<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR141209_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verzamelverordening WWB, Ioaw,Ioaz en Bbz 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nieuwsklok 28-12-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verzamelverordening WWB, Ioaw,Ioaz en Bbz 2012elverordening WWB, Ioaw,Ioaz en Bbz 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=art 108 , 147&amp;g=2012-01-01">Onbekend</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=8, 8a&amp;g=2012-01-01"/><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004044&amp;artikel=35&amp;g=2012-01-01"/><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015711&amp;g=2012-01-01"/><dcterms:source resourceIdentifier="">Beleidsaanbeveling subsidiëring arbeidsplaatsen in het kader van re-integratie werkzoekenden</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verzamelverordening WWB, Ioaw,Ioaz en Bbz 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Verzamelverordening WWB, Ioaw, Ioaz en Bbz 2012</vet></al><al>Bij de inwerkingtreding van de eerste versie van deze regeling zijn de </al><al>Afstemmingsverordening WWB, Maatregelverordening IOAW/IOAZ 2010,
                            Toeslagen verordening WWB 2011, verordening re-integratie Wet werk en
                            bijstand 2009, handhavingsverordening 2010, toeslagenverordening WIJ,
                            verordening afstemming WIJ, verordening werkleeraanbod WIJ,
                            vervallen</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>definities</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>de wet: </cursief>Wet werk en bijstand (WWB)
                                            met inbegrip van het Besluit bijstandverlening
                                            zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), IOAW en IOAZ</al></li><li nr="b."><al><cursief>algemene bijstand</cursief>: de bijstand
                                            bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de wet;</al></li><li nr="c."><al><cursief>bijstandsnorm</cursief>: de bijstand bedoeld in
                                            artikel 5, onderdeel c, van de wet.</al></li><li nr="d."><al><cursief>bijzondere bijstand:</cursief> de bijstand
                                            bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de wet;</al></li><li nr="e."><al><cursief>gezinsbijstand</cursief>:De totale
                                            bijstand zoals deze aan de gezinsleden gezamenlijk wordt
                                            toegekend ongeacht de verdeling van de betaling over de
                                            gezinsleden apart.</al></li><li nr="f."><al><cursief>grondslag</cursief>: de uitkeringsnorm zoals
                                            bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ.</al></li><li nr="g."><al><cursief>belanghebbende</cursief>: de alleenstaande,
                                            alleenstaande ouder of het gezin die recht heeft /
                                            hebben op een uitkering dan wel een voorziening in het
                                            kader van de wet.</al></li><li nr="h."><al><cursief>uitkering: </cursief>in de context van deze
                                            verordening wordt onder uitkering verstaan de
                                            bijstandsuitkering of de grondslag IOAW / IOAZ.</al></li><li nr="i."><al><cursief>arbeidsverplichting:</cursief> het naar
                                            vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                            verkrijgen en te aanvaarden, waaronder begrepen
                                            registratie als werkzoekende bij het UWV Werkbedrijf en
                                            waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening
                                            gericht op het verkrijgen van arbeid; </al></li><li nr="j."><al><cursief>re-integratieverplichting</cursief>: de
                                            verplichting om gebruik te maken van een voorziening
                                            gericht op inschakeling in of het verkleinen van de
                                            afstand tot de arbeid waaronder begrepen sociale
                                            activering; het meewerken aan een onderzoek naar de
                                            mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en/ of de
                                            geschiktheid voor scholing/ opleiding </al></li><li nr="k."><al><cursief>Inlichtingenverplichting: </cursief>de
                                            verplichtingom op verzoek of onverwijld uit
                                            eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
                                            omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat
                                            deze van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling
                                            of het recht op bijstand; </al></li><li nr="l."><al><cursief>medewerkingsverplichting: </cursief>de
                                            verplichting ommee te werken aan de
                                            noodzakelijk geachte voorziening, aan een onderzoek naar
                                            het recht op uitkering, waaronder mogelijk een
                                            huisbezoek als ook naar de voortgang van het
                                            re-integratietraject onderdeel van uitmaken.</al></li><li nr="m."><al><cursief>benadelingsbedrag</cursief>: het bedrag dat als
                                            gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een
                                            inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als
                                            uitkering op grond van de wet .</al></li><li nr="n."><al><cursief>recidive:</cursief> het zich binnen twaalf
                                            maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een
                                            maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maken aan
                                            eenzelfde of hiermee vergelijkbare gedraging. </al></li><li nr="o."><al><cursief>maatregel:</cursief> het verlagen van de
                                            bijstand of grondslag op grond van artikel 18 tweede lid
                                            van de WWB resp. 20 lid 2 IOAW/ IOAZ.</al></li><li nr="p."><al><cursief>zeer ernstig misdragen</cursief>: hieronder
                                            valt, maar niet uitsluitend agressief gedrag, verbale of
                                            fysieke bedreigen of vernielingen aan eigendommen van de
                                            gemeente, het UWV, de medewerker of het ingeschakelde
                                            re-integratie- of diagnosebedrijf, rechtstreeks verband
                                            houdende met de uitvoering van de WWB, IOAW/ IOAZ of
                                            Bbz.</al></li><li nr="q."><al><cursief>waarschuwing</cursief>: het officiële besluit
                                            waarin afgezien wordt van het opleggen van een
                                            maatregel, maar wel wordt bevestigd dat er sprake is van
                                            maatregelwaardig gedrag.</al></li><li nr="r."><al><cursief>voorziening</cursief>: een door het college
                                            noodzakelijk geachte voorziening gericht op inschakeling
                                            in de arbeid of zelfstandige maatschappelijke
                                            participatie waaronder begrepen een onderzoek naar de
                                            belastbaarheid en de noodzaak tot inzet van
                                            loondispensatie</al></li><li nr="s."><al><cursief>de doelgroep</cursief>: personen aan wie op
                                            grond van artikel 7 eerste lid onder a van de wet, of op
                                            grond van artikel 34 van de Wet inkomensvoorziening
                                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                                            werknemers (IOAW), of op grond van artikel 34 van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) door de
                                            gemeente ondersteuning kan worden geboden;</al></li><li nr="t."><al><cursief>participatie</cursief>: het naar vermogen
                                            meedoen in de samenleving door het verrichten van
                                            betaald regulier of gesubsidieerd werk en als dit nog
                                            niet mogelijk is door sociale activering.</al></li><li nr="u."><al><cursief>sociale activering</cursief>: het verrichten
                                            van maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                                            (uiteindelijk) inschakeling in de betaalde arbeid of op
                                            maatschappelijke participatie als betaalde arbeid (nog)
                                            niet mogelijk is.</al></li><li nr="v."><al><cursief>loondispensatie</cursief>: de toestemming die
                                            het college geeft aan een werkgever om een werknemer met
                                            een arbeidshandicap minder dan het wettelijk minimumloon
                                            te betalen. Naast het loon ontvangt de werknemer dan een
                                            aanvullende uitkering van de gemeente.</al></li><li nr="w."><al><cursief>mantelzorg</cursief>: langdurige zorg voor meer
                                            dan 10 uur per week die niet in het kader van een
                                            hulpverlenend beroep wordt gegeven aan een
                                            hulpbehoevende door één of meerdere leden van diens
                                            directe omgeving, waarbij de zorgverlening direct
                                            voortvloeit uit de sociale relatie en die de
                                            gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar
                                            overstijgt.</al></li><li nr="x."><al><cursief>trajectplan</cursief>: de met een
                                            belanghebbende gemaakte en vastgelegde afspraken over de
                                            planmatige inzet van een of meer voorzieningen;</al></li><li nr="y."><al><cursief>plan van aanpak</cursief>: de met een jongere
                                            tot 27 jaar gemaakte en vastgelegde afspraken over de
                                            planmatige inzet van een of meer voorzieningen</al></li><li nr="z."><al><cursief>nazorg</cursief>: een voorziening gericht op
                                            het voorkomen van terugval in de uitkering gedurende de
                                            eerste 6 maanden na uitstroom uit de bijstand. </al></li><li nr="aa."><al><cursief>tegenprestatie</cursief>: onbeloonde
                                            maatschappelijk nuttige activiteiten die worden verricht
                                            naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet
                                            leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt, zoals bedoeld
                                            in artikel 9 lid 1 sub c WW. De werkzaamheden hoeven
                                            niet te leiden tot het versterken van het
                                            arbeidsperspectief maar zijn bedoeld als tegenprestatie
                                            voor de ontvangen uitkering;</al></li><li nr="bb."><al><cursief>wachttijd</cursief>: de wachttijd zoals genoemd
                                            in artikel 3, lid 5 van deze verordening.</al></li><li nr="cc."><al><cursief>duurzame arbeidsinschakeling:</cursief>
                                            algemeen geaccepteerde arbeid die over een periode van
                                            ten minste zes maanden wordt verricht en waar geen
                                            voorziening aan verbonden is in de vorm van
                                            loonkostensubsidie of loondispensatie.</al></li><li nr="dd."><al><cursief>UWV-Werkbedrijf</cursief>: onderdeel van het
                                            Uitvoerings Instituut Werknemersverzekeringen waarin de
                                            activiteiten van het Centrum voor Werk en Inkomen en de
                                            re-integratieactiviteiten van het UWV zijn
                                            gebundeld;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor zover niet anders is bepaald worden begrippen in deze
                                    verordening gebruikt in dezelfde betekenis als in de wet.</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.</nr><titel>Re-integratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Opdracht en taak van het college.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt personen behorend tot de doelgroep, die dit
                                    naar het oordeel van het college nodig hebben, ondersteuning bij
                                    arbeidsinschakeling of een voorziening gericht op
                                    arbeidsinschakeling, op (economisch zelfstandige)
                                    participatie.</al></li><li nr="2."><al>Het college zorgt voor een aanbod aan voorzieningen.</al></li><li nr="3."><al>Het college stemt de ondersteuning tot inschakeling in de arbeid
                                    en het bepalen en aanbieden van noodzakelijke voorzieningen af
                                    op de kortste weg naar duurzame arbeidsinschakeling en houdt
                                    hierbij rekening met de mogelijkheden en omstandigheden van de
                                    persoon.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van lid 2 en 3 kan het college besluiten een
                                    tegenprestatie te vragen voor de verstrekte uitkering zonder dat hier de aansluiting op de arbeidsmarkt
                            bij betrokken is. Het college werkt de criteria voor het vragen van de tegenprestatie uit in
                            de beleidsregels. </al></li><li nr="5."><al>Het college werkt bij de uitvoering van de re-integratie samen
                                    met het UWV-Werkbedrijf.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan voor het uitvoeren van zijn zorgplicht tot
                                    inschakeling in de arbeid afspraken maken met derden, waaronder het UWV, werkgevers en
                            re-integratiebedrijven.</al></li><li nr="7."><al>Het college legt het aanbod van een voorziening aan een persoon uit de
                            doelgroep vast in een beschikking danwel een trajectplan of plan van aanpak als bijlage
                            bij een beschikking. </al></li><li nr="8."><al>Het college bevordert de beschikbaarheid en de inzet van flankerende
                            voorzieningen die belemmeringen voor arbeidsinschakeling kunnen opheffen.</al></li><li nr="9."><al>Het college stelt bij het ondersteunen en/of het bepalen en aanbieden
                            van voorzieningen prioriteiten in verband met de financiële mogelijkheden en
                            maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>aanspraak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt ondersteuning krachtens deze verordening aan de
                                persoon die behoort tot de doelgroep en die dit naar het oordeel van
                                het college nodig heeft bij de arbeidsinschakeling of (economisch
                                zelfstandige) maatschappelijke participatie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze ondersteuning kan bestaan uit: a. een door het college
                                noodzakelijk geachte voorziening waaronder ook loondispensatie toe
                                te kennen aan de werkgever; b. een contactpersoon in relatie tot de
                                uitkering en de ondersteuning gericht op arbeidsinschakeling; c.
