachting ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen, feitelijk onmogelijk is dan wel naar redelijke verwachting de strafvordering schaadt ten aanzien van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan, gelden deze verplichtingen slechts voor zover de naleving daarvan in die omstandigheden kan worden gevergd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Degene die zich ingevolge het eerste lid legitimeert, toont een legitimatiebewijs dat is uitgegeven door of vanwege de Minister van Justitie. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de houder en vermeldt diens naam en hoedanigheid. Indien de veiligheid van de houder van het legitimatiebewijs vordert dat zijn identiteit verborgen blijft, kan in plaats van zijn naam zijn nummer worden vermeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De persoon, bedoeld in het eerste lid, die met toestemming van de bewoner wenst binnen te treden, vraagt voorafgaand aan het binnentreden diens toestemming. De toestemming moet blijken aan degene die wenst binnen te treden en wordt schriftelijk vastgelegd in het proces-verbaal dat naar aanleiding van het binnentreden wordt opgemaakt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">163</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Degene die zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner in een woning is binnengetreden, maakt op zijn ambtseed of -belofte een schriftelijk verslag op omtrent het binnentreden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In het verslag vermeldt hij:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn naam en hoedanigheid;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening van de machtiging en de naam en hoedanigheid van degene die de machtiging tot binnentreden heeft gegeven;</al></li><li nr="c."><al>de wettelijke bepalingen waarop het binnentreden berust en het doel waartoe is binnengetreden;</al></li><li nr="d."><al>de plaats van de woning en de naam van de bewoner;</al></li><li nr="e."><al>de wijze van binnentreden en het tijdstip waarop in de woning is binnengetreden en waarop deze is verlaten;</al></li><li nr="f."><al>hetgeen in de woning is verricht of overigens is voorgevallen, het aantal en de hoedanigheid van degenen die hem hebben vergezeld, de namen van de personen aan wie in de woning hun vrijheid is ontnomen en de voorwerpen die in de woning in beslag zijn genomen.</al></li><li nr="g."><al>voor zover van toepassing: de redenen waarom en de wijze waarop het bepaalde in artikel 155, vierde lid, dan wel artikel 162, tweede lid, toepassing heeft gevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het verslag wordt binnen tweemaal vierentwintig uren nadat in de woning is binnengetreden, toegezonden aan de officier van justitie. Een afschrift van het verslag wordt binnen diezelfde termijn aan de bewoner uitgereikt of toegezonden. Indien het niet mogelijk is dit afschrift uit te reiken of toe te zenden, houdt degene aan wie het verslag is toegezonden dan wel degene die zijn bevoegdheid zonder machtiging binnen te treden heeft uitgeoefend, het afschrift gedurende zes maanden voor de bewoner beschikbaar.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">XI</nr><titel status="officieel">Betreden van enkele bijzondere plaatsen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">164</nr></kop><al>In de gevallen waarin het binnentreden van plaatsen krachtens dit wetboek is toegelaten, geschiedt dit, buiten het geval van ontdekking op heterdaad, niet:</al><lijst><li nr="a."><al>in de vergaderruimten van de Staten of van een van de eilandsraden, gedurende de vergadering;</al></li><li nr="b."><al>in de ruimten bestemd voor godsdienstoefeningen of bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, gedurende de godsdienstoefening of bezinningssamenkomst;</al></li><li nr="c."><al>in de ruimten waarin terechtzittingen worden gehouden, gedurende de terechtzitting.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">XII</nr><titel status="officieel">Handhaving van de orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">165</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor de handhaving van de orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen draagt zorg de voorzitter van het college, of de rechter of ambtenaar, die met de leiding van die verrichtingen is belast.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Deze is bevoegd de maatregelen te nemen die in het belang van het onderzoek of in het belang van de veiligheid van personen geboden zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien daarbij iemand de orde verstoort of op enigerlei wijze hinderlijk is, kan de betrokken voorzitter, rechter of ambtenaar, na hem zo nodig te hebben gewaarschuwd, bevelen dat hij zal vertrekken en, in geval van weigering, hem doen verwijderen en tot de afloop van de ambtsverrichtingen doen ophouden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Van een en ander wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat bij de processtukken wordt gevoegd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">XIII</nr><titel status="officieel">Maatregelen ter gelegenheid van een schouw of een huiszoeking</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">166</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van een schouw of huiszoeking kan de daarmee belaste rechter of ambtenaar de nodige maatregelen tot bewaking of afsluiting nemen en bevelen dat niemand zich, zonder zijn uitdrukkelijke bewilliging, van de plaats van de schouw of van de huiszoeking zal verwijderen, zolang het onderzoek aldaar niet is afgelopen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 165, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">XIV</nr><titel status="officieel">[vervallen]</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">XV</nr><titel status="officieel">Opneming ter observatie</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">175</nr></kop><al>Indien het noodzakelijk is, dat een onderzoek naar de geestvermogens van een verdachte tegen wie voorlopige hechtenis is bevolen, zal worden ingesteld en dit niet voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden, kan de rechter-commissaris, hetzij op de vordering van de officier van justitie, hetzij op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bevelen, dat de verdachte ter waarneming zal worden overgebracht naar een in het bevel aan te duiden inrichting tot verpleging of genezing bestemd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">176</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevel, bedoeld in artikel 175, is met redenen omkleed en wordt niet gegeven, dan nadat het oordeel van een of meer deskundigen is ingewonnen en de verdachte en zijn raadsman terzake zijn gehoord. De rechter-commissaris nodigt de officier van justitie uit bij het horen tegenwoordig te zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevel, houdende last tot overbrenging, en dat waarbij een daartoe strekkend verzoek van de verdachte is afgewezen, worden deze onverwijld betekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte kan van die bevelen binnen drie dagen na de betekening in hoger beroep komen bij het Hof van Justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het Hof kan, ook in geval van hoger beroep van de officier van justitie, alvorens te beslissen, door de rechter-commissaris een nader onderzoek doen instellen en zich daartoe de betrekkelijke stukken doen overleggen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">177</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het verblijf in de inrichting geldt als voorlopige hechtenis, mag de termijn van acht weken niet te boven gaan en eindigt, zodra de verdachte in vrijheid moet worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, te allen tijde bevelen, dat het verblijf in de inrichting een einde zal nemen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">XVI</nr><titel status="officieel">Strafrechtelijk financieel onderzoek</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">177a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van verdenking van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier of meer jaren is gesteld, of een misdrijf, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, kan overeenkomstig de bepalingen van deze Titel een strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een strafrechtelijk financieel onderzoek is gericht op de bepaling van het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel, met het oog op de ontneming daarvan op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het strafrechtelijk financieel onderzoek wordt ingesteld krachtens een met redenen omklede machtiging van de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie die met de opsporing van het misdrijf is belast, verleend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De vordering van de officier van justitie is met redenen omkleed. Bij de vordering wordt een lijst van voorwerpen overgelegd die reeds op grond van artikel 119a, tweede lid, in beslag zijn genomen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">177b</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Krachtens de ingevolge artikel 177a gegeven machtiging is een met het strafrechtelijk financieel onderzoek belaste opsporingsambtenaar op vertoon van een afschrift van de machtiging bevoegd, ten einde inzicht te verkrijgen in de vermogenspositie van degenen tegen wie het onderzoek is gericht, aan een ieder te bevelen hem op de eerste vordering:</al><lijst><li nr="a."><al>opgave te doen of inzage of afschrift te geven van bescheiden of gegevens;</al></li><li nr="b."><al>op te geven of, en zo ja welke, vermogensbestanddelen hij onder zich heeft of heeft gehad, die toebehoren of hebben toebehoord aan degene tegen wie het onderzoek is gericht, en aldus verstrekte schriftelijke bescheiden in beslag te nemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevel wordt niet gericht aan degene tegen wie het onderzoek is gericht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Artikel 132, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Ter gelegenheid van het eerste verhoor van degene tegen wie het onderzoek is gericht, wordt hem door de verhorende rechter of ambtenaar een afschrift van de in artikel 177a bedoelde vordering en machtiging ter hand gesteld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">177c</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek is de officier van justitie bevoegd zonder verder rechterlijke machtiging te gelasten dat voorwerpen op grond van artikel 119a in beslag worden genomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de officier van justitie zulks in het belang van het strafrechtelijk financieel onderzoek noodzakelijk acht, vordert hij dat de rechter-commissaris ter inbeslagneming huiszoeking doet of andere hem krachtens het derde lid toekomende bevoegdheden uitoefent.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter-commissaris beschikt tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek over alle bevoegdheden die hem krachtens dit wetboek toekomen, met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>hij ook bevoegd is huiszoeking te doen ter inbeslagneming van alle voorwerpen die kunnen dienen om door degene tegen wie het onderzoek is gericht, verkregen wederrechtelijk voordeel aan te tonen, of de uitlevering daarvan te bevelen;</al></li><li nr="b."><al>hij niet gehouden is degene tegen wie het onderzoek is gericht of diens raadsman, buiten het geval van de in onderdeel a bedoelde huiszoeking, tot bijwoning van enige door hem te verrichten onderzoekshandeling toe te laten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan de uitoefening van ambtsverrichtingen in een ander eilandgebied overdragen aan zijn ambtgenoot aldaar.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">177d</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie die de in artikel 177a bedoelde vordering doet, kan bij dringende noodzakelijkheid ter inbeslagneming huiszoeking doen op elke plaats waar zich vermoedelijk bescheiden of gegevens als bedoeld in artikel 177b, of vermogensbestanddelen die voordeel in de zin van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen vertegenwoordigen, bevinden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ten aanzien van het eerste lid is artikel 122, tweede lid, van overeenkomstige toepassing en zijn de artikelen 155 tot en met 164 van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">177e</nr></kop><al>Ten aanzien van de artikelen 177a tot en met 177d zijn de artikelen 125 en 126 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">177f</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het gerecht in eerste aanleg waakt tegen nodeloze vertraging van het strafrechtelijk financieel onderzoek.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het kan op verzoek van de onderzochte persoon zich de stukken van het onderzoek doen overleggen en de onverwijlde of spoedige beëindiging van het onderzoek bevelen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">177g</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zodra de officier van justitie oordeelt dat het strafrechtelijk financieel onderzoek is voltooid, of dat tot voortzetting daarvan geen grond meer bestaat, sluit hij het onderzoek bij schriftelijke gedagtekende beschikking.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de verdachte bij de einduitspraak ter zake van het strafbare feit of het misdrijf, bedoeld in artikel 38e, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, niet wordt veroordeeld, sluit de officier van justitie het strafrechtelijk financieel onderzoek evenzo. In dat geval is de officier van justitie bevoegd van de rechter-commissaris heropening van het strafrechtelijk financieel onderzoek te vorderen, zodra de verdachte alsnog ter zake van het tenlastegelegde feit wordt veroordeeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De officier van justitie zendt zijn beschikking aan de rechter-commissaris en doet een afschrift daarvan aan degene tegen wie het is gericht, betekenen, onder mededeling van het recht tot kennisneming van de stukken van het onderzoek.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, de artikelen 503c, tweede en derde lid, 503d, derde lid, en 503f, tweede lid, onderdeel c, kan een gesloten strafrechtelijk financieel onderzoek slechts worden heropend krachtens een nadere machtiging van de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie verleend. Het vierde lid van artikel 177a is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Een nadere machtiging wordt zo spoedig mogelijk met de vordering waarop zij rust, aan degene tegen wie het onderzoek is gericht, betekend. Het eerste tot en met vierde lid is van toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>XVII</nr><titel>Bijzondere bevoegdheden tot opsporing</titel></kop><afdeling><kop><label>Algemene bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177h</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1. Bevelen tot toepassing van een bevoegdheid als bedoeld in titel XVIII en XIX alsmede een wijziging, aanvulling, verlenging of intrekking daarvan worden schriftelijk gegeven. Aan een schriftelijk bevel staat gelijk een mondeling bevel dat, op straffe van nietigheid, binnen drie dagen op schrift is gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>2. Een schriftelijk bevel vermeldt:</al><al>a. het misdrijf en in geval van verdenking indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte;</al><al>b. de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de wettelijke voorwaarden voor uitoefening van de bevoegdheid zijn vervuld;</al><al>c. de wijze waarop aan het bevel uitvoering moet worden gegeven, en</al><al>d. de geldigheidsduur van het bevel. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Elk bevel kan worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd artikel 53 worden schriftelijke bevelen, alsmede de schriftelijke wijziging, aanvulling, verlenging en intrekking ervan, bij de processtukken gevoegd zodra het onderzoek dit toelaat.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, die ten grondslag liggen aan de gegeven bevoegdheid, bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van het bevel, de vordering dan wel de overeenkomst tot toepassing ervan wordt beëindigd. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Teneinde toepassing te geven aan een bevel, als bedoeld in het eerste lid, kan een technisch hulpmiddel worden ingezet.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld omtrent de technische eisen waaraan de hulpmiddelen, bedoeld in het zesde lid, voldoen, onder meer met het oog op de onschendbaarheid van de vastgelegde waarnemingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177i</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een machtiging van de rechter-commissaris als bedoeld in titel XVIII wordt schriftelijk gegeven. Aan een schriftelijke machtiging staat gelijk een mondelinge machtiging die, op straffe van nietigheid, binnen drie dagen op schrift is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De machtiging wordt gegeven op schriftelijke vordering van de officier van justitie. Aan een schriftelijke vordering staat gelijk een mondelinge vordering die binnen drie dagen op schrift is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vordering geeft het voorgenomen bevel kort weer en bevat een uiteenzetting omtrent de redenen welke tot de vordering aanleiding hebben gegeven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De machtiging betreft alle onderdelen van het bevel. Indien ter uitvoering van het bevel een woning mag worden betreden, wordt dat uitdrukkelijk in de machtiging vermeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Indien voor een bevel van de officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris is vereist, is ook voor een wijziging, aanvulling of verlenging van dat bevel een machtiging vereist.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onverminderd artikel 53 worden de in het eerste, tweede en vijfde lid bedoelde documenten bij de processtukken gevoegd zodra het onderzoek dit toelaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177j</nr></kop><al>Bij ministeriële beschikking kunnen personen in de openbare dienst van de andere landen van het Koninkrijk of van een vreemde staat die voldoen aan in de bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te stellen eisen voor de toepassing van daarin aan te wijzen bevoegdheden met een opsporingsambtenaar gelijk worden gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177k</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De officier van justitie voegt de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door de uitoefening van een van de bevoegdheden genoemd in de titels XVIII en XIX, voorzover die voor het onderzoek in de zaak van enige betekenis zijn, bij de processtukken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover de processen-verbaal of andere voorwerpen mededelingen behelzen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 252 zou kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, worden deze processen-verbaal en andere voorwerpen onverwijld vernietigd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd artikel 53, vindt de voeging bij de processtukken plaats zodra het onderzoek dat toelaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien geen processen-verbaal van de uitoefening van één van de bevoegdheden, bedoeld in de titels XVIII en XIX, bij de processtukken zijn gevoegd, wordt van het gebruik van deze bevoegdheid in de processtukken melding gemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177ka</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1. De officier van justitie doet aan betrokkene schriftelijk mededeling van de uitoefening van de bevoegdheden, genoemd in de titels XVIII tot en met XIX, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat. De mededeling blijft achterwege, indien uitreiking van de mededeling redelijkerwijs niet mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als betrokkenen in de zin van het eerste lid worden aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon ten aanzien van wie een van de bevoegdheden van Titel XVIII of XIX is uitgeoefend;</al></li><li nr="b."><al>de gebruiker van een communicatiedienst als bedoeld in artikel 177r, eerste lid;</al></li><li nr="c."><al>de rechthebbenden als bedoeld in de artikelen 177l, tweede lid, 177p, eerste lid en 177q, tweede lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien betrokkene de verdachte is, kan mededeling achterwege blijven, indien hij op grond van de processtukken met de bevoegdheidstoepassing op de hoogte kan komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177kb</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zolang de zaak niet is geëindigd, bewaart de officier van justitie de processen-verbaal en andere voorwerpen, waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door toepassing van een bevoegdheid als bedoeld in titel XVIII en XIX, voor zover die niet bij de processtukken zijn gevoegd, en houdt deze ter beschikking van het onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zodra twee maanden verstreken zijn nadat de zaak geëindigd is en de laatste mededeling, bedoeld in artikel 177ka, is gedaan, doet de officier van justitie de processen-verbaal en andere voorwerpen, bedoeld in het eerste lid, vernietigen. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een zaak die geëindigd is, wordt bij de toepassing van het vorige lid gelijkgesteld een voorbereidend onderzoek dat naar redelijke verwachting niet tot een zaak zal leiden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177kc</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De officier van justitie kan schriftelijk bepalen dat gegevens die zijn verkregen door toepassing van een bevoegdheid als bedoeld in titel XVIII en XIX, kunnen worden gebruikt voor een ander strafrechtelijk onderzoek dan waartoe de bevoegdheid is uitgeoefend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, behoeven de gegevens, in afwijking van artikel 177kb, tweede lid, niet te worden vernietigd, totdat het andere onderzoek is geëindigd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid worden alle stukken, die betrekking hebben op de uitoefening van de betreffende bevoegdheid bij de processtukken van de nieuwe zaak gevoegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177kd</nr></kop><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop de processen-verbaal en andere voorwerpen, die zijn verkregen door toepassing van een bevoegdheid als bedoeld in titel XVIII en XIX, worden bewaard en vernietigd en omtrent de wijze waarop de mededeling, bedoeld in artikel 177ka, wordt gedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177ke</nr><titel></titel></kop><al>Degene tot wie een vordering als bedoeld in de artikelen 177r, derde lid, 177s, 177t en artikel 177v is gericht neemt in belang van het onderzoek geheimhouding in acht omtrent al hetgeen hem terzake van de vordering bekend is.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL XVIII</label><nr>Bijzondere bevoegdheden</nr><titel></titel></kop><afdeling><kop><label>Eerste afdeling</label></kop><paragraaf><kop><label>Planmatige observatie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177l</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar een persoon planmatig observeert in geval van:</al><al>a. verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;</al><al>b. aanwijzingen van een terroristisch misdrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek, indien het een misdrijf in het eerste lid, onderdeel a, bedoeld betreft dat gezien zijn aard of de samenhang met andere vermoedelijk door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert en indien het een misdrijf als in onderdeel b bedoeld betreft, bepalen dat ter uitvoering van het bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, kan worden betreden zonder toestemming van de rechthebbende.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch hulpmiddel kan worden aangewend, voor zover daarmee geen vertrouwelijke communicatie wordt opgenomen. Een technisch hulpmiddel wordt niet op een persoon bevestigd, tenzij met diens toestemming.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste zes weken. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van zes weken worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bevel tot planmatige observatie vermeldt, behalve de gegevens bedoeld in artikel 177h, tevens:</al><al>a. de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de in het eerste lid bedoelde persoon;</al><al>b. bij toepassing van het tweede lid, de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in dat lid, zijn vervuld, alsmede de plaats die zal worden betreden.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Tweede afdeling</label></kop><paragraaf><kop><label>Infiltratie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177m</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1. In geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten dat gezien zijn aard of de samenhang met andere vermoedelijk door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen ten aanzien waarvan aanwijzingen bestaan dat daarbinnen een terroristisch misdrijf wordt beraamd of gepleegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De opsporingsambtenaar brengt bij de uitoefening van het bevel een ander niet tot strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevel tot infiltratie vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in artikel 177h, tevens:</al><al>a. een omschrijving van de groep van personen; </al><al>b. de wijze waarop aan het bevel uitvoering moet worden gegeven, daaronder begrepen strafbaar gesteld handelen, voor zover bij het geven van het bevel te voorzien.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Toepassing van het eerste en tweede lid vindt alleen plaats na voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur-generaal.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Derde afdeling</label></kop><paragraaf><kop><label>Pseudo-koop of -dienstverlening</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177n</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar goederen afneemt van of gegevens, die zijn opgeslagen of worden verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk, door tussenkomst van een aanbieder van een communicatiedienst afneemt van of diensten verleent aan een persoon in het geval dat:</al><al>a. die persoon verdacht wordt van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;</al><al>b. er aanwijzingen zijn van een terroristisch misdrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De opsporingsambtenaar brengt bij de uitoefening van het bevel een ander niet tot strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevel tot pseudo-koop of –dienstverlening vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in artikel 177h, tevens, de aard van de goederen, gegevens of diensten. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats na voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur-generaal.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Vierde afdeling</label></kop><paragraaf><kop><label>Stelselmatig inwinnen van informatie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177o</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over een persoon in geval dat:</al><lijst><li nr="a."><al>die persoon verdacht wordt van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>er aanwijzingen zijn van een terroristisch misdrijf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste zes weken. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van zes weken worden verleng</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Vijfde afdeling</label></kop><paragraaf><kop><label>Bevoegdheden in een besloten plaats</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177p</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar zonder toestemming van de rechthebbende een besloten plaats, niet zijnde een woning, betreedt, dan wel een technisch hulpmiddel aanwendt, teneinde die plaats op te nemen, aldaar sporen veilig te stellen of aldaar een technisch hulpmiddel te plaatsen teneinde de aanwezigheid of verplaatsing van een goed vast te kunnen stellen, in geval van:</al><al>a. verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;</al><al>b. aanwijzingen van een terroristisch misdrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevel, bedoeld in het eerste lid vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in artikel 177h, tevens de plaats waarop het bevel betrekking heeft.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Zesde afdeling</label></kop><paragraaf><kop><label>Opnemen en onderzoek communicatie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177q</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De officier van justitie kan indien het onderzoek dit dringend vordert, na door de rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen dat een opsporingsambtenaar met een technisch hulpmiddel vertrouwelijke communicatie opneemt in geval van:</al><al>a. verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere vermoedelijk door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert;</al><al>b. aanwijzingen van een terroristisch misdrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering van het bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden zonder toestemming van de rechthebbende. Hij kan, na door de rechter-commissaris daartoe verleende machtiging, bepalen dat ter uitvoering van het bevel een woning zonder toestemming van de rechthebbende wordt betreden, indien het onderzoek dit dringend vordert. In het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, betreft het een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. De artikelen 155 tot en met 163, met uitzondering van artikel 162, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevel vermeldt, behalve de gegevens bedoeld in artikel 177h, tevens:</al><al>a. ten minste één van de personen die aan de communicatie deelnemen en, indien het bevel communicatie betreft op een besloten plaats of in een vervoermiddel, bovendien een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van die plaats of dat vervoermiddel;</al><al>b. bij toepassing van het tweede lid, de plaats die kan worden betreden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een geval als bedoeld in het eerste lid onder a. kan het bevel ten opzichte van een persoon, die zich op grond van artikel 252 kan verschonen van het geven van een getuigenis, uitsluitend worden gegeven, indien deze zelf als verdachte wordt aangemerkt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste vier weken. De geldigheidsduur kan telkens voor een termijn van ten hoogste vier weken worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Van het opnemen wordt binnen drie dagen proces-verbaal opgemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177r</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De officier van justitie kan indien het onderzoek dit dringend vordert, na door de rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen aan een opsporingsambtenaar dat met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst, wordt opgenomen, in geval van:</al><al>a. verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere vermoedelijk door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert;</al><al>b. aanwijzingen van een terroristisch misdrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevel vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in artikel 177h, tevens zo mogelijk het nummer of een andere aanduiding waarmee de individuele gebruiker van de communicatiedienst wordt geïdentificeerd alsmede, voor zover bekend, de naam en het adres van de gebruiker en een aanduiding van de aard van het technisch hulpmiddel of de technische hulpmiddelen waarmee de communicatie wordt opgenomen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevel kan in het belang van het onderzoek ten uitvoer worden gelegd met medewerking van de aanbieder van een communicatiedienst. In dat geval gaat het bevel vergezeld van de schriftelijke vordering van de officier van justitie aan de aanbieder om medewerking te verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een geval als bedoeld in het eerste lid onder a. kan het bevel ten opzichte van een persoon, die zich op grond van artikel 252 kan verschonen van het geven van een getuigenis, uitsluitend worden gegeven, indien deze zelf als verdachte wordt aangemerkt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste vier weken. De geldigheidsduur kan telkens voor een termijn van ten hoogste vier weken worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Van het opnemen wordt binnen drie dagen proces-verbaal  opgemaakt.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Zevende afdeling</label></kop><paragraaf><kop><label>Vorderen van gegevens</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177s</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, vorderen bepaalde opgeslagen gegevens of vastgelegde gegevens van een persoon te verstrekken. De vordering kan betrekking hebben op gegevens die ten tijde van de vordering zijn verwerkt, dan wel na het tijdstip van de vordering worden verwerkt, in geval van:</al><al>a. verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten; </al><al>b. aanwijzingen van een terroristisch misdrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan noch worden gericht tot de verdachte noch tot de persoon, bedoeld in artikel 251, 252 of 253. De vordering kan geen betrekking hebben op persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven of lidmaatschap van een vakvereniging. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vordering als bedoeld in het eerste lid is schriftelijk en vermeldt:</al><al>a. indien bekend, de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de persoon of de personen over wie gegevens worden gevorderd;</al><al>b. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de gegevens die worden gevorderd en de termijn waarbinnen, alsmede de wijze waarop deze dienen te worden verstrekt;</al><al>c. de grondslag van de vordering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de vordering van gegevens betrekking heeft op gegevens die na het tijdstip van de vordering worden verwerkt, wordt de vordering gedaan voor een periode van ten hoogste vier weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd. De officier van justitie vermeldt deze periode in de vordering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij dringende noodzaak kan de vordering mondeling worden gegeven. De officier van justitie stelt de vordering in dat geval achteraf op schrift en verstrekt deze, op straffe van nietigheid, binnen drie dagen nadat de vordering is gedaan aan degene tot wie de vordering is gericht.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De officier van justitie doet van de verstrekking van gegevens proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld:</al><al>a. de gegevens, bedoeld in het derde lid;</al><al>b. de verstrekte gegevens;</al><al>c. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte;</al><al>d. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld;</al><al>e. de reden waarom de gegevens in het belang van het onderzoek worden gevorderd.</al><al></al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In geval van verdenking van een ander strafbaar feit dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek een vordering als bedoeld in dat lid slechts doen na door de rechter-commissaris verleende machtiging. Het tweede tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de gegevens worden gevorderd en verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177t</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De officier van justitie kan, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens als bedoeld in artikel 177s, tweede lid, tweede volzin, deze gegevens vorderen, in geval van:</al><al>a. verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere vermoedelijk door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert;</al><al>b. aanwijzingen van een terroristisch misdrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan noch worden gericht tot de verdachte noch tot de persoon, bedoeld in artikel 251, 252 of 253.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden gedaan na voorafgaande machtiging, te verlenen door de rechter-commissaris.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Artikel 177s, derde, vijfde, zesde, en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Achtste afdeling</label></kop><paragraaf><kop><label>Steunbevoegdheden</label><titel></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177u</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Teneinde toepassing te kunnen geven aan artikel 177r of artikel 177s kan de officier van justitie bevelen dat met behulp van bij ministeriële beschikking omschreven apparatuur het nummer, waarmee een gebruiker van een communicatiedienst kan worden geïdentificeerd, wordt verkregen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevel wordt gegeven aan een ambtenaar aan te wijzen bij landsbesluit. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste één week en vermeldt:</al><al>a. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 177r of artikel 177s en</al><al>b. de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de gebruiker van een communicatiedienst van wie het nummer moet worden verkregen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De officier van justitie doet te zijnen overstaan de processen-verbaal of andere voorwerpen, waaraan een gegeven kan worden ontleend dat is verkregen door toepassing van het eerste lid vernietigen indien dat gegeven niet gebruikt wordt voor de toepassing van artikel 177r of artikel 177s.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177v</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De officier van justitie kan, indien het belang van het onderzoek dit vordert, bij of terstond na de toepassing van artikel 177r, eerste lid, artikel 177s, eerste lid, of 177t, eerste lid, degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de in deze artikelen bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door de versleuteling ongedaan te maken, dan wel deze kennis ter beschikking te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevel wordt noch gegeven aan de verdachte noch aan de persoon, bedoeld in artikel 251, 252 of 253. </al></lid></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>XIX</nr><titel>Bijstand aan opsporing door burgers</titel></kop><afdeling><kop><label>Eerste afdeling</label></kop><paragraaf><kop><label>Burgerpseudokoop of -dienstverlening en inwinning van informatie</label><titel></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177w</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een opsporingsambtenaar kan, bij bevel daartoe van de officier van justitie, in het belang van het onderzoek met een persoon, die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze voor de duur van het bevel bijstand verleent aan de opsporing door goederen af te nemen van of gegevens, die zijn opgeslagen of worden verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk, door tussenkomst van een aanbieder van een communicatiedienst af te nemen van of diensten te verlenen aan een persoon of stelselmatig informatie in te winnen omtrent een persoon in geval dat:</al><al>a. die persoon verdacht wordt van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;</al><al>b. er aanwijzingen zijn van een terroristisch misdrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is dat geen bevel als bedoeld in artikel 177n, eerste lid, en artikel 177o, eerste lid, kan worden gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing brengt bij de uitvoering daarvan een ander niet tot strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds van tevoren was gericht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevel vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in artikel 177h, tevens de aard van de goederen, gegevens of diensten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De overeenkomst is schriftelijk en vermeldt de rechten en plichten van de persoon die bijstand verleent aan de opsporing, de wijze waarop aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven, alsmede de geldigheidsduur van de overeenkomst. De overeenkomst kan schriftelijk worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of beëindigd. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het bevel tot uitoefening van de bevoegdheid, wordt gegeven voor een periode van ten hoogste zes weken. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van zes weken worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats na voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur-generaal.R</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Tweede afdeling</label></kop><paragraaf><kop><label>Burgerinfiltratie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177x</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten dat gezien zijn aard of de samenhang met andere vermoedelijk door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen aan of medewerking te verlenen aan een groep waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen aan of medewerking te verlenen aan een groep van personen ten aanzien waarvan aanwijzingen bestaan dat daarbinnen een terroristisch misdrijf wordt beraamd of gepleegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is dat geen bevel als bedoeld in artikel 177m, eerste lid, kan worden gegeven. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing brengt bij de uitvoering daarvan een ander niet tot strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de toepassing van het eerste lid legt de officier van justitie schriftelijk vast:</al><al>a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de verdachte;</al><al>b. een omschrijving van de groep van personen;</al><al>c. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn vervuld.</al><al></al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De overeenkomst tot infiltratie is schriftelijk en vermeldt:</al><al>a. de rechten en plichten van de persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, alsmede de wijze waarop aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven, en </al><al>b. de geldigheidsduur van de overeenkomst.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, verricht bij de uitvoering daarvan geen strafbare handelingen, tenzij vooraf schriftelijk toestemming door de officier van justitie is gegeven om dergelijke handelingen te verrichten. Bij dringende noodzaak kan de toestemming mondeling worden gegeven. De officier van justitie stelt in dat geval de toestemming, op straffe van nietigheid, binnen drie dagen op schrift.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De overeenkomst kan schriftelijk worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of beëindigd. De officier van justitie legt de redenen daarvan uiterlijk binnen drie dagen schriftelijk vast.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Toepassing van het eerste en tweede lid vindt alleen plaats na voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur-generaal.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>XX</nr><titel>Doorlaten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177y</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De opsporingsambtenaar is verplicht van de hem in de wet verleende inbeslagnemingsbevoegdheden gebruik te maken, indien hij tijdens het opsporingsonderzoek de vindplaats weet van voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden is vanwege hun schadelijkheid voor de gezondheid of hun gevaar voor de veiligheid. Uitstel tot inbeslagneming wordt slechts in het belang van het onderzoek toegestaan met het oogmerk om op een later tijdstip daartoe over te gaan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Uitstel van inbeslagneming vindt alleen plaats na voorafgaand bevel van de officier van justitie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevel is schriftelijk en vermeldt:</al><al>a. de voorwerpen waarop het betrekking heeft;</al><al>b. de wijze waarop aan het bevel uitvoering moet worden gegeven;</al><al>c. het tijdstip waarop of de periode waarin het bevel geldt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verplichting tot inbeslagneming, bedoeld in het eerste lid, geldt niet in het geval de officier van justitie op grond van een zwaarwegend opsporingsbelang anders beveelt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een bevel als bedoeld in het vierde lid is schriftelijk en vermeldt:</al><al>a. de voorwerpen waarop het betrekking heeft;</al><al>b. het zwaarwegende opsporingsbelang;</al><al>c. het tijdstip waarop of de periode gedurende welke de verplichting tot inbeslagneming niet geldt. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Toepassing van het vierde lid vindt alleen plaats na voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur-generaal.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>XX</nr><titel>Verkennend onderzoek</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>177z</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien uit feiten of omstandigheden aanwijzingen voortvloeien dat binnen verzamelingen van personen misdrijven worden beraamd of gepleegd waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en welke gezien hun aard of de samenhang met andere vermoedelijk binnen die groep beraamde of gepleegde misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, kan de officier van justitie bevelen dat opsporingsambtenaren daarnaar een onderzoek instellen met als doel de voorbereiding van opsporing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een onderzoek als bedoeld in het eerste lid de voorbereiding van de opsporing van terroristische misdrijven tot doel heeft, kan de officier van justitie na voorafgaande schriftelijke machtiging, op zijn vordering te verlenen door de rechter-commissaris, in het belang van het onderzoek van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, vorderen bepaalde opgeslagen gegevens of vastgestelde gegevens van een persoon te verstrekken, teneinde de gegevens te doen bewerken. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vordering als bedoeld in het tweede lid kan noch worden gericht tot de personen bedoeld in het eerste lid noch tot de persoon, bedoeld in artikel 251, 252 of 253.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bewerking als bedoeld in het tweede lid kan bestaan uit het onderling vergelijken dan wel het in combinatie met elkaar verwerken van de gegevens met gegevens uit de politieregisters.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bewerking wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van personen zo veel mogelijk wordt gewaarborgd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Van de verstrekking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, doet de officier van justitie proces-verbaal opmaken, waarin wordt vermeld:</al><al>a. de verstrekte gegevens;</al><al>b. de reden waarom de gegevens in het belang van het onderzoek worden gevorderd.</al><al></al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De officier van justitie doet van de bewerking proces-verbaal opmaken, waarin wordt vermeld:</al><al>a. een aanduiding van de gegevens waarop de bewerking is uitgevoerd;</al><al>b. een beschrijving van de wijze waarop de bewerking is uitgevoerd;</al><al>c. de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid zijn vervuld.</al><al></al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden voorschriften gegeven omtrent de wijze waarop de gegevens die voortvloeien uit een onderzoek, als bedoeld in het eerste lid, worden bewaard en vernietigd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">XXII</nr><titel status="officieel">Schadevergoeding wegens toepassing van dwangmiddelen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">178</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Degene die schade heeft geleden ten gevolge van onrechtmatige toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel, heeft recht op schadevergoeding. Bij rechtmatige toepassing van een dwangmiddel kan eveneens schadevergoeding worden toegekend, wanneer er gronden van redelijkheid en billijkheid aanwezig zijn, dat de geleden schade geheel of gedeeltelijk door het Land wordt gedragen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechtmatigheid of onrechtmatigheid wordt beoordeeld naar het tijdstip, waarop het dwangmiddel werd toegepast.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Onder schade is mede begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan de hoogte van het bedrag van de schadevergoeding aan een maximum worden gebonden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Voor vergoeding komt ook de schade in aanmerking die de gewezen verdachte heeft geleden ten gevolge van vrijheidsontneming, die hij in het buitenland heeft ondergaan in verband met een door Nederlands-Antilliaanse autoriteiten gedaan verzoek om uitlevering.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De vaststelling van de schadevergoeding geschiedt alle omstandigheden in aanmerking genomen. In het bijzonder kan rekening worden gehouden met de mate waarin de gelaedeerde de toepassing van het dwangmiddel aan zichzelf heeft te wijten. In geval van schade die niet in vermogensschade bestaat, kan bij het bepalen van het bedrag ook met de levensomstandigheden van de gelaedeerde rekening worden gehouden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">179</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het verzoek om schadevergoeding kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak of de beslissing dat geen of geen verdere vervolging zal worden ingesteld. De gelaedeerde wordt gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen. Hij kan zich door een advocaat doen bijstaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tot de toekenning is bevoegd het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd of zou worden vervolgd. De raadkamer is zoveel mogelijk samengesteld uit de leden, die op de terechtzitting over de zaak hebben gezeten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Een verzoek om schadevergoeding kan ook door de erfgenamen van de gelaedeerde orden gedaan en de vergoeding kan ook aan hen worden toegekend. In dat geval blijft vergoeding van schade, die niet in vermogensschade bestaat, achterwege. Indien de gelaedeerde na het indienen van zijn verzoek of na het instellen van hoger beroep is overleden, geschiedt de toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">180</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tegen de door de rechter in eerste aanleg genomen beslissing staat de officier van justitie en de gelaedeerde of zijn erfgenamen binnen veertien dagen hoger beroep open bij het Hof van Justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ten aanzien van de gelaedeerde of zijn erfgenamen vinden de artikelen 443 tot en met 452 overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof van Justitie beslist na de gelaedeerde of zijn erfgenamen te hebben gehoord, althans daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen. De gelaedeerde of zijn erfgenamen kunnen zich door een advocaat doen bijstaan. Artikel 49 vindt overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">181</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor het bedrag van de schadevergoeding wordt door de rechter in eerste aanleg of ingeval het Hof van Justitie de vergoeding toekent, door de voorzitter van dat college een bevelschrift van tenuitvoerlegging afgegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Uitbetaling geschiedt door of vanwege de Minister van Financiën.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">182</nr></kop><al>Degene die schade heeft geleden ten gevolge van de toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel, kan alleen krachtens de bepalingen van deze titel, met uitsluiting van enige vordering uit burgerlijk recht, om toekenning van schadevergoeding verzoeken.</al></artikel></hoofdstuk></deel><deel><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>BOEK</label><titel status="officieel">OPSPORINGSONDERZOEK, GERECHTELIJK VOORONDERZOEKEN DAARNA TE NEMEN BESLISSINGEN</titel></kop><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">I</nr><titel status="officieel">Het opsporingsonderzoek</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">De ambtenaren</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">183</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie houdt toezicht op de opsporing van strafbare feiten en kan daartoe aan de personen, die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast of daartoe bevoegd zijn, de nodige bevelen geven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hij heeft de leiding van het gehele voorbereidend onderzoek, onverminderd het in dit wetboek bepaalde omtrent de tussenkomst van de rechter-commissaris.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In hoger beroep kan de procureur-generaal rechtstreeks opdracht tot nader onderzoek geven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">184</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Met de opsporing van strafbare feiten zijn belast:</al><lijst><li nr="a."><al>de ambtenaren van politie;</al></li><li nr="b."><al>de ambtenaren van de Landsrecherche, zoals daarin bij wettelijke regeling is voorzien;</al></li><li nr="c."><al>de buitengewone agenten van politie, voor zover deze daartoe zijn aangesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tot de opsporing van strafbare feiten zijn de procureur-generaal en de officieren van justitie bevoegd. Gelijke bevoegdheid komt toe aan de plaatselijke hoofden van politie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De in het tweede lid genoemde ambtenaren hebben het recht om, in de uitoefening van hun ambtsverrichtingen, de openbare burgerlijke macht onmiddellijk in te roepen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De burgerlijke macht is verplicht aan de vordering onmiddellijk te voldoen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">185</nr></kop><al>Met de opsporing van strafbare feiten zijn ook belast zij, aan wier waakzaamheid bij of krachtens bijzondere wettelijke regelingen de handhaving of de zorg voor de naleving daarvan of de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten is toevertrouwd, een en ander voor zover het die feiten betreft en, voor zover dat in die regeling is bepaald.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">186</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De opsporingsambtenaren, bedoeld in de artikelen 184, eerste lid, en 185, maken ten spoedigste proces-verbaal op van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden. Het proces-verbaal wordt door hen opgemaakt op hun ambtseed of -belofte. Voor zover zij die niet hebben afgelegd, worden zij binnen tweemaal vier en twintig uren beëdigd dan wel wordt hun binnen die termijn de belofte afgenomen voor een hulpofficier van justitie, die daarvan een verklaring op het proces-verbaal stelt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De processen-verbaal worden door de opsporingsambtenaren persoonlijk opgemaakt, gedagtekend en ondertekend. Daarbij moeten tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wanneer de opsporing door een officier van justitie persoonlijk geschiedt, doet hij van zijn bevindingen blijken bij proces-verbaal opgemaakt op zijn ambtseed of -belofte. Daarbij moeten tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Indien de procureur-generaal zijn bevoegdheid tot opsporing uitoefent, vindt hetgeen ten aanzien van de officier van justitie is bepaald zo veel mogelijk overeenkomstig toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">187</nr></kop><al>Wanneer de officier van justitie kennis heeft gekregen van een strafbaar feit, doet hij het nodige opsporingsonderzoek instellen en vordert, zo daartoe termen zijn, dat tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek wordt overgegaan.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">188</nr></kop><al>De officier van justitie is te allen tijde bevoegd ten einde enige plaatselijke toestand of enig voorwerp te schouwen, met de personen door hem aangewezen, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning, tot het binnentreden waarvan de bewoner niet uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">189</nr></kop><al>In geval van ontdekking op heterdaad of van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan de officier van justitie, bij dringende noodzakelijkheid ten einde een plaatselijke toestand of een voorwerp te schouwen, elke plaats betreden waar de daad begaan is of sporen heeft achtergelaten, onverminderd het bepaalde in de artikelen 155 tot en met 164.