<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR13692_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Uitkerings- en pensioenverordening wethouders Beemster</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beemster</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-10-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beemster</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van Beemster</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2001-05-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2001-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-06-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Burgemeester en wethouders 23 april 2001, nr. 33</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Uitkerings- en pensioenverordening wethouders Beemster(versie geldig vanaf 1 oktober 2001)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente Beemster</vet>;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 23 april 2001, nr.
                        33;</al><al>gelezen het advies van de VNG van 21 maart 2001 kenmerk MARZ/CvA/2001001196
                        inzake provinciale goedkeuring van de verordening en lokale invulling van
                        een aantal artikelen;</al><al>gehoord het advies van de commissie bestuurszaken:</al><al><vet>besluit:</vet></al><al>in te trekken de 10e wijziging van de uitkerings- en pensioenverordening
                        wethouders Beemster zoals vastgesteld 4 september 1997;</al><al/><al>opnieuw vast te stellen de <onderstreept>10e
                            wijziging</onderstreept>, waardoor de verordening als volgt komt
                        te luiden:Uitkerings- en pensioenverordening wethouders Beemster</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling I Uitkeringen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die ophoudt wethouder te zijn heeft, tenzij hij zonder
                                    onderbreking weer als zodanig optreedt, met ingang van de dag
                                    van aftreding, voor zover hij alsdan niet de leeftijd van 65
                                    jaar heeft bereikt, recht op een uitkering op de voet van de
                                    volgende artikelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De raad kan beslissen dat geen uitkering wordt toegekend aan
                                    een gewezen wethouder:</al><lijst><li nr="a."><al> die zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde
                                            overheidsdienst heeft begeven en naar zijn oordeel zich
                                            daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd
                                            onwaardig heeft gedragen;</al></li><li nr="b."><al>die wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit
                                            naar zijn oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands
                                            nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft
                                            gedragen;</al></li><li nr="c."><al> die overeenkomstig artikel X8 van de Kieswet van het
                                            lidmaatschap van de raad vervallen verklaard is;</al></li><li nr="d."><al>wiens ontslag voortvloeit uit het feit dat hij zich aan
                                            kennelijk wangedrag of grove verwaarlozing van zijn taak
                                            heeft schuldig gemaakt. Onder grove verwaarlozing van
                                            zijn taak wordt begrepen het zonder genoegzame grond
                                            weigeren de in artikel 169 Gemeentewet bedoelde
                                            inlichtingen aan de raad te verstrekken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in lid 1 bepaalde vindt geen toepassing indien de
                                    belanghebbende zulks verzoekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Normale duur van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd
                                    waarin de belanghebbende wethouder is geweest, doch tenminste
                                    voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van zes
                                    jaren. Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen
                                    wethouder is geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd
                                    gedurende welke hij wethouder is geweest in een tijdvak,
                                    laatstelijk voordat hij ophield wethouder te zijn, waarin zijn
                                    wethouderschap voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak
                                    is onderbroken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend
                                    voor de duur van ten hoogste zes maanden, indien belanghebbende
                                    korter dan drie maanden wethouder is geweest.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In geval van tussentijds eindigen van de uitkering krachtens
                                    artikel 7, onder c, wordt de volgende uitkering toegekend ten
                                    minste tot het tijdstip, waarop eerstgenoemde uitkering zou zijn
                                    geëindigd ingeval artikel 7, onder c, buiten toepassing was
                                    gebleven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voortzetting van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden als
                                    wethouder de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en hij in het
                                    tijdvak van twaalf jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat
                                    ten minste tien jaren wethouder is geweest, wordt de uitkering
                                    voortgezet tot het tijdstip waarop hij de leeftijd van 65 jaar
                                    bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan de raad beslissen dat met
                                    inachtneming van artikel 7, onder b, de uitkering zal worden
                                    voortgezet voor een nader vast te stellen termijn, welke op
                                    dezelfde wijze kan worden verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Bedrag van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitkering, bedoeld in artikel 2, bedraagt gedurende het
                                    eerste jaar 80 percent en vervolgens 70 percent van de
                                    laatstelijk als wethouder genoten wedde, inclusief
                                    vakantieuitkering en de eindejaarsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitkering, bedoeld in artikel 3, lid 1, bedraagt 70 percent
                                    van de laatstelijk als wethouder genoten wedde, inclusief
                                    vakantieuitkering en de eindejaarsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ‘laatstelijk
                                    genoten’ verstaan: waarop aanspraak bestond of bij uitoefening
                                    van het ambt zou hebben bestaan op de dag, voorafgaande aan die
                                    waarop belanghebbende heeft opgehouden wethouder te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien bij algemene maatregel van bestuur in de bezoldiging van
                                    het rijkspersoneel een wijziging wordt aangebracht, wordt de in
                                    de leden 1, 2 en 3 bedoelde laatstelijk genoten wedde, inclusief
                                    vakantieuitkering en de eindejaarsuitkering, voor de toepassing
                                    van die leden met ingang van het tijdstip van ingang van die
                                    bezoldigingswijziging overeenkomstig die wijziging
                                    aangepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4a</nr><titel>Voortzetting van de uitkering wegens invaliditeit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering
                                    eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met
                                    inachtneming van het gestelde in artikel 7, de uitkering voor de
                                    duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van artikel
                                    4b.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze
                                    verordening is hij die als rechtstreeks en objectief medisch
                                    vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of
                                    gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen
                                    gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter
                                    plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht,
                                    of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
                                    Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen
                                    geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkenen met zijn krachten en
                                    bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen
                                    arbeid in een dienstbetrekking krachtens de Wet Sociale
                                    Werkvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt
                                    buiten beschouwing gelaten of de betrokkenen de arbeid feitelijk
                                    kan verkrijgen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te
                                    nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of
                                    onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat
                                    ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van algemene
                                    invaliditeit van uitgegaan dat de opleiding of scholing is
                                    afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4b</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1. De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven
                                    in het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het
                                    vierde en vijfde lid van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in
                                    het derde lid 70 percent van de laatstelijk als wethouder
                                    genoten wedde, inclusief vakantieuitkering en de
                                    eindejaarsuitkering, bij een algemene invaliditeit van 80
                                    percent of meer; 60 percent van die wedde, inclusief
                                    vakantieuitkering en de eindejaarsuitkering, bij een algemene
                                    invaliditeit van 55 tot 80 percent; en 40 percent van die wedde,
                                    inclusief vakantieuitkering en de eindejaarsuitkering, bij een
                                    algemene invaliditeit van 25 tot 55 percent.</al></lid><lid><lidnr>.3</lidnr><al> De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de
                                    belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de
                                    uitkering:</al><al>58 jaar of ouder is: zes jaar;</al><al>53 jaar of ouder is: drie jaar;</al><al>48 jaar of ouder is: twee jaar;</al><al>43 jaar of ouder is: anderhalf jaar;</al><al>38 jaar of ouder is: een jaar;</al><al>33 jaar of ouder is: een half jaar; en</al><al>jonger is dan 33 jaar: nihil.</al></lid><lid><lidnr>.4</lidnr><al> De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid
                                    bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een
                                    bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage
                                    van het verschil tussen de laatstelijk als wethouder genoten
                                    wedde, inclusief vakantieuitkering en de eindejaarsuitkering,
                                    bedoeld in artikel 4, en het minimumloon.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag
                                    geldt een percentage van twee maal het aantal verstreken jaren
                                    tussen het vijftiende jaar en de leeftijd van de betrokkene op
                                    het tijdstip van voortzetting van de uitkering.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een
                                    jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8,
                                    eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimum
                                    vakantiebijslag of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar
                                    betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd
                                    geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid,
                                    en artikel 8, derde lid, van de genoemde wet, beide vermeerderd
                                    met de daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15
                                    van de wet.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De belanghebbende heeft recht op aanvulling van de uitkering,
                                    indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede
                                    lid vastgestelde percentage van de laatstelijk als wethouder
                                    genoten wedde, inclusief vakantieuitkering en de
                                    eindejaarsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de
                                    uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde
                                    percentage van de laatstelijk als wethouder genoten wedde,
                                    inclusief vakantieuitkering en de eindejaarsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het
                                    bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het
                                    tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk als
                                    wethouder genoten wedde, inclusief vakantieuitkering en de
                                    eindejaarsuitkering, indien de belanghebbende de keuze heeft
                                    gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge artikel
                                    59,eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een
                                    algemene invaliditeit van 80 percent of meer: 65 percent, bij
                                    een algemene invaliditeit van 55 tot 80 percent; 56 percent en
                                    bij een algemene invaliditeit van 25 tot 55 percent: 37
                                    percent.</al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen regels met betrekking tot de
                                    wijze en het tijdstip waarop de wethouder of de gewezen
                                    wethouder de in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is,
                                    kenbaar dient te maken.</al></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al>Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering
                                    tezamen met inkomsten, bedoeld in artikel 5, minder bedraagt dan
                                    het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon.
                                    De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de
                                    uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet
                                    meer dan 30 percent van het minimumloon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4c</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 4a,
                                    geschiedt op aanvraag van de belanghebbende voor de termijn van
                                    niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze verordening
                                    bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders stellen de belanghebbenden uiterlijk
                                    vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid
                                    bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot
                                    het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na
                                    afloop van die termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt door de
                                    belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van
                                    de in het eerste lid bedoelde termijn gedaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien burgemeester en wethouders niet tijdig beslissen op een
                                    tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt
                                    de uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de
                                    aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt geacht tijdig
                                    te zijn ingediend indien burgemeester en wethouders de
                                    kennisgeving bedoeld in het tweede lid niet hebben gedaan dan
                                    wel indien bij een latere kennisgeving als bedoeld in het tweede
                                    lid de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat deze
                                    kennisgeving is ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde
                                    termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de
                                    wijze die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn
                                    niet zou zijn afgelopen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van bepaalde
                                    groepen algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties
                                    geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt
                                    van de in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4d</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de
                                    eerste maal met toepassing van artikel 4a is voortgezet, doen
                                    burgemeester en wethouders een onderzoek instellen ten einde te
                                    doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op
                                    de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor
                                    herziening of intrekking van de uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van bepaalde
                                    groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan
                                    wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid
                                    genoemde termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders wijzigen ambtshalve of op aanvraag
                                    van de belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging
                                    van de mate van algemene invaliditeit.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:</al><lijst><li nr="a."><al>indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van
                                            de eerste dag van de maand volgende op die waarin die
                                            aanvraag is binnengekomen;</al></li><li nr="b."><al>indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang
                                            van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de
                                            beslissing tot wijziging is genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> De toepassing van artikel 4a wordt ten aanzien van een
                                    belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan
                                    een uitnodiging van burgemeester en wethouders zich te
                                    onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hen
                                    aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er
                                    nog sprake is van algemene invaliditeit.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien degene die recht heeft op een wegens algemene
                                    invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband
                                    met arbeid geniet, zijn burgemeester en wethouders bevoegd,
                                    zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid bedoeld in
                                    artikel 4a, tweede lid, kan worden aangemerkt, niet tot
                                    herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De
                                    toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over
                                    een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de
                                    eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid
                                    bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt
                                    geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid worden genoten. Na afloop
                                    van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de
                                    eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid bedoeld in
                                    artikel 4a, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat de tweede volzin
                                    van het zesde lid geen toepassing vindt ten aanzien van bepaalde
                                    groepen algemeen invaliden en met betrekking tot het zesde lid
                                    van dit artikel nadere en voor bijzondere gevallen zo nodig
                                    afwijkende regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4e</nr><titel>Onderzoek naar invaliditeit voor het aftreden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op verzoek van een wethouder doen burgemeester en wethouders een
                                    onderzoek instellen door een of meer door hen aangewezen
                                    geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of de wethouder
                                    die het verzoek deed algemeen invalide is als bedoeld in artikel
                                    4a, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders brengen de uitkomst van een onderzoek
                                    dat is ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de
                                    verzoeker.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Korting wegens inkomsten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De inkomsten die belanghebbende geniet worden met de uitkering