                                nazorg.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De belanghebbende die behoort tot de doelgroep heeft geen aanspraak
                                op ondersteuning voor zover deze een beroep kan doen op een
                                voorliggende voorziening die voldoende bijdraagt aan de
                                arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een niet-uitkeringsgerechtigde heeft geen aanspraak op ondersteuning
                                krachtens deze verordening indien:</al><lijst><li nr="a."><al>Het gezinsinkomen hoger is dan 110% van de toepasselijke
                                        bijstandsnorm of het vermogen hoger dan het maximaal vrij te
                                        laten vermogen conform de WWB,</al></li><li nr="b."><al>hij / zij betaalde arbeid verricht gedurende meer dan 12 uur
                                        per week, of</al></li><li nr="c."><al>hij / zij niet bereid is om gedurende tenminste 12 uur per
                                        week algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Jongeren tot 27 jaar krijgen de eerste vier weken na melding
                                (zoektijd) geen enkele ondersteuning gericht op re-integratie tenzij er sprake is van een
                                WW uitkering. De laatste vier weken WW gelden dan als zoektijd. Hierna kan in
                                beginsel pas een voorziening worden ingezet als gebleken is dat er voldoende
                                inspanning geleverd is om werk te vinden of terug te keren naar school en dit geen resultaat
                                heeft opgeleverd en het college heeft vastgesteld dat er een noodzaak bestaat tot het
                                inzetten van een voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>plichten deelnemer</titel></kop><al>De volgende verplichtingen gelden in beginsel voor alle meerderjarige
                            gezinsleden jonger dan 65 jaar die betrokken zijn binnen de
                            gezinsbijstand: </al><al> 1. <cursief>arbeids-/sollicitatieverplichting en plicht tot
                                tegenprestatie</cursief>: </al><al>Verplichting om:</al><lijst><li nr="-"><al>zich te registreren als werkzoekende bij het UWV-Werkbedrijf;
                                </al></li><li nr="-"><al>naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, deze
                                    te aanvaarden en ook te behouden; </al></li><li nr="-"><al>naar vermogen door het college opgedragen maatschappelijk
                                    nuttige werkzaamheden uit te voeren die worden verricht naast of
                                    in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot
                                    verdringing op de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="2."><al><cursief>re-integratieverplichting</cursief>:</al></li></lijst><al>Verplichting om:</al><lijst><li nr="-"><al>gebruik te maken van een aangeboden voorziening waaronder
                                    begrepen een cursus Nederlandse taal als dit naar het oordeel
                                    van het college noodzakelijk is. </al></li><li nr="-"><al>naar vermogen mee te werken aan de voorziening als ook aan een
                                    onderzoek en/of medische keuring naar de mogelijkheden tot
                                    arbeidsinschakeling dan wel naar de inhoud, passendheid,
                                    voortgang en uitvoering van een voorziening, het aanvragen van
                                    de indicatie voor de Wet sociale werkvoorziening en flankerende
                                    voorzieningen. </al></li><li nr="3."><al><cursief>medewerkingverplichting</cursief>:</al></li></lijst><al>Verplichting om:</al><lijst><li nr="-"><al>mee te werken aan het ingezette re-integratietraject </al></li><li nr="-"><al>aan het onderzoek naar de voortgang hiervan</al></li><li nr="-"><al>mee te werken aan een onderzoek naar het recht op uitkering,
                                    waaronder mogelijk een huisbezoek.</al></li><li nr="4."><al><cursief>inlichtingenverplichting</cursief>:</al></li></lijst><al> Verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling
                            te doen aan het college van alle feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn
                            voor de aanspraak op ondersteuning of voorziening. </al><lijst><li nr="5."><al>De verplichtingen bedoeld in de leden 1 en 2 zijn niet van
                                    toepassing op de persoon:</al></li><li nr="a."><al>die blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking
                                    tot de doelgroep</al><al> behoort van de WSW; of</al></li><li nr="b."><al>die recht heeft op een arbeidsongeschikheidsuitkering op grond
                                    van de Wet werk en</al><al> arbeidsondersteuning jonggehandicapten</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Criteria ontheffen arbeids- en/of re-integratieplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent tijdelijk --geheel of gedeeltelijk-- ontheffing
                                van de arbeids- en/of re-integratieverplichting met in achtneming
                                van het bepaalde in artikel 9, lid 2, 4, 5 en 6, art 9a van de WWB
                                dan wel artikel 37a van de IOAW/IOAZ.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ontheffing is altijd individueel en wordt nooit voor het gezin
                                als geheel gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt, zo nodig in overleg met een externe deskundige,
                                de duur van een ontheffing vast. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ontheffing wordt schriftelijk gegeven onder vermelding van de
                                duur en reden van ontheffing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college besluit tijdig voor afloop van een verleende ontheffing
                                tot het al dan niet verlengen ervan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Aan een alleenstaande ouder met een ten laste komend kind jonger dan
                                vijf jaar wordt, op diens verzoek, een ontheffing verleend van de
                                arbeidsverplichting voor de duur van maximaal vijf jaar conform
                                artikel 9a WWB. De re-integratieverplichting geldt wel. Het college
                                legt in beleidsregels vast welke voorzieningen aangeboden kunnen
                                worden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>Voorzieningen ten behoeve van de belanghebbende</titel></kop><al>Het college kan een persoon behorende tot de doelgroep:</al><lijst><li nr="a."><al>laten bemiddelen naar algemeen geaccepteerde arbeid, </al></li><li nr="b."><al>begeleiden bij het zoeken naar en verwerven van arbeid waaronder
                                    ook begrepen het verstrekken van loonkostensubsidie en
                                    loondispensatie, </al></li><li nr="c."><al>ondersteunen bij het wegnemen van belemmeringen voor de
                                    arbeidsinschakeling </al></li><li nr="d."><al>verwijzen naar en ondersteunen bij deelname aan maatschappelijke
                                    participatie in de vorm van sociale activering of het laten
                                    verrichten van een tegenprestatie.</al></li><li nr="1."><al>Het college stemt de ondersteuning en voorzieningen af op het
                                    vergroten van de zelfredzaamheid van belanghebbenden via de
                                    kortste weg naar duurzaam regulier werk. Als betaald werk nog
                                    niet mogelijk is kan tijdelijk werken met behoud van uitkering
                                    worden toegestaan of via loonkostensubsidie of loondispensatie.
                                </al></li><li nr="2."><al>Indien het college dit noodzakelijk acht kan besloten worden tot
                                    het laten werken met behoud van uitkering zonder dat dit
                                    afgestemd is op de kortste weg naar duurzame arbeid, indien dit
                                    gericht is op het leveren van een maatschappelijke nuttige
                                    tegenprestatie voor de verleende uitkering. </al></li><li nr="3."><al>In beleidsregels geeft het college verdere uitwerking aan de
                                    aard van de voorzieningen. Hierbij worden in elk geval de
                                    doelgroep, de soort voorziening, de duur van de voorziening, het
                                    doel van de voorziening en de verplichtingen van de deelnemers
                                    betrokken. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>voorzieningen ten behoeve van werkgevers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een subsidie verstrekken aan werkgevers, die een
                                arbeidsovereenkomst sluiten met een belanghebbende die behoort tot
                                de doelgroep. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan een werkgever dan wel een werknemer een
                                uitstroompremie toekennen wanneer sprake is van uitstroom naar een
                                regulier gefinancierde arbeidsplaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt ten aanzien van de verstrekking van
                                loonkostensubsidie en uitstroompremie beleidsregels vast voor wat
                                betreft de hoogte en duur van de loonkostensubsidie en premie en de
                                voorwaarden waaronder de loonkostensubsidie en premie wordt
                                verstrekt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de werkgever van een werknemer die vanwege een arbeidshandicap
                                een verminderde loonwaarde heeft kan het college toestemming geven
                                een lager loon dan het wettelijk minimumloon te betalen. De
                                voorwaarden voor deze toestemming legt het college vast in de
                                beleidsregels alsook de wijze waarop de loonwaarde wordt
                                berekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>handhaven participatie en beëindigen ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij het niet of niet tijdig nakomen van de verplichtingen gericht op
                                participatie geeft het college uitvoering aan de regels m.b.t. het
                                verlagen van een WWB, IOAW, IOAZ uitkering, zoals opgenomen in
                                paragraaf 3 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan de ondersteuning of voorziening van een ANW-er of
                                Nug-er beëindigen als deze: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de arbeids-, re-integratieverplichting en/ of
                                medewerkingsverplichting bij voortduring </al><al> niet of niet tijdig nakomt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>niet meer tot de doelgroep behoort;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een andere voorziening wordt aangeboden;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>als een persoon die deelneemt aan een voorziening inkomsten heeft,
                                die naar </al><al> oordeel van het college betekenen dat hij in staat is zonder
                                voorziening een plaats te </al><al> vinden of te behouden op de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan besluiten enige tijd geen (nieuwe) voorziening aan
                                te bieden als een eerdere voorziening (voortijdig) is
                                beëindigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>premie en bijdrage participatie(plaats)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een uitkeringsgerechtigde die onbeloonde additionele werkzaamheden
                                verricht ontvangt conform artikel 10a, zesde lid van de WWB een
                                premie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de participatieplaats is minimaal zes maanden en
                                maximaal twee jaar. Ieder jaar wordt opnieuw beoordeeld of de
                                participatieplaats de meest geschikte voorziening is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de belanghebbende meer dan zes maanden additionele onbetaalde
                                werkzaamheden heeft verricht wordt van degene in opdracht van wie
                                hij deze werkzaamheden uitvoert een halfjaarlijkse bijdrage
                                gevraagd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels ten aanzien van de
                                participatieplaats, de hoogte van de premie en van de vergoeding
                                zoals bedoeld in lid 3 en de voorwaarden en de verplichtingen die
                                aan de participatieplaats en de premie zijn verbonden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3</nr><titel>Maatregelen / Afstemming</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.1</nr><titel>algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend
                            besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het
                            bestaan dan wel de verplichtingen genoemd in deze verordening en/of de
                            wet niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                            college, hun ambtenaren, medewerkers van het Werkplein of ingeschakeld
                            re-integratie of diagnosebedrijf zeer ernstig misdragen, wordt
                            overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.</al><lijst><li nr="1."><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                    mate waarin de belanghebbende of (de leden van) het gezin de
                                    gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij
                                    verkeert.</al></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien en kan er
                                    worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing
                                    in die situaties zoals vermeld in artikel 13 van deze
                                    verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De berekeningsgrondslag van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm zoals bedoeld in de
                                WWB of de grondslag als bedoeld in de IOAW en IOAZ. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze maatregel bestaat uit een percentage van de bijstandsnorm of
                                grondslag dan wel uit een percentage van het benadelingsbedrag,
                                zoals opgenomen in deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing
                                van artikel 12</al><al> (onderhoudsplicht ouders) van de wet; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie tot het
                                recht op bijzondere</al><al> bijstand, daartoe aanleiding geeft. </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het betreft bijzondere bijstand voor woonkosten en premie voor
                                arbeidsongeschiktheid- verzekering aan zelfstandigen die een uitkering voor
                                levensonderhoud (hebben) ontvangen krachtens de Bbz of IOAZ.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan afstemming
                                plaatsvinden door de  bijstand bij een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in de kosten van het bestaan te verstrekken als geldlening op basis van
