<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR1358_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Marktverordening gemeente Oisterwijk 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2007-04-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.do.nl/nieuwsklok/w0714.htm">Nieuwsklok, 4-4-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Marktverordening gemeente Oisterwijk 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/">Gemeentewet, art. 147, lid 1, 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-03-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-04-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-07-16</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>ALG006663</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Ondernemen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De datum van ondertekening is bij benadering ingevuld. De datum van bekendmaking is bij benadering ingevuld. De datum van inwerkingtreding is bij benadering ingevuld.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Marktverordening gemeente Oisterwijk 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label/><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al> In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>markt: de door het college ingestelde warenmarkt; </al></li><li nr="b."><al>standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen
                                voor het uitoefenen van de markthandel; </al></li><li nr="c."><al>vaste standplaats: de standplaats die voor onbepaalde tijd ter
                                beschikking is gesteld aan een vergunninghouder; </al></li><li nr="d."><al>dagplaats (meelopers): de standplaats die per marktdag ter
                                beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet
                                als vaste standplaats is toegewezen dan wel ingenomen; </al></li><li nr="e."><al>standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om
                                zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende
                                uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een artikel.
                            </al></li><li nr="f."><al>standwerkersplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking
                                wordt gesteld om te standwerken; </al></li><li nr="g."><al>vergunninghouder: degene aan wie door het college vergunning is
                                verleend voor het innemen van een standplaats; </al></li><li nr="h."><al>wachtlijst: de lijst van gegadigden voor een vaste standplaats;
                            </al></li><li nr="i."><al>anciënniteitlijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste
                                standplaats;</al></li><li nr="j."><al>marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het
                                college. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inrichting van de markt; branche-indeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt ten aanzien van de markt: </al><lijst><li nr="a."><al>het aantal standplaatsen; </al></li><li nr="b."><al>de afmetingen van de standplaatsen; </al></li><li nr="c."><al>de opstelling en indeling van de markt; </al></li><li nr="d."><al>welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en
                                    als standwerkersplaats. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan voor de markt vaststellen: </al><lijst><li nr="a."><al>een lijst met artikelengroepen of branches; </al></li><li nr="b."><al>een maximumaantal standplaatsen per branche. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al> Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het
                        bepaalde in deze verordening. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een
                                krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, ter
                                bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning of
                                ontheffing is vereist. </al></li><li nr="2."><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen in acht te nemen. </al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Vergunningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Standplaatsvergunning</titel></kop><al> Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning
                        van het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Vereisten</titel></kop><al> Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking
                        een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die een aanvraag voor een
                        vergunning heeft ingediend bij het college en die daarbij tevens aantoont
                        dat hij persoonlijk voldoet aan alle publiekrechtelijke verplichtingen op
                        het gebied van bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisatie. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud vaste standplaatsvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een vaste standplaatsvergunning vermeldt in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de naam en voornamen, de geboortedatum en -plaats, het adres
                                        en de woonplaats van de vergunninghouder; </al></li><li nr="b."><al>een duidelijke omschrijving van de toegewezen vaste
                                        standplaats met vermelding van het nummer en de afmetingen
                                        daarvan; </al></li><li nr="c."><al>de datum waarop aan de vergunninghouder voor het eerst
                                        vergunning is verleend en zijn volgnummer op de
                                        anciënniteitlijst;</al></li><li nr="d."><al>de kraam of andere verkoopmaterialen die de vergunninghouder
                                        bij het innemen van de standplaats mag gebruiken; </al></li><li nr="e."><al>het soort artikelen dat de vergunninghouder mag verhandelen
                                        of de branche waartoe de vergunninghouder behoort; </al></li><li nr="f."><al>dat de vergunninghouder zelf zorg draagt voor de inzameling
                                        en afvoer van zijn afval en dat hij zijn standplaats schoon
                                        oplevert; </al></li><li nr="g."><al>de wijze waarop de vergunninghouder zijn elektriciteit
                                        betrekt; </al></li><li nr="h."><al>welke geluidsapparatuur op de standplaats is toegestaan; en
                                    </al></li><li nr="i."><al>welke kook-, bak- en verwarmingsapparatuur zijn toegestaan.