                                    verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben
                                    of geacht kunnen worden betrekking te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid worden onder inkomsten
                                    verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het
                                    verrichten van activiteiten, ter hand genomen met ingang van of
                                    na de dag waarop hij heeft opgehouden wethouder te zijn, geniet
                                    als</al><lijst><li nr="a."><al>winst uit onderneming;</al></li><li nr="b."><al>zuivere inkomsten uit of in verband met arbeid.</al></li></lijst><al>Onder inkomsten, bedoeld in de vorige volzin, wordt mede
                                    verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de
                                    Algemene Arbeidsongeschiktheidswet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid worden mede als inkomsten
                                    aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>de inkomsten wegens de in het tweede lid bedoelde
                                            activiteiten ter hand genomen door de belanghebbende
                                            binnen één jaar, onmiddellijk voorafgaand aan het
                                            tijdstip van aftreden;</al></li><li nr="b."><al>de inkomsten die worden genoten uit een betrekking
                                            waarin hij gedurende zijn zittingstijd als wethouder op
                                            nonactiviteit was gesteld;</al></li><li nr="c."><al>de vaste vergoeding die wordt genoten als raadslid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de belanghebbende op of na de dag bedoeld in het tweede
                                    lid inkomsten of hogere inkomsten, anders dan tengevolge van
                                    algemene loonsverhogingen, verkrijgt uit in het tweede lid
                                    bedoelde activiteiten ter hand genomen voor de dag van aftreden,
                                    anders dan bedoeld in het derde lid, is ten aanzien van die
                                    inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat
                                    de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee de
                                    uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten
                                    wedde, inclusief vakantieuitkering en de eindejaarsuitkering,
                                    waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden wordt niet
                                    verstaan de kinderbijslag alsmede de compensatie voor of de
                                    vergoeding van de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet en
                                    de Algemene Weduwen en Wezenwet. welke in die inkomsten is of
                                    geacht kan worden te zijn begrepen. De vorige volzin is wat
                                    betreft de premiecompensatie slechts van toepassing voor zover
                                    de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben of kunnen worden
                                    geacht betrekking te hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni
                                    1985.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al> Belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen of weer ter
                                    hand nemen van enige arbeid of bedrijf, dan wel het gaan
                                    genieten van inkomsten of hogere inkomsten als bedoeld in dit
                                    artikel, terstond mededeling te doen aan burgemeester en
                                    wethouders onder opgave, voor zover mogelijk, van de verwachte
                                    inkomsten, een en ander overeenkomstig de voorschriften, hem
                                    door burgemeester en wethouders gegeven. Zijn de inkomsten niet
                                    vooraf op te geven, dan doet hij tijdig voor het verschijnen van
                                    elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten die hij sinds het
                                    ter hand nemen van bedoelde werkzaamheden of sinds de vorige
                                    opgave heeft genoten. Brengt de aard van de activiteiten of van
                                    de inkomsten mee dat de inkomsten over een langere termijn dan
                                    een maand moeten worden berekend, dan wordt op de uitkering een
                                    mindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder
                                    voorbehoud van verrekening aan het einde van even bedoelde
                                    termijn.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij de vaststelling van het
                                    bedrag van de vermindering afwijken van de opgave van
                                    belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de
                                    voortgezette uitkeringen, als bedoeld in artikel 3, tweede lid,
                                    en artikel 4a, kunnen burgemeester en wethouders andere
                                    inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten
                                    bedoeld in het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Belanghebbende wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht
                                    erin toe te stemmen, dat allen die daarvoor naar het oordeel van
                                    burgemeester en wethouders in aanmerking komen omtrent zijn
                                    omstandigheden alle inlichtingen te geven, welke voor de
                                    uitvoering van deze afdeling nodig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Betaling uitkering</titel></kop><al>De uitkering wordt uitbetaald in maandelijkse termijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Einde van de uitkering</titel></kop><al>De uitkering eindigt</al><lijst><li nr="a."><al> met ingang van de dag, volgende op die waarop
                                        belanghebbende is overleden;</al></li><li nr="b."><al> met ingang van de dag waarop belanghebbende de leeftijd van
                                        65 jaar bereikt;</al></li><li nr="c."><al> met ingang van de dag waarop belanghebbende weer als
                                        wethouder in deze gemeente optreedt;</al></li><li nr="d."><al> met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die
                                        waarin burgemeester en wethouders ten aanzien van een
                                        uitkering als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, hebben
                                        vastgesteld, dat de algemene invaliditeit minder dan 25
                                        percent is geworden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Schorsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betaling van de uitkering kan door burgemeester en wethouders
                                    worden geschorst indien en voor zolang belanghebbende niet de
                                    mededeling of opgave doet als bedoeld in artikel 5, lid 7.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de in het vorige lid bedoelde verplichting alsnog wordt
                                    nagekomen, wordt de uitkering over de tijd van schorsing alsnog
                                    uitbetaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Uitkering bij overlijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen wethouder
                                    wordt aan de nabestaande zoals bedoeld in artikel 12, van wie de
                                    overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag
                                    uitgekeerd, gelijk aan de uitkering over een tijdvak van drie
                                    maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Laat de overledene geen weduwe of weduwnaar na, van wie hij,
                                    onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan
                                    wordt evenbedoeld bedrag uitgekeerd ten behoeve van de
                                    minderjarige wettige of natuurlijke kinderen van de overledene,
                                    of minderjarige kinderen waarover de overledene ten tijde van
                                    het overlijden de pleegouderlijke zorg droeg. Onder
                                    pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud
                                    en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind,
                                    onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten
                                    van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen,
                                    dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was
                                    van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten
                                    behoeve van deze betrekkingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Laat de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste
                                    en tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of
                                    ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de
                                    laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap
                                    voor de betaling van die kosten ontoereikend is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Vervanging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het bepaalde in deze afdeling is niet van overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van hem die krachtens het gestelde in
                                    artikel 51, eerste lid, van de Gemeentewet tijdelijk met de
                                    waarneming van het wethouderschap is belast geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de berekening van het tijdvak, bedoeld in artikel 2, eerste
                                    lid, telt tevens mee de periode waarin de belanghebbende
                                    krachtens het gestelde in artikel 51, eerste lid, van de
                                    Gemeentewet tijdelijk doch gedurende meer dan dertig dagen
                                    onafgebroken met de tijdelijke waarneming van het wethouderschap
                                    is belast geweest, indien het tijdvak van die waarneming zonder
                                    onderbreking wordt gevolgd door een tijdvak, waarin hij anders
                                    dan krachtens artikel 51, eerste lid, van de Gemeentewet als
                                    wethouder is opgetreden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>II</nr><titel>Pensioenen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Voor de toepassing van het bij of krachtens deze verordening
                                bepaalde worden onder pensioen tevens begrepen de toeslagen bedoeld
                                in de artikelen 29, 33, 36 en 37, tenzij uit de desbetreffende
                                bepalingen het tegendeel blijkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> aanmelding: aanmelding als bedoeld in artikel 12a;</al></li><li nr="b."><al> nabestaande: de man of vrouw met wie de overleden
                                        wethouder, gewezen of gepensioneerde wethouder op de dag van
                                        overlijden gehuwd was, dan wel de man of vrouw ten aanzien
                                        van wie door de overledene aanmelding had
                                        plaatsgevonden.</al></li><li nr="c."><al> deeltijdfactor: een breuk waarvan de teller wordt gevormd
                                        door de genoten wedde exclusief de vakantieuitkering en de
                                        eindejaarsuitkering, en de noemer door het tot een
                                        jaarbedrag herleide bedrag waarvan de wedde is
                                        afgeleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12a</nr><titel>Aanmelding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan bij burgemeester en wethouders één man of vrouw
                                    aanmelden, indien hij en deze man of vrouw:</al><lijst><li nr="a."><al>beiden als ingezetene met het zelfde woonadres in de
                                            gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zijn
                                            ingeschreven;</al></li><li nr="b."><al>zich bij een notarieel verleden samenlevingscontract
                                            tegenover elkaar hebben verplicht om wederkerig bij te
                                            dragen in de kosten van levensonderhoud;</al></li><li nr="c."><al>beiden ongehuwd zijn;</al></li><li nr="d."><al>beiden ten tijde van de aanmelding achttien jaar of
                                            ouder zijn en</al></li><li nr="e."><al>geen bloed of aanverwanten in de rechte lijn zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts kunnen aanmelding doen als bedoeld in het eerste
                                    lid:</al><lijst><li nr="a."><al>de gewezen wethouder met recht op uitkering terzake van
                                            ontslag of aftreden, of</al></li><li nr="b."><al>de gewezen wethouder, indien hij al voor zijn ontslag of
                                            aftreden gehuwd was met de man of vrouw van wie
                                            aanmelding gewenst wordt, dan wel indien die man of
                                            vrouw al voor het ontslag of aftreden door de gewezen
                                            wethouder was aangemeld geweest als bedoeld in het
                                            eerste lid, mits de aanmelding wordt gedaan voordat
                                            degene die de aanmelding doet de leeftijd van 65 jaar
                                            heeft bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene die een aanmelding doet, voegt daarbij een gewaarmerkt
                                    afschrift van de benodigde gegevens uit de gemeentelijke
                                    basisadministratie persoonsgegevens waaruit blijkt dat is
                                    voldaan aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a,
                                    alsmede een afschrift van het contract, bedoeld in het eerste
                                    lid, onder b, dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring
                                    van de notaris dienaangaande, waaruit de wederzijdse
                                    onderhoudsplichtigheid blijkt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien aan de voorwaarden voor aanmelding, gesteld in het eerste
                                    lid, niet wordt voldaan, weigeren burgemeester en wethouders de
                                    aanmelding.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent de
                                    aanmelding door degene die niet als ingezetene in de
                                    gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is
                                    ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De aanmelding eindigt met het doorhalen ervan.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Een aanmelding als bedoeld in het eerste lid wordt
                                    doorgehaald:</al><lijst><li nr="a."><al>op de dag waarop een aanvraag daartoe van degene die de
                                            aanmelding heeft gedaan, dan wel van de man of vrouw die
                                            is aangemeld, is ontvangen;</al></li><li nr="b."><al>op de dag van overlijden van de man of vrouw die is
                                            aangemeld dan wel van degene die de aanmelding heeft
                                            gedaan, of</al></li><li nr="c."><al>op de dag waarop degene die de aanmelding heeft gedaan,
                                            dan wel de man of vrouw die is aangemeld, hetzij in het
                                            huwelijk treedt, hetzij partij is bij een volgende
                                            aanmelding.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen, indien daartoe aanleiding
                                    bestaat, bevestiging vragen of nog aan de voorwaarden voor
                                    aanmelding wordt voldaan. Degene die de aanmelding heeft gedaan
                                    legt alsdan een schriftelijke verklaring terzake over van hem en
                                    de aangemelde persoon gezamenlijk, alsmede een gewaarmerkt
                                    afschrift van de benodigde gegevens uit de gemeentelijke
                                    basisadministratie persoonsgegevens waaruit blijkt dat aan de
                                    voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a, op het tijdstip
                                    van die verklaring wordt voldaan. Indien evenwel in de
                                    voorgaande periode het samenlevingscontract een wijziging heeft
                                    ondergaan die van belang kan zijn voor de aanmelding, wordt een
                                    afschrift van het gewijzigde contract overgelegd dan wel een
                                    uittreksel daaruit of een verklaring van een notaris
                                    dienaangaande, waaruit blijkt dat nog wordt voldaan aan de
                                    voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Indien de bevestiging niet binnen zes weken wordt gedaan
                                    herhalen burgemeester en wethouders hun in het achtste lid
                                    bedoelde aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Indien de bevestiging niet binnen drie weken na de herhaalde
                                    aanvraag wordt gegeven, kunnen burgemeester en wethouders de
                                    aanmelding op een door hen vast te stellen datum doorhalen. De
                                    bedoelde datum is niet gelegen voor de datum waarop de in het
                                    achtste lid bedoelde bevestiging is gevraagd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bijzonder nabestaandenpensioen</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening voor het bijzonder
                                nabestaandenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het
                                bijzonder weduwenpensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen
                                het tegendeel blijkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Tijdelijk pensioen</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening voor het nabestaanden en
                                wezenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het tijdelijk
                                pensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel
                                blijkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vervanging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het bepaalde in deze afdeling is niet van overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van hem die krachtens het gestelde in
                                    artikel 51, eerste lid, van de Gemeentewet tijdelijk met de
                                    waarneming van het wethouderschap is belast geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de berekening van het aantal dienstjaren, zoals bedoeld in
                                    deze afdeling, kan op verzoek van belanghebbende tevens
                                    meetellen de periode waarin hij krachtens het gestelde in
                                    artikel 51, eerste lid, van de Gemeentewet tijdelijk doch
                                    gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de tijdelijke
                                    waarneming van het wethouderschap is belast geweest, indien het
                                    tijdvak van die waarneming zonder onderbreking wordt gevolgd
                                    door een tijdvak, waarin hij anders dan krachtens artikel 51,
                                    eerste lid, van de Gemeentewet als wethouder is opgetreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verzoek bedoeld in het vorige lid dient binnen dertig dagen
                                    na de datum waarop belanghebbende anders dan krachtens artikel
                                    51, eerste lid, van de Gemeentewet voor het eerst als wethouder
                                    is opgetreden bij burgemeester en wethouders te worden
                                    ingediend.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Het eigen pensioen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel  </label><nr>16</nr><titel>Het recht op eigen pensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die ophoudt wethouder te zijn heeft, tenzij hij zonder
                                    onderbreking weer als zodanig optreedt, recht op pensioen indien
                                    hij op het tijdstip waarop hij ophoudt wethouder te zijn, de
                                    leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij die ophoudt wethouder te zijn vóór het bereiken van de
                                    leeftijd van 65 jaar, heeft recht op pensioen bij het bereiken
                                    van die leeftijd, tenzij hij op dat tijdstip weer als wethouder
                                    in deze gemeente optreedt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel  </label><nr>17</nr><titel>Diensttijd vóór en vanaf 1 januari 1986</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het pensioen wordt berekend over de tijd doorgebracht als
                                    wethouder, volgens een of meer van de artikelen 18, 19 en 19a,
                                    naar de laatstelijk als wethouder genoten wedde, inclusief
                                    vakantieuitkering en de eindejaarsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 18 als
                                    19, geldt voor de pensioenberekening over tijd voor 1 januari
                                    1986 als laatstelijk genoten wedde een bedrag gelijk aan 100/110
                                    maal het bedrag van de eventueel volgens de regels, bedoeld in
                                    artikel 157, derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke
                                    ambtsdragers aangepaste wedde voor de vaststelling van de
                                    pensioengrondslag voor de pensioenberekening over tijd tussen 31
                                    december 1985 en 1 januari 1995 met toepassing van artikel 19.