                                artikel 48 tweede lid onder b van de WWB. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Tenzij in deze verordening anders is bepaald, gaat de maatregel
                                    in op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de datum
                                    waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de
                                    belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de
                                    voor die maand geldende bijstandsnorm of grondslag.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met
                                    terugwerkende kracht worden opgelegd als er sprake is van een
                                    besluit op aanvraag of als er sprake is van een schending van de
                                    inlichtingenplicht, voor zover de uitkering nog niet is
                                    uitbetaald. In deze situatie werkt het verlagen van de uitkering
                                    terug tot de datum van aanvraag dan wel de datum waarop het
                                    verzuim betrekking heeft.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het
                                    zelfstandigen betreft die een uitkering voor levensonderhoud
                                    hebben ontvangen in de vorm van een geldlening op grond van de
                                    Bbz, de maatregel met terugwerkende kracht worden betrokken bij
                                    de definitieve vaststelling van die bijstand.</al></li><li nr="4."><al>De uitkering wordt verlaagd voor de duur van één maand, tenzij
                                    sprake is van: </al></li><li nr="a."><al>samenloop van verschillende gedragingen die het niet nakomen van
                                    verplichtingen</al></li></lijst><al> inhouden. Hierbij wordt de hoogte en duur van de maatregel vastgesteld
                            op de </al><al> gedraging met de hoogste maatregel;</al><al>b.wanneer sprake is van recidive wordt in beginsel de duur van de
                            maatregel</al><al> verdubbeld tenzij in deze verordening anders is bepaald. Met een
                            besluit waarmee </al><al> een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                            te zien op </al><al> grond van dringende redenen dan wel het geven van een waarschuwing op
                            grond van </al><al> deze verordening;</al><al>c.verwijtbaar gedrag waarvoor in deze verordening een afwijkende duur is
                            vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>door het niet (volledig) nakomen van de inlichtingen- of
                                medewerkingsverplichting een reeds eerder toegekende uitkering is of
                                wordt beëindigd (omdat het recht op uitkering niet langer kan worden
                                vastgesteld) en er geen sprake is van financiële benadeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt aan de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het Openbaar
                                Ministerie en blijft definitief achterwege indien ter zake
                                strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter rechtszitting een
                                aanvang heeft genomen, of het recht tot strafvervolging is vervallen
                                ingevolge artikel 74 van het Wetboek van strafrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Horen van de belanghebbende(n)</titel></kop><al>Voordat de uitkering wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de
                            gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, maar niet
                            als:</al><al>a.de belanghebbende zijn zienswijze al eerder kenbaar heeft gemaakt en
                            er geen sprake is</al><al> van nieuwe feiten of omstandigheden; of</al><lijst><li nr="b."><al>binnen de gestelde termijn niet is voldaan aan de
                                    inlichtingenverplichting; of</al></li><li nr="c."><al>het horen niet nodig is voor het vaststellen van de ernst van de
                                    gedraging of de mate van</al></li></lijst><al> verwijtbaarheid; of</al><al>d.in andere situaties waar dit naar de mening van het college niet
                            noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Besluit</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van de maatregel of de waarschuwing
                            wordt in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de eventuele
                            duur en hoogte van de verlaging als ook de afweging van de individuele
                            belangen zoals bedoeld in deze verordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.2</nr><titel>rechtmatigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenverplichting</titel></kop><al>1.Bij het niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de
                            inlichtingenverplichting op grond van</al><al> de WWB, IOAW, IOAZ of Bbz, waardoor ten onrechte of tot een te hoog
                            bedrag uitkering </al><al> is verleend, wordt onder handhaving van het bepaalde in het tweede lid,
                            de WWB- IOAW-, </al><al> of IOAZ uitkering verlaagd met een percentage van de uitkering,
                            afhankelijk van de hoogte </al><al> van het benadelingbedrag, zoals bepaald in lid 2 van dit artikel.</al><lijst><li nr="2."><al>De hoogte van de maatregel bedraagt gedurende één maand:</al></li><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 2000 20% van de uitkering</al></li></lijst><al>b.bij een benadelingsbedrag van € 2000 tot € 4000 40% van de
                            uitkering</al><al>c.bij een benadelingsbedrag van € 4000 tot € 8000 60% van de
                            uitkering</al><al>d.bij een benadelingsbedrag van € 8000 tot € 10.000 100% van de
                            uitkering</al><al>3.Indien uit de houding en gedragingen van de belanghebbende
                            ondubbelzinnig opzettelijk</al><al> misbruik of oneigenlijk gebruik van de uitkering blijkt wordt de duur
                            van de maatregel zoals </al><al> genoemd in lid 2 verdubbeld.</al><al>4.Indien het niet, niet tijdig, of niet behoorlijk nakomen van de
                            inlichtingenplicht op grond van</al><al> de WWB, IOAW, IOAZ of Bbz niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot
                            een te hoog </al><al> bedrag verstrekken van bijstand kan worden volstaan met het opleggen
                            van een </al><al> waarschuwing. Als binnen de periode van één jaar wederom de
                            inlichtingenplicht wordt </al><al> geschonden zonder financiële benadeling, dan kan een maatregel van 10%
                            worden </al><al> opgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>1.Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond,
                            niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in lid 4 en lid 6 van dit
                            artikel, dan wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de
                            hoogte van het benadelingsbedrag.</al><al>2.De maatregel wordt op de volgende wijze vastgesteld:</al><al>10% van het benadelingbedrag als dit lager is dan € 4.000 en 20% van het
                            benadelingbedrag als dit hoger is dan € 4.000. </al><al>3.Indien geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld bedraagt de
                            maatregel 20% van de uitkering gedurende één maand.</al><al>4.Bij het versneld interen van vermogen of het hebben gedaan van een
                            schenking waarmee rekening zou zijn gehouden bij het verlenen van de
                            bijstand, kan voor de duur van het eerder dan wel langer
                            bijstandsafhankelijk zijn een maatregel worden opgelegd van 100%. Deze
                            maatregel geldt alleen voor de WWB.</al><al>5.Als toepassing van het vorige lid leidt tot onbillijkheden wordt
                            toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 48 tweede lid onder b van
                            de WWB en wordt de uitkering verstrekt in de vorm van een geldlening
                            voor de duur van het eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk
                            zijn.</al><al>6.Bij het verwijtbaar geen of geen volledig recht op een uitkering
                            sociale verzekering of daarmee gelijk te stellen buitenlandse of private
                            aanspraken dan wel bij het verliezen van een dergelijk recht door eigen
                            toedoen wordt een maatregel opgelegd van 100% gedurende 1 maand.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.3</nr><titel>rechtmatigheid/ doelmatigheid.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Zeer ernstig misdragen</titel></kop><al>1.Bij het zich jegens het college, hun ambtenaren, medewerkers van het
                            Werkplein of</al><al> ingeschakeld re-integratie of diagnosebedrijf, zeer ernstig misdragen
                            met betrekking tot </al><al> het uitvoeren van de WWB of IOAW, een re-integratievoorziening
                            inbegrepen, treedt het </al><al> agressieprotocol in werking. Dit houdt in: a. dat een aanvraag voor een
                            WWB- of IOAW uitkering buiten behandeling wordt gelaten </al><al> en; b. dat een al toegekende WWB of IOAW uitkering wordt beëindigd per
                            datum van </al><al> misdraging, omdat het recht op WWB of IOAW niet (langer) vastgesteld
                            kan worden. </al><al> Eerst na het doorlopen van de procedures uit het agressieprotocol
                            (afkoelperiode, </al><al> ordegesprek, justitiële aangifte en dergelijke) kan sprake zijn van het
                            afhandelen van de </al><al> aanvraag dan wel het herstellen van de uitkering.</al><al>2.Bij een herstel of toekenning van de uitkering per datum van de
                            ernstige misdraging</al><al>2. wordt de Wwb of, IOAW uitkering verlaagd met 100% gedurende 1 maand
                            of 50% voor </al><al>2. de duur van 2 maanden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.4</nr><titel>schending Arbeids- en/of re-integratieverplichting
                            doelmatigheid.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Geen of onvoldoende meewerken aan het verkrijgen of behouden van
                                algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er wordt een maatregel opgelegd van 100% voor de duur van 1 maand in
                                de volgende situaties:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid conform de
                                WWB;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                arbeid;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het weigeren van een passend re-integratie aanbod;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het niet naar vermogen meewerken aan het verrichten van de
                                tegenprestatie;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>het niet aantoonbaar trachten arbeid of passend onderwijs te vinden
                                en te aanvaarden gedurende de wachttijd van 4 weken voor jongeren
                                tot 27 jaar;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>het door een persoon, jonger dan 27 jaar, niet meewerken aan het
                                opstellen, uitvoeren of evalueren van een plan van aanpak</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op basis van individuele omstandigheden besluiten om
                                in afwijking van lid 1 van deze bepaling de maatregel te effectueren
                                door gedurende 2 maanden de uitkering met 50% te verlagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er wordt een maatregel opgelegd van 50% voor de duur van 1 maand in
                                de volgende situaties:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                verkrijgen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het niet naar vermogen meewerken aan een passende
                                re-integratievoorziening waaronder begrepen het deelnemen aan
                                taalverwervingslessen voor mensen die onvoldoende de Nederlandse
                                taal beheersen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de
                                mogelijkheden tot arbeidsinschakeling of re-integratie;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het niet voldoen aan de aan de ontheffing verbonden
                                re-integratieverplichtingen die een alleenstaande ouder heeft indien
                                hem op grond van artikel 9a WWB 2012 een ontheffing van de
                                arbeidsplicht is verleend;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>bij andere gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Er wordt een maatregel opgelegd van 5% voor de duur van 1 maand in
                                de volgende situatie:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het zich niet (tijdig) laten registreren als werkzoekende bij het
                                UWV Werkbedrijf of het niet (tijdig) laten verlengen van deze
                                registratie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in de leden 1 t/m 4 wordt
                                verdubbeld indien er sprake is van recidive. Met het besluit waarmee
                                een maatregel wordt opgelegd is gelijkgesteld het besluit om daarvan
                                af te zien op grond van dringende redenen of tot het geven van een
                                waarschuwing.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Conform artikel 13 lid 2 sub d WWB wordt de jongere tot 27 jaar van
                                rechtswege uitgesloten van het recht op bijstand als uit diens
                                houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij de
                                verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid resp. artikel 55
                                WWB niet wil nakomen. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien en worden
                                volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, bij
                                gedragingen zoals bedoeld in lid 3 en 5 van deze bepaling, tenzij
                                deze gedraging plaatsvindt binnen een periode van 1 jaar te rekenen
                                vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende (of diens
                                gezinsleden) een schriftelijke waarschuwing is gegeven. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>4.</nr><titel>Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Hoogwaardig handhaven.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het voorkomen en bestrijden van uitkeringsfraude dan wel van
                                misbruik en oneigenlijk gebruik van de WWB, IOAW, IOAZ of Bbz, is
                                ingericht naar het landelijk model voor hoogwaardig handhaven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt regels met betrekking tot hoogwaardig handhaven
                                waarbij tenminste wordt aangegeven hoe wordt geregeld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de voorlichting over de regelgeving alsmede de daaraan verbonden
                                gevolgen bij</al><al> misbruik en oneigenlijk gebruik;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de wijze van verificatie van gegevens en van informatie uitwisseling
