<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR142082_1</dcterms:identifier><dcterms:title>LANDSBESLUIT HOUDENDE ALGEMENE MAATREGELEN van de 14de juli 1958 ter uitvoering van artikel 17, tweede lid, van de Landsloterijverordening 1949 (P.B. 1949, no. 116)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Koninkrijksdeel">Sint Maarten</dcterms:creator><dcterms:modified>2008-11-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Koninkrijksdeel">Sint Maarten</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Koninkrijksdeel">Sint Maarten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">A.B. 2010, GT no. 1 en A.B. 2010, GT no. 30</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reglement voor de Directeur Landsloterij</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Landsloterijverordening 1949, art. 17, tweede lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanKoninkrijksdeel">Gouverneur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>bestendiging Antilliaanse regelgeving in Sint Maarten</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën en economie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling betreft de Landsloterij. Na 10 oktober 2010 is deze regeling een regeling van het land Curaçao geworden omdat de Landsloterij een Curacaose NV is. Omdat de Landsloterij actief is in Sint Maarten met een depothouder in Sint Maarten, is deze regeling ter informatie opgenomen.</al><al>Deze regeling is nog niet aangepast aan de huidige staatkundige situatie.</al><al>Zie www.overheid.nl voor de historie van deze regeling vóór 10-10-10 via uitgebreid zoeken onder v.m. Nederlandse Antillen, met als zoekdatum 09-10-2010.</al><al>Dit landsbesluit vervangt het besluit van de 12de december 1949 (P.B. 1949, No. 138), ter uitvoering van artikel 17, tweede lid, van de Landsloterijverordening 1949 (P.B. 1949, No. 116).</al><al>De oorspronkelijke regeling is in werking getreden met ingang van 22-07-1958, met terugwerkende kracht voor wat betreft art. 3 tot 01-01-1958 en voor wat betreft art. 1, 5, 7, 8 en 9 tot 16-05-1955.</al><al>De datum van inwerkingtreding van de wijzigingsregeling (art 3, 7 en 9) van 12-12-1968 (P.B. 1968, no. 193) is niet bekend.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>LANDSBESLUIT HOUDENDE ALGEMENE MAATREGELEN van de 14de juli 1958 ter uitvoering
            van artikel 17, tweede lid, van de Landsloterijverordening 1949 (P.B. 1949, no.
            116)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Voor de toepassing van dit landsbesluit wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="1.41*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="8.50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>directeur</al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>de directeur van de Landsloterij, bedoeld in artikel 6,
                                            eerste lid, van de Landsloterijverordening 1949 (P.B,
                                            1949, no. 116);</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>raad</al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>de Raad van Toezicht en Advies, bedoeld in artikel 37,
                                            eerste lid, van de Landsloterijverordening 1949;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>ambtenaar</al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>de landsdienaar, die door de Gouverneur in vaste dienst
                                            is benoemd.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in de artikelen 2 tot en met 6, 8, 9, 14 tot en met 26,
                            alsmede 29 tot en met 68, van de Beschikking Richtlijnen Ambtenaren 1948
                            (P.B. 1948, No. 63), onderscheidenlijk de regelen, welke ter vervanging
                            van eerstgenoemde bepalingen voor de ambtenaar worden gesteld, zijn voor
                            de directeur van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De directeur moet de leeftijd van tenminste dertig jaren hebben
                            bereikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De disciplinaire straffen, met uitzondering van het ontslag, worden door
                            de Minister van Financiën opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>De directeur geniet een honorarium gelijk aan de bezoldiging welke is
                        vastgesteld voor ambtenaren in dienst van de Nederlandse Antillen, die een
                        betrekking bekleden, welke voorkomt in bezoldigingsschaal 11 van bijlage A
                        van het Bezoldigingslandsbesluit 1968 (P.B. 1968, no. 175) vermeerderd met
                        het bedrag dat aan kindertoelage zou zijn toegekend indien hij tot ambtenaar
                        in dienst van de Nederlandse Antillen zou zijn aangesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De directeur heeft aanspraak op vrijstelling van dienst en buitengewone
                            vrijstelling van dienst, met behoud van honorarium, in de omstandigheden
                            en overeenkomstig de regelen, welke gelden voor de ambtenaar die niet
                            behoort tot het personeel van het onderwijs, onderscheidenlijk voor die
                            ambtenaar worden gesteld, met inachtneming van het bepaalde in het
                            tweede en derde lid van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vrijstelling van dienst of buitengewone vrijstelling van dienst wordt
