<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR138973_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toelichting op de (model) Bouwverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hengelo</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-05-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hengelo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toelichting op de (model) Bouwverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-03-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-03-27</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-02-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Toelichting op de (model) Bouwverordening
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Inleidende bepalingen</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <vet>TOELICHTING OP DE (MODEL) BOUWVERORDENING</vet>
            </al>
            <al>(Actueel tot en met 14e wijzigingen MBV VNG)</al>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.1</nr>
              <titel>Begripsomschrijvingen</titel>
            </kop>
            <al>
              <cursief>Bouwtoezicht</cursief>
            </al>
            <al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester
                            en wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving
                            van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de
                            Woningwet. Op grond van artikel 5.10, lid 3 Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht (Wabo) wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan
                            die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                            krachtens hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet.</al>
            <al>Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op
                            rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen
                            in beginsel bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de
                            toezichtbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau
                            kunnen onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt.</al>
            <al>De Wabo is, zoals de Woningwet dit al vele jaren is, een lex specialis
                            ten opzichte van de Awb. De Wabo-toezichthouders moeten ambtenaren zijn,
                            zoals dit ook het geval is met de Woningwet. De ingehuurde
                            toezichthouders die geen ambtenaar zijn, zijn onrechtmatig aangewezen.
                            Zij verrichten hun werkzaamheden voor de gemeente onrechtmatig, wat
                            consequenties heeft voor hun bevoegdheden, het bewijsrecht e.d. </al>
            <al>Artikel 1.2, lid 1, onder g van de Collectieve
                            arbeidsvoorwaardenregeling en de Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) maakt
                            het echter mogelijk om toezichthouders die aangesteld moeten zijn als
                            ambtenaar om hun toezichthoudende taken te mogen uitoefenen, onbezoldigd
                            aan te stellen zonder dat de CAR-UWO op hen van toepassing wordt. Op
                            basis daarvan kunnen gemeenten dus toezichthouders inhuren via
                            particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar.</al>
            <al>De toezichthouder kan een aanstelling als buitengewoon
                            opsporingsambtenaar krijgen, als deze voldoet aan de daartoe gestelde
                            eisen. </al>
            <al>Zie hiervoor:
                            http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingsambtenaar.Zie
                            over dit onderwerp ook de VNG-ledenbrief: Uitbreiding art. 1:2 CAR:
                            (Lbr.07/17, CvA/LOGA 07/04) (5 april 2007)</al>
            <al>
              <cursief>Bouwwerk en gebouw</cursief>
            </al>
            <al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van
                            de als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term
                            bouwwerk wordt bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de
                            jurisprudentie. </al>
            <al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                            bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in
                            artikel 1 van de Woningwet.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.3</nr>
              <titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel>
            </kop>
            <al>
              <cursief>Algemeen</cursief>
            </al>
            <al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking
                            van de daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op
                            grond van de nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor
                            de bebouwde kom.</al>
            <al>Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen,
                            indien voor het betreffende gebied geen grote veranderingen worden
                            verwacht. Een beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond
                            van overgangsrecht dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan
                            nieuwe stijl of beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de
                            gemeente.</al>
            <al>De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige
                            bepalingen voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van
                            de Woningwet bevat een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en
                            bouwverordening. Zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening voor
                            de bebouwde kom van kracht is, kan het oude artikel 1.3 worden
                            gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan voor de bebouwde
                            kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop gebaseerde
                            kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt
                            vastgesteld, dient te worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de
                            bouwverordening daarop moet worden afgestemd of wellicht overbodig is
                            geworden. </al>
            <al>Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden
                            binnen de gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met
                            voor elk gebied een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5
                            van deze toelichting.</al>
            <al>
              <cursief>Alternatief 1</cursief>
            </al>
            <al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                            binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en
                            waarin ook geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al>
            <al>
              <cursief>Alternatief 2</cursief>
            </al>
            <al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                            binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en
                            waarin geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al>
            <al>
              <cursief>Alternatief 3</cursief>
            </al>
            <al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                            binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw,
                            maar wel een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken
                            - is vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of
                            een terrein voor zware industrie.</al>
            <al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen
                            heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken uit te
                            sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende
                            besluit niet dan nadat op het voornemen inspraak is verleend en het
                            advies van de welstandscommissie is ingewonnen. De inspraak als bedoeld
                            in het eerste lid vindt plaats op de wijze voorzien in de krachtens
                            artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening.</al>
            <al>
              <cursief>Alternatief 4</cursief>
            </al>
            <al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                            binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en
                            ook een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is
                            vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een
                            terrein voor zware industrie (zie ook de toelichting bij alternatief
                            3).</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Omgevingsvergunning voor het bouwen</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <cursief>Algemeen</cursief>
            </al>
            <al>
              <cursief>Regeling omgevingsrecht</cursief>. </al>
            <al>De indieningvereisten staan vermeld in artikel 7.2 van de Regeling
                            omgevingsrecht (Mor). De Mor vervangt op dit punt het Besluit
                            indieningvereisten aanvraag bouwvergunning. </al>
            <al>De indiening van de in art. 7.2 Mor en andere voor de beoordeling van de
                            aanvraag noodzakelijke gegevens kan het bevoegd gezag verlangen op grond
                            van art. 4.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto art. 4.4 Besluit
                            omgevingsrecht (Bor).</al>
            <al>
              <cursief>Wet BIBOB</cursief>
            </al>
            <al>De Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur
                            (BIBOB), Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb.
                            2003, 180 zijn per 1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216) en
                            nadien gewijzigd, laatstelijk in 2011. Deze wet houdt in dat na
                            ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen,
                            door het bevoegd gezag wordt beoordeeld of over de aanvrager een
                            integriteitadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau
                            ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek
                            te doen naar de antecedenten van de aanvrager - zowel natuurlijke als
                            rechtspersonen - en naar de herkomst van de gelden waarmee het
                            bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor het bevoegd
                            gezag aanleiding zijn de omgevingsvergunning te weigeren. </al>
            <al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien
                            een advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor
                            de behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het
                            bouwen met maximaal acht weken op (4 weken + verlenging 4 weken);
                            artikelen. 15 en 31 Wet Bibob).</al>
            <al>
              <cursief>Algemene wet bestuursrecht</cursief>
            </al>
            <al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het
                            rechtsverkeer tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen
                            besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de
                            voorbereiding van besluiten van belang voor de te volgen procedure. Dit
                            geldt onder meer voor de gevallen waarin Afdeling 3.4 over de uniforme
                            openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is.</al>
            <al>
              <cursief>Wet ruimtelijke ordening</cursief>
            </al>
            <al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter
                            vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). </al>
            <al>De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet
                            kunnen voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit
                            paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel
                            (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van belang voor voertuigen van
                            hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen bereiken) en de
                            bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat
                            of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een
                            bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4,
                            vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt.
                            Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van dit
                            hoofdstuk vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en
                            10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is
                            opgelost.</al>
            <al>
              <cursief>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag
                                omgevingsvergunning voor het bouwen</cursief>
            </al>
            <al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond
                            van art. 3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een
                            verzoek om een omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager
                            gemotiveerd verzoeken bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te
                            leggen. De gegevens die op grond van de Wabo ter inzage liggen zijn de
                            zakelijke gegevens die nodig zijn bij de beoordeling van het ingediende
                            bouwplan.</al>
            <al>De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet
                            ter inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen
                            de antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die
                            in het te bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze
                            gegevens zijn gevoelig voor misbruik en liggen niet ter inzage.</al>
            <al>
              <cursief>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</cursief>
            </al>
            <al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                            omgevingsvergunning. De bouwvergunning maakt deel uit van de
                            omgevingsvergunning en wordt in de MBV aangeduid als omgevingsvergunning
                            voor het bouwen (art. 2.1 Wabo) De Wabo heeft gevolgen voor de
                            vergunningen en ontheffingen van de bouwverordening. De MBV is met de
                            13e serie van wijzigingen zgn. Wabo-proof gemaakt. De gefaseerde
                            behandeling van een vergunningaanvraag en de vergunningverlening zoals
                            bekend onder de Woningwet, is ook onder de Wabo mogelijk ten aanzien van
                            de omgevingsvergunning.</al>
          </structuurtekst>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.1</nr>
              <titel>Gegevens en bescheiden</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.5</nr>
                <titel>Bodemonderzoek</titel>
              </kop>
              <al>
                <cursief>Inleiding</cursief>
              </al>
              <al>De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te
                                bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel
                                2.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit
                                artikel is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route
                                van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde
                                normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de
                                Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.</al>
              <al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een
                                uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat vermeld in de
                                toelichting bij artikel 2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in
                                combinatie met elkaar te lezen.</al>
              <al>Lid 1</al>
              <al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het
                                milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN
                                5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten
                                behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een
                                eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek
                                naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                                onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid
                                besluiten af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het
                                verkennend onderzoek. Letter c richt zich specifiek op het onderzoek
                                naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet
                                toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN
                                5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al>
              <al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger
                                een beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan
                                vragen. Thans wordt dit beschouwd als een interne organisatorische
                                kwestie van de gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke
                                beoordeling te vragen kan nog steeds als dienstverlening aan de
                                burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend dat en waar een
                                dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling
                                of dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een
                                private organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde
                                werkzaamheden heeft uitbesteed.</al>
              <al>Lid 3</al>
              <al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu
                                een bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. Er komt geen
                                afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De
                                omgevingsvergunning van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is
                                er immers op gericht alles in één brede omgevingsvergunning te
                                regelen. De mogelijkheid om geen onderzoeksgegevens op te vragen
                                wordt geboden door artikel 4.4, lid 2 Bor.</al>
              <al>Lid 4</al>
              <al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei
                                zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik.