                                    </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Aan de vergunning wordt een middel ter identificatie gehecht. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inschrijving op de anciënniteitlijst</titel></kop><al>Vergunninghouders van vaste standplaatsen worden ingeschreven op een
                        doorlopend genummerde lijst met vermelding van en in volgorde van de datum
                        waarop hen voor het eerst een vaste standplaats is toegewezen. Bij deze
                        inschrijving wordt tevens vermeld de soort artikelen die de vergunninghouder
                        mag verhandelen of de branche waartoe hij behoort. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inschrijving op de wachtlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college schrijft de aanvrager op zijn verzoek in op de wachtlijst,
                            indien hij voldoet aan de in artikel 6 gestelde vereisten, maar aan hem
                            geen vaste standplaats kan worden toegewezen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college vermeldt bij de inschrijving in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de naam en voornamen, de geboortedatum en -plaats, het adres en
                                    de woonplaats van de aanvrager; </al></li><li nr="b."><al>de datum waarop de aanvraag door hem is ontvangen; </al></li><li nr="c."><al>de soort artikelen die de aanvrager wil verhandelen of de
                                    branche waartoe hij behoort; </al></li><li nr="d."><al>de kraam of andere verkoopmaterialen die de aanvrager wil
                                    gebruiken. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verstrekt de aanvrager een schriftelijk bewijs van
                            inschrijving. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inschrijving op de wachtlijst blijft gehandhaafd, indien deze door de
                            ingeschrevene jaarlijks voor 1 januari schriftelijk en door betaling van
                            het daarvoor verschuldigde bedrag, als bedoeld in de Verordening
                            Marktgeld, wordt verlengd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Doorhalen van inschrijving op wachtlijst</titel></kop><al> De inschrijving op de wachtlijst wordt doorgehaald: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de ingeschrevene zijn inschrijving niet jaarlijks voor 1
                                januari heeft verlengd; </al></li><li nr="b."><al>op schriftelijk verzoek van de ingeschrevene; </al></li><li nr="c."><al>bij overlijden van de ingeschrevene; </al></li><li nr="d."><al>wanneer aan de ingeschrevene een vergunning voor een vaste
                                standplaats is verleend, tenzij hij deze op grond van bijzondere
                                omstandigheden niet aanvaardt; </al></li><li nr="e."><al>indien niet meer aan de vereisten van artikel 6 wordt voldaan. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Volgorde toewijzing vaste standplaatsen</titel></kop><al> Indien voor de toewijzing van een beschikbare vaste standplaats meer
                        aanvragers in aanmerking komen, wordt de standplaats achtereenvolgens
                        toegewezen aan: </al><lijst><li nr="a."><al>de vergunninghouder van een vaste standplaats die aan het college
                                schriftelijk de wens te kennen heeft gegeven van standplaats te
                                willen veranderen, in volgorde van plaatsing op de
                                anciënniteitlijst. Indien de verdeling van de branches op de markt
                                in het gedrang komt, komt steeds de eerstvolgende op de
                                anciënniteitlijst in aanmerking; </al></li><li nr="b."><al>degene die zich op de wachtlijst heeft laten inschrijven, in
                                volgorde van inschrijving op deze lijst. Dan geniet branchevreemde
                                producten de voorkeur boven het invullen van een huidige
                                branche.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Overschrijving vaste standplaatsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In geval van overlijden of blijvende gehele arbeidsongeschiktheid of bij
                            het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de vergunninghouder
                            kan de vaste standplaatsvergunning worden overgeschreven op de
                            achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of een andere
                            achterblijvende persoon met wie hij duurzaam samenwoonde. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de vergunning niet kan worden overgeschreven op grond van het
                            eerste lid, kan het kind van de vergunninghouder of een werknemer de
                            vergunning voor een vaste standplaats krijgen indien hij ten minste drie
                            jaar in loondienst van het marktbedrijf van de vergunninghouder heeft
                            gewerkt of gedurende eenzelfde periode als mede-eigenaar in dit bedrijf
                            heeft gefunctioneerd en zich heeft laten inschrijven op de wachtlijst.
                            Voorts dient voor wat betreft de werknemer bij notariële akte te worden
                            aangetoond dat de onderneming in eigendom van deze medewerker is
                            overgegaan en dat de marktplaats geen economische factor in de overname
                            is. Tot slot dient ook de werknemer of de mede-eigenaar ingeschreven te
                            zijn op de wachtlijst</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvraag tot overschrijving wordt ingediend binnen twee maanden na
                            het overlijden van de vergunninghouder of nadat de blijvende gehele
                            arbeidsongeschiktheid is vastgesteld of de pensioengerechtigde leeftijd
                            heeft bereikt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken van het
                            bepaalde in dit artikel. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Intrekking vaste standplaatsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in: </al><lijst><li nr="a."><al>op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder; </al></li><li nr="b."><al>bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van
                                    artikel 12 de vergunning wordt overgeschreven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken: </al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                    gegevens zijn verstrekt; </al></li><li nr="b."><al>indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 6
                                    genoemde vereisten. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 12 is
                            overgeschreven, reeds vergunning heeft voor een andere vaste standplaats
                            op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Toewijzing dagplaats (meelopers)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Toewijzing van een dagplaats geschiedt door het college op het moment
                            dat de standplaats niet als vaste standplaats wordt ingenomen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De dagplaats wordt toegewezen overeenkomstig de plaats op de wachtlijst
                            van de gegadigden die zich daarvoor op de dag zelf 1 uur voor aanvang
                            van de markt aanmelden bij de marktmeester. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Toewijzing standwerkersplaats</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college wijst een standwerkersplaats toe door middel van loting.