                                    De in de eerste volzin eerstbedoelde wedde bedraagt niet minder
                                    dan het bedrag van laatstbedoelde wedde verminderd met €
                                    2867,89. Het bedrag van € 2867,89 wordt telkens aangepast bij de
                                    ministeriële regeling, bedoeld in artikel 157, derde lid, van de
                                    Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, overeenkomstig de
                                    aanpassing van een bedrag dat op 1 januari 1985 € 28678,91
                                    bedroeg.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 18 als
                                    artikel 19a, geldt voor de pensioenberekening over tijd voor 1
                                    januari 1986 als laatstelijk genoten wedde een bedrag gelijk aan
                                    100/110 maal het bedrag, bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 19 als
                                    artikel 19a geldt voor de pensioenberekening over de tijd tussen
                                    31 december 1985 en 1 januari 1995 als laatstelijk genoten wedde
                                    een bedrag gelijk aan de eventueel naar de regelen, bedoeld in
                                    het tweede lid aangepaste wedde voor de vaststelling van de
                                    pensioengrondslag voor de pensioenberekening over de tijd na 31
                                    december 1994 met toepassing van artikel 19a, vermenigvuldigd
                                    met een debruteringsfactor. Deze factor is de breuk, waarvan de
                                    teller honderd bedraagt en de noemer de som van honderd en het
                                    percentage waarmee de wedde als wethouder per 1 januari 1995
                                    uitsluitend ter uitvoering van artikel II van de wet van 19 mei
                                    1994, houdende wijziging van de Algemene pensioenwet politieke
                                    ambtsdragers (onder andere ter zake van inhoudingen op het
                                    inkomen en gelijke franchise voor de pensioenberekening)
                                    (Staatsblad 418) is gewijzigd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de berekening van een pensioen van een gewezen wethouder die
                                    voor 1 januari 1986 voor zijn bezoldiging geacht werd niet de
                                    volledige werkweek aan het wethouderschap te besteden, wordt de
                                    laatstelijk genoten wedde, vastgesteld volgens het tweede of
                                    derde lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel  </label><nr>18</nr><titel>Berekening van het eigen pensioen over tijd voor 1 januari 1986</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over jaren gelegen voor 1 januari
                                    1986.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Behoudens het bepaalde in lid 3 bedraagt het pensioen voor ieder
                                    van de eerste vier jaren als wethouder 3,5 percent en voor ieder
                                    overig jaar als wethouder 1,75 percent, in totaal tot een
                                    maximum van 70 percent, van de - in de zin van artikel 4 -
                                    laatstelijk als wethouder genoten wedde inclusief
                                    vakantieuitkering en de eindejaarsuitkering, aangepast volgens
                                    de regels als bedoeld in artikel 157, derde lid, van de Algemene
                                    pensioenwet politieke ambtsdragers.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien recht bestaat op meer dan een pensioen krachtens of op de
                                    voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers komen op
                                    grond van artikel 139, lid 3, van deze wet voor de toepassing
                                    van de pensioenberekening naar 3,5 percent per dienstjaar in
                                    totaal ten hoogste vier dienstjaren in aanmerking en wordt die
                                    berekening voor zover mogelijk toegepast ten aanzien van het
                                    pensioen, waarbij die berekening het hoogste bedrag oplevert, en
                                    overigens ten aanzien van het andere pensioen of de andere
                                    pensioenen in de volgorde van de hoogte van de wedden of de
                                    berekeningsgrondslag. Voor de vergelijking van deze wedden of
                                    berekeningsgrondslag worden deze zonodig aangepast volgens de
                                    regels, bedoeld in artikel 157, derde lid, van evengenoemde
                                    wet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De tijd met recht op uitkering doorgebracht telt als diensttijd
                                    mee indie zin, dat het pensioen over deze tijd naar 0,875
                                    percent per jaar wordt berekend, met dien verstande dat, wanneer
                                    het een uitkering betreft als bedoeld in artikel 4a, het
                                    pensioen over deze tijd naar 1,75 percent per jaar wordt
                                    berekend, voor zover en voor zolang het percentage van de
                                    algemene invaliditeit 55 of meer bedroeg. Voor de toepassing van
                                    de vorige volzin worden uitkeringen als bedoeld in artikel 2 en
                                    in artikel 3, leden 1 en 2, aangemerkt als een uitkering als
                                    bedoeld in artikel 4a, indien en zolang belanghebbende tijdens
                                    de duur van eerstbedoelde uitkeringen voor 55 percent of meer
                                    algemeen invalide was.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het vierde lid wordt het pensioen over de in
                                    dat lid bedoelde tijd berekend naar de helft van het ingevolge
                                    dat lid toepasselijke percentage, over het gedeelte van die tijd
                                    waarin de uitkering is verminderd wegens het genieten van
                                    inkomsten als bedoeld in artikel 5. Geen meetelling van
                                    diensttijd als bedoeld in het vierde lid vindt plaats:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover gedurende de in dat lid bedoelde tijd de
                                            uitkering wegens het genieten van inkomsten als bedoeld
                                            in artikel 5, eerste lid, tot nihil is verminderd; </al></li><li nr="b."><al> in zover de belanghebbende die recht heeft op
                                            uitkering, maar die minder uitkering geniet dan de
                                            krachtens artikel 59 berekende inhoudingen ter zake van
                                            ouderdom en overlijden, er geen zorg voor draagt dat het
                                            bedrag van deze inhoudingen, welk bedrag in dit geval
                                            als een op hen rustende schuld wordt beschouwd, bij het
                                            bereiken van de 65-jarige leeftijd is voldaan;</al></li><li nr="c."><al>indien de belanghebbende zulks verzoekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor de toepassing van het vijfde lid wordt de vergoeding voor
                                    de werkzaamheden als lid van de gemeenteraad niet beschouwd als
                                    daar bedoelde inkomsten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel  </label><nr>19</nr><titel>Berekening van het eigen pensioen over tijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over jaren gelegen tussen 31 december 1985
                                    en 1 januari 1995.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het pensioen wordt berekend over de pensioengrondslag. De
                                    pensioengrondslag wordt gevormd door de laatstelijk als
                                    wethouder genoten wedde, inclusief vakantieuitkering en de
                                    eindejaarsuitkering, te verminderen met een bedrag als
                                    omschreven in het vierde lid (franchise).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van een wethouder die voor zijn bezoldiging geacht
                                    wordt niet de volledige werkweek aan het ambt te besteden, wordt
                                    onder wedde verstaan het tot een jaarbedrag herleide bedrag
                                    waarvan die wedde is afgeleid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De franchise, bedoeld in het tweede lid, bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al> voor de gepensioneerde wethouder die voor de toepassing
                                            van de Algemene Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt
                                            twintig zevende maal het tot een jaarbedrag herleide
                                            bedrag waarop ingevolge die wet recht bestaat of zou
                                            hebben bestaan indien hij op grond van die wet verzekerd
                                            zou zijn geweest;</al></li><li nr="b."><al>voor de gepensioneerde wethouder die voor de toepassing
                                            van de Algemene Ouderdomswet als ongehuwd wordt
                                            aangemerkt tien zevende maal het tot een jaarbedrag
                                            herleide bedrag waarop ingevolge die wet recht bestaat
                                            of zou hebben bestaan indien hij op grond van die wet
                                            verzekerd zou zijn geweest.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de in het vierde lid bedoelde bedragen is mede begrepen de
                                    bruto vakantieuitkering waarop ingevolge de Algemene
                                    Ouderdomswet recht bestaat.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Wanneer de in het vierde lid bedoelde bedragen worden gewijzigd,
                                    wordt de pensioengrondslag herberekend. Het herberekende
                                    pensioen gaat, onverminderd artikel 22, tweede lid, in op
                                    dezelfde dag als waarop bedoelde wijzigingen zich hebben
                                    voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Behoudens het bepaalde in het achtste lid bedraagt het pensioen
                                    voor ieder van de eerste vier voor pensioen tellende jaren als
                                    wethouder 3,5 percent van de pensioengrondslag, en voor ieder
                                    overig jaar als wethouder 1,75 percent van de pensioengrondslag,
                                    in totaal tot een maximum van 70 percent van de
                                    pensioengrondslag, aangepast volgens de regels, bedoeld in
                                    artikel 157, derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke
                                    ambtsdragers.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Indien recht bestaat op meer dan een pensioen, bedoeld in het
                                    zevende lid, dan wel daarnaast recht bestaat op een of meer
                                    pensioenen krachtens de tweede en derde afdeling van de Algemene
                                    pensioenwet politieke ambtsdragers komen voor de toepassing van
                                    de pensioenberekening naar 3,5 percent per dienstjaar in totaal
                                    ten hoogste vier dienstjaren in aanmerking en wordt die
                                    berekening voor zover mogelijk toegepast ten aanzien van het
                                    pensioen, waarbij die berekening het hoogste bedrag oplevert, en
                                    overigens ten aanzien van het andere pensioen of de andere
                                    pensioenen in de volgorde van de hoogte van de wedden,
                                    berekeningsgrondslag of pensioengrondslagen. Voor vergelijking
                                    van deze wedden, berekeningsgrondslag of pensioengrondslagen
                                    worden deze zonodig aangepast volgens de regels, bedoeld in
                                    artikel 157, derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke
                                    ambtsdragers.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het vierde, vijfde en zesde lid van artikel 18 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Indien een pensioen wordt berekend zowel met toepassing van
                                    artikel 18 als met toepassing van dit artikel, wordt in
                                    afwijking van het zevende of achtste lid het percentage van 70
                                    percent verminderd met het percentage van het pensioen dat eerst
                                    is berekend met toepassing van artikel 18.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19a</nr><titel>Berekening van het eigen pensioen over de tijd na 31 december 1994</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over tijd doorgebracht als wethouder na 31
                                    december 1994.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 19, tweede lid, is van toepassing, met dien verstande,
                                    dat de in dat lid bedoelde franchise het bedrag is dat op grond
                                    van een reglement, als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de
                                    Wet privatisering Abp als zodanig geldt voor de berekening van
                                    een ouderdomspensioen van een gepensioneerd overheidswerknemer
                                    in de zin van die wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Artikel 19, derde en zevende tot en met tiende lid, zijn van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Berekening eigen pensioen deeltijdwethouders na 31 december 1985</titel></kop><al>Tijd, doorgebracht als wethouder, gedurende welke de belanghebbende
                                voor zijn bezoldiging geacht werd niet de volledige werkweek aan
                                zijn ambt te besteden, telt voor de pensioenberekening met
                                toepassing van artikel 19 en 19a, dan wel met toepassing van beide
                                artikelen, mee met inachtneming van de voor die tijd toepasselijke
                                deeltijdfactor of deeltijdfactoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Samenvallende diensttijden van echtgenoten tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gepensioneerde wethouder heeft recht op een toeslag op zijn
                                    pensioen indien dat pensioen is berekend met toepassing van de
                                    franchise bedoeld in artikel 19, vierde lid, onderdeel a, en
                                    indien de kalendertijd, waarin de voor de berekening van zijn
                                    pensioen meetellende diensttijd is gelegen, geheel of
                                    gedeeltelijk samenvalt met de kalendertijd, die in aanmerking is
                                    genomen bij de berekening van enig pensioen waarop zijn
                                    echtgenoot recht heeft, mits op laatstbedoeld pensioen een
                                    vermindering is toegepast uit hoofde van recht op
                                    ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt mede als echtgenoot
                                    aangemerkt degene die voor de toepassing van de Algemene
                                    Ouderdomswet als echtgenoot van de gepensioneerde wethouder
                                    wordt aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt voor elk voor de
                                    berekening van het pensioen tellende jaar binnen de samenlopende
                                    kalendertijd 0,525 percent van de franchise bedoeld in artikel
                                    19, vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toeslag wordt slechts toegekend op schriftelijk verzoek en
                                    gaat in op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde
                                    omstandigheid is opgetreden, met dien verstande dat de toeslag
                                    niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van de maand
                                    waarin het verzoek is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toepassing van artikel 157 van de Algemene pensioenwet
                                    politieke ambtsdragers en van hoofdstuk III van deze verordening
                                    wordt de toeslag ingevolge dit artikel niet onder het pensioen
                                    begrepen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Verstrekken van inlichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien in het bedrag van het ouderdomspensioen, waaronder mede
                                    begrepen een eventuele toeslag en de vakantieuitkering,
                                    ingevolge de Algemene Ouderdomswet een wijziging wordt
                                    aangebracht op grond van persoonlijke omstandigheden, is degene
                                    aan wie een pensioen krachtens dit hoofdstuk is toegekend over
                                    diensttijd voor 1 januari 1995, gehouden daarvan onverwijld
                                    kennis te geven aan burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid bedoelde wijziging leidt tot
                                    verhoging van het pensioen krachtens dit hoofdstuk, gaat die
                                    verhoging niet vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de
                                    maand waarin de daarbedoelde kennisgeving werd gedaan of waarin
                                    die verhoging ambtshalve plaatsvond.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders het
                                    tweede lid buiten toepassing laten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Het nabestaandenpensioen</titel></kop><sub-paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Het recht op pensioen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 23 Paraplubepaling Anw </label></kop><al>Een regeling van nabestaanden en wezenpensioen, vervat in deze
                                    verordening, wordt voor de toepassing van artikel 103 van de
                                    Algemene nabestaandenwet beschouwd als een pensioenregeling als
                                    bedoeld in dat artikel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23a</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor recht op een nabestaanden of wezenpensioen, ontstaan
                                        wegens overlijden tussen 30 juni 1996 en 1 januari 1998 van
                                        een wethouder, gewezen wethouder, of gepensioneerde
                                        wethouder, van een nabestaande of een wees die geen recht
                                        heeft op een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet
                                        maar wel recht op pensioen of tijdelijke uitkering ingevolge
                                        de Algemene Weduwen en Wezenwet zou hebben gehad indien die
                                        wet nog van kracht zou zijn geweest, geldt het
                                        volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de toepassing van de bepalingen inzake
                                                samenloop van pensioen en algemeen pensioen over
                                                tijd vóór 1 januari 1986 (inbouwbepalingen) en de
                                                bepalingen inzake het recht op een toeslag wegens
                                                het ontbreken van recht op uitkering ingevolge de
                                                Algemene nabestaandenwet heeft artikel 23 geen
                                                werking;</al></li><li nr="b."><al>de onder a bedoelde toeslag wordt berekend
                                                overeenkomstig artikel 29a indien het een toeslag op
                                                een nabestaandenpensioen betreft en overeenkomstig
                                                artikel 33 indien het een toeslag op een
                                                wezenpensioen betreft;</al></li><li nr="c."><al>een toeslag op een nabestaandenpensioen wordt mede
                                                berekend over tijd na 31 december 1995, indien en
                                                voor zover in aanmerking genomen voor de berekening
                                                van het pensioen1.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid, onder c, geldt mede voor een recht op
                                        nabestaandenpensioen, ontstaan wegens overlijden tussen 26
                                        juni 1996 en 1 juli 1996 van een wethouder, gewezen
                                        wethouder, of gepensioneerde wethouder, van een nabestaande
                                        die wegens dat overlijden recht heeft verkregen op een
                                        tijdelijke weduwenuitkering op grond van de Algemene Weduwen
                                        en Wezenwet, na het verstrijken van de duur van die
                                        uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24 NabestaandenpensioenNabestaandenpensioen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De nabestaande van een wethouder of van een gewezen dan wel
                                        van een gepensioneerde wethouder heeft recht op
                                        nabestaandenpensioen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen recht op nabestaandenpensioen bestaat indien het
                                        huwelijk was gesloten nadat het aftreden van de echtgenoot
                                        was ingegaan, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>de echtgenoot ten tijde van het sluiten van het
                                                huwelijk recht had op uitkering ter zake van zijn
                                                aftreden als wethouder, of</al></li><li nr="b."><al>jarige leeftijd had bereikt.-de echtgenoten reeds
                                                voor het aftreden met elkaar gehuwd waren geweest
                                                dan wel de nabestaande door de echtgenoot aangemeld
                                                was geweest en mits het huwelijk was gesloten
                                                voordat deze de 65</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het vorige lid wordt het aftreden
                                        geacht niet te hebben plaatsgevonden, indien zonder
                                        wezenlijke onderbreking een politiek ambt als bedoeld in de
                                        Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers is aanvaard. Een
                                        onderbreking van ten hoogste twee maanden wordt als
                                        nietwezenlijk aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad kan beslissen dat een onderbreking van meer dan twee
                                        maanden als nietwezenlijk wordt aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24a</label><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 25 Bijzonder nabestaandenpensioen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De man of vrouw met wie een wethouder, gewezen of
                                        gepensioneerde wethouder gehuwd is geweest, heeft na diens
                                        overlijden recht op bijzonder nabestaandenpensioen,
                                        mits</al><lijst><li nr="a."><al>hij of zij recht op nabestaandenpensioen zou hebben
                                                gehad, indien de wethouder op de dag van het vonnis,
                                                waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het
                                                huwelijk is uitgesproken, zou zijn overleden,
                                                en</al></li><li nr="b."><al>de onder a bedoelde dag ligt na 30 september 1971 en
                                                de echtscheiding of ontbinding van het huwelijk niet
                                                is uitgesproken met toepassing van het vóór 1
                                                oktober 1971 geldende recht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
                                        van de vrouw of man van wie de aanmelding is geëindigd, mits
                                        zij of hij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad,
                                        indien de wethouder, de gewezen of gepensioneerde wethouder
                                        op de dag van eindigen van de aanmelding zou zijn
                                        overleden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de
                                        desbetreffende vrouw of man als gevolg van een huwelijk met,
                                        dan wel een aanmelding door dezelfde wethouder ter zake van
                                        diens overlijden recht op nabestaandenpensioen
                                        verkrijgt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 26 Wezenpensioen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Recht op wezenpensioen hebben:</al><lijst><li nr="a."><al>de kinderen van hem die overlijdt als wethouder of
                                                als gewezen of gepensioneerde wethouder, die de
                                                leeftijd van eenentwintig jaren nog niet hebben
                                                bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn
                                                dan wel niet partij zijn of partij zijn geweest bij
                                                een aanmelding, mits zij zijn geboren of geadopteerd
                                                voor zijn aftreden is ingegaan of in de periode
                                                waarin hij recht heeft op uitkering ter zake van het
                                                aftreden.</al></li><li nr="b."><al>een dergelijke verplichting was erkend, onder
                                                dezelfde voorwaarden als genoemd in onderdeel a, en
                                                de kinderen ten opzichte van welke aan een
                                                mannelijke wethouder, gewezen of gepensioneerde
                                                wethouder ten tijde van zijn overlijden een
                                                onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van Boek 1
                                                van het Burgerlijk Wetboek was opgelegd, dan wel
                                                door hem bij authentieke akte </al></li><li nr="c."><al> de kinderen voor welke de wethouder, gewezen of
                                                gepensioneerde wethouder ten tijde van zijn
                                                overlijden de pleegouderlijke zorg droeg, onder
                                                dezelfde voorwaarden als genoemd in onderdeel a, met
                                                dien verstande dat in plaats van het tijdstip van
                                                geboorte of adoptie het tijdstip van aanvang van de
                                                pleegouderlijke zorg in aanmerking wordt
                                                genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 24, derde en vierde lid, is van overeenkomstige
                                        toepassing ten aanzien van het gestelde onder a van het
                                        eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder pleegouderlijke zorg bedoeld in het eerste lid, onder
                                        c, wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding
                                        van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van
                                        enige verplichting daartoe of van het genieten van een
                                        vergoeding daarvoor.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 27 Tijdelijk pensioen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een wethouder of een gewezen dan wel een
                                        gepensioneerde wethouder naar het oordeel van burgemeester
                                        en wethouders is vermist, hebben degenen, die aan zijn
                                        overlijden op grond van de voorgaande artikelen van deze
                                        paragraaf recht op pensioen zouden ontlenen, recht op
                                        tijdelijk pensioen op dezelfde voorwaarden als in die
                                        artikelen ten aanzien van het recht op pensioen
                                        omschreven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het tijdelijk pensioen gaat van rechtswege over in een
                                        pensioen zodra het overlijden van de vermiste
                                        vaststaat.</al></lid></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Bedrag van het pensioen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 28 Berekening van het nabestaandenpensioen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van
                                        het pensioen, waarop de overledene als gewezen wethouder
                                        aanspraak zou hebben gehad, indien hij met ingang van de dag
                                        na die van zijn overlijden was afgetreden, of waarop de
                                        overledene als gewezen wethouder recht of uitzicht had.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het vorige lid bedraagt het pensioen van de
                                        nabestaande van hem die overlijdt:a. als wethouder voor het
                                        bereiken van de leeftijd van 65 jaar: vijf zevende gedeelte
                                        van het pensioen waarop de wethouder aanspraak zou hebben
                                        kunnen maken, indien hij het wethouderschap tot het bereiken
                                        van evengenoemde leeftijd zou hebben bekleed;b. als gewezen
                                        wethouder in de periode waarin hij recht op uitkering heeft:
                                        vijf zevende gedeelte van het pensioen waarop de gewezen
                                        wethouder aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij tot
                                        het bereiken van de leeftijd van 65 jaar recht op uitkering
                                        zou hebben gehad, met dien verstande dat voor de berekening
                                        van het pensioen de diensttijd wordt doorgeteld naar de mate
                                        van meetelling van diensttijd op de dag van overlijden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien wegens een zelfde sterfgeval voor een nabestaande
                                        recht ontstaat op meer dan een nabestaandenpensioen
                                        krachtens of op voet van de Algemene pensioenwet politieke
                                        ambtsdragers wordt op grond van artikel 145, lid 4, van deze
                                        wet tijd, die voor de berekening van meer dan een van die
                                        pensioenen meetelt en niet daadwerkelijk gelijktijdig in de
                                        verschillende ambten is doorgebracht, slechts meegeteld voor
                                        de berekening van het pensioen waarbij die tijd het hoogste
                                        bedrag oplevert.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de toepassing van de voorgaande leden wordt ten aanzien
                                        van het eigen pensioen voor zover artikel 19, tweede, derde
                                        en vierde lid, daarop van toepassing is, in alle gevallen
                                        gerekend met de franchise bedoeld in artikel 19, vierde lid,
                                        onder a.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 29 Berekening nabestaandenpensioen tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                        pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1985
                                        en 1 januari 1995.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>e nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
                                        bereikt en geen recht heeft op nabestaandenuitkering
                                        ingevolge de Algemene nabestaandenwet, heeft tot de eerste
                                        dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op
                                        een toeslag op zijn volgens artikel 28 berekende pensioen.