                                Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen kan
                                worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een
                                onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen.</al>
              <al>Lid 5</al>
              <al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek
                                plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en
                                eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een
                                bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd.</al>
              <al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd
                                kan worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning
                                voor het bouwen. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die
                                ook later kunnen worden ingediend. </al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.4</nr>
              <titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.4.1</nr>
                <titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</titel>
              </kop>
              <al>
                <cursief>Algemeen</cursief>
              </al>
              <al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan
                                de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening
                                voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op
                                verontreinigde bodem. In het derde lid van genoemd artikel 8 is
                                uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen
                                te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit derde lid
                                duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is
                                toegestaan.</al>
              <al>De indieningvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag
                                om een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het
                                bodemonderzoek behoort, staan in de Regeling omgevingsrecht. De
                                structuur is als volgt:</al>
              <al>Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een
                                onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd,
                                aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht. </al>
              <al>Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden
                                waarover het bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te
                                worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn
                                verstrekt in de periode dat de Wabo nog niet in werking was
                                getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring worden gehouden
                                als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene
                                bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de
                                volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden
                                die de aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze al in
                                het bezit van het bevoegd gezag zijn.</al>
              <al>Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                                bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan
                                worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de
                                vergunningverlening, wordt de aanvrager in overeenstemming met
                                artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid gesteld de ontbrekende
                                gegevens aan te vullen. </al>
              <al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het
                                bevoegd gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen
                                dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden
                                verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt
                                hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens
                                en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht. </al>
              <al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk
                                vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid
                                en gezondheid zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in
                                1901 belangrijke grondslagen van de wet. Gelet op de uitgangspunten
                                van de Woningwet, kan de schade voor het milieu geen motief zijn
                                voor de voorschriften in de bouwverordening met betrekking tot het
                                tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in tegenstelling
                                tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele
                                eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat. </al>
              <al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van
                                belang. Deze wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel
                                milieueisen, bouw- en sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de
                                Wabo.</al>
              <al>
                <cursief>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</cursief>
              </al>
              <al>De inhoud van dit artikel zal met de eerste wijziging (2013) van het
                                Bouwbesluit 2012 in het Bouwbesluit worden opgenomen. Thans wordt
                                bezien hoe het begrip ‘waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend
                                personen zullen verblijven’ kan worden geconcretiseerd.</al>
              <al>Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften
                                is dat niet wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd
                                is, dat hierdoor gevaar voor de gezondheid van personen
                                ontstaat.</al>
              <al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of
                                nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie
                                van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het
                                tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809,
                                nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin
                                dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven,
                                bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij
                                'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of
                                meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee
                                of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode
                                dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het
                                gebouw.</al>
              <al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen
                                of kweken van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen ten
                                behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en
                                gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de
                                Memorie van toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken
                                waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven.
                                De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen aanwezig
                                zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort
                                durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die
                                gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het
                                verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag
                                (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van
                                Kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van
                                het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend of
                                nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet
                                geldt voor een schuur of garage bij een woning.</al>
              <al>Bouwwerken die de grond niet raken</al>
              <al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van
                                een extra verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt
                                in dit kader ook vergunningplichtige inpandige verbouwingen,
                                werkzaamheden aan een fundering of het maken van een kelder als
                                voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan met een
                                functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden
                                geëist.</al>
              <al>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van
                                bodemverontreiniging</al>
              <al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag om te beslissen
                                of bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden
                                gebouwd. </al>
              <al>Gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten,
                                die daartoe zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van
                                de te nemen saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig
                                geval van verontreinigde grond zijn. </al>
              <al>Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming
                                (Besluit van 12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de
                                toepassing van delen van deze wet worden gelijk gesteld met een
                                provincie (art. 88, zevende lid Wet bodembescherming). Het gevolg is
                                dat de provincie bevoegd gezag is en dat de vier grote steden op
                                grond van de Wbb plus nog 25 aangewezen gemeenten bevoegd gezag zijn
                                krachtens genoemd Besluit.</al>
              <al>Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet
                                bodembescherming overgegaan naar de Waterwet.</al>
              <al>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</al>
              <al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk
                                vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van
                                verontreiniging geldt er voor de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                geen aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op
                                de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval
                                van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn
                                van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de
                                gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd
                                gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen
                                formeel kan weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met
                                het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen
                                worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2
                                van MBV.</al>
              <al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                                aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de
                                Wet bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het
                                saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen
                                op de bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de
                                regel verleend kunnen worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend
                                op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het
                                goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                                getroffen.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.4.2</nr>
                <titel>Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</titel>
              </kop>
              <al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het
                                oordeel van het bevoegd gezag toch nog sprake is van een
                                onaanvaardbare verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke
                                gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak van
                                saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                                verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al>
              <al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het
                                terrein verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen.</al>
              <al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan
                                aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden
                                en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als
                                saneringsvoorwaarden valt te denken aan:</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en
                                        dampremmende laag wordt aangebracht;</al></li>
                <li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt
                                        afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een
                                        schone bodemlaag;</al></li>
                <li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het
                                        grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren
                                        na de totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt
                                        gehouden.</al></li>
              </lijst>
              <al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                                verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor
                                het bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze
                                bij het overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het
                                bouwen voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft
                                hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden.</al>
              <al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                                bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden
                                afgedaan.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.5</nr>
              <titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <cursief>Algemeen</cursief>
              </al>
              <al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter
                                vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De
                                Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet
                                kunnen voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit
                                paragraaf 2.5. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30). Twijfel
                                bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in
                                een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel
                                9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in
                                werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige
                                voorschriften van paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog blijven
                                bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven
                                bestaan totdat het gemelde probleem is opgelost.</al>
              <al>Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk.
                                Gemeenten die dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover
                                planologische onderwerpen zijn geregeld in een bestemmingsplan,
                                treedt voor die onderwerpen de bouwverordening terug (art. 9
                                Woningwet).</al>
              <al>
                <cursief>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het
                                    bestemmingsplan</cursief>
              </al>
              <al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent
                                dat deze paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen
                                bestemmingsplan voorhanden is, of indien het desbetreffende
                                bestemmingsplan niet-vergelijkbare voorschriften van
                                stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een slechts ten
                                dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                                bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms
                                is het moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan
                                exclusief wil zijn ten opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft de
                                Woningwet wel enige duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '...,
                                tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.' Het
                                primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter
                                eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp
                                betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het
                                geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander van
                                geval tot geval bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan
                                de orde, dan vullen de stedenbouwkundige bepalingen (inclusief het
                                afwijken hiervan) uit de bouwverordening het bestemmingsplan
                                aan.</al>
              <al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de
                                bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te
                                worden uitgevoerd:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot
                                        een onderwerp dat tevens in de bouwverordening wordt
                                        gereguleerd? Luidt het antwoord ontkennend, dan dient
                                        vervolgens de vraag te worden gesteld of,</al></li>
                <li nr="b."><al>het bestemmingsplan aanvullende werking van de
                                        bouwverordening ten aanzien van het desbetreffende, niet in
                                        het bestemmingsplan gereguleerde, onderwerp expliciet
                                        uitsluit. Luidt ook het antwoord op deze vraag ontkennend,
                                        dan dient ten slotte te worden bezien of,</al></li>
                <li nr="c."><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen
                                        met de voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat
                                        aanvullende werking van de bouwverordening tot gevolg heeft
                                        dat de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt,
                                        geheel of nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit het
                                        geval, dan dient aanvullende werking van de bouwverordening
                                        alsnog op grond van artikel 9, eerste lid van de Woningwet
                                        te worden afgewezen.</al></li>
              </lijst>
              <al>
                <cursief>Wet ruimtelijke ordening</cursief>
              </al>
              <al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5.
                                van de bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2
                                onder Wro is hierop ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van
                                artikel2.5.30 (parkeren) wijzen wij op het uitstel van de
                                inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde lid Invoeringswet Wro.
                                Zoals uit de eerder vermelde toelichting blijkt, blijven dit artikel
                                vooralsnog in de MBV bestaan.</al>
            </structuurtekst>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.2</nr>
                <titel>Anti-cumulatiebepaling</titel>
              </kop>
              <al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de
                                bouwverordening dan wel in een bestemmingsplan bij een bepaald
                                gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens
                                meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw,
                                waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt
                                vooral in het buitengebied betekenis te hebben.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.5</nr>
                <titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone
                                waarin de weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden
                                genoemd. Indien in gebieden van de gemeente waarvoor geen
                                bestemmingsplan geldt, wegen zouden voorkomen van meer dan 30 meter
                                breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient het de voorkeur om
                                het onder b bepaalde als volgt te redigeren:</al>
              <al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a
                                bedoeld, aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen
                                        op een afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as
                                        van de weg;</al></li>
                <li nr="-"><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste
                                        10 meter bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van
                                        de weg;</al></li>
                <li nr="-"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op
                                        10 meter uit de as van de weg.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.6</nr>
                <titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de
                                lijn die - behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de
                                wegzijde (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                                (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om
                                misverstand te voorkomen - een direct verbod tot bouwen met
                                overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen. Vergunningvrije
                                bouwwerken worden niet getoetst aan het bestemmingsplan, zie art.
