<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR137973_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening WWB, IOAW, IOAZ Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmerliede en Spaarnwoude</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmerliede en Spaarnwoude</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Maak kennis met Haarlemmerliede en Spaarnwoude, 8-2-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening WWB, IOAW, IOAZ Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Werk en Bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-01-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BOB 12/005.1</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt Maatregelenverordening WWB, IOAW, IOAZ 2010</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening WWB, IOAW, IOAZ Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordeningen Wet werk en bijstand 2012:</vet></al><al><vet>Maatregelenverordening Wwb, IOAW, IOAZ Haarlemmerliede </vet></al><al><vet>en Spaarnwoude 2012.</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude;</al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 december
                        2011</al><al/><al>Besluit:</al><lijst><li nr="1."><al>De Maatregelenverordening Wwb, IOAW, IOAZ Haarlemmerliede en
                                Spaarnwoude 2012 vast te stellen en in werking laten treden per
                                1 januari 2012 en de Maatregelenverordening WWB, IOAW, IOAZ 2010
                                per 1 januari 2012 in te trekken.</al></li><li nr="2."><al>De Reïntegratieverordening Wwb, IOAW, IOAZ Haarlemmerliede en
                                Spaarnwoude 2012 vast te stellen en in werking laten treden per
                                1 januari 2012 en de Reïntegratieverordening Wwb, IOAW, IOAZ per
                                1 januari 2012 in te trekken.</al></li><li nr="3."><al>De Toeslagenverordening Wwb Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2012
                                vast te stellen en in werking laten treden per 1 januari 2012 en
                                de Toeslagenverordening Wwb 2010 per 1 januari 2012 in te
                                trekken.</al></li><li nr="4."><al>De Verordening cliëntenparticipatie Wwb Haarlemmerliede en
                                Spaarnwoude 2012 vast te stellen en in werking laten treden per
                                1 januari 2012 en de Verordening cliëntenparticipatie WWB/WIJ
                                per 1 januari 2012 in te trekken.</al></li><li nr="5."><al>De Verordening handhaving Wwb, IOAW en IOAZ Haarlemmerliede en
                                Spaarnwoude 2012 vast te stellen en in werking laten treden per
                                1 januari 2012 en de Verordening handhaving WWB/WIJ 2009 per 1
                                januari 2012 in te trekken.</al></li><li nr="6."><al>De Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand
                                Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2012 vast te stellen en in
                                werking laten treden per 1 januari 2012 en de Verordening
                                langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2009 per 1 januari
                                2012 in te trekken.</al></li><li nr="7."><al>De Verordening maatschappelijke participatie Wet werk en
                                bijstand Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2012 vast te stellen en
                                in werking laten treden per 1 januari 2012.</al></li><li nr="8."><al>Alle WIJ-verordeningen formeel (gebeurt van rechtswege) in te
                                trekken per 1 januari 2012.</al></li></lijst><al/><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 31 januari
                        2012</al><al>De griffier, De voorzitter,</al><al/><al/><al/><al><vet>Maatregelenverordening Wwb, IOAW, IOAZ Haarlemmerliede </vet></al><al><vet>en Spaarnwoude 2012.</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1:</nr><titel>Algemene Beplaingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (Wwb), de Inkomensvoorziening
                                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
                                    (IOAW), de Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);</al></li><li nr="b."><al>algemene bijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 5,
                                    onderdeel b, van de Wwb;</al></li><li nr="c."><al>bijzondere bijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 5,
                                    onderdeel d, van de Wwb;</al></li><li nr="d."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="e."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5,
                                    onderdeel c, van de Wwb, artikel 9 van de IOAW en artikel 9 van
                                    de IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>langdurigheidstoeslag: de langdurigheidstoeslag als bedoeld in
                                    artikel 36, eerste lid van de Wwb;</al></li><li nr="g."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand of de
                                    langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van
                                    de Wwb en artikel 20 van de IOAW/IOAZ; </al></li><li nr="h."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="i."><al>benadelingsbedrag: het netto bedrag of indien van toepassing het
                                    gebruteerde bedrag dat ten onrechte als uitkering is verleend op
                                    grond van de wet als gevolg van het niet of niet behoorlijk
                                    nakomen van de inlichtingenverplichting, dan wel de te verlenen
                                    bijstand in het geval van tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid;</al></li><li nr="j."><al>tegenprestatie: onbeloonde maatschappelijke nuttige
                                    werkzaamheden, die worden verricht naast of in aanvulling op
                                    reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de
                                    arbeidsmarkt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>1. Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                            voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 30c
                            tweede lid, of artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur
                            uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                            niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                            college of medewerkers van de gemeente zeer ernstig misdragen, wordt
                            overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.</al><al>2. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                            waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                            omstandigheden waarin hij verkeert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel worden
                                    toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend
                                            met toepassing van artikel 12 van de Wwb; of </al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie
                                            tot zijn recht op bijzondere bijstand of de
                                            langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een
                                maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een maatregel wordt beoordeeld op grond van deze
                                    verordening, neemt het college, ook bij het afzien van een
                                    maatregel, een besluit.</al></li><li nr="2."><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder
                                    geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de
                                    maatregel, het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd,
                                    het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd uitgaande van de