                                        Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening
                                        van het nabestaandenpensioen tellend jaar twee en een half
                                        percent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de
                                        nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet
                                        vermeerderd met de daarover berekende vakantieuitkering
                                        ingevolge die wet.D</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer betrokkene voldoet, onderscheidenlijk niet meer
                                        voldoet, aan de voorwaarden omschreven in het tweede lid,
                                        dient hij hiervan onmiddellijk kennis te geven aan
                                        burgemeester en wethouders. De daar bedoelde toeslag gaat
                                        niet eerder in dan een jaar voor de eerste dag van de maand
                                        waarin kennisgeving werd gedaan of waarin die toeslag
                                        ambtshalve is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer het bedrag van de nabestaandenuitkering ingevolge de
                                        Algemene nabestaandenwet vermeerderd met de daarover
                                        berekende vakantieuitkering ingevolge die wet wordt
                                        gewijzigd, wordt de in het tweede lid bedoelde toeslag
                                        dienovereenkomstig gewijzigd met ingang van dezelfde dag als
                                        eerstbedoelde wijziging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 29a Berekening nabestaandenpensioen tussen 31 december 1994 en 1 januari 1996</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                        pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1994
                                        en 1 januari 1996.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
                                        bereikt en geen recht heeft op nabestaandenuitkering
                                        ingevolge de Algemene nabestaandenwet, heeft tot de eerste
                                        dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op
                                        een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen
                                        berekende pensioen. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk
                                        voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar
                                        1,25 percent van de franchise, bedoeld in het tweede lid van
                                        artikel 19a.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het derde en vierde lid ban artikel 29 zijn van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 30 Bijzonder nabestaandenpensioen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bijzonder nabestaandenpensioen wordt op dezelfde wijze
                                        berekend als een nabestaandenpensioen, met dien verstande
                                        dat slechts de diensttijd meetelt die gelegen is vóór de
                                        ontbinding van het huwelijk dan wel vóór het tijdstip waarop
                                        de aanmelding is geëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er recht bestaat op meer dan één bijzonder
                                        nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 25, eerste of
                                        tweede lid, vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing
                                        met dien verstande, dat voor de berekening van het bijzonder
                                        nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk en elke
                                        aanmelding waaraan een eerder huwelijk dan wel een eerdere
                                        aanmelding voorafgaat slechts de diensttijd meetelt die
                                        samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de
                                        huwelijksduur dan wel de duur van de aanmelding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer
                                        bijzondere nabestaandenpensioenen, wordt het
                                        nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt
                                        ontleend, met het bedrag of de bedragen daarvan
                                        verminderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 31 Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel aanmelding </label></kop><al>Indien een nabestaande hertrouwt dan wel partij is bij een
                                    aanmelding, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang
                                    van de maand volgende op die waarin hij hertrouwt dan wel de
                                    aanmelding geschiedt. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen
                                    in aanmerking komende diensttijd van de wethouder, gewezen of
                                    gepensioneerde wethouder in aanmerking genomen, die gelegen is
                                    voor het tijdstip van diens overlijden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 32 Wezenpensioen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het wezenpensioen bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor elk kind, wiens ouder aan het overlijden van de
                                                wethouder, gewezen of gepensioneerde wethouder recht
                                                op pensioen ontleent, een zevende gedeelte;</al></li><li nr="b."><al>voor elk ander kind, twee zevende gedeelte van het
                                                pensioen van de overledene, berekend overeenkomstig
                                                artikel 28.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder ouder mede
                                        begrepen de nabestaande die op het tijdstip van zijn
                                        overlijden de pleegouderlijke zorg had voor het kind,
                                        bedoeld in artikel 26.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 33 Berekening wezenpensioen na 31 december 1985</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                        pensioenberekeningen over de diensttijd na 31 december
                                        1985.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wees die geen recht heeft op wezenuitkering ingevolge de
                                        Algemene nabestaandenwet heeft recht op en toeslag op zijn
                                        volgens artikel 32 berekende pensioen, tenzij zijn ouder
                                        recht heeft op halfwezenuitkering ingevolge de Algemene
                                        nabestaandenwet. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk
                                        voor de berekening van het wezenpensioen tellend jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de wees bedoeld in artikel 32, eerste lid,
                                                onder a, 0,375 percent van de tot een jaarbedrag
                                                herleide som van de nabestaandenuitkering en de
                                                halfwezenuitkering ingevolge de Algemene
                                                nabestaandenwet, vermeerderd met de daarover
                                                berekende vakantieuitkering ingevolge die wet;</al></li><li nr="b."><al>nder a bedoelde jaarbedrag.voor de wees bedoeld in
                                                artikel 32, eerste lid, onder b, 0,75 percent van
                                                het o</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid is artikel 29, derde
                                        lid, van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer het bedrag van de nabestaandenuitkering ingevolge de
                                        Algemene nabestaandenwet, van de halfwezenuitkering
                                        ingevolge die wet of van de daarover berekende
                                        vakantieuitkering ingevolge die wet wordt gewijzigd, wordt
                                        de in het tweede lid bedoelde toeslag dienovereenkomstig
                                        gewijzigd met ingang van dezelfde dag als eerstbedoelde
                                        wijziging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 34 Herberekening wezenpensioen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het wezenpensioen wordt herberekend overeenkomstig de
                                        artikelen 32 en 33, wanneer het nabestaandenpensioen of het
                                        bijzonder nabestaandenpensioen van de ouder wegens diens
                                        overlijden is geëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer het nabestaandenpensioen van de ouder krachtens
                                        artikel 31 wegens hertrouwen dan wel een aanmelding opnieuw
                                        wordt vastgesteld, wordt het wezenpensioen bedoeld in
                                        artikel 32, eerste lid, onder a, verhoogd met een bedrag dat
                                        zich verhoudt tot het bedrag van dat wezenpensioen, zoals
                                        het verschil tussen het nabestaandenpensioen bedoeld in
                                        artikel 28 voor en na de toepassing van artikel 31 zich
                                        verhoudt tot dat nabestaandenpensioen vóór die
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel is artikel 32, tweede lid
                                        van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 35 Beperking gezamenlijk bedrag nabestaanden en wezenpensioen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gedeelten van de nabestaanden, bijzondere nabestaanden en
                                        wezenpensioenen, onderscheidenlijk van de wezenpensioenen,
                                        bedoeld in de artikelen 28, 30, 31 en 32, gaan tezamen het
                                        bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te
                                        boven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien wegens toepassing van het vorige lid de daar bedoelde
                                        pensioengedeelten een vermindering moeten ondergaan,
                                        geschiedt deze in evenredigheid van de onderscheidene
                                        bedragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 36 Toeslag op nabestaandenpensioen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
                                        bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die
                                        leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de
                                        voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrag van 15
                                        percent van dat pensioen, behoudens het bepaalde in het
                                        tweede en vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een
                                        pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat
                                        eventueel hoofdstuk V toepassing heeft gevonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene
                                        die recht heeft op bijzonder nabestaandenpensioen, noch ten
                                        aanzien van degene wiens nabestaandenpensioen wegens
                                        hertrouwen dan wel een aanmelding opnieuw is
                                        vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste
                                        vijftien percent van f. 55.195,-- (bedrag geldende op 1
                                        januari 1995) / € 25.046,40. Dit bedrag wordt telkens
                                        aangepast bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel
                                        157, derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke
                                        ambtsdragers, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag
                                        dat op 1 januari 1985 f. 63.200,-- / € 28.678,91
                                        bedroeg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 37 Toeslag op wezenpensioen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wees als bedoeld in artikel 32 heeft vanaf de eerste dag
                                        van de maand waarin hij de leeftijd van vijftien jaar heeft
                                        bereikt, recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande
                                        artikelen berekende pensioen ten bedrage van vijftien
                                        percent van dat pensioen, behoudens het bepaalde in het
                                        tweede en derde lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een
                                        pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat
                                        eventueel hoofdstuk V toepassing heeft gevonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoeld toeslag bedraagt ten hoogste
                                        vijftien percent van f. 55.195,- / € 25.046,40. Dit bedrag
                                        wordt telkens aangepast bij de ministeriële regeling,
                                        bedoeld in artikel 157, derde lid, van de Algemene
                                        pensioenwet politieke ambtsdragers, overeenkomstig de
                                        aanpassing van een bedrag dat op 1 januari 1985 f. 63.200,--
                                        / € 28.678,91 bedroeg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 38 Tijdelijk pensioen </label></kop><al>Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht
                                    zou bestaan indien de vermiste op de dag van zijn vermissing was
                                    overleden.</al></artikel></sub-paragraaf></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Verval en vervallenverklaring</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 39 Vervallenverklaring van uitzicht of recht op pensioen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan het uitzicht of het recht op pensioen geheel of
                                    gedeeltelijk vervallen verklaren:</al><lijst><li nr="a."><al>indien degene die dat uitzicht of recht heeft zich in
                                            vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft
                                            begeven en naar zijn oordeel zich daardoor uit
                                            Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft
                                            gedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien degene die dat uitzicht of recht heeft wegens
                                            enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar zijn
                                            oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal
                                            oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;</al></li><li nr="c."><al>indien degene die dat uitzicht of recht heeft
                                            overeenkomstig artikel X8 van de Kieswet van het
                                            lidmaatschap van de raad vervallen verklaard is;</al></li><li nr="d."><al>indien het ontslag als wethouder die dat uitzicht of
                                            recht heeft, voortvloeit uit het feit dat hij zich aan
                                            kennelijk wangedrag of grove verwaarlozing van zijn taak
                                            heeft schuldig gemaakt. Onder grove verwaarlozing van
                                            zijn taak wordt begrepen het zonder genoegzame grond
                                            weigeren de in artikel 169 van de Gemeentewet bedoelde
                                            inlichtingen aan de raad te verstrekken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan de raad een door of als gevolg van de
                                    toepassing van het vorige lid vervallen uitzicht of recht op
                                    pensioen geheel of gedeeltelijk herstellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 40 Verval van recht op pensioen bij niet invorderen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het recht op toegekend pensioen vervalt indien gedurende vijf
                                    achtereenvolgende jaren iedere invordering achterwege is
                                    gebleven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad kan een door of als gevolg van de toepassing van het
                                    vorige lid vervallen recht op pensioen herstellen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>Samenloop</titel></kop><sub-paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Samenloop pensioenen krachtens deze verordening onderling en met andere pensioenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 41 Grensbedrag eigen pensioenen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt, voor zover een
                                        pensioen is onderworpen aan een samenloopregeling
                                        overeenkomstig paragraaf 2 van dit hoofdstuk, onder pensioen
                                        verstaan het bedrag dat overblijft na vermindering van dat
                                        pensioen wegens recht op ouderdomspensioen krachtens de
                                        Algemene Ouderdomswet of een naar aard en strekking daarmee
                                        overeenkomend pensioen of uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien recht bestaat op een of meer eigen pensioenen
                                        krachtens of op de voet van de Algemene pensioenwet
                                        politieke ambtsdragers, dan wel daarnaast recht bestaat op
                                        een of meer eigen pensioenen krachtens een andere regeling
                                        als bedoeld in het vijfde lid en het totaal van die
                                        pensioenen meer bedraagt dan het grensbedrag omschreven in
                                        het derde lid, wordt op grond van artikel 154 juncto artikel
                                        93 van genoemde wet, elk eigen pensioen krachtens of op de
                                        voet van die wet beperkt tot een zodanig gedeelte
                                        (beperkingsbreuk) van bedoeld grensbedrag als evenredig is
                                        aan de verhouding, waarin elk van laatstbedoelde pensioenen
                                        staat tot het totaal van die pensioenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het grensbedrag is het pensioen dat met toepassing van
                                        artikel 19 tot het in het zevende lid van dat artikel
                                        genoemde maximum van 70 percent zou zijn toegekend naar een
                                        wedde overeenkomend met het hoogste bedrag in bijlage A van
                                        het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984
                                        (Staatsblad 571) vermeerderd met het percentage van de
                                        vakantieuitkering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien het bedrag van een of meer van de in het tweede lid
                                        bedoelde pensioenen bij berekening naar de maximaal in
                                        aanmerking komende diensttijd hoger is of zou zijn dan het
                                        grensbedrag bedoeld in het derde lid, treedt dat hogere
                                        bedrag of het hoogste van die bedragen voor de toepassing
                                        van het tweede lid in de plaats van het grensbedrag. Voor de
                                        in de eerste volzin bedoelde vergelijking worden de
                                        pensioenen aangepast overeenkomstig de regelen vastgesteld
                                        bij algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 105
                                        van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en
                                        daarmee overeenkomende artikelen in andere
                                        pensioenwetten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Onder een pensioen krachtens een andere regeling wordt in
                                        dit artikel verstaan een pensioen, een daarmee in aard
                                        overeenkomende uitkering, alsmede een onderstand bij wijze
                                        van pensioen ten laste van het Rijk, een provincie, gemeente
                                        of waterschap, van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds,
                                        van het Spoorwegpensioenfonds en van de Stichting
                                        Administratie Indonesische pensioenen, dan wel ten laste van
                                        de Nederlandse Antillen of een publiekrechtelijk lichaam in
                                        dat land of een door het hoger bestuursorgaan in een van
                                        deze landen ingesteld fonds, met inbegrip van de daarop
                                        onder welke benaming ook verleende toeslagen en met
                                        uitzondering van een pensioen krachtens de Wet buitengewoon
                                        pensioen 1940-1945 (Stb. 1947, H 313) en de Wet buitengewoon
                                        pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1947,
                                        H 420), van een uitkering krachtens de Wet uitkeringen
                                        vervolgingsslachtoffers 1940-1945, van een
                                        invaliditeitspensioen met de daarop toegekende verhogingen
                                        krachtens een vroegere militaire pensioenwet in de zin van
                                        de Algemene militaire pensioenwet, van een
                                        invaliditeitspensioen, een invaliditeitsverhoging en een
                                        bijzondere invaliditeitsverhoging krachtens laatstgenoemde