                                met derden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de wijze waarop en frequentie waarin periodieke controles worden
                                uitgevoerd;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de wijze waarop fraude wordt opgespoord en afgehandeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Controle</titel></kop><al>Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering en
                            kan daarbij gebruikmaken van een heronderzoeksplan, huisbezoeken,
                            risicoprofielen, bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die
                            daaruit voortkomen. Het college onderzoekt daarnaast overige signalen en
                            tips die relevant zijn voor het recht op bijstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Verlaging van de uitkering</titel></kop><al>Indien belanghebbende onjuiste, onvolledige of in het geheel geen
                            inlichtingen verstrekt die van belang zijn of kunnen zijn voor de
                            hoogte, de duur of de voortzetting van de bijstand, verlaagt het college
                            de bijstand, conform hetgeen hierover is bepaald in paragraaf 3 van deze
                            verordening, onverminderd de mogelijkheid tot terugvordering van de
                            eventueel ten onrechte ontvangen bijstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Aangifte bij het Openbaar Ministerie</titel></kop><al>Indien een gedraging van belanghebbende als bedoeld in artikel 22 leidt
                            tot benadeling van de gemeente, doet het College, onverminderd de
                            mogelijkheid de bijstand te verlagen en de ten onrechte ontvangen
                            bijstand terug te vorderen, aangifte bij het Openbaar Ministerie, in
                            overeenstemming met de door het Openbaar Ministerie op dit punt
                            gehanteerde uitgangspunten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Terugvorderen opgespoorde fraudebedragen.</titel></kop><al>1.Het college vordert de ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                            verleende bijstand, IOAW-, </al><al> IOAZ- of Bbz-uitkering als gevolg van het niet nakomen van of handelen
                            in strijd met de </al><al> inlichtingenverplichtingen volledig terug.</al><lijst><li nr=""><al>2.Het college stelt regels met betrekking tot herziening, terug-
                                    en invordering waarbij </al><al>2. tenminste wordt geregeld:</al></li><li nr="a."><al>op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke
                                    bevoegdheid tot herziening, terugvordering en invordering van
                                    verstrekte voorziening;</al></li><li nr="b."><al>op welke wijze en wanneer er kan worden afgezien van het nemen
                                    van een terugvorderingsbesluit;</al></li><li nr="c."><al>op welke wijze er geheel of gedeeltelijk van terugvordering dan
                                    wel van invordering kan worden afgezien;</al></li><li nr="d."><al>met welke frequentie heronderzoeken plaats moeten vinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Verhaal</titel></kop><al>Het college stelt regels op met betrekking tot verhaal waarin tenminste
                            wordt geregeld:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke
                                    bevoegdheid tot verhaal;</al></li><li nr="b."><al>wanneer en op welke wijze er wordt afgezien van het nemen van
                                    een verhaalsbesluit cq.</al></li></lijst><al> het invorderen van te verhalen voorziening;</al><al>c.met welke frequentie heronderzoeken plaats dienen te vinden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>5.</nr><titel>Toeslagen WWB</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>5.1</nr><titel>algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>aanvullende definities voor deze paragraaf</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>normbedrag: het toepasselijke naar leefvorm vastgestelde bedrag
                                    als bedoeld in artikel 20 en 21 van de wet.</al></li><li nr="b."><al>gezinsnorm: het normbedrag dat conform de wet wordt toebedeeld
                                    aan een huishouden dat bestaat uit 2 of meer meerderjarige
                                    personen.</al></li><li nr="c."><al>toeslag: het verhogen van het normbedrag voor alleenstaanden en
                                    alleenstaande ouders met een percentage (ten hoogste
                                    20%)van het normbedrag voor gezinnen.</al></li><li nr="d."><al>verlagen: het verlagen van het normbedrag voor gezinnen met een
                                    percentage (ten hoogste 20%) van het normbedrag voor
                                    gezinnen.</al></li><li nr="e."><al>onderhuurder de persoon die onderhuurt of op commerciële basis
                                    een medebewoner is en wiens woonsituatie voldoet aan het
                                    volgende: :</al></li><li nr="1."><al>het te onderhuren/mede-te-bewonen deel van de woning is</al></li></lijst><al> zelfstandig geschikt voor bewoning,</al><al>2.de prijs per maand is minstens gelijk aan 10%van het
                            normbedrag</al><al> voor gezinnen en</al><lijst><li nr="3."><al>de onderhuurder/medebewoner staat ingeschreven in de
                                    basisadministratie van de gemeente op het onderhuuradres</al></li><li nr="f."><al>hoofdbewoner: een belanghebbende die eigenaar of hoofdhuurder is
                                    van woonruimte en die in de woonruimte hoofdverblijf heeft.</al></li><li nr="g."><al>WSF-/WTOS-kind: een kind dat een basisbeurs ontvangt ingevolge
                                    de Wet op de Studiefinanciering 2000 dan wel een tegemoetkoming
                                    op grond van de Wet tegemoetkoming studiekosten.</al></li><li nr="h."><al>zorgbehoevende: een belanghebbende die een indicatiestelling
                                    heeft van meer dan 10 uren per week beroepsmatige hulp in het
                                    kader van de Awbz en deze zorg ontvangt van één der
                                    meerderjarige huisgenoten zonder dat hiervoor een pgb wordt
                                    ontvangen. Onder beroepsmatige hulp wordt mede begrepen een
                                    situatie waarin thuiszorg het alternatief is voor ambulante zorg
                                    of dagverpleging in een zorg-/verpleeginstelling.</al></li><li nr="i."><al>Woonkosten; Alle met wonen samenkomende kosten zoals huur,
                                    hypotheek, energie, water, verzekeringen etc.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27:</nr><titel>De rechtsgronden</titel></kop><al>De rechtsgronden voor het verhogen of het verlagen van het normbedrag
                            zijn:</al><al>a.het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de algemeen noodzakelijke
                            kosten van het</al><al> bestaan met een of meer anderen;</al><al>b.de woonsituatie;</al></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>28:</nr><titel>leeftijdsbegrenzing</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden
                            van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. Voor gezinnen gelden de
                            bepalingen van deze verordening alleen indien er in het gezin twee of
                            meer gezinsleden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29:</nr><titel>Indeling categorieën</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend, geldt
                                een </al><al> categorieaanduiding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De categorieën worden als volgt aangeduid:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>alleenstaande;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>alleenstaande ouder;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>gezin. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>5.2</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE BIJSTANDSNORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30:</nr><titel>Toeslag alleenstaanden en alleenstaande ouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De norm wordt verhoogd met een toeslag als bedoeld in artikel 25,
                                eerste lid van de wet indien de alleenstaande van 23 jaar en ouder
                                en de alleenstaande ouder vanaf 21 jaar hogere algemeen
                                noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de
                                bijstandsnorm voorziet als gevolg van het niet of niet geheel kunnen
                                delen van deze kosten met een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 20% van de
                                gezinsnorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens
                                woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 15% van de
                                gezinsnorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder als deze
                                onderhuurder of medebewoner is op commerciële basis en hij niet een
                                bloedverwant is in de eerste graad van de hoofdbewoner.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van de
                                gezinsnorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder als deze
                                hoofdbewoner is van de woning en de woonkosten kan delen met een
                                inwonende, die geen bloedverwant is in de eerste graad en hij voor
                                die woning woonkosten verschuldigd is. Als de woning gedeeld wordt
                                met meer dan twee onderhuurders of medebewoners dan wordt de
                                hoofdbewoner gezien als beroepsmatig verhuurder en zal geen toeslag
                                worden toegekend. Huuropbrengsten die de toeslag van 20% van de
                                gehuwdennorm te boven gaan zullen als inkomen op de uitkering in
                                mindering worden gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Er wordt geen toeslag toegekend indien een woning wordt bewoond
                                waarvoor totaal geen woonkosten verschuldigd zijn en</al><al> een toeslag van 10% als er een woning wordt bewoond waarvoor
                                gedeeltelijke woonkosten verschuldigd zijn.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden:</al><lijst><li nr="a."><al>gehuwden aangemerkt als één inwonende;</al></li><li nr="b."><al>de verzorgingsbehoevende die door belanghebbende wordt
                                        verzorgd niet aangemerkt als een persoon met wie kosten
                                        kunnen worden gedeeld. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31:</nr><titel>Afwijkende toeslag bij alleenstaande van 21 of 22 jaar</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een alleenstaande van 21 jaar heeft geen recht op een
                                    toeslag.</al></li><li nr="2."><al>Een alleenstaande van 22 jaar heeft, onverminderd het bepaalde
                                    in artikel 34, recht op</al></li></lijst><al> een toeslag van 5%in de hierna genoemde gevallen als hij:</al><lijst><li nr="a."><al>alleen een woning bewoont en hij voor die woning woonkosten
                                    verschuldigd is;</al></li><li nr="b."><al>onderhuurder is op commerciële basis en hij niet is een
                                    bloedverwant in de eerste</al><al> graad van de hoofdbewoner.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>5.3</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE BIJSTANDSNORM OF DE TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>artikel</label><nr>32:</nr></kop><al><vet>Verlagen bijstandsnorm gezinnen</vet></al><al>1. De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet vindt plaats indien
                            het gezin lagere </al><al> algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de
                            bijstandsnorm </al><al> voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van
                            deze kosten met een </al><al> ander.</al><al>2.Het normbedrag voor het gezin wordt verlaagd met 10%als het
                            gezin:</al><lijst><li nr="a."><al>de woonkosten kan delen met een inwonende, die geen bloedverwant
                                    is in de eerste graad en zij voor de woning woonkosten
                                    verschuldigd is. Als de woning gedeeld wordt met meer dan twee
                                    onderhuurders of medebewoners dan wordt de hoofdbewoner gezien
                                    als beroepsmatig verhuurder en zal de uitkering verlaagd worden
                                    met 20% van de gehuwdennorm. Wanneer de huuropbrengsten 20% van
                                    de gehuwdennorm te boven gaan zullen deze als inkomen op de
                                    uitkering in mindering worden gebracht.</al></li><li nr="b."><al>als het gezin inwoont bij anderen, niet zijnde bloedverwanten in
                                    de eerste graad.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33:</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><lid><lidnr/><al>1.De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>20% van de gezinsnorm indien een woning wordt bewoond waarvoor
                                totaal geen </al><al> woonkosten verschuldigd zijn;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>10% van de gezinsnorm als er een woning wordt bewoond waarvoor
                                gedeeltelijke woonkosten verschuldigd zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr></kop><al>. <vet>Verhogen of verlagen van het normbedrag bij
                                zorgbehoevendheid</vet>.</al><al>Een zorgbehoevende die door een hoofd- of medebewoner wordt verzorgd,
                            dan wel een</al><al>verzorger die een zorgbehoevende hoofd- of medebewoner verzorgt, wordt
                            voor de toepassing van de rechtsgrond als bedoeld in artikel 27, aanhef
                            en onder a en b van deze verordening (inzake het kunnen delen van de
                            kosten met een of meer anderen respectievelijk de woonsituatie), voor
                            wat betreft hun onderlinge zorgrelatie, niet als kostendelende hoofd- of
                            medebewoner aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr></kop><al>. <vet>Anti-cumulatiebepaling</vet>.</al><al>Bij samenloop van toepasselijke rechtsgronden wordt het verhogen dan wel
                            het verlagen van</al><al>het normbedrag vastgesteld op maximaal 20%van het normbedrag voor
                            het gezin.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden</titel></kop><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                            overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38.</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “verzamelverordening
                                WWB, Ioaw, Ioaz en Bbz”.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De “reïntegratieverordening WWB, de afstemmingsverordening WWB,
                                toeslagen verordening WWB 2011, maatregelverordening IOAW/IOAZ 2010,
                                verordening re-integratie wet werk en bijstand 2009,
                                handhavingsverordening 2010, toeslagenverordening WIJ, verordening
                                afstemming WIJ, verordening Werkleeraanbod WIJ worden op dat moment
                                ingetrokken maar werken door voor bestaande rechten tot 1 juli 2012.