                                    uitkeringsnorm en, indien van toepassing, de reden om af te
                                    wijken van een standaardmaatregel.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>1. Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                            gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al><al>2. Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                    zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe
                                    feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                    college of van een derde aan wie het college werkzaamheden in
                                    het kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde
                                    termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17
                                    Wwb, of artikel 13 IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van
                                    de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een
                                maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan zes maanden vóór constatering van
                                            die gedraging door het college heeft plaatsgevonden,
                                            tenzij de gedraging een schending van de
                                            inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die
                                            gedraging ten onrechte bijstand is verleend.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt
                                    niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende
                                    gedraging heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien
                                    het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                                    kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                    opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is
                                    bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                    geldende bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met
                                    terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand of
                                    de langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald.</al></li><li nr="3."><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel
                                    die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd,
                                    wordt uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is
                                    gelegd, heroverwogen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van
                            de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de gedraging waarop de
                            zwaarste maatregel is gesteld. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>GEEN OF ONVOLDOENDE MEDEWERKING VERLENEN AAN HET VERKRIJGEN OF
                            BEHOUDEN VAN ALGEMEEN GEACCEPTEERDE ARBEID EN HET LEVEREN VAN EEN
                            TEGENPRESTATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de Wwb, of artikel 37 van de IOAW/Z niet of onvoldoende is
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij het UWV-werkbedrijf of het niet tijdig laten
                                            verlengen van de registratie.</al></li><li nr="b."><al>Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen of te aanvaarden.</al></li><li nr="c."><al>Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="d."><al>Gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                            belemmeren.</al></li><li nr="e."><al>Het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een
                                            door het college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste
                                            lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid van de wet,
                                            waaronder mede begrepen sociale activering.</al></li><li nr="f."><al>Het onvoldoende nakomen van de verplichting in het plan
                                            van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a van de wet,
                                            waaronder begrepen het onvoldoende meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling
                                            en scholing.</al></li><li nr="g."><al>Het niet volledig naar vermogen voldoen aan de
                                            verplichtingen op grond van artikel 9 lid 1 en artikel
                                            55 van de wet, zoals blijkt uit houding en gedrag, in de
                                            periode van vier weken als bedoeld in artikel 41, vierde
                                            lid en artikel 43 vierde en vijfde lid van de wet.</al></li><li nr="h."><al>Het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de door het
                                            college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                            werkzaamheden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid.</al></li><li nr="b."><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid.</al></li><li nr="c."><al>Het niet of onvoldoende meewerken aan een voorziening
                                            die een uitkering-vervangend inkomen biedt, voor zover
                                            dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                            voortijdige beëindiging van de voorziening.</al></li><li nr="d."><al>Het zodanig laten blijken, uit houding of gedrag, dat de
                                            verplichtingen op grond van artikel 9 eerste lid onder b
                                            van de wet, niet worden nagekomen waardoor ontheffing op
                                            grond van artikel 9a eerste lid van de alleenstaande
                                            ouder wordt ingetrokken zoals bedoeld in artikel 9a
                                            vijfde lid onder d van de wet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>1. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld
                            op:</al><al> a<cursief>. </cursief>twintig procent van de bijstandsnorm
                            gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;</al><al>b. honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand
                            bij gedragingen van de tweede categorie.</al><al/><al>2. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid
                            wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                            bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw
                            schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere
                            categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                            gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende
                            redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de Wwb of 13
                                    van de IOAW/Z heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te
                                    hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de maatregel afgestemd
                                    op de hoogte van het benadelingsbedrag. </al><al/></li><li nr="2."><al> Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de
                                    volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10% van de bijstandsnorm
                                    gedurende één maand;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20% van de
                                    bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40% van de
                                    bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100% van de
                                    bijstandsnorm gedurende één maand.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens, verstrekken van onjuiste of