                                        wet, alsmede van een uitkering krachtens de Algemene
                                        oorlogsongevallenregeling. Onder een pensioen krachtens een
                                        andere regeling wordt in dit artikel mede begrepen een ten
                                        laste van het Rijk onder welke benaming ook verleende
                                        toeslag op een pensioen, een daarmee in aard overeenkomende
                                        uitkering of een onderstand bij wijze van pensioen ten laste
                                        van Suriname of een publiekrechtelijk lichaam in dat
                                        land.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Na beperking van een eigen pensioen volgens lid 1 of lid 2
                                        wordt de toegepaste beperkingsbreuk slechts gewijzigd,
                                        wanneer een pensioen als in dit artikel bedoeld wordt
                                        toegekend of eindigt dan wel - anders dan wegens aanpassing
                                        naar de in artikel 157 van de Algemene pensioenwet politieke
                                        ambtsdragers bedoelde regelen en daarmee overeenkomende
                                        regelen in andere pensioenwetten dan de in dit artikel
                                        genoemde - wordt herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 42 Grensbedrag nabestaanden en wezenpensioenen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 41 is van overeenkomstige toepassing indien voor een
                                        nabestaande onderscheidenlijk een wees, naast recht op een
                                        of meer nabestaandenpensioenen onderscheidenlijk
                                        wezenpensioenen, krachtens of op de voet van de Algemene
                                        pensioenwet politieke ambtsdragers recht bestaat op een of
                                        meer nabestaandenpensioenen, onderscheidenlijk
                                        wezenpensioenen krachtens een andere regeling, met dien
                                        verstande dat voor de in het derde lid van dat artikel
                                        bedoelde grensbedrag en het in het vierde lid van dat
                                        artikel bedoelde hogere bedrag, met betrekking van een
                                        nabestaandenpensioen vijf zevende gedeelte, met betrekking
                                        tot een wezenpensioen krachtens artikel 32, eerste lid,
                                        onder b, twee zevende deel van die bedragen in de plaats
                                        komt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de toeslagen
                                        bedoeld in de artikelen 29, 33, 36 en 37 niet onder pensioen
                                        begrepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Artikel 35 wordt overeenkomstig toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 43 Samenloop nabestaandenpensioen na hertrouwen of aanmelding</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een nabestaande aan wie reeds een
                                        nabestaandenpensioen is toegekend, hetzij krachtens deze
                                        verordening, hetzij krachtens een andere regeling ter zake
                                        van een later huwelijk of een latere aanmelding eveneens
                                        recht op nabestaandenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens
                                        deze verordening, hetzij krachtens een andere regeling,
                                        wordt samenlopende diensttijd slechts meegeteld bij de
                                        berekening van het pensioen waarbij die tijd het hoogste
                                        bedrag oplevert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in
                                        het vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de
                                        Nederlandse schatkist - anders dan ingevolge wettelijke
                                        garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot
                                        betaling - ten laste van de Nederlandse Antillen, van een
                                        publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in even genoemd
                                        ander land, dan wel ten laste van een door het
                                        bestuursorgaan in een van die landen ingesteld fonds.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 44 Samenloop van wezenpensioenen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een wees die reeds recht op een wezenpensioen heeft,
                                        hetzij krachtens deze verordening, hetzij krachtens een
                                        andere regeling, daarna eveneens recht op een ander
                                        wezenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze verordening,
                                        hetzij krachtens een andere regeling wordt voor de
                                        berekening van de eigen pensioenen waarvan die
                                        wezenpensioenen zijn of geacht moeten worden te zijn
                                        afgeleid, samenlopende tijd slechts meegeteld bij de
                                        berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste
                                        bedrag oplevert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 43, lid 2, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><label>Paragraaf 2</label><nr>2</nr><titel>Samenloop van pensioenen en algemeen pensioen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 45 Begripsomschrijvingen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan
                                        onder</al><lijst><li nr="a."><al>een pensioen: een pensioen of een gedeelte van een
                                                pensioen voor zover berekend over tijd voor 1
                                                januari 1986, dat is toegekend of geacht wordt te
                                                zijn toegekend krachtens deze verordening;</al></li><li nr="b."><al> een algemeen pensioen:</al></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1e."><al>een bruto-ouderdomspensioen als bedoeld in
                                                  artikel 9 van de Algemene Ouderdomswet, eventueel
                                                  vermeerderd met een bruto-toeslag als bedoeld in
                                                  artikel 10 van die wet, benevens de
                                                  bruto-vakantieuitkering, bedoeld in artikel 29 van
                                                  die wet, een en ander voor zover niet uitbetaald
                                                  krachtens artikel 18 van die wet;</al></li><li nr="2e."><al> en wezenwet;-een pensioen, een tijdelijke
                                                  uitkering en een wezenpensioen als bedoeld in de
                                                  Algemene weduwen</al></li><li nr="3e."><al>een pensioen of uitkering toegekend krachtens
                                                  een wettelijke regeling van de Nederlandse
                                                  Antillen of van een vreemde mogendheid en naar
                                                  aard en strekking overeenkomend met een algemeen
                                                  pensioen als omschreven onder 1e en 2e;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="c."><al> een belanghebbende: degene die recht heeft op een
                                                pensioen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder het
                                        algemeen pensioen van de belanghebbende die de leeftijd van
                                        65 jaar heeft bereikt, mede begrepen het algemeen pensioen
                                        waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar
                                        duurzaam gescheiden leeft. Voor de toepassing van de vorige
                                        volzin wordt mede als echtgenoot aangemerkt degene die voor
                                        de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als echtgenoot
                                        van de belanghebbende wordt aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een pensioen als
                                        bedoeld in artikel 51, vijfde lid, dan wel enig ander
                                        pensioen als bedoeld in artikel 51, eerste lid, voor zover
                                        dit pensioen of gedeelte daarvan is berekend over tijd voor
                                        1 januari 1986, in aanmerking genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 46 Volle-wezenpensioen </label></kop><al>Het pensioen waarop twee of meer volle wezen recht hebben,
                                    wordt, indien het als een eenheid is toegekend, voor de
                                    toepassing van deze paragraaf geacht aan ieder van genoemde
                                    wezen te zijn toegekend tot een bedrag, gelijk aan dat pensioen
                                    gedeeld door hun aantal.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 47 Inbouwbedrag </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> met dien verstande dat:,Voor een belanghebbende die tevens
                                        recht heeft op een algemeen pensioen wordt het deel daarvan,
                                        dat geacht kan worden betrekking te hebben op een tijd,
                                        overeenkomende met de diensttijd waarnaar zijn pensioen is
                                        of geacht wordt te zijn berekend, gerekend deel uit te maken
                                        van het bedrag van zijn pensioen</al><lijst><li nr="a."><al> voor zover diensttijd met 3,5 percent per jaar met
                                                pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met 2
                                                wordt vermenigvuldigd;</al></li><li nr="b."><al> voor zover diensttijd met 0,875 percent per jaar
                                                met pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met
                                                0,5 wordt vermenigvuldigd;</al></li><li nr="c."><al> maximaal een diensttijd van 40 jaar in aanmerking
                                                wordt genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in de vorige volzin omschreven deel wordt inbouwbedrag
                                        genoemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op een nabestaandenpensioen, niet zijnde een pensioen als
                                        bedoeld in artikel 25, dat is afgeleid van een pensioen
                                        waarop, in verband met het recht op een pensioen als bedoeld
                                        in artikel 9, tiende lid, onder a en b van de Algemene
                                        Ouderdomswet, lid 1 van toepassing was, vindt dat lid niet
                                        eerder toepassing dan met ingang van de eerste dag van de
                                        maand, volgende op die waarin dat pensioen krachtens het
                                        bepaalde in artikel 65, lid 1, is geëindigd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het inbouwbedrag overschrijdt niet het bedrag van het
                                        algemeen pensioen, dat geacht kan worden betrekking te
                                        hebben op een tijdvak, liggende tussen de aanvang en het
                                        einde van de diensttijd, waarnaar het pensioen met
                                        inachtneming van lid 1 is of geacht wordt te zijn
                                        berekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 48 Mededelingsplicht </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een algemeen pensioen gaat
                                        genieten dan wel het genot van een algemeen pensioen of van
                                        een tijdelijke uitkering eindigt, of indien in het bedrag
                                        van het algemeen pensioen een wijziging wordt aangebracht op
                                        grond van persoonlijke omstandigheden van hemzelf, zijn
                                        echtgenoot of zijn kinderen, is hij gehouden hiervan
                                        onverwijld kennis te geven aan burgemeester en
                                        wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende de in het vorige lid bedoelde
                                        kennisgeving niet onverwijld doet, gaat een verlaging van
                                        het inbouwbedrag niet vroeger in dan een jaar voor de eerste
                                        dag van de maand waarin de kennisgeving werd gedaan of
                                        waarin ambtshalve vermindering van het inbouwbedrag
                                        plaatsvond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 49 Algemeen pensioen en diensttijd </label></kop><al>Voor de toepassing van artikel 47 geldt het volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>Het algemeen pensioen wordt geacht betrekking te hebben
                                            op het tijdvak, liggende tussen de tijdstippen waarop
                                            belanghebbende de leeftijd van 15 jaar en die van 65
                                            jaar heeft bereikt met dien verstande dat, indien een
                                            belanghebbende recht heeft op nabestaanden of
                                            wezenpensioen, het vorenstaande overeenkomstige
                                            toepassing vindt ten aanzien van de tijdstippen waarop
                                            de overledene de leeftijden van 15 en 65 jaar heeft of
                                            zou hebben bereikt.</al></li><li nr="b."><al> Het recht op een algemeen pensioen, dat bestond op de
                                            dag waarop de rechthebbende is overleden of sedert welke
                                            hij is vermist, wordt geacht voort te duren tot het
                                            tijdstip waarop diens pensioen krachtens het bepaalde in
                                            artikel 65, lid 1, is geëindigd.</al></li><li nr="c."><al> Indien een nabestaande recht heeft op algemeen
                                            nabestaandenpensioen op grond van artikel 8, eerste lid,
                                            onder a van de Algemene weduwen en wezenwet, doch geen
                                            van de in even genoemde bepaling bedoelde kinderen recht
                                            heeft op pensioen, wordt uitgegaan van het bedrag van
                                            het pensioen dat geldt voor degenen op wie artikel 19,
                                            elfde lid, onder a, van genoemde wet toepassing
                                            vindt.</al></li><li nr="d."><al> Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen
                                            de diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen waarop de
                                            leeftijd van 15 jaar is en die van 65 jaar is of zal
                                            zijn bereikt.</al></li><li nr="e."><al> Een pensioen dat niet is berekend naar diensttijd wordt
                                            geacht te zijn berekend naar een diensttijd van 40
                                            jaren.</al></li><li nr="f."><al> Diensttijd waarnaar een pensioen is of geacht wordt te
                                            zijn berekend en die niet daadwerkelijk als wethouder is
                                            doorgebracht, wordt geacht aan te sluiten bij het einde
                                            van de ambtsvervulling waaraan het recht op pensioen is
                                            ontleend; voor zover dientengevolge deze dienst zich
                                            uitstrekt na het tijdstip waarop de leeftijd van 65 jaar
                                            is of zou zijn bereikt, wordt die diensttijd, te rekenen
                                            van dat tijdstip, geacht te zijn doorgebracht, voor
                                            zover mogelijk gedurende tijdvakken van onderbreking van
                                            de daadwerkelijk als wethouder doorgebrachte tijd en
                                            voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van de
                                            diensttijd waarnaar het pensioen is berekend.</al></li><li nr="g."><al> Van de diensttijd wordt buiten beschouwing gelaten de
                                            tijd, waarop betrekking heeft of geacht kan worden
                                            betrekking te hebben het bedrag van het algemeen
                                            pensioen, waarop aanspraak is verkregen door vrijwillige
                                            premiebetaling krachtens artikel 45 van de Algemene
                                            Ouderdomswet en artikel 47 van de Algemene Weduwen en
                                            Wezenwet.</al></li><li nr="h."><al> De vakantieuitkeringen, bedoeld in de Algemene
                                            Ouderdomswet en de Algemene Weduwen en Wezenwet, worden
                                            geacht op overeenkomstige wijze als het algemeen
                                            pensioen in termijnen te worden uitbetaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 50 Gehuwde vrouw met recht op pensioen </label></kop><al>Indien een belanghebbende een gehuwde vrouw is, wordt voor de
                                    toepassing van artikel 47 uitgegaan van het algemeen pensioen
                                    voor een ongehuwde pensioengerechtigde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 51 Vermindering inbouwbedragen bij samenvallende diensttijd</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aan een belanghebbende meer dan één pensioen is of
                                        geacht wordt te zijn toegekend krachtens of op de voet van
                                        de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, dan wel
                                        naast een of meer zodanige pensioenen een pensioen krachtens
                                        een andere regeling als bedoeld in het vijfde lid is of
                                        geacht wordt te zijn toegekend, en de diensttijd waarnaar
                                        die pensioenen zijn of geacht worden te zijn berekend geheel
                                        of gedeeltelijk samenvalt, overschrijdt op grond van artikel
                                        155 juncto artikel 101 van voornoemde wet de som van de
                                        inbouwbedragen - voor zover deze geacht kunnen worden
                                        betrekking te hebben op een tijd, overeenkomende met de
                                        samenvallende diensttijd - niet het bedrag van het algemeen
                                        pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op een
                                        tijd, overeenkomende met bedoelde samenvallende
                                        diensttijd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een overschrijding als bedoeld in het vorige lid
                                        plaats zou vinden, wordt het voor ieder krachtens deze
                                        verordening toegekend pensioen berekende inbouwbedrag, voor
                                        zover betrekking hebbende op samenvallende diensttijd als
                                        bedoeld in het vorige lid, verminderd tot een zodanig deel
                                        van het bedrag van het algemeen pensioen, bedoeld aan het
                                        slot van het vorige lid, als elk inbouwbedrag zich verhoudt
                                        tot de som van die bedragen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de som van de inbouwbedragen, ook na toepassing van
                                        het vorige lid, een bedrag gelijk aan 80 percent van het
                                        algemeen pensioen overschrijdt, wordt deze overschrijding in
                                        mindering gebracht op elk inbouwbedrag in de verhouding,
                                        waarin elk van die bedragen staat tot de som daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van de voorgaande leden op pensioenen,
                                        toegekend krachtens een militaire pensioenwet, geldt niet
                                        als diensttijd de diensttijd, die krachtens die wet met vier
                                        per mille van de pensioengrondslag is vergolden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>ten laste van de Nederlandse Antillen, van een
                                        publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in even genoemd
                                        ander land, dan wel ten laste van een door het
                                        bestuursorgaan in een van die landen ingesteld fonds.Onder
                                        pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het
                                        eerste lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de
                                        Nederlandse schatkist - anders dan krachtens de Algemene
                                        pensioenwet politieke ambtsdragers en anders dan ingevolge
                                        wettelijke garanties of ingevolge overneming van de
                                        verplichting tot betaling- </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op schriftelijk verzoek van de belanghebbende wordt dit
                                        artikel overeenkomstig toegepast, indien aan diens
                                        echtgenoot een of meer pensioenen zijn of geacht worden te
                                        zijn toegekend, hetzij krachtens of op de voet van de
                                        Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, hetzij
                                        krachtens een andere regeling als bedoeld in het vijfde lid.