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">190</nr></kop><al>De officier van justitie kan ambtshalve of op het verzoek van de verdachte een of meer deskundigen benoemen ten einde hem voor te lichten of bij te staan en, zo nodig, met opdracht het door hem gevorderde onderzoek in te stellen en hem een met redenen omkleed verslag uit te brengen. De bepalingen van de zesde afdeling van de Derde Titel vinden overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">191</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ter plaatse waar en binnen de grenzen binnen welke zij bevoegd zijn tot opsporing, zijn hulpofficieren van justitie:</al><lijst><li nr="a."><al>de plaatselijke hoofden van politie;</al></li><li nr="b."><al>alle ambtenaren van politie in de rang van onderinspekteur en de daarboven gelegen rangen;</al></li><li nr="c."><al>de ambtenaren van de landsrecherche;</al></li><li nr="d."><al>de bij landsbesluit aan te wijzen hoofdagenten van politie, met uitzondering van het personeel van de politie, dat is aangesteld om uitsluitend werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; hun bevoegdheden als hulpofficier kunnen door de officier van justitie, hoofd van het parket, tot bepaalde taken worden beperkt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De hulpofficieren van justitie zijn gehouden alle inlichtingen te verstrekken en onderzoek te bewerkstelligen als door de officier van justitie wordt gevorderd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">192</nr></kop><al>Kan het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan hebben ook de hulpofficieren de bevoegdheden bij de artikelen 188 en 189 beschreven.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">193</nr></kop><al>De hulpofficieren van justitie doen de processen-verbaal, bij hen ingekomen of door hen opgemaakt, alsmede de opgave als benadeelde partij en de inbeslaggenomen voorwerpen onverwijld toekomen aan de officier van justitie.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">194</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De opsporingsambtenaren, die geen hulpofficier van justitie zijn, doen hun processen-verbaal, de aangiften of berichten ter zake van strafbare feiten, als ook de opgave als benadeelde partij, met de inbeslaggenomen voorwerpen, onverwijld toekomen aan de hulpofficier van justitie, onder wiens rechtstreeks bevel of toezicht zij staan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De officier van justitie kan in bijzondere gevallen gelasten, dat een en ander hem, in afwijking van het eerste lid, rechtstreeks zal worden toegezonden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">195</nr></kop><al>Onverminderd het bepaalde in bijzondere wettelijke regelingen doen de personen, bedoeld in artikel 185, hun processen-verbaal, de aangiften of berichten ter zake van strafbare feiten, alsmede de opgave als benadeelde partij, met de inbeslaggenomen voorwerpen, onverwijld toekomen aan de officier van justitie.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">196</nr></kop><al>Na overeenkomstig de artikelen 192 tot en met 195 te hebben gehandeld, wachten de hulpofficieren van justitie en de overige opsporingsambtenaren de nadere bevelen van de officier van justitie af; gedoogt het belang van het onderzoek zodanig afwachten niet, dan zetten zij het onderzoek inmiddels voort en winnen zij nadere inlichtingen in, die de zaak tot meer klaarheid kunnen brengen. Van dit onderzoek en de ingewonnen inlichtingen doen zij blijken bij proces-verbaal, waarmee zij handelen overeenkomstig de artikelen 193, 194 of 195.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">197</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het openbaar ministerie kan in het belang van het onderzoek in strafzaken de medewerking inroepen van personen en lichamen, die op het gebied van de reclassering werkzaam zijn en aan deze, ingeval zij zich daartoe bereid hebben verklaard, opdrachten geven tot het verzamelen van gegevens betreffende de persoonlijkheid, de levensomstandigheden of de reclassering van een verdachte. Het verslag betreffende de uitvoering van de opdracht wordt schriftelijk of mondeling gegeven naar gelang het openbaar ministerie dat verzoekt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien het openbaar ministerie aan personen of lichamen, als bedoeld in het eerste lid, verzoekt om tot het bekomen van opdrachten of het uitbrengen van verslag betreffende de uitvoering van opdrachten ter terechtzitting of bij enig ander onderzoek in een strafzaak tegenwoordig te zijn of zich te laten vertegenwoordigen, geven zij daaraan zoveel mogelijk gevolg.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Aangiften en klachten</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">198</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ieder, die kennis draagt van een van de misdrijven omschreven in de artikelen 97 tot en met 117 van het Wetboek van Strafrecht, in Titel VII van het Tweede Boek van dat wetboek, voor zover daardoor levensgevaar is veroorzaakt, of in de artikelen 300 tot en met 312 van dat wetboek, van mensenroof of van verkrachting, dan wel van het voornemen tot een van deze misdrijven, is verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De bepaling van het eerste lid is niet van toepassing op hem, die door de aangifte gevaar zou doen ontstaan voor een vervolging van zichzelf of van iemand bij wiens vervolging hij zich van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschonen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Evenzo is ieder, die kennis draagt dat iemand gevangen gehouden wordt op een plaats die niet wettig daarvoor bestemd is, verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">199</nr></kop><al>Ieder, die kennis draagt van een begaan strafbaar feit, is bevoegd daarvan aangifte te doen. Tot het doen van klacht is de belanghebbende bevoegd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">200</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Openbare colleges of ambtenaren, die in de uitoefening van hun bediening kennis krijgen van een misdrijf met de opsporing waarvan zij niet zijn belast, zijn verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen, met afgifte van de tot de zaak betrekkelijke stukken, aan de officier van justitie of een hulpofficier van justitie,</al><lijst><li nr="a."><al>indien het misdrijf is een ambtsmisdrijf, als bedoeld in Titel XXVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, dan wel</al></li><li nr="b."><al>indien het misdrijf is begaan door een ambtenaar, die daarbij een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of daarbij gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, dan wel</al></li><li nr="c."><al>indien door het misdrijf inbreuk op of onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van een regeling waarvan de uitvoering of de zorg voor de naleving aan hen is opgedragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zij verschaffen de officier van justitie of de hulpofficier desgevraagd alle inlichtingen omtrent strafbare feiten met de opsporing waarvan zij niet zijn belast en die in de uitoefening van hun bediening te hunner kennis zijn gekomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de ambtenaar, die door het doen van aangifte of het verschaffen van inlichtingen gevaar zou doen ontstaan voor een vervolging van zichzelf of van iemand bij wiens vervolging hij zich van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschonen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Gelijke verplichtingen rusten op rechtspersonen of organen van rechtspersonen wier taken en bevoegdheden zijn omschreven bij of krachtens landsverordening, voor zover daartoe bij landsbesluit aangewezen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld in het belang van een goede uitvoering van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De aangifteplicht met betrekking tot misdrijven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan in overleg met de officier van justitie en met inachtneming van de regels gesteld krachtens het vijfde lid, nader worden beperkt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">201</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De aangifte van een strafbaar feit geschiedt mondeling of schriftelijk bij de bevoegde ambtenaar, hetzij door de aangever in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van een bijzondere schriftelijke volmacht voorzien.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De mondelinge aangifte wordt door de ambtenaar die haar ontvangt, op schrift gesteld en na voorlezing door hem met de aangever of diens gemachtigde ondertekend. Indien deze niet kan tekenen, wordt de reden van het beletsel vermeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De schriftelijke aangifte wordt door de aangever of diens gemachtigde ondertekend. De schriftelijke volmacht, of, zo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt aan de akte gehecht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Tot het ontvangen van de aangiften, bedoeld in de artikelen 198 en 199, zijn de opsporingsambtenaren, en tot het ontvangen van de aangiften, bedoeld in artikel 200, de daarbij genoemde ambtenaren, verplicht. Artikel 194 is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">202</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij strafbare feiten alleen op klacht vervolgbaar, geschiedt deze klacht mondeling of schriftelijk bij de bevoegde ambtenaar, hetzij door de tot de klacht gerechtigde in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van een bijzondere schriftelijke volmacht voorzien. De klacht bestaat in een aangifte met verzoek tot vervolging.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het tweede en derde lid van artikel 201 zijn van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">203</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tot het ontvangen van de klacht is elke officier van justitie en elke hulpofficier van justitie verplicht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 193 is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">204</nr></kop><al>Indien de klacht krachtens artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht door de wettige vertegenwoordiger van een minderjarige, die twaalf jaren of ouder is of van een onder curatele gestelde is geschied, gaat de officier van justitie niet tot vervolging over dan na de vertegenwoordigde persoon, zo deze in het land verblijft, in de gelegenheid te hebben gesteld zijn mening omtrent de wenselijkheid van vervolging kenbaar te maken, althans na deze daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen, tenzij dit in verband met de lichamelijke of geestelijke toestand van de minderjarige of de onder curatele gestelde niet mogelijk of niet wenselijk is.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">205</nr></kop><al>De intrekking van de klacht geschiedt bij de ambtenaren, op de wijze en in de vorm voor het doen van de klacht bij de artikelen 201, 202 en 203 bepaald. Artikel 193 is van toepassing.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Opgave als benadeelde partij</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">206</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ieder, die door het strafbare feit van een ander schade heeft geleden, kan zich opgeven als benadeelde partij.Ten aanzien van die opgave is artikel 201, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing. De opsporingsambtenaren zijn tot het ontvangen van de opgave verplicht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De benadeelde partij ontvangt een afschrift van het proces-verbaal betreffende haar opgave.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wanneer de benadeelde partij de wens kenbaar heeft gemaakt schadevergoeding te vorderen of omtrent het verloop van de zaak te worden ingelicht, wordt daarvan in het proces-verbaal melding gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Wanneer de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit hulp en steun behoeft, wordt daartoe de nodige bemiddeling verleend. De bemiddeling kan ook betrekking hebben op de totstandkoming van een regeling tot schadevergoeding tussen de verdachte, indien deze heeft bekend en vrijwillig aan die regeling meewerkt, en de benadeelde partij.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Beslissing omtrent al dan niet vervolgen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">207</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de officier van justitie naar aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek van oordeel is, dat vervolging moet plaatshebben, gaat hij daartoe zo spoedig mogelijk over.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Van vervolging kan worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Aan die beslissing kunnen door de officier van justitie voorwaarden worden verbonden. Daarbij wordt in het bijzonder acht geslagen op de belangen van de benadeelde partij.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Artikel 278, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving behelst alsdan de beslissing niet te vervolgen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">208</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien gronden voor vervolging aanwezig worden geacht, beziet de officier van justitie, alle omstandigheden in aanmerking genomen, of de zaak langs andere dan gerechtelijke weg kan worden afgedaan. Bij die beslissing kunnen door hem voorwaarden worden gesteld aan de verdachte, indien deze heeft bekend en zich bereid heeft verklaard de voorwaarden na te leven, met het oog op het zonder vergoeding verrichten van werkzaamheden ten algemene nutte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In verband met een goede uitvoering van het in het eerste lid bepaalde, worden door het openbaar ministerie richtlijnen vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">209</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De benadeelde partij, die de in artikel 206, derde lid, bedoelde wens kenbaar heeft gemaakt, wordt door de officier van justitie ingelicht omtrent de door hem genomen beslissing omtrent al dan niet vervolgen. Indien de zaak wordt vervolgd, houdt hij de benadeelde partij op de hoogte van voor haar van belang zijnde momenten in de verdere procedure. Indien de zaak niet wordt vervolgd, wijst hij haar op de mogelijkheid om op de voet van de artikelen 15 tot en met 28 bij het Hof van Justitie beklag te doen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Desgevraagd wordt degene, die door een misdrijf ernstig is benadeeld, in de gelegenheid gesteld om, in verband met door de officier van justitie te nemen beslissingen, zijn zienswijze kenbaar te maken.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">II</nr><titel status="officieel">De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Benoeming en ontslag</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">210</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De president van het Hof van Justitie wijst, na de procureur-generaal te hebben gehoord, een of meer leden of plaatsvervangende leden van het Hof of rechtersplaatsvervanger in eerste aanleg aan als rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij het gerecht in eerste aanleg, of als diens plaatsvervanger.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De aanwijzing geschiedt voor een door de president te bepalen termijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan op zijn verzoek om gewichtige redenen voor de afloop van de termijn waarvoor hij is aangewezen, nadat de procureur-generaal is gehoord, door de president van het Hof uit zijn functie worden ontheven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">211</nr></kop><al>De rechter-commissaris zet na afloop van zijn functie de door hem aangevangen behandeling van een zaak voort en brengt die ten einde.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">212</nr></kop><al>Bij verhindering van de rechter-commissaris of diens plaatsvervanger wordt zijn functie waargenomen door een van de leden of plaatsvervangende leden van het Hof van Justitie of rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Verrichtingen van de rechter-commissaris in het algemeen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">213</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris wordt bij zijn verrichtingen bijgestaan door een griffier.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij verhindering of ontstentenis van deze kan de rechter-commissaris in dringende gevallen een persoon aanwijzen, ten einde voor bepaald aan te wijzen verrichtingen als griffier op te treden. Deze plaatsvervangende griffier wordt voor de aanvang van zijn werkzaamheden door de rechter-commissaris beëdigd, dat hij zijn taak naar behoren zal vervullen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">214</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris doet door de griffier een proces-verbaal opmaken van hetgeen bij het onderzoek is verklaard, verricht en voorgevallen of door hem is waargenomen; daarbij moeten tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien dit tot juist begrip van een verklaring of om andere redenen gewenst is, of indien de verdachte, getuige of deskundige of de raadsman dit verlangt, doet hij ook de vraag naar aanleiding waarvan de verklaring is afgelegd, in het proces-verbaal opnemen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de verdachte, getuige of deskundige of de raadsman verlangt dat enige opgave in de eigen woorden zal worden opgenomen, geschiedt dat, voor zover de opgave redelijke grenzen niet overschrijdt, zoveel mogelijk.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">215</nr></kop><al>Geen vragen worden gedaan die de strekking hebben verklaringen te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid zijn afgelegd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">216</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Iedere getuige, deskundige of verdachte ondertekent zijn verklaring, nadat die hem is voorgelezen of door hem is gelezen, en hij verklaard heeft daarbij te volharden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij gebreke van ondertekening wordt de weigering of de oorzaak van het beletsel vermeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">217</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tussen de regels van het proces-verbaal wordt niet geschreven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Doorhalingen en verwijzingen worden ondertekend of gewaarmerkt door de rechter-commissaris en de griffier, en door hem op wiens verklaring de doorhaling of verwijzing betrekking heeft. Bij gebreke van ondertekening of waarmerking wordt de weigering of de oorzaak van het beletsel vermeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">218</nr></kop><al>Het proces-verbaal wordt door de rechter-commissaris en de griffier ondertekend.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">219</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan, ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, in het belang van het onderzoek het doen van nasporingen opdragen en bevelen geven aan de ambtenaren genoemd in artikel 184, eerste lid, en aan de personen genoemd in artikel 185.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris heeft gelijke bevoegdheid als in artikel 197 aan het openbaar ministerie is toegekend.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">220</nr></kop><al>Indien bij afwezigheid van de officier van justitie gedurende het onderzoek enig strafbaar feit wordt begaan, doet de rechter-commissaris daarvan een proces-verbaal opmaken en dat toekomen aan de officier van justitie.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">III</nr><titel status="officieel">Gang van het gerechtelijk vooronderzoek</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">De vordering van de officier van justitie</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">221</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de officier van justitie overeenkomstig de bepaling van artikel 187 ten aanzien van een strafbaar feit een gerechtelijk vooronderzoek nodig acht, vordert hij dat door de rechter-commissaris onverwijld daartoe zal worden overgegaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In de vordering wordt het feit zo nauwkeurig mogelijk omschreven als in deze stand van de zaak mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Die vordering of, zo de verdachte eerst later bekend wordt, een onverwijld in te dienen nadere vordering wijst de verdachte aan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">222</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie dient ook een nadere vordering in, zodra het gerechtelijk vooronderzoek tot andere strafbare feiten moet worden uitgebreid, en, zodra het belang van het onderzoek de indiening toelaat, wanneer een meer nauwkeurige omschrijving van het feit mogelijk is geworden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zodra de rechter-commissaris, al of niet na verzoek van de verdachte, oordeelt dat een nadere vordering nodig is, geeft hij daarvan schriftelijk kennis aan de officier van justitie.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">223</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris deelt de officier van justitie de inhoud van de stukken van het gerechtelijk vooronderzoek mee, zo dikwijls deze dit verlangt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de inhoud van die stukken de officier van justitie daartoe aanleiding geeft, doet hij de vereiste vorderingen tot nader onderzoek.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">224</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de rechter-commissaris oordeelt, dat tot het gerechtelijk vooronderzoek geen grond bestaat, verklaart hij dit bij een met redenen omklede beschikking.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 221 kan de rechter-commissaris, zo de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt en aan hem nog niet een dagvaarding ter terechtzitting is betekend, op het verzoek van de verdachte een gerechtelijk vooronderzoek instellen ten aanzien van het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen. Indien de rechter-commissaris oordeelt, dat grond tot gebruik van deze bevoegdheid bestaat, verklaart hij dit bij een met redenen omklede beschikking. Een afschrift daarvan zendt hij aan de officier van justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Zodra een overeenkomstig het tweede lid ingesteld gerechtelijk vooronderzoek moet worden uitgebreid tot andere strafbare feiten, dient de officier van justitie een daartoe strekkende vordering in.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Wanneer een meer nauwkeurige omschrijving van het feit mogelijk is geworden, dient de officier van justitie een dienovereenkomstige vordering in, zodra het belang van het onderzoek de indiening toelaat.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Artikel 222, tweede lid, en artikel 223 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">225</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Telkens ter gelegenheid van het eerste verhoor van de verdachte, nadat een vordering als vermeld in de artikelen 221, 222 en 224, derde en vierde lid, is ingekomen, dan wel een beschikking als bedoeld in artikel 222, tweede lid, is gegeven, wordt hem door de rechter-commissaris een afschrift van die vordering of beschikking ter hand gesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan echter bevelen, dat de vordering of de beschikking reeds voor het verhoor aan de verdachte zal worden betekend.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Instellen van het gerechtelijk vooronderzoek</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">226</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien tot het instellen van het onderzoek wordt overgegaan, worden zo spoedig en zo dikwijls het belang van de zaak dit vordert, verdachten, getuigen en deskundigen verhoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De officier van justitie en de raadsman zijn bevoegd de verhoren van de rechter-commissaris bij te wonen. De rechter-commissaris bevordert, dat zij bij de verhoren tegenwoordig kunnen zijn, zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De officier van justitie en de raadsman kunnen, ook wanneer zij de verhoren niet bijwonen, de vragen opgeven die zij wensen te zien gesteld. Ten aanzien van de raadsman is artikel 48, derde en vijfde lid, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">227</nr></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 261, nodigt de rechter-commissaris, indien naar zijn oordeel het gegrond vermoeden bestaat dat de getuige of de deskundige niet ter terechtzitting zal kunnen verschijnen, de officier van justitie, de verdachte en de raadsman tot bijwoning van het verhoor uit, tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor gedoogt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">228</nr></kop><al>De rechter-commissaris neemt de nodige maatregelen om te beletten dat de voor verhoor verschenen verdachten, getuigen en deskundigen zich voor of tijdens hun verhoor met elkaar onderhouden.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">229</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachten, getuigen en deskundigen worden ieder afzonderlijk verhoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan hen echter, hetzij op de vordering van de officier van justitie, hetzij op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, tegenover elkaar stellen of in elkaars tegenwoordigheid verhoren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte of diens raadsman wordt zoveel mogelijk in de gelegenheid gesteld getuigen te ondervragen. Wanneer naar het oordeel van de rechter-commissaris het gegronde vermoeden bestaat dat een getuige niet op de terechtzitting zal kunnen verschijnen, komt de verdachte of diens raadsman het recht toe hem te ondervragen. De ondervraging geschiedt op de wijze door de rechter-commissaris te bepalen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">230</nr></kop><al>De rechter-commissaris vraagt de verdachte, getuigen en deskundigen naar hun naam en voornamen, leeftijd, beroep en woon- of verblijfplaats, voorts de verdachte tevens naar zijn geboorteplaats. Indien de verdachte bekend is, vraagt de rechter-commissaris de getuigen en de deskundigen, of zij diens bloedverwanten of aangehuwden zijn, en zo ja, in welke graad.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">231</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien een verdachte, getuige of deskundige de taal die de rechter-commissaris bezigt, niet verstaat, benoemt deze een tolk, die de leeftijd van achttien jaren moet hebben bereikt. Artikel 349, tweede lid, is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien een verdachte of getuige niet of slechts zeer gebrekkig horen of spreken kan, bepaalt de rechter-commissaris dat de vragen of de antwoorden schriftelijk zullen geschieden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Kan de in het tweede lid bedoelde verdachte of getuige niet of slechts zeer gebrekkig lezen of schrijven, dan kan de rechter-commissaris een daartoe geschikte persoon tot tolk benoemen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De tolk wordt, zo nodig, op bevel van de rechter-commissaris gedagvaard en wordt beëdigd. Artikel 250, tweede lid, betreffende de vervanging van de beëdiging door een aanmaning, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">232</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan, hetzij op de vordering van de officier van justitie, hetzij op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, ten einde de plaatselijke toestand of enig voorwerp te schouwen, met de personen door hem aangewezen, elke plaats betreden met uitzondering van een woning, tot het binnentreden waarvan de bewoner niet uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan in overleg met de officier van justitie bepalen, dat de verdachte, de getuigen en deskundigen ter plaatse zullen worden verhoord.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">233</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris geeft tijdig schriftelijk kennis van de voorgenomen schouw aan de officier van justitie en aan de verdachte en diens raadsman.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De officier van justitie en de raadsman kunnen bij iedere schouw tegenwoordig zijn. De verdachte wordt, voor zover het belang van het onderzoek dit niet verbiedt, door de rechtercommissaris toegelaten de schouw geheel of gedeeltelijk bij te wonen. Zij kunnen verzoeken dat zij aanwijzingen mogen doen of inlichtingen mogen geven of dat bepaalde opmerkingen in het proces-verbaal zullen worden vermeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">234</nr></kop><al>Ingeval de schouw moet geschieden in een ander eilandgebied, draagt de rechter-commissaris haar over aan zijn ambtgenoot in dat andere eilandgebied.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">235</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier van justitie, bevelen dat de verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan, en, in geval van dringende noodzakelijkheid, bovendien degenen ten aanzien van wie vermoed wordt dat zij sporen van het strafbare feit aan het lichaam of aan de kleding dragen, aan hun lichaam of kleding zullen worden onderzocht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 78, derde lid, is van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Het verhoor van de verdachte</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">236</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan in overleg met de officier van justitie de verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, voor zich doen verschijnen. Hij kan op de vordering van de officier van justitie de dagvaarding van de verdachte, die in vrijheid is, bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In geen geval wordt het gerechtelijk vooronderzoek gesloten voordat de verdachte is gehoord.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">237</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de verdachte zich in een ander eilandgebied bevindt, kan de rechter-commissaris het verhoor overdragen aan zijn ambtgenoot in dat andere eilandgebied.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De overige artikelen van deze afdeling zijn van toepassing op de rechter met het verhoorbelast.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">238</nr></kop><al>Het proces-verbaal van een verhoor van de verdachte, dat op verzoek van de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden, wordt hem gesloten en verzegeld toegezonden.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">239</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de verdachte verhinderd is te verschijnen, kan zijn verhoor geschieden op de plaats waar hij zich ophoudt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan daartoe met de personen door hem aangewezen, en met inachtneming van de bepalingen van artikel 232 elke plaats betreden, met uitzondering van een woning, tot het betreden waarvan de bewoner niet uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">240</nr></kop><al>Indien de verdachte in vrijheid is en niet op de dagvaarding verschijnt, kan de rechter-commissaris hem op de vordering van de officier van justitie andermaal doen dagvaarden. Daarbij kan worden gevoegd een bevel tot medebrenging, doch slechts indien de aanwezigheid van de verdachte noodzakelijk is in verband met een onderzoek naar zijn persoonlijkheid of zijn persoonlijke omstandigheden.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">241</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien dit in het belang van het onderzoek dringend noodzakelijk is, kan de rechter-commissaris bevelen, dat de overeenkomstig artikel 240 meegebrachte verdachte gedurende ten hoogste vierentwintig uren in een door hem aan te wijzen plaats zal worden opgehouden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De redenen daarvan worden in het bevel vermeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">242</nr></kop><al>De verdachte wordt bij zijn verhoor mondeling mededeling gedaan van de verklaringen van getuigen en deskundigen, die buiten zijn tegenwoordigheid zijn verhoord, voor zover naar het oordeel van de rechter-commissaris het belang van het onderzoek dit niet verbiedt.Wordt de verdachte de wetenschap van bepaalde opgaven onthouden, dan geeft de rechter-commissaris hem dit mondeling te kennen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Het verhoor van de getuige</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">243</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte kan bij zijn verhoor mondeling getuigen en feiten ten onderzoek opgeven. Bij het proces-verbaal wordt, voor zover de opgave redelijke grenzen niet overschrijdt, van een en ander melding gemaakt, met korte aanduiding van hetgeen de getuigen volgens de opgave van de verdachte zouden kunnen verklaren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de rechter-commissaris bezwaar heeft, hetzij tegen het vermelden van een en ander in het proces-verbaal, hetzij tegen het verhoren van de opgegeven getuigen, hetzij tegen het onderzoek naar de opgegeven feiten, deelt hij zijn weigering om tot een of ander over te gaan, bij het verhoor of het eerstvolgend verhoor aan de verdachte mee, en vermeldt deze onder opgave van redenen in het proces-verbaal. Wanneer de verdachte de dagvaarding van getuigen verzoekt, ten aanzien van wie naar het oordeel van de rechter-commissaris het gegronde vermoeden bestaat dat zij niet op de terechtzitting zullen kunnen verschijnen en die naar het oordeel van de verdachte voor hem ontlastende verklaringen zouden kunnen afleggen, mag dagvaarding niet worden geweigerd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte kan binnen drie dagen na de in het tweede lid bedoelde mededeling tegen die weigering een bezwaarschrift indienen bij het Hof van Justitie.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">244</nr></kop><al>De rechter-commissaris verhoort de getuige, wiens verhoor door de rechter wordt bevolen, door de officier van justitie wordt gevorderd of door de verdachte of diens raadsman wordt verzocht. Hij kan op de vordering van de officier van justitie de dagvaarding van de getuige bevelen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">245</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het eerste lid van artikel 237 alsmede artikel 238 vinden ten aanzien van het verhoor van getuigen, die zich in een ander eilandgebied ophouden, overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Houdt de getuige zich op in een ander eilandgebied, dan beveelt de rechter-commissaris diens dagvaarding alleen, indien hij overkomst noodzakelijk of in het belang van de getuige oordeelt. Het bevel wordt gegeven, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman. In de dagvaarding wordt van de noodzakelijkheid van de overkomst of van het belang van de getuige melding gemaakt. Artikel 243, tweede lid, laatste volzin, blijft van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">246</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de getuige verhinderd is te verschijnen, kan zijn verhoor geschieden op de plaats waar hij zich ophoudt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan daartoe met de personen door hem aangewezen, en met inachtneming van de bepalingen van artikel 232 elke plaats betreden, met uitzondering van een woning, tot het binnentreden waarvan de bewoner niet uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">247</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ieder die als getuige is gedagvaard, is verplicht voor de rechter-commissaris te verschijnen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de getuige niet op de dagvaarding verschijnt, kan de rechter-commissaris hem op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman andermaal doen dagvaarden en daarbij voegen een bevel tot medebrenging of zodanig bevel later uitvaardigen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">248</nr></kop><al>Indien dit in het belang van het onderzoek dringend noodzakelijk is, kan de rechter-commissaris op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman bevelen, dat de overeenkomstig artikel 247 meegebrachte getuige gedurende ten hoogste vierentwintig uren in een door hem aan te wijzen plaats zal worden opgehouden. De redenen daarvan worden in het bevel vermeld.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">249</nr></kop><al>De getuige verklaart de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">250</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris beëdigt de getuige, indien er naar zijn oordeel gegrond vermoeden bestaat dat deze niet op de terechtzitting zal kunnen verschijnen, of ingeval de overlegging van beëdigde getuigenissen nodig is om de uitlevering van de verdachte te verkrijgen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien een getuige met gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van zijn geestvermogens, naar het oordeel van de rechter-commissaris, de betekenis van de eed niet voldoende beseft, of indien een getuige de volle ouderdom van vijftien jaren nog niet heeft bereikt, wordt hij niet beëdigd doch aangemaand de gehele waarheid en niets anders dan de waarheid te zeggen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Van de reden van de beëdiging of aanmaning wordt in het proces-verbaal melding gemaakt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">251</nr></kop><al>Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich verschonen:</al><lijst><li nr="a."><al>de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de verdachte of de medeverdachte;</al></li><li nr="b."><al>de bloed- of aanverwanten in de zijlijn tot de derde graad ingesloten, van de verdachte of de medeverdachte;</al></li><li nr="c."><al>de echtgenoot of vroegere echtgenoot van de verdachte of de medeverdachte, dan wel de persoon, met wie de verdachte of medeverdachte duurzaam feitelijk samenwoont of heeft samengewoond. Die samenwoning zal op genoegzame wijze aannemelijk moeten worden gemaakt.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">252</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich ook verschonen zij, die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is op overeenkomstige wijze van toepassing op de rechters, de leden van het openbaar ministerie en andere personen, die bekend zijn met de identiteit van de getuige die op de voet van het bepaalde in artikel 261 is verhoord. De bevoegdheid zich te verschonen is beperkt tot de vragen die gericht zijn op de onthulling van de identiteit van de getuige.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">253</nr></kop><al>De getuige kan zich verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag, indien hij daardoor of zichzelf of een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of derde graad of zijn echtgenoot of vroegere echtgenoot dan wel de persoon, met wie hij duurzaam feitelijk samenwoont of samengewoond heeft, aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling zou blootstellen. Die samenwoning zal op genoegzame wijze aannemelijk moeten worden gemaakt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">254</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De getuige legt zijn verklaring af, zonder zich van een schriftelijk opstel te mogen bedienen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan echter om bijzondere redenen de getuige toestaan, bij zijn verklaring zodanig gebruik te maken van geschriften of schriftelijke aantekeningen als hij veroorloven zal.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">255</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de getuige bij zijn verhoor zonder wettige grond weigert op de gestelde vragen te antwoorden of de van hem gevorderde verklaring of eed af te leggen, beveelt de rechter-commissaris, zo dit in het belang van het onderzoek dringend noodzakelijk is, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, dat de getuige in gijzeling zal worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris doet op het verzoek van de gegijzelde verslag aan het Hof van Justitie. Het Hof beveelt binnen tweemaal vierentwintig uren daarna, na de getuige te hebben gehoord, dat deze in gijzeling zal worden gehouden of daaruit zal worden ontslagen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">256</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevel van de rechter-commissaris dat de getuige in gijzeling zal worden gesteld, is voor niet langer dan twaalf dagen geldig.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan echter gedurende het gerechtelijk vooronderzoek, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, telkens, nadat de getuige opnieuw is gehoord, dat bevel van twaalf tot twaalf dagen verlengen. Ten aanzien van deze verlengingen komt de gegijzelde eenmaal de bevoegdheid toe, bedoeld in artikel 255, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">257</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris beveelt het ontslag van de getuige uit de gijzeling, zodra deze aan zijn verplichting heeft voldaan of zijn getuigenis niet meer nodig is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hij kan te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de getuige, diens ontslag uit de gijzeling bevelen. De getuige wordt gehoord, althans behoorlijk daartoe opgeroepen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In ieder geval gelast de officier van justitie het ontslag uit de gijzeling, zodra het gerechtelijk vooronderzoek is beëindigd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">258</nr></kop><al>Alle beschikkingen waarbij gijzeling wordt bevolen of verlengd, of waarbij een verzoek van de getuige tot ontslag uit de gijzeling wordt afgewezen, zijn met redenen omkleed en worden binnen vierentwintig uren aan de getuige betekend.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">259</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Gedurende de gijzeling kan de getuige zich beraden met een advocaat.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Deze heeft vrije toegang tot de getuige, kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door anderen wordt kennisgenomen, een en ander onder het vereiste toezicht, met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De officier van justitie staat de advocaat op diens verzoek toe van de processen-verbaal betreffende de verhoren van de getuige kennis te nemen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Hij kan, voor zover het belang van het onderzoek dit niet verbiedt, de advocaat op diens verzoek toestaan ook van de overige processtukken kennis te nemen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Weigert de officier van justitie de inzage, dan staat tegen diens beslissing binnen drie dagen na de mededeling beroep open bij de rechter-commissaris.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">260</nr></kop><al>Wanneer de getuigenis van de Gouverneur gedurende het gerechtelijk vooronderzoek vereist mocht worden en hij toegestemd zal hebben verhoord te worden, zal de rechter-commissaris zich met de griffier ten Gouvernementshuize begeven, teneinde aldaar de verklaring van de Gouverneur te ontvangen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIJFDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Bedreigde getuigen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">261</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Wanneer een getuige met het oog op een door hem af te leggen verklaring ernstig wordt bedreigd, kan de rechter-commissaris, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de getuige, bepalen dat de getuige op zodanige wijze wordt verhoord, dat zijn identiteit geheel verborgen blijft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ernstige bedreiging in de zin van het eerste lid kan slechts worden aangenomen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de getuige met het oog op de door hem af te leggen verklaring zich zodanig bedreigd kan achten dat, naar redelijkerwijze moet worden aangenomen, ernstig voor het leven, de gezondheid of het maatschappelijk functioneren van de getuige of van een andere persoon moet worden gevreesd,</al></li><li nr="b."><al>de getuige te kennen heeft gegeven vanwege die bedreiging anders geen verklaring te willen afleggen, en</al></li><li nr="c."><al>er een gegrond vermoeden bestaat dat de getuige deswege niet ter terechtzitting zal kunnen verschijnen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het eerste lid blijft buiten toepassing, indien het verhoor een misdrijf betreft, waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Bij toepassing van het eerste lid ziet de rechter-commissaris erop toe, dat de getuige bij gelegenheid van het verhoor tegen herkenning wordt beschermd. In uitzonderlijke gevallen kan hij bepalen dat de verdachte en diens raadsman het verhoor van de getuige niet zullen bijwonen. In dat geval zal de officier van justitie daarbij ook niet tegenwoordig zijn. De rechter-commissaris stelt hun zodra mogelijk in kennis van de inhoud van de door de getuige afgelegde verklaringen. Zij worden in de gelegenheid gesteld zoveel mogelijk de vragen op te geven, die zij gesteld wensen te zien.Tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor gedoogt, kunnen vragen reeds voor de aanvang van het verhoor worden opgegeven. Het proces-verbaal van verhoor wordt naar de vorm van vraag en antwoord ingericht. De persoonsgegevens van de getuige, bedoeld in artikel 230, worden niet in het proces-verbaal van verhoor opgenomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Voorafgaand aan het verhoor, bedoeld in het vierde lid, toetst de rechter-commissaris de bezwaren van de getuige tegen onthulling van diens identiteit. Deze bezwaren worden in het proces-verbaal vermeld. De rechter-commissaris verantwoordt daarin of hij de bezwaren gegrond acht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De getuige die op de voet van het vierde lid zal worden verhoord, wordt door de rechter-commissaris in verband met artikel 250, eerste lid, beëdigd. Daarvan wordt in het proces-verbaal melding gemaakt. Artikel 250, tweede en derde lid, is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>Wanneer de rechter-commissaris van oordeel is dat ernstige bedreiging in de zin van het eerste lid niet kan worden aangenomen, en de getuige volhardt in zijn wens anoniem te blijven, beslist de rechter-commissaris dat de getuige zal worden verhoord zonder toepassing van het vierde lid, tenzij de officier van justitie zich daartegen verzet, in welk geval wordt afgezien van verhoor van de getuige.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">8.</lidnr><al>In bijzonder spoedeisende gevallen, waarin het verhoor door de rechter-commissaris niet kan worden afgewacht, kan de getuige ook door een opsporingsambtenaar worden verhoord, doch alleen op grond van verkregen toestemming door de rechter-commissaris. Het in het eerste tot en met zevende lid bepaalde vindt zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">9.</lidnr><al>Toepassing van dit artikel vindt, voor zoveel nodig, plaats in afwijking van het bepaalde omtrent het verhoor van de getuige en de daaraan door de verdachte of diens raadsman te ontlenen bevoegdheden.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">ZESDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Deskundigen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">262</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte, een of meer deskundigen benoemen, ten einde hem voor te lichten of bij te staan en, zo nodig, met opdracht het door hem gevorderde onderzoek in te stellen en hem een met redenen omkleed verslag uit te brengen. Hij kan hun dagvaarding bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte is bevoegd te verzoeken dat een of meer door hem aanbevolen personen als deskundigen zullen worden benoemd. Indien het belang van het onderzoek dit niet verbiedt, kiest de rechter-commissaris een of meer van de deskundigen uit de door de verdachte aanbevolen personen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Ten aanzien van de deskundigen en hun verhoor vinden de artikelen 243, en 245 tot en met 247 alsmede de artikelen 251 tot en met 254 overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Ieder die tot deskundige is benoemd, is verplicht de door de rechter-commissaris gevorderde diensten te bewijzen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">263</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De deskundige wordt door de rechter-commissaris beëdigd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Van degene die, op de vordering van het openbaar ministerie, door het Hof van Justitie als vaste gerechtelijke deskundige is beëdigd, wordt ter zake van het uitbrengen van een schriftelijk verslag geen nadere eed gevorderd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">264</nr></kop><al>De rechter-commissaris bepaalt het tijdstip waarop het onderzoek van de deskundigen zal aanvangen, en de termijn waarbinnen dit zal moeten zijn afgelopen; deze termijn kan door de rechter-commissaris worden verlengd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">265</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris geeft de officier van justitie schriftelijk of mondeling kennis van de aan de deskundigen verleende opdracht, van tijd en plaats van hun onderzoek en van de uitslag daarvan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet, geeft de rechter-commissaris na de officier van justitie te hebben gehoord, de verdachte en diens raadsman schriftelijk kennis van de aan de deskundigen verleende opdracht en van tijd en plaats van hun onderzoek.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Van de uitslag daarvan geschiedt gelijke kennisgeving, zodra het belang van het onderzoek dit toelaat.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">266</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het onderzoek van de deskundigen geschiedt in tegenwoordigheid van de rechter-commissaris, indien deze dat nodig oordeelt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan, indien het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet, bepalen dat de verdachte aan wie van de opdracht aan deskundigen is kennis gegeven, en diens raadsman, het onderzoek van de deskundigen geheel of gedeeltelijk zullen kunnen bijwonen. De officier van justitie kan bij het onderzoek tegenwoordig zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De officier van justitie, de verdachte en diens raadsman, hebben, ook indien het onderzoek van de deskundigen buiten hun tegenwoordigheid geschiedt, de bevoegdheid met betrekking tot dat onderzoek aanwijzingen te doen en opmerkingen te maken. Desverlangd wordt aan de deskundigen en aan de verdachte de gelegenheid gegeven om ten overstaan van of, voor zover dat in het belang van het onderzoek noodzakelijk schijnt, door bemiddeling van de rechter-commissaris een onderhoud te hebben.Ten aanzien van de officier van justitie en de raadsman is daarbij het tweede lid van artikel 233 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De rechter-commissaris stelt de deskundigen mondeling of schriftelijk in kennis van de opmerkingen en aanwijzingen, voor zover deze geschied zijn buiten hun tegenwoordigheid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">267</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte aan wie van de opdracht aan de deskundigen is kennisgegeven, is bevoegd zijnerzijds een deskundige aan te wijzen, die het recht heeft bij het onderzoek van de door de rechter-commissaris benoemde deskundigen tegenwoordig te zijn, daarbij de nodige aanwijzingen te doen en opmerkingen te maken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan om redenen in de persoon gelegen, de toelating van een bepaalde aangewezen deskundige tot het onderzoek weigeren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte kan alsdan onverwijld de weigering onderwerpen aan het oordeel van het Hof, dat alsnog de toelating kan bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>In geen geval mag, tenzij de rechter-commissaris hierin bewilligt, door de aanwijzing vertraging in de aanvang of de loop van het onderzoek plaatshebben.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">268</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte aan wie van de uitslag van het onderzoek is kennisgegeven, is bevoegd zijnerzijds een deskundige aan te wijzen, die het recht heeft het verslag van de door de rechter-commissaris benoemde deskundigen te onderzoeken. Het tweede en derde lid van artikel 267 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In geen geval mag, tenzij de rechter-commissaris hierin bewilligt, door de aanwijzing vertraging in de loop van het gerechtelijk vooronderzoek plaatshebben.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter-commissaris verleent aan de aangewezen deskundige inzage of afschrift van het verslag, bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">269</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Met betrekking tot de door de verdachte overeenkomstig een van de beide voorgaande artikelen aangewezen deskundige zijn de artikelen 245 tot en met 247, 263 tot en met 265, 266, derde en vierde lid, en 267 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Die deskundige brengt aan de rechter-commissaris een met redenen omkleed verslag uit. Het verslag wordt schriftelijk of mondeling uitgebracht, naar gelang de rechter-commissaris dit vordert.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Die deskundige ontvangt uit 's Lands kas vergoeding op dezelfde voet als de deskundigen, die door de rechter-commissaris zijn benoemd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">270</nr></kop><al>Ingeval hetzij de wijze waarop het onderzoek door de deskundigen is geschied, hetzij het verschil van de deskundigen omtrent de feiten, hetzij het verschil in oordeelvelling, daartoe aanleiding geeft, kan de rechter-commissaris, hetzij op de vordering van de officier van justitie, hetzij op het verzoek van de verdachte, het onderzoek aan andere deskundigen opdragen. De voorgaande artikelen van deze afdeling en artikel 271 zijn van toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">271</nr></kop><al>De rechter-commissaris kan de deskundigen geheimhouding opleggen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">ZEVENDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">272</nr></kop><al>Indien de rechter-commissaris oordeelt dat het gerechtelijk vooronderzoek is voltooid of dat tot voortzetting daarvan geen grond bestaat, of wel indien de officier van justitie hem schriftelijk meedeelt dat van verdere vervolging wordt afgezien, sluit hij het onderzoek bij een beschikking waarin de reden van de sluiting is vermeld, en doet hij deze aan de officier van justitie toekomen en aan de verdachte betekenen. Tegen deze beschikking is geen voorziening toegelaten.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">273</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien in de zaak een bevel krachtens de artikelen 15 tot en met 29 is gevraagd of gegeven, doet de officier van justitie een mededeling overeenkomstig artikel 272 niet dan nadat daarin is bewilligd door het Hof van Justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De officier van justitie doet te dien einde de processtukken, vergezeld van een verslag houdende de gronden voor zodanige mededeling, toekomen aan het Hof van Justitie.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">274</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten, doch het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen, kan de rechter in eerste aanleg, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte, de rechter-commissaris het verrichten van bepaalde handelingen van nader onderzoek opdragen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De vordering van de officier van justitie en het verzoek van de verdachte bevatten, op straffe van niet-ontvankelijkheid met redenen omkleed, een nauwkeurige opgave van de handelingen van onderzoek die door de rechter-commissaris dienen te worden verricht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de rechter daartoe gronden aanwezig acht, hoort hij de officier van justitie of de verdachte, tenzij hij de vordering of het verzoek aanstonds niet ontvankelijk of ongegrond acht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het door de rechter-commissaris te verrichten nader onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt gevoerd overeenkomstig de artikelen 226 tot en met 272.