                                onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                als bedoeld in artikel 17 van de Wwb of artikel 13 van de IOAW/Z
                                niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                verlenen van bijstand, bedraagt de maatregel, onverminderd artikel
                                2, tweede lid, tienprocent van de bijstand gedurende een
                                maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid van dit
                                artikel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen
                                twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel
                                wordt opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar
                                aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is
                                opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op
                                grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel als bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende
                                een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN MAATREGEL</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende blijk geeft van tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, zoals
                                bedoeld in artikel 18, tweede lid Wwb of artikel 20 IOAW/Z, in de
                                periode voorafgaand aan de bijstandsverlening kan een maatregel
                                worden opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan ook bij incidentele of
                                periodieke bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag een
                                maatregel worden opgelegd wanneer er sprake is van betoond
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                                in het bestaan. De hoogte van de maatregel is afhankelijk van het
                                betoonde tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in het eerste lid wordt de maatregel afgestemd
                                op de hoogte van het benadelingsbedrag zoals hieronder is
                                aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10% van de
                                        bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20% van
                                        de bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40% van
                                        de bijstandsnorm gedurende één maand; </al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100% van de
                                        bijstandsnorm gedurende één maand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                arbeid in de periode voorafgaand aan de bijstansverlening wordt een
                                maatregel opgelegd overeenkomstig artikel 9, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of personen betrokken bij de uitvoering van de wet, onder
                            omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de
                            wet als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt onverminderd
                            artikel 2, tweede lid, een maatregel opgelegd van minimaal
                            twintigprocent van de bijstandsnorm gedurende
                                éé<cursief>n</cursief> maand. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden
                            van overwegende aard leidt ten gunste van de belanghebbende afwijken van
                            de bepalingen in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met terugwerkende kracht per 1
                                januari 2012.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Maatregelenverordening Wwb, IOAW, IOAZ Haarlemmerliede en
                                Spaarnwoude 2010 wordt per de onder 1 bedoelde datum
                                ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Maatregelenverordening Wwb, IOAW,
                            IOAZ Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Bekendmaking</titel></kop><al>Deze verordening wordt bekend gemaakt in het huis-aan-huisblad “Maak
                            kennis met Haarlemmerliede en Spaarnwoude” van 8 februari 2012.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 31 januari
                        2012.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>Waarom een nieuwe verordening?</vet></al><al>In verband met de inwerkingtreding van de Wwb 2012 is aanpassing van de
                            Wwb-verordeningen nodig. De Wet Investeren in Jongeren (WIJ) wordt met
                            de Wwb samengevoegd. De wijzigingen betreffen een wettechnische
                            exercitie. </al><al/><al><vet>De regeling in de Wwb</vet></al><al>Artikel 18 Wwb bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelenbeleid
                            in een verordening vast te leggen. Dit artikel luidt: </al><al><cursief>Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden
                                verplichtingen af op de
                                omstandi</cursief><cursief>g</cursief><cursief>h</cursief><cursief>e</cursief><cursief>den,
                                mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.</cursief></al><al><cursief>Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van
                                ve</cursief><cursief>r</cursief><cursief>antwoordelijkheid betoont
                                voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze
                                wet</cursief><cursief> dan wel de artikelen 28, tweede lid, of 29,
                                eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                inkomen</cursief><cursief>
                                voor</cursief><cursief>t</cursief><cursief>vloeiende verplichtingen
                                niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college overeenkomstig
                                de verordening, bedoeld in </cursief><cursief>artikel
                                8</cursief><cursief>, eerste lid, onderdeel b, de bijstand of de
                                langdurigheidsto</cursief><cursief>e</cursief><cursief>slag. Van een
                                verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
                                ontbreekt.</cursief></al><al><cursief>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede
                                lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie
                                maanden bedraagt.</cursief></al><al><cursief>Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende
                                mede verstaan het gezin.</cursief></al><al/><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het
                                <cursief>afstemmen</cursief> van de bijstand en de daaraan verbonden
                            verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                            belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van
                            de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                            de uitkeringsgerechtigden <cursief>maatwerk</cursief> is, waarbij recht
                            wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                            omstandigheden van uitkeringsgerechtigden. </al><al/><al>In tweede lid wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten en
                            verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is
                            altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk
                            van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van de
                            hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                            uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar
                            ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen.