                            </al></li><li nr="2."><al>Het is een ingeschrevene op de wachtlijst niet toegestaan deel te
                                nemen aan de loting voor een standwerkersplaats zolang deze
                                inschrijving niet definitief is vervallen. </al></li><li nr="3."><al>Indien een standwerker zich wil doen bijstaan, meldt hij dit vooraf
                                aan de marktmeester onder vermelding van de naam van degene die hem
                                zal bijstaan. Degene die hem zal bijstaan, mag niet op eigen naam
                                deelnemen aan de loting. </al><al/></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Bepalingen over het gebruik van de
                            standplaats</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Persoonlijk innemen standplaats; bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunninghouder neemt de standplaats die hem is toegewezen
                                persoonlijk, dan wel door echtgenoot/echtgenote of levenspartner in.
                                Hij mag de standplaats niet aan een ander afstaan of in gebruik
                                geven.</al></li><li nr="2."><al>De vergunninghouder mag zich op de standplaats doen bijstaan. </al></li><li nr="3."><al>De vergunninghouder en degene die hem bijstaat mogen zich niet
                                schuldig maken aan wangedrag of bedrog. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aantal keren innemen vaste standplaats</titel></kop><al> De vergunninghouder van een vaste standplaats neemt ten minste
                        eenmaal per twee weken en tienmaal per dertien weken zijn standplaats op de
                        markt in, dit met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 18 en 19.
                        </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunninghouder van een vaste standplaats die wegens ziekte,
                                vakantie of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn vaste
                                standplaats in te nemen, deelt dit schriftelijk mee aan het college,
                                dan wel de marktmeester. Bij vakantie geeft de vergunninghouder aan
                                hoe lang zijn afwezigheid duurt. De schriftelijke mededeling wordt
                                minimaal 1 dag voor de desbetreffende marktdag gedaan. </al></li><li nr="2."><al>Plotselinge verhindering wordt mondeling of schriftelijk aan de
                                marktmeester, dan wel het college gemeld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Ontheffing en vervanging in geval van ziekte,
                            vakantie of bijzondere omstandigheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder van een vaste
                            standplaats hem tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichting om ten
                            minste eenmaal per twee weken en tienmaal per dertien weken de
                            standplaats op de markt in te nemen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder hem ontheffing
                            verlenen zich op zijn standplaats te laten vervangen door een met name
                            genoemde persoon. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Legitimatie en identiteit vergunninghouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die een standplaats op de markt inneemt of wenst in te nemen,
                            dient op eerste aanvraag van de marktmeester aan te tonen dat hij de
                            vergunninghouder is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunninghouder dient bij zijn standplaats duidelijk zichtbaar zijn
                            naam en eventuele bedrijfsnaam aan te geven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip innemen standplaats/aan- en afvoer
                            goederen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden voor vergunninghouders op het marktterrein meer dan
                                2 uur voor aanvang en meer dan 1 uur na afloop van de markt met een
                                voertuig, goederen of anderszins ruimte in te nemen of goederen aan
                                of af te voeren. </al></li><li nr="2."><al>De vergunninghouder is verplicht zijn standplaats tot de
                                sluitingstijd van de markt te blijven innemen. Het college kan
                                hiervan op verzoek ontheffing verlenen. </al></li><li nr="3."><al>Indien de vergunninghouder zijn vaste standplaats niet uiterlijk 1
                                uur voor aanvang van de markt heeft ingenomen, wordt de
                                desbetreffende standplaats voor die dag als dagplaats aangemerkt,
                                tenzij de marktmeester de standplaats op tijdig verzoek van de
                                vergunninghouder voor hem beschikbaar houdt. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Straf-, overgangs- en
                        slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt
                        gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten
                        hoogste drie maanden en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van
                        de rechterlijke uitspraak. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al> Onverminderd artikel 13 kan het college een vergunning voor een vaste
                        standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten
                        hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de
                        vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat: </al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften
                                van de vergunning overtreedt; </al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of </al></li><li nr="c."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt
                                geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</titel></kop><al> Het college kan een houder van een dagplaats of een
                        standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een