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IV</nr><titel status="officieel">Beslissing omtrent al dan niet verdere vervolging</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">275</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien naar aanleiding van het ingestelde voorbereidend onderzoek de officier van justitie van oordeel is dat verdere vervolging moet plaatshebben, gaat hij daartoe zo spoedig mogelijk over.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen, kan van verdere vervolging worden afgezien, ook op gronden aan het algemeen belang ontleend.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">276</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van de mededeling genoemd in artikel 272 doet de officier van justitie de verdachte onverwijld kennisgeven, dat hij hem ter zake van het feit waarop het gerechtelijk vooronderzoek betrekking had, niet verder zal vervolgen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is voorlopige hechtenis toegepast en heeft de officier van justitie de mededeling genoemd in artikel 272 gedaan, dan wordt daardoor elk bevel tot voorlopige hechtenis op het tijdstip van de beschikking tot sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek van rechtswege opgeheven. De rechter-commissaris maakt daarvan in zijn beschikking melding.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">277</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien een gerechtelijk vooronderzoek heeft plaatsgehad, doet de officier van justitie, buiten het geval van artikel 276, uiterlijk binnen een maand nadat de beschikking tot sluiting daarvan aan de verdachte betekend is geworden, hetzij deze kennisgeven dat hij hem ter zake van het feit waarop dat onderzoek betrekking had, niet verder zal vervolgen, hetzij hem dagvaarden ter terechtzitting.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De termijn kan op de vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris eenmaal voor ten hoogste een maand worden verlengd. Indien de officier van justitie het Hof ingevolge artikel 279, tweede lid, om bewilliging heeft verzocht, wordt de termijn van rechtswege verlengd tot en met de veertiende dag nadat het Hof op het verzoek heeft beslist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De officier van justitie kan, op het verzoek van de verdachte, en al dan niet onder het stellen van bepaalde voorwaarden, voor het doen van kennisgeving overeenkomstig het eerste lid een bepaalde langere termijn nemen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">278</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, doch wel voorlopige hechtenis is toegepast, doet de officier van justitie, zodra de zaak tot klaarheid is gebracht, hetzij de verdachte kennisgeven dat hij hem ter zake van het feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is toegepast, niet verder zal vervolgen, hetzij hem dagvaarden ter terechtzitting.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan, op het verzoek van de verdachte, de officier van justitie eenmaal een termijn stellen van ten hoogste een maand, binnen welke deze tot kennisgeving of dagvaarding overeenkomstig de bepaling van het eerste lid moet overgaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte wordt op het verzoek gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het tweede en derde lid van artikel 277 zijn van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De verplichting tot kennisgeving of dagvaarding vervalt, indien binnen de gestelde of verlengde termijn een gerechtelijk vooronderzoek is geopend.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">279</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Door een kennisgeving van niet verdere vervolging eindigt de zaak.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien in de zaak een bevel krachtens de artikelen 15 tot en met 29, is gevraagd of gegeven, blijft een kennisgeving van niet verdere vervolging achterwege, tenzij daaraan een mededeling overeenkomstig artikel 272 is voorafgegaan of in de kennisgeving is bewilligd door het Hof van Justitie. Artikel 273, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">280</nr></kop><al>Indien de zaak niet verder wordt vervolgd op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>onbevoegdheid van de rechter tot kennisneming van het feit,</al></li><li nr="b."><al>niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie,</al></li><li nr="c."><al>niet-strafbaarheid van het feit of van de verdachte,</al></li><li nr="d."><al>onvoldoende aanwijzing van schuld, wordt daarvan in de kennisgeving melding gemaakt.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">281</nr></kop><al>Indien de officier van justitie van oordeel is, dat artikel 39, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, doch dat tevens de last, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, moet worden gegeven, is hij bevoegd een behandeling door de raadkamer te vorderen. De verdachte wordt bij het onderzoek gehoord. De artikelen 294, tweede lid, en 295 zijn van toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">282</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte kan na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging, na zijn buitenvervolgingstelling of na de hem betekende beschikking houdende de verklaring dat de zaak geëindigd is, ter zake van hetzelfde feit niet weer in rechte worden betrokken, tenzij nieuwe bezwaren zijn bekend geworden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van getuigen of van de verdachte en stukken, bescheiden en processen-verbaal, die later zijn bekend geworden of niet zijn onderzocht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In dat geval kan de verdachte niet ter terechtzitting van de rechter in eerste aanleg worden gedagvaard, dan na een ter zake van die nieuwe bezwaren ingesteld gerechtelijk vooronderzoek.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Bij verzuim van een termijn, als bedoeld in de artikelen 272 tot en met 278, kan de verdachte ter zake van hetzelfde feit niet weer in rechte worden betrokken dan onder de voorwaarden, in eerste tot en met derde lid bepaald. Echter kan het gerecht, voor hetwelk de zaak het laatst werd vervolgd, op de vordering van de officier van justitie, deze alsnog eenmaal een nieuwe termijn stellen, indien het algemeen belang dat dringend eist. De verdachte wordt op de vordering gehoord. Artikel 277, tweede lid, is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Verzuim van een termijn voor verdere vervolging of kennisgeving van niet verdere vervolging wordt niet aanwezig geacht, indien een tijdig uitgebrachte dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen, vervalt of wordt ingetrokken of nietig verklaard.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">283</nr></kop><al>Door de kennisgeving van niet verdere vervolging, de beschikking tot buitenvervolgingstelling of de beschikking houdende verklaring dat de zaak geëindigd is, wordt elk bevel tot voorlopige hechtenis van rechtswege opgeheven. Daarvan wordt in de kennisgeving of beschikking melding gemaakt.</al></artikel></hoofdstuk></deel><deel><kop><nr status="officieel">VIJFDE</nr><label>BOEK</label><titel status="officieel">DE TERECHTZITTING</titel></kop><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">I</nr><titel status="officieel">Het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">284</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De zaak wordt ter terechtzitting aanhangig gemaakt door een dagvaarding vanwege de officier van justitie aan de verdachte betekend. Het rechtsgeding neemt op het moment van de betekening een aanvang.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur reeds eenmaal of ingevolge artikel 98, vierde lid, reeds tweemaal is verlengd, kan de dagvaarding geschieden, ook al is het gerechtelijk vooronderzoek nog niet gesloten.Van de dagvaarding geeft de officier van justitie in dat geval schriftelijk kennis aan de rechter-commissaris. Door deze kennisgeving eindigt het gerechtelijk vooronderzoek. De artikelen 272 en 277 vinden alsdan geen toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Bij de betekening van de dagvaarding, zomede in de oproeping bedoeld bij artikel 414 wordt, de bevoegdheid vermeld, die de verdachte bij artikel 76, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht is verleend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De rechter bepaalt, op de voordracht van de officier van justitie, de dag van de terechtzitting.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">285</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De dagvaarding bevat een zodanige opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn, dat de verdachte daaruit redelijkerwijze kan begrijpen, ter zake waarvan hij wordt verdacht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zij behelst tevens de vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding, waarvan de geldigheidsduur reeds eenmaal of, ingevolge artikel 98, vierde lid, reeds tweemaal is verlengd, kan voor de opgave van het feit worden volstaan met de omschrijving die in dat bevel is gegeven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">286</nr></kop><al>Strafbare feiten die op dezelfde terechtzitting worden aangebracht en waartussen verband bestaat of die door dezelfde persoon zijn begaan, worden gevoegd aan de kennisneming van de rechter onderworpen, indien dit in het belang van het onderzoek is.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">287</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie is bevoegd getuigen en deskundigen ter terechtzitting te doen dagvaarden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij de dagvaarding van de verdachte worden voor zover mogelijk opgegeven de namen, het beroep en de woon- of verblijfplaats, of, bij onbekendheid van een of ander, de aanduiding, zo nauwkeurig mogelijk, van de getuigen en deskundigen, die vanwege de officier van justitie zullen worden gedagvaard.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte wordt daarbij kenbaar gemaakt dat hij het recht heeft getuigen en deskundigen te doen dagvaarden of op de terechtzitting mee te brengen; hij wordt daarbij tevens opmerkzaam gemaakt op de voorschriften van de artikelen 289, eerste en tweede lid, 293 en 308, eerste lid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">288</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie doet aan ieder, die zich met betrekking tot het tenlastegelegde feit overeenkomstig artikel 206 als benadeelde partij heeft opgegeven, kennisgeven van de dag, het uur en de plaats van de terechtzitting.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De kennisgeving geschiedt zo mogelijk tenminste drie dagen voor de dag van de terechtzitting. Zij behelst een korte aanduiding van het tenlastegelegde feit. Bij de kennisgeving wordt de benadeelde partij tevens opmerkzaam gemaakt op de haar betreffende voorschriften van de artikelen 374 tot en met 380.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">289</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte heeft het recht getuigen en deskundigen ter terechtzitting te doen dagvaarden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hij geeft deze daartoe ten minste drie dagen voor de terechtzitting in persoon ten parkette van de officier van justitie of schriftelijk bij aangetekende, aan de officier gerichte brief op. Hij vermeldt daarbij de namen, het beroep en de woon- of verblijfplaats, of, bij onbekendheid van een of ander, duidt hij hen zo nauwkeurig mogelijk aan. Bij schriftelijke opgave geldt de dag van ontvangst van de brief, die onverwijld daarop wordt aangetekend, als dag van opgave.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De officier van justitie doet de getuigen of deskundigen, opgegeven met inachtneming van het tweede lid, onverwijld dagvaarden, tenzij er naar zijn oordeel dwingende gronden bestaan om de dagvaarding te weigeren. In dit laatste geval maakt hij de verdachte opmerkzaam op het bepaalde in artikel 318, derde lid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De getuigen en deskundigen, die zijn gedagvaard, worden gebracht op de in artikel 318, tweede lid, bedoelde lijst.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">290</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op straffe van nietigheid moet tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend, en die van de terechtzitting, een termijn van ten minste zeven dagen, of, ingeval door de rechter-commissaris overeenkomstig de Zevende Titel van het Zevende Boek bevelen tot handhaving van de openbare orde zijn gegeven, van ten minste vier dagen verlopen. Wanneer de verdachte in een ander eilandgebied wordt gedagvaard dan waar de rechter zitting houdt, wordt de termijn van dagvaarding met zeven dagen verlengd. De termijn bedraagt ten minste zes weken, indien de verdachte in het buitenland woonachtig is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Met toestemming van de verdachte kan deze termijn worden verkort, mits van deze toestemming blijkt door een verklaring, af te leggen op de griffie van het gerecht in eerste aanleg waarvoor gedagvaard wordt; de artikelen 446 en 447 zijn van overeenkomstige toepassing. Geschiedt de betekening van de dagvaarding door een deurwaarder of ambtenaar van politie, dan kan de verdachte de verklaring ook doen opnemen in de akte van uitreiking; hij moet de verklaring tekenen; indien hij niet kan tekenen, wordt de oorzaak van het beletsel in de akte vermeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Vrijwillige verschijning van de verdachte op een dagvaarding, betekend in strijd met de voorschriften van dit artikel, dekt de nietigheid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>In dat geval kan de rechter op het verzoek van de verdachte en in het belang van diens verdediging schorsing van het onderzoek tot een bepaalde dag bevelen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">291</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen, kan de officier van justitie de dagvaarding intrekken. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De officier van justitie draagt zorg dat de gedagvaarde getuigen en deskundigen tijdig met de intrekking worden bekendgemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wordt bij of na de intrekking van de dagvaarding van verdere vervolging afgezien, dan doet de officier van justitie de verdachte onverwijld kennisgeven, dat hij hem ter zake van het feit waarop de dagvaarding betrekking had, niet verder zal vervolgen. De artikelen 279 en 280 zijn van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">292</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de dagvaarding is ingetrokken, zonder dat de verdachte een kennisgeving van niet verdere vervolging is betekend, stelt de rechter op het verzoek van de verdachte, de officier van justitie een termijn waarbinnen hetzij tot dagvaarding, hetzij tot kennisgeving van niet verdere vervolging moet worden overgegaan. De verdachte wordt op het verzoek gehoord. Artikel 282, vierde en vijfde lid, is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De termijn kan op de vordering van de officier van justitie door de rechter telkens voor een bepaalde tijd worden verlengd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">II</nr><titel status="officieel">Bezwaarschrift tegen de dagvaarding</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">293</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tegen de dagvaarding kan de verdachte binnen vijf dagen na de betekening een bezwaarschrift indienen bij het Hof van Justitie. Het bezwaarschrift is op straffe van niet-ontvankelijkheid met redenen omkleed.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien niet voor het tijdstip waartegen de verdachte is gedagvaard, op het gehele bezwaarschrift onherroepelijk is beslist, wordt de behandeling ter terechtzitting voor bepaalde of onbepaalde tijd uitgesteld. De artikelen 362 en 363 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">294</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Naar de gegrondheid van het bezwaarschrift stelt het Hof een onderzoek in. De verdachte en de procureur-generaal worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het Hof kan, alvorens te beslissen, door de rechter-commissaris een onderzoek doen instellen en zich de daartoe betrekkelijke stukken doen overleggen. Dit onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt overeenkomstig de artikelen 226 tot en met 271 gevoerd. Alsdan kan de rechter-commissaris de bevoegdheden, die hem tijdens het gerechtelijk vooronderzoek en overigens tijdens het voorbereidend onderzoek na tussenkomst van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte zijn toegekend, ambtshalve uitoefenen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">295</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien het feit niet tot de kennisneming van het Hof behoort, verklaart het zich onbevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is de officier van justitie niet ontvankelijk, het feit waarop de dagvaarding betrekking had, of de verdachte niet strafbaar, of onvoldoende aanwijzing van schuld aanwezig, dan stelt het Hof de verdachte ten aanzien van de gehele telastelegging of voor een bij de beschikking nader aan te duiden gedeelte van de telastelegging buiten vervolging. In het geval, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan tevens gegeven worden de last, bedoeld in het tweede lid van dat artikel.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In alle andere gevallen verklaart het Hof het bezwaarschrift niet ontvankelijk of ongegrond.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De beschikking van het Hof wordt onverwijld aan de verdachte ter kennis gebracht. Indien de verdachte in raadkamer verschijnt, kan de beslissing hem worden meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Wanneer de beschikking waarbij de verdachte ten aanzien van de gehele telastelegging buiten vervolging wordt gesteld, onherroepelijk is geworden, vervalt een reeds uitgebrachte dagvaarding. Wanneer de beschikking waarbij de verdachte voor een gedeelte buiten vervolging wordt gesteld, onherroepelijk is geworden, brengt de officier van justitie de dagvaarding in overeenstemming met die beschikking.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">296</nr></kop><al>Tegen de dagvaarding, die is uitgebracht na een bevel krachtens artikel 25, eerste lid, is een bezwaarschrift niet toegelaten, tenzij nieuwe feiten of omstandigheden bekend zijn geworden.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">297</nr></kop><al>Is bij de beschikking tot buitenvervolgingstelling tevens gegeven de last, bedoeld in het tweede lid van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht, dan kan de verdachte of diens raadsman daartegen bezwaar maken door middel van een verklaring ter griffie van het Hof, af te leggen uiterlijk binnen zes dagen nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Alsdan vervalt de beschikking en beveelt het Hof, dat de verdachte ter zake van het feit waarop de dagvaarding betrekking had, binnen een bepaalde termijn opnieuw zal worden gedagvaard. Deze termijn kan op de vordering van de officier van justitie door het Hof eenmaal voor een bepaalde tijd worden verlengd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">298</nr></kop><al>In geval van buitenvervolgingstelling zijn de artikelen 282 en 283 van toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">III</nr><titel status="officieel">Het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">299</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De zaak wordt in hoger beroep ter terechtzitting aanhangig gemaakt door een dagvaarding, vanwege de procureur-generaal aan de verdachte betekend. Het rechtsgeding in hoger beroep neemt op het moment van de betekening een aanvang.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ten aanzien van die dagvaarding is artikel 287 van toepassing, behoudens dat daarbij de verdachte, in plaats van op de voorschriften van artikel 289, eerste lid, opmerkzaam wordt gemaakt op die van artikel 301.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Op de gronden, in artikel 286 vermeld, kunnen verschillende zaken gevoegd aanhangig worden gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt, op de voordracht van de procureur-generaal, de dag van de terechtzitting.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">300</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op straffe van nietigheid moet tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend, en die van de terechtzitting een termijn van ten minste zeven dagen verlopen. Wanneer de verdachte in een ander eilandgebied wordt gedagvaard dan waar de rechter zitting houdt, wordt de termijn van dagvaarding met zeven dagen verlengd. De termijn bedraagt ten minste zes weken, indien de verdachte in het buitenland woonachtig is. Artikel 290, tweede, derde en vierde lid, is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 288 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij kennisgeving de benadeelde partij tevens opmerkzaam wordt gemaakt op de voorschriften van artikel 374, en dat de kennisgeving steeds geschiedt aan de benadeelde partij die zich in eerste aanleg in het geding heeft gevoegd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">301</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De procureur-generaal en de verdachte kunnen zowel ter terechtzitting in eerste aanleg gehoorde, als nieuwe getuigen en deskundigen doen dagvaarden. Zij kunnen ook nieuwe bescheiden en stukken van overtuiging overleggen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 289, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IV</nr><titel status="officieel">Behandeling ter terechtzitting</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Algemene bepaling</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">302</nr></kop><al>De bepalingen in de volgende afdelingen van deze titel zijn toepasselijk op de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, met dien verstande dat, waar gesproken wordt van het Hof en van de voorzitter, daaronder voor de terechtzitting in eerste aanleg de rechter in eerste aanleg wordt verstaan en waar gesproken wordt van de procureur-generaal, daaronder voor de terechtzitting in eerste aanleg de officier van justitie wordt verstaan, een en ander voor zover niet uit enige van de bepalingen anders blijkt en onverminderd het bepaalde in Titel IV van dit Boek en in de Titels I en II van het Zevende Boek.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Onderzoek van de zaak op de terechtzitting</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">303</nr></kop><al>Het onderzoek van de zaak op de terechtzitting neemt een aanvang, nadat de voorzitter de zaak door de deurwaarder heeft doen uitroepen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">304</nr></kop><al>De rechter die als rechter-commissaris enig onderzoek in de zaak heeft verricht of enige beslissing heeft genomen, neemt aan het onderzoek op de terechtzitting geen deel.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">305</nr></kop><al>1.Tot bijwoning van een openbare terechtzitting worden, tenzij in bijzondere gevallen ter beoordeling van de voorzitter, als toehoorder niet toegelaten minderjarige personen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt. 2. In geval van twijfel omtrent de leeftijd moet ten genoegen van de voorzitter aannemelijk worden gemaakt dat de persoon die toelating verlangt, de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">306</nr></kop><al>In zaken betreffende strafbare feiten waarop geen gevangenisstraf is gesteld, kan de verdachte zich doen vertegenwoordigen door een advocaat, bepaaldelijk daartoe door hem gemachtigd of, indien hem uitsluitend als overtreding strafbaar gestelde feiten zijn ten laste gelegd, ook door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde, tenzij het Hof vertegenwoordiging niet mocht toelaten; in het laatste geval schorst het Hof het onderzoek voor een bepaalde tijd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">307</nr></kop><al>Tegen de verdachte die niet op de aan hem gedane dagvaarding op de terechtzitting verschijnt of zich, in de gevallen bij wettelijke regeling voorzien, niet door een gemachtigde laat vertegenwoordigen, wordt verstek verleend.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">308</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de verdachte niet op de terechtzitting tegenwoordig is, kan het Hof zowel bij de aanvang als gedurende de loop van het onderzoek bevelen dat, zo er gronden zijn om aan te nemen, dat hij bij een herhaalde dagvaarding wederom niet zal verschijnen, hij op een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting aanwezig zal zijn; het Hof kan daartoe tevens zijn medebrenging gelasten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de verdachte op het bepaalde tijdstip niet op de terechtzitting is verschenen, verleent het Hof, tenzij het de medebrenging tegen een nader tijdstip gelast, verstek, indien dit nog niet had plaatsgehad; het onderzoek wordt daarna voortgezet.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de verdachte op het bepaalde tijdstip op de terechtzitting is verschenen, wordt het verstek dat tegen hem verleend mocht zijn, vervallen verklaard en het onderzoek op de terechtzitting opnieuw aangevangen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">309</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De terechtzitting is openbaar, tenzij het Hof ambtshalve, dan wel op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte, in het belang van de openbare orde of de zedelijkheid beveelt, dat de behandeling ter terechtzitting geheel of ten dele met gesloten deuren zal plaatsvinden. Het bevel kan ook worden gegeven op het verzoek van een getuige op grond dat het in het openbaar afleggen van zijn verklaring voor hemzelf, voor een of meer van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of de derde graad of voor zijn echtgenote of vroegere echtgenote, dan wel de persoon met wie hij duurzaam feitelijk samenwoont of heeft samengewoond, een ernstige krenking van eer of goede naam ten gevolge zou hebben.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De redenen worden in het proces-verbaal van de terechtzitting vermeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof geeft het bevel niet dan na de verzoeker en in ieder geval de procureur-generaal en de verdachte, zo nodig met gesloten deuren, te hebben gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid bedoelde beslissing in eerste aanleg is gegeven, staat daartegen geen beroep open.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Tot bijwoning van de niet openbare zitting kan de voorzitter, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bijzondere toegang verlenen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">310</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voorzitter heeft de leiding van het onderzoek op de terechtzitting en geeft daartoe de nodige bevelen. Hij kan een door hem aangewezen lid van het college in zijn plaats belasten met de ondervraging. Dit lid oefent alsdan bij de ondervraging de bevoegdheden uit die bij deze titel aan de voorzitter zijn toegekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hij draagt zorg dat geen vragen worden gesteld die de strekking hebben verklaringen te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid zijn afgelegd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">311</nr></kop><al>Behalve de rechters en de griffier neemt aan de tafel van het Hof niemand plaats.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">312</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Worden strafbare feiten waarvan de voeging had behoren te geschieden, op dezelfde terechtzitting afzonderlijk aangebracht, dan beveelt het Hof dat de voeging alsnog zal plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien strafbare feiten waartussen verband bestaat of die door dezelfde persoon zijn begaan op verschillende terechtzittingen zijn aangebracht, maar de behandeling op dezelfde terechtzitting wordt hervat of aangevangen, beveelt het Hof eveneens de voeging, indien dit in het belang van het onderzoek is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof beveelt de splitsing van gevoegde zaken, indien het geen verband tussen die zaken aanwezig acht of de voeging niet in het belang van het onderzoek oordeelt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">313</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het onderzoek wordt onafgebroken voortgezet.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het Hof kan echter het onderzoek wegens de uitgebreidheid of de duur daarvan, of voor het nemen van rust, onderbreken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof is voorts bevoegd, indien dit door het belang van het onderzoek wordt gevorderd, met of zonder tijdsbepaling, de schorsing van het onderzoek te gelasten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De schorsing met tijdsbepaling kan zo nodig telkens voor een bepaalde tijd worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De reden van de onderbreking of schorsing wordt in het proces-verbaal vermeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">314</nr></kop><al>Bevindt de verdachte zich in voorlopige hechtenis, dan schorst het Hof het onderzoek op de terechtzitting alleen voor bepaalde tijd. De termijn van de schorsing wordt in de regel op niet meer dan twee maanden gesteld. Om klemmende, in het proces-verbaal te vermelden redenen, kan het Hof een langere termijn stellen, doch in geen geval van meer dan vier maanden.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">315</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Na de aanvang van het onderzoek vraagt de voorzitter de verdachte, of, zo er meer verdachten zijn, ieder van hen in de volgorde waarin zij zijn gedagvaard, naar naam en voornamen, leeftijd, geboorteplaats, beroep en woon- of verblijfplaats.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hij vermaant hem oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Daarna doet hij de verdachte, mededeling van diens recht om zich te onthouden van antwoorden en, indien de verdachte geen raadsman heeft, van diens recht om zich door een raadsman te doen bijstaan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">316</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In de gevallen waarin van nietigheid van de dagvaarding, niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal of onbevoegdheid van het Hof zonder onderzoek van de zaak zelf kan blijken, is de verdachte bevoegd die verwering reeds dadelijk na de ondervraging in artikel 315 vermeld, voor te dragen en toe te lichten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De procureur-generaal kan daarop antwoorden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte kan andermaal en, zo de procureur-generaal daarna weer het woord voert, nogmaals het woord voeren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het Hof gaat tot beraadslaging over en doet uitspraak.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Wordt de verwering ontijdig of ongegrond bevonden, dan wordt het onderzoek van de zaak zelf onmiddellijk voortgezet.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Ook ambtshalve kan het Hof zonder onderzoek van de zaak de nietigheid van de dagvaarding, de niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal of de onbevoegdheid van het Hof, dan wel in het geding in hoger beroep de niet-ontvankelijkheid van het beroep, ingesteld door het openbaar ministerie of de verdachte, uitspreken, na de procureur-generaal en de verdachte te hebben gehoord.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">317</nr></kop><al>Indien in het geding in eerste aanleg de officier van justitie, hetzij naar aanleiding van een verwering als bedoeld in het eerste lid van artikel 316, hetzij naar aanleiding van het horen door de rechter, ingevolge het zesde lid van dat artikel, van oordeel is dat de dagvaarding behoort te worden gewijzigd, zijn de artikelen 355 en 356 van toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">318</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De procureur-generaal draagt de zaak voor en legt een lijst van de inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen over.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hij legt ook een lijst van de getuigen over, welke de voorzitter doet voorlezen door de griffier.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Onmiddellijk nadat de lijst is overgelegd en voorgelezen kan de verdachte, indien de dagvaarding van een door hem opgegeven getuige door de procureur-generaal is verzuimd of geweigerd, het Hof verzoeken alsnog de dagvaarding van die getuige te bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het Hof beveelt dat de overeenkomstig artikel 289, tweede lid, opgegeven getuige, wiens dagvaarding is verzuimd of geweigerd, tegen een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting zal worden gedagvaard, tenzij de dagvaarding als nodeloos moet worden aangemerkt en het achterwege blijven van de dagvaarding redelijkerwijze niet in strijd komt met het recht van de verdachte om de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De getuige, wiens dagvaarding door het Hof is bevolen of wiens plaatsing op de lijst door de procureur-generaal is verzuimd of geweigerd, wordt door de griffier op de lijst gebracht. Hetzelfde geldt ten aanzien van de getuige die gedurende de loop van het onderzoek op de terechtzitting is verschenen en niet bij het voorafgaande onderzoek tegenwoordig is geweest.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte worden getuigen, die niet op de lijst voorkomen doch op de terechtzitting tegenwoordig zijn, op bevel van de voorzitter alsnog door de griffier op de lijst gebracht, tenzij de ondervraging van de getuige als nodeloos moet worden aangemerkt en het achterwege blijven daarvan redelijkerwijze niet in strijd komt met het recht van de verdachte om de ondervraging van getuige à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>Alle op de lijst gebrachte getuigen worden verhoord, tenzij het Hof met toestemming van de procureur-generaal en de verdachte van hun verhoor afziet.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">319</nr></kop><al>Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur reeds eenmaal of ingevolge artikel 98, vierde lid, tweemaal is verlengd, kan de officier van justitie, in het geding in eerste aanleg, onmiddellijk nadat hij de zaak heeft voorgedragen, schorsing van het onderzoek op de terechtzitting vorderen, mits hij het voornemen daartoe tijdig aan de verdachte schriftelijk kenbaar heeft gemaakt. In dat geval kan het overleggen van de lijsten, bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 318, worden aangehouden tot de hervatting van het onderzoek op de terechtzitting.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">320</nr></kop><al>De voorzitter kan, met toestemming van de procureur-generaal en van de verdachte, de getuige vergunnen zich vóór het afleggen van zijn verklaring tot een bepaald tijdstip te verwijderen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">321</nr></kop><al>Indien een op de lijst voorkomende getuige niet is verschenen, beveelt het Hof, tenzij overeenkomstig het bepaalde in artikel 318, zevende lid, van zijn verhoor wordt afgezien, dat hij tegen een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting zal worden gedagvaard en kan het daarbij tevens zijn medebrenging gelasten.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">322</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt de volgorde waarin de getuigen worden voorgeroepen, nadat hij de procureur-generaal en de verdachte heeft gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hij beveelt dat de getuigen zich zullen begeven naar het voor hen bestemde vertrek, met uitzondering van de eerste die hij voor het Hof doet verschijnen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Hij neemt, zo nodig, maatregelen om de getuigen te beletten dat zij zich vóór het afleggen van hun getuigenis met elkaar onderhouden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">323</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voorzitter vraagt de getuige naar naam en voornamen, leeftijd, beroep en woon- en verblijfplaats; of hij bloed- of aanverwant is van de verdachte, en, zo ja, in welke graad.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De voorzitter beëdigt daarna de getuige. Artikel 250, tweede lid, betreffende de vervanging van de beëdiging door een aanmaning, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Met betrekking tot het verhoren van de getuige en diens recht van verschoning vinden de artikelen 251 tot en met 254 toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">324</nr></kop><al>De rechter kan bevelen, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte, dat niet anders dan buiten ede worden gehoord, zij, die wegens meineed tot welke straf ook of uit anderen hoofde tot gevangenisstraf van drie jaren of langer zijn veroordeeld, of tegen wie ter zake van misdrijf, waartegen een gevangenisstraf van vier jaren of meer is bedreigd, een vervolging is ingesteld.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">325</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De getuige wordt het eerst ondervraagd door degene, die hem heeft gedagvaard of op wiens verzoek hij is gedagvaard. Daarna geschiedt de ondervraging door de verdachte of diens raadsman of door de procureur-generaal in de volgorde en op de wijze door de voorzitter te bepalen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De voorzitter en de andere rechters kunnen te allen tijde, doch bij voorkeur na de ondervraging bedoeld in het eerste lid, vragen stellen. De voorzitter kan, indien het belang van een goede procesorde dat nodig maakt, de ondervraging op de voet van het eerste lid beëindigen en zelf de getuige ondervragen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In ieder geval geeft de voorzitter aan de verdachte en diens raadsman de gelegenheid om tegen de getuige en diens verklaring in te brengen wat tot verdediging kan dienen en aan de procureur-generaal die tot het maken van opmerkingen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">326</nr></kop><al>Gedurende de verdere loop van het onderzoek kunnen de getuige door de voorzitter, de rechters, de procureur-generaal en de verdachte nog vragen worden gesteld. Artikel 325, derde lid, is van toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">327</nr></kop><al>De getuige moet bij zijn verklaring zoveel mogelijk uitdrukkelijk opgeven zijn redenen van wetenschap.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">328</nr></kop><al>De voorzitter bepaalt welke vragen als ontoelaatbaar zijn aan te merken. Hij kan, ambtshalve of op het verzet van de procureur-generaal of van de verdachte beletten dat aan enige vraag, door de verdachte of diens raadsman of door de procureur-generaal gesteld, door de getuige gevolg wordt gegeven. Op het antwoord, dat op zodanige vraag mocht zijn gegeven, wordt geen acht geslagen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">329</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de getuige bij zijn verhoor zonder wettige grond weigert op de hem gestelde vragen te antwoorden of wel de eed die van hem gevorderd wordt, af te leggen, beveelt het Hof indien dit in het belang van het onderzoek dringend noodzakelijk is, dat hij in gijzeling zal worden gesteld en op een bepaald tijdstip weer voor het Hof zal worden gebracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevel wordt niet gegeven dan nadat de getuige in zijn verdediging, door hem of zijn advocaat voorgedragen, is gehoord. Het is voor niet langer dan dertig dagen geldig.Tegen dit bevel is geen rechtsmiddel toegelaten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof gelast het ontslag van de getuige uit de gijzeling, zodra hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan of het onderzoek op de terechtzitting gesloten is. Het is echter bevoegd dat ontslag in elke stand van het onderzoek te bevelen, ook op verzoek van de getuige.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De artikelen 258 en 259 zijn van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Tegen de beslissing, in het geding in eerste aanleg gegeven tot afwijzing van een verzoek van de getuige om ontslag, staat aan deze binnen drie dagen na de betekening hoger beroep open op het Hof. De getuige wordt gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">330</nr></kop><al>Na het afleggen van zijn verklaring blijft de getuige in de rechtszaal, tenzij het Hof, met toestemming van de procureur-generaal en van de verdachte, hem vergunt zich te verwijderen, zo nodig met bevel om op een te bepalen tijd weer in de rechtszaal aanwezig te zijn.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">331</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voorzitter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte, getuigen tegenover elkaar stellen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op gelijke wijze kan hij bevelen dat, na afgelegde getuigenis, een of meer getuigen de rechtszaal zullen verlaten en dat een of meer van hun opnieuw zullen worden binnengelaten, ten einde hetzij afzonderlijk, hetzij in elkaars bijzijn, nogmaals te worden verhoord.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">332</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op gelijke wijze als bij artikel 331 bedoeld, kan de voorzitter bevelen dat een of meer verdachten de rechtszaal zullen verlaten, opdat een getuige buiten hun tegenwoordigheid zal worden ondervraagd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In dat geval wordt de verdachte onmiddellijk op de hoogte gesteld van hetgeen in zijn afwezigheid is voorgevallen en eerst daarna met het onderzoek voortgegaan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">333</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien een getuige verdacht wordt zich op de terechtzitting aan het misdrijf van meineed te hebben schuldig gemaakt, kan het Hof ambtshalve, op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte dienaangaande onderzoek bevelen, zonodig met schorsing van het onderzoek op de terechtzitting.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In dat geval wordt door de griffier dadelijk een proces-verbaal opgemaakt en dit door de voorzitter, de rechters, en hemzelf ondertekend. Het proces-verbaal bevat de afgelegde verklaring van de getuige.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verklaring van de getuige wordt hem voorgelezen; daarna wordt hem gevraagd, of hij bij zijn verklaring blijft volharden, in welk geval deze door hem wordt ondertekend. Bij gebreke van ondertekening vermeldt het proces-verbaal de weigering of de reden van verhindering.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het Hof kan daarop het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek bevelen, in te stellen door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken. Het kan in dat geval tevens, indien daartoe de voorwaarden en de gronden aanwezig zijn, de gevangenneming bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Het proces-verbaal wordt door het Hof in handen gesteld van de officier van justitie.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">334</nr></kop><al>Artikel 260 is van toepassing met betrekking tot het verhoren als getuige van de Gouverneur.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">335</nr></kop><al>Indien een getuige, tijdens het gerechtelijk vooronderzoek beëdigd of overeenkomstig artikel 250, tweede lid, aangemaand, overleden is of, naar het oordeel van het Hof, niet op de terechtzitting heeft kunnen verschijnen, of van wiens verhoor overeenkomstig het bepaalde in artikel 318, zevende lid, is afgezien, zal zijn vroegere verklaring, mits ter terechtzitting voorgelezen, als aldaar afgelegd worden aangemerkt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">336</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Alle bepalingen in deze titel ten aanzien van getuigen en hun verklaringen, zijn ook van toepassing ten aanzien van deskundigen en hun verklaringen, behoudens:</al><lijst><li nr="a."><al>dat de deskundige wordt beëdigd op de wijze als in artikel 45 voor deskundigen is voorgeschreven;</al></li><li nr="b."><al>dat artikel 327 niet van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>dat gijzeling niet is toegelaten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verklaringen en verslagen van deskundigen zijn met redenen omkleed.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De deskundigen zijn verplicht de door het Hof gevorderde diensten te bewijzen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Van degene die, op de vordering van het openbaar ministerie, door het Hof van Justitie als vaste gerechtelijke deskundige is beëdigd, wordt ter zake van het uitbrengen van een verslag geen nadere eed gevorderd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">337</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere stukken worden door de voorzitter, wanneer deze of een van de rechters of wel de procureur-generaal dit verlangt, voorgelezen, voor zover daarbij naar zijn oordeel redelijke grenzen niet worden overschreden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Gelijke voorlezing heeft plaats op verzoek van de verdachte, tenzij het Hof ambtshalve of op het verzet van de procureur-generaal anders beveelt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In alle gevallen waarin de verdachte verzoekt dat een getuigenverklaring op de terechtzitting zal worden voorgelezen, ten einde als aldaar afgelegd te worden aangemerkt, zal die voorlezing moeten geschieden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De voorlezing van stukken kan, tenzij de procureur-generaal of de verdachte zich daartegen verzet, worden vervangen door een mondelinge mededeling van de korte inhoud door de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Ten bezware van de verdachte wordt, op straffe van nietigheid, op geen stukken acht geslagen, dan voor zover zij zijn voorgelezen, of hun korte inhoud overeenkomstig het vierde lid is meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Stukken, die op de terechtzitting in eerste aanleg zijn voorgelezen, mogen voor de behandeling in hoger beroep als voorgelezen worden aangemerkt. Indien echter de verdachte verzoekt, dat bepaalde stukken opnieuw zullen worden voorgelezen, wordt aan dat verzoek gevolg gegeven, voor zover door die voorlezing naar het oordeel van het Hof redelijke grenzen niet worden overschreden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">338</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Wanneer de verdachte zich ertegen verzet,dat een getuige op de voet van het bepaalde in het vierde lid van artikel 261 anoniem is verhoord, kan het Hof die getuige horen zonder dat diens identiteit wordt onthuld. Het kan daartoe de nodige maatregelen nemen. Noch de procureur-generaal noch de verdachte of diens raadsman zijn bij het horen aanwezig. De artikelen 38 tot en met 42 zijn van toepassing, doch alleen voor zover de inachtneming van die artikelen geen gevaar oplevert voor onthulling van de identiteit van de getuige. Alvorens de getuige te horen, stelt het Hof de procureur-generaal in de gelegenheid opmerkingen te maken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is het Hof van oordeel, dat ernstige bedreiging in de zin van artikel 261, eerste lid, niet kan worden aangenomen, dan beslist het, dat de getuige geen aanspraak maakt op anonimiteit en dat hij alleen dan opnieuw kan worden verhoord, indien het vierde lid van artikel 261 geen toepassing vindt. Een zodanig verhoor vindt niet plaats dan met toestemming van de procureur-generaal. Het Hof kan ook beslissen dat het proces-verbaal, houdende de verklaring die door de getuige ten overstaan van de rechter-commissaris anoniem is afgelegd, niet tot het bewijs van het strafbare feit is toegelaten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het Hof ernstige bedreiging wel kan worden aangenomen, wordt het verweer van de verdachte verworpen en blijft het proces-verbaal van verhoor deel van de processtukken uitmaken. Indien een nader verhoor wenselijk wordt geoordeeld, kan het Hof beslissen dat de getuige door de rechter-commissaris met toepassing van het vierde lid van artikel 261 nader zal worden verhoord, eventueel met vermelding van de vragen die het Hof gesteld wenst te zien.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Nader verhoor door de rechter-commissaris kan ook worden opgedragen, indien bij een eerder verhoor bepaalde vormen zijn verzuimd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, komt het Hof ook ambtshalve toe.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">339</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Wanneer een getuige in verband met het bepaalde in het zevende lid van artikel 261 niet door de rechter-commissaris is verhoord, kan het Hof op de vordering van de procureur-generaal een onderzoek instellen naar de gegrondheid van de bezwaren tegen onthulling van de identiteit van die getuige. Het Hof kan daartoe de getuige overeenkomstig het eerste lid van artikel 338 horen. Alvorens de getuige te horen, stelt het Hof de verdachte of diens raadsman in de gelegenheid opmerkingen te maken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is het Hof van oordeel, dat ernstige bedreiging in de zin van artikel 261, eerste lid, niet kan worden aangenomen, dan beslist het, dat de getuige geen aanspraak maakt op anonimiteit en dat hij alleen dan kan worden verhoord, indien het vierde lid van artikel 261 geen toepassing vindt. Een zodanig verhoor vindt niet plaats dan met toestemming van de procureur-generaal.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het Hof ernstige bedreiging wel kan worden aangenomen, beslist het dat de getuige door de rechter-commissaris met toepassing van het vierde lid van artikel 261 kan worden verhoord, eventueel met vermelding van de vragen die het Hof gesteld wenst te zien.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">340</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Wanneer de rechter in eerste aanleg het proces-verbaal, houdende de verklaring die door een getuige op de voet van het bepaalde in het vierde lid van artikel 261 is afgelegd, niet tot het bewijs van het strafbare feit heeft toegelaten, vindt artikel 339 in hoger beroep overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is een niet eerder verhoorde getuige alsnog, na een daartoe strekkende beslissing van de rechter in eerste aanleg, door de rechter-commissaris met toepassing van het vierde lid van artikel 261 verhoord, dan vindt artikel 338 in hoger beroep overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">341</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Nadat alle deskundigen en getuigen zijn verhoord, wordt de verdachte ondervraagd. Hij wordt echter, indien dat door de voorzitter nodig wordt geoordeeld, eerder ondervraagd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is er meer dan een verdachte, dan geschiedt de ondervraging in de volgorde, door de voorzitter te bepalen, na de procureur-generaal en de raadslieden te hebben gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte wordt eerst door de voorzitter ondervraagd. Daarna kunnen de andere rechters en vervolgens de raadsman en de procureur-generaal vragen stellen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Wanneer de voorzitter daartoe aanleiding ziet, kan hij de procureur-generaal in de gelegenheid stellen de verdachte het eerst te ondervragen. In dat geval krijgt de raadsman daarna de gelegenheid de verdachte vragen te stellen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>In ieder geval geeft de voorzitter aan de raadsman en aan de procureur-generaal de gelegenheid om naar aanleiding van de verklaring van de verdachte opmerkingen te maken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt welke vragen als ontoelaatbaar zijn aan te merken. Hij kan, ambtshalve of op het verzet van de raadsman of van de procureur-generaal, beletten dat aan enige vraag, aan de verdachte gesteld, gevolg wordt gegeven. Op het antwoord, dat op zodanige vraag mocht zijn gegeven, wordt geen acht geslagen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">342</nr></kop><al>Gedurende de verdere loop van het onderzoek kunnen de verdachte door de voorzitter, de rechters, de procureur-generaal, de raadsman en de medeverdachte vragen worden gesteld.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">343</nr></kop><al>Bij het verhoor van de verdachte wordt zoveel mogelijk onderzocht, of zijn verklaring op eigen wetenschap steunt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">344</nr></kop><al>Noch de voorzitter, noch een van de rechters geeft op de terechtzitting blijk van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">345</nr></kop><al>Indien de verdachte de stilte of de orde op de terechtzitting verstoort en vruchteloos door de voorzitter is gewaarschuwd, kan deze zijn verwijdering uit de rechtszaal bevelen en, zo nodig, bepalen, dat hij gedurende het geheel of een gedeelte van de zitting elders zal worden opgehouden. De behandeling van de zaak wordt voortgezet en de uitspraak geschiedt als ware de verdachte tegenwoordig. In dat geval blijft de raadsman van de verdachte met de verdediging belast.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">346</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voorzitter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte, bepalen dat vragen betreffende de persoonlijke of de levensomstandigheden van de verdachte buiten diens tegenwoordigheid zullen worden gesteld en behandeld, dat de procureur-generaal of de raadsman buiten tegenwoordigheid van de verdachte betreffende diens geestvermogens het woord zal voeren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De voorzitter kan dienovereenkomstig bepalen, dat de verdachte buiten tegenwoordigheid van een of meer medeverdachten zal worden verhoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het tweede lid van artikel 332 is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">347</nr></kop><al>Na de ondervraging van de verdachte kunnen, op de voet van artikel 326, aan de getuigen opnieuw vragen worden gesteld of stukken worden voorgelezen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">348</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien een verdachte of getuige de rechtstaal niet verstaat heeft het onderzoek niet plaats zonder bijstand van een tolk.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien een verdachte of getuige niet of slechts zeer gebrekkig horen of spreken kan, geschieden de vragen of de antwoorden schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Kan de in het tweede lid bedoelde verdachte of getuige niet of slechts zeer gebrekkig lezen of schrijven, dan wordt de bijstand van een daartoe geschikt persoon als tolk gevorderd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De tolk wordt, zo nodig, vanwege de procureur-generaal gedagvaard.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien op de terechtzitting de bijstand van een tolk blijkt nodig te zijn, kan het Hof de dagvaarding van een tolk bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Bij niet-verschijning van een tolk is artikel 321 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>De verdachte kan op bepaald aangegeven gronden de tolk wraken. Het Hof doet daarover terstond uitspraak.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">349</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De tolk wordt, alvorens met zijn werkzaamheden aan te vangen, beëdigd.Artikel 250, tweede lid, betreffende vervanging van de beëdiging door een aanmaning is, van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Van degene, die op de vordering van het openbaar ministerie door het Hof van Justitie als vaste gerechtelijke tolk is beëdigd, wordt geen nadere eed gevorderd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Geen van de getuigen, medeverdachten, leden van het openbaar ministerie of rechters wordt als tolk toegelaten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">350</nr></kop><al>In de gevallen, waarin de bijstand van een tolk wordt gevorderd, wordt ten bezware van de verdachte geen acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen zonder voor hem vertolkt te zijn.