                            Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde
                            zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt de
                            uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van
                            een <cursief>verplichting</cursief>. Alleen wanneer iedere vorm van
                            verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van zo’n verlaging.</al><al/><al>Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de
                            gemeenteraad vast te stellen verordening. Dit is de
                            maatregelenverordening.</al><al/><al>Deze maatregelenverordening is onverkort van toepassing op de IOAW en
                            IOAZ.</al><al/><al/><al/><al/><al/><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
                            gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de Wwb.</al><al/><al>In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip
                            wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als
                            ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’.</al><al/><al>Sub g.</al><al>Bruto benadelingsbedrag: de definitie is afkomstig uit het Boetebesluit
                            van 14 oktober 2000 (staatsblad 462). Het bruto benadelingsbedrag is het
                            bruto bedrag dat ten onrechte als uitkering is verleend. De afgedragen
                            of af te dragen loonheffing en premie zijn dus in het bruto
                            benadelingsbedrag begrepen. De maatregelen in verband met het niet
                            nakomen van de inlichtingenplicht, met gevolgen voor de bijstand worden,
                            met het oog op rechtsgelijkheid, in alle gevallen afgestemd op het bruto
                            benadelingsbedrag.</al><al/><al> Het terug te vorderen bedrag in verband met teveel ontvangen bijstand
                            wordt afhankelijk van het tijdstip van terugvorderen wel of niet
                            gebruteerd. Het netto benadelingsbedrag wordt toegepast, wanneer er geen
                            loonheffing en/ of premie zijn of worden afgedragen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><onderstreept>Eerste lid </onderstreept></al><al>De Wwb verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                            verplichtingen:</al><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid). </al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit
                            twee soorten verplichtingen: </al><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                            en deze te aanvaarden! en de plicht gebruik te maken van een door het
                            college aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij
                            arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen zullen nader moeten worden
                            uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn toegesneden op de
                            situatie en mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde. De
                            reïntegratieverordening die elke gemeente moet opstellen, vormt de
                            juridische basis voor opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze
                            verplichtingen zullen in het besluit tot het verlenen van bijstand
                            moeten worden neergelegd.</al><al/><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                            uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op verzoek of
                            onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
                            omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                            van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op
                            bijstand. </al><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
                            uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te
                            verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De
                            medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                            zoals: </al><al>het toestaan van huisbezoek;</al><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek. </al><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een
                            schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘<cursief>het zich jegens
                                het college zeer ernstig misdragen’. </cursief></al><al/><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het
                            betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan
                            de Centrale organisatie werk en inkomen (thans UWV-Werkplein) te
                            verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het college (artikel
                            30 c, tweede of derde lid Wet SUWI) en de verplichting om op verzoek of
                            onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen
                            aan de Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan hem redelijkerwijs
                            duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op
                            bijstand, het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de
                            duur van de bijstand. </al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                            schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen
                            vastgesteld in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging van de
                            bijstandsnorm. </al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op
                            te leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van
                            de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt
                            met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten
                            nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                            uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de
                            voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                            standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. </al><al/><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet
                            worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                            doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                            uitkeringsgerechtigde.</al><al/><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het
                            standaardpercentage waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de
                            beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de
                            toelichting bij artikel 6. </al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden
                            kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>Bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende,
                                    zoals hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                                    bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                                    is.</al></li><li nr="·"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li><li nr="·"><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het
                                    geheel van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de
                                    gedraging en de mate van verwijtbaarheid. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al><onderstreept>Eerste lid </onderstreept></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                            opgelegd over de bijstandsnorm of de grondslag o.g.v. de IOAW/IOAZ.
                            Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief
                            gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. </al><al/><al><onderstreept>Tweede lid </onderstreept></al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele gevallen