                                        Artikel 52, tweede lid, is daarbij van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 52 Vermindering inbouwbedragen bij korting op particulier pensioen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op schriftelijk verzoek van degene die aantoont, dat uit
                                        hoofde van zijn recht op algemeen pensioen een vermindering
                                        plaatsvindt van enig ander pensioen dan bedoeld in artikel
                                        51, vijfde lid, wordt het bedrag van die vermindering voor
                                        zoveel mogelijk in mindering gebracht op het inbouwbedrag.
                                        De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover
                                        bedoelde vermindering betrekking heeft op tijd die
                                        gelijktijdig in de desbetreffende betrekking is of geacht
                                        kan worden te zijn vervuld. Aan diensttijd die niet
                                        daadwerkelijk in dienstverhouding of als politiek
                                        ambtsdrager is doorgebracht wordt een plaats toegekend
                                        overeenkomstig het bepaalde bij artikel 49, onder f.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vermindering van het inbouwbedrag bedoeld in het vorige
                                        lid gaat in met de dag waarop de in dat lid bedoelde
                                        omstandigheid is opgetreden, met dien verstande dat deze
                                        niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van de
                                        maand waarin het desbetreffende verzoek werd ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het eerste lid wordt, ingeval op meer dan
                                        één pensioen recht bestaat, het bedrag van de in dat lid
                                        bedoelde vermindering op de inbouwbedragen in mindering
                                        gebracht naar verhouding van even bedoelde bedragen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de som van het inbouwbedrag en de vermindering van
                                        het andere pensioen, ook na toepassing van de overige
                                        bepalingen van dit artikel, een bedrag gelijk aan 80 percent
                                        van het algemeen pensioen overschrijdt, wordt van deze
                                        overschrijding een deel in mindering gebracht op het
                                        inbouwbedrag, en wel in de verhouding waarin de diensttijd,
                                        waarnaar het pensioen waarop vorenbedoeld inbouwbedrag
                                        betrekking heeft is of geacht wordt te zijn berekend, staat
                                        tot het totaal van de diensttijden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing, indien een
                                        vermindering plaatsvindt van enig ander pensioen dan bedoeld
                                        in artikel 51, vijfde lid, toegekend aan de echtgenoot van
                                        de belanghebbende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 53 Verlaging inbouwbedrag (vóór 1 januari 1986) </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                        pensioenberekeningen over jaren gelegen voor 1 januari
                                        1986.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al/><al>Indien het bedrag dat tot grondslag heeft gestrekt voor de
                                        berekening van het pensioen, nadat dat bedrag is aangepast
                                        aan de hand van de regels, bedoeld in artikel 157, derde
                                        lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, op
                                        de dag met ingang waarvan de voorgaande artikelen van deze
                                        paragraaf voor de eerste maal ten aanzien van het pensioen
                                        toepassing vinden lager is dan f. 26.508,- (bedrag geldende
                                        op 1 januari 1991) / € 12.028,81 wordt het met toepassing
                                        van de voorgaande artikelen van deze paragraaf berekende
                                        inbouwbedrag vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de
                                        teller is eerstbedoeld bedrag op bedoelde dag en waarvan de
                                        noemer is f. 26.508,--/€ 12.028,81. De uitkomst van deze
                                        vermenigvuldiging vormt in dat geval het inbouwbedrag. Het
                                        in de vorige volzin genoemde bedrag wordt gewijzigd bij de
                                        ministeriële regeling, bedoeld in artikel 157, derde lid,
                                        van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het pensioen rechtstreeks of middellijk is afgeleid
                                        van een eigen pensioen, geldt voor de toepassing van het
                                        vorige lid als grondslag voor de berekening van het
                                        pensioen, het bedrag dat heeft gestrekt tot grondslag voor
                                        de berekening van het eigen pensioen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het bedrag van het algemeen pensioen, dat gerekend
                                        wordt deel uit te maken van het pensioen, reeds is
                                        verminderd krachtens lid 1, vindt artikel 52, eerste lid,
                                        slechts toepassing voor zover zulks nodig is om te voorkomen
                                        dat de som van even bedoeld verminderd bedrag en het bedrag
                                        van de vermindering, bedoeld in het eerste lid van artikel
                                        52, het bedrag zou overschrijden dat, zonder toepassing van
                                        lid 1, krachtens artikel 47 gerekend zou worden deel uit te
                                        maken van het bedrag van het pensioen. De vorige volzin is
                                        van overeenkomstige toepassing in het geval bedoeld in
                                        artikel 52, derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 54 Verrekening </label></kop><al>Indien een algemeen pensioen wordt toegekend of herzien over een
                                    tijdvak waarover reeds pensioen werd betaald en dientengevolge
                                    te veel pensioen is betaald, kunnen burgemeester en wethouders
                                    aan de Sociale Verzekeringsbank die het algemeen pensioen heeft
                                    toegekend of herzien, verzoeken het te veel betaalde pensioen
                                    ten behoeve van de gemeente in te houden op het algemeen
                                    pensioen, voor zover betrekking hebbende op even genoemd
                                    tijdvak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 55 Gemoedsbezwaren </label></kop><al>De bepalingen van deze paragraaf blijven buiten toepassing ten
                                    aanzien van degenen die op grond van gemoedsbezwaren hun recht
                                    op algemeen pensioen niet geldend maken, met dien verstande dat
                                    zij zo veel mogelijk overeenkomstige toepassing vinden met
                                    betrekking tot diegenen van even bedoelden, die recht hebben op
                                    een uitkering als bedoeld in artikel 48 van de Algemene
                                    Ouderdomswet.</al></artikel></sub-paragraaf></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>Bepalingen van administratieve aard</titel></kop><sub-paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Tijdsberekening voor uitkeringen en pensioenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 56 </label></kop><al>Voor zover de voor uitkering en pensioen in aanmerking komende
                                    tijd kalenderjaren of kalendermaanden omvat, wordt deze tijd
                                    uitgedrukt in jaren onderscheidenlijk maanden voor uitkering en
                                    pensioen in aanmerking komende tijd. De overige tijd wordt
                                    uitgedrukt in gedeelten van jaren onderscheidenlijk gedeelten
                                    van maanden, waarbij het jaar op 12 maanden en de maand op 30
                                    dagen wordt gesteld.</al></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1a</nr><titel>Financiële bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 57 Aanpassing pensioenen aan algemene bezoldigingswijzigingen ·</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De wedde, bedoeld in artikel 18, of de pensioengrondslag
                                        bedoeld in de artikelen 19 en 19a, behorende bij een
                                        pensioen als bedoeld in artikel 16 of bij een uitzicht op
                                        een pensioen bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar,
                                        worden telkens gewijzigd overeenkomstig een algemene
                                        bezoldigingswijziging, teneinde een aan die algemene
                                        bezoldigingswijziging evenredige aanpassing van het pensioen
                                        te bewerkstelligen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een algemene bezoldigingswijziging als bedoeld in het
                                        eerste lid wordt verstaan een zodanige wijziging van een
                                        pensioen van een gepensioneerde overheidswerknemer in de zin
                                        van de Wet privatisering ABP die werkzaam is geweest in de
                                        sector Rijk.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien aan een gepensioneerde overheidswerknemer, als
                                        bedoeld in het tweede lid, een eenmalige uitkering wordt
                                        toegekend, wordt aan degene die recht heeft op een pensioen,
                                        als bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig een eenmalige
                                        uitkering toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 58 Afronding van pensioen </label></kop><al>Het pensioen wordt naar boven op een gulden en/of Euro
                                    afgerond.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 59 Inhoudingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Op de wedde van de wethouder worden volgens bij of
                                        krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen
                                        bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen
                                        op de bezoldiging van degene die behoort tot het
                                        overheidspersoneel, ter zake van aanspraken bij
                                        werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en
                                        overlijden. ·</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Op de uitkering van de gewezen wethouder worden volgens bij
                                        of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen
                                        regelen bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van
                                        bedragen ter zake van aanspraken als bedoeld in het eerste
                                        lid, op een werkloosheids of arbeidsongeschiktheidsuitkering
                                        op grond van een voor overheidspersoneel getroffen
                                        regeling.·</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Geen inhoudingen ter zake van ouderdom en overlijden vindt
                                        plaats voor zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd
                                        en op uitkeringen als bedoeld in artikel 4a, alsmede in de
                                        gevallen bedoeld in de laatste volzin van artikel 18, vierde
                                        lid.</al></lid></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Aanvraag en toekenning van uitkering en pensioen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 60 Toekenning uitkering en pensioen </label></kop><al>Burgemeester en wethouders beslissen over de toekenning van een
                                    uitkering of een pensioen op schriftelijke aanvraag door of
                                    vanwege de betrokkene, dan wel ambtshalve.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 61 Vrijdom van leges </label></kop><al>De stukken waarvan overlegging door burgemeester en wethouders
                                    nodig wordt geoordeeld zijn ingevolge artikel 158 juncto artikel
                                    111 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers vrij van
                                    leges.</al></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Ingang en einde van de pensioenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 62 Ingang eigen pensioen </label></kop><al>Het eigen pensioen gaat in met de dag waarop het recht daarop
                                    ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 63 Ingang nabestaanden- en wezenpensioen en tijdelijk pensioen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het nabestaanden en wezenpensioen gaat in met de dag,
                                        volgende op die van het overlijden van hem aan wie het wordt
                                        ontleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het tijdelijk pensioen gaat in met een door burgemeester en
                                        wethouders te bepalen dag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 64 Ingang hersteld pensioen </label></kop><al>Wanneer een vervallen recht op pensioen geheel of gedeeltelijk
                                    wordt hersteld, gaat het pensioen in met de eerste dag van de
                                    maand waarin het herstel heeft plaatsgevonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 65 Einde pensioen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin de
                                        rechthebbende is overleden. Ingeval van vermissing van de
                                        rechthebbende eindigt het pensioen met een door burgemeester
                                        en wethouders te bepalen dag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het tijdelijk pensioen eindigt wanneer de vermiste in leven
                                        blijkt te zijn, met een door burgemeester en wethouders te
                                        bepalen dag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>rklaard, eindigt met het einde van de maand waarin de
                                        beslissing inzake het vervallen verklaren is genomen. Een
                                        pensioen waarop het recht krachtens artikel 39 vervallen is
                                    </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het wezenpensioen eindigt voorts met het einde van de maand
                                        waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>de rechthebbende de leeftijd van eenentwintig jaren
                                                heeft bereikt of, de leeftijd van eenentwintig jaren
                                                nog niet bereikt hebbende, in het huwelijk is
                                                getreden dan wel partij is bij een aanmelding,
                                                of</al></li><li nr="b."><al> ten opzichte van de rechthebbende ouderschap komt
                                                vast te staan van een ander dan degene aan wiens
                                                overlijden het recht op wezenpensioen wordt
                                                ontleend.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 66 Nabestaandenuitkering</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij ontstentenis van een nabestaande van wie de overledene
                                        niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten
                                        behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen
                                        van de overledene, of minderjarige kinderen waarover de
                                        overledene ten tijde van het overlijden de pleegouderlijke
                                        zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de
                                        zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als
                                        was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting
                                        daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.Zo
                                        spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerde
                                        wethouder wordt aan diens nabestaande, van wie hij niet
                                        duurzaam gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten
                                        bedrage van zijn pensioen over een tijdvak van twee maanden
                                        (nabestaandenuitkering). </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de overleden gepensioneerde geen betrekkingen als
                                        bedoeld in het vorige lid nalaat, kan het daarbedoelde