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">351</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voorzitter toont zo nodig de verdachte en de getuigen de voorwerpen, die als stukken van overtuiging dienen en verhoort hen daaromtrent.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte is bevoegd zodanige voorwerpen ter terechtzitting mee te nemen en over te leggen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">352</nr></kop><al>Het Hof heeft gelijke bevoegdheid als in artikel 197 aan het openbaar ministerie is toegekend. Het oefent die uit hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de procureur-generaal, of op het verzoek van de verdachte.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">353</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Nadat, behoudens het bepaalde bij artikel 347, de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad, kan de procureur-generaal het woord voeren en legt hij zijn vordering, na voorlezing, aan het Hof over. De vordering omschrijft de straf of de maatregel, indien oplegging daarvan wordt geëist, en vermeldt in dat geval tevens, welk bepaald strafbaar feit zou zijn begaan. De procureur-generaal maakt, voor zover zulks aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken, kenbaar of hij voornemens is een vordering als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen aanhangig te maken, alsmede of daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in artikel 177a, is ingesteld.Van deze mededeling van de procureur-generaal wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aantekening gedaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte kan hierop antwoorden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De procureur-generaal kan daarna andermaal het woord voeren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Daarna kan de verdachte nog eenmaal opmerkingen maken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Aan de verdachte wordt echter, op straffe van nietigheid, het recht gelaten om het laatst te spreken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Ook daarna is artikel 347 van toepassing en kan ook de verdachte nader worden ondervraagd. In dat geval kunnen de procureur-generaal en de verdachte nogmaals, op de hiervoor vermelde voet, het woord voeren.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">354</nr></kop><al>Indien uit het onderzoek omstandigheden zijn bekend geworden die, niet in de dagvaarding vermeld, volgens wettelijke regeling tot verzwaring van straf grond opleveren, is de procureur-generaal bevoegd deze alsnog mondeling ten laste te leggen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">355</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien in het geding in eerste aanleg en buiten het geval van artikel 354 de officier van justitie oordeelt dat de telastelegging behoort te worden gewijzigd, legt hij de inhoud van de door hem noodzakelijk geachte wijzigingen schriftelijk aan de rechter over, voordat hij voor de eerste maal overeenkomstig artikel 353 het woord voert, met de vordering dat die wijzigingen zullen worden toegelaten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte wordt op de vordering tot wijziging gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de rechter de vordering toewijst, doet hij ter terechtzitting de inhoud van de aangebrachte wijzigingen in het proces-verbaal opnemen. In geen geval worden wijzigingen toegelaten, als gevolg waarvan de telastelegging niet langer hetzelfde feit, in de zin van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, zou inhouden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">356</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de telastelegging overeenkomstig artikel 355 is gewijzigd, wordt aan de verdachte door de griffier een gewaarmerkt afschrift van de wijziging op de terechtzitting zelf ter hand gesteld. Is de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig, dan wordt hem de wijziging zo spoedig mogelijk betekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter schorst het onderzoek voor een bepaalde tijd; met toestemming van de verdachte kan echter het onderzoek aanstonds worden voortgezet.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">357</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien in de telastelegging voor de opgave van het feit is volstaan met een omschrijving als bedoeld in artikel 285, derde lid, wordt die opgave alsnog in overeenstemming gebracht met de in het eerste en tweede lid van dat artikel gestelde eisen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De artikelen 355, met uitzondering van de laatste volzin van het derde lid, en 356 vinden overeenkomstig toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">358</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien aan het Hof de noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van op de terechtzitting nog niet verhoorde getuigen of deskundigen, of van de overlegging van bescheiden of stukken van overtuiging, die niet op de terechtzitting aanwezig zijn, beveelt het zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, tegen een door het Hof te bepalen tijdstip de dagvaarding van die getuigen of deskundigen of de overlegging van die bescheiden of die stukken van overtuiging.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op de getuige, die overeenkomstig het bepaalde in artikel 261 is verhoord.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">359</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien enig onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk blijkt, stelt het Hof met schorsing van de zaak onder aanduiding van het onderwerp van het onderzoek en, zo nodig, van de wijze waarop dit zal zijn in te stellen, de stukken in handen van de rechter-commissaris.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 226 tot en met 271 gevoerd. Alsdan kan de rechter-commissaris de bevoegdheden die hem tijdens het gerechtelijk vooronderzoek en overigens tijdens het voorbereidend onderzoek na tussenkomst van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte zijn toegekend, ambtshalve uitoefenen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">360</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien het noodzakelijk is dat een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte tegen wie voorlopige hechtenis is bevolen, wordt ingesteld en dit niet voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden, beveelt het Hof bij een met redenen omklede beslissing dat de verdachte ter waarneming zal worden overgebracht naar een in het bevel aan te duiden inrichting tot verpleging of genezing bestemd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevel wordt niet gegeven dan nadat het oordeel van een of meer deskundigen is ingewonnen en de procureur-generaal, de verdachte en zijn raadsman in de gelegenheid zijn gesteld om terzake te worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Artikel 177 is van toepassing met dien verstande dat het bevel, bedoeld bij het tweede lid van dat artikel, slechts door het Hof kan worden gegeven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">361</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien het Hof het houden van een schouw of het horen van getuigen of verdachten elders dan in de rechtszaal noodzakelijk acht, kan zij te dien einde, met schorsing van de zaak, bevelen dat de terechtzitting tijdelijk zal worden verplaatst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het Hof is bevoegd daartoe met de personen door haar aangewezen elke plaats te betreden. Van het binnentreden in een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner wordt binnen tweemaal vierentwintig uren proces-verbaal opgemaakt. Artikel 163, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof is bevoegd, naar aanleiding van de gesteldheid van de plaats waar de tijdelijke terechtzitting zal worden gehouden, de nodige voorschriften te geven voor de wijze van behandeling van de zaak op die terechtzitting.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">362</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In alle gevallen, waarin het onderzoek wordt onderbroken of voor een bepaalde tijd geschorst, wordt door de voorzitter aan de aanwezige verdachte en aan de aanwezige getuigen, deskundigen en tolken mondeling het tijdstip aangezegd, waarop zij op de terechtzitting aanwezig zullen moeten zijn, tenzij het Hof, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bepaalt dat hun tegenwoordigheid bij de nadere behandeling niet is vereist. De aanzegging geldt als dagvaarding. Bij niet-verschijning van getuigen, deskundigen of tolken op het aangewezen tijdstip is artikel 321 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte, getuigen, deskundigen en tolken, die bij de in het eerste lid bedoelde aanzegging niet op de terechtzitting aanwezig zijn, worden, in geval van schorsing, voor de nadere behandeling opnieuw opgeroepen of gedagvaard, tenzij het Hof, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bepaalt dat hun tegen-woordigheid bij de nadere behandeling niet is vereist.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">363</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin het onderzoek voor een onbepaalde tijd is geschorst, wordt, zodra de oorzaak van de schorsing is vervallen, de verdachte opgeroepen en worden de getuigen, deskundigen en tolken opnieuw ter terechtzitting voor de nadere behandeling bepaald, gedagvaard, tenzij het Hof, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bepaalt dat hun tegenwoordigheid bij de nadere behandeling niet is vereist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte, getuigen, deskundigen en tolken die, ofschoon opgeroepen of gedagvaard, niet op de terechtzitting zijn verschenen, worden opnieuw opgeroepen of gedagvaard, tenzij het Hof, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bepaalt dat hun tegenwoordigheid bij de nadere behandeling niet is vereist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Hetgeen bij artikel 290 ten opzichte van de dagvaarding van de verdachte is bepaald, geldt hier ten aanzien van de oproeping van de verdachte.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">364</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In alle gevallen, waarin, na schorsing, het onderzoek op een nadere terechtzitting wordt hervat, kunnen nieuw bij te brengen, nog niet verhoorde getuigen en deskundigen overeenkomstig de artikelen 287, eerste lid, en 289 worden gedagvaard.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 287, tweede en derde lid, vindt overeenkomstig toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De nieuw bijgebrachte getuigen worden op de getuigenlijst geplaatst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Artikel 318, derde lid, is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De bepalingen strekkende tot bescherming van de bedreigde getuige zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">365</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde bij artikel 366, wordt in alle gevallen waarin schorsing van het onderzoek plaatsheeft, de zaak op de nadere terechtzitting hervat in de stand waarin zij zich op het tijdstip van de schorsing bevond. Het Hof is bevoegd te bevelen dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In het geval dat het onderzoek opnieuw wordt aangevangen, wordt de verklaring van een getuige die bij het voorgaand onderzoek is verhoord, mits op de nadere terechtzitting voorgelezen, als aldaar afgelegd aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>indien die getuige overleden is of naar het oordeel van het Hof niet op de nadere terechtzitting heeft kunnen verschijnen,</al></li><li nr="b."><al>indien die getuige op de nadere terechtzitting is verschenen, doch weigert getuigenis te geven, of</al></li><li nr="c."><al>indien met toestemming van de procureur-generaal en de verdachte van zijn verhoor wordt afgezien.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">366</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien bij de hervatting van het onderzoek de verdachte tegen wie voor de schorsing verstek is verleend, op de terechtzitting voor de nadere behandeling bepaald, verschijnt, of zich in de gevallen, bij wettelijke regeling, toegelaten, door een gemachtigde laat vertegenwoordigen, wordt het verleend verstek vervallen verklaard.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het Hof kan gelasten dat bepaalde handelingen van onderzoek opnieuw zullen plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het tweede lid van artikel 365 is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">367</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Niettegenstaande de schorsing is het Hof bevoegd te allen tijde het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde spoedeisende maatregelen tijdelijk te heropenen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De artikelen 363, 364 en 365 zijn van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">368</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien buiten het geval van artikel 308 of van artikel 366 de verdachte tegen wie verstek is verleend, gedurende het onderzoek op de terechtzitting verschijnt of zich in de gevallen, bij wettelijke regeling toegelaten, door een gemachtigde laat vertegenwoordigen, kan het Hof het verstek vervallen verklaren. In dat geval wordt het onderzoek opnieuw aangevangen, hetzij dadelijk, hetzij op een nader te bepalen terechtzitting.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het tweede lid van artikel 365 is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">369</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De griffier houdt het proces-verbaal van de terechtzitting, waarin achtereenvolgens aantekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het behelst tevens de zakelijke inhoud van de verklaringen van de getuigen, deskundigen en verdachten. Indien de procureur-generaal vordert of de verdachte verzoekt dat enige verklaring woordelijk zal worden opgenomen, wordt daaraan, voor zover de verklaring redelijke grenzen niet overschrijdt, op last van het Hof zoveel mogelijk voldaan en daarvan voorlezing gedaan Acht de procureur-generaal of de verdachte de verklaring niet voldoende weergegeven, dan beslist het Hof.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De voorzitter kan gelasten dat in het proces-verbaal van enige bepaalde omstandigheid, verklaring of opgave aantekening zal worden gedaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Gelijke aantekening geschiedt, wanneer een van de rechters het verlangt, of op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">370</nr></kop><al>Het proces-verbaal wordt door de voorzitter of door een van de rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en de griffier vastgesteld en zo spoedig mogelijk na elke sluiting van de terechtzitting en in ieder geval binnen de in het eerste lid van artikel 410 vermelde termijn ondertekend. Voor zover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijn medewerking en wordt van zijn verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">371</nr></kop><al>Tot het nemen van elke rechterlijke beslissing op grond van de bepalingen van deze titel kan door de procureur-generaal een vordering en door de verdachte een verzoek tot het Hof worden gedaan, tenzij uit enige bepaling het tegendeel volgt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">372</nr></kop><al>Alvorens te beslissen op enig verzoek of verzet van de verdachte, hoort het Hof de procureur-generaal. Alvorens te beslissen op enige vordering of op enig verzet van de procureur- generaal, hoort het Hof de verdachte, indien deze tegenwoordig is, of diens raadsman.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">373</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Elke bevoegdheid, aan de verdachte bij deze titel toegekend, komt ook toe aan diens raadsman.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In alle gevallen waarin bij deze titel de toestemming of het horen van de verdachte of diens raadsman wordt gevorderd, geldt dit alleen ten aanzien van de op de terechtzitting aanwezige verdachte of raadsman.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Benadeelde partij</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">374</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De benadeelde partij kan zich ter zake van haar vordering tot schadevergoeding, indien deze wordt beperkt tot ten hoogste vijftigduizend gulden en zij niet aan het oordeel van de burgerlijke rechter is onderworpen, voegen in het geding over de strafzaak in eerste aanleg. De vordering dient naar het oordeel van de rechter van zodanige aard te zijn, dat zij zich leent voor een beslissing in de strafzaak.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tot deze voeging kan zij voorts door de rechter worden toegelaten ingeval een niet tenlastegelegd strafbaar feit, als bedoeld in artikel 412, bij het onderzoek ter terechtzitting ter sprake komt en dit feit in beginsel bij de strafbepaling in aanmerking kan worden genomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De voeging geschiedt op de terechtzitting door een opgave van de inhoud van de vordering, uiterlijk voordat de officier van justitie zijn vordering ingevolge artikel 353 overlegt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De benadeelde partij die zich niet in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, is daartoe onbevoegd in het geding in hoger beroep.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Heeft de voeging in eerste aanleg plaatsgehad, dan duurt zij, voor zover de vordering is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep, ook al is de benadeelde partij in hoger beroep niet verschenen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Is de vordering niet of slechts ten dele toegewezen, dan kan de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep voegen. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">375</nr></kop><al>Zij, die om in een burgerlijk geding in rechte te verschijnen, bijstand behoeven of vertegenwoordigd moeten worden, hebben, om zich in het strafgeding te voegen, die bijstand of die vertegenwoordiging nodig. Ten aanzien van de verdachte zijn de bepalingen betreffende de bijstand of de vertegenwoordiging, nodig in burgerlijke zaken, niet van toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">376</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De benadeelde partij kan zich doen bijstaan door een advocaat. Zij kan zich doen vertegenwoordigen door een advocaat of door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Nadat de zaak ter terechtzitting is aanhangig gemaakt, kan zowel de benadeelde partij als haar advocaat ter griffie inzage nemen van de processtukken, zonder de voortzetting van de zaak op te houden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De benadeelde partij kan van deze stukken met toestemming van de voorzitter, afschriften doen nemen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Ten aanzien van de bevoegdheid van de benadeelde partij en haar advocaat tot de kennisneming van processtukken en het bekomen van afschrift daarvan vinden de artikelen 51 tot en met 54 overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">377</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De benadeelde partij of haar advocaat kan tot bewijs van de geleden schade of van het bedrag daarvan stukken overleggen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De voorzitter kan aan de benadeelde partij toestemming geven om getuigen of deskundigen aan te brengen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">378</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De benadeelde partij of haar advocaat kan aan elke getuige en deskundige vragen doen, doch alleen betreffende de geleden schade of het bedrag daarvan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De ondervraging van getuigen en deskundigen door de benadeelde partij of haar advocaat geschiedt door tussenkomst van de voorzitter, tenzij het Hof toestaat dat zij zonder die tussenkomst zal geschieden. De toestemming kan steeds worden ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof kan beletten dat aan enige vraag, door of namens de benadeelde partij gesteld, gevolg wordt gegeven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">379</nr></kop><al>De benadeelde partij kan haar eis toelichten of doen toelichten, nadat de officier van justitie zijn vordering ingevolge artikel 353 heeft overgelegd. Zij heeft andermaal het woord, nadat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld ten tweede male het woord te voeren.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">380</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het Hof doet over de vordering van de benadeelde partij gelijktijdig met de strafzaak uitspraak.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De vordering zal alleen ontvankelijk zijn, indien de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, of wordt schuldig verklaard zonder oplegging van enige straf of maatregel.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Bij toewijzing van de vordering veroordeelt het Hof de verdachte geheel of ten dele in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Hieronder zijn niet begrepen de kosten die het Hof verklaart nodeloos te zijn gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Bij gehele of gedeeltelijke ontzegging veroordeelt het Hof de benadeelde partij geheel of ten dele in de kosten door de verdachte te zijner verdediging tegen de vordering gemaakt, met uitzondering van die kosten die het Hof verklaart nodeloos te zijn gemaakt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Bewijs</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">381</nr></kop><al>Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">382</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend:</al><lijst><li nr="a."><al>eigen waarneming van de rechter;</al></li><li nr="b."><al>verklaringen van de verdachte;</al></li><li nr="c."><al>verklaringen van een getuige;</al></li><li nr="d."><al>verklaringen van een deskundige;</al></li><li nr="e."><al>schriftelijke bescheiden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid behoeven geen bewijs.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">383</nr></kop><al>Onder eigen waarneming van de rechter wordt verstaan die welke bij het onderzoek op de terechtzitting door hem persoonlijk is geschied.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">384</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Onder verklaring van de verdachte wordt verstaan, zijn bij het onderzoek op de terechtzitting gedane opgave van feiten of omstandigheden, hem uit eigen wetenschap bekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zodanige opgave, elders dan ter terechtzitting gedaan, kan tot het bewijs, dat de verdachte het tenlastegelegde feit begaan heeft, meewerken, indien daarvan uit enig wettig bewijsmiddel blijkt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Zijn opgaven kunnen alleen te zijnen aanzien gelden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op grond van diens eigen verklaringen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Houden de opgaven van de verdachte een gerechtelijke bekentenis van schuld in, dan worden zij door een herroeping van de bekentenis niet krachteloos gemaakt, tenzij die herroeping op aannemelijke gronden berust.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">385</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Onder verklaring van een getuige wordt verstaan, zijn bij het onderzoek op de terechtzitting gedane mededeling van feiten of omstandigheden, die hij zelf waargenomen of ondervonden heeft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verklaring van een getuige wiens identiteit niet blijkt, kan niet meewerken tot het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, behoudens ingeval de getuige met toepassing van het vierde lid van artikel 261 is verhoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van slechts één getuige.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Verklaringen van getuigen, die overeenkomstig het bepaalde in artikel 261 zijn verhoord, mogen alleen dan als bewijsmateriaal worden gebezigd, indien belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">386</nr></kop><al>Onder verklaring van een deskundige wordt verstaan, zijn bij het onderzoek op de terechtzitting meegedeeld gevoelen betreffende hetgeen zijn wetenschap hem leert omtrent datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">387</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Onder schriftelijke bescheiden worden verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>beslissingen in de wettelijke vorm opgemaakt door colleges of personen met rechtspraak belast;</al></li><li nr="b."><al>processen-verbaal en andere geschriften, in de wettelijke vorm opgemaakt door colleges en personen, die daartoe bevoegd zijn, en behelzende hun mededeling van feiten of omstandigheden, door hen zelf waargenomen of ondervonden;</al></li><li nr="c."><al>geschriften opgemaakt door openbare colleges of ambtenaren, betreffende onderwerpen behorende tot de onder hun beheer gestelde dienst, en bestemd om tot bewijs van enig feit of van enige omstandigheid te dienen;</al></li><li nr="d."><al>verslagen van deskundigen behelzende hun gevoelen betreffende hetgeen hun wetenschap hen leert omtrent datgene wat aan hun oordeel onderworpen is;</al></li><li nr="e."><al>alle andere geschriften, doch deze kunnen alleen gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, kan door de rechter worden aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Schriftelijke bescheiden, houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, kunnen slechts als bewijsmiddel worden erkend, indien deze persoon met de toestemming van of door de rechter-commissaris op de voet van het bepaalde in artikel 261 is verhoord, mits belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIJFDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Beraadslaging en uitspraak</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">388</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Na afloop van het onderzoek wordt dit door de voorzitter gesloten verklaard en wordt hetzij aanstonds de uitspraak gedaan, hetzij door de voorzitter mondeling meegedeeld, wanneer zij volgens de bepaling van het Hof zal plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De uitspraak kan op de bepaalde dag mondeling tot een nadere dag worden uitgesteld. De uitspraak kan, op straffe van nietigheid, niet vervroegd worden, tenzij zij gedaan wordt in tegenwoordigheid van de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In geen geval mag de uitspraak later plaatsvinden dan op de eenentwintigste dag na de sluiting van het onderzoek.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Heeft de uitspraak alsdan niet plaatsgehad, dan wordt de zaak op de bestaande tenlastelegging door hetzelfde college opnieuw onderzocht.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">389</nr></kop><al>De artikelen 414 tot en met 428 kunnen in eerste aanleg ook bij de berechting van misdrijven toepassing vinden, indien naar het oordeel van de rechter de zaak van eenvoudige aard is, bepaaldelijk ook ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wettelijke regeling en daarin geen zwaardere hoofdstraf dan gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden dient te worden opgelegd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">390</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ingeval bij de beraadslaging blijkt dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan het Hof op de terechtzitting bevelen dat op een door het Hof te bepalen terechtzitting het onderzoek wordt hervat.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij het bevel worden tevens aangewezen de getuigen, deskundigen en tolken, wier verhoor of tegenwoordigheid nodig wordt geacht, of de bescheiden of stukken van overtuiging waarvan het Hof inzage of bezichtiging wenst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In dit geval wordt gehandeld als ware het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, met dien verstande dat de verplichte oproeping alleen betreft de verdachte en dat alleen de in het bevel aangewezen getuigen, deskundigen, en tolken, opnieuw worden gedagvaard.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">391</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ook kan, in het geval bij het eerste lid van artikel 390 bedoeld, het Hof overeenkomstig de bepalingen van artikel 359 een onderzoek door de rechter-commissaris doen plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In dit geval wordt gehandeld als ware het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">392</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het Hof onderzoekt op de grondslag van de telastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting de geldigheid van de dagvaarding, de bevoegdheid van het Hof tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de ontvankelijkheid van de procureur-generaal en of er redenen zijn voor schorsing van de vervolging.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In het geding in hoger beroep geschiedt dat onderzoek mede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, zoals dit volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft plaatsgehad, en onderzoekt het Hof de ontvankelijkheid van het hoger beroep alvorens tot het onderzoek van de geldigheid van de dagvaarding over te gaan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">393</nr></kop><al>Indien het onderzoek in artikel 392 bedoeld, daartoe aanleiding geeft, spreekt het Hof uit de niet-ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep, de nietigheid van de dagvaarding, de onbevoegdheid van het Hof, de niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal of de schorsing van de vervolging.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">394</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien het onderzoek in artikel 392 bedoeld niet leidt tot toepassing van artikel 393, beraadslaagt het Hof op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de vraag of bewezen is dat het feit door de verdachte is begaan, en, zo ja, welk strafbaar feit het bewezenverklaarde volgens wettelijke regeling oplevert; indien wordt aangenomen dat het feit bewezen en strafbaar is, dan beraadslaagt het Hof over de strafbaarheid van de verdachte en over de oplegging van straf of maatregel, bij wettelijke regeling bepaald.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In het geding in hoger beroep geschiedt de beraadslaging mede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, zoals dit volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft plaatsgehad.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">395</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Acht het Hof het tenlastegelegde feit bewezen en het feit en de verdachte strafbaar, dan legt het op de straf of de maatregel, op het feit gesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In het geding in hoger beroep kan slechts met eenparigheid van stemmen worden bewezenverklaard datgene waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. Die eenparigheid is echter niet vereist, indien bij een alternatieve telastelegging in eerste aanleg is beslist, dat door de verdachte een van de hem tenlastegelegde feiten is begaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien alleen de verdachte in hoger beroep is gekomen, kan hij ter zake van hetgeen in eerste aanleg te zijnen laste bewezen is verklaard, slechts met eenparigheid van stemmen tot een zwaardere straf worden veroordeeld, dan hem bij het vonnis is opgelegd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">396</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Acht het Hof niet bewezen dat de verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan, dan spreekt het hem vrij. Indien de vrijspraak voortvloeit uit de toepassing van artikel 413, dan wordt daarvan in het bijzonder reden gegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Acht het Hof het feit bewezen, en het feit of de verdachte niet strafbaar, dan ontslaat het hem van alle rechtsvervolging te dier zake. In het geval bedoeld bij artikel 39, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt zonodig de last, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, gegeven. In het geval bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht, wordt zo nodig de maatregel van ter beschikkingstelling van de regering, zonder toepassing van enige straf opgelegd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">397</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In het geval van oplegging van straf of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging gelast het Hof, tenzij het verklaart tot het geven van zodanige last niet in staat te zijn, dat inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen zullen worden teruggegeven aan een met name genoemde persoon, voor zover zij niet worden verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer. De beslissing van het Hof laat ieders rechten op het voorwerp onverlet. Artikel 144 vindt zoveel mogelijk toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het Hof kan gelasten dat een voorwerp, waarover een geding bij de burgerlijke rechter aanhangig is, hangende dit geding op een bepaalde wijze zal worden bewaard, op kosten van ongelijk.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Op een last, ingevolge het eerste en tweede lid gegeven, is artikel 145 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het Hof kan de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen onder zekerheidstelling gelasten. Artikel 145a is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">398</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien een uitspraak bij verstek is gedaan, kan, nadat deze uitvoerbaar is geworden, de beslissing van het Hof ten aanzien van de stukken van overtuiging worden uitgevoerd, nadat van die stukken, indien de uitspraak nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, een nauwkeurige beschrijving door de griffier is opgemaakt en op de griffie neergelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het Hof kan van de teruggave of vernietiging overeenkomstig het eerste lid uitzonderen zodanige voorwerpen, als het nodig vindt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">399</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien het Hof valsheid in authentiek geschrift aanneemt, verklaart het bij de uitspraak het gehele stuk vals, of wijst het aan waarin de valsheid bestaat.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, stelt de griffier een door hem ondertekende aantekening op het stuk, houdende dat dit geheel of gedeeltelijk is vals verklaard en vermeldende het vonnis waarbij dit is geschied.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het in het tweede lid bepaalde is niet van toepassing op akten, voorkomende in een register van de burgerlijke stand.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Grossen, afschriften of uittreksels van het stuk worden niet uitgegeven, dan met bijvoeging van de daarop gestelde aantekening.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">400</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het vonnis behelst voor zover mogelijk naam en voornamen, leeftijd, geboorteplaats, beroep en woon- of verblijfplaats van de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevat voorts, op straffe van nietigheid, de namen van de rechters door wie het is gewezen en de dag van de uitspraak.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">401</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In het geding in eerste aanleg bevat het vonnis, in de gevallen van artikel 393, de daarbij vermelde beslissingen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In de andere gevallen bevat het vonnis de beslissing over de punten, bij artikel 394, eerste lid, vermeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wordt, in strijd met het te dien aanzien door de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer, artikel 393 niet toegepast of aangenomen dat het bewezenverklaarde een bepaald strafbaar feit oplevert of dat een bepaalde strafverminderings- of strafuitsluitingsgrond niet aanwezig is, dan geeft het vonnis daaromtrent bepaaldelijk een beslissing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het vonnis vermeldt verder, in geval van oplegging van straf of maatregel, de wettelijke voorschriften waarop deze is gegrond.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Alles op straffe van nietigheid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">402</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het vonnis bevat het tenlastegelegde alsme­de de vordering van de officier van justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De beslissingen vermeld in de artikelen 393 en 401, tweede en derde lid, zijn met redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid. </al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De beslissing dat het feit door de verdach­te is be­gaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten of omstan­digheden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsontneming meebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Indien een zwaardere straf wordt opgelegd dan de procureur-generaal heeft gevorderd, dan wel een straf onvoorwaardelijk wordt opgelegd die vrijheidsontneming van langere duur meebrengt dan de procureur-generaal heeft gevorderd, geeft het vonnis steeds in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid. Hetzelfde geldt ingeval het Hof een zwaardere straf of maatregel oplegt dan de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het vonnis wordt binnen vier maanden na de einduitspraak aangevuld met de in het derde lid bedoelde bewijsmiddelen indien de verdachte een rechtsmiddel heeft ingesteld dan wel indien de verdachte of diens raadsman daarom verzoekt of de procureur-generaal dit vordert. </al></lid><lid><lidnr status="officieel">8.</lidnr><al>Behoudens het gestelde in het derde lid geschiedt alles op straffe van nietigheid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">403</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien het bewijs mede wordt aangenomen op de verklaring van één getuige als bedoeld bij artikel 250, tweede lid, of van een getuige, die is verhoord op de voet van het bepaalde in artikel 261, geeft het vonnis daarvan in het bijzonder reden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien na schorsing van de vervolging wegens een geschilpunt van burgerlijk recht van de uitspraak van de burgerlijke rechter wordt afgeweken, geeft het vonnis ook daarvan in het bijzonder reden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Alles op straffe van nietigheid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">404</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Heeft de benadeelde partij zich in het geding gevoegd, dan beraadslaagt het Hof mede over zijn bevoegdheid om over de vordering te oordelen, over de ontvankelijkheid van die partij, over de gegrondheid van haar vordering, en over de verwijzing in de kosten door die partij en de verdachte gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het vonnis houdt alsdan, tenzij onbevoegdheid van het Hof over de vordering te oordelen of niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij wordt uitgesproken, ook in de beslissing van het Hof over de vordering en over de verwijzing in de kosten door die partij en de verdachte gemaakt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">405</nr></kop><al>Heeft de procureur-generaal tevens een vordering ingediend tot het gelasten van gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een met toepassing van artikel 17a van het Wetboek van Strafrecht opgelegde straf, dan beraadslaagt het Hof mede over zijn bevoegdheid om over de vordering te oordelen, over de ontvankelijkheid van de procureur-generaal en over de gegrondheid van de vordering. Het vonnis houdt alsdan, tenzij onbevoegdheid van het Hof om over de vordering te oordelen of niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal wordt uitgesproken, ook de beslissing van het Hof over de vordering in.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">406</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In het geding in hoger beroep bevat het vonnis van het Hof, in de gevallen van artikel 393, de daarbij vermelde beslissingen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In de andere gevallen bevestigt het Hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg met gehele of gedeeltelijke overneming, dan wel met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van dat vonnis, wat de rechter in eerste aanleg had behoren te doen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien echter de hoofdzaak niet door de rechter in eerste aanleg is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, verwijst het Hof daartoe de zaak naar de rechter in eerste aanleg van hetzelfde rechtsgebied, tenzij door de procureur-generaal en de verdachte de beslissing van de hoofdzaak door het Hof is verlangd. In geval van verwijzing doet de rechter in eerste aanleg recht met inachtneming van 's Hofs vonnis.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>In geval van vernietiging van het vonnis van de rechter in eerste aanleg is het Hof niettemin bevoegd gedeelten daarvan, door daarnaar te verwijzen, in zijn vonnis over te nemen, voor zover zij niet aan nietigheid lijden. Indien het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg aan nietigheid lijdt, kan niettemin het vonnis, voor zover dit niet aan nietigheid lijdt, worden bevestigd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien de wettelijke voorschriften, waarop de oplegging van straf of maatregel is gegrond, niet in het vonnis zijn vermeld, kan het Hof er mee volstaan het vonnis alleen te dien aanzien te vernietigen en te doen wat de rechter in eerste aanleg had behoren te doen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Indien bij samenloop van meerdere feiten een hoofdstraf is uitgesproken en het hoger beroep slechts is ingesteld ten aanzien van een of meer van de feiten, wordt in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het vonnis de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">407</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het vonnis wordt in eerste aanleg op straffe van nietigheid door de rechter in een openbare zitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de officier van justitie en de griffier.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In hoger beroep geschiedt de uitspraak op straffe van nietigheid in een openbare zitting van het Hof, zoveel mogelijk samengesteld uit drie leden, in tegenwoordigheid van de procureur-generaal en van de griffier.</al><al>De uitspraak geschiedt zo mogelijk door de voorzitter of door een van de rechters die over de zaak heeft geoordeeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">408</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte die zich ter zake van het ter terechtzitting onderzochte feit in voorlopige hechtenis bevindt, is bij de uitspraak tegenwoordig, tenzij hij daartoe buiten staat is of hij mondeling of schriftelijk te kennen heeft gegeven weg te willen blijven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is zodanige verdachte tot het bijwonen van de uitspraak buiten staat, dan wordt ten spoedigste het vonnis hem ter plaatse waar hij wordt gevangengehouden, door de griffier voorgelezen, met de kennisgeving in artikel 409 voor de voorzitter voorgeschreven. Van een en ander wordt door de griffier op het vonnis melding gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de verdachte gevangen wordt gehouden in een ander eilandgebied dan dat waar het rechtsgeding heeft plaatsgevonden, kan de voorlezing bedoeld in het tweede lid geschieden door de griffier in het eilandgebied waar de verdachte wordt gevangengehouden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">409</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de verdachte in het geding in eerste aanleg bij het uitspreken van het vonnis tegenwoordig is, geeft de rechter hem daarbij mondeling kennis van het rechtsmiddel, dat tegen het vonnis openstaat, en van de termijn waarbinnen dat rechtsmiddel kan worden aangewend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In hoger beroep geeft de voorzitter de verdachte op gelijke wijze kennis van diens bevoegdheid cassatie in te stellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">410</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het vonnis wordt binnen tweemaal vierentwintig uren na de uitspraak ondertekend door de rechter of rechters die over de zaak hebben geoordeeld, en door de griffier die bij de uitspraak tegenwoordig is geweest.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zo een of meer van hun daartoe buiten staat zijn, wordt hiervan aan het slot van het vonnis melding gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Zodra het vonnis is getekend en in ieder geval na afloop van de termijn waarbinnen enig rechtsmiddel openstaat, kan de verdachte of zijn raadsman daarvan en van het proces-verbaal van de terechtzitting kennisnemen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">411</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de verdachte bij het vonnis bij verstek gewezen, niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, wordt een mededeling van de beslissing door het Hof overeenkomstig de artikelen 393, 395, eerste lid, of 396, tweede lid, gegeven, vanwege de procureur-generaal zo spoedig mogelijk aan de verdachte betekend. Deze bepaling geldt niet ten aanzien van de verdachte aan wie voor zover betreft het rechtsgeding bij verstek, de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen in persoon is betekend.De mededeling vermeldt de rechters die het vonnis hebben gewezen, de dagtekening van het vonnis, de in het vonnis voorkomende rechtskundige benaming van het strafbare feit met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse dat feit begaan zou zijn, en, voor zover in het vonnis vermeld, naam en voornamen, leeftijd, geboorteplaats, beroep en woon- of verblijfplaats van de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De mededeling wordt in alle gevallen waarin de procureur-generaal dit bepaalt, en overigens zoveel mogelijk, aan de verdachte in persoon betekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Is ten aanzien van de verdachte artikel 17a van het Wetboek van Strafrecht toegepast, dan vermeldt de mededeling bovendien alle beslissingen die betrekking hebben op het in dat artikel bedoelde bevel, alsmede het tijdstip waarop ingevolge artikel 17b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht de proeftijd zal ingaan, terwijl de betekening niet anders geschiedt dan aan de verdachte in persoon.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De mededeling vindt eveneens plaats, indien de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen de verdachte in persoon is betekend of de verdachte ter terechtzitting is verschenen, maar nadien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst en de oproeping om op de nadere terechtzitting te verschijnen niet aan de verdachte in persoon is betekend en hij evenmin op de nadere zitting is verschenen. Het derde lid is van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">ZESDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Zaken ad informandum</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">412</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ingeval een straf of maatregel wordt opgelegd kan de rechter ter bepaling daarvan als bijzondere reden een in de processtukken aangeduid, doch niet tenlastegelegd strafbaar feit in aanmerking nemen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>ervan mag worden uitgegaan, dat tegen de verdachte ter zake van dat feit geen vervolging meer zal worden ingesteld, en</al></li><li nr="b."><al>op grond van de, in enig wettig bewijsmiddel vastgelegde dan wel ter terechtzitting gedane, erkenning van de verdachte te dier zake aannemelijk is geworden, dat hij dat feit heeft begaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het is de rechter niet toegestaan om de in het eerste lid bedoelde feiten in aanmerking te nemen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>die feiten wat betreft hun aard zodanig verschillen van het tenlastegelegde feit, dat daarin voor de bestraffing wezenlijk nieuwe gezichtspunten naar voren komen, dan wel door de ernst daarvan of door hun aantal de straf of maatregel in verregaande mate zouden beïnvloeden;</al></li><li nr="b."><al>bij het onderzoek ter terechtzitting blijkt, dat de verdachte zijn aanvankelijke erkenning niet langer handhaaft, dan wel daarop terug wenst te komen;</al></li><li nr="c."><al>de zaak bij verstek wordt behandeld en door het openbaar ministerie is verzuimd tijdig voor de aanvang van de terechtzitting aan de verdachte mee te delen, dat hij het voornemen heeft bedoelde feiten aan de rechter voor te leggen, opdat deze daarmee bij de strafbepaling rekening kan houden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien ter zake van een niet tenlastegelegd feit, als bedoeld in het eerste lid, inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast en dit feit op de voet van de voorgaande artikelen door de rechter bij de strafbepaling in aanmerking is genomen,</al><lijst><li nr="a."><al>vindt het bepaalde in artikel 31 van het Wetboek van Strafrecht overeenkomstige toepassing;</al></li><li nr="b."><al>dient de rechter op de voet van artikel 35 van het Wetboek van Strafrecht een beslissing te geven met betrekking tot de terzake inbeslaggenomen voorwerpen.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">ZEVENDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Gevolgen van normschendingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">413</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien normen, daaronder begrepen zowel wettelijk omschreven voorschriften als regels van ongeschreven recht, tijdens het voorbereidend onderzoek of het onderzoek ter terechtzitting, ook ingeval de behandeling van de zaak door de raadkamer plaatsvindt, zijn geschonden, kan de rechter, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of het verzoek van de verdachte of diens raadsman, de normschending herstellen, overeenkomstig de aard en de strekking van de geschonden norm, dan wel bevelen, dat dit zal geschieden. Hij kan daartoe de nodige aanwijzingen geven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Herstel blijft achterwege, indien de normschending niet meer kan worden hersteld en de rechtsgevolgen daarvan reeds uit enige wettelijke regeling voortvloeien.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien een termijn die de duur van de vrijheidsbeneming betreft, wordt overschreden, kan zij niet worden verlengd, tenzij de rechtsorde door de invrijheidstelling van de verdachte zodanig ernstig zou worden geschokt, dat het algemene belang voortzetting van de vrijheidsbeneming bepaaldelijk vordert. Alsdan kan de rechter, uiterlijk binnen vierentwintig uren nadat de termijnoverschrijding is vastgesteld, doch niet later dan zeven dagen na het verstrijken van de termijn, op de vordering van het openbaar ministerie een nieuwe termijn stellen, doch alleen voor zover dit wetboek in een nieuwe termijn voorziet en ook overigens aan de wettelijke vereisten is voldaan. Gedurende deze vierentwintig uren blijft het bevel tot vrijheidsbeneming waarvan de termijn is verstreken, van kracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Kan herstel als bedoeld in het eerste en tweede lid niet plaatsvinden, dan blijft de normschending, behoudens in geval van het vijfde lid, zonder gevolgen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De rechter kan in zijn eindvonnis, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bij schending van voor de procesvoering wezenlijke normen, na een redelijke afweging van alle in het geding zijnde belangen, beslissen, voor zover een bijzondere wettelijke bepaling niet reeds in de gevolgen van de normschending voorziet:</al><lijst><li nr="a."><al>dat de hoogte van de straf, in verhouding tot de ernst van de normschending, zal worden verlaagd, indien het door de schending veroorzaakte nadeel langs die weg redelijkerwijze kan worden gecompenseerd;</al></li><li nr="b."><al>dat de resultaten van het onderzoek, voor zover zij rechtstreeks door middel van de normschending zijn verkregen, niet tot het bewijs van het strafbare feit worden toegelaten, indien redelijkerwijze aannemelijk is, dat de verdachte door het gebruik van de onderzoeksresultaten ernstig in zijn verdediging is geschaad;</al></li><li nr="c."><al>dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien door toedoen van de normschending er geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak, die aan de eisen van een eerlijk proces voldoet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Indien de rechter van oordeel is, dat er gronden van redelijkheid en billijkheid zijn voor toekenning van schadevergoeding, kan hij daartoe, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bij afzonderlijke beschikking besluiten. Deze bevoegdheid komt toe aan de rechter die de zaak ter terechtzitting behandelt, of, als de zaak is geëindigd, voor wie deze het laatst heeft gediend. Schadevergoeding kan zowel naast als in de plaats van de in het vijfde lid genoemde beslissingen worden toegekend. De artikelen 181 en 182 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>Bij de beoordeling van de normschending en de daaraan te verbinden gevolgen, alsmede bij de afweging van de in het geding zijnde belangen houdt de rechter in het bijzonder rekening met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt, en de mate van verwijtbaarheid van degene die de norm schond.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">V</nr><titel status="officieel">Berechting van overtredingen in eerste aanleg</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">414</nr></kop><al>Zaken, uitsluitend betreffende feiten die als overtreding strafbaar zijn gesteld, worden door of vanwege de officier van justitie ter terechtzitting aanhangig gemaakt:</al><lijst><li nr="a."><al>hetzij door oproeping;</al></li><li nr="b."><al>hetzij door dagvaarding.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">415</nr></kop><al>De officier van justitie, hoofd van het parket, kan ten aanzien van het al of niet aanhangig maken door oproeping aan de opsporingsambtenaren de nodige algemene of bijzondere voorschriften geven.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">416</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het aanhangig maken van de zaak door oproeping kan enkel plaats vinden in geval van ontdekking op heterdaad door een opsporingsambtenaar. Het aanhangig maken geschiedt doordat aan de verdachte onverwijld een oproeping wordt uitgereikt door een opsporingsambtenaar om te verschijnen op een in die oproeping vermelde terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg. De officier van justitie, hoofd van het parket, geeft voorschriften omtrent de dag en het tijdstip van de terechtzitting waartegen de oproeping geschiedt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij de uitreiking worden desgevraagd inhoud en strekking van de oproeping aan de verdachte, zo mogelijk, mondeling kort toegelicht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wordt een aangeboden oproeping niet aangenomen, dan wordt zij niettemin geacht de verdachte op het ogenblik van de aanbieding te zijn uitgereikt. In dat geval wordt volstaan met toezending van een oproeping over de post, uiterlijk op de twintigste dag na de ontdekking van het feit.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Van het uitreiken van de oproeping, van het niet aannemen en de redenen daarvan en van het toezenden van de oproeping over de post wordt in het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar melding gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De oproeping bevat een vermelding van de bevoegdheid, de verdachte toegekend bij artikel 76, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Niet nakoming van het eerste, derde of vierde lid heeft nietigheid van de oproeping tot gevolg.