                            </al></lid></artikel></paragraaf></regeling-tekst><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Verzamelverordening: </tussenkop><tussenkop>Inleiding:</tussenkop><al>De verordeningen op re-integratie, afstemming en handhaving zijn samengevoegd
                    tot één verzamelverordening, omdat de onderwerpen zeer nauw samenhangen en
                    vanwege de administratieve lastenverlichting: vereenvoudigen en terugdringen van
                    regels. Met name ook vanwege de nog steeds geldende drang tot terugdringing van
                    het aantal regelingen is aan de verzamelverordening ook de toeslagenverordening
                    toegevoegd. Omdat deze laatste verordening alleen betrekking heeft op de
                    uitkering krachtens de WWB voor levensonderhoud is bij dit hoofdstuk een apart
                    artikel opgenomen met aanvullende begripsbepalingen.</al><al>De WWB wordt met ingang van 2012 aangescherpt en de WIJ wordt per deze datum
                    voor nieuwe aanvragen ingetrokken. Er geldt een overgangstermijn van 6 maanden
                    voor bestaande rechten. De wetswijzigingen WWB per 1 januari 2012 zijn de opmaat
                    naar een nog grote aanpassing van de regelgeving: de Wet werken naar vermogen
                    (Wwnv) die per 1 januari 2013 moet ingaan. In deze wet worden de regelingen voor
                    de onderkant van de arbeidsmarkt samengevoegd, t.w. de WSW, Wet wajong en de
                    WWB. De rijksoverheid staat voor grote bezuinigingen. Dit in combinatie met de
                    toekomstige tekorten op de arbeidsmarkt vanwege de vergrijzing maakt maatregelen
                    noodzakelijk. Het kabinet beschrijft deze ontwikkelingen als volgt:</al><tussenkop>Individueel, maatschappelijk én financieel belang nieuwe aanpak </tussenkop><tussenkop>“Ieder mens heeft recht op zelfbeschikking, verdient de kans het beste
                    uit zichzelf te halen en zich te ontplooien. We schrijven niemand af, maar
                    spreken iedereen aan. Een baan is immers de beste sociale zekerheid. Natuurlijk
                    zorgen we samen voor wie echt niet kan meedoen.” Zo beschrijft het regeerakkoord
                    van dit kabinet het individuele belang dat iedereen die dat kan, ook naar
                    vermogen meedoet. Meedoen naar vermogen dient daarnaast ook een maatschappelijk
                    en economisch belang. De arbeidsmarkt staat voor grote veranderingen. Voor het
                    eerst sinds decennia neemt het aantal werkenden af. Als er niets gebeurt, komt
                    de samenleving straks mensen tekort om het werk te doen. Terwijl er intussen om
                    uiteenlopende redenen nog veel mensen langs de kant staan die (gedeeltelijk) wel
                    kunnen werken. Dat is sociaal en economisch ongewenst. </tussenkop><al>In de verzamelverordening wordt het nieuwe beleid voor het verhogen van de
                    participatie van mensen die langere tijd aan de kant staan, afgestemd op het
                    eveneens aangepaste sanctiebeleid. De Rijksoverheid wil naast meer participatie
                    op de (zoveel mogelijk reguliere) arbeidsmarkt meer inzet op handhaving en
                    afstemming. Misbruik van sociale zekerheid moet bestraft worden. De gemeenten
                    moeten vanwege een rijksbezuiniging hierop ook meer geld besparen. Dit maakt dat
                    naast daadwerkelijk opsporen en bestraffen van fraude ook het strakker
                    invorderen van openstaande schulden noodzakelijk wordt. Er staat hierop nog een
                    wetswijziging gepland in juli 2012. Naast de nog komende aanpassingen vanwege de
                    Wwnv zal deze verordening waarschijnlijk weer aangepast worden na één jaar. De
                    verordeningen hebben de status van beleidskader. Daarom worden hierin de kaders
                    voor de uitvoering van de regelingen gesteld. Het college zal in beleidsregels
                    en uitvoeringsrichtlijnen deze kaders verder invullen voor de uitvoering, meer
                    dan tot nu toe het geval was. In de basis bestaat de verzamelverordening voor
                    een groot deel uit overname van voort te zetten beleid (soms wat minder
                    gedetailleerd op uitvoering) uit de voormalige verordeningen. </al><al>De grootste wijzigingen zitten in de verplichte aanpassingen n.a.v. de
                    wetswijzigingen WWB:</al><lijst><li nr="-"><al>De invoering van de gezinsbijstand wat van invloed is op de
                            afstemmingsparagraaf en vooral op de toeslagen paragraaf;</al></li><li nr="-"><al>De invoering van de zoektermijn van 4 weken voor jongeren tot 27 jaar,
                            wat van invloed is op de re-integratie en de afstemmingsparagraaf;</al></li><li nr="-"><al>De intrekking van de WIJ waardoor het verplicht aanbieden van het
                            werkleeraanbod vervalt en waarvoor specifieke regels voor de jongeren
                            tot 27 jaar in de plaats komen. Dit werkt vooral door in de
                            re-integratie en maatregelen paragraaf.</al></li><li nr="-"><al>De introductie van de tegenprestatie voor de uitkering i.p.v.
                            ondersteuning naar werk. Ook dit is vooral te zien in de re-integratie
                            en maatregelen paragraaf.</al></li></lijst><al>De Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorzieningen aan gemeenten (de wet
                    Buig) heeft gemeenten reeds in 2010 verplicht tot het vaststellen van een
                    maatregelen- en misbruikverordening voor de IOAW, IOAW en Wwik. Deze Wwik wordt
                    per 1 januari 2012 ingetrokken zonder overgangstermijn. Deze wijziging is
                    meegenomen in de verordening. De Bbz daarentegen moet worden toegevoegd omdat
                    hiervoor het besluit boeten en maatregelen is ingetrokken. Uit oogpunt van
                    eenheid van beleid is deze verplichting uitgewerkt naar de systematiek van het
                    sanctie- en handhavingsbeleid voor de Wet werk en bijstand (WWB). Het afstemmen
                    van het sanctiebeleid voor de IOAW/IOAZ/Bbz op dat voor de WWB voorkomt dat voor
                    gelijksoortig gedrag verschillend beleid gaat gelden. Tevens voorkomt/ beperkt
                    het de mogelijkheid tot (ongewenste) samenloop van IOAW/IOAZ/Bbz met een
                    bijstandsuitkering. </al><al>De regels over het voorkomen en bestrijden van uitkeringsfraude IOAW/IOAZ/Bbz
                    zijn gelijk aan die voor de uitkeringen algemene bijstand. Om deze reden is voor
                    de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de IOAW/IOAZ/Bbz
                    volledige aansluiting gezocht bij de hiertoe voor de WWB vastgestelde regels.
                    Voor de WWB is de controle naar de rechtmatigheid van de verstrekte bijstand
                    ingericht naar het SoZaWe-model voor programmatisch en hoogwaardig handhaven.
                    Dit model is van overeenkomstige toepassing op het werkproces voor de
                    IOAW/IOAZ/Bbz. </al><al>Al deze aanpassingen zijn terug te vinden in deze verzamelverordening. </al><al>De Verzamelverordening is als volgt opgebouwd:</al><lijst><li nr="1."><al>algemene bepalingen</al></li><li nr="2."><al>re-integratie</al></li><li nr="3."><al>maatregelen (afstemming)</al></li><li nr="4."><al>handhaving</al></li><li nr="5."><al>toeslagen</al></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting:</tussenkop><tussenkop>§ 1. Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1: definities</tussenkop><al>De centrale rol van participatie in de WWB (werk boven inkomen en iedereen doet
                    mee) raakt in het bijzonder de doelgroep, het karakter en de reikwijdte van
                    begrippen als arbeidsinschakeling, ondersteuning en voorzieningen. De in de
                    verzamelverordening gebruikte begrippen sluiten zoveel als mogelijk aan bij die
                    van de WWB. Dit uit het oogpunt van helderheid en structuur. Hiermee wordt het
                    voor de burger makkelijker om de samenhang te doorzien tussen het doel van de
                    WWB en de in de verordening uitgewerkte beleidskaders. Voor zover er definities
                    niet in de Verordening zijn opgenomen, geldt deze zoals in de wet bedoeld.</al><tussenkop>§ 2. Re-integratie</tussenkop><al>Dit hoofdstuk regelt het ondersteunen en het aanbieden van voorzieningen aan
                    werkzoekenden die behoren tot de doelgroep. De opdracht hiertoe is geregeld in
                    artikel 7 van de WWB en 34 IOAW. Voor de IOAZ en Bbz gelden deze regels
                    niet.</al><tussenkop>Artikel 2: Opdracht en taak van het college.</tussenkop><al>Het is aan het college om te zorgen voor een voldoende aanbod van voorzieningen
                    gericht op arbeidsinschakeling. De wet en de verordening gaan uit van door het
                    college noodzakelijk geachte voorzieningen. Door deze omschrijving is het
                    aanbieden van een voorziening afhankelijk te stellen van sociaal-economische
                    factoren en de middelen uit het Participatiebudget. De ondersteuning is dan ook
                    geen afdwingbaar recht zoals een belanghebbende dat het liefst zou zien. Het
                    college moet zorgen voor een gevarieerd aanbod aan voorzieningen en legt deze
                    vast in de beleidsregels. Vanwege het teruglopen van het participatiebudget zal
                    het college hierin prioriteiten stellen. </al><al>Nieuw in deze verordening is de mogelijkheid tot het laten verrichten van een
                    tegenprestatie. De tegenprestatie moet bestaan uit tijdelijke maatschappelijk
                    nuttige activiteiten, zonder dat deze er toe bijdragen dat het
                    arbeidsmarktperspectief perse verbetert. Het moet hierbij altijd gaan om
                    kortdurende, tijdelijke activiteiten die geen verdringing op de arbeidsmarkt met
                    zich meebrengen. Het moet ook proportioneel zijn: wat kun je in redelijkheid van
                    iemand verwachten. De gedachte achter de tegenprestatie is dat iemand iets terug
                    doet voor de uitkering. </al><al><vet>Lid 3: </vet>Het college betrekt bij het afwegen van de belangen bij het
                    aanbieden van voorzieningen onder meer de situatie op de arbeidsmarkt, de mate
                    van investering in een belanghebbende (eerder aangeboden voorzieningen), het
                    vooruitzicht op inkomen uit betaalde arbeid als ook de mogelijkheid van een
                    voorliggende voorziening waaronder voor jongeren de terugkeer naar het reguliere
                    onderwijs. </al><al><vet>Lid 6: </vet>Wanneer het college derden inschakelt voor het uitvoeren van
                    re-integratie voorzieningen zal het hierbij de gemeentelijke richtlijnen voor
                    in-, aan- en uitbesteden in acht nemen. </al><al><vet>Lid 7: </vet>Het plan van aanpak dat per individu wordt opgesteld bevat in
                    ieder geval een omschrijving van de te verrichten activiteiten naar doel, aard
                    en omvang en de duur hiervan.</al><al><vet>Lid 8: </vet>Bij flankerend beleid voor het wegnemen van belemmeringen voor
                    arbeidsinschakeling valt te denken aan voorzieningen als indicatiestelling,
                    nazorg, schuld-hulpverlening, e.d. Hierbij de opmerking dat het aanbod voor
                    noodzakelijke en gepaste kinderopvang geheel verloopt via de Wet kinderopvang.