                        standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze: </al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt; </al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; </al></li><li nr="c."><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                standwerkersplaats; </al></li><li nr="d."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt
                                geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Onmiddellijke verwijdering</titel></kop><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het
                        college een vergunninghouder en de houders van een dagplaats of
                        standhouderplaats gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen
                        indien hij: </al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften
                                van de vergunning overtreedt; </al></li><li nr="b."><al>zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; </al></li><li nr="c."><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                standwerkerplaats. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                        verordening zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het college
                        aangewezen personen. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Marktverordening gemeente Oisterwijk 1997, vastgesteld op 17 juli 1997,
                        wordt ingetrokken. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Besluiten van het college die genomen zijn krachtens de
                                Marktverordening gemeente Oisterwijk 1997 gelden als besluiten
                                genomen krachtens deze verordening. </al></li><li nr="2."><al>De bestaande anciënniteit- en wachtlijsten worden geacht
                                wachtlijsten in de zin van deze verordening te zijn. </al></li><li nr="3."><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning op grond van de Marktverordening gemeente
                                Oisterwijk 1997 is ingediend en voor het tijdstip van
                                inwerkingtreding van deze verordening niet definitief op de aanvraag
                                is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al> Deze verordening treedt in werking (na publicatie) op 6 april
                        2007.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al> Deze verordening wordt aangehaald als: Marktverordening gemeente
                        Oisterwijk 2007.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 29 maart 2007. </ondertekening><ondertekening> De voorzitter, De griffier, </ondertekening><ondertekening>drs. Y.C. Th.J. Kortmann Mevr. P.G. van Wijk </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al> Toelichting Algemene toelichting op de Marktverordening gemeente Oisterwijk
                        2007 Grondslag en belang verordening In artikel 147, eerste lid, van de
                        Gemeentewet is bepaald dat gemeentelijke verordeningen door de raad worden
                        vastgesteld voorzover de bevoegdheid daartoe niet bij de wet of door de raad
                        krachtens de wet aan het college of de burgemeester is toegekend. Ingevolge
                        artikel 149 van de Gemeentewet maakt de raad de verordeningen die hij in het
                        belang van de gemeente nodig acht. Sinds de inwerkingtreding van de Wet
                        dualisering gemeentebestuur op 7 maart 2002 zijn in de gemeente de
                        bevoegdheden van de raad en het college ontvlecht. In het kader van de
                        ontvlechting van raad en college zijn de bestuursbevoegdheden van de
                        Gemeentewet geconcentreerd bij het college en zijn de kaderstellende en
                        controlerende bevoegdheden van de raad versterkt. Artikel 160 van de
                        Gemeentewet regelt de overheveling van de gemeentewettelijke
                        bestuursbevoegdheden aan het college. Hieronder valt de bevoegdheid om
                        jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen of te
                        veranderen (artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet). </al><al>De marktverordening beoogt de gemeentelijke belangen te beschermen. Het gaat
                        hier om belangen van openbare orde, zedelijkheid en gezondheid, beperking
                        van overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en de
                        (verkeers)veiligheid binnen de gemeente. Inhoud Paragraaf 1 van de
                        marktverordening bevat een aantal algemene bepalingen die betrekking hebben
                        op de markt in zijn geheel. Paragraaf 2 bevat de regelingen die van belang
                        zijn voor de vergunningaanvraag en de vergunningverlening, bezien vanuit de
                        gemeente. De procedure voor het verkrijgen van een vaste standplaats,
                        dagplaats en standwerkersplaats wordt beschreven. In paragraaf 3 worden de
                        algemene verplichtingen voor de vergunninghouder genoemd die hij met
                        betrekking tot zijn standplaats in acht moet nemen. Paragraaf 4 bevat de
                        straf-, overgangs- en slotbepalingen. Jurisprudentiebundel Markten Alle in
                        deze verordening vermelde uitspraken van vóór 1998 zijn gepubliceerd in de
                        jurisprudentiebundel Markten van maart/april 1998, ISBN 90 322 7130 X. De
                        jurisprudentiebundel (jbMarkten) wordt als vindplaats genoemd voorzover de
                        uitspraken niet in andere juridische tijdschriften zijn gepubliceerd. Is dat
                        het geval, dan worden de vindplaatsen in deze tijdschriften vermeld. Overige
                        regelgeving ambulante handel De regulering van andere ambulante handel is te
                        vinden in de Algemene plaatselijke verordening (APV). Artikel 2.2.2. van de
                        Model APV bevat een vergunningstelsel voor evenementen. Onder evenementen
                        vallen bijvoorbeeld braderieën. Verder bevat afdeling 5.2 van de APV
                        bepalingen over collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten.