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">417</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij de oproeping wordt de gewone termijn van dagvaarding in acht genomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de verdachte overeenkomstig artikel 74 is aangehouden, kan onverwijld een oproeping worden uitgereikt en kan hij worden opgeroepen om nog op de dag zelf ter terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg te verschijnen. Hij kan dan voor de officier van justitie en vervolgens ter terechtzitting worden geleid. Artikel 428, derde lid, blijft in dit geval buiten toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De oproeping voldoet aan de eisen in artikel 285, eerste lid, betreffende de dagvaarding gesteld. Evenwel kan met een korte aanduiding van het feit worden volstaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De oproeping wordt door de opsporingsambtenaar, die het feit heeft geconstateerd, gedagtekend en ondertekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Niet-nakoming van het eerste, derde of vierde lid van dit artikel heeft nietigheid van de oproeping tot gevolg. Vrijwillige verschijning dekt de nietigheid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">418</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen, kan de officier van justitie de intrekking van de oproeping, zo mogelijk schriftelijk, aan de verdachte doen meedelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de officier van justitie oordeelt, dat de zaak op een latere terechtzitting moet worden aangebracht, doet hij de verdachte die latere zitting aanzeggen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">419</nr></kop><al>Het formulier van de oproeping aan de verdachte om ter terechtzitting te verschijnen wordt vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">420</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In zaken, die door oproeping op de dag zelf ter terechtzitting aanhangig zijn gemaakt, kunnen getuigen door de ambtenaar, die het feit heeft opgespoord, worden uitgenodigd om ter terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg te verschijnen. De uitnodiging wordt door een deurwaarder of ambtenaar van politie uitgereikt aan de persoon van de getuige of aan een van zijn huisgenoten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een dubbel van de uitnodiging wordt bij de processtukken gevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de officier van justitie de oproeping van de verdachte intrekt of oordeelt, dat de zaak op een latere terechtzitting moet worden aangebracht, geeft hij daarvan onverwijld, aan de ingevolge dit artikel uitgenodigde getuigen kennis.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het formulier van de uitnodiging aan de getuigen om ter terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg te verschijnen wordt vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">421</nr></kop><al>De officier van justitie is bevoegd getuigen, deskundigen en tolken mondeling op te roepen of door een deurwaarder of een ambtenaar van politie mondeling te doen oproepen om ter terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg te verschijnen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">422</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de zaak aanhangig is gemaakt door oproeping, is artikel 307 betreffende het verstek van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voor de toepassing van de artikelen 411, 429 en 437 wordt een oproeping, die aan de persoon van de verdachte is uitgereikt, gelijkgesteld met een dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen, die aan de persoon van de verdachte is betekend.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">423</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de zaak aanhangig is gemaakt door oproeping, doet de officier van justitie, indien de oproeping enkel inhoudt een korte aanduiding van het feit, dat ten laste wordt gelegd, ter terechtzitting bij de aanvang van het onderzoek mondeling of, na voorlezing, schriftelijk nadere opgave van het feit, dat de verdachte ten laste wordt gelegd. De nadere opgave beantwoordt op straffe van nietigheid aan de korte aanduiding van het feit in de oproeping, behoudens verbetering of aanvulling.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De oproeping, zo nodig door de officier van justitie ter terechtzitting verbeterd of aangevuld, geldt wat betreft de grondslag voor de verdere vervolging, als dagvaarding.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Op verlangen van de rechter of van de verdachte wordt de nadere opgave hem op schrift gegeven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">424</nr></kop><al>Indien de verdachte bij zijn eerste verschijning ter terechtzitting aannemelijk maakt, dat hij in het belang van zijn verdediging uitstel behoeft, schorst de rechter het onderzoek voor een bepaalde tijd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">425</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter geeft na de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting hetzij onmiddellijk, hetzij diezelfde dag op een door hem bij de sluiting van het onderzoek te bepalen uur mondeling vonnis. De artikelen 400 en 402, derde en vierde lid, blijven buiten toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het vonnis wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Zodra het proces-verbaal van de terechtzitting is getekend, kunnen de verdachte en zijn raadsman daarvan kennisnemen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">426</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter is bevoegd en, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of zijn raadsman, verplicht schriftelijk vonnis te wijzen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De uitspraak mag alsdan in geen geval later plaatsvinden dan op de eenentwintigste dag na de sluiting van het onderzoek. Artikel 388, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">427</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zowel de officier van justitie als de verdachte kunnen na de mededeling betreffende het rechtsmiddel dat tegen het vonnis openstaat, ter terechtzitting afstand doen van de bevoegdheid om dat rechtsmiddel aan te wenden. Op zijn recht daartoe wordt de verdachte opmerkzaam gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Afstand ter terechtzitting van rechtsmiddelen wordt in het proces-verbaal van die terechtzitting vermeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">428</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op het rechtsgeding bij het gerecht in eerste aanleg zijn overigens de Eerste Titel en de Vierde Titel van dit Boek van overeenkomstige toepassing, behoudens de uitzonderingen, vermeld in het tweede tot en met zesde lid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De termijn van dagvaarding is ten minste drie dagen en, indien door de rechter-commissaris overeenkomstig de Zevende Titel van het Zevende Boek bevelen tot handhaving van de openbare orde zijn gegeven, ten minste twee dagen. De in de vorige volzin bedoelde termijn van twee dagen wordt, zo nodig, zoveel verlengd, dat daarin ten minste een dag voorkomt, die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De bepalingen met betrekking tot de voordracht van de zaak door de officier van justitie, de voorlopige hechtenis en het bezwaarschrift tegen de dagvaarding, zijn niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>In geval van artikel 333 wordt geen gerechtelijk vooronderzoek gelast, doch worden de stukken toegezonden aan de officier van justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien tegen de verdachte verstek is verleend, zomede voor zover door de verdachte en door zijn raadsman, zo hij die heeft, verklaard is, dat van bepaaldelijk aangeduide stukken noch de voorlezing noch de mededeling van de korte inhoud wordt gewenst, kan in de plaats van de voorlezing van de tenlastelegging, verklaringen, processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere stukken, vermeld in artikel 337, treden een op last van de rechter gedane aantekening in het proces-verbaal van de terechtzitting van de overlegging van die stukken; daarop mag dan ook ten bezware van de verdachte worden acht geslagen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>In geval van artikel 359 zijn de artikelen 235, 237, eerste lid, en 241 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>De in artikel 411 bedoelde mededeling behoeft niet te geschieden, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van de verdachte artikel 17a van het Wetboek van Strafrecht is toegepast, dan wel,</al></li><li nr="b."><al>een vrijheidsstraf is opgelegd, vervangende vrijheidsstraf daaronder niet begrepen, dan wel,</al></li><li nr="c."><al>een bijkomende straf is opgelegd, waarbij de ontzetting van bepaalde rechten of de ontzetting van bepaalde bevoegdheden is uitgesproken.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk></deel><deel><kop><nr status="officieel">ZESDE</nr><label>BOEK</label><titel status="officieel">RECHTSMIDDELEN</titel></kop><titeldeel><kop><nr status="officieel">A.</nr><titel status="officieel"> Gewone Rechtsmiddelen</titel></kop><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">I</nr><titel status="officieel">Verzet tegen einduitspraken</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">429</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tegen een bij verstek gewezen vonnis, in eerste aanleg als einduitspraak gegeven, kan degene die daarbij niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, noch daaraan geheel of gedeeltelijk heeft voldaan, verzet doen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen hem in persoon is betekend, gedurende veertien dagen na de uitspraak;</al></li><li nr="b."><al>in andere gevallen, uiterlijk veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het vonnis hem bekend is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hoger beroep kan door de verdachte niet worden ingesteld tegen een vonnis, waartegen hij verzet kan doen. Hoger beroep, ingesteld door de officier van justitie, vervalt op het moment dat de verdachte verzet doet.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Is in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst en de oproeping om op de nadere terechtzitting te verschijnen niet aan de verdachte in persoon betekend, dan kan, behoudens het geval dat de verdachte alsnog op de nadere zitting is verschenen, het verzet worden ingesteld uiterlijk veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het vonnis de verdachte bekend is.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">430</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien verzet is gedaan, doet de officier van justitie de verdachte de dag voor de behandeling van de zaak bepaald, ten minste zeven dagen voor die dag aanzeggen. Deze termijn kan met toestemming van de verdachte worden verkort, mits van die toestemming blijkt op de wijze bepaald in artikel 290, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij gebreke van het een of ander wordt door de rechter de aanzegging van een nieuwe rechtsdag bevolen, tenzij de verdachte is verschenen. In dit laatste geval wordt, indien de verdachte in het belang van zijn verdediging uitstel verzoekt, het onderzoek voor een bepaalde tijd geschorst.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">431</nr></kop><al>Heeft de benadeelde partij zich in het geding gevoegd, dan doet de officier van justitie haar van de dag van de terechtzitting schriftelijk mededeling.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">432</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien degene die in verzet is gekomen, niet op de dienende dag ter terechtzitting verschijnt, wordt het verzet vervallen verklaard en het bij verstek gewezen vonnis ten uitvoer gelegd of verder uitgevoerd, behoudens beroep in cassatie van het openbaar ministerie tegen het bij verstek gewezen vonnis.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter kan echter, bij niet-verschijning van de verdachte, met toepassing van artikel 313, een of meermalen schorsing van het onderzoek bevelen ten einde deze, indien hij verhinderd was het onderzoek bij te wonen, daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen. Verschijnt de verdachte niet op de nadere terechtzitting, dan is het voorgaande lid van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">433</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien degene die in verzet is gekomen, op de dienende dag ter terechtzitting verschijnt, wordt de zaak overeenkomstig de Vierde en Vijfde Titel van het Vijfde Boek behandeld, als ware het rechtsgeding bij verstek niet voorafgegaan. Artikel 365, tweede lid, vindt, zowel ten aanzien van getuigen als van deskundigen, tijdens het rechtsgeding bij verstek verhoord, overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter bekrachtigt de bij verstek gewezen uitspraak of doet met gehele of gedeeltelijke vernietiging van die uitspraak opnieuw recht.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">II</nr><titel status="officieel">Hoger beroep van vonnissen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">434</nr></kop><al>Tegen de vonnissen door de rechter in eerste aanleg als einduitspraak of in de loop van het onderzoek op de terechtzitting gegeven, kan hoger beroep worden ingesteld door de officier van justitie en door de verdachte die niet van de gehele telastelegging is vrijgesproken. Zijn in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan kan de verdachte alleen hoger beroep instellen ten aanzien van die gevoegde zaken, waarin hij niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">435</nr></kop><al>Tegen de vonnissen die geen einduitspraken zijn, is het hoger beroep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak toegelaten.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">436</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het hoger beroep kan slechts tegen het vonnis in zijn geheel worden ingesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zijn echter in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan kan het hoger beroep tot het vonnis voor zover dit een of meer van de gevoegde zaken betreft, worden beperkt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">437</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het hoger beroep moet worden ingesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen de verdachte in persoon is betekend of de verdachte ter terechtzitting is verschenen, binnen veertien dagen na de einduitspraak;</al></li><li nr="b."><al>in andere gevallen, uiterlijk veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het vonnis de verdachte bekend is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst en de oproeping om op de nadere terechtzitting te verschijnen niet aan de verdachte in persoon betekend, dan kan, behoudens het geval dat de verdachte alsnog op de nadere zitting is verschenen, het hoger beroep worden ingesteld uiterlijk veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het vonnis de verdachte bekend is.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">438</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Nadat hoger beroep is ingesteld, zendt de griffier van het gerecht in eerste aanleg de stukken van het geding zo spoedig mogelijk aan de griffier van het Hof.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien hoger beroep alleen door de officier van justitie is ingesteld, geschiedt de inzending niet of wordt aan haar, heeft zij ten onrechte plaatsgehad, op straffe van nietigheid van de behandeling van de zaak, geen gevolg gegeven, dan nadat het beroep aan de verdachte in persoon is betekend of zich enige andere omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het beroep hem bekend is.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">439</nr></kop><al>Binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep kan de partij die in beroep is gekomen bij de griffie van het Hof een schriftuur indienen, houdende de middelen en gronden, waarop zij haar beroep steunt. Deze schriftuur wordt bij de processtukken gevoegd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">440</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte, die zich ter zake van het feit in voorlopige hechtenis bevindt in een ander eilandgebied dan waar het Hof zitting houdt, wordt, nadat hij zijn verklaring heeft afgelegd, of nadat de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld en de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, ten spoedigste overgebracht naar het eilandgebied waar het Hof zitting houdt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing, indien de verdachte behoort tot hen die in een bepaalde afdeling moeten worden ondergebracht, en een zodanige afdeling ontbreekt in het huis van bewaring van het eilandgebied waar het Hof zitting houdt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">III</nr><titel status="officieel">Hoger beroep van beschikkingen.</titel></kop><paragraaf><kop><titel status="officieel">Bezwaarschriften</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">441</nr></kop><al>Tegen beschikkingen staat hoger beroep niet open en is een bezwaarschrift niet toegelaten, dan in de gevallen bij dit wetboek bepaald.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">442</nr></kop><al>Voor zover niet bijzondere bepalingen het recht van beroep van de officier van justitie regelen, kan hij van alle beschikkingen van de rechter in eerste aanleg of de rechter-commissaris, waarbij een krachtens dit wetboek gedane vordering niet is toegewezen, binnen drie dagen bij het Hof in hoger beroep komen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">443</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De akte van hoger beroep en het bezwaarschrift behelzen, op straffe van niet-ontvankelijkheid, de gronden waarop deze berusten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De beschikking blijft van kracht niettegenstaande hoger beroep.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">444</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het Hof zal het beroep of het bezwaarschrift afwijzen, of bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen van de wet behoort of had behoren te geschieden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien het hoger beroep van of het bezwaarschrift tegen een handeling of beschikking van de rechter-commissaris gegrond wordt geoordeeld, kan bij de beslissing van het Hof voor het instellen of voortzetten van dat onderzoek een andere rechter-commissaris worden aangewezen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IV</nr><titel status="officieel">Aanwenden van gewone rechtsmiddelen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">445</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Verzet wordt gedaan en hoger beroep ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht in eerste aanleg van elk rechtsgebied.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bezwaarschriften worden bij dezelfde griffie ingediend.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">446</nr></kop><al>Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 445, kan ook geschieden door:</al><lijst><li nr="a."><al>een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het middel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gemachtigd;</al></li><li nr="b."><al>een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">447</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Van iedere verklaring of indiening, als bedoeld in de artikelen 445 en 446, maakt de griffier een akte op, die hij met degene, die de verklaring aflegt of het bezwaarschrift inlevert, ondertekent. Indien deze niet kan tekenen, wordt de oorzaak van het beletsel in de akte vermeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De schriftelijke volmacht, in artikel 446 bedoeld, of, zo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt aan de akte gehecht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Van elk aangewend rechtsmiddel wordt dadelijk aantekening gedaan in een daartoe bestemd op de griffie berustend register, dat door de belanghebbenden kan worden ingezien.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">448</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Is degene die een rechtsmiddel wenst aan te wenden ingesloten in een huis van bewaring, gevangenis, of een andere inrichting dan kan hij de rechtsmiddelen bedoeld in artikel 445 ook aanwenden door middel van een schriftelijke verklaring, die hij doet toekomen aan het hoofd van de inrichting.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het hoofd van de inrichting doet deze verklaring onverwijld inschrijven in een daarvoor bestemd register en zendt haar vervolgens toe aan de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven onder kennisgeving van de datum van inschrijving in het register. Als dag waarop het rechtsmiddel is aangewend, geldt de dag van inschrijving van de verklaring in het register.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De Minister van Justitie bepaalt het model van het register en kan omtrent het bijhouden daarvan nadere regels geven. Het register kan door de belanghebbenden worden ingezien.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De verklaring wordt na ontvangst op de griffie bij de processtukken gevoegd. Van het aanwenden van het rechtsmiddel wordt dadelijk aantekening gedaan in het op de griffie berustend register, bedoeld in artikel 447, derde lid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">449</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Artikel 446 is op de indiening van schrifturen van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De griffier tekent dag en uur van ontvangst onverwijld op ingekomen schrifturen aan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Van de ontvangst wordt dadelijk aantekening gedaan in het op de griffie berustend register.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">V</nr><titel status="officieel">Intrekking en afstand van gewone rechtsmiddelen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">450</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Uiterlijk tot de aanvang van de behandeling van het verzet,beroep of bezwaarschrift kan degene door wie het rechtsmiddel is aangewend, dat intrekken. Deze intrekking brengt mee afstand van de bevoegdheid om het rechtsmiddel opnieuw aan te wenden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Eveneens kan afstand worden gedaan van de bevoegdheid om het rechtsmiddel, dat tegen een bepaalde beslissing of handeling openstaat, aan te wenden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">451</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Intrekking en afstand geschieden door een verklaring, af te leggen op de griffie van het gerecht in het rechtsgebied waar het rechtsmiddel is aangewend, respectievelijk zou kunnen worden aangewend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Afstand van het rechtsmiddel van hoger beroep kan eveneens onmiddellijk na de uitspraak ter terechtzitting worden gedaan, in welk geval van de gedane afstand aantekening geschiedt in het proces-verbaal van de terechtzitting. Afstand kan ook ter terechtzitting in hoger beroep worden gedaan, mits de daartoe strekkende verklaring onmiddellijk na de voordracht van de zaak wordt afgelegd. Ook in dat geval geschiedt aantekening in het proces-verbaal van de terechtzitting.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De artikelen 446 en 447 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">452</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor zover mogelijk geschiedt van de intrekking door de officier van justitie gedaan, onverwijld schriftelijke mededeling aan de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien aan de benadeelde partij overeenkomstig artikel 431 kennisgeving is gedaan, wordt haar van elke intrekking van het verzet of beroep vanwege de officier van justitie kennisgegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk></titeldeel><titeldeel><kop><nr status="officieel">B.</nr><titel status="officieel">Buitengewoon rechtsmiddel</titel></kop><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VI</nr><titel status="officieel">Herziening van vonnissen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">453</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Herziening van een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak houdende veroordeling, kan worden aangevraagd:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van de omstandigheid dat bij onderscheidene vonnissen, in kracht van gewijsde gegaan of bij verstek gewezen, bewezenverklaringen zijn uitgesproken, die niet zijn overeen te brengen;</al></li><li nr="b."><al>op grond van enige omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet was gebleken en die op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat ernstig vermoeden ontstaat dat ware zij bekend geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging op grond dat deze niet strafbaar was, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op gelijke gronden kan herziening worden aangevraagd, indien bij het gewijsde een tenlastegelegd feit als bewezen is aangenomen zonder dat ter zake een veroordeling is gevolgd. Onder veroordeelde wordt in deze titel begrepen hij tegen wie zodanig gewijsde is gegeven; de bepalingen daarvan worden te zijnen aanzien overeenkomstig toegepast, met dien verstande dat artikel 475 geen toepassing vindt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">454</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De aanvrage tot herziening wordt bij het Hof van Justitie aangebracht door het indienen van een vordering door de procureur-generaal of door het indienen van een verzoekschrift door een veroordeelde te wiens aanzien het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan of door zijn advocaat. De instantie die ingevolge artikel 61, eerste lid, met de toevoeging is belast, kan hem met overeenkomstige toepassing van de artikelen 61, tweede en derde lid, 63, tweede, derde en zesde lid, 64, eerste lid, en 65 tot en met 69, een advocaat toevoegen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 446 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">455</nr></kop><al>De aanvrage vermeldt de omstandigheid waarop zij steunt, met opgave van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">456</nr></kop><al>Indien de aanvrage niet voldoet aan de vereisten bij het voorgaande artikel gesteld, verklaart het Hof bij met redenen omklede beschikking haar niet-ontvankelijk. In het andere geval zijn de navolgende bepalingen van toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">457</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de aanvrage betreft het geval vermeld in artikel 453, eerste lid, onderdeel a, vernietigt het Hof, na de aanvrage gegrond te hebben bevonden, bij met redenen omklede beschikking de vonnissen, met verwijzing van de zaken naar de openbare terechtzitting, te houden op een door de voorzitter te bepalen dag ten einde die gelijktijdig opnieuw te onderzoeken en daarin bij een en dezelfde uitspraak recht te doen, zonder dat echter de straf zwaarder mag zijn dan die welke bij de vernietigde vonnissen is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de veroordeelde krachtens het vernietigde vonnis een vrijheidsstraf ondergaat en het Hof geen vrijheidsstraf oplegt, wordt hij onverwijld in vrijheid gesteld, behoudens het bepaalde bij artikel 465.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien het Hof de aanvrage niet gegrond acht, wijst het die bij met redenen omklede beschikking af.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">458</nr></kop><al>Indien de aanvrage betreft het geval, vermeld in artikel 453, eerste lid, onderdeel b, beveelt het Hof na zich, zo nodig, door tussenkomst van de procureur-generaal nadere berichten te hebben doen overleggen, de verdere behandeling op de openbare terechtzitting op een daartoe door de voorzitter te bepalen dag.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">459</nr></kop><al>De procureur-generaal doet ten minste tien dagen voor de dag van de terechtzitting aan de veroordeelde aanzegging van die dag.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">460</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voorzitter geeft op de terechtzitting een overzicht van de feiten, die uit het geding en naar aanleiding van de aanvrage tot herziening zijn bekend geworden. Daarna wordt het woord gevoerd door de procureur-generaal, de veroordeelde en diens advocaat.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het Hof zal hierop de dag van de uitspraak bepalen. Het vonnis wordt op de openbare terechtzitting uitgesproken.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">461</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Acht het Hof de aanvrage niet gegrond, dan wijst het die bij met redenen omklede uitspraak af.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Acht het Hof de aanvrage gegrond, dan beveelt het de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde en verwijst het de zaak op de voet van het bepaalde bij artikel 457, ten einde hetzij het gewijsde te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan de verdachte vrij te spreken of als niet-strafbaar te ontslaan van alle rechtsvervolging, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren of de verdachte opnieuw te veroordelen met toepassing van de minder zware strafbepaling.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Ten aanzien van de veroordeelde die krachtens het gewijsde vrijheidsstraf ondergaat, is het tweede lid van artikel 457 toepasselijk.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">462</nr></kop><al>Acht het Hof alvorens een beslissing te nemen een onderzoek nodig, dan beveelt het dit en draagt dat onderzoek op aan een rechter-commissaris, die in de zaak nog geen onderzoek heeft verricht. Artikel 359 is van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">463</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Na afloop van het onderzoek doet de rechter-commissaris de stukken toekomen aan het Hof. Artikel 53 is dan van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt een dag tot voortzetting van de openbare behandeling.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De procureur-generaal doet aan de veroordeelde tijdig mededeling van de dag van de behandeling.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">464</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Acht het Hof de zaak nog niet voldoende onderzocht, dan beveelt het een nader onderzoek, zo nodig met aanwijzing van een andere rechter-commissaris, met inachtneming van artikel 462 te benoemen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 463 is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">465</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij de verwijzing kan het Hof een bevel tot gevangenhouding tegen de veroordeelde uitvaardigen. Dit bevel is geldig voor onbepaalde termijn, doch kan door het Hof worden geschorst of opgeheven. In geen geval zal deze gevangenhouding langer mogen duren dan de nog niet volbrachte straftijd die bij het gewijsde was opgelegd. De artikelen 90, 100, 101, 103, 106, 109 tot en met 116 en 440 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de veroordeelde, tegen wie een bevel tot gevangenhouding als bedoeld in het eerste lid is uitgevaardigd, geen advocaat heeft, wordt deze hem ambtshalve door de voorzitter van het Hof toegevoegd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">466</nr></kop><al>De beslissingen van het Hof, genoemd in de artikelen 456, 457, 461 en 465, worden zodra mogelijk vanwege de procureur-generaal aan de belanghebbende schriftelijk meegedeeld en in afschrift toegezonden aan de ambtenaar belast met de tenuitvoerlegging van het gewijsde waarvan de herziening is gevraagd, of van het vernietigde vonnis.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">467</nr></kop><al>Het Hof ingevolge verwijzing op grond van artikel 457, eerste lid, of van artikel 461, tweede lid, rechtdoende, is, op straffe van nietigheid, samengesteld uit drie leden.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">468</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het rechtsgeding in de verwezen zaak of zaken wordt bij het Hof gevoerd met overeenkomstige toepassing van de artikelen 299, eerste, tweede en vierde lid, 300, 301 en van de bepalingen betreffende de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep, met dien verstande dat artikel 354 buiten toepassing blijft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In de gevallen voorzien bij de artikelen 359 en 391 wordt het onderzoek gevoerd door een daartoe door het Hof aangewezen rechter-commissaris, die nog geen onderzoek in de zaak heeft verricht.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">469</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het onderzoek en de beraadslaging, bedoeld in de artikelen 392 en 394, geschieden zowel naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in herziening als van het onderzoek in vorige terechtzittingen, zoals dat volgens daarvan opgemaakt proces-verbaal heeft plaatsgehad.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ten aanzien van de bij de verwijzing vernietigde uitspraken doet het Hof opnieuw recht; ten aanzien van de bij de verwijzing niet vernietigde uitspraak handhaaft het Hof deze met gehele of gedeeltelijke overneming, aanvulling of verbetering van de gronden of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, opnieuw recht met inachtneming van artikel 461, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">470</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geen geval mag een straf worden opgelegd, die de bij het vernietigde vonnis opgelegde te boven gaat.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien bij samenloop van meerdere feiten een hoofdstraf is uitgesproken en de herziening slechts gevraagd is ten aanzien van een of meer van die feiten, wordt, in geval van vernietiging, bij de uitspraak in herziening de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien uit het nieuwe onderzoek blijkt dat de verdachte een ander strafbaar feit heeft gepleegd dan waarvoor hij veroordeeld is en dat strafbare feit hem oorspronkelijk mede was ten laste gelegd zonder dat daarover was beslist, doet het Hof te dier zake uitspraak en kan hem wegens dat feit veroordelen, zonder dat echter de straf zwaarder mag zijn dan welke bij het vernietigde vonnis is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Bij de uitspraak wordt bepaald dat de reeds vroeger krachtens de vernietigde uitspraak voor het feit ondergane straf, en de krachtens artikel 465 ondergane voorlopige hechtenis in mindering zal worden gebracht.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">471</nr></kop><al>Indien gedurende de behandeling van de zaak de veroordeelde overlijdt, wordt het geding voortgezet en wordt door het Hof een bijzondere curator benoemd. De voorgaande artikelen van deze titel zijn dan van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">472</nr></kop><al>1.Indien van straf, opgelegd bij het gewijsde, door gratie kwijtschelding is verleend, of in geval van voortzetting van het geding tegen de benoemde bijzondere curator, kan in geen geval straf worden opgelegd. 2. Is de straf door gratie gewijzigd of verminderd, dan wordt in geen geval een straf opgelegd, die de gewijzigde of verminderde te boven gaat.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">473</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De aanvrage tot herziening kan na het overlijden van de veroordeelde gedaan worden door de overlevende echtgenoot, dan wel de persoon met wie de overledene duurzaam feitelijk samenwoonde, elke bloedverwant in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn en door de procureur-generaal.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De voorgaande artikelen van deze titel zijn dan van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Deze aanvrage strekt alleen tot opheffing van de veroordeling tegen de overledene uitgesproken.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">474</nr></kop><al>Geen rechter die op enigerlei wijze deelgenomen heeft aan het onderzoek of de berechting van de zaak waarvan herziening wordt gevraagd, mag aan het onderzoek of de berechting in herziening deelnemen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">475</nr></kop><al>Indien na de vernietiging van het gewijsde geen straf of maatregel of wel de maatregel, bedoeld bij artikel 39, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt opgelegd, wordt, op verzoek van de gewezen veroordeelde of van zijn erfgenamen, ter zake van de ondergane straf een schadevergoeding toegekend. De toekenning heeft plaats op de voet van het bepaalde in de artikelen 178 tot en met 181.</al></artikel></hoofdstuk></titeldeel></deel><deel><kop><nr status="officieel">ZEVENDE</nr><label>BOEK</label><titel status="officieel">ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD</titel></kop><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">I</nr><titel status="officieel">Strafvordering ter zake van ambtsmisdrijven</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">476</nr></kop><al>Bij de opsporing, vervolging en berechting van de feiten, strafbaar gesteld in Titel XXVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, alsmede bij de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen, ter zake van deze feiten opgelegd, worden, indien een minister als verdachte wordt aangemerkt, de bevoegdheden van de officier van justitie zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uitgeoefend door de procureur-generaal, dan wel door een lid van het openbaar ministerie, dat door de procureur-generaal in het bijzonder is aangewezen om te dezen namens hem op te treden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">II</nr><titel status="officieel">Strafvordering in zaken betreffende jeugdige personen</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Algemene bepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">477</nr></kop><al>Niemand kan strafrechtelijk worden vervolgd wegens een feit begaan voordat hij de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">478</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In gevallen, waarin uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit, dat een minderjarige beneden de leeftijd van twaalf jaren een strafbaar feit heeft begaan, zijn uitsluitend de artikelen 72 tot en met 79, 80, 82, 120 tot en met 129, 145, 150, 153 en 154 van toepassing. De artikelen 141 tot en met 143 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het afleggen van een verklaring als bedoeld in artikel 144 en het doen van beklag als bedoeld in artikel 150 geschiedt voor de minderjarige, in het eerste lid bedoeld, door zijn wettelijke vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Strafvordering in zaken betreffende personen, die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen is aangevangen, de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">479</nr></kop><al>Ten aanzien van personen, die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen is aangevangen, de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, zijn de bepalingen van dit wetboek van toepassing, voor zover deze afdeling geen afwijkende bepalingen bevat.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">480</nr></kop><al>De bepalingen van deze afdeling die op de ouders of voogd betrekking hebben, zijn alleen van toepassing, indien de verdachte minderjarig is.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">481</nr></kop><al>Aan de verdachte, die zich in verzekering of voorlopige hechtenis bevindt, of die in het tegen hem ingestelde gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris wordt verhoord, wordt op zijn verzoek een raadsman toegevoegd. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie geeft aan de instantie die ingevolge artikel 61, eerste lid, met de toevoeging is belast, onverwijld kennis dat toevoeging moet plaatshebben. Indien hem geen raadsman is toegevoegd of de toevoeging niet tijdig heeft plaatsgehad, komt het beroepsrecht van artikel 67, eerste lid, ook toe aan de ouders of voogd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">482</nr></kop><al>Indien de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen, is ten aanzien van zijn ouders of voogd artikel 70 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">483</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie kan bepalen dat de tenuitvoerlegging van het bevel tot inverzekeringstelling zal worden geschorst, indien de verdachte zich bereid heeft verklaard tot nakoming van de aan de schorsing te verbinden voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Als algemene voorwaarde waaraan de verdachte zal moeten voldoen wordt gesteld, dat hij geen strafbaar feit zal begaan noch zich op andere wijze zal misdragen. Bovendien kunnen bijzondere voorwaarden worden gesteld het gedrag van de verdachte betreffende; deze mogen zijn godsdienstige of staatkundige vrijheid niet beperken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De schorsing, bepaald krachtens het eerste lid, kan slechts worden opgeheven wegens overtreding van de gestelde voorwaarden. Het bevel tot opheffing is met redenen omkleed. De verdachte wordt zo mogelijk gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De termijn gedurende welke een bevel tot inverzekeringstelling van kracht is, loopt niet gedurende de tijd waarin de tenuitvoerlegging is geschorst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Behoudens eerdere opheffing vervalt het bevel tot inverzekeringstelling waarvan de tenuitvoerlegging is geschorst, aan het einde van de tiende dag na die waarop het bevel is gegeven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">484</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de rechter de voorlopige hechtenis van de verdachte beveelt, gaat hij na of de tenuitvoerlegging van dit bevel, hetzij onmiddellijk, hetzij na een bepaald tijdsverloop, kan worden geschorst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In het bevel tot voorlopige hechtenis en tot schorsing daarvan worden zodanige bepalingen opgenomen als voor de juiste uitvoering daarvan nodig worden geoordeeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Tot het ondergaan van inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis kan elke daartoe geschikte plaats worden aangewezen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">485</nr></kop><al>Waar in deze afdeling wordt gesproken van schorsing wordt daaronder begrepen opschorting.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">486</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voogdijraad wordt door de officier van justitie onverwijld in kennis gesteld van het bevel tot inverzekeringstelling en van het bevel tot schorsing of opheffing daarvan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien naar aanleiding van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving wordt gerapporteerd, slaat de officier van justitie daarop acht alvorens een vordering tot bewaring te doen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">487</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Wanneer de officier van justitie voornemens is een van misdrijf verdachte te vervolgen, stelt hij de voogdijraad hiervan zo spoedig mogelijk in kennis. De voogdijraad licht de officier van justitie op diens verzoek in omtrent de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte. Zodanige inlichtingen kan de voogdijraad ook uit eigen beweging geven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt of ingevolge artikel 175 in een inrichting is opgenomen, geeft de officier van justitie hiervan terstond bericht aan de voogdijraad.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter-commissaris is eveneens bevoegd om bij de voogdijraad de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, in te winnen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">488</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het rechtsgeding wordt in het openbaar behandeld, tenzij de verdachte of diens medeverdachten op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen is aangevangen de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt. In dat geval kan de rechter tot bijwoning van deze niet-openbare terechtzitting bijzondere toegang verlenen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter kan om gewichtige bij het proces-verbaal van de terechtzitting te vermelden redenen bepalen, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, dat het rechtsgeding, indien dit ingevolge het bepaalde in het eerste lid met gesloten deuren moet plaatsvinden, geheel of gedeeltelijk in het openbaar zal worden gehouden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">489</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De ouders of de voogd worden tot bijwoning van de terechtzitting opgeroepen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien ouders of voogd op de terechtzitting zijn verschenen, worden zij, nadat de verdachte, een medeverdachte, een getuige of een deskundige zijn verklaring heeft afgelegd, in de gelegenheid gesteld daartegen in te brengen wat tot verdediging kan dienen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Niettemin kan de rechter ambtshalve, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman bevelen, dat tijdens een zitting met gesloten deuren een verhoor van de verdachte, van een getuige of van een deskundige buiten tegenwoordigheid van ouders of voogd geschiedt. De rechter deelt in dat geval de zakelijke inhoud van een en ander aan de ouders of voogd mee, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">490</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter kan ambtshalve, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de raadsman bepalen, dat vragen betreffende de persoonlijkheid of de levensomstandigheden van de verdachte buiten diens tegenwoordigheid zullen worden gesteld en behandeld en dat het openbaar ministerie of de raadsman buiten tegenwoordigheid van de verdachte daarover het woord zal voeren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het tweede lid van artikel 332 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">491</nr></kop><al>Indien de rechter het noodzakelijk oordeelt, dat alsnog een onderzoek naar de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte wordt ingesteld, kan hij nadere inlichtingen bij de voogdijraad inwinnen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">492</nr></kop><al>De Eerste Titel en de Vierde Titel van het Vijfde Boek zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze titel niet anders wordt bepaald.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">493</nr></kop><al>Indien de zaak door oproeping aanhangig is gemaakt, wordt in de oproeping van de ouders of de voogd het in de oproeping tenlastegelegde feit opgenomen. In het geval bedoeld in de aanhef van artikel 420, is dat artikel ten aanzien van de wijze van oproeping van ouders of voogd, en zo nodig van intrekking van deze oproeping van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">494</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de verdachte, die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen, de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt en een raadsman heeft, komen alle bevoegdheden hem in dit wetboek, met uitzondering van de Vierde Titel van het Vijfde Boek, toegekend, eveneens toe aan zijn raadsman.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tegen het instellen, intrekken of afstand doen door de raadsman van enig rechtsmiddel kan, in het geval van het eerste lid, de verdachte of diens wettelijke vertegenwoordiger binnen drie dagen nadat de termijn voor het instellen daarvan is verstreken, een bezwaarschrift indienen bij de rechter in eerste aanleg of de voorzitter van het college, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst is vervolgd. De rechter in eerste aanleg of de voorzitter beslist ten spoedigste; de verdachte, diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de raadsman worden gehoord, althans, op de wijze door de rechter in eerste aanleg of de voorzitter te bepalen, opgeroepen. Indien het bezwaarschrift gegrond wordt bevonden, loopt de termijn voor het instellen of intrekken van het rechtsmiddel alsnog gedurende drie dagen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">495</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De straf van berisping wordt tenuitvoergelegd door de rechter in eerste aanleg of door de voorzitter van de samenstelling van het Hof die de veroordeling heeft uitgesproken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De tenuitvoerlegging geschiedt in een niet openbare terechtzitting zodra mogelijk na het uitspreken van de veroordeling.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter kan daarbij de hulp inroepen van een door hem aan te wijzen ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Bij die tenuitvoerlegging kunnen de ouders of de voogd van de veroordeelde desverlangd tegenwoordig zijn, waartoe zij door de griffier van het Hof of van het gerecht in eerste aanleg worden opgeroepen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien de verdachte bij de uitspraak van de veroordeling aanwezig is, kan de tenuitvoerlegging van de straf van berisping terstond plaats vinden. In dit geval geschiedt daarvan aantekening in het proces-verbaal van de terechtzitting en blijft de oproeping, bedoeld in het vierde lid, achterwege.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">496</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien wordt afgezien van verhaal of verder verhaal van het bedrag, verschuldigd wegens een opgelegde geldboete of verbeurdverklaring van niet in beslag genomen voorwerpen, kan het nog te betalen bedrag, op vordering van het openbaar ministerie, worden vervangen door berisping.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op de vordering wordt beslist door de rechter die de straf heeft opgelegd, nadat de veroordeelde in de gelegenheid is gesteld daarop te worden gehoord. Indien het hem raadzaam voorkomt geeft de rechter de nodige bevelen voor de verschijning van de veroordeelde in de raadkamer.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter beslist bij een met redenen omklede beschikking. Indien hij de vordering afwijst, kan hij bepalen dat het verschuldigde alsnog in gedeelten met inachtneming van door hem vast te stellen termijnen mag worden voldaan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">497</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor zover niet anders is bepaald, worden alle dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen, aanzeggingen of andere schriftelijke mededelingen aan de minderjarige verdachte tevens ter kennis gebracht van zijn ouders of voogd, alsmede van zijn raadsman.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De bepaling van het eerste lid geldt niet ten aanzien van de raadsman in zaken die overtredingen betreffen, ook niet in hoger beroep van zodanige zaken, en evenmin ten aanzien van ouders of voogd in geval van oproeping overeenkomstig artikel 416.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">498</nr></kop><al>Alle betekeningen, dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen, aanzeggingen of andere mededelingen aan ouders of voogd vinden enkel plaats, indien deze een bekende verblijfplaats binnen de Nederlandse Antillen hebben; aan samenwonende ouders wordt slechts een stuk uitgereikt.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">III Berechting van verdachten, bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing</nr><titel status="officieel">van de geestvermogens bestond</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">499</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In elke stand van de zaak betreffende een verdachte die de leeftijd van achttien jaren bereikt heeft of naar burgerlijk recht meerderjarig is, zal de rechter in eerste aanleg of het Hof, indien er vermoeden bestaat dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van de geestvermogens bestond, en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen, zulks bij beslissing verklaren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De beslissing wordt gegeven, hetzij ambtshalve, hetzij op de voordracht van de rechter-commissaris, op de vordering van het openbaar ministerie of op het daartoe strekkend verzoek van de verdachte, van zijn raadsman, van zijn echtgenoot, dan wel degene met wie hij duurzaam feitelijk samenwoont, van een van zijn ouders, van zijn voogd, van zijn curator of van een van zijn bloed- of aanverwanten tot de derde graad ingesloten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Voor zover de beslissing niet in zijn tegenwoordigheid is gegeven, wordt de inhoud daarvan de verdachte onverwijld vanwege het openbaar ministerie betekend.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">500</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter kan, alvorens te beslissen, de rechtercommissaris, zolang deze met het gerechtelijk vooronderzoek is belast, of het openbaar ministerie opdragen een nader onderzoek in te stellen en aan de rechter daaromtrent verslag te doen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De beslissing, bij het eerste lid van artikel 499 bedoeld, is niet aan enig rechtsmiddel onderworpen, doch kan door de rechter te allen tijde worden herroepen; ten aanzien van de beslissing tot herroeping vinden de artikelen 499 en 502 overeenkomstige toepassing en al hetgeen bij of ingevolge eerstgenoemde beslissing tot de herroeping toe is verricht, blijft niettemin van kracht.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">501</nr></kop><al>Ten spoedigste na de beslissing, bij het eerste lid van artikel 499 bedoeld, voegt de rechter in eerste aanleg of, indien de beslissing door het Hof is gegeven, de voorzitter de verdachte van misdrijf, indien hij nog geen toegevoegde raadsman heeft, een raadsman toe. Aan de verdachte van overtreding kan door de rechter in eerste aanleg of de voorzitter een raadsman worden toegevoegd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">502</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Van het ogenblik af van de beslissing, bij het eerste lid van artikel 499 bedoeld, en, behoudens herroeping, totdat de zaak door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis is beëindigd, vinden de artikelen 31, 482, 484, derde lid, 489, 490, 497 en 498, voor zover zij niet reeds rechtstreeks van toepassing zijn, overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bepalingen aangaande ouders of voogd slechts overeenkomstig worden toegepast, indien de verdachte een curator heeft, en in dit geval in dier voege dat zij uitsluitend deze betreffen. Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek vindt artikel 489 tevens overeenkomstige toepassing ten aanzien van het verhoor van de verdachte door de rechter-commissaris.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte is verplicht in persoon ter terechtzitting te verschijnen. Bij de dagvaarding wordt hem kennis gegeven dat, indien hij niet aan deze verplichting voldoet, de rechter zijn medebrenging kan gelasten. Bij niet-verschijning in persoon, kan de rechter in eerste aanleg of het Hof, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de raadsman, indien de rechter of het Hof van oordeel is, dat de persoonlijke verschijning van de verdachte noch noodzakelijk noch gewenst is en de raadsman is verschenen en zich daartegen niet verzet, het geven van het bevel tot medebrenging achterwege laten. In zodanig geval wordt verstek verleend en het onderzoek van de zaak voortgezet; de raadsman blijft met de verdediging belast.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het rechtsgeding wordt niet in het openbaar behandeld. De rechter kan tot bijwoning van deze niet-openbare terechtzitting bijzondere toegang verlenen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De bevoegdheden, bij dit wetboek aan de verdachte toegekend, komen na de beslissing, bij het eerste lid van artikel 499 bedoeld, steeds mede toe aan de raadsman.