                                3.25 Wro. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.7</nr>
                <titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan
                                in toenemende mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en
                                vergunningplichtige werken. In onderdeel a komt de keuze tot
                                uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die ook uit de
                                wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een
                                vergunningvrij bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel
                                uitmaakt van een (meeromvattend) vergunningplichtige bouwplan. Deze
                                'totaal-benadering' houdt echter niet in dat de vergunning dan ook
                                mag worden geweigerd louter op dat onderdeel dat op zichzelf
                                beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van samenloop gaat het
                                zwaarste regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van
                                vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6,
                                p. 18). De redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                                bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als
                                vrij bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn. Ingeval
                                deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch om het
                                verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van
                                toepassing te laten zijn. De voor dit artikel van belang zijnde
                                beperking, die artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht kent betreft een uitbreiding van het bebouwd
                                oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar bedoelde veranderingen mag
                                er geen sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak.
                                Elke vergroting van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking
                                van de rooilijnvoorschriften zou toenemen, blijft dus
                                vergunningplichtig.</al>
              <al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting
                                behoort. De bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als
                                veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II
                                bij het Besluit omgevingsrecht, kunnen worden beschouwd:</al>
              <al>1. uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven
                                straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m
                                overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters
                                en gevellijsten, plinten, enigszins uitstekende schoorsteenwanden en
                                hemelwaterafvoeren; </al>
              <al>2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven
                                straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m
                                overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten,
                                dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels. Indien
                                uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden
                                dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zal het bevoegd gezag dus in
                                het algemeen overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in
                                een bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van
                                rooilijnen, toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake
                                de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de bouwverordening van kracht zijn
                                verklaard, dan verdient het aanbeveling om onderdeel a van artikel
                                2.5.7 aan te vullen met de tekst van de voorgaande punten 1 en 2
                                (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te
                                weten:'. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.8</nr>
                <titel>Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent
                                artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat
                                er geen bestemmingsplan of beheerverordening in voorbereiding is en
                                geen van de omstandigheden als genoemd in art. 3.3 Wabo aan de orde
                                is.</al>
              <al>
                <cursief>Lid 1, ad b</cursief>
              </al>
              <al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te
                                verlenen in afwijking van het verbod tot het bouwen met
                                overschrijding van de voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen
                                voorterrein plaatsen van beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.9</nr>
                <titel>Bouwen op de weg</titel>
              </kop>
              <al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                                omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het
                                Besluit omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het
                                misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor
                                zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2, Bijlage II,
                                Besluit omgevingsrecht uit te sluiten. </al>
              <al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.10</nr>
                <titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel>
              </kop>
              <al>
                <cursief>Lid 4, onder a</cursief>
              </al>
              <al>Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan
                                bijvoorbeeld complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals
                                kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen vallen.</al>
              <al>
                <cursief>Lid 4, onder f</cursief>
              </al>
              <al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                                zolderverdiepingen e.d.</al>
              <al>
                <cursief>Lid 4, onder g</cursief>
              </al>
              <al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing
                                voor gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.11</nr>
                <titel>Ligging van de achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende
                                bijlage.</al>
              <al>Lid 1, onder a</al>
              <al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                                achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die
                                elkaar dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen,
                                omdat artikel 2.5.21 de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.12</nr>
                <titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de
                                lijn die - behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de
                                wegzijde (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                                (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om
                                misverstand te voorkomen - een direct verbod tot bouwen met
                                overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.</al>
              <al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens
                                opgevat worden als een - verboden - overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn.</al>
              <al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van
                                rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter
                                vergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering
                                vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van het Bor.
                                Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.13</nr>
                <titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit
                                omgevingsrecht.</al>
              <al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde
                                onderdelen aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden
                                artikel 2, Bijlage II van het Bor met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de
                                aanvraag om vergunning, is het niet logisch om het verbod tot
                                overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing te
                                laten zijn. </al>
              <al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel
                                2.5.7.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.14</nr>
                <titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14
                                kent artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer
                                speciale gevallen. </al>
              <al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De
                                vermelding hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de
                                bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken die
                                vergunningvrij zijn, uit te sluiten. </al>
              <al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van
                                het verbod de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel
                                2.5.2 in acht te worden genomen, mede in het belang van omwonenden.
                                Voorts ware er aandacht aan te besteden, of een bouwwerk voor de
                                brandweer bereikbaar moet blijven.</al>
              <al>
                <cursief>Ad a en g</cursief>
              </al>
              <al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen
                                aan op bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de
                                onder g bedoelde bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend, wordt niet beoogd een
                                bouwstrook (of bouwblok) met winkelbebouwing.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.15</nr>
                <titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel>
              </kop>
              <al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                                'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al>
              <al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het
                                ruimschoots voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50 van het
                                Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt
                                een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand tussen de
                                erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                                aangebracht.</al>
              <al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens
                                het motief voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het
                                (gedeeltelijk) samenvallen van de achtergevel met de erfgrens vormt
                                hiervoor immers een beletsel.</al>
              <al>
                <cursief>Lid 3 b, onder 1</cursief>
              </al>
              <al>Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor
                                patiowoningen.</al>
              <al>
                <cursief>Lid 3 b, onder 2</cursief>
              </al>
              <al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er
                                dus open ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het
                                gebouw behoort en het gebouw overigens over voldoende 'uitloop'
                                beschikt, zou kunnen worden afgeweken van de voorgeschreven
                                erfgrootte.</al>
              <al>
                <cursief>Lid 3 b, onder 3</cursief>
              </al>
              <al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een verbetering
                                van de bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot
                                geringere oppervlakte dan volgens dit artikel is vereist slechts
                                aanvaardbaar zijn ten behoeve van het opheffen van onbevredigende
                                situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw geen oplossing
                                kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het
                                gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen.
                                Hiertoe zal in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan
                                de functie van het erf als onderdeel van de vluchtweg bij brand en
                                aan de bereikbaarheid van het pand door de brandweer.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.16</nr>
                <titel>Erf bij overige gebouwen</titel>
              </kop>
              <al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen
                                aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in
                                laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter
                                voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin
                                vrijelijk ramen mogen worden aangebracht.</al>
              <al>
                <cursief>Lid 2, onder a en b</cursief>
              </al>
              <al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet
                                onder meer rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van
                                eventuele dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden
                                gemaakt tussen de gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een
                                bouwstrook waarin geen woningen voorkomen en een bouwblok waarin bij
                                voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook woningen voorkomen. Indien de
                                laatste omstandigheid zich voordoet zal minder ver worden afgeweken
                                van het bepaalde in het eerste lid, dan in het andere geval.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.17</nr>
                <titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel>
              </kop>
              <al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke
                                open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen,
                                omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De
                                bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan
                                te plaatsen als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte
                                te realiseren. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen
                                in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de smalle
                                open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan
                                bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel van het
                                gebouw.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.18</nr>
                <titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel>
              </kop>
              <al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar
                                het recht om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de
                                eventuele beperkingen in de gemeentelijke voorschriften in acht
                                nemen. Laatstgenoemde voorschriften spelen echter meestal slechts
                                een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in principe een
                                vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor,
                                althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder
                                meer de hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen
                                vallen vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en behoeven
                                derhalve preventieve toetsing aan de voorschriften van het
                                bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de bouwverordening.
                                Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het tweede lid van
                                laatstgenoemd artikel de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het verbod als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan gedacht
                                worden aan het bouwen van bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek
                                ter omheining van een terrein dat geen erf, behorend bij een gebouw,
                                is.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.19</nr>
                <titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel>
              </kop>
              <al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige
                                bouwwerk en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het
                                tweede lid ziet meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse
                                hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor elektriciteit als voor
                                aardgas, olie, chemische producten e.d.</al>
              <al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in
                                hoeverre het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                hoofdtransportleidingen toelaatbaar is en zo ja, onder welke
                                voorwaarden, is het artikel geredigeerd als een verbod, waarvan
                                eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te wijken zullen in
                                het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers
                                van het bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede
                                werking van de lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de
                                aanwezigheid van het bouwwerk.</al>
              <al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het
                                aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de
                                hoogspanningslijn of de hoofdtransportleiding. </al>
              <al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een
                                recht van opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b,
                                van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied
                                van 2 x 30 meter, dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden
                                gebouwd, met uitzondering van bepaalde bouwwerken zoals installaties
                                e.d. </al>
              <al>Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een
                                dergelijk recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster
                                - dan geldt de daarin vastgelegde afstand en heeft een geringere
                                afstand in een bestemmingsplan geen betekenis. </al>
              <al>In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones
                                vastgelegd, die elkaar (deels) kunnen overlappen.</al>
              <al>
                <cursief>Besluit externe veiligheid buisleidingen</cursief>
              </al>
              <al>Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de
                                bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn
                                op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere
                                welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond
                                buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn
                                met het Besluit externe veiligheid inrichtingen(Bevi). De besluiten
                                gaan voor op de gemeentelijke bouwverordening.</al>
              <al>Het Bevb regelt onder andere dat de gemeenteraad er zorg voor draagt
                                dat binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Bevb
                                een bestemmingsplan in overeenstemming is met dit besluit. </al>
              <al>Wanneer de betreffende buisleidingen correct in bestemmingsplannen
                                zijn opgenomen, vervalt de werking van deze stedenbouwkundige
                                bepaling uit de bouwverordening. Voor niet in een bestemmingsplan
                                geregelde leidingen, blijft deze bepaling uiteraard onverkort van
                                kracht. Dit vloeit voort uit artikel 9 Woningwet. Zie hierover de
                                algemene toelichting bij paragraaf 5.</al>
              <al>Zie voor meer informatie over het Bevb, Revb en Bevi:</al>
              <al>www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/buisleidingen
                            </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.20</nr>
                <titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>
                <cursief>Alternatief 1</cursief>
              </al>
              <al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                                voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot
                                de afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid
                                is aangegeven, dat het stelsel alleen voor vergunningplichtige
                                bouwwerken is bedoeld.</al>
              <al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening,
                                maar ook op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht.