                    Ook voor kinderopvang die nodig is op grond van een medische of psychische
                    indicatie. De gemeente heeft zelf geen kindplaatsen en is dus geheel afhankelijk
                    van de kinderopvang in de markt. </al><tussenkop>Artikel 3: aanspraak</tussenkop><al>In dit artikel gaat het om de aanspraak die iemand vanuit de doelgroep heeft of
                    kan hebben richting college voor ondersteuning bij re-integratie. Uiteindelijk
                    beslist het college aan de hand van de criteria zoals deze vastgelegd zullen
                    worden in de beleidsregels. Uitgangspunt van de inzet moet wel zijn dat zoveel
                    mogelijk aansluiting wordt gezocht bij de reguliere arbeidsmarkt, eventueel met
                    ondersteuning via loonkostensubsidie of loondispensatie. Dit past bij de huidige
                    wet- en regelgeving, maar kijkt ook al vooruit naar de WWnV.</al><al>De aanspraak voor mensen zonder uitkering, die wel tot de doelgroep behoren
                    wordt beperkt naar inkomen en vermogen. Ook dit past in de nieuwe visie op
                    re-integratie waarbij de steeds schaarsere middelen die worden ingezet voor de
                    doelgroepen die dit het hardste nodig hebben.</al><tussenkop>Artikel 4: plichten deelnemer</tussenkop><al>De verplichtingen blijken uit de wet. Het lijkt een tegenspraak dat mensen wel
                    verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek naar de doelgroep WSW, maar
                    als ze tot deze doelgroep behoren geen verplichting hebben om hier verder aan
                    mee te werken. Dit heeft te maken met het feit dat via de toelating tot de WSW
                    vastgesteld wordt dat iemand een “arbeidshandicap” heeft, toch in ieder geval
                    niet eenvoudig bemiddelbaar zal zijn op de reguliere arbeidsmarkt. Dat verklaart
                    waarom als eenmaal de indicatie is gesteld, deze mensen ontheven kunnen worden
                    van de arbeids- en (verdere) re-integratieverplichting.</al><tussenkop>Artikel 5. criteria ontheffen arbeids- en/of
                    re-integratieplicht.</tussenkop><al>De WWB kent o.a. een arbeids- en een re-integratieverplichting. Een ontheffing
                    kan betrekking hebben op één of beide verplichtingen en wordt steeds tijdelijk
                    verleend. De ontheffing is individueel en geldt nooit voor het gezin als geheel.
                    Het onderscheid in verplichtingen vergroot de mogelijkheid tot participatie naar
                    het uitgangspunt: iedereen doet mee naar vermogen. De wet kent geen categoriale
                    ontheffingen van de verplichtingen, alleen voor alleenstaande ouders met ten
                    laste komende kinderen tot 5 jaar. Deze worden ontheven van de arbeidsplicht
                    maar niet automatisch van de re-integratieplicht. Met deze alleenstaande ouders
                    wordt een plan van aanpak opgesteld waarin de activiteiten gedurende de
                    ontheffing van de arbeidsplicht worden opgenomen. </al><al>Hierbij moet opgemerkt worden dat in de regel geen ontheffing wordt gegeven van
                    de re-integratieverplichting omdat mensen altijd mee moeten werken aan onderzoek
                    naar de mogelijkheden. Toch kan het in bepaalde situaties voorkomen dat er van
                    beide verplichtingen ontheffing wordt gegeven, maar dit is de uitzondering.</al><al>Bij mantelzorg is ontheffing aangewezen als wordt voldaan aan de
                    begripsomschrijving, de daarbij gegeven toelichting inbegrepen, en ondersteunde
                    zorg ontbreekt. Meer in het algemeen mag de wens van een werkzoekende om
                    mantelzorg te verlenen de kortste weg door of naar betaald regulier werk in
                    redelijkheid niet belemmeren. Bij het afwegen van belangen is ook de
                    geschiktheid van de mantelzorger voor de zorgtaak te betrekken. </al><tussenkop>Artikel 6: Voorzieningen ten behoeve van de belanghebbende en Artikel 7:
                    ten behoeve van de werkgever</tussenkop><al>Er is een onderscheid te maken in de voorzieningen die worden gegeven aan de
                    belanghebbende en die worden gegeven aan de werkgever. Deze laatste is dan
                    altijd gekoppeld aan een individuele rechthebbende, nooit in het algemeen. </al><al>Voorzieningen die ten behoeve van de werkgever kunnen worden verstrekt zijn o.a.
                    de loonkostensubsidie en loondispensatie. Bij het laatste krijgt de werkgever
                    toestemming om naar loonwaarde voor de betreffende werknemer te gaan betalen,
                    wat lager kan zijn dan het wettelijk minimumloon. Het college zal de loonwaarde
                    bepalen, maar doet dit in overleg met de werkgever. Hiertoe zullen regels
                    gesteld worden door het college.</al><al>Het college kan aan de werknemer die uitstroomt naar een reguliere baan, dus
                    zonder loonkostensubsidie, maar ook aan de werkgever die iemand met een
                    uitkering een reguliere baan aanbied een premie toekennen. Onder welke
                    voorwaarden dit mogelijk is en hoe hoog de premie zal zijn stelt het college
                    vast in beleidsregels.</al><tussenkop>Artikel 7: </tussenkop><al>Het college kan ook voorzieningen toekennen t.b.v. werkgevers in de vorm van
                    loonkostensubsidie of een uitstroompremie wanneer deze uiteindelijk een regulier
                    dienstverband aanbiedt. Als er sprake is van een verminderde loonwaarde kan de
                    gemeente toestemming geven om minder dan het wettelijk minimumloon te betalen.
                    De werknemer ontvangt dan een aanvullende uitkering. Dit betreft nu nog een
                    pilot op basis van een tijdelijke regeling in afwachting van de Wet werken naar
                    vermogen (Wwnv). Nadere uitwerking hiervan in de beleidsregels.</al><tussenkop>Artikel 8: handhaven participatie en beëindigen ondersteuning</tussenkop><al>De regels op het sanctioneren van het niet nakomen van verplichtingen is
                    opgenomen in paragraaf 3 van deze verordening. Wanneer een niet
                    uitkeringsgerechtigde of ANW-er een voorziening krijgt aangeboden en zich niet
                    houdt aan de hierbij horende verplichtingen, dan zal de voorziening worden
                    beëindigd. </al><tussenkop>§ 3 Maatregelen / Afstemming of sanctionering</tussenkop><al>In dit hoofdstuk is uitgewerkt de verplichting als bedoeld in artikel 18 van de
                    WWB om vorm en inhoud te geven aan een sanctiebeleid (vaststellen
                    afstemmingsverordening). De WWB kent maar één soort sanctie: het verlagen van de
                    uitkering. Het verlagen van de uitkering is verplicht voorgeschreven als de
                    belanghebbende naar het oordeel van het college:</al><al>a.tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in
                    het</al><al> bestaan;</al><al>b.de uit de WWB, IOAW, IOAZ of Bbz voortvloeiende verplichtingen niet of
                    onvoldoende</al><al> nakomt. Hieronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                    misdragen.</al><al>Het sanctiebeleid is uitgewerkt tegen de visie, dat een uitkering als een
                    tijdelijke overbrugging wordt gezien tot participatie door en naar betaald
                    (gesubsidieerd) werk. </al><al>Op grond van de eigen verantwoordelijkheid zijn uitkeringsgerechtigden wettelijk
                    verplicht al datgene te doen wat nodig en mogelijk is om in het eigen bestaan te
                    voorzien. Zij worden hierin ondersteund en aangemoedigd via het beleid voor het
                    stimuleren van participatie. De tegenhanger is het sanctiebeleid. Als een
                    noodzakelijk traject tot het verhogen van de participatie wordt gefrustreerd,
                    wordt metterdaad en streng benaderd (lik op stuk beleid). Zeker waar het betreft
                    agressie/geweld tegen de dienstverleners die de wetten uitvoeren. </al><al>Het verlagen van de uitkering naar de ernst van de gedraging is gekoppeld aan de
                    soort verplichting: rechtmatigheid, doelmatigheid en de aard van het gedrag:
                    betoond ongenoegzaam besef, ernstig misdragen. </al><tussenkop>§ 3.1 algemene bepalingen</tussenkop><al>In deze paragraaf worden de algemene bepalingen met betrekking tot het opleggen
                    van maatregelen opgenomen. De meeste artikelen spreken voor zich en behoeven
                    geen toelichting. De bepalingen in deze paragraaf zijn dwingend, er is in
                    beginsel weinig ruimte voor afwijkingen.</al><al>Het sanctiebeleid moet voldoen aan de vereisten van de specifieke wetten en de
                    Algemene wet bestuursrecht. Deze bepaling komt tegemoet aan de beginselen van
                    zorgvuldigheid, rechtszekerheid en motivering bij het opleggen van een sanctie.