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">503</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op een gerechtelijk vooronderzoek inzake overtredingen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ingeval wordt vermoed, dat bij een verdachte, wiens zaak ter terechtzitting van de rechter in eerste aanleg aanhangig wordt gemaakt, tijdens het begaan van de overtreding gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van de geestvermogens bestond, en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen, worden in de regel zijn curator, zo hij die heeft, en evenzo een of meer deskundigen ten verzoeke van het openbaar ministerie ter terechtzitting gedagvaard om te worden gehoord omtrent de persoonlijkheid van de verdachte.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IIIa</nr><titel status="officieel">Strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">503a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen wordt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee jaren na de uitspraak van het gerecht in eerste aanleg aanhangig gemaakt. Indien het strafrechtelijk financieel onderzoek overeenkomstig het bepaalde in artikel 177g, tweede lid, is gesloten en heropend, wordt de periode van twee jaren verlengd met de tijd verlopen tussen deze sluiting en heropening.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De officier van justitie doet bij zijn vordering de stukken waarop zij berust aan het gerecht toekomen. Artikel 284, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De vordering wordt aan degene op wie zij betrekking heeft betekend, onder mededeling van het recht op kennisneming van de stukken. Indien ook een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld wordt de vordering gelijktijdig met de sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek aan degene tegen wie het is gericht betekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De vordering behelst mede oproeping om op het daarin vermelde tijdstip ter terechtzitting te verschijnen. De artikelen 287, 289 tot en met 292 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">503b</nr></kop><al>De officier van justitie kan, zolang het onderzoek op de terechtzitting niet is gesloten, met de verdachte of veroordeelde een schriftelijke schikking aangaan tot betaling van een geldbedrag aan het Land of tot overdracht van voorwerpen ten gehele of gedeeltelijke ontneming van het geschatte voordeel -met inbegrip van besparing van kosten- door de betrokkene door middel van of uit de baten van het feit waarvoor hij is vervolgd of soortgelijke feiten verkregen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">503c</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op de behandeling van de vordering van de officier van justitie is de Tweede Afdeling van Titel IV van het vijfde Boek van overeenkomstige toepassing. De behandeling van de vordering ter terechtzitting kan worden voorafgegaan door een schriftelijke voorbereiding op de wijze als door het gerecht te bepalen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien enig nader strafrechtelijk financieel onderzoek noodzakelijk blijkt, stelt het gerecht met schorsing der zaak onder aanduiding van het onderwerp van onderzoek en zo nodig de wijze waarop dit zal zijn in te stellen, de stukken in handen van de officier van justitie. 3. Het onderzoek geldt als een met rechterlijke machtiging ingestelde strafrechtelijk financieel onderzoek dat wordt gevoerd overeenkomstig de bepalingen van Titel XVI van het derde Boek, met uitzondering van artikel 177g vierde en vijfde lid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">503d</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op de beraadslaging en de uitspraak zijn de bepalingen van de vijfde afdeling van Titel IV van het vijfde Boek van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>het gerecht naar aanleiding van de vordering en van het onderzoek ter terechtzitting beraadslaagt over de vraag of de in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen bedoelde maatregel moet worden opgelegd en zo ja, op welk bedrag de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is te schatten; en</al></li><li nr="b."><al>het gerecht niet gebonden is aan het voorschrift van artikel 388 betreffende de termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de dag der uitspraak niet ter terechtzitting aan degene op wie de vordering betrekking heeft is medegedeeld, wordt hem daarvan, zodra die dag is bepaald, een kennisgeving betekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het gerecht kan, ingeval onder de beraadslaging blijkt dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig is geweest, overeenkomstig artikel 503c, tweede en derde lid, een onderzoek door de officier van justitie doen plaatsvinden. In dit geval wordt gehandeld als ware het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">503e</nr></kop><al>Het gerecht kan de schatting van het op geld waardeerbare voordeel als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen slechts ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">503f</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tegen de uitspraak van het gerecht kan hoger beroep worden ingesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Titel III en Titel IV (met uitzondering van de Eerste Afdeling) van het vijfde Boek en Titel II van het zesde Boek zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de zaak in hoger beroep aanhangig wordt gemaakt door een oproeping van de procureur-generaal aan de verdachte of de veroordeelde betekend;</al></li><li nr="b."><al>de behandeling van de vordering waarvan beroep is ingesteld voorafgegaan kan worden door een schriftelijke voorbereiding op de wijze, door het Hof te bepalen;</al></li><li nr="c."><al>de artikelen 503c, tweede en derde lid, en 503d, derde lid, van overeenkomstige toepassing zijn. In deze gevallen wordt het financieel onderzoek gevoerd door de officier van justitie bij het gerecht dat in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Na afloop van het bevolen onderzoek zendt de officier van justitie de stukken toe aan de procureur-generaal;</al></li><li nr="d."><al>artikel 503d, eerste lid, onder b, van overeenkomstige toepassing is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">503g</nr></kop><al>Een uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen vervalt van rechtswege, doordat de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte, bedoeld in artikel 38e eerste onderscheidenlijk derde lid van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IV</nr><titel status="officieel">Verschoning en wraking van rechters</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">504</nr></kop><al>Een rechter wordt op zijn verlangen van elke bemoeiing in een zaak verschoond, indien er te zijnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">505</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De redenen van verschoning worden alle tegelijk voorgedragen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een nieuwe verschoning kan door dezelfde rechter slechts worden voorgedragen om redenen die na de eerste voordracht zijn ontstaan of bekend geworden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Tijdens het onderzoek ter terechtzitting kan een verschoning niet meer worden voorgedragen na de voordracht van de zaak door het openbaar ministerie, bedoeld bij artikel 318, tenzij om redenen die eerst in de loop van dat onderzoek zijn ontstaan of bekend geworden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">506</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een verschoning wordt voorgedragen aan het Hof, dat daarover ten spoedigste beslist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het Hof zal, alvorens te beslissen, de rechter kunnen uitnodigen, de voorgedragen verschoning schriftelijk dan wel mondeling toe te lichten. Deze geeft aan de uitnodiging gevolg.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Bij de beslissing kan tevens worden bepaald dat bepaalde handelingen of beslissingen van de rechter wiens verschoning is aangenomen, van onwaarde zullen zijn.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">507</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter die zijn verschoning heeft voorgedragen, is, in afwachting van de beslissing daaromtrent, in de zaak uitgesloten van alle bemoeiingen die uitstel gedogen of door andere rechters kunnen worden verricht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Wordt de verschoning eerst tijdens het onderzoek ter terechtzitting voorgedragen, dan wordt dat onderzoek geschorst.Wordt de verschoning aangenomen, dan wordt het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen, hetzij onmiddellijk, hetzij op een latere terechtzitting. De beslissing wordt op de terechtzitting waarin het onderzoek van de zaak wordt hervat of opnieuw aangevangen, uitgesproken.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">508</nr></kop><al>Ingeval er ten aanzien van een rechter feiten of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid ernstig schade zou kunnen lijden, kan diens wraking schriftelijk of, ter terechtzitting, mondeling worden voorgedragen door het openbaar ministerie en door de verdachte of diens raadsman.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">509</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zo redenen van wraking ten aanzien van meer dan een rechter bestaan, kan een verdere wraking niet worden voorgedragen, dan nadat over de vroegere is beslist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De redenen van wraking worden alle tegelijk voorgedragen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Een nieuwe wraking kan ten aanzien van dezelfde rechter slechts worden voorgedragen om redenen die na de eerste voordracht zijn ontstaan of bekend geworden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Tijdens het onderzoek op de terechtzitting kan een wraking niet meer worden voorgedragen na de voordracht van de zaak door het openbaar ministerie, bedoeld bij artikel 318, tenzij om redenen die eerst in de loop van dat onderzoek zijn ontstaan of bekend geworden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Wordt de wraking op de terechtzitting voorgedragen,dan kan de rechter, ingeval van klaarblijkelijk misbruik, bepalen dat volgende voordrachten tot wraking niet ontvankelijk zullen zijn.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">510</nr></kop><al>Ingeval de rechter alleen rechtspreekt of als enig rechter bemoeiing in de zaak verricht, worden de redenen van wraking aan hemzelf voorgedragen, waarna het Hof van Justitie daarover ten spoedigste beslist. De verdachte wordt gehoord.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">511</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het Hof zal, alvorens te beslissen, de rechter kunnen uitnodigen, zich omtrent de voorgedragen redenen van wraking schriftelijk of mondeling te verklaren. Deze geeft aan de uitnodiging gevolg.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij de beslissing kan tevens worden bepaald dat bepaalde handelingen of beslissingen van de rechter wiens wraking is aangenomen, van onwaarde zullen zijn.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">512</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter die gewraakt wordt, is, in afwachting van de beslissing daaromtrent, in de zaak uitgesloten van alle bemoeiingen die uitstel gedogen of door andere rechters kunnen worden verricht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Wordt de wraking eerst tijdens het onderzoek op de terechtzitting voorgedragen, dan wordt dat onderzoek geschorst. Wordt zij aangenomen, dan wordt het onderzoek op een latere terechtzitting opnieuw aangevangen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">513</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Rechters die verklaard hebben zich te willen verschonen of wier wraking wordt voorgedragen, onthouden zich, op straffe van nietigheid, van deelneming aan de beslissing van het Hof over de verschoning of wraking.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ingeval de verschoning of wraking eerst tijdens het onderzoek op de terechtzitting van het Hof wordt voorgedragen, wordt ter vervanging van elk lid dat verlangt verschoond te worden of wiens wraking voorgedragen wordt, door de president van het Hof een rechter aangewezen om met de overige leden over de verschoning of wraking te beslissen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">514</nr></kop><al>De beslissingen over de wraking, worden de verdachte voorgelezen of, indien deze niet bij de beslissing aanwezig is, hem betekend.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">515</nr></kop><al>Onder rechters worden in deze titel begrepen de leden en plaatsvervangende leden van het Hof en de rechtersplaatsvervanger in eerste aanleg.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">V</nr><titel status="officieel">Vervolging en berechting van rechtspersonen en andere samenwerkingsverbanden</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">516</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon of doelvermogen, wordt deze rechtspersoon of dit doelvermogen tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder of, indien er meer bestuurders zijn, door een van hen. De vertegenwoordiger kan bij gemachtigde verschijnen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de strafvervolging wordt ingesteld tegen een maatschap of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, wordt deze tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de aansprakelijke vennoot of, indien er meer aansprakelijke vennoten zijn, door een van hen. De vertegenwoordiger kan bij gemachtigde verschijnen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter kan de persoonlijke verschijning van een bepaalde bestuurder of vennoot bevelen; hij kan bij niet verschijnen zijn medebrenging gelasten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">517</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, geschiedt de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de vestigingsplaats van de rechtspersoon, dan wel</al></li><li nr="b."><al>de plaats van het kantoor van de rechtspersoon, dan wel</al></li><li nr="c."><al>de woonplaats van een van de bestuurders.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door uitreiking aan een van de bestuurders, dan wel aan een persoon die door de rechtspersoon is gemachtigd het stuk in ontvangst te nemen. De uitreiking geldt in deze gevallen als betekening in persoon.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De uitreiking van een gerechtelijke mededeling, als bedoeld in het tweede lid, kan eveneens geschieden op een van de plaatsen omschreven in het eerste lid, aan ieder die in dienstbetrekking is van de rechtspersoon.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">518</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de strafvervolging wordt ingesteld tegen een maatschap of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, geschiedt de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de plaats van het kantoor van de maat- of vennootschap, dan wel</al></li><li nr="b."><al>de woonplaats van een van de aansprakelijke vennoten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door uitreiking aan een van de aansprakelijke vennoten dan wel aan een persoon die door een of meer van hun is gemachtigd het stuk in ontvangst te nemen. De uitreiking geldt in deze gevallen als betekening in persoon.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De uitreiking van een gerechtelijke mededeling, als bedoeld in het tweede lid, kan eveneens geschieden op een van de plaatsen, omschreven in het eerste lid, aan ieder die in dienstbetrekking is van de maat- of vennootschap of van een aansprakelijke vennoot.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing bij de vervolging van een doelvermogen; in dit geval treden de bestuurders in de plaats van de aansprakelijke vennoten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">519</nr></kop><al>Heeft de uitreiking niet overeenkomstig artikel 517, tweede of derde lid, of artikel 518, tweede of derde lid, kunnen plaatsvinden, dan wordt het schrijven teruggezonden aan de autoriteit van welke het is uitgegaan en vervolgens uitgereikt aan de griffier van het gerecht in eerste aanleg in het rechtsgebied waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. De griffier zendt het schrijven alsdan onverwijld als gewone brief over de post aan het in het schrijven vermelde adres en tekent zulks aan op de akte van uitreiking.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">520</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan een rechtspersoon, maatschap of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of een doelvermogen zijn de artikelen 642, 643, 644 en 646 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De betekening is nietig, indien de uitreiking niet heeft plaatsgehad overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 517, tweede en derde lid, 518, tweede en derde lid, 519, 643, zesde lid, en 646. Artikel 647, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VI</nr><titel status="officieel">Strafvordering buiten het rechtsgebied van de Nederlandse Antillen</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Algemeen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">521</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De bevoegdheden, bij enige wetsbepaling toegekend in verband met de opsporing van strafbare feiten of in verband met het onderzoek daarnaar, anders dan ter terechtzitting, kunnen, voor zover in deze titel niet anders is bepaald, buiten het rechtsgebied van de Nederlandse Antillen worden uitgeoefend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De bepalingen van de eerste en tweede afdeling van deze titel zijn slechts van toepassing ten aanzien van de opsporing en het onderzoek buiten het rechtsgebied van de Nederlandse Antillen.Voor zover zij betrekking hebben op een aangehouden persoon of een inbeslaggenomen voorwerp blijven zij, ook binnen het rechtsgebied van de Nederlandse Antillen van toepassing, totdat de aangehoudene of het voorwerp is overgeleverd aan de officier van justitie of een hulpofficier.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De bevoegdheden, in de bepalingen van deze titel toegekend, kunnen slechts worden uitgeoefend, voor zover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">522</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Anderen dan opsporingsambtenaren oefenen de bevoegdheden, in artikel 521 of in de tweede afdeling van deze titel toegekend, niet uit dan op aanwijzing van de officier van justitie, tenzij zodanige aanwijzingen niet kunnen worden afgewacht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ieder die een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid heeft uitgeoefend, stelt de officier van justitie onverwijld en op de snelst mogelijke wijze in kennis van:</al><lijst><li nr="a."><al>het te zijner kennis gekomen strafbare feit;</al></li><li nr="b."><al>elke door hem krachtens een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid getroffen maatregel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Bij die kennisgeving doet hij voor zover mogelijk opgave van de personalia van de verdachte en diens nationaliteit, alsmede van zijn eigen personalia en van andere terzake doende feiten. Hij tracht voorts ten spoedigste aanwijzingen van de officier van justitie te verkrijgen aangaande de wijze waarop terzake dient te worden gehandeld. Hij neemt de aanwijzingen van de officier van justitie in acht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het in het tweede en derde lid bepaalde geldt ook voor degene aan wie een aangehouden verdachte of een inbeslaggenomen voorwerp wordt overgeleverd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid geldt niet voor leden van de rechterlijke macht ten aanzien van die verrichtingen waartoe zij als zodanig bevoegd zijn.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">523</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De commandant kan in geval van een strafbaar feit met inachtneming van de bepalingen van deze titel inlichtingen en bewijzen verzamelen, die tot opheldering van de zaak kunnen dienen, tenzij de officier van justitie anders beslist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Dezelfde bevoegdheid komt toe aan de schipper en aan de gezagvoerder van een luchtvaartuig aan boord van het vaartuig of luchtvaartuig waarover zij het gezag voeren. Onder vaartuig wordt een bij landsbesluit aangewezen installatie ter zee begrepen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">524</nr></kop><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen alle of bepaalde commandanten worden belast met de opsporing, buiten het rechtsgebied van de Nederlandse Antillen, van daarbij vermelde strafbare feiten.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">525</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De commandant kan een verrichting, waartoe hij op grond van een van de bepalingen van deze titel als zodanig dan wel na aanwijzing op grond van artikel 524 als opsporingsambtenaar bevoegd is, opdragen aan een onder zijn bevelen staande officier.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De schipper kan een verrichting, waartoe hij op grond van een van de bepalingen van deze titel bevoegd is, opdragen aan een onder zijn bevelen staande scheepsofficier.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De gezagvoerder van een luchtvaartuig kan een verrichting, waartoe hij op grond van een van de bepalingen van deze titel bevoegd is, opdragen aan een onder zijn bevelen staand lid van de bemanning.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">526</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De commandant, de schipper of de gezagvoerder van een luchtvaartuig maakt, indien hij een van de bevoegdheden, in de artikelen 521 of 523 of in de tweede afdeling van deze titel toegekend, uitoefent, persoonlijk ten spoedigste proces-verbaal op van zijn verrichtingen en bevindingen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De officier, de scheepsofficier of het lid van de bemanning van een luchtvaartuig handelt in geval van toepassing van artikel 525 overeenkomstig het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wanneer de schipper of een scheepsofficier dan wel de gezagvoerder van een luchtvaartuig of een lid van de bemanning de verdachte of getuigen verhoort, zijn daarbij zo mogelijk twee opvarenden of inzittenden aanwezig, die het proces-verbaal van verhoor mede ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het proces-verbaal wordt gedagtekend door de verbalisant. Hij vermeldt zoveel mogelijk uitdrukkelijk zijn redenen van wetenschap.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Het proces-verbaal van de officier, de scheepsofficier of het lid van de bemanning van een luchtvaartuig wordt mede ondertekend door de commandant, onderscheidenlijk de schipper en de gezagvoerder van het luchtvaartuig.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Het proces-verbaal wordt door de commandant, de schipper of de gezagvoerder van het luchtvaartuig ten spoedigste toegezonden aan de officier van justitie, tenzij deze anders beslist.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Toepassing van enige bijzondere dwangmiddelen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">527</nr></kop><al>De bevoegdheid, omschreven in artikel 72, komt mede toe aan de commandant, de schipper en de gezagvoerder van een luchtvaartuig.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">528</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte kan slechts worden aangehouden:</al><lijst><li nr="a."><al>in geval van ontdekking op heterdaad van een misdrijf, door een ieder;</al></li><li nr="b."><al>in geval van ontdekking op heterdaad van een overtreding, door een opsporingsambtenaar, een commandant, een schipper of een gezagvoerder van een luchtvaartuig;</al></li><li nr="c."><al>buiten het geval van ontdekking op heterdaad, indien het een misdrijf of het strafbare feit omschreven in artikel 454, onder 3e, van het Wetboek van Strafrecht betreft, door een opsporingsambtenaar, een commandant of een schipper.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De officier van justitie kan in de gevallen, genoemd in het eerste lid, de aanhouding van de verdachte bevelen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">529</nr></kop><al>Een aangehouden verdachte wordt onverwijld overgeleverd:</al><lijst><li nr="a."><al>door een ieder aan de officier van justitie, indien deze ter plaatse aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>door de commandant, de schipper of de gezagvoerder van een luchtvaartuig aan een opsporingsambtenaar, indien deze ter plaatse aanwezig is;</al></li><li nr="c."><al>door een opvarende die geen opsporingsambtenaar is, aan de schipper en door een inzittende van een luchtvaartuig die geen opsporingsambtenaar is, aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig;</al></li><li nr="d."><al>door anderen aan een opsporingsambtenaar of aan een commandant.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">530</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie kan bepalen dat de aangehouden verdachte zal worden verhoord. Hij kan daartoe de overlevering van de verdachte aan een bepaalde persoon of zijn overbrenging naar een bepaalde plaats bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tenzij de officier van justitie anders bepaalt, is de opsporingsambtenaar bevoegd de aangehouden verdachte te verhoren. Bij afwezigheid van een opsporingsambtenaar komt gelijke bevoegdheid toe aan de commandant, aan de schipper en aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Degene die bevoegd is tot verhoor van de verdachte is ook bevoegd hem naar een plaats van verhoor te geleiden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>In geval van verhoor door de schipper of een scheepsofficier dan wel door de gezagvoerder van een luchtvaartuig of een lid van de bemanning, is artikel 50 van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">531</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De aangehouden verdachte wordt, na te zijn verhoord, dadelijk in vrijheid gesteld. Hij mag niet langer dan zes uren voor het verhoor worden opgehouden, met dien verstande dat de tijd tussen tien uur 's avonds en acht uur 's morgens niet wordt meegerekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Niettemin kan de verdachte langer dan zes uren worden opgehouden:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem is verleend en de tenuitvoerlegging daarvan, ook buiten het rechtsgebied van de Nederlandse Antillen, is gelast;</al></li><li nr="b."><al>wanneer hij wordt verdacht van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en ter zake daarvan een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem kan worden verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Een besluit de verdachte in het in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde geval langer dan zes uren op te houden, wordt genomen door de officier van justitie. Kan diens optreden niet worden afgewacht, dan kan ook de opsporingsambtenaar, de commandant, de schipper of de gezagvoerder van het luchtvaartuig in wiens handen de verdachte zich bevindt, daartoe besluiten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">532</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zodra de officier van justitie een besluit als bedoeld in artikel 531, derde lid, heeft genomen, stelt hij een vordering tot bewaring in bij de rechter-commissaris.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zodra de officier van justitie verneemt dat een opsporingsambtenaar, een commandant, een schipper of een gezagvoerder van een luchtvaartuig een besluit als bedoeld in artikel 531, derde lid, heeft genomen, stelt hij een vordering tot bewaring in bij de rechter-commissaris of gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Heeft het in artikel 531, derde lid, bedoelde besluit betrekking op een verdachte die aan boord van een luchtvaartuig is aangehouden, dan gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het geval, bedoeld in het eerste lid, stelt de officier van justitie een vordering tot bewaring bij de rechter-commissaris in of beveelt hij de gezagvoerder, indien deze bevoegd is de verdachte over te dragen aan de autoriteiten van de staat waar het luchtvaartuig zal landen, van deze bevoegdheid gebruik te maken;</al></li><li nr="b."><al>in het geval, bedoeld in het tweede lid, neemt hij een van de in onderdeel a genoemde maatregelen of gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De verdachte kan zich bij het horen, bedoeld in de artikelen 92, derde lid, en 97, doen vertegenwoordigen door een raadsman.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien de vordering tot bewaring wordt afgewezen, gelast de officier van justitie de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte. Hij gelast die invrijheidstelling tevens, zodra geen titel tot vrijheidsontneming meer aanwezig is of de grond tot vrijheidsontneming is vervallen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Zolang degene in wiens handen de verdachte zich bevindt, geen bericht van de officier van justitie heeft ontvangen, is hij verplicht de verdachte eigener beweging in vrijheid te stellen, zodra hij meent dat de grond tot vrijheidsontneming is vervallen; in ieder geval stelt hij de verdachte in vrijheid, indien hij niet binnen achttien dagen na de aanhouding bericht heeft ontvangen, dat een bevel tot voorlopige hechtenis is verleend, waarvan de tenuitvoerlegging, ook buiten het rechtsgebied van de Nederlandse Antillen, is gelast.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">533</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte op wie artikel 531, tweede lid, onderdeel a, van toepassing is, wordt zo spoedig mogelijk overgeleverd aan de officier van justitie; de verdachte op wie artikel 531, tweede lid, onderdeel b, van toepassing is, kan worden overgeleverd aan de officier van justitie, ingeval het niet doenlijk is hem elders op te houden, totdat een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem is verleend en de tenuitvoerlegging, ook buiten het rechtsgebied van de Nederlandse Antillen, is gelast.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Van het voornemen tot overlevering over te gaan wordt onverwijld bericht gegeven aan de officier van justitie.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">534</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Degene in wiens handen een aangehouden verdachte zich bevindt, zorgt dat de nodige maatregelen worden genomen om te voorkomen, dat het doel van de vrijheidsontneming wordt gemist. De verdachte mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die voor dit doel volstrekt noodzakelijk zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Aan de verdachte wordt gelegenheid gegeven zich met een raadsman in verbinding te stellen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">535</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie kan bepalen, dat de aangehoudene, tegen wie ernstige bezwaren bestaan, aan zijn lichaam of kleding zal worden onderzocht. Artikel 78, derde lid, is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De bevoegdheid, vermeld in artikel 78, tweede lid, komt, indien ter plaatse geen opsporingsambtenaar aanwezig is, mede toe aan de commandant, de schipper en de gezagvoerder van het luchtvaartuig.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">536</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Opsporingsambtenaren zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen en kunnen daartoe hun uitlevering vorderen. De officier van justitie kan de inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In geval van ontdekking op heterdaad komen de bevoegdheden, genoemd in de eerste volzin van het eerste lid, toe aan de commandant, aan de schipper en aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig, voor zover ter plaatse geen opsporingsambtenaar aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Met betrekking tot de overlevering van het inbeslaggenomen voorwerp is artikel 532 van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">537</nr></kop><al>De officier van justitie kan een inbeslaggenomen voorwerp doen teruggeven, voordat het onder de hoede is gesteld van de bewaarder. De last tot teruggave wordt gericht tot hem die het voorwerp onder zich heeft. Deze is verplicht daaraan onmiddellijk te voldoen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">538</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De opsporingsambtenaren kunnen te allen tijde inzage vorderen van de bescheiden, waarvan naar hun redelijk oordeel inzage nodig is voor de vervulling van hun taak.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Personen die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen de inzage weigeren van bescheiden of gedeelten daarvan, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">539</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De opsporingsambtenaren hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen, waarvan naar hun redelijk oordeel de betreding nodig is voor de vervulling van hun taak. De commandant en de schipper kunnen ter aanhouding van de verdachte of ter inbeslagneming alle plaatsen betreden, waarvan te dien einde de betreding naar hun redelijk oordeel nodig is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De artikelen 155 tot en met 160 blijven buiten toepassing. De artikelen 162 en 163 zijn ten aanzien van de commandant en de schipper van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">540</nr></kop><al>De gezagvoerder van een luchtvaartuig kan op de voet van artikel 9, eerste lid, van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen (Trb. 1964, 115 en 164) aan de bevoegde autoriteiten van een vreemde staat overdragen iedere inzittende van het luchtvaartuig, van wie hij redelijkerwijze vermoedt, dat deze aan boord een misdrijf heeft begaan, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Verplichting van de schipper</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">541</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De schipper geeft onverwijld en op de snelst mogelijke wijze kennis aan de officier van justitie van elk misdrijf aan boord begaan, waardoor de veiligheid van het vaartuig of van de opvarenden in gevaar is gebracht of waardoor iemands dood of zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder vaartuig begrepen een installatie ter zee en wordt onder een misdrijf, aan boord begaan, begrepen een misdrijf, begaan op zulk een installatie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Artikel 522, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">542</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De schipper zorgt dat aan boord een register van strafbare feiten aanwezig is, blad voor blad genummerd en gewaarmerkt door een ambtenaar, te wiens overstaan de monstering geschiedt.Voor het waarmerken worden geen kosten in rekening gebracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hij zorgt dat in het register onverwijld wordt vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>elk te zijner kennis gekomen misdrijf als bedoeld in artikel 541;</al></li><li nr="b."><al>elk strafbaar feit ten aanzien waarvan hij van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 522, eerste lid, gebruik heeft gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>elk strafbaar feit, aan boord van zijn schip of door een opvarende begaan, waarvan door een opvarende vermelding in het register wordt verlangd of waarvan hij zelf de vermelding wenselijk acht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid worden vermeld: de plaats waar en het tijdstip waarop het feit is begaan, de personalia en nationaliteit van de verdachte en van de getuigen, alsmede de maatregelen ingevolge de bepalingen van deze titel genomen door de schipper of op zijn aanwijzing door de scheepsofficier.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De vermeldingen worden gedagtekend en door de schipper ondertekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De schipper doet het register viseren door de daartoe bevoegde ambtenaar. De Minister van Justitie kan terzake nadere regels stellen.</al><al>De schipper geeft het register op eerste vordering van een opsporingsambtenaar aan deze ter inzage.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">543</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De schipper geeft aan de ambtenaar, die krachtens enige wettelijke bepaling toegang heeft tot zijn vaartuig, op diens eerste vordering gelegenheid zich aan of van boord te begeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De ambtenaar is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening niet onderworpen aan het gezag van de schipper over de opvarenden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">544</nr></kop><al>De bepalingen van het Derde Boek zijn op deze titel van toepassing, voor zover daarin niet uitdrukkelijk anders is bepaald.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VII</nr><titel status="officieel">Rechterlijke bevelen tot handhaving van de openbare orde</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">545</nr></kop><al>In het geval van ontdekking op heterdaad van enig strafbaar feit, waardoor de openbare orde ernstig is aangerand en ter zake waarvan voorlopige hechtenis niet is toegelaten, kunnen de maatregelen in de navolgende bepalingen omschreven, worden toegepast, indien tegen de verdachte gewichtige bezwaren bestaan en er groot gevaar is voor herhaling of voortzetting van dat feit.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">546</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie is bevoegd de verdachte te doen aanhouden, en hem onverwijld te doen geleiden voor de rechter-commissaris.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De officier van justitie is eveneens bevoegd getuigen, deskundigen en tolken te doen oproepen om te verschijnen voor de rechter-commissaris. De oproeping kan ook mondeling door een deurwaarder of schriftelijk door een ambtenaar van politie geschieden; de officier kan ook zelf mondeling oproepen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte wordt met het oog op het onderzoek op last van de officier van justitie op een door hem aan te wijzen plaats opgehouden, gedurende ten hoogste acht dagen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">547</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie is bij het onderzoek door de rechter-commissaris tegenwoordig en doet, na de zaak te hebben voorgedragen, de vorderingen die hij in verband met de bepalingen van deze titel nodig oordeelt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris onderzoekt aanstonds de zaak. Het onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt overeenkomstig de bepalingen van de tweede tot en met de zevende afdeling van de Derde Titel van het Vierde Boek gevoerd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter-commissaris is bevoegd, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, te gelasten dat door de officier van justitie of de verdachte aangewezen getuigen, deskundigen en tolken voor hem zullen verschijnen. De oproeping geschiedt overeenkomstig het tweede lid van artikel 546.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>In dat geval kan de rechter-commissaris het onderzoek voor ten hoogste vierentwintig uren schorsen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">548</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de rechter-commissaris geen termen aanwezig acht tot toepassing van enige maatregel op grond van artikel 545, beveelt hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In het andere geval geeft de rechter-commissaris op de vordering van de officier van justitie de verdachte voor een bepaalde termijn de nodige bevelen ter voorkoming van herhaling of voortzetting van het feit en vordert van hem een bereidverklaring tot nakoming van die bevelen. De termijn eindigt van rechtswege op het tijdstip dat het ter zake van het strafbare feit gewezen vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, of, indien daarbij straf of maatregel is opgelegd, zodra het vonnis kan worden tenuitvoergelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De bevelen mogen de godsdienstige of staatkundige vrijheid niet beperken.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">549</nr></kop><al>Indien de bereidverklaring wordt afgelegd, beveelt de rechter-commissaris de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">550</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de bereidverklaring niet wordt afgelegd, beveelt de rechter-commissaris dat de ophouding van de verdachte zal voortduren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De ophouding is van kracht gedurende een in het bevel te bepalen termijn van ten hoogste vijf dagen welke ingaat op de dag van de tenuitvoerlegging. Artikel 102, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. Het bevel tot ophouding is dadelijk uitvoerbaar.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Op de vordering van de officier van justitie kan het bevel tot ophouding door de rechter-commissaris eenmaal met ten hoogste vijf dagen worden verlengd. De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering te worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De rechter-commissaris beslist met inachtneming van het eerste lid, zomede van de artikelen 548 en 549.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De verdachte kan van het bevel tot ophouding binnen drie dagen na de tenuitvoerlegging in hoger beroep komen bij het Hof van Justitie dat beslist, na de verdachte te hebben gehoord.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">551</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zodra het grote gevaar voor herhaling of voortzetting van het feit is geweken, beveelt de officier van justitie de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte, de invrijheidstelling van de verdachte bevelen. Artikel 549 is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof van Justitie kan, ambtshalve of op het verzoek van de verdachte, het bevel tot ophouding opheffen. Artikel 103, tweede lid, is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het bevel kan mede worden opgeheven bij de uitspraak van het vonnis ter zake van het in artikel 545 bedoelde feit gewezen. De opheffing wordt daarbij steeds bevolen, indien straf of maatregel ter zake van dat feit niet wordt opgelegd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">552</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de verdachte de hem gegeven bevelen niet nakomt, is iedere opsporingsambtenaar bevoegd hem aan te houden en onverwijld opnieuw te geleiden voor de officier van justitie. De opsporingsambtenaar kan, ter aanhouding van de verdachte, elke plaats betreden. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In dit geval of indien de verdachte niet kon worden aangehouden, vordert de officier van justitie onverwijld dat de rechter-commissaris ter zake een onderzoek zal instellen. Deze geeft daaraan zo spoedig mogelijk gevolg.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Ten aanzien van het onderzoek en het oproepen van getuigen gelden de voorgaande bepalingen van deze titel.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">553</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de rechter-commissaris op grond van het onderzoek, bedoeld in artikel 552, daartoe termen aanwezig acht, beveelt hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In het andere geval beveelt de rechter-commissaris, indien de verdachte zich aan overtreding van de hem gegeven bevelen heeft schuldig gemaakt, dat deze op een door hem aangewezen plaats zal worden opgehouden. De artikelen 550, tweede, derde en vijfde lid, en 551, met uitzondering van de tweede volzin van het tweede lid, zijn van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">554</nr></kop><al>Tegen de beslissing tot afwijzing van een door de officier van justitie krachtens de bepalingen van deze titel genomen vordering staat geen beroep open.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VIII</nr><titel status="officieel">Internationale rechtshulp</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Algemene bepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">555</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De navolgende artikelen van deze titel zijn van toepassing op verzoeken om rechtshulp door autoriteiten van een vreemde staat in verband met een strafzaak gedaan, en gericht tot een al dan niet met name aangeduid orgaan van de justitie of de politie in de Nederlandse Antillen, voor zover in de afdoening niet is voorzien in het bepaalde bij of krachtens andere wettelijke regelingen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Als verzoeken om rechtshulp worden aangemerkt verzoeken tot het verrichten van handelingen van onderzoek of het verlenen van medewerking daaraan, het toezenden van documenten, dossiers of stukken van overtuiging of het geven van inlichtingen, dan wel het betekenen of uitreiken van stukken of het doen van aanzeggingen of mededelingen aan derden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">556</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het verzoek wordt, zo het niet tot een officier van justitie is gericht, door de geadresseerde onverwijld doorgezonden aan de officier van justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien uitsluitend om inlichtingen is gevraagd en voor het verkrijgen daarvan geen opsporingshandelingen nodig zijn, kan de doorzending achterwege blijven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing in de door de Minister van Justitie te bepalen gevallen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">557</nr></kop><al>De officier van justitie die het verzoek heeft ontvangen, beslist onverwijld omtrent het daaraan te geven gevolg.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">558</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor zover het verzoek is gegrond op een verdrag, wordt daaraan zoveel mogelijk het verlangde gevolg gegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In gevallen waarin het betreft een redelijk verzoek dat niet op een verdrag is gegrond, alsmede in gevallen waarin het toepasselijke verdrag niet tot inwilliging verplicht, wordt aan het verzoek voldaan, tenzij de inwilliging in strijd is met een wettelijk voorschrift of met een aanwijzing van de Minister van Justitie.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">559</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Aan het verzoek wordt geen gevolg gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>in gevallen waarin de verzoekende staat naar de regels van het volkenrecht rechtsmacht over de verdachte ontbeert;</al></li><li nr="b."><al>voor zover de verdachte op een met het volkenrecht strijdige wijze of anderszins onrechtmatige wijze het grondgebied van de verzoekende staat binnen is gebracht of gelokt, dan wel is gearresteerd en zijn vrijheid is ontnomen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover het vermoeden bestaat dat het is gedaan ten behoeve van een onderzoek, ingesteld met het oogmerk de verdachte te vervolgen, te straffen of op andere wijze te treffen in verband met zijn godsdienstige of staatkundige overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort;</al></li><li nr="d."><al>voor zover inwilliging zou strekken tot het verlenen van medewerking aan een vervolging of berechting die onverenigbaar is met het aan artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 282, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag liggende beginsel;</al></li><li nr="e."><al>voor zover het is gedaan ten behoeve van een onderzoek naar feiten ter zake waarvan de verdachte in de Nederlandse Antillen wordt vervolgd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In gevallen waarin er grond bestaat om aan te nemen dat een situatie als bedoeld in onderdeel a of b van het eerste lid zich ter zake van het verzoek heeft voorgedaan, wordt het verzoek voorgelegd aan de Ministers van Algemene Zaken en van Justitie. Een afwijzende beslissing op het verzoek wordt langs diplomatieke weg ter kennis van de autoriteiten van de verzoekende staat gebracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In gevallen waarin grond bestaat voor een vermoeden als bedoeld in onderdeel c van het eerste lid wordt het verzoek voorgelegd aan de Minister van Justitie.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">560</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Aan verzoeken ten behoeve van een onderzoek naar strafbare feiten van politieke aard, of daarmee verband houdende feiten, wordt niet voldaan dan krachtens een machtiging van de Minister van Justitie. Die machtiging kan alleen worden gegeven voor verzoeken, die op een verdrag zijn gegrond en slechts na overleg met de Minister van Algemene Zaken. De beslissing op het verzoek wordt langs diplomatieke weg ter kennis van de autoriteiten van de verzoekende staat gebracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Aan verzoeken, die zijn gedaan ten behoeve van een onderzoek naar strafbare feiten met betrekking tot retributies, belastingen, douane, deviezen, of daarmee verband houdende feiten, en waarvan de inwilliging van belang kan zijn voor 's Lands belastingdienst, en de Bank van de Nederlandse Antillen, dan wel aan verzoeken betrekking hebbende op gegevens die onder 's Lands belastingdienst of de Bank van de Nederlandse Antillen berusten of aan ambtenaren van deze dienst en instelling in de uitoefening van hun bediening bekend zijn geworden, wordt niet voldaan dan krachtens machtiging van de Minister van Justitie. Die machtiging kan alleen worden gegeven voor verzoeken, die op een verdrag zijn gegrond en slechts na overleg met de Minister van Financiën.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">561</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie stelt een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit in handen van de rechter-commissaris:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het strekt tot het horen of verhoren van personen die niet bereid zijn vrijwillig te verschijnen en de gevraagde verklaring af te leggen;</al></li><li nr="b."><al>indien uitdrukkelijk is gevraagd om een beëdigde verklaring, of om een verklaring afgelegd ten overstaan van een rechter;</al></li><li nr="c."><al>indien het met het oog op het verlangde gevolg nodig is, dat andere dan openbare plaatsen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de rechthebbende worden betreden, of dat stukken van overtuiging in beslag worden genomen;</al></li><li nr="d."><al>indien het strekt tot het aftappen van gegevensverkeer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In andere dan de in het eerste lid voorziene gevallen kan de officier van justitie het verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit in handen van de rechter-commissaris stellen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De overlegging van het verzoek geschiedt bij een schriftelijke vordering, waarin wordt omschreven welke verrichtingen van de rechter-commissaris worden verlangd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vordering kan te allen tijde worden ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">562</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor zover de in artikel 561, derde lid,bedoelde vordering is gedaan met het oog op de voldoening aan een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit, heeft zij dezelfde rechtsgevolgen als een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek, wat betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>de bevoegdheden van de rechter-commissaris ten aanzien van de door hem te verhoren verdachten, getuigen en deskundigen, alsmede die tot het betreden van plaatsen, het verrichten van huiszoeking, het in beslag nemen van stukken van overtuiging en het aftappen van gegevensverkeer;</al></li><li nr="b."><al>de bevoegdheden van de officier van justitie;</al></li><li nr="c."><al>de rechten en verplichtingen van de door de rechter-commissaris te horen of te verhoren personen;</al></li><li nr="d."><al>bijstand van een raadsman;</al></li><li nr="e."><al>de verrichtingen van de griffier.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Vatbaar voor inbeslagneming, overeenkomstig het eerste lid, zijn stukken van overtuiging die daarvoor vatbaar zouden zijn, indien het feit in verband waarmee de rechtshulp is gevraagd, in de Nederlandse Antillen was begaan en dat feit aanleiding kan geven tot uitlevering aan de verzoekende staat.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Vatbaar voor het aftappen van gegevensverkeer overeenkomstig het eerste lid, zijn gegevens die daarvoor vatbaar zouden zijn indien het feit in verband waarmee de rechtshulp is gevraagd, in de Nederlandse Antillen was begaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp kan, anders dan overeenkomstig het eerste en tweede lid, geen gebruik van dwangmiddelen worden gemaakt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">563</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris doet het verzoek, na bijvoeging van de processen-verbaal van de door hem afgenomen verhoren en van die van zijn verdere verrichtingen, zo spoedig mogelijk teruggaan naar de officier van justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De door de rechter-commissaris inbeslaggenomen stukken van overtuiging worden ter beschikking van de officier van justitie gesteld, voor zover het Hof, met inachtneming van het toepasselijke verdrag, daartoe verlof verleent.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Tenzij aannemelijk is dat de rechthebbenden op de inbeslaggenomen stukken van overtuiging niet in de Nederlandse Antillen verblijf houden, wordt het krachtens het tweede lid vereiste verlof slechts verleend onder het voorbehoud, dat bij de afgifte aan de buitenlandse autoriteiten wordt bedongen, dat de stukken zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 141 tot en met 145, 150, en 152 tot en met 154 is van overeenkomstige toepassing. In de plaats van het volgens die artikelen bevoegde gerecht treedt het Hof op.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">564</nr></kop><al>Indien bij de inwilliging van een verzoek om rechtshulp de medewerking van buitenlandse ambtenaren van justitie en politie op het eigen grondgebied wordt toegestaan, geschiedt hun optreden onder de feitelijke leiding en de verantwoordelijkheid van de daartoe bevoegde autoriteiten. Het stellen van vragen aan de verdachte of een getuige door buitenlandse ambtenaren geschiedt in aanwezigheid van de rechter-commissaris en op de wijze, door hem te bepalen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">565</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het betekenen en uitreiken van stukken aan derden, ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp, geschiedt met overeenkomstige toepassing van de wettelijke voorschriften betreffende het betekenen en uitreiken van Nederlands-Antilliaanse stukken van vergelijkbare strekking.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is bij een voor inwilliging vatbaar verzoek uitdrukkelijk de voorkeur gegeven aan betekening of uitreiking aan de geadresseerde in persoon, dan wordt zoveel mogelijk dienovereenkomstig gehandeld.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Feiten begaan aan boord van luchtvaartuigen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">566</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Wanneer het onderzoek, dat na de landing van een vreemd luchtvaartuig in de Nederlandse Antillen ingevolge artikel 13, vierde lid, van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen (Trb.1964, 115 en 164) moet worden ingesteld naar hetgeen aan boord van het luchtvaartuig is voorgevallen, betrekking heeft op een feit ten aanzien waarvan de Nederlands-Antilliaanse strafwet niet toepasselijk is, wordt het ingesteld overeenkomstig de bepalingen die gelden voor een opsporingsonderzoek met betrekking tot een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten.Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, wordt het feit geacht te zijn begaan ter plaatse waar het luchtvaartuig is geland.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De opsporingsambtenaren die het onderzoek verrichten, kunnen behalve de in artikel 119 bedoelde voorwerpen in beslag nemen de voorwerpen, die de gezagvoerder van het vreemde luchtvaartuig ingevolge artikel 9, derde lid, van het Verdrag na de landing overlevert.