                                Gezien de vaste fysische gegevenheden op het gebied van met name de
                                daglichttoetreding is dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de
                                maximumhoogten in de voor- en in de achtergevelrooilijn.</al>
              <al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven
                                straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van
                                aanvaardbare belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten
                                beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch
                                geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden de
                                gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een
                                stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen
                                de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van
                                de tegenoverliggende bebouwing.)</al>
              <al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige
                                ordening is wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor
                                enerzijds de bebouwde kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en
                                anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de
                                figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting behorende
                                bijlage.</al>
              <al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij
                                voorbeeld een vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de
                                weg ligt. Veelal zal een tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg
                                liggen om een beperkende invloed op de maximumhoogte van het
                                bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter niet
                                ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een
                                voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een
                                dwarsweg (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al>
              <al>
                <cursief>Alternatief 2</cursief>
              </al>
              <al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                                voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot
                                de afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid
                                is aangegeven, dat het stelsel alleen voor vergunningplichtige
                                bouwwerken is bedoeld.</al>
              <al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening,
                                maar ook op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht.
                                Gezien de vaste fysische gegevenheden op het gebied van met name de
                                daglichttoetreding is dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de
                                maximumhoogten in de voor- en in de achtergevelrooilijn. Tevens
                                wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil
                                van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare
                                belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing
                                gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen
                                lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden de gebruikelijke
                                vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een
                                stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen
                                de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van
                                de tegenoverliggende bebouwing.)</al>
              <al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige
                                ordening is wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor
                                enerzijds de bebouwde kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en
                                anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de
                                figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting behorende
                                bijlage.</al>
              <al>Ten behoeve van een - soms gewenste - aanvullende werking van de
                                onderhavige bouwverordeningsvoorschriften ten opzichte van vooral
                                globale bestemmingsplannen zonder uitwerkingsverplichting is in een
                                verdere differentiatie voor de bebouwde kom voorzien, zodat bij
                                voorbeeld verschil kan worden gemaakt tussen grootstedelijke
                                binnenstadsgebieden (belemmeringshoek: 60 graden) en de overige
                                delen van de bebouwde kom. Zie figuur 14.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.21</nr>
                <titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al>
              <al>
                <cursief>Alternatief 1</cursief>
              </al>
              <al>Lid 2</al>
              <al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak
                                door de achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de
                                achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader
                                toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor de bouwhoogte in rekening te
                                brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is. Het komt voor dat
                                bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn voor
                                twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                                achtergevelrooilijn ontbreekt.</al>
              <al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de
                                plaats van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie
                                figuur 18).</al>
              <al>Lid 4</al>
              <al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied
                                of anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de
                                bouwhoogte in het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de
                                in het eerste t/m derde lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste
                                hoogte-diepteverhouding van het binnenterrein van gesloten
                                bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat krachtens het
                                bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                                van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het
                                genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al>
              <al>
                <cursief>Alternatief 2</cursief>
              </al>
              <al>Lid 2</al>
              <al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak
                                door de achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de
                                achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader
                                toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor de bouwhoogte in rekening te
                                brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is. Het komt voor, dat
                                bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn voor
                                twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                                achtergevelrooilijn ontbreekt.</al>
              <al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de
                                plaats van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie
                                figuur 18).</al>
              <al>Lid 4</al>
              <al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied
                                of anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de
                                bouwhoogte in het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de
                                in het eerste t/m derde lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste
                                hoogte-diepteverhouding van het binnenterrein van gesloten
                                bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat krachtens het
                                bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                                van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het
                                genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.22</nr>
                <titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                                    achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Zie figuur 19.</al>
              <al>Lid 2</al>
              <al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel
                                tegenover een achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor
                                de - op die zijgevel aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan
                                het in overigens verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden
                                verantwoord zijn om af te wijken van de in het eerste lid bepaalde
                                maximale hoogte voor het laten optrekken van de zijgevel tot de
                                hoogte van de voorgevel.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.23</nr>
                <titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel>
              </kop>
              <al>
                <cursief>Alternatief 1</cursief>
              </al>
              <al>Lid 2</al>
              <al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                                hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al>
              <al>
                <cursief>Alternatief 2</cursief>
              </al>
              <al>Lid 2</al>
              <al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                                hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.24</nr>
                <titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel>
              </kop>
              <al>
                <cursief>Alternatief 1</cursief>
              </al>
              <al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw
                                gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al>
              <al>
                <cursief>Alternatief 2</cursief>
              </al>
              <al>De maximumbouwhoogte van 26 meter correspondeert met de
                                belemmeringhoek van 60 graden, genoemd in artikel 2.5.23, en de
                                hoogte-diepteverhouding van 1,7, genoemd in de artikelen 2.5.20 en
                                2.5.21.</al>
              <al>Bovendien komt de maximumbouwhoogte van 26 meter - bij een in de
                                woningbouw gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 9 à 9,5
                                bouwlaag. De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - eveneens bij een
                                in de woningbouw gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à
                                5,5 bouwlaag.</al>
              <al>Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een
                                van rijkswege beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn normaliter
                                vergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering wel
                                vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van het Bor.
                                Zie tevens artikel 2.5.28, sub l.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.25</nr>
                <titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel>
              </kop>
              <al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                                binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al>
              <al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die
                                elkaar in het hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide
                                naar beneden lopen tot hun goot.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.26</nr>
                <titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel>
              </kop>
              <al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.27</nr>
                <titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel>
              </kop>
              <al>
                <cursief>Ad a</cursief>
              </al>
              <al>De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal
                                gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk
                                aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de
                                aanvraag om een omgevingsvergunning om te bouwen is het niet logisch
                                om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van
                                toepassing te laten zijn.</al>
              <al>
                <cursief>Ad b</cursief>
              </al>
              <al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te
                                vernieuwen of te veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou
                                namelijk de vergroting van een bouwwerk betreffen. Voor de
                                vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20 t/m 2.5.24
                                onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken ingevolge artikel
                                2.5.28, onder e.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.28</nr>
                <titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</titel>
              </kop>
              <al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16
                                en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral
                                van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis
                                zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel
                                2.3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor), uit te sluiten.</al>
              <al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit
                                lid dient bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in
                                de artikel 2.5.2. Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden
                                betrokken. </al>
              <al>
                <cursief>Ad e, onder 1</cursief>
              </al>
              <al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat
                                aansluit bij bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere
                                voorschriften hoger is dan thans is toegelaten. Door de afwijking
                                van de toegestane bouwhoogte kan dan een gaaf straatbeeld worden
                                verkregen.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.29</nr>
                <titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte
                                    in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</titel>
              </kop>
              <al>Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met de overige stedenbouwkundige
                                afwijkingen uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie tussen
                                enerzijds de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake
                                afwijking en anderzijds de afwijkingsregels die zijn gelegen buiten
                                het bestemmingsplan. Paragraaf 2.5 MBV is te beschouwen als een
                                bestemmingsplan vervangende regeling met derhalve ook de behoefte
                                aan regels inzake afwijking wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt
                                voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige afwijkingsregeling voor
                                bouwen en gebruiken te hebben voor de verplichtingen uit de
                                stedenbouwkundige eisen van de bouwverordening als van die uit een
                                bestemmingsplan.</al>
              <al>
                <cursief>Sub a.</cursief>
              </al>
              <al>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling
                                alleen van toepassing is indien er geen bestemmingsplan,
                                beheersverordening of projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan
                                geen strijd kan zijn met een bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10
                                Wabo dat de reguliere procedure van 3.9 Wabo van toepassing is.</al>
              <al>
                <cursief>Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo</cursief>
              </al>
              <al>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen
                                worden aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan
                                sprake is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de
                                aanvraag te weigeren, maar er voor de dag van aanvraag een
                                bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd of een
                                voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een dergelijke
                                situatie vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV,
                                waaronder deze. </al>
              <al>
                <cursief>Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal
                                    relevant?</cursief>
              </al>
              <al>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle
                                besluiten de eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze
                                motivering zal in het onderhavige geval in ieder geval betrekking
                                moeten hebben op toekomstig planologisch beleid. Daarom is hier
                                expliciet de eis opgenomen dat het bouwplan waar wordt afgeweken van
                                de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte 'in overeenstemming is
                                met in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'. </al>
              <al>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid
                                om de afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een
                                structuurplan, structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels
                                (een nota dakkapellen, bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.</al>
              <al>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de
                                situaties zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter
                                inzage gelegd ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld
                                voorbereidingsbesluit voor bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom
                                geen basis vormen.</al>
              <al>
                <cursief>Sub d</cursief>.</al>
              <al>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke
                                ordening. Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt
                                gebruikt en de betekenis die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij
                                dat begrip wordt rekening gehouden met milieu, cultuurhistorische,
                                ecologische en natuurlijke en landschappelijke waarden.</al>
              <al>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van
                                hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante
                                afstanden treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en
                                milieuzonering'.</al>
              <al>
                <cursief>Sub e</cursief>.</al>
              <al>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een
                                goede ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de
                                terminologie uit de Wabo.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.30</nr>
                <titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                    gebouwen</titel>
              </kop>
              <al>
                <cursief>Algemeen</cursief>
              </al>
              <al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het
                                onderwerp parkeren te worden geregeld in de (nieuwe)
                                bestemmingsplannen. Als uitwerking hiervan is in artikel 8.17 van de
                                Invoeringswet Wro bepaald dat artikel 8, vijfde lid van de Woningwet
                                vervalt. </al>
              <al>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de
                                Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een
                                nieuwe datum van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat
                                onder meer het ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft
                                bestaan, ook indien op grond van de nieuwe Wro een bestemmingsplan
                                wordt vastgesteld, waarin niet is voorzien in een regeling over het
                                parkeren.</al>
              <al>
                <cursief>Alternatief 1</cursief>
              </al>
              <al>Lid 1</al>
              <al>Het eerste lid kan de gemeenteraad vaststellen voor die delen van de
                                bebouwde kom die kunnen worden aangeduid als zogenaamde best
                                ontsloten locatie(s).</al>
              <al>Lid 2</al>
              <al>Het onderhavige voorschrift behelst het zogenaamde ingroeimodel.
