<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR138730_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Langdurigheidstoeslag WWB 2012 gemeente Etten-Leur ​</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Etten-Leurse Bode, 20-05-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Langdurigheidstoeslag WWB 2012 gemeente Etten-Leur ​</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Wet werk en bijstand, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=36">Wet werk en bijstand, art. 36</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-05-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Afdeling SL</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening Langdurigheidstoeslag WWB 2010 gemeente Etten-Leur ​</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING LANGDURIGHEIDSTOESLAG WWB 2012 GEMEENTE ETTEN-LEUR
            </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Etten-Leur;</al><al>Gezien van voorstel van burgemeester en wethouders van 20 maart 2012 met
                        overneming van de daarin vermelde motieven;</al><al>Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel d en artikel 36 van de Wet
                        werk en bijstand;</al><al>Overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van
                        langdurigheidstoeslag aan personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65
                        jaar bij verordening te regelen;</al><al>B E S L U I T</al><al>vast te stellen <vet>Verordening Langdurigheidstoeslag WWB 2012 gemeente
                            Etten-Leur</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand , de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand:</al></li><li nr="b."><al>raad: de gemeenteraad van de gemeente Etten-Leur;</al></li><li nr="c."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        Etten-Leur;</al></li><li nr="d."><al>referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan
                                        de peildatum;</al></li><li nr="e."><al>peildatum: de datum waartegen langdurigheidstoeslag wordt
                                        aangevraagd;</al></li><li nr="f."><al>inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet,
                                        met dien verstande dat voor de zinsnede “een periode
                                        waarover een beroep op bijstand wordt gedaan” moet worden
                                        gelezen “de referteperiode”. Een uitkering-WWB wordt, in
                                        afwijking van artikel 32 van de wet voor de beoordeling van
                                        het recht op langdurigheidstoeslag als inkomen gezien;</al></li><li nr="g."><al>rechthebbende: een alleenstaande, alleenstaande ouder of
                                        gezinslid met recht op langdurigheidstoeslag;</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Recht op langdurigheidstoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Langdurig, laag inkomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de in artikel 36, eerste lid, van de wet gestelde voorwaarde van
                                het hebben van een langdurig, laag inkomen is voldaan als gedurende
                                de referteperiode het gemiddelde inkomen per maand niet uitkomt
                                boven 101% van de WWB-norm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van perioden waarin een belanghebbende is uitgesloten
                                van het recht op bijstand wordt een belanghebbende voor de
                                toepassing van het eerste lid geacht tenminste een inkomen te hebben
                                ter hoogte van 100% van de WWB-norm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van perioden waarin bij gehuwden één persoon is
                                uitgesloten van het recht op uitkering-WWB worden zij voor de
                                toepassing van het eerste lid geacht tenminste een inkomen te hebben
                                ter hoogte van 100% van de gehuwdennorm.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Geen recht op de langdurigheidstoeslag hebben personen die op de
                                peildatum of in de referteperiode een uitkering op grond van de Wet
                                op de Studiefinanciering of de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage
                                en Schoolkosten hebben genoten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte van de langdurigheidstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De langdurigheidstoeslag bedraagt per jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een gezin € 517,00</al></li><li nr="b."><al>voor een alleenstaande ouder € 464,00</al></li><li nr="c."><al>voor een alleenstaande € 364,00.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum
                                bepalend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien één van de gezinsleden op de peildatum is uitgesloten van het
                                recht op langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13
                                lid 1 van de wet komt het rechthebbende gezinslid cq de
                                rechthebbende gezinsleden in aanmerking voor een
                                langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem/haar als
                                alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een of meer gezinsleden de leeftijd van 18, 19 of 20 jaar
                                heeft dan wordt dit gezinslid aangemerkt als een niet rechthebbende
                                gezinslid en komt het rechthebbende gezinslid cq de rechthebbende
                                gezinsleden in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag naar de
                                hoogte die voor hem/haar als alleenstaande of alleenstaande ouder of