                            een maatregel oplegt over de bijzondere bijstand of de
                            langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de
                            gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand
                            (bijv. bijzondere bijstand in de kosten van algemeen levensonderhoud) of
                            de langdurigheidstoeslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Een maatregel wordt opgelegd na het nemen van het besluit hiertoe. Tegen
                            het besluit kan door belanghebbende bezwaar en beroep worden
                            aangetekend. </al><al/><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat wordt afgezien van een
                            maatregel <vet>op grond van een dringende reden</vet> is van belang
                            vanwege eventuele recidive. De maatregel telt namelijk wel mee voor de
                            bepaling van eventuele recidive.</al><al/><al>Het schriftelijk mededelen van het afzien van een maatregel <vet>vanwege
                                het ontbreken van verwijtbaarheid</vet> is belang vanwege het
                            ‘kenbaarheidsvereiste’ (Awb). Dit telt niet mee voor de bepaling van
                            recidive. Ook het afzien van een maatregel op grond van het tweede lid
                            van artikel 6 telt niet meer voor de bepaling van recidive.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet
                            worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene
                            wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het motiveringsbeginsel. Het
                            motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en
                            van een deugdelijke motivering wordt voorzien. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een
                            maatregel wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                            onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                            bestuursrecht. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                            verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid,
                            Wwb.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat
                            de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille
                            van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel
                            spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze
                            reden wordt onder lid 2 geregeld dat het college geen maatregelen oplegd
                            voor gedragingen die langer dan vijf jaren geleden hebben
                            plaatsgevonden. </al><al/><al><onderstreept>Derde lid </onderstreept></al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van
                            een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat
                            dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan
                            dus niet op voorhand worden vastgelegd. </al><al/><al><vet><cursief>Een waarschuwing in plaats van een
                                maatregel</cursief></vet></al><al>Gemeenten zouden in de hun verordening kunnen regelen dat in beginsel
                            eerst altijd een waarschuwing wordt gegeven voordat een maatregel wordt
                            opgelegd. </al><al>In deze verordening is hiervoor niet gekozen. Hiervoor zijn twee
                            redenen. De eerste reden is dat een waarschuwing er van uit gaat dat
                            uitkeringsgerechtigden (nogmaals) op de hoogte gesteld moeten worden van
                            hun verplichtingen. </al><al/><al>Gemeenten hebben de opdracht hun klanten zo goed mogelijk te informeren
                            over de verplichtingen die aan de bijstand verbonden zijn. Klanten
                            dienen op maat geïnformeerd te worden en ook de dienstverlening zal op
                            maat verzorgd moeten worden. Deze werkwijze maakt onderdeel uit van
                            hoogwaardig handhaven, waarbij handhaven in de bedrijfsvoering is
                            geïntegreerd. Hierdoor zal waarschijnlijk ook de naleving van de
                            verplichtingen groter worden en maatregelen die worden opgelegd beter
                            worden geaccepteerd. De informatie over de maatregelen moet goed
                            toegankelijk zijn en in begrijpelijke taal geschreven zijn. Een
                            waarschuwing richting klanten kan bij een dergelijk beleid achterwege
                            blijven.</al><al>De tweede reden om niet te kiezen voor een waarschuwing heeft te maken
                            met het feit dat een waarschuwing er van uit gaat dat herstel van de
                            oude situatie mogelijk is. Dat is echter niet het geval. Uitgezonderd
                            het niet of niet op tijd voldoen aan bepaalde administratieve
                            verplichtingen, waarbij het verzuim geen gevolgen heeft voor de hoogte
                            van de bijstand, hebben alle andere gedragingen in meer of mindere mate
                            gevolgen (gehad) voor het verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. </al><al>Om die reden wordt in deze verordening alleen bij het te laat
                            verstrekken van informatie aan het college de mogelijkheid geboden om te
                            volstaan met een waarschuwing.</al><al/><al>Overigens is in het individuele gevallen altijd mogelijk af te zien van
                            het opleggen van een maatregel en in plaats daarvan een waarschuwing te
                            geven. In dat geval wordt gebruik gemaakt van het eerste lid, onderdeel
                            a (afzien van een maatregel omdat elke vorm van verwijtbaarheid
                            ontbreekt) of het tweede lid (afzien van een maatregel omdat daarvoor
                            dringende redenen aanwezig zijn).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al><onderstreept>Eerste lid </onderstreept></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                            uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering; of </al><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                            maand(en). </al><al/><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt,
                            is de gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te
                            gaan tot herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan
                            bijstand terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat
                            een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                            kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                            bijstandsnorm.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de
                            bijstandsgerechtigde is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de
                            verlaging van de uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet
                            worden uitbetaald. In dat geval moet de bijstand wel worden herzien en
                            teruggevorderd.</al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door
                            een maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de
                            uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt geconfronteerd, waar
                            hij aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de
                            maatregel is getroffen, opnieuw een maatregel opleggen. Hiervoor is dan
                            wel weer een apart besluit nodig. </al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan
                            zal het college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen.