                    De gestelde waarborgen verduidelijken de rechtspositie van de klant in relatie
                    tot de inkomensgarantie op minimumniveau.</al><al>In het samengevoegde sanctiebeleid voor WWB en IOAW/ IOAZ/Bbz wordt uit oogpunt
                    van uniformiteit gesproken over "het verlagen van de uitkering". Voor de WWB
                    gaat het om het verlagen van de "bijstandsnorm", voor de IOAW/ IOAZ om het
                    verlagen van de "grondslag" . Bij de Bbz gaat het om de bijstandsuitkering voor
                    levensonderhoud.</al><al>De bijzondere bijstand wordt niet verlaagd tenzij er sprake is van bijzondere
                    bijstand voor levensonderhoud, zoals bedoeld in de wet in artikel 12.</al><al>De belanghebbende moet worden gehoord en het besluit moet altijd schriftelijk
                    worden genomen. De sanctie gaat pas in als de belanghebbende hier van op de
                    hoogte is gesteld. Het college kan slechts in bepaalde situaties gemotiveerd
                    afzien van het opleggen van een maatregel. Voor het overige wijzen de artikelen
                    in deze paragraaf voor zichzelf. Het vervolg van de paragraaf laat de volgende
                    indeling zien:</al><lijst><li nr="-"><al>maatregelen wanneer de rechtmatigheid van de uitkering in het geding
                            is</al></li><li nr="-"><al>maatregelen wanneer er sprake is van rechtmatigheid en
                            doelmatigheid</al></li><li nr="-"><al>maatregelen wanneer de doelmatigheid in het geding is. </al><al><vet>§ 3.2 rechtmatigheid</vet></al><al><vet>Artikel 16. Niet nakomen van de inlichtingenverplichting</vet></al><al>Bij het niet nakomen van deze verplichting wordt, met opschorting van
                            het recht op uitkering, een hersteltermijn geboden. Het gaat hier veelal
                            om de plicht tot het verstrekken of aanvullen van informatie
                            (aanvraagformulier, inkomstenverklaring en nader onderzoek
                            rechtmatigheid). De WWB/IOAW-inlichtingenverplichting heeft mede
                            betrekking op het nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 30c van
                            de Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen. </al><al>Als een aanvraag of lopende uitkering formeel correct is af te doen via
                            het buiten behandeling laten van de aanvraag of het tijdig stopzetten
                            van een lopende uitkering en er géén sprake is van financiële benadeling
                            wordt geen sanctie toegepast. Dus alleen bij verwijtbare nalatigheid van
                            de inlichtingenverplichting met gevolgen voor de uitkering wordt een
                            maatregel toegepast. Dit onderdeel van het sanctiebeleid steunt mede op
                            het kosten-/baten-principe. Is wel ten onrechte of tot een te hoog
                            bedrag uitkering verleend, dan wordt het nadeelbedrag in beginsel
                            volledig teruggevorderd. Dit onder handhaving van het recht tot het
                            verlagen van de uitkering. De hoogte van de sanctie wordt aangepast aan
                            de hoogte van het benadelingbedrag. Wanneer er sprake is van
                            opzettelijke niet nakoming wordt de duur van de maatregel
                            verdubbeld.</al><al><vet>Artikel 17. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                            </vet></al><al>De varianten waarin deze tekortkoming zich voordoen, zijn onderscheiden
                            naar de ernst van de verwijtbaarheid met daarop afgestemde sancties. </al><al>In het eerste lid wordt tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                            bedoeld, niet zijnde te snel interen van vermogen of wegschenken
                            hiervan. Er moet hierbij gedacht worden aan b.v. het niet opeisen van
                            alimentatie, laten liggen van verzekeringsgelden e.d. De sanctie wordt
                            afgestemd op het benadelingbedrag. Wanneer er geen benadelingbedrag kan
                            worden vastgesteld (maar er is wel benadeling) dan wordt 20% van de
                            uitkering gedurende 1 maand opgelegd. </al><al>Bij het onverantwoord interen van vermogen of het weggeven (schenken)
                            van vermogen is de hoogte van de sanctie gekoppeld aan de duur van de
                            schadelast voor de gemeente. Deze maatregel geldt niet voor de IOAW nu
                            deze regeling geen vermogensbepaling kent. </al><al>Wanneer er sprake is van versneld interen of wegschenken van vermogen
                            wordt de uitkering gedurende het eerder bijstandsafhankelijk zijn met
                            100% verlaagd. Als dit tot problemen leidt kan bijstand in de vorm van
                            een lening worden verstrekt conform artikel 48 van de wet.</al><al>Versneld interen van vermogen wordt berekend naar de systematiek van
                            1,5x de norm per maand.</al><al><vet>§ 3.3 rechtmatigheid/ doelmatigheid</vet><vet>.</vet></al><al><vet>Artikel 18. Zeer ernstig misdragen</vet></al><al>De landelijke ontwikkelingen laten een toenemende dreiging van agressie,
                            geweld en intimidatie tegen hulp- en dienstverleners zien. Het
                            sanctiebeleid is gekoppeld aan het al eerder door het college
                            vastgesteld tolerantieschema. Dit schema voorziet in onder meer in een
                            afkoelperiode, een ordegesprek, het doen van justitiële aangifte (altijd
                            bij fysiek geweld), een gebouwverbod (ontzeggen toegang tot het gebouw
                            waarin de Sociale Zaken en/of UWV-WERKbedrijf is gehuisvest) en
                            dergelijke. </al><al>Bij agressie, niet zijnde hinderlijk gedrag waarvoor het
                            agressieprotocol een waarschuwing voorschrijft, in verband met:</al><lijst><li nr="·"><al>een aanvraagprocedure om uitkering wordt de aanvraag buiten
                                    behandeling gelaten en</al></li><li nr="·"><al>-een recht- en/of doelmatigheidsonderzoek wordt de uitkering
                                    beëindigd per de datum van misdraging.</al></li></lijst><al>Dit omdat het recht op uitkering door het gedrag van de belanghebbende
                            niet of niet langer vastgesteld kan worden. </al><al>Bij de te geven hersteltermijn wordt vermeld, dat een vervolggesprek pas
                            aan de orde kan zijn na het doorlopen van de procedure uit het
                            agressieprotocol. Bij het doen van een herhaalde aanvraag wordt de
                            belanghebbende er op gewezen dat van gewijzigde omstandigheden geen
                            sprake kan zijn zolang de procedure uit het agressieprotocol niet is
                            gevolgd. Als de belanghebbende weigert de procedure uit het
                            agressieprotocol te doorlopen, dan wordt de herhaalde aanvraag afgewezen
                            op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (aanvraag
                            afwijzen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking). </al><al>Als na een ernstige misdraging de uitkering van rechtswege zal worden
                            toegekend of hersteld per de datum van de misdraging, dan wordt de
                            uitkering verlaagd met 50% voor de duur van 2 maanden. Van deze
                            verlaging is af te zien, als na een ernstige misdraging de uitkering
                            ingaat per de datum waarop de procedure over afkoelperiode en
                            ordegesprek uit het agressieprotocol met goed gevolg is doorlopen. De
                            duur van de onderbreking, waarover de uitkering feitelijk is geweigerd,
                            is als hoogste vorm van sanctie aan te merken. </al><al>Dit strenge beleid is ingegeven uit een oogpunt van het voorkomen en
                            bestrijden van agressie en het verhogen van de veiligheid, gezondheid en
                            welbevinden van onze dienstverleners. </al><al><vet>§ 3.4 schending Arbeids- en/of re-integratieverplichting
                                doelmatigheid</vet><vet>.</vet></al><al><vet>Artikel 19. Geen of onvoldoende meewerken aan het verkrijgen of
                                behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</vet></al><al><vet>Verlaging van 100% gedurende 1 maand:</vet></al><al>De activiteiten die hier genoemd worden wegen allemaal zeer zwaar gelet
                            op de eigen verantwoordelijkheid van de uitkeringsgerechtigde om al
                            datgene te doen wat nodig en mogelijk is om in het eigen bestaan te
                            voorzien. Een tekortkoming van deze aard druist zo in tegen het centrale
                            uitgangspunt tot participatie naar vermogen, dat standaard een verlaging
                            van de uitkering wordt toegepast van 100% voor de duur van één maand.
                            Deze maatregel wordt redelijk en billijk geacht, omdat de belanghebbende
                            door het wijzigen van diens opstelling, houding of gedrag zelf in het
                            bestaan kan voorzien. Met name de gedraging het weigeren van een passend
                            re-integratieaanbod en het niet naar vermogen meewerken aan het
                            verrichten van de tegenprestatie moet gezien worden tegen het licht van
                            het sterk teruglopende participatiebudget, wat maakt dat het niet
                            waarderen van de financiële inzet t.b.v. re-integratie gewaardeerd moet
                            worden.</al><al>Het college kan op basis van individuele omstandigheden besluiten de
                            maatregel op te knippen in 2 maanden 50%.</al><al>In lid 3 worden een aantal gedragingen genoemd die gesanctioneerd worden
                            met 50% en in lid 5 wordt daar weer aan toegevoegd het ingeschreven
                            staan bij het UWV Werkbedrijf met 5%. Bij recidive wordt de duur van de
                            maatregel verdubbeld. </al><al>Voor alle maatregelen die betrekking hebben op doelmatigheid geldt dat
                            wanneer een belanghebbende bij herhaling geen gehoor geeft aan een
                            oproep om ergens te verschijnen in het kader hiervan, het onderzoek naar
                            doelmatigheid een onderzoek naar de rechtmatigheid wordt. Uit de
                            jurisprudentie van de CRvB blijkt dat er in deze situaties
                            gerechtvaardigd twijfel ontstaat naar het daadwerkelijk verblijven
                            binnen de gemeente van de belanghebbende nu deze steeds niet verschijnt
                            of anderszins laat blijken niet op de hoogte te zijn van afspraken. Er
                            moet dan een onderzoek worden gedaan naar het voortgezet recht op
                            uitkering. De uitkering kan beëindigd worden als dit recht op uitkering
                            niet langer vastgesteld kan worden door het herhaaldelijk niet reageren
                            op oproepen. </al></li></lijst><tussenkop>§ 4. Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik</tussenkop><al>In deze paragraaf is de verplichting uitgewerkt als bedoeld in artikel 8a van de
                    WWB: in het kader van goed financieel beheer regels opstellen voor de
                    bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en
                    oneigenlijk gebruik van de WWB. Deze regels moeten waarborgen dat aan de eisen
                    van rechtmatigheid wordt voldaan. Gelet op de financiële verantwoordelijk van de
                    gemeente is naast controle van de rechtmatigheid van de bijstand ook het
                    beheersen van het volume in de bijstand belangrijk. Een effectieve handhaving
                    vertaalt zich immers in een besparing op het inkomensdeel.</al><al>Het beleid voor handhaving is reeds lang ingericht naar het model van
                    hoogwaardig handhaven. Dit model voor integraal en hoogwaardig handhaven is
                    opgebouwd uit vier pijlers, waarvan twee preventief en twee repressief van aard
                    zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>goede en tijdige voorlichting over rechten en verplichtingen;</al></li><li nr="2."><al>het optimaliseren van de dienstverlening (creëren draagvlak voor
                            spontane</al></li></lijst><al> naleving WWB);</al><lijst><li nr="3."><al>het vroegtijdig achterhalen (detecteren) van oneigenlijk gebruik en
                            misbruik en</al></li><li nr="4."><al>het metterdaad straffen van oneigenlijk gebruik en misbruik.</al></li></lijst><al>Het college werkt de pijlers van hoogwaardig handhaven verder uit in
                    beleidsregels en richtlijnen voor de uitvoering.</al><al>Het rechtmatig verstrekken van uitkeringen, het voorkomen en het bestrijden van
                    oneigenlijk gebruik en misbruik van de WWB, IOAW, IOAZ en Bbz is gewaarborgd
                    door te werken naar de uitgangspunten van het landelijke model voor
                    programmatisch en hoogwaardig handhaven. De vier visievelden van dat model
                    worden in samenhang uitgevoerd. De nadruk ligt op preventie en
                    gedragsverandering (spontaan naleven verplichtingen). Voorkomen is beter dan
                    genezen.</al><tussenkop>fraudebedragen.</tussenkop><al>Ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bruto uitkering door
                    oneigenlijk gebruik of misbruik van de Wqv, IOAW, IOAZ of Bbz wordt in beginsel
                    volledig teruggevorderd volgens de door het college vastgestelde nadere regels
                    in het beleidskader terug- en invordering van kosten van bijstand. Deze regels
                    voorzien mede in het afzien van het terugvorderen van (marginale) kosten van
                    bijstand, de termijn waarover naar draagkracht moet worden terugbetaald en het
                    matigen dan wel afboeken (kwijtschelden) van terug te vorderen kosten van
                    bijstand. </al><tussenkop>§ 5. Toeslagen WWB</tussenkop><tussenkop>Systematiek normbedragen en toeslagen.</tussenkop><al>De hoogte van de bijstandsuitkering/-norm wordt bepaald door twee
                    componenten:</al><al>-de landelijk normbedragen en</al><al><vet>- </vet>de lokale toeslag op of verlaging van deze normbedragen.</al><al>De landelijke normbedragen zijn de in de WWB vastgelegde uitkeringsbedragen voor
                    de</al><al>verschillende soorten huishoudens en bepaalde leeftijdscategorieën. Er zijn
                    normbedragen</al><al>voor jongeren tot 21 jaar, voor mensen van 21 tot 65 jaar, voor mensen van 65
                    jaar en ouder</al><al>en voor personen in een inrichting ter verpleging of verzorging. </al><al>De normen zijn afgeleid van het wettelijk minimumloon en bedragen hiervan:</al><al>50% voor alleenstaanden</al><al>70% voor alleenstaande ouders</al><al>100% voor gezinnen.</al><al>De landelijke normbedragen voor personen van 21 tot 65 jaar kunnen door de
                    gemeente</al><al>worden verhoogd of verlaagd op grond van de in de WWB benoemde criteria en
                    moeten in een gemeentelijke verordening worden vastgesteld, de zogenaamde
                    toeslagenverordening.</al><al>Met de invoering van de gezinsbijstand per 1 januari 2012 vallen een aantal
                    bepalingen in de toeslagenverordening weg, omdat die specifiek gericht waren op
                    inwonende meerderjarige kinderen met een bepaald inkomen. Daarnaast is gekeken
                    naar een vereenvoudiging van de toeslagen vanwege een wens om een verminderde
                    regeldruk vanuit de overheid. </al><tussenkop>Artikel 26 aanvullende definities:</tussenkop><al>In deze verzamelverordening worden regels voor de WWB, IOAW, IOAZ en Bbz
                    samengevoegd. Omdat de toeslagenverordening alleen betrekking heeft op de WWB
                    uitkeringen worden in dit hoofdstuk van de verzamelverordening alle specifiek op
                    dit hoofdstuk betrekking hebbende definities toegevoegd. </al><lijst><li nr="b."><al>het normbedrag: in de wet worden bedragen genoemd die gekoppeld zijn aan
                            leeftijd en / of woonsituatie. Nieuw is vanaf 1 januari 2012 de
                            gezinsnorm waar dit eerst de gehuwdennorm was.</al></li><li nr="c."><al>en d. de toeslag of verlaging is nooit hoger dan 20% van de
                            gezinsnorm.</al></li><li nr="h."><al>zorgbehoevende: Voor het beoordelen van de zorgbehoevendheid kan
                            aansluiting worden gezocht bij een voor de belanghebbende afgegeven
                            indicatiestelling. De relatie zorgbehoevende en verzorger medebewoner
                            wordt mede getoetst aan de mogelijkheden binnen het traject van
                            voorzieningen als thuis-/ gezinszorg e.d. Van zorgbehoevenheid is dus
                            ook sprake bij en positieve indicatiestelling waarvoor een
                            zorginstelling (nog) niet aan de hulpvraag kan voldoen. Deze
                            uitzondering kan bijdragen aan het zelfstandig blijven wonen van
                            zorgbehoevenden.</al></li><li nr="i."><al>woonkosten: het gaat hier om alle met wonen samenhangende kosten, dus
                            zowel huur, hypotheek als kosten van energie en water. Gedeeltelijke
                            woonkosten betreft dan alleen of huur of b.v. energielasten.</al></li></lijst><tussenkop>artikel 27. Rechtsgronden.</tussenkop><al>De gemeente Oisterwijk maakt geen gebruik van de mogelijkheid tot het verlagen
                    van de landelijk vastgestelde <cursief>normbedragen </cursief>voor jongeren van
                    18 tot 21 jaar en voor alleenstaanden en alleenstaande ouders van 21 tot 65
                    jaar. Voor alleenstaande en alleenstaande ouders wordt de maximum toeslag
                    afwijkend vastgesteld binnen de bandbreedte 0 tot 20%.</al><al>De gemeente Oisterwijk maakt voorts geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot
                    het tijdelijk voor de duur van een half jaar verlagen van het normbedrag na
                    schoolverlaten. Dit uit een oogpunt van vereenvoudiging van de uitvoering.