                                Hieronder wordt verstaan het openhouden van de mogelijkheid om in te
                                spelen op toekomstige verbeteringen in de bereikbaarheid per
                                openbaar vervoer, namelijk doordat de gemeente op het moment van
                                realisatie van de bedoelde verbetering kan overgaan tot de
                                verwijdering van de aanvullende parkeerplaatsen op de openbare weg
                                (of op ander gemeentelijk terrein) nabij het betrokken gebouw.</al>
              <al>Lid 3</al>
              <al>Het is niet alleen zeer moeilijk - bij de toepassing van het eerste
                                lid - aan te geven, wat in algemene zin het maximumaantal
                                parkeerplaatsen op het terrein van een te bouwen (of een te
                                verbouwen) pand dient te zijn, maar ook - bij de toepassing van het
                                onderhavige lid - wat in algemene zin een niet te overvloedig
                                minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom ook in dit
                                geval per omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen
                                normstelling hangt weer af van onder meer de grootte van het gebouw,
                                de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q.
                                bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar
                                vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers
                                gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van
                                parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane
                                verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd in het lokale
                                verkeer- en vervoerplan.</al>
              <al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige
                                minimum aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort
                                voertuig en de bestemming van het gebouw, zie de uitgave
                                Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom
                                (ASVV 2004: geactualiseerd 25 juli 2008. Verkrijgbaar op CD-rom.),
                                paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor
                                Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de
                                Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of
                                www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per
                                te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald.</al>
              <al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd,
                                per te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde
                                parkeernorm worden bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige
                                lid is - op grond van praktisch-bouwkundige overwegingen - enige
                                flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus
                                verdient het aanbeveling om in een concrete omgevingsvergunning voor
                                het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als
                                toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer
                                bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al>
              <al>Lid 4</al>
              <al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze
                                voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een
                                correcte naleving van de leden 1, 2 en 3. De verplichting in die
                                leden om een bepaald aantal parkeerplaatsen op eigen terrein (of
                                onder eigen dak) aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen
                                worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen voor het
                                kleinste type personenauto, respectievelijk het grootste type
                                vrachtauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in
                                werking getreden - artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van
                                voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het
                                onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of
                                bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van
                                maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de
                                afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor
                                rolstoelgebruikers en stoklopers.</al>
              <al>Lid 5</al>
              <al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum
                                wordt voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw
                                fabrieksgebouw van een laad- en losperron (met een op het
                                fabrieksterrein gelegen, bijbehorende opstelstrook voor
                                vrachtauto's).</al>
              <al>Lid 6</al>
              <al>
                <cursief>Ad a</cursief>
              </al>
              <al>De mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking
                                van de eis in het eerste en in het tweede lid om een beperkte
                                parkeergelegenheid op eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is
                                onder meer bedoeld voor het geval dat in de nabijheid een
                                gemeenschappelijke of openbare parkeergarage aanwezig is. De
                                mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van
                                de eis in het derde lid om een parkeergelegenheid van voldoende
                                omvang op eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer
                                bedoeld voor omgevingsvergunningsplichtige verbouwingen van winkels
                                e.d. in binnensteden. In dat geval kan eventueel onder financiële
                                voorwaarden vergunning worden verleend.</al>
              <al>Aan de bouwvergunning mocht geen financiële voorwaarde worden
                                verbonden. Aan een daarmee samenhangende planologische ontheffing
                                wel. Dit laatste gold voor onder meer het bekende artikel 19 WRO en
                                ook voor de ontheffing bedoeld in art. 2.5.30 MBV.</al>
              <al>Er mag van worden uitgegaan dat dit aspect niet anders is nu de
                                ontheffingen en eventuele financiële voorwaarden worden gesteld in
                                de omgevingsvergunning. De op grond van artikel 2.5.30 gevormde
                                jurisprudentie onder de oude wetgeving betreft kort samengevat:</al>
              <al>1.Een richtinggevende uitspraak waarbij het vragen van geld voor een
                                parkeerfonds aan de orde was geweest, betreft: BR 1999/223 ABRS 4
                                augustus 1998</al>
              <al>Parkeergelegenheid Schagen</al>
              <al>Vraag of aan het verlenen van vrijstelling van de eis dat op eigen
                                terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien een financiële
                                voorwaarde mag worden verbonden. Art. 2.5.30 Bouwverordening:</al>
              <al>De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het algemeen moet worden
                                aangenomen dat een bestuursorgaan in beginsel rechtens de
                                mogelijkheid heeft om door middel van het verbinden van een
                                financiële voorwaarde aan een vrijstelling, tot betaling van een
                                tegemoetkoming of een compensatie te verplichten. Aan deze
                                mogelijkheid zijn beperkingen verbonden, aldus dat door voldoening
                                aan de voorwaarde een rechtstreekse bijdrage wordt geleverd aan de
                                doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning of
                                vrijstelling berust en voorts dat de verlening van de vergunning of
                                vrijstelling in het algemeen belang tot het heffen van een
                                geldbedrag noopt. Bovendien moet blijken dat niet een andere uit
                                hoofde van rechtsbescherming meer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig
                                is om een tegemoetkoming of compensatie te verlangen. In dit verband
                                wordt verwezen naar de uitspraak van 30 augustus 1985, BR 1985, p.
