<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR14064_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Inspraakverordening gemeente Ede 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ede</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-10-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ede</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ede
                Stad 30-09-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening gemeente Ede 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 150</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-09-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-10-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2025-05-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>586096</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Inspraakverordening gemeente Ede 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Ede;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 14
                        juli 2009, kenmerk 586096;</al><al>gelet op artikel 150 van de Gemeentewet;</al><al>besluitvast te stellen de:</al><al><vet>Inspraakverordening gemeente Ede 2009</vet></al><al><vet>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij
                            de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de
                                voorbereiding van gemeentelijk beleid;</al></li><li nr="b."><al>inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt
                                gegeven;</al></li><li nr="c."><al>beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het
                                vaststellen of wijzigen van beleid;</al></li><li nr="d."><al>ruimtelijke plannen: plannen die vallen onder de Wet ruimtelijke
                                ordening en als ontwerp gedurende een periode van zes weken ter
                                inzage worden gelegd. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onderwerp van inspraak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden
                                of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk
                                beleid.</al></li><li nr="2."><al>Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.</al></li><li nr="3."><al>Geen inspraak wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                        vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li><li nr="b."><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                        uitgesloten;</al></li><li nr="c."><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving
                                        waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks
                                        beleidsvrijheid heeft;</al></li><li nr="d."><al>inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke
                                        dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van
                                        de Gemeentewet;</al></li><li nr="e."><al>indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate
                                        spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;</al></li><li nr="f."><al>indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang
                                        van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare
                                        groepen in de samenleving;</al></li><li nr="g."><al>ten aanzien van partiële bestemmingsplanherzieningen, tenzij
                                        het herzieningen betreft die een grote ruimtelijke impact
                                        hebben;</al></li><li nr="h."><al>ten aanzien van wijzigings- en uitwerkingsplannen (artikel
                                        3.6 Wro), tenzij het plannen betreft die een grote
                                        ruimtelijke impact hebben.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inspraakgerechtigden</titel></kop><al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inspraakprocedure</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                bestuursrecht van toepassing met dien verstande dat de termijn voor
                                het ter inzage leggen van de stukken en het naar voren brengen van
                                zienswijzen met betrekking tot ruimtelijke plannen vier weken
                                bedraagt.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan kan besluiten tot het toepassen van een andere
                                inspraakprocedure dan bedoeld in het eerste lid, indien de aard van
                                een beleidsvoornemen dat vereist.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eindverslag</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een
                                eindverslag op.</al></li><li nr="2."><al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al></li><li nr="b."><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak
                                        mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al></li><li nr="c."><al>een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed
                                        wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing
                                        van het beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                                openbaar.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn
                                burgerjaarverslag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Inspraakverordening gemeente Ede, vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni
                        2006, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van
                        de bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening gemeente Ede
                        2009.</al></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Inspraakverordening gemeente Ede</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 150 van de Gemeentewet</tussenkop><al>Sinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de raad de
                    verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. Deze verordening
                    is gebaseerd op de modelinspraakverordening van de Vereniging van Nederlandse
                    Gemeenten (VNG).</al><tussenkop>Afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht</tussenkop><al>De procedure is inhoudelijk gebaseerd op de uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
                    Een en ander heeft geleid tot harmonisatie en systematisering van de
                    bestuurspraktijk met betrekking tot inspraakprocedures. Wel wordt de
                    mogelijkheid geboden om bij afzonderlijk besluit af te wijken van de
                    standaardprocedure. Daarmee wordt beoogd afhankelijk van de aard, de schaal en
                    de reikwijdte van het beleidsvoornemen alsmede de behoefte van het
                    gemeentebestuur om de mening van de ingezetenen en belanghebbenden te vernemen,
                    de inspraakprocedure desgewenst flexibel toe te passen.</al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>Inspraak: Er zijn veel omschrijvingen van het begrip inspraak. Bij de in
                            dit artikel opgenomen formulering is aangesloten bij de tekst van
                            artikel 150 van de Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel van de
                            voorbereiding en uitvoering van het gemeentelijk beleid en heeft een
                            tweeledig doel. Enerzijds wordt aan belanghebbenden de mogelijkheid
                            geboden om hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te maken.