                    Schoolverlaters verkrijgen hierdoor in</al><al>vergelijk met het inkomen uit WSF of WTOS gedurende het eerste half jaar na
                    schoolverlaten een hoger inkomen via de bijstand. Instroombeperking vanwege de
                    wachttijd van vier weken en de mogelijkheid tot het laten verrichten van een
                    tegenprestatie behoren er toe bij te dragen dat deze specifieke doelgroep geen
                    respectievelijk een kort beroep behoeven te doen op algemene bijstand.</al><al>Het "kunnen delen" van de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan wijst er
                    op, dat</al><al>in voorkomende gevallen niet bepalend is of ook feitelijk de bestaanskosten met
                    een ander</al><al>worden gedeeld, maar of het redelijk is ervan uit te gaan dat deze kosten kunnen
                    worden</al><al>gedeeld. Een toeslag is dus niet afhankelijk gesteld van het feit of een
                    medebewoner die</al><al>daartoe financieel in staat is, ook feitelijk een bijdrage levert in de
                    kosten.</al><al>Om een duidelijke en eenduidige uitwerking te verkrijgen is per leefvorm de mate
                    van</al><al>verhoging of verlaging van het normbedrag uitgewerkt. Hierdoor zijn de
                    aanspraken in één artikel per leefvorm te regelen. </al><tussenkop>Artikel 30: toeslag alleenstaanden en alleenstaande ouders</tussenkop><al>Lid 1 en 2: (20% toeslag voor een alleenstaande van 23 tot 65 jaar).</al><al>Deze bepaling voldoet aan de verplichting uit artikel 25 van de WWB die
                    voorschrijft dat bij</al><al>het niet kunnen delen van de noodzakelijke kosten van het bestaan met een ander,
                    aanspraak bestaat op de maximum toeslag van 20%. Dit voor zover er geen
                    samenloop is met een of meer andere rechtsgronden voor het afwijkend vaststellen
                    van de toeslag. </al><al>Lid 3 en 4: De toeslag kan afwijkend worden vastgesteld als de noodzakelijke
                    kosten van het bestaan kunnen worden gedeeld met een ander (art 25 WWB) of als
                    de woonsituatie daartoe aanleiding geeft waaronder begrepen het niet aanhouden
                    van een woning (art 27 WWB).</al><al>Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt door de toeslag bij “kosten delen” voor
                    de hoofdbewoner forfaitair vast te stellen op 10% van het netto minimumloon. In
                    vergelijk met een persoon die alleen een woning bewoont levert een gezamenlijke
                    huisvesting een schaalvoordeel op. Dit voordeel heeft zowel betrekking op
                    woonkosten (in uitgebreide of beperkte zin) als op alle andere uitgaven waarbij
                    gedacht wordt aan duurzame gebruiksgoederen, vaste lasten en diverse andere
                    kosten. Een geconcretiseerde</al><al>opsomming ervan is niet mogelijk, gelet op de verscheidenheid en aard van deze
                    kosten.</al><al>Wanneer sprake is van het commercieel delen van de woning met meer dan 2
                    personen wordt er van uit gegaan dat er sprake is van beroepsmatige verhuur en
                    zal geen toeslag worden toegekend. Als de inkomsten uit verhuur hoger zijn dan
                    20% van de gezinsnorm worden deze meer-inkomsten op de uitkering in mindering
                    gebracht.</al><al>Lid 5: er wordt geen toeslag toegekend bij het totaal ontbreken van woonkosten.
                    Denk hierbij aan kraakpanden of als iemand anders de woonkosten betaald. Bij
                    gedeeltelijke woonkosten moet gedacht worden aan wel huur maar geen andere
                    lasten of andersom.</al><tussenkop>Artikel 31: Toeslagenbeleid voor personen van 21 of 22 jaar.</tussenkop><al>Waarom krijgt een alleenstaande van 21-jaar geen toeslag en een alleenstaande
                    van 22-jaar een 5%-toeslag, terwijl hun algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan niet wezenlijk</al><al>verschillen?</al><al>Is een verschil in toeslag voor een 21- en 22-jarige alleenstaande te
                    rechtvaardigen als hun</al><al>algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet wezenlijk verschillen?</al><al>Ja, omdat een zodanige vergelijking niet redelijk en billijk is. De WWB schrijft
                    voor dat</al><al>alleenstaanden van 21 tot 65 jaar, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                    heeft en die</al><al>de kosten van het bestaan niet met een ander kan delen, recht heeft op een
                    lokale toeslag van maximaal 20% van het netto minimumloon. Voor deze doelgroep
                    is daarmee de bijstandsuitkering ter voorziening in de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan vastgesteld op70% van het netto minimumloon. De WWB
                    regelt voorts, dat voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar de toeslag afwijkend
                    kan worden vastgesteld als deze, gezien de hoogte van het minimumjeugdloon, een
                    belemmering kan vormen voor het aanvaarden van betaalde arbeid.</al><al>Om effecten van werkloosheidsval: situatie waarbij het aanvaarden van betaald
                    werk niet loont omdat de bijstandsuitkering hoger is dan het (minimumjeugd)loon
                    uit betaald werken, te</al><al>voorkomen dient er een juiste afstemming te zijn tussen de verdiencapaciteit van
                    jongeren en de bijstandsuitkering. De verdiencapaciteit in de vorm van het
                    minimumjeugdloon verschilt voor een 21- en 22-jarige alleenstaande. Gelet hierop
                    werd onder de werking van de Abw aan een alleenstaande van 21 jaar geen toeslag
                    en van 22-jaar een 5% toeslag verleend. In het verschil in verdiencapaciteit
                    ligt de verklaring voor het verschil in lokale toeslag.</al><tussenkop>Artikel 32: verlagen bijstandsnorm voor gezin</tussenkop><al>Gezinnen hebben in beginsel aanspraak op bijstand gelijk aan 100% van het netto
                    minimumloon. Gelet hierop is voor deze categorie voorzien in de mogelijkheid tot
                    het verlagen van die 100% bijstandsnorm met maximaal 20%.</al><al>Wanneer het gezin kosten kan delen met een derde, niet zijnde bloedverwant in de
                    eerste graad dan wordt in beginsel de uitkering verlaagd met 10%. Als er sprake
                    is van meer dan 2 commerciële huurders dan zal de uitkering worden verlaagd met
                    20% en worden eventuele meer inkomsten op de uitkering in mindering gebracht als
                    inkomen uit beroepsmatige verhuur.</al><tussenkop>Artikel 33: verlaging woonsituatie</tussenkop><al>De uitkering wordt verlaagd met 20% als er totaal geen woonkosten zijn en met
                    10% als er gedeeltelijke woonkosten zijn, zie artikel 30.</al><tussenkop>Artikel 34: zorgbehoevende</tussenkop><al>Als er sprake is van een inwonende zorgbehoevende of de hoofdbewoner behoeft
                    verzorging door de inwoner dan gaat men er fictief vanuit dat hiermee geen
                    kosten kunnen worden gedeeld. Dit heeft te maken met het feit dat er
                    maatschappelijke kosten uitgespaard worden doordat deze zorgbehoevenden thuis
                    verzorging kunnen krijgen.</al><tussenkop>Artikel 36 Anti-cumulatiebepaling.</tussenkop><al>Met deze bepaling wordt voorkomen, dat er door samenloop van toeslagen
                    zodanige</al><al>inkomenseffecten optreden waarvan op voorhand vaststaat dat de resterende
                    bijstand</al><al>ontoereikend is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.</al><al>Het korten van schaalvoordelen uit samenloop van de in artikel 2 genoemde
                    rechtsgronden</al><al>wordt beperkt voor zoveel door die samenloop de toeslag het percentage van 20
                    van het</al><al>minimumloon te boven gaat.</al><al>Wanneer zowel hoofd- als medebewoner op een bijstandsuitkering zijn aangewezen,
                    geldt voor beiden het regiem van de toeslagverordening. Voor een zorgbehoevende
                    blijft samenloop met een of meer andere rechtsgronden voor toeslag mogelijk. Dit
                    met in acht name van de anti-cumulatie van rechtsgronden voor verhoging of
                    verlaging.</al><al>De anti-cumulatie van rechtsgronden laat voorts onverlet de mogelijkheid tot het
                    anderszins</al><al>afstemmen van de bijstand op grond van artikel 18 WWB: het afstemmen van de
                    algemene</al><al>bijstand (norm plus eventuele toeslag) op grond van de omstandigheden,
                    mogelijkheden en</al><al>middelen van een belanghebbende. Dit betekent o.a. dat samenloop van het
                    toeslagenbeleid</al><al>met een bestuurlijke maatregel op grond van de afstemmingsverordening steeds
                    mogelijk is.</al><tussenkop>§ 6. Slotbepalingen</tussenkop><al>Deze artikelen behoeven geen nadere uitleg.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>