                                voor hen als gezin zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt elk jaar per 1 januari
                                aangepast met een percentage dat overeenkomt met het procentuele
                                verschil tussen de gezinsnorm bedoeld in artikel 21, eerste lid, van
                                de wet per 1 januari van dat jaar en de gezinsnorm van het daaraan
                                voorafgaande jaar. De bedragen worden op hele euro’s naar boven
                                afgerond.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Onvoorziene gevallen</titel></kop><al>In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college van
                            burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de “Verordening
                                langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2010” ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: de Verordening
                            Langdurigheidstoeslag WWB 2012 gemeente Etten-Leur.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van </ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. W.C.M. Voeten. Mw. H. van Rijnbach-de Groot.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2012 gemeente Etten-Leur.</label></kop><tussenkop>Algemene toelichting:</tussenkop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld
                    ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip
                    van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële
                    positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder
                    druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te
                    zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is in de
                    WWB de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen.</al><al>De langdurigheidstoeslag is een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere
                    bijstand. De langdurigheidstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het
                    is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde belanghebbende die
                    langdurig een laaginkomen hebben en daarbij geen vooruitzicht hebben op
                    inkomensverbetering.</al><al>Op grond van artikel 8 lid 1 onderdeel d WWB dient de gemeenteraad bij
                    verordening regels vast te leggen met betrekking tot het verlenen van een
                    langdurigheidstoeslag. Deze regels dienen in ieder geval betrekking te hebben op
                    de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt
                    gegeven aan het begrip langdurig, laag inkomen, zoals die in artikel 36 lid 1
                    WWB worden gebruikt.</al><al>In deze verordening is gekozen voor invulling die rekening houdt met de
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Voorts is gekozen voor een
                    invulling die zo veel mogelijk ongewenste armoedevaleffecten voorkomt.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting:</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die in de WWB voorkomen hebben in deze verordening dezelfde betekenis
                    als in de WWB. Ten aanzien van een aantal begrippen die als zodanig niet in de
                    WWB zelf staan is een definitie gegeven in deze verordening. </al><al>Met de invulling van het begrip peildatum als datum waartegen is aangevraagd
                    wordt aangesloten bij de jurisprudentie van de CRvB, dat het niet gaat om de
                    datum waarop is aangevraagd. De aanvraag wordt daarom steeds geacht te zijn
                    gedaan tegen de eerst mogelijke datum na afloop van een referteperiode.</al><al>Met betrekking tot het begrip ‘inkomen’ is een van de WWB afwijkende definitie
                    opgenomen.</al><al>Nu de wetgever de gemeenteraad opdracht gegeven om in de verordening regels te
                    geven met betrekking tot het begrip ‘langdurig, laag inkomen’, is de
                    gemeenteraad bevoegd om dit begrip voor de toepassing van artikel 36 lid 1 WWB
                    nader te definiëren. Met de gebruikte definitie wordt aangesloten bij de in de
                    bestaande uitvoeringspraktijk gehanteerde (en ook door de wetgever bedoelde)
                    invulling van het begrip inkomen in artikel 36 lid 1 WWB (tekst tot 1-1-2009),
                    doch wordt de wetstechnische imperfectie weggenomen.</al><tussenkop>Artikel 2 Uitvoering</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 3 Langdurig, laag inkomen</tussenkop><al>Nadat belanghebbenden 3 jaar op een minimum inkomen zijn aangewezen is er over
                    het algemeen niet veel reserveringsruimte over. Daarom wordt hier een termijn
                    van drie jaar aangehouden. Dit sluit ook aan bij de impliciet door de wetgever
                    gegeven termijn. De minimumleeftijd is immers door de wetgever eerder
                    teruggebracht van 23 naar 21 jaar. Een belanghebbende is immers (normaal
                    gesproken) vanaf zijn 18e voor de WWB een zelfstandig rechtssubject.</al><al>Het begrip ‘langdurig, laag inkomen’ wordt ingevuld als een inkomen dat
                    gemiddeld niet hoger is dan 101% van de WWB-norm. Door hiervoor te kiezen in
                    plaats van voor 100% is duidelijk dat een belanghebbende met een inkomen op
                    minimumniveau krachtens een andere regeling dan de WWB toch in aanmerking kan
                    komen voor het recht op langdurigheidstoeslag ook al zou ten gevolge van een
                    iets andere berekeningssystematiek en/of afrondingsverschillen er netto een iets
                    hogere uitkering worden ontvangen dan de WWB- norm. Deze grens vangt dit soort
                    kleine verschillen op. Als de afwijkingen meer bedragen dan de vastgestelde
                    inkomensgrens is het ‘gladstrijken’ van de bedoelde geschillen niet meer aan de