                            Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk hulpmiddel
                            in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding noodzakelijke
                            belangenafweging. Inspraak is overeenkomstig artikel 150 van de
                            Gemeentewet ‘eenzijdig’ gedefinieerd, dat wil zeggen dat geen
                            gedachtenwisseling met het bestuursorgaan is inbegrepen.</al></li><li nr="b."><al>Inspraakprocedure: De verantwoordelijkheid voor het maken van een
                            regeling over inspraak ligt ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij
                            de raad. In artikel 4, eerste lid is de afdeling 3.4 Awb van toepassing
                            verklaard met dien verstande dat de termijn voor het ter inzage leggen
                            van de stukken en het naar voren brengen van zienswijzen met betrekking
                            tot ruimtelijke plannen vier weken bedraagt. Artikel 4, tweede lid,
                            geeft het bestuursorgaan ruimte om een andere procedure te volgen. Het
                            bestuursorgaan is immers verantwoordelijk voor uitvoering, de nadere
                            regeling en organisatie van de inspraak.</al></li><li nr="c."><al>Beleidsvoornemen: Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het
                            voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van
                            beleid. Het zal duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de
                            vaststelling van concrete besluiten of maatregelen, maar om de vorming
                            van het beleid waarop deze kunnen worden gebaseerd.</al></li><li nr="d."><al>Ruimtelijke plannen: Het betreft hier plannen die vallen onder de Wet
                            ruimtelijke ordening en op grond van de zelfde wet als ontwerp ter
                            inzage gelegd worden gedurende een periode van zes weken. Voor deze
                            plannen is de periode van inspraak terug gebracht naar vier weken.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</cursief></al><al>In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen
                    bevoegdheden besluit of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van
                    gemeentelijk beleid. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1:1,
                    eerste lid, van de Awb. Het omvat in elk geval raad, college en burgemeester.
                    Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen beleidsvoornemens aan inspraak
                    onderwerpen. In de MvT (TK 1999-2000, 27 023, nummer 3, blz. 20) is vermeld dat
                    het ter volledige beoordeling van de gemeenteraad blijft ten aanzien van welke
                    beleidsvoornemens inspraak wordt verleend. Omdat het in bepaalde gevallen
                    doelmatiger zal kunnen zijn als inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld
                    spreekrecht bij raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste
                    lid de mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze
                    van inspraak wordt geregeld. </al><al> In het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien een
                    wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Wij hebben ervan afgezien om al deze
                    gevallen te benoemen in de tekst van artikel 2 zelf, omdat in de eerste plaats
                    bij een nieuwe wettelijke verplichting direct de verordening moet worden
                    aangepast en in de tweede plaats het een dermate uitgebreide opsomming is dat de
                    verordening hiermee onoverzichtelijk wordt. </al><al>Wettelijke verplichtingen tot het bieden van inspraak bestaan nu bijvoorbeeld
                    bij:</al><lijst><li nr="."><al>de voorbereiding van een ontwikkelingsprogramma stedelijke vernieuwing
                            (artikel 7 van de Wet stedelijke vernieuwing);</al></li><li nr="."><al>de voorbereiding van het gemeentelijk milieubeleidsplan (artikel 4.17,
                            derde lid van de Wet Milieubeheer (Wm);</al></li><li nr="."><al>de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een
                            afvalstoffenverordening die afwijkt van artikel 10.21 van de Wm (artikel
                            10.26, tweede lid van de Wm);</al></li><li nr="."><al>de plannen en beleidsverslagen gericht op de realisatie en vormgeving
                            van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de Wet Werk en Bijstand,
                            de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers (artikel 42);</al></li><li nr="."><al>de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing als
                            bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a. en b. van de Woningwet
                            (artikel 12, vierde lid Woningwet). </al></li></lijst><al>In het derde lid is opgenomen wanneer geen inspraak wordt verleend. Het derde
                    lid onder g en h, ziet op het schrappen van inspraak voor de zogenaamde ‘kleine’
                    ruimtelijke plannen (partiële bestemmingsplanherzieningen) en wijzigings- en
                    uitwerkingsplannen. De procedures op het gebied van de ruimtelijke ordening
                    vormen een specifieke categorie in beleidsvoornemens. In de ruimtelijke
                    ordeningsprocedures is regelmatig sprake van inspraak alhoewel inspraak over
                    ruimtelijke plannen niet wettelijk verplicht is. Sinds 1 juli 2008 geldt de
                    nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro). Eén van de doelstellingen van de Wro is
                    het verkorten van de procedures. Bij partiële bestemmingsplanherzieningen gaat
                    het doorgaans om particuliere initiatieven die betrekking hebben op één perceel
                    en van ondergeschikte betekenis zijn. Deze zijn over het algemeen gebaat bij een
                    zo kort mogelijke doorlooptijd. In de praktijk blijkt dat de inspraakprocedure
                    voor deze plannen geen toegevoegde waarde heeft, omdat belanghebbenden in twee
                    instanties (inspraak en zienswijzen) dezelfde bezwaren naar voren brengen en op
                    die manier komen tot een herhaling van zetten. Voor de wijzigings- en
                    uitwerkingsplannen wordt over het algemeen al inspraak gevoerd in het kader van
                    het moederplan. Uit een oogpunt van deregulering en ter voorkoming van doublures
                    wordt voor dergelijke plannen dan ook geen inspraakprocedure gevolgd.