                                        bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling
                                        van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging,
                                        indien de nalatenschap voor de betaling van die kosten
                                        ontoereikend is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Lid 1 is van overeenkomstige toepassing in geval van
                                        vermissing van een gepensioneerd wethouder.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioen
                                        verstaan het bedrag waarop de overledene recht had,
                                        eventueel na toepassing van hoofdstuk V.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 67 Terugvordering</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien meer pensioen is betaald dan overeenstemt met
                                        artikel 65, wordt het te veel betaalde teruggevorderd voor
                                        zover verrekening daarvan kan plaatsvinden met een uitkering
                                        krachtens artikel 66.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een vermiste in leven blijkt te zijn, kan hetgeen aan
                                        tijdelijk pensioen en aan uitkering, bedoeld in artikel 66,
                                        is betaald, worden teruggevorderd.</al></lid></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Betaling van de pensioenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 68 Maandbetaling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De betaling van de pensioenen geschiedt in maandelijkse
                                        termijnen, tenzij burgemeester en wethouders anders
                                        bepalen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen regelen stellen met
                                        betrekking tot de wijze van betaling van pensioenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 69 Onderbreking genot pensioen </label></kop><al>Het pensioen van een gewezen wethouder wordt niet genoten,
                                    indien en zolang hij na het tijdstip van inwerkingtreding van
                                    deze verordening weer als wethouder in deze gemeente
                                    optreedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 70 Pensioenbetaling zonder machtiging aan een ander dan gepensioneerde</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien een gepensioneerde in een inrichting ter verpleging
                                        van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen of, niet
                                        opgenomen zijnde in een zodanige inrichting, op grond van
                                        geestelijke gestoordheid niet in staat is kwijting te
                                        verlenen voor de uitbetaling van pensioen, kan het pensioen
                                        uitbetaald worden aan een door burgemeester en wethouders
                                        aan te wijzen persoon of instelling. In andere door hen aan
                                        te wijzen bijzondere gevallen kan het pensioen in plaats van
                                        aan de gepensioneerde zonder diens machtiging uitbetaald
                                        worden aan een door burgemeester en wethouders aan te wijzen
                                        persoon of instelling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een gepensioneerde ingevolge het bepaalde bij of
                                        krachtens de artikelen 6, lid 2, 11 en 12 van de Algemene
                                        wet bijzondere ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in
                                        de kosten van een verstrekking als bedoeld in de artikelen 6
                                        en 11 van die wet of een vergoeding als bedoeld in de
                                        artikelen 11 en 12 van die wet, kan het pensioen tot ten
                                        hoogste het bedrag van die bijdrage in plaats van aan de
                                        gepensioneerde zonder diens machtiging uitbetaald worden aan
                                        de Ziekenfondsraad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het bepaalde in het vorige lid toepassing vindt,
                                        heeft de uitbetaling als bedoeld in lid 1 betrekking op het
                                        gedeelte van het pensioen, dat niet aan het in lid 2
                                        bedoelde orgaan wordt uitbetaald.</al></lid></artikel></sub-paragraaf></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>III</nr><titel>Algemene, overgangs en slotbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Beroep en herziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 71 Beroep </label></kop><al>Van de beslissingen ter uitvoering van deze verordening staat
                                ingevolge artikel 162 van de Algemene pensioenwet politieke
                                ambtsdragers beroep open op de Centrale Raad van Beroep
                                overeenkomstig de bepalingen van de Beroepswet. De voorgaande volzin
                                is niet van toepassing op beslissingen ingevolge artikel 70, lid
                                2.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 72 Herziening, wijziging en herstel</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders herzien een door hen ter uitvoering
                                    van deze verordening genomen beslissing, indien:a. aan die
                                    beslissing een feitelijke onjuistheid ten grondslag ligt;b na
                                    die beslissing blijkt dat aan die beslissing andere feiten ten
                                    grondslag dienen te worden gelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien na een beslissing van burgemeester en wethouders de
                                    feiten waarmede in die beslissing rekening is gehouden zodanig
                                    zijn gewijzigd, dat deze beslissing anders zou luiden als zij
                                    nog genomen zou moeten worden, wijzigen burgemeester en
                                    wethouders de beslissing, rekening houdende met de gewijzigde
                                    feiten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders herstellen een door hen genomen
                                    beslissing omtrent toekenning - inbegrepen aanpassing op grond
                                    van artikel 57 -, herziening, wijziging of betaalbaarstelling
                                    van een pensioen, indien daarin een onjuistheid, anders dan
                                    bedoeld in de vorige leden, voorkomt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>ndien vijf jaren zijn verstreken na de dagtekening van een
                                    overeenkomstig de vorige leden voor herziening, wijziging of
                                    herstel vatbare beslissing, kunnen burgemeester en wethouders
                                    die leden buiten toepassing laten.I</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 73 </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Een herzieningsbeslissing, een wijzigingsbeslissing en een
                                    herstelbeslissing vermelden de dag van de inwerkingtreding. Bij
                                    een herzieningsbeslissing is deze dag dezelfde als die waarop de
                                    herziene beslissing in werking is getreden, tenzij een latere
                                    dag wordt bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Een herzieningsbeslissing leidt niet tot terugvordering of
                                    verrekening van reeds betaalde bedragen, tenzij de betrokkene
                                    redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel werd
                                    uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Een wijzigingsbeslissing leidt slechts tot terugvordering of
                                    verrekening van reeds betaalde bedragen indien de betrokkene,
                                    hoewel enige bepaling van deze verordening hem daartoe
                                    verplichtte of dit redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht,
                                    heeft nagelaten aan burgemeester en wethouders mededeling te
                                    doen van een wijziging in de feiten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> In afwijking van de vorige twee leden en onverminderd artikel
                                    67 zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot terugvordering of
                                    verrekening van te veel betaalde bedragen, indien de
                                    herzieningsbeslissing, onderscheidenlijk de wijzigingsbeslissing
                                    is genomen binnen vier maanden na de dagtekening van de herziene
                                    beslissing, onderscheidenlijk binnen vier maanden nadat
                                    burgemeester en wethouders bericht hebben ontvangen van
                                    wijziging in de feiten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Herstel van een beslissing als bedoeld in artikel 72, lid 3,
                                    binnen vier maanden na de dagtekening van de herstelde
                                    beslissing, leidt tot terugvordering of verrekening van te veel
                                    betaalde pensioenbedragen Herstel van een beslissing, als
                                    bedoeld in de vorige volzin, na de daargenoemde termijn, leidt
                                    slechts tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde
                                    pensioenbedragen, indien de betrokkene redelijkerwijze had
                                    moeten begrijpen, dat hem te veel werd uitbetaald.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 74 Intrekking geldende verordening</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Behoudens het in dit hoofdstuk verder bepaalde wordt met ingang
                                    van 1 januari 1966 ingetrokken de uitkerings- en
                                    pensioenverordening wethouders van 26 september 1969, welke op 1
                                    januari 1996 in werking was getreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3 van de in het eerste lid bedoelde verordening blijft
                                    van toepassing tot 1 januari 1969.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Artikel 6, sub b van de in het eerste lid bedoelde verordening
                                    blijft van toepassing tot het tijdstip van inwerkingtreding van
                                    deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 75 </label></kop><al>De bepalingen van de uitkerings- en pensioenverordening wethouders
                                1966 blijven van kracht voor wat betreft de rechten en
                                verplichtingen die op grond van die bepalingen vóór 1 januari 1966
                                zijn ontstaan en die op dat tijdstip nog niet tot gelding zijn
                                gebracht onderscheidenlijk waarop op dat tijdstip nog niet is
                                voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 76 Toepasselijkheid van deze verordening </label></kop><al>De met ingang van een datum, voorafgaande aan het tijdstip van
                                inwerkingtreding van deze verordening, aan gewezen wethouders en aan
                                nabestaanden en wezen toegekende uitkeringen en pensioenen worden
                                met ingang van dat tijdstip geacht krachtens deze verordening te
                                zijn toegekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 77 Rechten op basis van de oude verordening </label></kop><al>Zij die aan de in artikel 74, eerste lid, genoemde verordening recht
                                op pensioen ontleenden met ingang van 1 januari 1966 of een later
                                tijdstip, ontlenen van dat tijdstip af een recht op pensioen aan
                                deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 78 Samenloop van pensioen en algemeen pensioen (behoort bij afdeling II, hoofdstuk V, paragraaf 2) </label></kop><al>In afwijking in zoverre van artikel 47 vindt voor de berekening van
                                het inbouwbedrag geen vermenigvuldiging plaats van tijd, gelegen
                                voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening die voor
                                de berekening van een pensioen als daar bedoeld in aanmerking wordt
                                genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 79 Overgangsbepaling I ten aanzien van het vervallen artikel 49 (oud) (overgangsbepaling bij vijfde wijziging) </label></kop><al>Artikel 49, zoals dat als artikel 49 luidde op 31 mei 1985, blijft
                                toepassing vinden ter zake van betalingen na 31 mei 1985, indien en
                                voor zover die betalingen betrekking hebben op een voor 1 juni 1985
                                liggende periode, met dien verstande dat met ingang van 1 april 1985
                                in het vierde lid ‘artikel 36, eerste lid’, wordt vervangen door
                                ‘artikel 47, eerste lid’.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 80 Overgangsbepaling II ten aanzien van het vervallen artikel 49 (oud) (overgangsbepaling bij vijfde wijziging) </label></kop><al>De verhoging met tien percent over ten hoogste ? 63.200, per jaar
                                ingaande 1 juni 1985 van de wedde van de wethouder toegekend in
                                verband met het vervallen van artikel 49, maakt voor de toepassing
                                van de bepalingen van afdeling II, de hoofdstukken II en III,
                                betreffende de pensioenberekening, geen deel uit van de wedde. </al><al>De voorgaande volzin is slechts van toepassing op de wedde, voor
                                zover die betrekking heeft op tijd gelegen vóór 1 januari 1986.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 81 Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 41 (artikel 31 oud) (overgangsbepaling bij zesde wijziging)</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 41 zoals dat artikel ingevolge de zesde
                                    wijziging is komen te luiden, blijft ten aanzien van de in het
                                    tweede lid bedoelde personen van toepassing artikel 41 zoals dat
                                    als artikel 31 luidde op de dag vóór 13 juli 1988.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde personen zijn:</al><lijst><li nr="a."><al> degenen die voor 1 januari 1986 recht op eigen pensioen
                                            hebben gekregen dan wel de leeftijd van 60 jaar hebben
                                            bereikt;</al></li><li nr="b."><al> nabestaanden en wezen die recht op pensioen hebben
                                            ontleend aan het overlijden van een persoon die voldeed
                                            aan een voorwaarde gesteld onder a, dan wel recht op dat
                                            pensioen hebben verkregen vóór 1 januari 1986.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde personen wordt
                                    niet onder pensioen begrepen de toeslag bedoeld in de artikelen
                                    36 en 37.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 82 Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 45 (artikel 35 oud) (overgangsbepaling bij zesde wijziging)</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 45, tweede lid, zoals deze bepaling ingevolge de zesde
                                    wijziging is komen te luiden, is niet van toepassing indien de
                                    belanghebbende recht heeft op een ouderdomspensioen bedoeld in
                                    artikel 9, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet ingevolge
                                    het zevende lid van dat artikel, zoals dat luidde op 31 december
                                    1985.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>rtikel 45, tweede lid, laatste volzin, zoals die volzin
                                    ingevolge de zesde wijziging is komen te luiden, is niet van
                                    toepassing ten aanzien van de ongehuwde belanghebbende bedoeld
                                    in genoemde wet, op wie van toepassing is gebleven artikel 1 van
                                    de Algemene Ouderdomswet, zoals dat artikel luidde op 31
                                    december 1985.A</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 83 Overgangsbepaling ten aanzien van de artikelen 19 en 28 (artikelen 16a en 22 oud na vijfde wijziging) (overgangsbepaling bij zesde wijziging) </label></kop><al>De artikelen 19, tweede lid, en 28, derde lid, zoals die artikelen
                                ingevolge de zesde wijziging zijn komen te luiden, zijn niet van
                                toepassing ten aanzien van degene die:</al><lijst><li nr="a."><al> wethouder was voor 13 juli 1988, voor zover betreffende
                                        tijd is doorgebracht vóór dat tijdstip;</al></li><li nr="b."><al> wethouder is op of na 13 juli 1988, voor zover betreffende
                                        tijd zonder onderbreking is gevolgd op tijd als bedoeld
                                        onder a, en vervolgens zonder onderbreking is voortgezet.