                            Dit is geregeld in artikel 18, derde lid Wwb.</al><al>Gemeenten mogen zelf bepalen wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als
                            dat maar gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij
                            zo’n herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                            waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht
                            worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet
                            beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt
                            gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin
                            betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu
                            wel aan zijn verplichtingen voldoet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                            verschillende gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer)
                            gelijktijdig plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde
                            gedraging die verschillende schendingen van verplichtingen met zich
                            meebrengt. </al><al/><al>Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één
                            gedraging, dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden
                            uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing
                            is. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende
                            medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid, worden in twee categorieën onderscheiden. Hierbij
                            is de ernst van de gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging
                            wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft
                            voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. </al><al/><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om
                            zich als werkzoekende in te schrijven bij het UWV-Werkbedrijf,
                            ingeschreven te doen blijven en alles in het werk te stellen om zo snel
                            als mogelijk algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. </al><al/><al><onderstreept>De eerste categorie, onderdeel f, </onderstreept></al><al>Het plan van aanpak bevat indien van toepassing de uitwerking van de
                            ondersteuning, de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling en de
                            gevolgen van het niet naleven van die verplichtingen. Belanghebbenden
                            jonger dan 27 jaar zijn verplicht mee te werken aan het opstellen,
                            uitvoeren en evalueren van het plan van aanpak als bedoeld in artikel
                            44a van de wet. </al><al>Het niet of onvoldoende meewerken aan verplichtingen uit dit plan,
                            waarbij de uiteindelijke voortgang van het plan van aanpak niet, of
                            nauwelijks wordt geremd, is een maatregelwaardige gedraging uit de
                            eerste categorie (artikel 10, eerste lid, onder a). </al><al/><al><onderstreept> De eerste categorie, onderdeel g,</onderstreept></al><al>Op grond van artikel 41, vierde lid Wwb mogen de jongeren de aanvraag
                            niet eerder indienen dan vier weken na de melding. In deze vier weken
                            wordt van de jongeren verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen
                            om bijstandsafhankelijkheid te voorkomen. Dit is de zoekperiode. </al><al/><al>Bij het indienen van de aanvraag onderzoekt het college de inspanningen
                            van de jongere om de bijstandsafhankelijkheid te voorkomen. Houding en
                            gedragingen van de jongeren maken onderdeel uit van dit onderzoek.
                            Wanneer de belanghebbende zijn verplichtingen onvoldoende nakomt is er
                            sprake van flinke verwijtbaarheid. In de genoemde periode van vier weken
                            wordt een uiterste inspanning van de belanghebbende verwacht. Bij
                            onvoldoende inspanning is een maatregel uit de eerste categorie van
                            toepassing. </al><al/><al>Wanneer uit de houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat
                            belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, of
                            artikel 55 van de wet niet wil nakomen, is er geen recht op bijstand.
                            Hieraan is geen periode verbonden, zolang belanghebbende deze
                            verplichtingen niet na wil komen blijft hij uitgesloten van het recht op
                            bijstand. Dit is geregeld in artikel 13, tweede lid, sub d Wwb.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Onderdeel a en b. betreffen het niet aanvaarden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid alsmede tijdens de bijstandsperiode het niet
                            behouden van deeltijdarbeid.</al><al/><al>Onderdeel c heeft betrekking op het niet of onvoldoende meewerken aan
                            een voorziening die een uitkeringsvervangend inkomen biedt, zoals arbeid
                            in het kader van Workfirst.</al><al/><al>Onderdeel d gaat over alleenstaande ouders, die op grond van artikel 9a,
                            eerste lid van de wet een ontheffing hebben van de verplichtingen op
                            grond van artikel 9, eerste lid, onder a.</al><al/><al>Als uit houding en gedrag ondubbelzinnig blijkt dat zij de
                            verplichtingen op grond van artikel 9 eerste lid onder a niet willen
                            nakomen dan trekt het college deze ontheffing in en verlaagt het de
                            bijstand. Van deze maatregel wordt afgezien wanneer iedere vorm van
                            verwijtbaarheid ontbreekt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de twee categorieën van
                            gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                            verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid. </al><al>Bij het vaststellen van de percentages waarmee de bijstand wordt
                            verlaagd, zullen gemeenten zich twee vragen moeten stellen:</al><lijst><li nr="·"><al>In hoeverre voldoet de beoogde verlaging van de uitkering aan de
                                    eisen van proportionaliteit en evenredigheid als de betreffende
                                    gedraging in ogenschouw wordt genomen?</al></li><li nr="·"><al>In hoeverre zal het opleggen van de maatregel effectief zijn, in
                                    de zin dat de maatregel de beoogde gedragsverandering bij de
                                    bijstandsgerechtigde zal bewerkstelligen?</al><al/></li></lijst><al><onderstreept>Tweede lid Recidive</onderstreept></al><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                            een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                            verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur
                            van de maatregel. Onder eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste
                            gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook
                            indien de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor
                            het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden geldt het
                            tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is
                            gemaakt. </al><al/><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer
                            worden toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare
                            gedraging wederom hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte
                            en de duur van de maatregel individueel moeten worden vastgesteld,
                            waarbij gekeken zal moeten worden naar de ernst van de gedraging, de
                            mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de
                            betrokkene. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens, verstrekken van onjuiste of
                                onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de bijstand</titel></kop><al>In deze situatie heeft de uitkeringsgerechtigde niet voldaan aan de
                            inlichtingenplicht van artikel 17 Wwb of 13 IOAW/IOAZ, dan wel worden de
                            inlichtingen te laat geleverd. Het niet tijdig of opzettelijk verzwijgen
                            van relevante informatie tegenover de gemeente, met het oogmerk een
                            (hogere) uitkering te krijgen (fraude) vormt een schending van de
                            informatieplicht van artikel 17. </al><al/><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens
                                <cursief>niet</cursief> aan de gemeente worden verstrekt. In dat
                            geval kan het college de rechtmatigheid van de uitkering niet
                            vaststellen. De bijstand moet dan worden geweigerd (in de situatie dat
                            een uitkering wordt aangevraagd) of het besluit tot toekenning van de
                            bijstand moet worden ingetrokken (bij een lopende uitkering). Het
                            opleggen van een maatregel is dus bij het niet-verstrekken van gegevens
                            die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de rechtmatigheid van de
                            uitkering niet aan de orde. </al><al/><al><cursief>De relatie met de strafrechtelijke sanctie</cursief></al><al>Onder het huidige boeteregime bestaat de verplichting voor gemeenten om
                            proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar
                            Ministerie indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag hoger
                            is dan € 10.000,- (de aangifterichtlijn sociale zekerheid). Het is de
                            bedoeling dat deze taakverdeling tussen gemeenten en het OM blijft
                            bestaan, ook al kent de Wwb de bestuurlijke boete niet en zullen
                            gemeenten bij fraude (in casu het niet nakomen van de
                            inlichtingenplicht) een maatregel moeten opleggen. </al><al/><al>Het doen van aangifte wegens fraude sluit overigens het opleggen van een
                            maatregel niet uit. Beide sancties kunnen samengaan. </al><al>Uitgangspunt is dat het OM bij de straftoemeting rekening houdt met de
                            maatregel die is opgelegd door het bestuursorgaan. Dit is het principe
                            van ‘Anrechnung’. Anderzijds ligt het niet voor de hand om over te gaan
                            tot het opleggen van een maatregel, als het OM inmiddels een sanctie
                            heeft opgelegd. Het ‘una via’ beginsel (geen samenloop van sancties op
                            dezelfde onrechtmatige gedraging dan bij beslissing van één enkele
                            overheidsorgaan) kan zich daar tegen verzetten. De centrale raad voor
                            beroep heeft zich in het (recente) verleden geregeld uitgesproken tegen
                            ‘dubbele bestraffing’.</al><al/><al>Een schriftelijke waarschuwing is geen maatregel. Dit wil zeggen dat bij
                            herhaling van de gedraging in principe een maatregel wordt opgelegd
                            zonder toepassing van de recidivemaatregel.</al><al>Voor de bepaling van recidive telt niet mee:</al><lijst><li nr="-"><al>de verwijtbare gedraging waarvoor een waarschuwing is afgegeven
                                    (artikel 6, derde lid) en</al></li><li nr="-"><al>de geconstateerde gedraging waarbij iedere vorm van
                                    verwijtbaarheid ontbrak (afzien van een maatregel op grond van
                                    het ontbreken van verwijtbaarheid, artikel 6, eerste lid en
                                    tweede lid)</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de bijstand</titel></kop><al><onderstreept>Eerste lid </onderstreept></al><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken
                            van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging
                            gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van nulfraude
                            zijn het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de
                            vermogensgrens of het niet melden van vrijwilligerswerk. </al><al>In casu wordt niet bedoeld het te laat inleveren van de maandelijkse
                            rechtmatigheidsformulieren of statusformulieren. De uitvoeringsmethodiek
                            is zodanig dat bij te laat inleveren de uitkering wordt geblokkeerd. Er
                            wordt dus geen betaling gedaan. De praktijk wijst uit dat in deze
                            situaties nauwelijks sprake is van kwade opzet of frauduleuze
                            handelingen.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid </onderstreept></al><al>De bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij het niet of niet
                            behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht is gelijk aan de
                            bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij het te laat
                            verstrekken van informatie</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen
                            voor de voorziening in het bestaan geldt al voordat een
                            bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in
                            de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef
                            van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer
                            beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en
                            als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt. Hierdoor ontstaat
                            bij de gemeente een financieel nadeel als gevolg van het tekortschietend