                    Uitgezonderd zijn die zaken die een zodanige ruimtelijke impact hebben, dat ze
                    wel voor inspraak in aanmerking dienen te komen. Voor deze gevallen voorziet de
                    inspraakverordening in een regeling die het college de mogelijkheid geeft om
                    alsnog inspraak toe te passen voor een specifiek plan. </al><al>Een kanttekening die hier geplaatst moet worden is de volgende. In het Besluit
                    ruimtelijke ordening is een zogenaamde verantwoordingsplicht opgenomen ten
                    aanzien van bestemmingsplannen (artikel 3.1.6 Bro). Deze verantwoordingsplicht
                    houdt in dat in een toelichting behorende bij een bestemmingsplan dient te
                    worden aangegeven hoe burgers en maatschappelijke organisaties zijn betrokken
                    bij de voorbereiding daarvan. Met deze bepaling wordt beoogd de betrokkenheid
                    van burgers en maatschappelijke organisaties te garanderen, zonder tot in detail
                    voor te schrijven hoe deze betrokkenheid dient te worden vormgegeven. Dit
                    betekent dat indien geen inspraak wordt verleend, burgers en maatschappelijke
                    organisaties op een andere wijze bij het plan moeten worden betrokken. De wijze
                    waarop dit gebeurt wordt overgelaten aan het gemeentebestuur. Wanneer het gaat
                    om particuliere initiatieven zou er bijvoorbeeld voor gekozen kunnen worden om
                    de aanvrager te verzoeken de omwonenden op de hoogte te stellen van de plannen.
                    Van de wijze waarop met de verantwoordingsplicht is omgegaan, wordt verslag
                    gedaan in de toelichting op het bestemmingsplan zodat een ieder hiervan kennis
                    kan nemen. </al><tussenkop>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</tussenkop><al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst
                    van artikel 150 van de Gemeentewet. In de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb zijn de woorden ‘in de gemeente een belang hebbende
                    natuurlijke en rechtspersonen’ vervangen door: belanghebbenden. Het begrip
                    ‘belanghebbende’ is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook
                    gelding voor wetgeving buiten de Awb.</al><tussenkop>Artikel 4 Inspraakprocedure</tussenkop><al>Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de Awb
                    van toepassing verklaard op de inspraak. In artikel 3:11 tot en met 3:17 Awb is
                    de inspraakprocedure te vinden. Na terinzagelegging en bekendmaking van het
                    beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken schriftelijk of
                    mondeling hun zienswijze naar voren brengen. Voor ruimtelijke plannen geldt
                    echter een termijn van vier weken voor terinzagelegging en het indienen van
                    zienswijzen. In de praktijk blijkt dat een termijn van vier weken voldoende is.
                    In de meeste gevallen zal deze procedure passend zijn voor de inspraak. Reden
                    hiervoor is dat deze plannen ook als ontwerp gedurende een periode van zes weken
                    ter inzage worden gelegd en de mogelijkheid wordt geboden om zienswijzen in te
                    dienen. Indien vier weken niet voldoende blijkt te zijn, dan kan op grond van
                    het tweede lid de inspraakprocedure worden aangepast. </al><al>In het tweede lid is bepaald dat van de hoofdregel in lid 1 kan worden
                    afgeweken. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan het verlenen van
                    participatie en/of inspraak bij bepaalde grootschalige en/of ingrijpende nieuwe
                    planologische ontwikkelingen. </al><tussenkop>Artikel 5 Eindverslag</tussenkop><al>In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb. Onder het in
                    het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de gevolgde inspraakprocedure
                    wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is afdeling 3.4 Awb
                    onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter inzage gelegd
                    enz.?</al><al>Onderdeel b. betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te
                    bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De
                    schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In de MvT
                    bij de Awb wordt opgemerkt dat in het verslag kan worden volstaan met een korte
                    zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van de
                    personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht. Onder c. wordt als het
                    sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het bestuursorgaan aangeeft wat met de
                    zienswijzen wordt gedaan.</al><al>In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de
                    gebruikelijke wijze openbaar maakt. Het ligt voor de hand om degenen die hebben
                    ingesproken een exemplaar van het eindverslag te sturen. Daarnaast kan het
                    eindverslag algemeen worden gepubliceerd in Ede-stad en op de gemeentelijke
                    website. Als het aantal insprekers omvangrijk is, kan worden gekozen voor het
                    volstaan met een algemene bekendmaking. Het is aan te bevelen om tijdens de
                    inspraakavond al duidelijkheid omtrent de communicatie te verschaffen.</al><al>In het vierde lid wordt de burgemeester verplicht om het eindverslag te
                    vermelden in zijn burgerjaarverslag overeenkomstig artikel 170, tweede lid,
                    aanhef en onder b, van de Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 6 Intrekking oude verordening</tussenkop><al>Met deze bepaling wordt de bestaande inspraakverordening ingetrokken. De datum
                    waarop de oude verordening vervalt, is de datum waarop de verordening in werking
                    treedt (zie artikel 7).</al><al><cursief>Artikel 7 Inwerkingtreding</cursief></al><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de
                    bekendmaking.</al><al>De inspraakverordening gemeente Ede, vastgesteld op 8 juni 2006 wordt
                    ingetrokken met ingang van de dag dat deze verordening in werking treedt. </al><tussenkop>Artikel 8 Citeertitel</tussenkop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening gemeente Ede
                    2009.</al><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad der gemeente Ede, gehouden
                    op 17 september 2009, nr. V.R. 2009/38.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>