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 141 tot en met 145, 150, en 152 tot en met 154 is van overeenkomstige toepassing. In de plaats van het volgens artikel 142, derde lid, bevoegde gerecht treedt het gerecht in eerste aanleg binnen het rechtsgebied waarvan het luchtvaartuig is geland.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">567</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In gevallen waarin grond bestaat voor het vermoeden, dat de handeling van een inzittende van een luchtvaartuig, naar aanleiding waarvan deze na de landing van het luchtvaartuig in de Nederlandse Antillen ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Verdrag is overgedragen, een overtreding vormt van een strafbepaling die op discriminatie naar ras of godsdienst berust, wordt geen onderzoek ingesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In gevallen waarin grond bestaat voor het vermoeden, dat de in het vorige lid bedoelde handeling een overtreding vormt van een strafbepaling van politieke aard, wordt geen onderzoek ingesteld dan krachtens een machtiging van de Minister van Justitie en slechts na overleg met de Minister van Algemene Zaken.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IX</nr><titel status="officieel">Overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Algemene bepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">568</nr></kop><al>In deze titel wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3" char="" charoff="50" align="left"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="23*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="39*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="39*"></colspec><tbody valign="top"><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>de Minister</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de Minister van Justitie;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>rechterlijke beslissing</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een bij vonnis of arrest gewezen rechterlijke beslissing naar aanleiding van een strafbaar feit;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>sanctie</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een bij rechterlijke beslissing opgelegde vrijheidsstraf, met inbegrip van een naast of in plaats van een zodanige straf opgelegde vrijheidsbenemende maatregel;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>veroordeelde</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>degene aan wie een sanctie is opgelegd.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">569</nr></kop><al>Tenuitvoerlegging in de Nederlandse Antillen van buitenlandse rechterlijke beslissingen geschiedt niet dan krachtens een verdrag.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">570</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de Nederlandse Antillen slechts worden tenuitvoergelegd voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>de rechterlijke beslissing in die staat voor tenuitvoerlegging vatbaar is;</al></li><li nr="b."><al>de rechterlijke beslissing is gewezen ter zake van een feit dat naar Nederlands-Antilliaans recht eveneens strafbaar is;</al></li><li nr="c."><al>in geval van veroordeling, de dader naar Nederlands-Antilliaans recht eveneens strafbaar zou zijn geweest.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid is er tevens sprake van een feit dat naar Nederlands-Antilliaans recht strafbaar is, indien krachtens de Nederlands-Antilliaanse wet eenzelfde inbreuk op de Nederlands-Antilliaanse rechtsorde, als blijkens de in de vreemde staat gewezen rechterlijke beslissing op de rechtsorde van die staat is gemaakt, strafbaar is.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">571</nr></kop><al>Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de Nederlandse Antillen niet worden ten uitvoer gelegd, indien deze betrekking heeft op een vreemdeling die geen vaste woon- of verblijfplaats in de Nederlandse Antillen heeft, of op een rechtspersoon waarvan het bestuur geen zitting of kantoor houdt in de Nederlandse Antillen, of waarvan het hoofd van het bestuur geen vaste woonplaats in de Nederlandse Antillen heeft. Deze voorwaarde is niet van toepassing voor zover de in de vreemde staat opgelegde sanctie strekt tot de betaling van een geldboete of tot een verbeurdverklaring of vermogensontneming van vergelijkbare strekking.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">572</nr></kop><al>Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de Nederlandse Antillen niet worden ten uitvoer gelegd, indien naar het oordeel van de Minister een gegrond vermoeden bestaat dat de beslissing tot vervolging of de oplegging van de sanctie is ingegeven door overwegingen van ras, godsdienst, nationaliteit of politieke overtuiging van de veroordeelde of deswege ongunstig is beïnvloed. De Minister doet zijn oordeel kenbaar maken aan de autoriteiten van die vreemde staat.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">573</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de Nederlandse Antillen niet worden ten uitvoer gelegd, indien het recht tot uitvoering van de sanctie naar Nederlands-Antilliaans recht zou zijn verjaard.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de Nederlandse Antillen niet worden ten uitvoer gelegd, indien de veroordeelde ten tijde van het feit waarvoor de sanctie werd opgelegd, de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">574</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de Nederlandse Antillen niet worden ten uitvoer gelegd, voor zover de veroordeelde ter zake van hetzelfde feit in de Nederlandse Antillen wordt vervolgd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de Nederlandse Antillen evenmin worden ten uitvoer gelegd, voor zover een vervolging in de Nederlandse Antillen onverenigbaar zou zijn met het aan artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 282, eerste lid, van dit Wetboek ten grondslag liggende beginsel.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel"></titel></kop><paragraaf><kop><nr status="officieel">A.</nr><titel status="officieel">Voorlopige maatregelen tot vrijheidsontneming</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">575</nr></kop><al>Voor zover een verdrag daarin voorziet, kan de veroordeelde die zich in de Nederlandse Antillen bevindt en aan wie een tot vrijheidsontneming strekkende sanctie is opgelegd, waarvan blijkens de in de vreemde staat uitgesproken rechterlijke beslissing nog ten minste zes maanden moeten worden ten uitvoer gelegd, voorlopig worden aangehouden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat op korte termijn deze sanctie in de Nederlandse Antillen zal worden ten uitvoer gelegd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">576</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De procureur-generaal is bevoegd de voorlopige aanhouding overeenkomstig artikel 575 te bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De veroordeelde wordt na zijn voorlopige aanhouding binnen vierentwintig uur voor de procureur-generaal geleid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De procureur-generaal kan, na de veroordeelde te hebben gehoord, bevelen dat hem gedurende achtenveertig uur, te rekenen van het tijdstip van de voorlopige aanhouding, voorlopig verder zijn vrijheid wordt ontnomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Deze termijn kan door de procureur-generaal eenmaal met achtenveertig uur worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De veroordeelde kan te allen tijde door de procureur-generaal in vrijheid worden gesteld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">577</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan op de vordering van de procureur-generaal bevelen, dat de voorlopige vrijheidsontneming van de veroordeelde wordt verlengd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Alvorens een bevel ingevolge het vorige lid te geven, hoort de rechter-commissaris zo mogelijk de veroordeelde.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">578</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verlenging kan worden gelast voor een termijn van ten hoogste veertien dagen. De voorlopige vrijheidsontneming kan op de vordering van de procureur-generaal telkens met een termijn van ten hoogste dertig dagen verder worden verlengd, totdat het Hof ingevolge artikel 589, tweede lid, over de gevangenhouding beslist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De veroordeelde wiens voorlopige vrijheidsontneming is gelast wordt, behoudens de mogelijkheid van vrijheidsontneming uit anderen hoofde, in vrijheid gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>zodra dit door het Hof, de rechter-commissaris of de procureur-generaal ambtshalve of op het verzoek van de veroordeelde of diens advocaat wordt gelast;</al></li><li nr="b."><al>zodra de voorlopige vrijheidsontneming veertien dagen heeft geduurd en de procureur-generaal de in de artikelen 581 of 582 bedoelde stukken niet heeft ontvangen;</al></li><li nr="c."><al>indien de duur van de voorlopige vrijheidsontneming die van het voor tenuitvoerlegging vatbare gedeelte van de in de vreemde staat opgelegde sanctie zou overtreffen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De in het tweede lid, onderdeel b, genoemde termijn loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde zich aan de verdere tenuitvoerlegging van de gelaste vrijheidsontneming heeft onttrokken.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">579</nr></kop><al>Van elke beslissing naar aanleiding van een verzoek van een autoriteit van een vreemde staat, genomen krachtens een van de artikelen 575 tot en met 578, wordt onverwijld door of door tussenkomst van de procureur-generaal kennis gegeven aan de Minister. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><nr status="officieel">B.</nr><titel status="officieel">Inbeslagneming</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">579a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Naar aanleiding van een op een verdrag gegrond verzoek van een vreemde staat kan in de Nederlandse Antillen een strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld, overeenkomstig de bepalingen van Titel XVI van het derde Boek, gericht op de bepaling van hier te lande aanwezig of verworven wederrechtelijk verkregen voordeel door een persoon die in de verzoekende staat aan strafrechtelijk onderzoek is onderworpen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het strafrechtelijk financieel onderzoek kan slechts worden ingesteld, indien zulks ook mogelijk zou zijn geweest wanneer het feit of de feiten ter zake waarvan de persoon in de verzoekende staat wordt verdacht in de Nederlandse Antillen zouden zijn begaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek kan inbeslagneming van voorwerpen overeenkomstig artikel 119, tweede lid, en artikel 119a, tweede lid, slechts plaatsvinden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat ten aanzien van die voorwerpen vanwege de verzoekende vreemde staat een verzoek tot tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring of van een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie zal worden gedaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De officier van justitie zendt van zijn beschikking tot sluiting van een strafrechtelijk financieel onderzoek onverwijld een afschrift door tussenkomst van de procureur-generaal aan de Minister. Daarbij doet hij tevens mededeling van alle voor de verzoekende vreemde staat dienstige inlichtingen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">579b</nr></kop><lid><lidnr status="officieel"></lidnr><al>Voor zover een verdrag daarin voorziet kunnen op verzoek van een vreemde staat voorwerpen in beslag worden genomen:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien waarvan naar het recht van de vreemde staat een tot verbeurdverklaring strekkende sanctie kan worden opgelegd;</al></li><li nr="b."><al>tot bewaring van het recht tot verhaal voor een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende verplichting tot betaling van een geldbedrag welke naar het recht van de vreemde staat kan worden opgelegd; of</al></li><li nr="c."><al>die kunnen dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Inbeslagneming, als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kan slechts plaatsvinden, indien blijkens de door de vreemde staat bij zijn verzoek verstrekte inlichtingen, door de bevoegde autoriteiten van die staat een bevel tot inbeslagneming is gegeven of zou zijn gegeven, indien de desbetreffende voorwerpen zich binnen zijn grondgebied zouden bevinden, en inbeslagneming naar Nederlands-Antilliaans recht is toegestaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid is inbeslagneming naar Nederlands-Antilliaans recht toegestaan, indien zulks ook mogelijk zou zijn geweest wanneer het feit of de feiten naar aanleiding waarvan de inbeslagneming door de vreemde staat wordt verzocht in de Nederlandse Antillen zou of zouden zijn begaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Inbeslagneming van voorwerpen, als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kan voorts slechts plaatsvinden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat ten aanzien van die voorwerpen vanwege de verzoekende vreemde staat een verzoek tot tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring of van een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie zal worden gedaan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">579c</nr></kop><al>Voor zover een verdrag daarin voorziet kunnen voorwerpen, ten aanzien waarvan door een rechter van een vreemde staat een bevel is gegeven van vergelijkbare strekking als verbeurdverklaring of ontneming als wederrechtelijk verkregen voordeel, op verzoek van de vreemde staat in beslag worden genomen.</al><al>2.Inbeslagneming overeenkomstig het eerste lid kan slechts plaatsvinden in gevallen, waarin gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat het in dat lid bedoelde bevel op korte termijn in de Nederlandse Antillen zal worden tenuitvoergelegd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">579d</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tot inbeslagneming als bedoeld in de artikelen 579b en 579c zijn bevoegd de rechter-commissaris en, voor zover die bevoegdheden niet aan de rechter-commissaris is voorbehouden, de procureur-generaal. Op vordering van de procureur-generaal kan de rechter-commissaris de bevoegdheden uitoefenen, die hem uit hoofde van een gerechtelijk vooronderzoek toekomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ten aanzien van het eerste lid zijn de artikelen 119b tot en met 119d, 122, 125 tot en met 145, 150, 152, 153, 154a en 608* van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">579e</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij de overeenkomstige toepassing van de artikelen 150 onderscheidenlijk 154a treedt de rechter niet in een nieuw onderzoek naar de rechten van belanghebbenden, indien daaromtrent door de buitenlandse rechter een uitspraak is gedaan. De rechter kan echter wel in een dergelijk nieuw onderzoek treden, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>die uitspraak betrekking heeft op rechten ter zake van in de Nederlandse Antillen gelegen onroerende goederen of in de Nederlandse Antillen te boek gestelde zeeschepen en luchtvaartuigen;</al></li><li nr="b."><al>die uitspraak betreft de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van in de Nederlandse Antillen gevestigde rechtspersonen of de besluiten van hun organen;</al></li><li nr="c."><al>die uitspraak is gedaan, zonder dat de belanghebbende tegen wie verstek werd verleend, zo tijdig tevoren, als met het oog op zijn verdediging redelijkerwijs nodig was van het geding officieel in kennis was gesteld;</al></li><li nr="d."><al>die uitspraak onverenigbaar is met een ter zake eerder in de Nederlandse Antillen gewezen rechterlijke beslissing;</al></li><li nr="e."><al>erkenning van die uitspraak onverenigbaar zou zijn met de Nederlands-Antilliaanse openbare orde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zolang ter zake van de rechten van een belanghebbende een procedure voor de rechter van de verzoekende vreemde staat aanhangig is, is deze in zijn klaagschrift of vordering niet ontvankelijk.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">579f</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tot het in behandeling nemen van verzoeken als bedoeld in de artikelen 579a tot en met 579c, is bevoegd de procureur-generaal.</al><al>Verzoeken als bedoeld in het eerste lid worden, zo zij niet tot de procureur-generaal zijn gericht, door de geadresseerde onverwijld aan hem doorgezonden.</al><al>Klaagschriften als bedoeld in artikel 150, alsmede rechtsgedingen als bedoeld in artikel 154a, dienen in eerste en laatste instantie te worden aanhangig gemaakt bij Hof.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Procedure</titel></kop><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel">1.</nr><titel status="officieel">Behandeling van buitenlandse verzoeken tot tenuitvoerlegging</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">580</nr></kop><al>Indien de door de vreemde staat overgelegde stukken naar het oordeel van de Minister onvoldoende zijn om op een verzoek tot tenuitvoerlegging een beslissing te nemen, biedt hij de autoriteiten van de verzoekende staat de gelegenheid binnen een door hem te stellen redelijke termijn aanvullende stukken of inlichtingen te verschaffen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">581</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tenzij de Minister reeds aanstonds van oordeel is dat het verzoek om tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, stelt hij het met de daarbij behorende stukken in handen van de procureur-generaal.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de procureur-generaal van oordeel is dat het verzoek niet voor inwilliging vatbaar is of dat aanleiding bestaat gebruik te maken van een van de in het toepasselijke verdrag omschreven gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging, brengt hij dit oordeel onverwijld vergezeld van zijn advies ter kennis van de Minister, die daaromtrent beslist. De procureur-generaal deelt de veroordeelde die krachtens deze titel voorlopig zijn vrijheid is ontnomen, onverwijld mee op welke dag hij zijn advies aan de Minister heeft uitgebracht.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel">2.</nr><titel status="officieel">Behandeling van Nederlands-Antilliaanse verzoeken tot tenuitvoerlegging in de Nederlandse Antillen van in een vreemde staat opgelegde sancties</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">582</nr></kop><al>Wanneer een vreemde staat heeft bewilligd in de tenuitvoerlegging van een door deze opgelegde sanctie in de Nederlandse Antillen, stelt de Minister de door de autoriteiten van die staat overgelegde stukken in handen van de procureur-generaal.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel"> 3.</nr><titel status="officieel">Gerechtelijke procedure</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">583</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De procureur-generaal vordert binnen twee weken na de dag waarop hij de in artikel 581 of 582 bedoelde stukken heeft ontvangen, schriftelijk, dat het Hof verlof verleent tot tenuitvoerlegging. Bij zijn vordering legt de procureur-generaal de stukken aan het Hof over. Een afschrift van de vordering wordt aan de veroordeelde betekend. Bij zijn vordering legt de procureur-generaal tevens een lijst van voorwerpen of vorderingen over, die ingevolge de artikelen 579a tot en met 579e, in beslag zijn genomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De in het eerste lid gestelde termijn wordt geschorst van het tijdstip waarop de procureur-generaal overeenkomstig artikel 581, tweede lid, adviseert aan de Minister tot het tijdstip waarop de procureur-generaal van de Minister bericht ontvangt dat de tenuitvoerlegging dient te worden gevorderd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de veroordeelde ingevolge deze titel voorlopig zijn vrijheid is ontnomen, eindigt de schorsing in ieder geval na veertien dagen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het eerste tot en met het derde lid bepaalde is niet van toepassing, indien de ten uitvoer te leggen sanctie uitsluitend bestaat uit een geldboete.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De artikelen 197 en 486 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">584</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de in artikel 583 bedoelde vordering bepaalt de voorzitter van het Hof het tijdstip waarop het Hof een aanvang zal maken met de behandeling van de vordering. Tussen de dag waarop de mededeling om ter terechtzitting te verschijnen aan de veroordeelde is betekend en die van de terechtzitting moet een termijn van ten minste tien dagen verlopen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Met toestemming van de veroordeelde kan deze termijn worden verkort, mits van deze toestemming uit een schriftelijke verklaring blijkt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">585</nr></kop><al>De griffier van het Hof doet onverwijld aan de procureur-generaal en aan de veroordeelde mededeling van het tijdstip dat voor de behandeling van de vordering is bepaald. Daarbij wordt de veroordeelde, van wie niet blijkt dat hij reeds een advocaat heeft, opmerkzaam gemaakt op zijn bevoegdheid een of meer advocaten te kiezen en op de mogelijkheden tot toevoeging van een advocaat, alsmede op zijn recht op kennisneming van de processtukken.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">586</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De procureur-generaal en de veroordeelde zijn bevoegd ten behoeve van het onderzoek dat het Hof ingevolge deze titel heeft te verrichten en de beslissingen die het heeft te nemen, getuigen en deskundigen te doen dagvaarden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De procureur-generaal kan bij met redenen omklede beslissing weigeren getuigen of deskundigen te dagvaarden, indien redelijkerwijze moet worden aangenomen dat deze door de veroordeelde zijn opgegeven ten einde ter terechtzitting verklaringen af te leggen ter betwisting van feiten als bedoeld in artikel 588, derde lid. De beslissing wordt onverwijld schriftelijk ter kennis van de veroordeelde gebracht. Hij wordt daarbij opmerkzaam gemaakt op het bepaalde in artikel 588, zesde lid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">587</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De behandeling van de vordering heeft plaats in tegenwoordigheid van de procureur-generaal. De veroordeelde wordt in de gelegenheid gesteld daarbij aanwezig te zijn en kan zich door zijn advocaat doen bijstaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De behandeling van de vordering geschiedt in het openbaar, tenzij het Hof op het verzoek van de veroordeelde of om gewichtige, in het proces-verbaal van de zitting te vermelden, redenen sluiting van de deuren beveelt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">588</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het Hof onderzoekt de identiteit van de veroordeelde, de ontvankelijkheid van de procureur-generaal, alsmede de mogelijkheid van tenuitvoerlegging in de Nederlandse Antillen van de in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing en de feiten en omstandigheden die voor zijn beslissing van belang zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De procureur-generaal en de veroordeelde en diens advocaat worden in de gelegenheid gesteld ter terechtzitting van het Hof te worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof is gebonden aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Het treedt niet in een nieuw onderzoek naar deze feiten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Op punten die niet in deze titel zijn geregeld, vindt het bepaalde in de Tweede Afdeling van Titel IV van het Vijfde Boek overeenkomstige toepassing, behoudens het bepaalde omtrent het verhoor van getuigen en het houden van een schouw.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien getuigen zijn gedagvaard ter verkrijging van inlichtingen omtrent de persoonlijkheid van de veroordeelde of indien het Hof het noodzakelijk acht feiten te onderzoeken ter beoordeling van het bestaan van gronden die naar Nederlands-Antilliaans recht, doch niet naar dat van de vreemde staat, de strafbaarheid van het feit of de dader uitsluiten,vindt voorts het bepaalde in de Tweede Afdeling van Titel IV van het Vijfde Boek omtrent het verhoor van getuigen overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Indien de procureur-generaal overeenkomstig artikel 586, tweede lid, heeft geweigerd een getuige te dagvaarden, kan de veroordeelde het Hof verzoeken alsnog de dagvaarding van de getuige te bevelen. Het Hof gaat hiertoe over, indien het van oordeel is dat de procureur-generaal in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>De procureur-generaal legt, na voorlezing, een conclusie aan het Hof over. Indien de conclusie strekt tot bewilliging in de tenuitvoerlegging, omschrijft zij de straf of maatregel die naar het oordeel van de procureur-generaal in plaats van de buitenlandse sanctie behoort te worden opgelegd. Tevens vermeldt de procureur-generaal in dat geval met welk strafbaar feit naar Nederlands-Antilliaans recht het feit op grond waarvan de veroordeelde aan een buitenlandse sanctie is onderworpen, overeenkomt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">589</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op vordering van de procureur-generaal kan het Hof ter zitting de gevangenneming van de veroordeelde bevelen op de grond genoemd in artikel 575</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voordat het onderzoek ter zitting wordt gesloten, beslist het Hof ambtshalve over de gevangenhouding van de veroordeelde wie krachtens deze titel voorlopig zijn vrijheid is ontnomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Een krachtens het eerste of tweede lid bevolen vrijheidsontneming blijft van kracht, totdat de uitspraak van het Hof voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">590</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bevindt het Hof:</al><lijst><li nr="a."><al>dat de overgelegde stukken niet voldoen aan het door het toepasselijke verdrag gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>dat de veroordeelde zich met vrucht op een grond, die naar Nederlands-Antilliaans recht wel, doch naar het recht van de vreemde staat niet de strafbaarheid van het feit of de dader uitsluit, had kunnen beroepen, en dat hij geen gedwongen psychiatrische verpleging behoeft;</al></li><li nr="c."><al>dat de tenuitvoerlegging in de Nederlandse Antillen op grond van het in een van de artikelen 569, 570, 571, 573 of 574 bepaalde niet kan plaatshebben; of</al></li><li nr="d."><al>dat bij afweging van alle betrokken belangen een beslissing tot tenuitvoerlegging in de Nederlandse Antillen in redelijkheid niet kan worden genomen;dan verklaart het de tenuitvoerlegging ontoelaatbaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De procureur-generaal kan, zolang het onderzoek ter terechtzitting niet is gesloten, zijn vordering intrekken. Hij stelt de veroordeelde van het intrekken van de vordering terstond in kennis.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In andere dan de in het eerste en tweede lid voorziene gevallen, verklaart het Hof de tenuitvoerlegging toelaatbaar, met vermelding van de toepasselijke wets- en verdragsbepalingen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">591</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien het Hof, de tenuitvoerlegging toelaatbaar acht, verleent het verlof tot tenuitvoerlegging van de buitenlandse rechterlijke beslissing en legt, met inachtneming van het daaromtrent in het toepasselijke verdrag voorgeschrevene, de straf of maatregel op, die op het overeenkomstige feit naar Nederlands-Antilliaans recht is gesteld. De uitspraak van het Hof wordt met redenen omkleed. De uitspraak geeft voorts de bijzondere redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid en voorts zoveel mogelijk de omstandigheden, waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte van de straf is gelet. De artikelen 388, 390, 391, 400, 407, tweede en derde lid, en 410 zijn van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij het opleggen van tijdelijke gevangenisstraf of hechtenis beveelt het Hof, dat de tijd gedurende welke aan de veroordeelde in de vreemde staat ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie, met het oog op zijn overbrenging naar de Nederlandse Antillen en uit hoofde van deze titel zijn vrijheid ontnomen is geweest, bij de uitvoering van de straf geheel in mindering zal worden gebracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof zendt aan de Minister onverwijld een gewaarmerkt afschrift van zijn uitspraak toe.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">591a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Verlof tot tenuitvoerlegging van een in de vreemde staat opgelegde sanctie strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden beperkt tot de tenuitvoerlegging van de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan het Land, dat in omvang slechts een gedeelte van dat voordeel vertegenwoordigt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de in de vreemde staat opgelegde sanctie strekt tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, spreekt het Hof, indien de vreemde staat uitdrukkelijk heeft verzocht die sanctie slechts ten uitvoer te leggen op voorwerpen die dat voordeel vertegenwoordigen, de verbeurdverklaring daarvan uit. In dat geval is het Hof niet gebonden aan beperkingen ingevolge artikel 35, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Op uitspraken, houdende een verbeurdverklaring, zijn de artikelen 151, 153 en 154 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Op uitspraken, houdende de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan het Land ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, is artikel 634 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Artikel 579e is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">592</nr></kop><al>De tenuitvoerlegging van een op grond van artikel 591 opgelegde straf of maatregel geschiedt met inachtneming van het bij of krachtens dit Wetboek, het Wetboek van Strafrecht of enige bijzondere strafwet betreffende de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen bepaalde.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel">4.</nr><titel status="officieel">Buitengerechtelijke procedure</titel></kop><sub-paragraaf><kop><titel status="officieel">Geldboeten</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">592a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de in de vreemde staat opgelegde sanctie uitsluitend strekt tot de betaling van een geldboete, eventueel onder bedreiging met een vervangende tot vrijheidsontneming strekkende sanctie, wordt deze ten uitvoer gelegd krachtens een beslissing van de procureur-generaal.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Alvorens een beslissing te nemen ingevolge het eerste lid stelt de procureur-generaal de veroordeelde in de gelegenheid te worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De procureur-generaal drukt overeenkomstig het bepaalde in het toepasselijke verdrag het bedrag van de geldboete uit in Nederlands-Antilliaanse valuta. Indien het verdrag daaromtrent geen voorschriften bevat bepaalt de procureur-generaal de hoogte van het bedrag volgens de wisselkoers die gold op het tijdstip van veroordeling in de vreemde staat. Als wisselkoers geldt de middenkoers zoals dagelijks vastgesteld en genoteerd door de Bank van de Nederlandse Antillen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Voor valuta waarvan de wisselkoers niet dagelijks door de Bank van de Nederlandse Antillen wordt vastgesteld en genoteerd geldt de wisselkoers die wordt verkregen uit de waarde in speciale trekkingsrechten van de desbetreffende valuta op de laatste werkdag van de maand waarin de teenuitvoer te leggen sanctie in de vreemde staat werd opgelegd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">592b</nr></kop><lid><lidnr status="officieel"></lidnr><al>De ingevolge artikel 592a genomen beslissing en de dag waarop het daarbij vastgestelde bedrag moet worden voldaan, worden vanwege de procureur-generaal zo spoedig mogelijk aan de veroordeelde ter kennis gebracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tegen de beslissing van de procureur-generaal kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de beslissing hem bekend is, een bezwaarschrift indienen bij het Hof, indien de opgelegde geldboete het bedrag van vijftig gulden overschrijft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Op de wijze van indiening en intrekking van een bezwaarschrift zijn de artikelen 445, tweede lid, 446 tot en met 451 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Op de behandeling van het bezwaarschrift zijn de artikelen 38 tot en met 42, 47 en 48 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Verklaart het Hof het bezwaar gegrond, dan vernietigt het de beslissing van de procureur-generaal of vult deze aan met inachtneming van het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen. Acht het, ondanks vernietiging de tenuitvoerlegging wel toelaatbaar, dan doet het Hof hetgeen de procureur-generaal had behoren te doen. In alle gevallen dat het Hof de tenuitvoerlegging van een geldboete toelaatbaar verklaard, bepaalt het tevens de duur van de vervangende hechtenis.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De artikelen 591, derde lid, en 592, zijn van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">592c</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Beslissingen als bedoeld in artikel 592a kunnen zodra zij zijn genomen worden ten uitvoer gelegd, tenzij het toepasselijke verdrag anders bepaalt. Door het indienen van een bezwaarschrift binnen de daarvoor gestelde termijn wordt de tenuitvoerlegging opgeschort.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Beslissingen genomen krachtens artikel 592a worden ten uitvoer gelegd met inachtneming van het bij of krachtens dit wetboek omtrent de tenuitvoerlegging van geldboeten bepaalde, met uitzondering van het derde lid van artikel 630.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">592d</nr></kop><al> Indien tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis moet worden overgegaan doet de procureur-generaal met het oog daarop een vordering overeenkomstig artikel 583, tenzij het Hof krachtens artikel 592b, vijfde lid, de duur van de vervangende hechtenis reeds heeft bepaald.</al></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><titel status="officieel">Onmiddellijke tenuitvoerlegging</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">593</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor zover een verdrag daarin uitdrukkelijk voorziet kan, op aanwijzing van de Minister, de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van een in een vreemde staat opgelegde tot vrijheidsontneming strekkende sanctie in de Nederlandse Antillen plaatsvinden buiten toepassing van paragraaf 3 van deze afdeling.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan slechts worden gegeven, indien uit een door de veroordeelde ondertekende verklaring blijkt dat hij met zijn instemming naar de Nederlandse Antillen is overgebracht met het oog op de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde sanctie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan slechts worden gegeven, nadat advies is ingewonnen van het Hof.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Hangende de beslissing tot het geven van een aanwijzing kan de veroordeelde met toepassing van de artikelen 575 tot en met 579 voorlopig zijn vrijheid worden ontnomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien op advies van het Hof het geven van een aanwijzing achterwege blijft, nemen leden van het Hof die terzake hebben geadviseerd, niet aan de behandeling van de door de procureur-generaal overeenkomstig artikel 583 ingediende vordering deel.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De tenuitvoerlegging van de in het eerste lid bedoelde sanctie geschiedt op last van de procureur-generaal.</al></lid></artikel></sub-paragraaf></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Overdracht van de tenuitvoerlegging vanNederlands-Antilliaanse rechterlijke beslissingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel">1.</nr><titel status="officieel">Van de Nederlandse Antillen uitgaande verzoeken</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">594</nr></kop><al>Indien de procureur-generaal het in het belang van een goede rechtsbedeling gewenst acht, dat een vreemde staat een door de Nederlands-Antilliaanse rechter opgelegde straf of maatregel ten uitvoer legt of verder ten uitvoer legt, geeft hij, onder overlegging van het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis of arrest en eventuele andere met het oog op de tenuitvoerlegging van belang zijnde stukken, aan de Minister een met redenen omkleed advies tot overdracht van de tenuitvoerlegging aan die staat.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">595</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Behoudens het bepaalde in het tweede lid beslist de Minister zo spoedig mogelijk na de ontvangst van een advies, als bedoeld in artikel 594, omtrent het daaraan te geven gevolg. Daarbij neemt hij, indien het verzoek tot tenuitvoerlegging op een verdrag kan worden gegrond, de bepalingen van dat verdrag in acht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien het advies van de procureur-generaal betrekking heeft op een veroordeelde die zich in de Nederlandse Antillen bevindt, aan wie een tot vrijheidsontneming strekkende sanctie is opgelegd en die niet heeft verklaard met de overdracht van de tenuitvoerlegging van die sanctie in te stemmen, dan laat de Minister, zo hij voornemens is gevolg te geven aan dit advies, alvorens een beslissing te nemen, de veroordeelde schriftelijk van dit advies in kennis stellen. Daarbij wordt de veroordeelde meegedeeld, dat hij binnen veertien dagen na ontvangst van de kennisgeving tegen het voornemen van de Minister een bezwaarschrift kan indienen bij het gerecht, dat in hoogste feitelijke instantie de tot vrijheidsontneming strekkende sanctie heeft opgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">33.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na ontvangst van een tijdig ingediend bezwaarschrift onderzoekt het in het tweede lid bedoelde gerecht of de Minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing kan komen. De veroordeelde wordt bij het onderzoek gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen. Indien niet blijkt dat de veroordeelde reeds een advocaat heeft, voegt de voorzitter van het gerecht hem ambtshalve een advocaat toe.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Van zijn beslissing stelt het gerecht de Minister en de veroordeelde in kennis. Acht het gerecht het bezwaarschrift gegrond, dan geeft de Minister aan het advies van de procureur-generaal tot overdracht van de tenuitvoerlegging geen gevolg.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">596</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De Minister geeft de procureur-generaal schriftelijk kennis van de beslissing die hij op diens advies heeft genomen alsmede van de door hem ontvangen mededelingen omtrent beslissingen van de autoriteiten van de vreemde staat naar aanleiding van het verzoek tot tenuitvoerlegging dat op advies van de procureur-generaal is gedaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een aan de autoriteiten van een vreemde staat gedaan verzoek tot tenuitvoerlegging kan uiterlijk tot de ontvangst van een kennisgeving omtrent de daarop in die staat genomen beslissing worden ingetrokken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Par. </label><nr status="officieel">2. </nr><titel status="officieel">Tot de Nederlandse Antillen gerichte verzoeken</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">597</nr></kop><al>Tenzij de Minister reeds aanstonds van oordeel is, dat het verzoek van een buitenlandse autoriteit tot overdracht van de tenuitvoerlegging van een in de Nederlandse Antillen opgelegde sanctie moet worden afgewezen, wint hij omtrent de vraag of het belang van een goede rechtsbedeling zich tegen inwilliging van het verzoek verzet, het advies in van het gerecht dat in hoogste feitelijke instantie de sanctie heeft opgelegd en van de procureur-generaal.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">598</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na de ontvangst van de in artikel 597 bedoelde adviezen beslist de Minister over het gevolg, te geven aan het in dat artikel bedoelde verzoek. Artikel 595 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Van zijn beslissing geeft de Minister onverwijld kennis aan het in artikel 597 bedoelde gerecht en aan de procureur-generaal.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel">3.</nr><titel status="officieel">Overbrenging</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">599</nr></kop><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels gesteld met betrekking tot de procedure volgens welke een verklaring van of namens een zich in de Nederlandse Antillen bevindende veroordeelde, houdende instemming met de overdracht van de tenuitvoerlegging van een hem opgelegde tot vrijheidsontneming strekkende sanctie, dient te worden afgelegd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">600</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Overdracht van de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen ingevolge deze afdeling geschiedt slechts onder het algemene beding, dat de door de Nederlands-Antilliaanse rechter opgelegde straf of maatregel niet ten nadele van de veroordeelde worden gewijzigd en dat daarbij met het reeds hier te lande ten uitvoer gelegde gedeelte van die straf of maatregel rekening wordt gehouden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een veroordeelde die in de Nederlandse Antillen een tot vrijheidsontneming strekkende sanctie ondergaat of nog zal moeten ondergaan, wordt, wanneer met een vreemde staat overeenstemming is bereikt omtrent de verdere tenuitvoerlegging van deze sanctie, zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld van de autoriteiten van die staat op een door de procureur-generaal, na overleg met die autoriteiten, te bepalen tijd en plaats.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De overbrenging van een veroordeelde die niet heeft verklaard met de overdracht van de tenuitvoerlegging in te stemmen, geschiedt niet dan onder het algemene beding, dat hij alleen met uitdrukkelijke toestemming van de Minister:</al><lijst><li nr="a."><al>zal worden vervolgd, gestraft of op enige wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt ter zake van feiten, die voor het tijdstip van zijn overbrenging zijn begaan en ter zake waarvan de tenuitvoerlegging niet is overgedragen; en</al></li><li nr="b."><al>ter beschikking zal worden gesteld van de autoriteiten van een derde staat ter zake van feiten, die voor het tijdstip van zijn overbrenging zijn begaan, tenzij de veroordeelde nadien de gelegenheid heeft gehad het grondgebied van de staat naar welke hij is overgebracht te verlaten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Op het moment dat een veroordeelde ter beschikking van de in het tweede lid bedoelde autoriteiten wordt gesteld, wordt de tenuitvoerlegging in de Nederlandse Antillen van de hem opgelegde sanctie van rechtswege geschorst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>In geval van hervatting van het recht tot tenuitvoerlegging van de sanctie wordt het in het buitenland reeds ten uitvoer gelegde gedeelte daarop in mindering gebracht.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIJFDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Slotbepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">601</nr></kop><al>Op de krachtens deze titel gegeven bevelen tot voorlopige vrijheidsontneming of tot verlenging of beëindiging daarvan zijn de bepalingen van dit Wetboek betreffende de inverzekeringstelling, onderscheidenlijk de voorlopige hechtenis van overeenkomstige toepassing, tenzij enige bepaling in deze titel anders voorschrijft.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">602</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bij en krachtens artikel 62 bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de veroordeelde wie op grond van artikel 576, derde lid, voorlopig zijn vrijheid is ontnomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bij en krachtens de artikelen 63 en 65 tot en met 69 bepaalde, alsmede het in dit Wetboek bepaalde betreffende het optreden van de raadsman en de kennisneming van processtukken is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">603</nr></kop><al>In gevallen waarin onherroepelijk is vastgesteld dat tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke beslissing in de Nederlandse Antillen niet behoort plaats te vinden, kan het Hof op verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten laste van het Land toekennen voor de schade die hij heeft geleden en kosten die hij heeft gemaakt ten gevolge van voorlopige vrijheidsontneming, bevolen krachtens deze titel. Titel XVI van het Derde Boek is van toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">604</nr></kop><al>De Minister beslist op verzoeken om doorvoer over Nederlands-Antilliaans grondgebied van vreemdelingen die ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing door de autoriteiten van een vreemde staat ter beschikking van de autoriteiten van een andere staat worden gesteld.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk></deel><deel><kop><nr status="officieel">ACHTSTE</nr><label>BOEK</label><titel status="officieel">TENUITVOERLEGGING EN KOSTEN</titel></kop><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">I</nr><titel status="officieel">Tenuitvoerlegging</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Algemene bepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">605</nr></kop><al>De tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen geschiedt op last van het openbaar ministerie.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">606</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De benadeelde partij, die zich in het geding over de strafzaak gevoegd heeft, doet zelf het vonnis, voor zover haar vordering aangaat, tenuitvoerleggen, op de wijze bepaald voor vonnissen in burgerlijke zaken. Indien het een mondeling vonnis geldt, geschiedt de tenuitvoerlegging uit kracht van een mededeling van de griffier, houdende afschrift van de aantekening van het vonnis, vermeldende de benadeelde partij, degene tegen wie en de rechter door wie het vonnis is gewezen, en dragende aan het hoofd de woorden: "In naam des Konings".</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Allen die ter zake van hetzelfde strafbare feit bij hetzelfde vonnis veroordeeld zijn tot schadevergoeding aan de benadeelde partij, zijn hoofdelijk daarvoor aansprakelijk.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">607</nr></kop><al>Indien bij dit wetboek enige betekening, dagvaarding, oproeping, kennisgeving, aanzegging of andere mededeling is voorgeschreven, geschiedt deze, indien niet anders is bepaald, op last van het openbaar ministerie.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">608</nr></kop><al>Het openbaar ministerie kan voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke of eigen beslissingen de nodige bijzondere of algemene last geven aan de deurwaarders en aan de ambtenaren van politie, alsmede voor de tenuitvoerlegging aan boord van een Nederlands-Antilliaans schip dan wel op een bij landsbesluit aangewezen installatie ter zee aan de schipper, een en ander voor zover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten.Voor de tenuitvoerlegging van bevelen tot inbeslagneming en teruggave van onroerende goederen wordt de bijzondere last tot de deurwaarder gericht.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Uitvoerbaarheid van beslissingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">609</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor zover niet anders is bepaald, mag geen beslissing worden tenuitvoergelegd, zolang daartegen nog enig gewoon rechtsmiddel openstaat en, zo dit is aangewend, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is een mededeling als bedoeld in artikel 411 voorgeschreven, dan kan de tenuitvoerlegging van het vonnis geschieden na de betekening van die mededeling. Bij vonnissen bij verstek gewezen, waarbij zodanige mededeling niet behoeft te geschieden, kan de tenuitvoerlegging geschieden na de uitspraak. Door verzet, hoger beroep of beroep in cassatie wordt de tenuitvoerlegging geschorst of opgeschort.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De laatste volzin van het tweede lid geldt niet:</al><lijst><li nr="a."><al>voor bevelen bij het vonnis verleend, die dadelijk uitvoerbaar zijn;</al></li><li nr="b."><al>indien naar het oordeel van het openbaar ministerie vaststaat dat het rechtsmiddel na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn is aangewend, tenzij op verzoek van degene die het middel aanwendde, en na te zijn gehoord, indien hij dit bij het verzoek heeft gevraagd, de voorzitter van het Hof of de rechter in eerste aanleg anders bepaalt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Een uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie, als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, kan eerst worden tenuitvoergelegd, nadat de veroordeling, als bedoeld in artikel 38e, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, in kracht van gewijsde is gegaan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">610</nr></kop><al>De tenuitvoerlegging of ingang van straffen wordt opgeschort gedurende acht dagen volgende op de dag waarop het vonnis, waarbij zij zijn opgelegd, in kracht van gewijsde is gegaan.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">611</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een verzoekschrift om gratie, dat is ingediend binnen de in artikel 610 bedoelde termijn ter griffie van het Hof, schort de tenuitvoerlegging of ingang van de straf waarvan gratie wordt verzocht op, totdat op het verzoek is beschikt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De griffier maakt onverwijld het openbaar ministerie bekend met de indiening van een ter griffie ontvangen verzoekschrift. Hij tekent de dag van indiening op het verzoekschrift aan. Het verzoekschrift wordt vervolgens, voorzien van het advies van de rechter naar de Gouverneur opgezonden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">612</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De artikelen 610 en 611, eerste lid, blijven buiten toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de veroordeelde te kennen geeft de opschorting van de tenuitvoerlegging of ingang van de straf niet te wensen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover het betreft vrijheidsstraffen, op het tijdstip dat het vonnis in kracht van gewijsde gaat, de veroordeelde zich ter zake van het feit waarvoor hij bij dat vonnis is veroordeeld, in voorlopige hechtenis bevindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde kennisgeving wordt, hetzij in persoon hetzij door iemand die daartoe bepaaldelijk door de veroordeelde is gemachtigd, gedaan aan de griffier van het gerecht dat het vonnis heeft uitgesproken. Artikel 447 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">613</nr></kop><al>Wanneer een verzoekschrift om gratie van een vrijheidsstraf is ingediend, zonder dat een wettelijke regeling daaraan de opschorting van de tenuitvoerlegging verbindt, kan de Minister van Justitie niettemin bepalen dat de tenuitvoerlegging wordt of blijft opgeschort of wel dat zij wordt of blijft geschorst zolang op het verzoek niet is beschikt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">614</nr></kop><al>Een verzoekschrift om gratie dat van een derde afkomstig is, wordt buiten verdere behandeling gelaten indien blijkt dat de veroordeelde niet met het verzoek instemt. Het verliest alsdan de opschortende werking die de wettelijke regeling daaraan verbindt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">615</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor zover de tenuitvoerlegging is toegelaten, wordt het vonnis zodra mogelijk ten uitvoer gelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bestaat de straf uit geldboete, dan bepaalt het openbaar ministerie de dag waarop de betaling uiterlijk moet geschieden. Het ziet erop toe dat de veroordeelde hierover tijdig wordt ingelicht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het openbaar ministerie kan uitstel van betaling verlenen of betaling in termijnen toestaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Bij toepassing van het derde lid moet het totale bedrag in ieder geval worden voldaan binnen twee jaar na de dag waarop het vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">616</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien voor de tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, houdende veroordeling tot vrijheidsstraf of tot de straf van berisping, de veroordeelde krankzinnig is geworden, beveelt het gerecht dat het vonnis heeft uitgesproken, de opschorting van de tenuitvoerlegging.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De opschorting wordt bevolen, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie, hetzij op het verzoekschrift van de advocaat van de veroordeelde.Ten aanzien van de advocaat gelden de bepalingen van de Tweede Titel van het Tweede Boek.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Na het herstel wordt het bevel tot opschorting door hetzelfde gerecht, op vordering van het openbaar ministerie, ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">617</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien, ondanks de krankzinnigheid van de veroordeelde, de tenuitvoerlegging van andere dan bij artikel 616 bedoelde straffen mogelijk is, wordt de curator op de gewone wijze tot voldoening aan het vonnis uitgenodigd. Zo de veroordeelde nog geen curator heeft, wordt deze zo nodig te dien einde op de vordering van het openbaar ministerie benoemd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ten aanzien van de vervangende straf is artikel 616 van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Tenuitvoerlegging van bevelen tot vrijheidsontneming en veroordelende vonnissen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">618</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De last tot tenuitvoerlegging van een bevel tot vrijheidsontneming of veroordelend vonnis behelst een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de te vatten persoon, een opgave van de beslissing of het bevel waarop de aanduiding steunt, en een vermelding van de plaats waarheen de aangehoudene moet worden overgebracht, of van de rechter of ambtenaar voor wie hij moet worden geleid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de last dit uitdrukkelijk bepaalt, kan de te vatten persoon, voor zover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten, buiten het rechtsgebied van de Nederlandse Antillen worden aangehouden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid geldt niet, wanneer de last betrekking heeft op een bevel tot medebrenging van een verdachte, getuige, deskundige of tolk.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Hij die overeenkomstig de last een persoon heeft aangehouden, geleidt deze onverwijld naar de plaats of voor de rechter of ambtenaar, in de last vermeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Geschiedt de aanhouding buiten het rechtsgebied van de Nederlandse Antillen, dan zijn de artikelen 522, 534 en 535 van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">619</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de aangehoudene beweert niet te zijn de persoon tegen wie de last is gericht, zal hij, indien hij krachtens artikel 618 naar een andere plaats moet worden overgebracht, tevoren in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord door de rechter in eerste aanleg.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is hij aangehouden buiten het rechtsgebied van de Nederlandse Antillen, dan geeft hij, die de aanhouding heeft verricht, onverwijld en op de snelst mogelijke wijze van die bewering van de aangehoudene kennis aan het openbaar ministerie.