                                        Een onderbreking van niet meer dan een jaar wordt voor de
                                        toepassing van deze bepaling geacht geen onderbreking te
                                        vormen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 84 Garantiebepaling (overgangsbepaling bij zesde wijziging) </label></kop><al>De vanaf 1 januari 1986 toegekende pensioenen berekend op basis van
                                de verordening zoals die tot die datum luidde, worden herberekend op
                                grond van deze verordening zoals die na de zesde wijziging is komen
                                te luiden, met dien verstande dat de pensioenbedragen die in verband
                                met deze herberekening te veel zijn betaald, niet worden
                                teruggevorderd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 85 Inwerkingtreding artikelen 19, tweede lid, 50 en 59, tweede en derde lid (artikel 16a, tweede lid, 40 en 48, tweede en derde lid (oud) na vijfde wijziging) (overgangsbepaling bij zesde wijziging) </label></kop><al>Artikel 19, tweede lid, artikel 50 en artikel 59, tweede en derde
                                lid, treden in werking op het tijdstip bedoeld in artikel VIII, lid
                                4, van de Wet van 20 april 1988, Staatsblad 300.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 86 Inwerkingtreding zevende wijziging </label></kop><al>De artikelen 9, 12, 13, 14, 24, eerste en tweede lid, 24a, 25, 26,
                                eerste en tweede lid, 28, eerste, tweede, derde en vierde lid, 29,
                                tweede, derde en vierde lid, 30, 31, 32, 33, tweede en vierde lid,
                                34, 35, eerste lid, 36, eerste en derde lid, 42, eerste lid, 43,
                                eerste lid, 45, eerste lid, 47, tweede lid, 48, eerste lid, 49,
                                onderdeel a en c, 63, eerste lid, 66, eerste lid met uitzondering
                                van de invoering van het begrip minderjarigheid, 76, 87, 88, 89 en
                                90 zoals bedoelde bepalingen na de zevende wijziging zijn komen te
                                luiden, werken terug tot 1 januari 1986.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 87 Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 24a (overgangsbepaling bij zevende wijziging) </label></kop><al>Alle pensioenen toegekend krachtens artikel 24a van deze verordening
                                zoals die luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de
                                zevende wijziging, worden, voor zover zij op dat tijdstip worden
                                genoten, met ingang van dat tijdstip geacht te zijn toegekend
                                krachtens artikel 24.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 88 Overgangsbepaling met betrekking tot het recht op nabestaandenpensioen (overgangsbepaling bij zevende wijziging)</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er ontstaat geen recht op pensioen ingevolge de zevende
                                    wijziging, indien op de datum van overlijden van de vrouwelijke
                                    wethouder, gewezen of gepensioneerde wethouder in een
                                    overeenkomstig geval geen recht op weduwenpensioen of bijzonder
                                    weduwenpensioen zou zijn ontstaan ingevolge het overlijden van
                                    een mannelijke wethouder, gewezen of gepensioneerde
                                    wethouder.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het pensioen waarop ingevolge de zevende wijziging recht
                                    ontstaat in verband met een overlijden voor de datum van
                                    inwerkingtreding van deze wijziging wordt berekend als ware het
                                    recht ontstaan op de datum van overlijden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 89 Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 40 (overgangsbepaling bij zevende wijziging) </label></kop><al>Ten aanzien van de aanspraken op nabestaandenpensioen die ingevolge
                                de zevende wijziging worden verkregen vangt de termijn van vijf
                                achtereenvolgende jaren zoals bedoeld in artikel 40 niet eerder aan
                                dan op de datum van inwerkingtreding van deze wijziging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 90 Herberekening wezenpensioen (overgangsbepaling bij zevende wijziging)</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien ingevolge de zevende wijziging een nabestaandenpensioen
                                    of een bijzonder nabestaandenpensioen wordt toegekend, terwijl
                                    aan hetzelfde overlijden recht op wezenpensioen is ontleend,
                                    wordt het wezenpensioen herberekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het nabestaandenpensioen of het bijzonder
                                    nabestaandenpensioen met terugwerkende kracht wordt toegekend en
                                    het wezenpensioen wordt herberekend, wordt het teveel betaalde
                                    wezenpensioen over de periode waarop de terugwerkende kracht
                                    betrekking heeft niet teruggevorderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 91 (Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met ingang van 1 januari 1995 worden het inkomen van de
                                    wethouder als zodanig en de laatstelijk genoten wedde dan wel de
                                    berekeningsgrondslag, waarvan is afgeleid een uitkering ter zake
                                    van ontslag of aftreden als wethouder, en een wegens algemene
                                    invaliditeit voortgezette uitkering, aangepast overeenkomstig de
                                    aanpassing van de salarissen ingevolge artikel 34 van de Wet
                                    financiële voorzieningen ABP.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde aanpassing is geen algemene
                                    bezoldigingswijziging als bedoeld in artikel 57.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 92 Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 57 (overgangsbepaling bij de achtste wijziging) </label></kop><al>Artikel 57, zoals dat luidde op 31 december 1994, blijft van
                                toepassing ten aanzien van een wijziging in de bezoldiging van het
                                rijkspersoneel voor 1 januari 1995.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 93 Overgangsbepaling ten aanzien van de fictieve diensttijd (overgangsbepaling bij de achtste wijziging) </label></kop><al>Ten aanzien van degenen die ingevolge deze verordening recht op
                                nabestaanden of wezenpensioen hebben verkregen voor 1 januari 1995,
                                wordt de tijd waarnaar het pensioen is of geacht wordt te zijn
                                berekend en die niet daadwerkelijk als wethouder is doorgebracht,
                                voor zover nodig mede begrepen onder tijd gelegen voor die
                                datum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 94 (Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De artikelen IX tot en met XV van de Wet terugdringing beroep op
                                    de arbeidsongeschiktheidsregelingen en de krachtens artikel XV
                                    van die wet gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing
                                    op degene op wie artikel 95, eerste of derde lid, van deze
                                    verordening van toepassing is en die op 31 januari 1992 en sinds
                                    1 januari 1990 recht heeft op uitkering als bedoeld in dat
                                    artikel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het orgaan bedoeld in artikel XI van de in het eerste lid
                                    genoemde wet wordt voor de in het eerste lid bedoeld
                                    overeenkomstige toepassing het college van burgemeester en
                                    wethouders beschouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De op grond van dit artikel toegekende uitkeringen komen ten
                                    laste van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De artikelen 71, 72 en 73 zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 95 (Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bij de achtste wijziging in de verordening ingevoerde
                                    artikelen 4a, tweede lid, 4c en 4d, telkens het eerste en het
                                    tweede lid, vinden geen toepassing ten aanzien van degene die op
                                    31 december 1994 recht heeft op een wegens algemene invaliditeit
                                    voortgezette uitkering en op de dag van inwerkingtreding van
                                    deze wijziging vijftig jaar of ouder is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bij de achtste wijziging vervallen tweede volzin van artikel
                                    3, tweede lid (definitie begrip algemeen invalide) blijft van
                                    toepassing op degene bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bij de achtste wijziging ingevoegde artikelen 4a, tweede lid,
                                    en 4c worden met ingang van een latere datum dan 1 januari 1995
                                    van toepassing op degene die op 31 december 1994 recht had op
                                    een wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering en op 1
                                    januari 1995 jonger is dan vijftig jaar. Tot die datum blijft de
                                    bij deze wijziging vervallen tweede volzin van artikel 3, tweede
                                    lid, op hem van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde latere datum wordt vastgesteld
                                    overeenkomstig de ministeriële regeling bedoeld in artikel III,
                                    vierde lid, van Staatsblad 417.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toepassing van artikel 4c geldt als datum waarop de
                                    uitkering van degene bedoeld in het derde lid van dit artikel
                                    wegens algemene invaliditeit is voortgezet de dag waarop de
                                    artikelen 4a, tweede lid, en 4c op hem van toepassing
                                    worden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Artikel 4d, eerste lid, vindt geen toepassing ten aanzien van
                                    degene wiens uitkering wegens algemene invaliditeit is
                                    voortgezet met ingang van een dag gelegen voor 1 januari
                                    1995.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 96 (Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bij de achtste wijziging vervallen eerste volzin van artikel
                                    3, tweede lid, en artikel 4, derde lid, blijven van toepassing
                                    op degene die:a. op 31 december 1994 recht had op wegens
                                    algemene invaliditeit voortgezette uitkering, ofb. op 25 januari
                                    1993 ziekten of gebreken had en wiens uitkering uiterlijk een
                                    jaar na die datum in verband met die ziekten of gebreken wegens
                                    algemene invaliditeit wordt voortgezet, dan wel wiens uitkering
                                    ingevolge artikel 18, vierde lid binnen een jaar na de genoemde
                                    datum in verband met die ziekten of gebreken wordt aangemerkt
                                    als een wegens algemene invaliditeit voortgezette
                                    uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid van artikel 4a, en artikel 4b zijn niet van
                                    toepassing op degene bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 97 (Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De periode van toekenning van een wegens algemene invaliditeit
                                    voortgezette uitkering bedoeld in artikel 4c wordt in afwijking
                                    van dat artikel tot een nader te bepalen tijdstip vastgesteld op
                                    vijf jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wijziging van de termijn bedoeld in het eerste lid brengt geen
                                    wijziging in de termijnen zoals die gelden ter zake van wegens
                                    algemene invaliditeit voortgezette uitkeringen die zijn
                                    toegekend voor het tijdstip van wijziging van de termijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 98 (Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien vanaf 1 januari 1995 artikel 4d, zesde lid, wordt
                                    toegepast ten aanzien van degene bedoeld in artikel 95, wordt
                                    ten aanzien van degene onder de in artikel 4a, tweede lid
                                    bedoelde arbeid verstaan de arbeid, bedoeld in de per 1 januari
                                    1995 vervallen tweede volzin van artikel 3, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid geldt voor degene bedoeld in artikel 95, derde
                                    lid, tot aan het daar bedoelde tijdstip.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 99 Inwerkingtreding achtste wijziging</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het tweede lid van artikel 19 zoals dat luidde voor de achtste
                                    wijziging, vervalt met terugwerkende kracht tot 1 mei 1994. De
                                    invoering van het opschrift en de vernummering van de leden 3
                                    tot en met 11 tot 2 tot en met 10 werken terug tot diezelfde
                                    datum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 4, eerste en tweede lid, en artikel 4b, tweede en tiende
                                    lid, zoals die luiden na de achtste wijziging treden in werking
                                    met terugwerkende kracht tot 1 juli 1994.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De artikelen 4a, 4b, eerste en derde tot en met negende en elfde
                                    en twaalfde lid, en de artikelen 4c en 4d treden in werking per
                                    1 januari 1995. Artikel 4e treedt in werking op de datum dat de
                                    achtste wijziging in werking treedt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De artikelen 17, 18, 19, eerste lid, 19a, 20, 21 (opschrift),
                                    22, eerste lid, 29, eerste lid, 29a, 57 en 59 zoals bedoelde
                                    bepalingen na de achtste wijziging zijn ingevoerd of gewijzigd,
                                    treden in werking met ingang van 1 januari 1995.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Per 1 januari 1995:</al><lijst><li nr="-"><al>vervalt van artikel 3 het tweede en derde lid en wordt
                                            het vierde lid vernummerd;</al></li><li nr="-"><al>vervallen van artikel 4 het derde, vierde en vijfde lid
                                            en worden de leden zes en zeven van artikel 4
                                            vernummerd;</al></li><li nr="-"><al>worden artikel 5, lid 9 en artikel 7 onder d gewijzigd
                                            en vervalt het vierde lid van artikel 72 onder
                                            vernummering van lid 5.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Artikel 28, derde lid vervalt met terugwerkende kracht tot 1 mei
                                    1994. De vernummering van de leden vier en vijf werkt terug tot
                                    dezelfde datum.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 100 (Overgangsbepaling bij de negende wijziging)</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 29a, zoals dat artikel luidde op de dag voor het
                                    tijdstip van de inwerkingtreding van de negende wijziging,1
                                    blijft van toepassing op een nabestaandenpensioen waarop recht
                                    is ontstaan voor dat tijdstip.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening met betrekking tot het recht
                                    op wezenpensioen, zoals die bepalingen luidden op de dag voor
                                    het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wijziging, blijven
                                    van toepassing op een wezenpensioen waarop recht is ontstaan
                                    voor dat tijdstip.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 101 (Overgangsbepaling bij de negende wijziging) </label></kop><al>Ten aanzien van een aanmelding als bedoeld in artikel 12a, die wordt
                                gedaan vóór het tijdstip van inwerkingtreding (1 oktober 1994, KB
                                1994, 707) van de Wet gemeentelijke basisadministratie
                                persoonsgegevens (Stb. 1994, 494), wordt de man of vrouw met wie
                                degene die de aanmelding deed op hetzelfde woonadres in het
                                persoonsregister is opgenomen, gelijk gesteld met de man of vrouw
                                die als ingezetene met hetzelfde woonadres in de gemeentelijke
                                basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven als bedoeld in
                                het even genoemde artikel 12a.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 102 (Overgangsbepaling bij de negende wijziging)</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een overlijden van een wethouder, gewezen of gepensioneerde
                                    wethouder tussen 31 december 1993 en 1 juli 1994 valt te rekenen
                                    vanaf de datum van overlijden onder de werking van de bepalingen
                                    van deze verordening inzake het nabestaanden en wezenpensioen
                                    zoals die bepalingen zijn komen te luiden na de inwerkingtreding
                                    van de negende wijziging [26 juni 1996).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt degene van wie op 1
                                    juli 1994 aanmelding in de zin van artikel 12, onderdeel a,
                                    mogelijk zou zijn geweest, op aanvraag aangemerkt als
                                    nabestaande vanaf de datum van het overlijden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ter zake van een overlijden van een wethouder, gewezen of
                                    gepensioneerde wethouder tussen 30 juni 1994 en 1 januari 1995
                                    wordt op zijn aanvraag als nabestaande beschouwd degene van wie,
                                    hoewel niet aangemeld in de zin van artikel 12, onderdeel a,
                                    aanmelding als evenbedoeld op de dag voor die van het overlijden
                                    mogelijk was.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 103 Inwerkingtreding negende wijziging</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De artikelen 12, 24, tweede lid, 25, 26, 30, eerste en tweede
                                    lid, 31, 32, tweede lid, 34, tweede lid, 36, derde lid, 43,
                                    eerste lid en 65, vierde lid, zoals bedoelde bepalingen na de
                                    negende wijziging zijn komen te luiden, alsmede het bij de
                                    negende wijziging ingevoegde artikel 12a werken terug tot en met
                                    1 juli 1994.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 29a, eerste lid, treedt in werking op de datum dat de
                                    negende wijziging in werking treedt (26 juni 1996).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 104 Inwerkingtreding tiende wijziging </label></kop><al>De tiende wijziging treedt inwerking met ingang van de dag 17
                                januari 1997, met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al> de artikelen 4, eerste, tweede en vierde lid, 4b, tweede,
                                        vierde, zevende, achtste en negende lid, 5, vijfde lid, 17,
                                        eerste lid, 18, tweede lid en 19, tweede lid (inzake
                                        uitbreiding berekeningsgrondslag uitkering en pensioen met
                                        de eindejaarsuitkering) terugwerken tot en met 1 januari
                                        1993;</al></li><li nr="b."><al> de artikelen 19, tiende lid, 21, derde lid en 28, vierde
                                        lid, terugwerken tot en met 1 januari 1995;</al></li><li nr="c."><al> de artikelen 17, tweede lid, 18, tweede en derde lid, 19,
                                        zevende en achtste lid, 19a, tweede lid, 36, vierde lid, 37,
                                        derde lid, 53, tweede lid, 57, tweede en derde lid,
                                        terugwerken tot en met 1 januari 1996;</al></li><li nr="d."><al> de artikel 12, onder c, 19, derde lid en 20 werking hebben
                                        ten aanzien van voor een pensioenberekening in aanmerking te
                                        nemen tijd vanaf 1 januari 1994;</al></li><li nr="e."><al> de artikelen 2, eerste en tweede lid en 3, eerste lid
                                        werking hebben ten aanzien van een recht op uitkering ter
                                        zaken van een ontslag of aftreden ingaande 1 januari 1995 of
                                        later;</al></li><li nr="f."><al> artikel 18, vijfde lid, werking heeft ten aanzien van voor
                                        een pensioenberekening in aanmerking te nemen uitkeringstijd
                                        waarin de belanghebbende inkomsten heeft uit een betrekking
                                        waaraan aanspraak op overheidspensioen wordt ontleend vanaf
                                        1 januari 1995, en overigens eerst werking heeft ten aanzien
                                        van voor een pensioenberekening in aanmerking te nemen tijd
                                        waarin recht op uitkering bestaat uit hoofde van een ontslag
                                        of aftreden op of na de dag van inwerkingtreding van de
                                        tiende wijziging.</al></li><li nr="g."><al> de artikelen 23 en 23a werken terug tot en met 1 juli
                                        1996.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 105 Citeertitel </label></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Uitkerings- en
                                pensioenverordening wethouders van Beemster.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 106 Inwerkingtreding verordening </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de
                                    maand volgend op die waarin de verordening door gedeputeerde
                                    staten is goedgekeurd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Zij werkt terug tot 1 januari 1966, behalve voor wat betrefta.
                                    artikel 4, derde en vierde lid, dat terugwerkt tot 1 januari
                                    1969;b. de artikelen 69 en 76.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Waar in deze verordening sprake is van inwerkingtreding van
                                    deze verordening, wordt daarmede bedoeld het in het eerste lid
                                    bedoelde tijdstip.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het in het vorige lid gestelde, wordt met het
                                    tijdstip van inwerkingtreding in artikel 25, onder b, bedoeld 1
                                    januari 1966.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Beemster d.d. 31 mei 2001</al></slotformulering></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>