                            besef van de aanvrager. Dit noemen we het ‘benadelingsbedrag’. De
                            gemeente kan bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening houden
                            door het opleggen van een maatregel, waarbij het benadelingsbedrag een
                            rol speelt bij de hoogte van de maatregel. </al><al/><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                            gedragingen blijken, zoals: </al><lijst><li nr="1."><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="2."><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende
                                    voorziening;</al></li><li nr="3."><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen
                                    alimentatievordering;</al></li><li nr="4."><al>het door eigen toedoen niet behouden </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>van algemeen geaccepteerde arbeid, enz.</al><al/></li></lijst><al>Bovenstaand wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de maatregel
                            en het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is in dit geval de
                            omvang van het vermogen of de voorziening waarmee de betrokkene
                            gedurende kortere of langere tijd buiten de bijstand zou zijn gebleven. </al><al/><al>Een voorbeeld waaruit het berekenen van het benadelingsbedrag
                            blijkt:</al><al/><al><cursief><onderstreept>Te snelle intering
                                vermogen</onderstreept></cursief><cursief> Een vrouw ontvangt bij de
                                boedelscheiding een bedrag € 32.000. Vanaf het moment dat de vrouw
                                feitelijk kan beschikken over dit vermogen, zal zij hierop op
                                verantwoorde wijze moeten interen. De interingsnorm is anderhalf
                                maal de bijstandsnorm plus de eventuele benodigde particuliere
                                ziektekostenverzekering. De (alleenstaande) vrouw zal dan circa
                                anderhalf jaar in haar eigen levensonderhoud kunnen voorzien. In het
                                geval de vrouw binnen een jaar een beroep moet doen op bijstand, kan
                                worden gesteld dat het benadelingsbedrag 6 x de van toepassing
                                zijnde bijstandsnorm is. </cursief></al><al/><al>In het tweede lid is de afstemming van bijzondere bijstand geregeld in
                            die gevallen waarin de belanghebbende geen aanspraak kan maken op een
                            voorliggende voorziening, maar hier wel aanspraak op had kunnen maken
                            als de belanghebbende bijvoorbeeld tijdig de huurtoeslag had
                            aangevraagd, of tijdig een ziektekostenverzekering had afgesloten. Omdat
                            er geen voorliggende voorziening meer is, kan de aanvraag niet op die
                            grond worden afgewezen, maar dient een maatregel op de bijzondere
                            bijstand en/of langdurigheidstoeslag te worden toegepast van 100% van
                            het benadelingsbedrag. Daarnaast regelt dit lid de afstemming waarbij
                            een beroep op bijzondere bijstand het gevolg is van betoond
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                            het bestaan. Hierbij moet gedacht worden aan een beroep op bijzondere
                            bijstand voor kosten die belanghebbende uit zijn eigen inkomen zou
                            kunnen voldoen, maar waarbij door beslaglegging op het inkomen of andere
                            redenen, onvoldoende inkomen overblijft om zelf in de kosten te
                            voorzien.</al><al/><al>In het vierde lid wordt de situatie bedoeld dat een beroep op bijstand
                            moet worden gedaan als gevolg van het het door eigen toedoen niet
                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid in de periode voorafgaand aan
                            de bijstandsverlening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                            agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                            verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in
                            alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. </al><al>In artikel 18 lid 2 van de Wwb en artikel 20 van de IOAW/IOAZ staat
                            opgenomen dat het gaat om zeer ernstige gedragen tegen het college. In
                            de toelichting en in jurisprudentie (CRvB 29-7-2008 LJN BD9023) blijkt
                            dat het hier ook gaat om agressie tegen ambtenaren en personen die
                            betrokken zijn bij de uitvoering van de Wwb. Hierdoor kunnen ook
                            agressieve gedragingen tegenover medewerkers van reïntegratiebedrijven
                            en de sociale dienst aangepakt worden.</al><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband
                            bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor
                            de gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar
                            dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen
                            moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van Wwb. </al><al/><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                            uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, wordt gekeken naar
                            de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                            persoonlijke omstandigheden van de betrokkene (artikel 2, tweede lid van
                            deze verordening).</al><al/><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, worden de
                            volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds
                            ernstiger) onderscheiden: </al><lijst><li nr="·"><al>Verbaal geweld (schelden). </al></li><li nr="·"><al>Discriminatie.</al></li><li nr="·"><al>Intimidatie (uitoefenen van psychische druk).</al></li><li nr="·"><al>Zaakgericht fysiek geweld (vernielingen).</al></li><li nr="·"><al>Mensgericht fysiek geweld.</al></li><li nr="·"><al>Combinatie van agressievormen. </al><al/></li></lijst><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van
                            aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de
                            functionaris tegen wie de agressie zich richtte, aangifte kan doen bij
                            de politie. </al><al/><al>Heemstede heeft, als uitvoerende gemeente, een agressieprotocol waarin
                            is aangegeven hoe wordt omgegaan met lastige en agressieve klanten. </al><al/><al>De sociale dienst kan bij de bescherming tegen agressie zich ook baseren
                            op de Arbeidsomstandighedenwet (ARBO). In de ARBO is expliciet geregeld
                            dat werkgevers hun medewerkers moeten beschermen tegen agressie. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>