                            verleend door de voorzitter van de raad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De directeur kan tegen de weigering of intrekking van een vrijstelling
                            van dienst in beroep komen bij de Minister van Financiën.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De directeur heeft aanspraak op binnenlands verlof, buitenlands verlof
                            en overtocht of vergoeding van overtochtskosten, alsmede kort-verlof,
                            met behoud van een honorarium, in de omstandigheden en overeenkomstig de
                            regelen, welke gelden voor de ambtenaar onderscheidenlijk voor de
                            ambtenaar worden gesteld, met inachtneming van het bepaalde in het
                            tweede lid van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van de in het vorige lid bedoelde regelen treedt de
                            Minister van Financiën in de plaats van de Gouverneur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De directeur heeft, indien hij tengevolge van ongeval of ziekte
                            verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, aanspraak op
                            ziekteverlof en een verlofhonorarium, alsmede op overtocht of vergoeding
                            van overtochtskosten, in de omstandigheden en overeenkomstig de regelen,
                            welke gelden voor de ambtenaar onderscheidenlijk voor de ambtenaar
                            worden gesteld, met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid van
                            dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van de in het vorige lid bedoelde regelen treedt de
                            Minister van Financiën in de plaats van de Gouverneur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De directeur heeft aanspraak op tegemoetkoming in de kosten van
                            geneeskundige behandeling en verpleging in de omstandigheden en
                            overeenkomstig de regelen, welke gelden voor de ambtenaar
                            onderscheidenlijk voor de ambtenaar worden gesteld, met inachtneming van
                            het bepaalde in de artikelen 8 en 16.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval van overlijden van de directeur komen de begrafeniskosten ten
                            laste van het Land in de omstandigheden en overeenkomstig de regelen,
                            welke gelden voor het geval van overlijden van een ambtenaar
                            onderscheidenlijk daarvoor worden gesteld, met inachtneming van het
                            bepaalde in artikel 8.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In geval overlijden van de directeur wordt zijn honorarium doorbetaald
                            tot het einde van de kalendermaand, waarin het overlijden plaats vond.
                            Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de directeur wordt aan de
                            langstlevende echtgenoot een som uitgekeerd, gelijk aan drie maal het
                            bedrag van de maandelijkse inkomsten op het tijdstip van overlijden.
                            Indien de overleden directeur op het tijdstip van overlijden niet in
                            actieve dienst was, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan drie maal
                            hetgeen hij als inkomsten zou hebben genoten, indien hij op de eerste
                            der maand van het overlijden in activiteit was geweest.</al><al>Indien de overleden directeur geen betrekking als bovenbedoeld nalaat,
                            geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige of
                            erkende natuurlijke kinderen van de directeur. Ontbreken ook zodanige
                            kinderen, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner
                            was van ouders, broeders, zusters of meerderjarige kinderen, ten behoeve
                            van deze betrekkingen. Laat de overleden directeur ook geen zodanige
                            betrekkingen na, dan kan het bedoelde bedrag geheel of ten dele worden
                            uitgekeerd voor de betaling van de kosten der laatste ziekte en der
                            begrafenis, zo de nalatenschap van de overledene voor de betaling dier
                            kosten ontoereikend is.</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de directeur wordt aan de
                            langstlevende echtgenoot een geldsbedrag uitgekeerd, ter compensatie van
                            het door de betrokkene niet genoten of gedeeltelijk niet genoten verlof
                            in de zin van het Curaçaos Verlof reglement 1946. Het geldsbedrag is
                            gelijk aan het bedrag dat aan verlofbezoldiging zou zijn uitgekeerd
                            gedurende het verlof, indien het verlof zou zijn genoten. Indien de
                            overleden directeur op het tijdstip van overlijden niet in actieve
                            dienst is, wordt het bedoelde geldsbedrag berekend naar de inkomsten
                            welke de overledene zou hebben genoten, ware hij op de eerste der maand
                            van het overlijden in actieve dienst geweest.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkomingen ingevolge artikel 7 worden door de Minister van