                    orde en zal een aanvraag om langdurigheidstoeslag moeten worden afgewezen.</al><al>De methode van het kijken naar het gemiddelde loon maakt dat iemand die wegens
                    werkaanvaarding een korte periode een inkomen boven bijstandsniveau heeft gehad
                    niet zonder meer zijn recht op langdurigheidstoeslag kwijt is. Een dergelijk
                    gevolg zou namelijk een negatieve prikkel zijn bij het aanvaarden van werk. Dat
                    geldt temeer als een belanghebbende geen of maar weinig zekerheid heeft over de
                    duur van dit werk. Het is evenwel niet de bedoeling dat een belanghebbende
                    perioden waarin hij een inkomen boven de norm heeft kan middelen met perioden
                    waarin hij vanwege de aanwezigheid van een uitsluitingsgrond, zoals bijvoorbeeld
                    detentie, geen recht op bijstand had.</al><al>Dit geldt overeenkomstig voor gehuwden van wie één partner is uitgesloten van
                    het recht op langdurigheidstoeslag. Daarom wordt in het tweede lid bepaald dat
                    dergelijke perioden voor het berekenen van het gemiddelde inkomen meetellen als
                    perioden waarin tenminste 100% van de norm is ontvangen. Het woord ‘tenminste’
                    in deze leden, maakt, dat als er in bedoelde perioden in werkelijkheid meer
                    inkomen dan norm is geweest, dit hogere, werkelijke inkomen moet meetellen.</al><al>Van studenten wordt per definitie gesteld dat zij arbeidsmarktperspectief en
                    uitzicht op inkomensverbetering hebben. Om te voorkomen dat degene met een baan
                    met een minimuminkomen, die zijn positie middels avondstudie probeert te
                    verbeteren, niet in aanmerking zou komen, is bepalend of de studerende in de
                    referteperiode studiefinanciering heeft genoten. Studiefinanciering is immers
                    alleen mogelijk bij een dagstudie en bij studenten beneden een bepaalde
                    leeftijd. Als het gaat om gehuwden, of degenen die daarmee gelijk te stellen
                    zijn, waarvan één van beide een uitkering op grond van de Wet op de
                    Studiefinanciering heeft genoten in een periode waarin beiden niet als gehuwd
                    zijn aan te merken, komt het recht de ander toe, voor zover aan de overige
                    voorwaarden is voldaan.</al><al>Er is bewust niet voor gekozen om het recht op langdurigheidstoeslag ook toe
                    kennen bij een inkomen ver boven bijstandsniveau. Van deze bevoegdheid wordt om
                    twee redenen geen gebruik gemaakt. </al><al>Ten eerste omdat dit ongewenste armoedevaleffecten in zich heeft. Ten tweede
                    omdat het in aanmerking laten komen van belanghebbenden met een inkomen van
                    bijvoorbeeld 110% van de bijstand niet valt te rijmen met de wettelijke
                    uitsluiting van belanghebbenden van 65 jaar of ouder. Zij zijn immers
                    uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag, omdat hun inkomen al
                    voldoende hoger zou zijn dan de bijstandsnorm voor belanghebbenden tot 65 jaar.
                    Het verschil is echter maar ongeveer 5 tot 9 % (precieze percentage is
                    afhankelijk van de vraag of iemand een alleenstaande, alleenstaande ouder of
                    gehuwde is). Het hanteren van een grens van 110% zou daarom maken dat de
                    uitsluiting van 65-plussers in dat geval strijdig is met het verbod op
                    leeftijdsdiscriminatie zoals dat is vastgelegd in artikel 26 van Internationaal
                    Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. De feitelijke ruimte is dus
                    beperkt tot een grens van maximaal ongeveer 105 % van de norm. Door uit te gaan
                    van een maximaal inkomen van 101% van de norm wordt al voldoende gebruik gemaakt
                    van deze ruimte. Overigens dient op grond van jurisprudentie van de CRvB een
                    marginale overschrijding van deze inkomensgrens steeds per individueel geval
                    beoordeeld te worden. </al><tussenkop>Artikel 4 Hoogte van de langdurigheidstoeslag</tussenkop><al>De hoogte is afhankelijk van de situatie (bijstandsnorm) op de peildatum. Om
                    niet jaarlijks de verordening aan te hoeven passen is gekozen om de hoogte
                    jaarlijks automatisch mee te laten bewegen met de bijstandsnormen. Omdat de
                    bijstandsnormen in beginsel 2 maal per jaar worden geïndexeerd en de
                    langdurigheidstoeslag maar eenmaal, wordt steeds vergelijking gemaakt met de
                    bijstandsnormen van per 1 januari van het voorafgaande jaar.</al><al>In het derde lid wordt een regeling overeenkomstig artikel 24 WWB gegeven voor
                    situaties waarin bij gezinnen één van beide partners is uitgesloten van het
                    recht op langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13 lid 1 WWB. De
                    WWB voorziet immers niet in een afwijzingsgrond voor de rechthebbende
                    echtgenoot, terwijl daarentegen het toekennen van het bedrag voor gezinnen in
                    dergelijke situaties ook niet opportuun is.</al><al>In het vierde lid is een gelijke regeling opgenomen voor gezinnen met een of
                    meer gezinsleden in de leeftijd van 18, 19 of 20 jaar. Deze gezinsleden worden
                    als niet-rechthebbende aangemerkt zodat voor de rechthebbende gezinsleden wel
                    recht op langdurigheidstoeslag bestaat.</al><tussenkop>Artikel 5 Onvoorziene gevallen</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 6 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 7 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>