                                911.</al>
              <al>Opmerking: Deze uitspraak vormt de basis voor het stellen van een
                                financiële voorwaarde bij de voormalige ontheffing van de
                                parkeernorm op grond van art. 2.5.30 MBV. </al>
              <al>Een belangrijk onderdeel uit deze uitspraak is: De financiële
                                voorwaarde is toegestaan onder enkele voorwaarden:</al>
              <al>de voorwaarde dient een rechtstreekse bijdrage te leveren aan de
                                doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning
                                berust;</al>
              <al>de vergunning moet in het algemeen belang nopen tot het opleggen van
                                een geldbedrag;</al>
              <al>de stellige noodzaak om een financiële voorwaarde op te leggen, moet
                                ook hieruit blijken dat niet een andere, uit hoofde van
                                rechtsbescherming meer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een
                                tegemoetkoming of compensatie te verlangen.</al>
              <al>Een noodzaak om in het algemeen belang een bedrag te vragen voor het
                                realiseren van voldoende parkeergelegenheid is tegenwoordig al snel
                                aanwezig, de parkeerproblematiek is zo groot dat zonder het treffen
                                van voorzieningen de omgeving overlast / parkeerhinder zal
                                ondervinden.</al>
              <al>2.In de recente uitspraak ABRS 28 januari 2009, LJN BH1125, te
                                vinden op www.rechtspraak.nl , over de financiële voorwaarde bij de
                                ontheffing van de parkeernorm, wordt een directere relatie tussen
                                het geld en de te realiseren voorziening geëist. Citaat uit deze
                                uitspraak:</al>
              <al>‘dient voldoende aannemelijk te zijn dat de financiële bijdrage die
                                door [vergunninghoudster] is voldaan, aangewend zal worden om te
                                voorzien in de desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge van het
                                bouwplan.(.. ) Ter zitting van de Afdeling heeft het college
                                uiteengezet dat met centrumgebied is bedoeld een gebied in een
                                straal van 600 m rond het bouwplan. Hiermee staat niet vast dat de
                                door [vergunninghoudster] betaalde bijdrage daadwerkelijk zal worden
                                aangewend om te voorzien in het tekort aan parkeerplaatsen waarop de
                                ontheffing betrekking heeft. Dat de rechtbank heeft overwogen dat
                                een afstand van 600 m acceptabel is voor het parkeren van bezoekers,
                                kan ( ¿) niet afdoen aan haar oordeel dat ten aanzien van de vijf
                                parkeerplaatsen niet aannemelijk is dat de financiële bijdrage zal
                                worden aangewend om te voorzien in de behoefte daaraan. De rechtbank
                                is terecht tot dat oordeel gekomen en heeft derhalve evenzeer
                                terecht overwogen dat de ontheffing in strijd met artikel 2.5.30,
                                zesde lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening is
                                verleend.</al>
              <al>‘ontheffing krachtens artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a,
                                van de bouwverordening voor de vijf parkeerplaatsen heeft miskend
                                dat niet is voldaan aan het in die bepaling gestelde vereiste dat
                                verlening van ontheffing slechts mogelijk is indien op andere wijze
                                in de nodige parkeerruimte wordt voorzien.</al>
              <al>Het college heeft zich in het besluit van …. ten aanzien van twee
                                van de vijf parkeerplaatsen op het standpunt gesteld dat de
                                parkeerbijdrage concreet zal worden aangewend voor de uitvoering van
                                het herinrichtingsplan van de openbare ruimte aan de Wellezijde en
                                dat die parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd op of nabij de
                                aanvankelijk geplande inritten voor de vervallen inpandige
                                parkeervoorzieningen. Het college heeft aldus ten aanzien van die
                                twee parkeerplaatsen voldoende aannemelijk gemaakt dat de financiële
                                bijdrage die door [vergunninghoudster] is voldaan ter verkrijging
                                van de ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef
                                onder a, aangewend zal worden om te voorzien in de desbetreffende
                                parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan. In zoverre is voldaan
                                aan het in het slot van voormeld artikelonderdeel gestelde
                                vereiste.</al>
              <al>Het college heeft ten aanzien van de resterende drie parkeerplaatsen
                                geen inzicht verschaft in de wijze waarop daarin zal worden
                                voorzien, zodat het betoog van [wederpartijen] in zoverre
                                slaagt.'</al>
              <al>
                <cursief>Ad b</cursief>
              </al>
              <al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning door
                                gebruik van de afwijkingsmogelijkheid, vermeld onder het tweede
                                aandachtsstreepje van punt b, is bedoeld voor onder meer winkels,
                                schouwburgen, de loketfunctie van raadhuizen, sportstadions en
                                bibliotheken. Niet hoeft te worden afgeweken, indien in de nabijheid
                                voldoende parkeergelegenheid is op de openbare weg, op een blijvend
                                openbaar parkeerterrein of in een blijvend openbare
                                parkeergarage.</al>
              <al>
                <cursief>Alternatief 2</cursief>
              </al>
              <al>Lid 1</al>
              <al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te
                                overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom
                                per omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen normstelling
                                hangt af van onder meer de grootte van het gebouw, de ligging in de
                                gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of
                                gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de
                                frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk
                                komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens
                                is aansluiting wenselijk op het voorgestane verkeers- en
                                vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het lokale verkeer- en
                                vervoerplan.</al>
              <al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige
                                minimum aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort
                                voertuig en de bestemming van het gebouw, zie de uitgave
                                Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom
                                (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting Centrum
                                voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en
                                de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of
                                www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per
                                te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald.</al>
              <al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd,
                                per te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde
                                parkeernorm worden bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige
                                lid is - op grond van praktisch-bouwkundige overwegingen - enige
                                flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus
                                verdient het aanbeveling om in een concrete omgevingsvergunning voor
                                het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als
                                toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer
                                bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al>
              <al>Lid 2</al>
              <al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze
                                voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een
                                correcte naleving van lid 1. De verplichting in lid 1 om voldoende
                                parkeerplaatsen op eigen terrein aan te brengen zou immers
                                gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met
                                afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het
                                Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel
                                218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het
                                Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel
                                over aan bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden
                                voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken is de
                                wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van
                                parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</al>
              <al>Lid 3</al>
              <al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum
                                wordt voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw
                                fabrieksgebouw van een laad- en losperron (met een op het
                                fabrieksterrein gelegen, bijbehorende opstelstrook voor
                                vrachtauto's).</al>
              <al>Lid 4, ad a</al>
              <al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning in
                                afwijking van de eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid van
                                voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te maken is
                                onder meer bedoeld voor omgevingsvergunningplichtige verbouwingen
                                van winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kunnen daarbij
                                financiële voorwaarden worden gesteld.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Overige gebruiksbepalingen</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>7.3</nr>
              <titel>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.3.1</nr>
                <titel>Bepaling aantal personen nachtverblijf</titel>
              </kop>
              <al>Artikel 2.2, eerste lid van het Bor geeft de raad de mogelijkheid om
                                van het in artikel 2.11.1 eerste lid, onderdeel a, genoemde aantal
                                personen af te wijken. De raad kan indien afwijking van dit artikel
                                is gewenst, een nieuw artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf
                                in de bouwverordening vaststellen.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Het welstandstoezicht</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <cursief>Algemeen</cursief>
            </al>
            <al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke
                            artikelen met betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond
                            van artikel 8, zesde lid van de Woningwet bevat de bouwverordening
                            voorschriften over de samenstelling, inrichting en werkwijze van de
                            welstandscommissie.</al>
            <al>De werkwijze van de welstandscommissie is in de MBV niet concreet
                            uitgewerkt vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen
                            nadrukkelijk zelf een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook
                            indien een gemeente werkt met een provinciale welstandscommissie. De
                            gemeentelijke keuze dient ook door te klinken in de werkwijze van de
                            provinciale welstandscommissie. Daartoe dient de gemeente het initiatief
                            te nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie om deze keuze
                            te onderschrijven.</al>
            <al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de
                            lokale situatie of een reglement van orde voor de lokale
                            welstandscommissie vast te stellen als bijlage bij deze verordening.
                            Juridisch gezien behoeft een dergelijk reglement niet in de
                            bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel dezelfde
                            procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke bouwverordening.</al>
            <al>
              <cursief>Welstandscriteria en welstandsnota</cursief>
            </al>
            <al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven
                            wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd
                            gezag een vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van
                            welstand en kan de welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken
                            waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan
                            minimale welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet
                            kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in
                            ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand'
                            aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria hiervoor
                            moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is
                            geen welstandstoezicht mogelijk.</al>
            <al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de
                            in de nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt
                            bepaald dat deze criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de
                            onderscheidene categorieën bouwwerken en dat de criteria kunnen
                            verschillen naargelang de plaats waar een bouwwerk is gelegen'. Dit
                            biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend deel van de gemeente
                            uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom verschillen
                            gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van de
                            verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in
                            een bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het
                            kader van landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of
                            architectuurbeleid. De bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de
                            toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen voor een passend
                            welstandsbeleid. In het ene gebied is aanleiding om een behoudend beleid
                            te voeren, in een ander gebied is juist verandering en vernieuwing aan
                            de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake van ruimtelijke dynamiek
                            en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel zijn, in een ander
                            gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve beïnvloeding
                            van de ruimtelijke kwaliteit vereist.</al>
            <al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er
                            nieuwe gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het
                            betreffende gebied een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de
                            vaststellingsprocedure wordt gevolgd.</al>
            <al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen
                            buiten toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                            afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door
                            het bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al>
            <al>
              <cursief>Relatie bestemmingsplan en welstand</cursief>
            </al>
            <al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de
                            voorrangsregel uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets
                            zich dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende
                            bestemmingsplan biedt.</al>
            <al>Het welstandscriterium is in artikel 2.10 sub d (voorheen artikel 44 van
                            de Woningwet) omschreven als zelfstandige toetsingsgrond voor
                            bouwaanvragen. De voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet
                            rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van
                            de wet afgeleid dat die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april 1995,
                            BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000,
                            Gst.2000, 7119).</al>
            <al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan
                            op de welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet.
                            Daarin is tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van
                            de bouwverordening boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b,
                            eerste lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de
                            welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de
                            advisering. Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument
                            waarmee, langs de in de Wet ruimtelijke ordening aangegeven en met
                            bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een bestemming is gegeven
                            en de daarbij behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden
                            aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet mag leiden tot
                            beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond toegekende
                            bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl. ABRS
                            16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die
                            situatie zich voordoet is kleiner naarmate het bestemmingsplan meer
                            mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren.</al>
            <al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid
                            Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig
                            bestemmingsplan en welstand.</al>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.1</nr>
              <titel>De advisering door de welstandscommissie</titel>
            </kop>
            <al>Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een
                            welstandscommissie bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het
                            bouwen verplicht indien een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand
                            van criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van
                            welstand. De commissie adviseert, het bevoegd gezag beslist.</al>
            <al>De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een
                            welstandscommissie een stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient
                            de bouwverordening voorschriften te bevatten over de rol en de functie
                            van de stadsbouwmeester.</al>
            <al>De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan
                            wel provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor kiezen
                            om voor de welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale
                            welstandsorganisatie, die het resultaat is van een gemeenschappelijke
                            regeling of een privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik
                            wordt gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie dient de
                            gemeenteraad de leden van de welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te
                            benoemen; zie toelichting bij artikel 9.2.</al>
            <al>
              <cursief>Alternatief </cursief>
            </al>
            <al>In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering gebruikgemaakt van
                            de diensten van een provinciale welstandsorganisatie, die de
                            rechtspersoon kan hebben van een gemeenschappelijke regeling, vereniging
                            of stichting. Deze vereniging of stichting dient dan door de
                            gemeenteraad als welstandscommissie te worden aangewezen. De vereniging
                            of stichting draagt uit haar midden personen voor aan b&amp;w om door de
                            gemeenteraad te worden benoemd. De welstandscommissie adviseert over
                            alle vergunningplichtige bouwwerken.</al>
            <al>
              <cursief>Alternatief 2</cursief>
            </al>
            <al>In dit alternatief is er sprake van een lokale welstandscommissie, die
                            adviseert over alle vergunningplichtige bouwwerken.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.2</nr>
              <titel>Samenstelling van de welstandscommissie</titel>
            </kop>
            <al>
              <cursief>Onafhankelijkheid</cursief>
            </al>
            <al>Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                            onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de
                            leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur.