                            Financiën verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verzoeken om verlening van een tegemoetkoming, als bedoeld in het vorige
                            lid, worden door tussenkomst van de raad bij de Minister van Financiën
                            ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>Voor de toepassing van de regelen bedoeld in de artikelen 5 tot en met 7
                        wordt de directeur gelijkgesteld met de ambtenaar aan wiens betrekking een
                        aanvangsbezoldiging is verbonden, waarbij een pensioengrondslag behoort van
                        ƒ 9240,—..</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De directeur heeft in geval van hem opgedragen dienstreizen aanspraak op
                            vrije overtocht of vergoeding van reiskosten en vergoeding voor
                            teerkosten, alsmede op vergoeding voor verhuiskosten binnen de
                            Nederlandse Antillen, in de omstandigheden en overeenkomstig de regelen,
                            welke gelden voor de ambtenaar onderscheidenlijk voor de ambtenaar
                            worden gesteld, met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid van
                            dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van de in het vorige lid bedoelde regelen treedt de
                            Minister van Financiën in de plaats van de Gouverneur en wordt de
                            directeur geacht in de eerste klasse te zijn gerangschikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de directeur in verband met een hem opgedragen dienstreis gebruik
                            maakt van een vliegtuig, wordt te zijnen behoeve een verzekering
                            gesloten tegen de risico's voortvloeiend uit de vliegreis tot een
                            verzekerde som van vijfenzeventig duizend gulden, overeenkomstig de
                            regelen, welke gelden voor de ambtenaar onderscheidenlijk voor de
                            ambtenaar worden gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd de bevoegdheden van de raad ingevolge de
                            Landsloterijverordening 1949 geschiedt de toepassing van de bepalingen
                            en regelen, bedoeld in de artikelen 2, 5, 6, 7 en 10, zoveel mogelijk
                            nadat de raad is gehoord.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad kan met betrekking tot de in het vorige lid bedoelde toepassing
                            voorstellen doen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al>De gewezen directeur heeft aanspraak op een wachtgeld in de omstandigheden
                        en overeenkomstig de regelen, welke gelden voor de gewezen ambtenaar
                        onderscheidenlijk voor de gewezen ambtenaar worden gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><al>De directeur, die niet tevens is ambtenaar in pensioengerechtigde dienst,
                        heeft na "bekomen ontslag aanspraak op een uitkering bij wijze van pensioen
                        in de omstandigheden en overeenkomstig de regelen, welke gelden voor de
                        gewezen landsdienaar in niet-pensioengerechtigde dienst onderscheidenlijk
                        voor die gewezen landsdienaar worden gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit landsbesluit, houdende algemene maatregelen, dat kan worden
                            aangehaald als „Reglement voor de Directeur Landsloterij", treedt in
                            werking met ingang van de dag na die van zijn afkondiging en werkt
                            terug:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van het bepaalde in artikel 3 tot en met 1 januari
                                    1958;</al></li><li nr="b."><al>ten aanzien van het bepaalde in de artikelen 1, 5, 7, 8 en 9 tot
                                    en met 16 mei 1955.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met ingang van de dag na die van de afkondiging, bedoeld in het vorige
                            lid, vervalt het besluit van de 12de december 1949 (P.B. 1949, No. 138),
                            ter uitvoering van artikel 17, tweede lid, van de
                            Landsloterijverordening 1949 (P.B. 1949, No. 116), zoals sindsdien
                            gewijzigd. </al><al>Overgangsbepalingen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al>Indien bij de inwerkingtreding van artikel 2 in de schriftelijke benoeming
                        van de directeur niet is vermeld, dat de benoeming in vaste of tijdelijke
                        dienst is geschied, wordt de directeur geacht in vaste dienst te zijn
                        benoemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><al>Verzoeken om verlening van tegemoetkoming op grond van artikel 7, eerste
                        lid, terzake van onvermijdelijke uitgaven over een of meer driemaandelijkse
                        perioden, liggende tussen 15 mei 1955 en de dag na die van afkondiging,
                        bedoeld in artikel 14, eerste lid, kunnen alsnog binnen een half jaar na de
                        dag na die van voormelde afkondiging overeenkomstig artikel 8, tweede lid,
                        worden ingediend.</al></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>