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">620</nr></kop><al>De met de tenuitvoerlegging belaste ambtenaar kan ter aanhouding van de te vatten persoon elke plaats betreden. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing. Geschiedt de aanhouding echter buiten het rechtsgebied van de Nederlandse Antillen, dan is artikel 539 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">621</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De opneming van een persoon tegen wie een bevel tot vrijheidsontneming of veroordelend vonnis wordt ten uitvoer gelegd, in de daartoe bestemde gevangenis of andere inrichting, geschiedt hetzij op vertoon van het bevel tot voorlopige hechtenis of inverzekeringstelling, of wel van het veroordelend vonnis of een uittreksel daarvan, hetzij op vertoon van de last tot tenuitvoerlegging van het openbaar ministerie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In het laatste geval doet de ambtenaar, die de last heeft gegeven, het bevel tot voorlopige hechtenis of inverzekeringstelling of, in geval van tenuitvoerlegging van vrijheidsstraf, het veroordelend vonnis of een uittreksel daarvan ten spoedigste toekomen aan het hoofd van de inrichting.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In geval van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, opgelegd bij een mondeling vonnis, geschiedt de in het eerste lid bedoelde opneming op vertoon van:</al><lijst><li nr="a."><al>hetzij het proces-verbaal van de terechtzitting, dan wel een afschrift daarvan of uittreksel daaruit;</al></li><li nr="b."><al>hetzij de last tot tenuitvoerlegging van het openbaar ministerie, dan wel een afschrift daarvan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>In het geval, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, doet de ambtenaar die de last heeft gegeven, het proces-verbaal van de terechtzitting, dan wel een afschrift daarvan of uittreksel daaruit, houdende aantekening van het mondelinge vonnis, ten spoedigste toekomen aan het hoofd van de inrichting.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">622</nr></kop><al>Het hoofd van de gevangenis of andere inrichting, waarin de straf van vrijheidsontneming wordt ten uitvoer gelegd, is verplicht een register te houden volgens een door de Minister van Justitie vast te stellen model.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">623</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In het register worden bij de opneming van een persoon tegen wie een bevel tot vrijheidsontneming of een veroordelend vonnis wordt ten uitvoer gelegd, diens naam, voornaam, beroep, geboorteplaats en woon- of verblijfplaats ingeschreven. Indien het een of ander onbekend is, wordt daarvan melding gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De inschrijving wijst verder aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de rechter of de ambtenaar, wiens beslissing wordt ten uitvoer gelegd;</al></li><li nr="-"><al>de dagtekening van die beslissing; de dag en het uur, waarop de opneming geschiedt, en zo mogelijk het ogenblik waarop de vrijheidsontneming is aangevangen;</al></li><li nr="-"><al>bij veroordeling, de duur van de straf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De inschrijving wordt mede ondertekend door de ambtenaar, die het bevel of vonnis ten uitvoer legt. Deze ontvangt van het hoofd van de inrichting de schriftelijke verklaring dat de opneming heeft plaatsgehad, welke verklaring hij overlegt aan de ambtenaar op wiens last de tenuitvoerlegging is geschied.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">624</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In het bovengemeld register wordt ter zijde van de inschrijving aangetekend de dag en het uur waarop het verblijf van de gevangene of verpleegde in de inrichting ophoudt, met vermelding van de beslissing krachtens welke, of van enige andere oorzaak ten gevolge waarvan dit plaatsheeft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het hoofd van de inrichting ondertekent de inschrijving alsmede de aantekeningen in dit artikel bedoeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">625</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De invrijheidstelling geschiedt door het hoofd van de inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>op de laatste dag van de straftijd, indien de duur van de straf niet meer is dan drie dagen;</al></li><li nr="b."><al>op de laatste dag van de straftijd die geen zondag of algemeen erkende feestdag is, indien de duur van de straf meer dan drie dagen en minder dan twee maanden is;</al></li><li nr="c."><al>in andere gevallen van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, op de laatste dag van de straftijd die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is;</al></li><li nr="d."><al>zodra de geldigheid van het bevel tot vrijheidsontneming ophoudt;</al></li><li nr="e."><al>zodra het bevoegd gezag de last tot invrijheidstelling aan het hoofd van de inrichting heeft verstrekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De invrijheidstelling vindt in geen geval plaats na het ogenblik waarop de straftijd verstrijkt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de invrijheidstelling ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdelen a, b of c, geschiedt alvorens de straftijd geheel is verstreken, vervalt het recht van tenuitvoerlegging voor het nog resterende gedeelte van de straf.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt, in gevallen waarin ten aanzien van een gedeelte van de straf een bevel als bedoeld in artikel 17a van het Wetboek van Strafrecht is gegeven, met dat gedeelte alleen rekening gehouden, voor zover de tenuitvoerlegging daarvan door de rechter is gelast.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">626</nr></kop><al>Indien de veroordeelde meer dan een straf achtereenvolgens moet ondergaan, worden zij voor de toepassing van artikel 625, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b of c, als één straf aangemerkt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">627</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het Hof van Justitie waakt voor de nakoming van de voorschriften van de artikelen 621 tot en met 625 en doet te dien einde de gevangenis en andere inrichtingen door een of meer leden op onbepaalde tijden, doch tenminste tweemaal 's jaars, bezoeken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Van de bevindingen wordt telkenmale schriftelijk verslag gedaan aan de Minister van Justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De officieren van justitie zijn verplicht tot het bezoeken en het doen van verslag op de voet als in het eerste en tweede lid is vermeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">628</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De tenuitvoerlegging van vonnissen, houdende veroordeling tot geldboete, geschiedt door het openbaar ministerie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de plaats van betaling van geldboeten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">629</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij gebreke van volledige betaling binnen de ingevolge artikel 615 bepaalde termijn wordt het verschuldigde bedrag, na voorafgaande schriftelijke waarschuwing, op de goederen van de veroordeelde verhaald. In verband met het verhaal kan woonplaats worden gekozen ten parkette van het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging is belast.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het met de tenuitvoerlegging belaste openbaar ministerie kan van het nemen van verhaal afzien.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Is volledig verhaal onmogelijk gebleken of daarvan met toepassing van het tweede lid afgezien, dan wordt, na voorafgaande schriftelijke waarschuwing, de vervangende vrijheidsstraf ten uitvoer gelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Tenzij de veroordeelde binnen de Nederlandse Antillen geen bekende woon- of verblijfplaats heeft, wordt tot tenuitvoerlegging van vervangende vrijheidsstraf niet overgegaan dan nadat veertien dagen zijn verstreken sedert de dag waarop de in het derde lid bedoelde waarschuwing aan hem is verzonden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">629a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op voorwerpen en vorderingen, inbeslaggenomen op grond van artikel 119a, geschiedt het verhaal op de wijze voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de Nederlandse Antillen krachtens de onherroepelijke einduitspraak waarbij de geldboete is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De einduitspraak, bedoeld in het eerste lid, geldt als executoriale titel. Betekening van deze titel aan de veroordeelde en, zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze, kan plaatsvinden door betekening van een kennisgeving inhoudende de bij de einduitspraak opgelegde straf, voor zover voor het nemen van verhaal van belang.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Ten aanzien van derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op de inbeslaggenomen voorwerpen en vorderingen zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de Nederlandse Antillen van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">630</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op voorwerpen en vorderingen van de veroordeelde die niet op grond van artikel 119a in beslag zijn genomen geschiedt verhaal krachtens een dwangbevel medebrengende het recht om die goederen zonder vonnis aan te tasten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het dwangbevel wordt in naam des Konings uitgevaardigd door het openbaar ministerie. Het wordt ten uitvoer gelegd als een vonnis van de burgerlijke rechter.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan niet worden geschorst dan door een verzet, dat evenwel nimmer gericht zal kunnen zijn tegen het vonnis waarbij de geldboete werd opgelegd.Verzet wordt gedaan bij een met redenen omkleed bezwaarschrift, dat voor de verkoop en uiterlijk binnen zeven dagen te rekenen van de dag van de inbeslagneming, wordt ingediend bij het gerecht waartoe de rechter behoort, die de straf heeft opgelegd. Het gerecht geeft binnen zeven dagen, na zo nodig de veroordeelde en de ambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd, te hebben gehoord, althans daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen om te verschijnen, zijn met redenen omklede beschikking, die onverwijld aan de veroordeelde wordt betekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Ten aanzien van derden, die bij een inbeslagneming van goederen daarop geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben, zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">631</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Verhaal kan zonder dwangbevel worden genomen op:</al><lijst><li nr="a."><al>inkomsten in geld uit arbeid van de veroordeelde;</al></li><li nr="b."><al>pensioenen, wachtgelden en andere periodieke uitkeringen waarop de veroordeelde aanspraak heeft;</al></li><li nr="c."><al>het tegoed van een rekening bij een bank- of giro- instelling waarover de veroordeelde ten eigen bate vermag te beschikken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Verhaal met toepassing van het eerste lid geschiedt door middel van een schriftelijke kennisgeving van het openbaar ministerie. De kennisgeving bevat een voor de uitoefening van het verhaal voldoende aanduiding van de persoon van de veroordeelde, en vermeldt welk bedrag uit hoofde van de veroordeling nog verschuldigd is, bij welke rechterlijke uitspraak de geldboete is opgelegd, alsmede de plaats waar de betaling moet geschieden. Zij wordt betekend aan de veroordeelde en aan degene onder wie het verhaal wordt genomen. De artikelen 517 tot en met 520 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Door de betekening van de kennisgeving is degene onder wie het verhaal wordt genomen, verplicht tot betaling aan 's Lands kas van het in de kennisgeving bedoelde bedrag voor zover de veroordeelde op hem een opeisbare vordering heeft of verkrijgt. Het openbaar ministerie bepaalt de termijn waarbinnen de betaling moet geschieden. De verplichting tot betaling vervalt, zodra het uit hoofde van de veroordeling verschuldigde bedrag is betaald of verhaald en uiterlijk wanneer twee jaren na de dag van betekening zijn verstreken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Degene onder wie het verhaal wordt genomen, kan zich niet ten nadele van 's Lands kas beroepen op het tenietgaan of de vermindering van zijn schuld aan de veroordeelde door betaling of door verrekening met een tegenvordering, die na de betekening aan hem is opgekomen of opeisbaar is geworden. Voor de toepassing van de artikelen 617 en 618 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 29 van het Faillissementsbesluit 1931 wordt het verhaal met beslag onder derden gelijkgesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien verhaal is genomen op een periodieke uitkering, die ingevolge enig wettelijk voorschrift niet vatbaar is voor beslag, kan telkens ten hoogste een vijfde gedeelte van de uitkering tot betaling van het uit hoofde van de veroordeling verschuldigde bedrag worden bestemd. Overigens strekt het verhaal zich niet uit tot gelden, waarvan bij wettelijke regeling bepaald is dat zij niet voor inbeslagneming vatbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Iedere belanghebbende kan zich binnen zeven dagen na de betekening van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde kennisgeving bij met redenen omkleed bezwaarschrift verzetten tegen het verhaal. Artikel 630, derde lid, is op dit verzet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>Een ieder, behoudens de veroordeelde, is verplicht desgevorderd aan het openbaar ministerie de inlichtingen te verstrekken, die naar het redelijk oordeel van het openbaar ministerie noodzakelijk zijn ten behoeve van de toepassing van het eerste lid van dit artikel. De artikelen 251 en 252 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">632</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien niet in beslag genomen voorwerpen verbeurd zijn verklaard, dan wel openbaarmaking van de uitspraak op kosten van de veroordeelde is bevolen, vinden de artikelen 615, tweede, derde en vierde lid, en 628 overeenkomstig toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Wanneer binnen de daarvoor bepaalde termijn noch uitlevering van de voorwerpen, noch betaling van de geschatte waarde plaatsheeft, dan wel de kosten van openbaarmaking niet worden betaald, vinden de artikelen 629 tot en met 631 overeenkomstig toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">633</nr></kop><al>Verbeurdverklaring van vorderingen wordt ten uitvoer gelegd door betekening van de uitspraak aan de schuldenaar.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">634</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de maatregel bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd, vinden de artikelen 615, tweede en derde lid, 628 tot en met 631 overeenkomstig toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op de vordering van het openbaar ministerie, of op het schriftelijke verzoek van de veroordeelde of van een benadeelde derde, kan de rechter die de in het eerste lid genoemde maatregel heeft opgelegd, het daarin vastgestelde bedrag en de bevolen vervangende hechtenis verminderen of kwijtschelden. Is het bedrag reeds betaald of verhaald dan kan de rechter bevelen dat het geheel of gedeeltelijk zal worden teruggegeven of aan een door hem aangewezen derde uitgekeerd. Het bevel laat ieders recht op het teruggegeven of uitgekeerde bedrag onverlet.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wanneer blijkt dat een hoger bedrag is vastgesteld dan de som van het werkelijke voordeel, geeft de rechter een beschikking strekkende tot vermindering of teruggave, ten minste gelijk aan het verschil.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Tot vermindering of kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden besloten op grond van omstandigheden die zich na de uitspraak hebben voorgedaan, of die ten tijde daarvan niet, of niet volledig, aan de rechter bekend waren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De rechter beslist, het openbaar ministerie gehoord, na verhoor of behoorlijke oproeping van de veroordeelde en, zo deze het verzoek heeft gedaan, de benadeelde derde.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De vordering en het verzoek, bedoeld in het tweede lid, kunnen niet meer worden gedaan nadat drie jaren zijn verstreken sedert de dag waarop het bedrag, of het laatste gedeelte daarvan, is betaald of verhaald.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>De rechter kan ambtshalve bevelen dat de maatregel, hangende zijn beslissing, niet ten uitvoer zal worden gelegd. Het bevel wordt onverwijld ter kennis gebracht van het openbaar ministerie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">8.</lidnr><al>De beschikking wordt aan de veroordeelde en, zo zij op verzoek van een derde is gewezen, ook aan deze betekend. Zij is niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">635</nr></kop><al>Indien het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht voorwaarden stelt ter voorkoming van de strafvervolging, bepaalt het daarbij de termijn waarbinnen aan die voorwaarden moet zijn voldaan, en zo nodig tevens de plaats waar dat moet geschieden. De gestelde termijn kan worden verlengd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">635a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de officier van justitie overeenkomstig artikel 503b een schikking met de verdachte of veroordeelde aangaat, bepaalt hij de termijn waarbinnen aan de termen van die schikking moet worden voldaan.Tot dat tijdstip is de termijn waarbinnen ingevolge artikel 503a, eerste lid, een vordering aanhangig moet zijn gemaakt geschorst. Door voldoening aan die termen vervalt het recht tot indiening van de vordering of is, indien die vordering reeds is ingediend, de zaak van rechtswege geëindigd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Wanneer na voldoening aan die termen, bedoeld in het eerste lid, blijkt van omstandigheden die de toepasselijkheid van de maatregel bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van strafrecht van de Nederlandse Antillen zouden hebben uitgesloten, kan de gewezen verdachte of veroordeelde de officier van justitie verzoeken om teruggave van betaalde geldbedragen of overgedragen voorwerpen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Binnen veertien dagen nadat de gewezen verdachte of veroordeelde kennis heeft gekregen van de beslissing op een overeenkomstig het tweede lid gedaan verzoek, kan hij schriftelijk beklag doen bij het gerecht waarbij de officier van justitie is geplaatst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het beklag kan ook worden gedaan wanneer dertig dagen zijn verstreken sedert de indiening van het verzoek en inmiddels daarop niet is beslist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Acht het gerecht het beklag gegrond, dan beveelt het de teruggave van betaalde geldbedragen of overgedragen voorwerpen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">636</nr></kop><al>Indien iemand die tot het ondergaan van straf is aangehouden, blijft ontkennen de veroordeelde te zijn, of indien daaromtrent niettegenstaande erkentenis twijfel blijft bestaan, beslist de rechter die in eerste aanleg van het strafbare feit heeft kennisgenomen, of hij al dan niet de veroordeelde is.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">637</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tot het onderzoek wordt, op de vordering van het openbaar ministerie, in een door de rechter te bepalen terechtzitting met de meeste spoed overgegaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het openbaar ministerie doet de aangehoudene, de getuigen die van zijnentwege zullen worden verhoord en die waarop de aangehoudene zich beroept, dagvaarden. Het tweede lid van artikel 287 vindt met betrekking tot al deze getuigen overeenkomstig toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien het openbaar ministerie weigert een getuige te dagvaarden, kan de rechter op het verzoek van de aangehoudene, de dagvaarding bevelen. Het tweede tot en met vijfde lid van artikel 289 vinden in het laatste geval overeenkomstig toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Indien de zaak bij de rechter in eerste aanleg is aangebracht, wordt de aangehoudene door de rechter een raadsman toegevoegd. Ten aanzien van de raadsman gelden de bepalingen van de Tweede Titel van het Tweede Boek.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">638</nr></kop><al>Het onderzoek en de beslissing geschieden overeenkomstig de bepalingen van de Vierde Titel van het Vijfde Boek. Artikel 424 vindt overeenkomstig toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">639</nr></kop><al>Indien de rechter de identiteit niet aanneemt, gelast hij de invrijheidstelling. In het andere geval wordt de tenuitvoerlegging geacht te zijn aangevangen op het ogenblik van de vrijheidsontneming.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">640</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De vonnissen houdende beslissingen omtrent de identiteit, zijn vatbaar voor zodanig beroep als tegen de vonnissen waarbij over het strafbare feit uitspraak werd gedaan, openstond.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het beroep wordt naar de gewone regelen ingesteld en behandeld. Het onderzoek en de beslissing geschieden overeenkomstig de Vierde Titel van het Vijfde Boek.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">641</nr></kop><al>Ten aanzien van personen die tot het ondergaan van enige maatregel zijn aangehouden, vindt deze afdeling overeenkomstig toepassing, met dien verstande, dat, indien de identiteit wordt aangenomen, tot toepassing van de maatregel wordt overgegaan.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIJFDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Wijze van kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">642</nr></kop><al>De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen, als in dit wetboek en het Wetboek van Strafrecht voorzien, geschiedt, tenzij bij wettelijke regeling anders is bepaald of toegelaten, door toezending van een gewone of aangetekende brief over de post.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">643</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Betekening van gerechtelijke mededelingen vindt alleen plaats in de gevallen bij wettelijke regeling bepaald.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Dagvaardingen en aanzeggingen die aan het openbaar ministerie zijn opgedragen, worden steeds betekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In alle gevallen waarin een gerechtelijke mededeling moet worden betekend, geschiedt de betekening door uitreiking van een gerechtelijk schrijven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De uitreiking van het gerechtelijk schrijven, als bedoeld in het derde lid, wordt door het openbaar ministerie opgedragen aan een deurwaarder of ambtenaar van politie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Ingeval de met de betekening belaste ambtenaar noch de verdachte, noch een van diens huisgenoten aan zijn woon- of verblijfplaats aantreft, zal hij een afschrift van het gerechtelijk schrijven terstond terhandstellen aan de officier van justitie bij het gerecht in eerste aanleg waar de rechter waarvoor gedagvaard wordt, zitting houdt. De officier van justitie zal het oorspronkelijk schrijven voor gezien tekenen en het afschrift zo mogelijk aan de verdachte doen toekomen, zonder dat van ontvangst door deze in rechte zal behoeven te blijken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Indien de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats in de Nederlandse Antillen heeft, geschiedt de betekening van het gerechtelijk schrijven door middel van aanplakking van het afschrift aan het gebouw, waar de rechter waarvoor gedagvaard wordt, zitting houdt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>Bij bekende verblijfplaats van de verdachte in het buitenland wordt het gerechtelijk schrijven door tussenkomst van de procureur-generaal aan zijn ambtgenoot in het andere land ter betekening verzonden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">644</nr></kop><al>De uitreiking geschiedt:</al><lijst><li nr="a."><al>aan hen die in de Nederlandse Antillen in verband met de strafzaak waarop het uit te reiken stuk betrekking heeft, rechtens hun vrijheid is ontnomen: in persoon;</al></li><li nr="b."><al>aan alle anderen: in persoon of, indien betekening in persoon niet is vereist en het stuk wordt aangeboden in de Nederlandse Antillen aan hun woon- of verblijfplaats en zij daar niet worden aangetroffen, aan degene die zich in het huis bevindt en die zich bereid verklaart om het stuk onverwijld aan hem voor wie het bestemd is te doen toekomen. Onder woon- of verblijfplaats wordt mede begrepen het adres waarop de persoon voor wie het schrijven bestemd is op de dag van aanbieding stond ingeschreven in het bevolkingsregister.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">645</nr></kop><al>In het belang van een goede uitvoering van de artikelen 642, 643 en 644 kunnen bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nadere voorschriften worden gegeven.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">646</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Van iedere uitreiking, als bedoeld in artikel 643, wordt een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de autoriteit van welke het gerechtelijk schrijven uitgaat;</al></li><li nr="b."><al>het nummer van het schrijven;</al></li><li nr="c."><al>de persoon voor wie het schrijven bestemd is;</al></li><li nr="d."><al>de persoon aan wie het is uitgereikt;</al></li><li nr="e."><al>de ambtenaar die het heeft uitgereikt;</al></li><li nr="f."><al>de plaats van uitreiking;</al></li><li nr="g."><al>de dag en het uur van uitreiking;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De akte wordt door hen die met de uitreiking zijn belast, ieder voor zover het zijn bevindingen en handelingen betreft, ter plaatse van die bevindingen en handelingen in persoon opgemaakt op de eed afgelegd bij de aanvaarding van hun bediening en terstond ondertekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het model van de akte wordt vastgesteld door het openbaar ministerie. Dit kan nadere voorschriften geven in het belang van een goede uitvoering van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">647</nr></kop><al>1.De betekening is nietig, indien de uitreiking niet heeft plaatsgehad overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 643, 644 en 646. 2. De nietigheid wordt gedekt door vrijwillige verschijning ter zitting van degene voor wie het schrijven bestemd was.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">II</nr><titel status="officieel">Kosten</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">648</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen wordt uit 's Lands kas een vergoeding toegekend voor de kosten, die ingevolge het bij en krachtens Tarief justitiekosten strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen, voor zover de aanwending van die kosten het belang van het onderzoek heeft gediend of door de intrekking van dagvaardingen of rechtsmiddelen door het openbaar ministerie nutteloos is geworden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bedrag van de vergoeding wordt op verzoek van de gewezen verdachte of zijn erfgenamen vastgesteld. Het verzoek moet worden ingediend binnen drie maanden na het eindigen van de zaak bij de president van het Hof van Justitie. Deze kan een van de rechters die over de zaak hebben gezeten, tot de vaststelling van de vergoeding aanwijzen. De rechter geeft voor het bedrag van de vergoeding een bevelschrift van tenuitvoerlegging af.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Degenen, die het verzoek hebben ingediend, kunnen worden gehoord. Indien zij dit verlangen, worden zij gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Uitbetaling geschiedt door of vanwege de Minister van Financiën.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Een en ander vindt overeenkomstige toepassing op rechtsgedingen tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen en op de behandeling van klaagschriften, als bedoeld in de artikelen 150 tot en met 151.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">649</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, maar niet indien de gewezen verdachte is schuldig verklaard zonder oplegging van enige straf of maatregel, wordt aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit 's Lands kas een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens Tarief justitiekosten strafzaken bepaalde.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, maar niet indien de gewezen verdachte is schuldig verklaard zonder oplegging van enige straf of maatregel, kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit 's Lands kas een vergoeding worden toegekend voor de schade, die hij ten gevolge van hem niet toe te rekenen tijdverzuim door het voorbereidend vooronderzoek en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de verzekering en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan voorts worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing voor ouders van een minderjarige verdachte, die zijn opgeroepen ingevolge artikel 489, eerste lid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De artikelen 178, vijfde lid, en 648 tweede tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien de gewezen verdachte na het indienen van zijn verzoek overleden is, geschiedt de toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">650</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De kosten van uitlevering of overbrenging van voorwerpen ingevolge een bevel van de rechter-commissaris of van de officier van justitie worden door de rechter-commissaris dan wel de officier van justitie begroot en aan de betrokken persoon uit 's Lands kas vergoed.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris of de officier van justitie geeft daarvoor een bevelschrift van tenuitvoerlegging af.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Artikel 648, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">651</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De datum van inwerkingtreding van deze landsverordening wordt vastgesteld in een landsverordening, waarin tevens het invoerings- en overgangsrecht van de onderhavige landsverordening worden geregeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Deze landsverordening kan worden aangehaald als Wetboek van Strafvordering.</al></lid></artikel></hoofdstuk></deel></regeling-tekst><bijlage status="goed"><kop><titel status="officieel">INHOUDSOPGAVE</titel></kop><table><tgroup cols="3" char="" charoff="50" align="left"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="34*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="33*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="33*"></colspec><tbody valign="top"><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE BOEK: STRAFVORDERING IN HET ALGEMEEN</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL I</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>1 - 8</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL II</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Legaliteitsbeginsel.</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL III</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Het openbaar ministerie en de bevoegdheid van de rechter</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>10 - 14</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IV</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Rechterlijk bevel tot vervolging of verdere vervolging van strafbare</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>feiten.</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>15 - 29</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL V</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Schorsing van de vervolging</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>30 - 37</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VI</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Behandeling door de raadkamer</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>38 - 42</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VII</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Rechterlijke voorzieningen bij dringende noodzaak</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>43</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VIII</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemeen voorschrift met betrekking tot rechterlijke beslissingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>44</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IX</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Geheimhouding</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>45</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL X</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Beëdiging</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>46</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE BOEK: DE VERDACHTE EN ZIJN RAADSMAN </al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL I</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>De verdachte</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>47 - 56</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Begripsomschrijving</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>47</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Rechtskundige bijstand</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>48 - 49</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Zwijgrecht</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Kennisneming van processtukken</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>51 - 54</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIJFDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Behandeling binnen een redelijke termijn</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>55 - 56</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL II</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>De raadsman.</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>57 - 70</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>57 - 58</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Keuze van de raadsman</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>59 - 60</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Toevoeging van een raadsman</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>61 - 69</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§ 1. Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>61 - 64</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§ 2. Vervanging van de toegevoegde raadsman.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>65 - 66</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§ 3. Beroep inzake toevoeging</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>67</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§ 4. Kennisgeving van de toevoeging</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>68</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§ 5. Beloning en vergoeding van kosten</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>69</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Bevoegdheden van de raadsman betreffende het verkeer met de verdachte en de kennisneming van processtukken</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>70</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE BOEK: ENIGE BIJZONDERE DWANGMIDDELEN</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL I</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>71</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL II</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Staandehouding en aanhouding</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>72 - 75</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL III</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Betreden van plaatsen ter aanhouding</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>76 - 77</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IV</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Onderzoek aan lichaam en kleding</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>78 – 79d</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL V</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Ophouding voor verhoor</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>80 - 81</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VI</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Mededeling van rechten bij ophouding voor verhoor</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>82</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VII</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Inverzekeringstelling</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>83 - 91</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VIII</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Voorlopige hechtenis</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>92 - 118</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Bewaring</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>92 - 94</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Gevangenhouding en gevangenneming</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>95 -99</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Gevallen waarin voorlopige hechtenis is toegestaan</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>100</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Gronden voor voorlopige hechtenis</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>101</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIJFDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Tenuitvoerlegging en opheffing van bevelen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>tot voorlopige hechtenis</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>102 - 103</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ZESDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Hoger beroep inzake bevelen tot voorlopige hechtenis</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>104</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ZEVENDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Voorlopige hechtenis bij einduitspraken</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>105 - 108</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ACHTSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Het horen van de in voorlopige hechtenis</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>gestelde verdachte</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>109</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>NEGENDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Inhoud van de bevelen en hun betekening</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>110</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TIENDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Schorsing en opschorting van de voorlopige hechtenis</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>111 - 118</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IX</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Inbeslagneming</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>119 - 154</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>119 – 119d</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Inbeslagneming door opsporingsambtenaren</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>of bijzondere personen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>120 - 129</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING A</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>De inbeslagneming op grond van artikel 119a</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>129a</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Inbeslagneming door de rechtercommissaris</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>130 - 140</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>141 - 143</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIJFDE AFDELING </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>144 – 145a</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ZESDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Vervallen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ZEVENDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Beklag over inbeslagneming</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>150 - 154</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL X</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Binnentreden in woningen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>155 - 163</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL XI</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Betreden van enkele bijzondere plaatsen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>164</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL XII</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Handhaving van de orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>165</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL XIII</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Maatregelen ter gelegenheid van een schouw of een huiszoeking</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>166</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL XIV</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Aftappen van gegevensverkeer</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>167 - 174</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL XV</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Opneming ter observatie</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>175 - 177</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL XVI</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Strafrechtelijk financieel onderzoek</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>177a – 177g</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL XVII</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Schadevergoeding wegens toepassing van dwangmiddelen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>178 - 182</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE BOEK: OPSPORINGSONDERZOEK, GERECHTELIJK VOORONDERZOEK EN DAARNA TE NEMEN BESLISSINGEN</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL I</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Het opsporingsonderzoek</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>183 - 209</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>De ambtenaren</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>183 - 197</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Aangiften en klachten</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>198 - 205</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Opgave als benadeelde partij</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>206</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Beslissing omtrent al dan niet vervolgen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>207 - 209</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL II</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>210 - 220</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Benoeming en ontslag</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>210 - 212</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Verrichtingen van de rechter-commissaris in het algemeen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>213 - 220</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL III</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Gang van het gerechtelijk vooronderzoek</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>221 - 274</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>De vordering van de officier van justitie</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>221 - 225</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Instellen van het gerechtelijk vooronderzoek</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>226 - 235</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Het verhoor van de verdachte</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>236 - 242</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Het verhoor van de getuige</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>243 - 260</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIJFDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Bedreigde getuigen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>261</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ZESDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Deskundigen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>262 - 271</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ZEVENDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>272 - 274</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IV</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Beslissingen omtrent al dan niet verdere vervolging</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>275 - 283</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>VIJFDE BOEK: DE TERECHTZITTING</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL I</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>284 - 292</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL II</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Bezwaarschrift tegen de dagvaarding</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>293 - 298</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL III</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>299 - 301</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IV</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Behandeling ter terechtzitting</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>302 - 413</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemene bepaling</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>302</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Onderzoek van de zaak op de terechtzitting</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>303 - 373</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Benadeelde partij</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>374 - 380</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Bewijs</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>381 - 387</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIJFDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Beraadslaging en uitspraak</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>388 - 411</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ZESDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Zaken ad informandum</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>412</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ZEVENDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Gevolgen van normschendingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>413</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL V</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Berechting van overtredingen in eerste aanleg</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>414 - 428</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>ZESDE BOEK: RECHTSMIDDELEN </al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>A. Gewone Rechtsmiddelen</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL I</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Verzet tegen einduitspraken</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>429 - 433</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL II</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Hoger beroep van vonnissen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>434 - 440</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL III</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Hoger beroep van beschikkingen: Bezwaarschriften</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>441 - 444</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IV</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Aanwenden van gewone rechtsmiddelen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>445 - 449</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL V</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Intrekking en afstand van gewone rechtsmiddelen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>450 - 452</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>B. Buitengewoon rechtsmiddel</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VI</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Herziening van vonnissen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>453 - 475</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>ZEVENDE BOEK: ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL I</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Strafvordering ter zake van ambtsmisdrijven</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>476</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL II</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Strafvordering in zaken betreffende jeugdige personen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>477 - 478</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>477 - 478</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Strafvordering in zaken betreffende personen, die</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen is</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>aangevangen, de leeftijd van achttien jaren nog</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>niet hebben bereikt</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>479 - 498</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL III</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Berechting van verdachten, bij wie tijdens het begaan van het</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van de</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>geestvermogens bestond</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>499 - 503</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IIIa</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>verkregen voordeel</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>503a – 503g</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IV</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Verschoning en wraking van rechters</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>504 - 515</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL V</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Vervolging en berechting van rechtspersonen en andere</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Samenwerkingsverbanden</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>516 - 520</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VI</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Strafvordering buiten het rechtsgebied van de Nederlandse Antillen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>521 - 544</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>521 - 526</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Toepassing van enige bijzondere dwangmiddelen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>527 - 540</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Verplichting van de schipper</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>541 - 544</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VII</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Rechterlijke bevelen tot handhaving van de openbare orde</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>545 - 554</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VIII</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Internationale rechtshulp</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>555 - 567</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>555 - 565</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Feiten begaan aan boord van luchtvaartuigen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>566 - 567</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IX</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>568 - 604</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>568 – 574</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>A.Voorlopige maatregelen tot vrijheidsontneming</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>575 - 579</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>B.Inbeslagneming</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>579a – 579f</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Procedure</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>580 - 593</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§1.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Behandeling van buitenlandse verzoeken tot tenuitvoerlegging</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>580 - 581</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§2.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Behandeling van Nederlands-Antilliaanse verzoeken tot ten uitvoer legging in de Nederlandse Antillen van in een vreemde staat opgelegde</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>sancties</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>582</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§3.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Gerechtelijke procedure</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>583 - 592</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§4.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Buitengerechtelijke procedure</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Geldboeten</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>592a – 592d</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Onmiddellijke tenuitvoerlegging</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>593</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Overdracht van de tenuitvoerlegging van</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Nederlands-Antilliaanse rechterlijke beslissingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>594 - 600</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§1.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Van de Nederlandse Antillen uitgaande verzoeken.</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>594 - 596</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§2.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Tot de Nederlandse Antillen gerichte verzoeken</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>597 - 598</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§3.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Overbrenging</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>599 - 600</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIJFDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Slotbepalingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>601 - 604</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>ACHTSTE BOEK:TENUITVOERLEGGING EN KOSTEN</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL I</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Tenuitvoerlegging</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>605 - 647</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>605 - 608</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Uitvoerbaarheid van beslissingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>609 - 617</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Tenuitvoerlegging van bevelen tot </al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>vrijheidsontneming en veroordelende vonnissen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>618 - 635</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Rechtsgeding tot herkenning van</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>veroordeelden of van andere gevonniste personen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>636 - 641</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIJFDE AFDELING Wijze van kennisgeving van gerechtelijke</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>mededelingen aan natuurlijke personen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>642 - 647</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL II</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Kosten</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>648 - 651</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>