                            Ook is het raadzaam bij de selectie van de leden van de
                            welstandscommissie alert te zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen.
                            Deelneming van leden van het college van burgemeester en wethouders of
                            van het bevoegd gezag dat besluiten neemt over een aanvraag voor een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen aan de welstandscommissie voor de
                            eigen gemeente of voor de gemeente waarover het bevoegd gezag besluiten
                            neemt, is in dit verband uitgesloten.</al>
            <al>
              <cursief>Deskundigen en burgers</cursief>
            </al>
            <al>In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting
                            te hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en
                            opleiding kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van
                            deskundige commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen,
                            actieve beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's.
                            Onder niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de
                            plaatselijke bevolking verstaan, geen architecten of anderszins
                            beroepsmatig bij de kwaliteit van de gebouwde omgeving betrokken zijnde,
                            die door het gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden
                            benoemd. De gemeenteraad beslist over de benoeming van niet-deskundige
                            leden. Er is geen wettelijke verplichting om niet-deskundige leden op te
                            nemen in de welstandscommissie.</al>
            <al>Er zijn meerder alternatieven denkbaar.</al>
            <al>
              <cursief>Alternatief 1</cursief>
            </al>
            <al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. De
                            secretaris is geen lid van de welstandscommissie.</al>
            <al>
              <cursief>Alternatief 2</cursief>
            </al>
            <al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                            burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                            provinciale welstandsorganisatie is de keuze voor dit alternatief
                            denkbaar, maar minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die gemeente
                            gebonden inwoners deelnemen.</al>
            <al>De secretaris van de welstandscommissie is geen lid van de
                            welstandscommissie.</al>
            <al>
              <cursief>Alternatief 3</cursief>
            </al>
            <al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden.</al>
            <al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien gebruik
                            wordt gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie is dit veelal de
                            rayonarchitect.</al>
            <al>
              <cursief>Alternatief 4</cursief>
            </al>
            <al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                            burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                            provinciale welstandsorganisatie is het denkbaar, maar minder werkbaar
                            dat uit elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners deelnemen.</al>
            <al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien een
                            provinciale welstandsorganisatie is aangewezen als commissie, is dit
                            veelal de rayonarchitect.</al>
            <al>
              <cursief>Alternatief 5</cursief>
            </al>
            <al>In plaats van een welstandscommissie biedt de Woningwet de mogelijkheid
                            om een stadsbouwmeester te benoemen. Dit alternatief is niet uitgewerkt
                            in de MBV.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.4</nr>
              <titel>Jaarlijkse verantwoording</titel>
            </kop>
            <al>
              <cursief>Jaarverslag welstandscommissie</cursief>
            </al>
            <al>Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de
                            welstandsnota als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden
                            bij de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording
                            waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid.
                            De jaarlijkse verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort
                            uit artikel 12b, derde lid van de Woningwet.</al>
            <al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor
                            bijstelling van het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de
                            gemeentelijke welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar
                            het uitbrengen van het jaarverslag tijdig vóór de beleids- en
                            begrotingscyclus in de gemeente. Ervan uitgaande dat de gemeentelijke
                            begroting doorgaans in september/oktober wordt behandeld, zou het
                            'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni tot
                            juni.</al>
            <al>
              <cursief>Jaarverslag burgemeester en wethouders</cursief>
            </al>
            <al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                            welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                            welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders
                            ingevolge artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd
                            jaarverslagen omtrent de toepassing van het welstandsbeleid voor te
                            leggen aan de gemeenteraad. In dit jaarverslag zou ten minste aan de
                            orde dienen te komen:</al>
            <al>op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                            welstandsadviezen; </al>
            <al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; </al>
            <al>in welke gevallen burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen
                            tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                            dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van
                            welstand als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit
                            tot uitvoering daarvan zijn overgegaan. </al>
            <al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag
                            over ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al>
            <al>Samen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                            gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke
                            debat bevorderd.</al>
            <al>In de Woningwet is een algemene verslagverplichting voor burgemeester en
                            wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                            bouwregelgeving. NB nu Wabo?</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.5</nr>
              <titel>Termijn van advisering</titel>
            </kop>
            <al>De termijnen voor de behandeling van bouwplannen ter verkrijging van een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen staan in de Wabo. Deze termijnen
                            zijn beduidend korter dan voorheen in de Woningwet. Hierdoor ontstaat
                            voor de welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel is de
                            advisering binnen de Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een
                            verlenging van de adviestermijn is slechts mogelijk indien op grond van
                            de Wabo de beslistermijn voor de vergunningverlening is verlengd.</al>
            <al>De mogelijkheid van beoordeling van een zgn. schetsplan in een informele
                            voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen bij de
                            ontvangst van verzoek om vergunning. </al>
            <al>Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten
                            aanzien waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is
                            het raadzaam gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de
                            beslistermijn.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.6</nr>
              <titel>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel>
            </kop>
            <al>
              <cursief>Openbaar vergaderen</cursief>
            </al>
            <al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar
                            bestuur, dat nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in
                            artikel 12b van de Woningwet. De wettelijke taken van de
                            welstandscommissie worden uitgevoerd in openbaarheid. Daarvan kan
                            slechts worden afgeweken als de belanghebbende een beroep doet op
                            artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige
                            aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht
                            staat openbaarheid te weigeren.</al>
            <al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de
                            welstandsvergadering bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking
                            hebben op de geagendeerde aanvragen voor een omgevingsvergunning voor
                            het bouwen ter inzage te leggen bij de agenda en daarvan melding te
                            maken in de bekendmaking.</al>
            <al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                            vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een
                            rol van betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de
                            advisering op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de
                            openbaarheid van welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en
                            kennis over het welstandstoezicht van de zijde van de
                            burger/bouwer.</al>
            <al>
              <cursief>Belanghebbenden</cursief>
            </al>
            <al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                            onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de
                            aanvrager van de omgevingsvergunning en anderzijds andere
                            belanghebbenden.</al>
            <al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid
                            tot toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie
                            dient te worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor
                            het bouwen.</al>
            <al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn
                            aanvraag toe te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de
                            aanvrager kan - indien nodig - wellicht eerder tot alternatieve
                            bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de noodzaak om een hernieuwde
                            adviesaanvraag te doen kan worden verkleind.</al>
            <al>
              <cursief>Spreekrecht</cursief>
            </al>
            <al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht
                            wordt geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                            spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in
                            artikel 1:2 Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens
                            de vergadering van de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die
                            in een eventuele rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning
                            voor het bouwen geen 'recht van spreken' hebben omdat zij geen
                            belanghebbenden zijn.</al>
            <al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop
                            de vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat
                            tijdstip moet dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers
                            voldoende tijd hebben om zich op de vergadering voor te bereiden. Wordt
                            geen spreekrecht toegekend, dan kan de termijn korter zijn, aangezien in
                            dat geval van enige voorbereiding door eventuele sprekers geen sprake
                            is.</al>
            <al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de
                            vergaderingen waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het
                            is niet verplicht voor informeel vooroverleg over een principeaanvraag
                            of een schetsplan, dat meestal door een of meer daartoe gemandateerde
                            leden van de commissie wordt uitgevoerd. De potentiële bouwer kan in het
                            stadium van vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou
                            dan remmend op het vooroverleg kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de
                            korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering verdient.</al>
            <al>
              <cursief>Behandeling van aanvragen onder verantwoordelijkheid
                                welstandscommissie</cursief>
            </al>
            <al>Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen
                            waarbij onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie wordt
                            gewerkt (art 9.7 MBV), vraagt voor de openbaarheid enige aandacht. In
                            geval van veelvoorkomende omgevingsvergunningen voor het bouwen van
                            kleine bouwwerken (als deze al niet vergunningvrij zijn) zal er geringe
                            belangstelling zijn om de behandeling van bouwplannen bij te wonen. Het
                            verdient in dat geval aanbeveling om per bouwplan slechts vijf minuten
                            te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden voldaan en er geen
                            ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.7</nr>
              <titel>Afdoening onder verantwoordelijkheid</titel>
            </kop>
            <al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan
                            aan het onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie afdoen van
                            het welstandadvies.</al>
            <al>De meest voorkomende vorm van het ‘onder verantwoordelijkheid afdoen’,
                            komt neer op de afdoening van een welstandsadvies bij plannen waarvan de
                            mening van de welstandscommissie als bekend mag worden
                            verondersteld.</al>
            <al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor afdoening
                            onder verantwoordelijkheid met betrekking tot bepaalde categorieën
                            bouwwerken </al>
            <al>Negatief adviseren wordt in dit geval meestal uitgesloten.</al>
            <al>Voordat de Wabo in werking trad, regelde artikel 48 Woningwet (oud) de
                            aanvraag welstandsadvies van het college aan de welstandscommissie.
                            Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen de reguliere bouwvergunning en
                            de lichte bouwvergunning. In het eerste geval was het vragen van
                            welstandsadvies verplicht, in het tweede geval niet. (‘Een aanvraag voor
                            een lichte bouwvergunning <cursief>kunnen</cursief> zij voor advies aan
                            de welstandscommissie (..) voorleggen).</al>
            <al>Verder bood het Besluit bouwvergunningvrij en
                            licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb) de mogelijkheid om zgn.
                            loket- of sneltoetscriteria vast te stellen. </al>
            <al>De combinatie van deze mogelijkheden werd door veel gemeenten gebruikt
                            om de beoordeling van aanvragen voor een licht- bouwvergunningspichtig
                            bouwwerk over te laten aan een niet tot de welstandscommissie behorende
                            ambtenaar. </al>
            <al>Op 01-10-2010 zijn de Wabo en het Bor in werking getreden. Dit heeft
                            gevolgen gehad voor deze werkwijze.</al>
            <al>De welstandscommissie is de door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke
                            commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten
                            aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk,
                            waarvoor een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend, in strijd is met
                            redelijke eisen van welstand (art. 1, onder n. Woningwet).</al>
            <al>Op basis van artikel 2.10, lid 1 onder d Wabo moet de aanvraag om een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen in beginsel worden geweigerd indien
                            het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag
                            betrekking heeft om strijd is met de redelijke eisen van welstand,
                            beoordeeld naar de criteria zoals vermeld in de welstandsnota, bedoeld
                            in art. 12a, eerste lid, onder a van de Woningwet.</al>
            <al>Het college van burgemeester en wethouders is verplicht om een aanvraag
                            om een omgevingsvergunning voor het bouwen ter advisering voor te leggen
                            aan de welstandscommissie of de stadsbouwmeester (art. 2.26, lid 3 in
                            samenhang met art. 6.2 Bor). Dit hoeft niet wanneer er voor het
                            desbetreffende bouwwerk geen redelijke eisen van welstand gelden (omdat
                            de gemeenteraad op basis van art. 12, lid 2 Woningwet heeft bepaald dat
                            geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn) of bij voorbaat
                            vaststaat dat de omgevingsvergunning reeds op een andere grond moet
                            worden geweigerd.</al>
            <al>Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn artikel 48 Woningwet en het
                            Bblb komen te vervallen. Onder de Wabo is een bouwwerk
                            omgevingsvergunningplichtig of vergunningvrij; een tussencategorie
                            bestaat niet meer. Dit betekent dat iedere aanvraag voor een
                            omgevingsvergunningsplichtig bouwwerk door het college ter advisering
                            aan de welstandscommissie moet worden voorgelegd. </al>
            <al>Dit betekent ook dat het college geen ambtenaar (meer) kan mandateren om
                            te toetsen aan zgn. loketcriteria.</al>
            <al>De (model-)bouwverordening biedt in artikel 9.7 de mogelijkheid voor de
                            welstandscommissie om de advisering over een aanvraag om welstandsadvies
                            onder verantwoordelijkheid van de commissie over te laten aan een of
                            meerdere daartoe aangewezen leden van die commissie. Het aangewezen lid
                            of de aangewezen leden kunnen alleen adviseren over bouwplannen waarvan
                            volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                            verondersteld.</al>
            <al>
              <cursief>Geen mandatering</cursief>
            </al>
            <al>Hierbij is overigens geen sprake van mandatering in de zin van de Awb.
                            Art. 10:1 Awb definieert mandaat immers als: de bevoegdheid om in naam
                            van een bestuursorgaan besluiten te nemen. De welstandscommissie is geen
                            bestuursorgaan. Bovendien neemt het geen besluiten (in de zin van de
                            Awb) maar adviseert de commissie het college. Om misverstanden te
                            voorkomen, passen wij art. 9.7 van de modelbouwverordening bij de
                            eerstvolgende wijziging aan. </al>
            <al>Samengevat:</al>
            <al>Sinds de inwerkingtreding van de Wabo is "flitsen" alleen mogelijk
                            als:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>voor het betreffende bouwplan geen welstandscriteria gelden
                                    of,</al></li>
              <li nr="-"><al>het daartoe aangewezen lid van de welstandscommissie aanwezig
                                    is, en</al></li>
              <li nr="-"><al>het oordeel van de welstandscommissie over het betreffende
                                    bouwplan als bekend mag worden verondersteld.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.8</nr>
              <titel>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel>
            </kop>
            <al>Lid 1</al>
            <al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk
                            uitgangspunt vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat in artikel 12b,
                            eerste lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet
                            ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een expliciete
                            motivering achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit
                            direct zodra bezwaar tegen de (voorheen) bouwvergunning wordt
                            ingediend.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.9</nr>
              <titel>Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</titel>
            </kop>
            <al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                            welstandstoezicht, stelt de raad alternatief 3 of alternatief 4 van
                            artikel 1.3 van de MBV vast. Het desbetreffende gebied is aangeduid op
                            de kaartbijlage als bedoeld in dit artikel.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Overige administratieve bepalingen</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                            voorschriften</al>
            <al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                            Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen
                            (NVN's) en praktijkrichtlijnen (NPR's).</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>11</nr>
            <titel>Handhaving</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <cursief>Algemeen</cursief>
            </al>
            <al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, de
                            bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande
                            bouwwerken vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van
                            bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom kan worden
                            opgetreden, zonder dat daartoe nog (de tussenstap van) een specifieke
                            aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit 2012 geldt voor alle
                            bouwwerken (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening krijgt deze
                            systematiek vorm in artikel 7b Woningwet en voor het welstandsvereiste
                            voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met het
                            generieke handhavinginstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de
                            Awb kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of
                            ander bouwwerk gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het
                            Bouwbesluit 2012, dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van
                            een open erf of terrein in overeenstemming is met de bouwverordening en
                            dat het uiterlijk van een bouwwerk niet in ernstige mate strijdig is met
                            redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die zijn
                            vastgelegd in de welstandsnota.</al>
            <al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van
                            de Awb met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting
                            bedenkingen zal hebben tegen een voorgenomen handhavingbesluit, vooraf
                            in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
                            In het handhavingbesluit dient vervolgens zorgvuldig te worden
                            omschreven met welke voorschriften van het Bouwbesluit 2012 het bouwen
                            of de staat van een gebouw of ander bouwwerk in strijd is en met welke
                            voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw of ander bouwwerk
                            weer in overeenstemming met die voorschriften kan worden gebracht. Door
                            zelf binnen de daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen kunnen
                            belanghebbenden de toepassing van bestuursdwang voorkomen (artikel 5:24
                            Awb) dan wel overeenkomstig artikel 5:32b van de Awb het verbeuren van
                            een dwangsom voorkomen.</al>
            <al>Tegen een handhavingbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de
                            Awb in samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep,
                            hoger beroep en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening
                            te vragen).</al>
            <al>Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid
                            bestaan om met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32
                            van de Awb met een last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen
                            illegale bouw- en sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van
                            deze werkzaamheden. Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van
                            een vereiste vergunning wordt gebouwd of gesloopt op zichzelf in
                            beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve bestuursdwang toe te passen
                            overeenkomstig artikel 5:24 Awb. Het direct met bestuursdwang optreden
                            tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is er immers op gericht te
                            voorkomen dat de illegale situatie verder in omvang toeneemt, waardoor
                            burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen feiten worden
                            geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de
                            uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003
                            (BR 2003, 893).</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>12</nr>
            <titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <cursief>Algemeen</cursief>
            </al>
            <al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is
                            gesteld steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder
                            2o van de Wet op de economische delicten.</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <bijlage>
        
        <tussenkop>Bijlagen</tussenkop>
      </bijlage>
      <bijlage>
        
        <tussenkop>Bijlage 1</tussenkop>
        <tussenkop>Toelichting verordening</tussenkop>
        <al>Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen.</al>
        <al>Figuur 1 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en 2.5.8)</al>
        <al>Figuur 2 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en 2.5.8)</al>
        <al>Figuur 3 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al>
        <al>Figuur 4 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al>
        <al>Figuur 5 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al>
        <al>Figuur 6 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    b)</al>
        <al>Figuur 7 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    c)</al>
        <al>Figuur 8 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    c)</al>
        <al>Figuur 9 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    d)</al>
        <al>Figuur 10 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    e)</al>
        <al>Figuur 11 Teruglegging met het oog op de daglicht toetreding van
                    achtergevelrooilijn die een scherpe hoek met elkaar vormen (ingevolge artikel
                    2.5.11, lid 2)</al>
        <al>Figuur 12 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). Binnen de bebouwde
                    kom</al>
        <al>Figuur 13 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). Buiten de bebouwde
                    kom</al>
        <al>Figuur 14 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.24, alternatief 2). Binnen
                    grootstedelijke delen van de bebouwde kom</al>
        <al>Figuur 15 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                    eerste alinea)</al>
        <al>Figuur 16 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                    tweede alinea)</al>
        <al>Figuur 17 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.21, tweede lid,
                    eerste alinea)</al>
        <al>Figuur 18 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.20, tweede lid,
                    tweede alinea)</al>
        <al>Figuur 19 Hoogte van een zijgevel tegenover een achtergevelrooilijn (artikelen
                    2.5.22)</al>
        <al/>
        <al/>
        <al>Aldus vastgesteld ... "de voorzitter en de griffier" </al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>