                        Samenloop met de algemene plaatselijke verordening (APV) In de
                        marktverordening wordt een regeling gegeven voor de plaatselijke warenmarkt.
                        Het is van belang dat in andere verordeningen wordt opgenomen dat geen
                        vergunning wordt verleend indien op grond van de marktverordening vergunning
                        is vereist. Hiermee kan worden voorkomen dat een met de marktverordening
                        conflicterende vergunning dient te worden verleend op grond van een andere
                        verordening, zoals de APV. Deze samenloop kan bijvoorbeeld spelen bij de
                        ventvergunning (artikel 5.2.2 APV) en de (losse)standplaatsvergunning
                        (artikel 5.2.3 APV). Samenloop met een terrasvergunning was aan de orde in
                        de uitspraak in hoger beroep ABRS 17 juni 1997, GS (1998) 7067, 2 m.nt. H.
                        Hennekens, JG 98.0027. Vrijhouden van het marktterrein Wanneer een gemeente
                        een Wegsleepverordening heeft vastgesteld en het marktterrein heeft
                        aangewezen als weg waar voertuigen kunnen worden weggesleept, dan kunnen ten
                        onrechte geparkeerde auto's op basis van de Wegenverkeerswetgeving én de
                        Wegsleepverordening worden weggesleept (lex specialis). Wanneer een gemeente
                        niet beschikt over een Wegsleepverordening en het parkeren van voertuigen op
                        het marktterrein wel strafbaar is gesteld in de Marktverordening, dan kan
                        het desbetreffende voertuig met toepassing van 'normale' bestuursdwang
                        worden verwijderd. De burgemeester kan op grond van artikel 2.4.12 van de
                        APV het marktterrein aanwijzen als plaats waar het verboden is op de door
                        hem aangewezen uren zich met een fiets of bromfiets te bevinden.
                        Jurisprudentie Kantongerecht Maastricht van 1 november 1995, PG (1996) 4450,
                        inzake schadevergoeding in verband met de zorgplicht van de gemeente met
                        betrekking tot het autovrij maken van het marktterrein. Artikelsgewijze
                        toelichting Artikel 1 Begripsomschrijvingen In dit artikel wordt een aantal
                        begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Onder c is
                        het begrip vaste standplaats opgenomen. Voor de wijziging van de
                        marktverordening in 2003 werd de vaste standplaats aangeduid met het
                        onduidelijker begrip vaste plaats (oud artikel 1.1, onder d). Door gebruik
                        van het woord “persoon” in plaats van het begrip “ambtenaar” bij de
                        begripsomschrijving van marktmeester onder i kan een niet-ambtenaar ook tot
                        marktmeester worden aangewezen. Bij aanwijzing (= mandaat) van een
                        niet-ondergeschikte dient deze (en zijn werkgever) in te stemmen met de
                        mandaatverlening overeenkomstig artikel 10:4 van de Awb. In 2003 is een
                        aantal begripsomschrijvingen uit de marktverordening gehaald. Een
                        omschrijving van marktterrein (oud artikel 1.1, onder b) wordt niet nodig
                        geacht omdat het woord voor zich spreekt. Branche-indeling (oud artikel 1.1,
                        onder l) is eruit gehaald omdat het alleen in artikel 2 wordt gebruikt en
                        eigenlijk ook voor zich spreekt. De omschrijving van college als college van
                        burgemeester en wethouders (oud artikel 1.1, onder m) is geschrapt omdat de
                        aanduiding college mede blijkens artikel 5, aanhef en onder c, van de
                        Gemeentewet voldoende is. Voor levenspartner (oud artikel 1.1, onder n) is
                        een kortere omschrijving gevonden die alleen in artikel 11 wordt gebruikt en
                        dus niet in de begripsomschrijvingen hoeft te worden opgenomen. </al><al> Artikel 2 Inrichting van de markt; branche-indeling Op grond van het eerste
                        lid, onder a, stelt het college het aantal standplaatsen op de markt vast
                        met onder meer als doel het aantrekkelijk maken van de markt voor de
                        consumenten. Het aantal branches is in principe onbeperkt, tenzij het gaat
                        om een gespecialiseerde markt. In de uitspraak van de Afdeling rechtspraak
                        van de Raad van State van 10 april 1990, JG 91.0005, AB (1991) 195 m.nt.
                        J.H. van der Veen werd in dit verband geoordeeld dat het
                        branche-indelingsbesluit dat niet voorzag in een standplaats voor bloemen en
                        planten in strijd is met de Vestigingswet Bedrijven 1954. Bij de opstelling
                        en indeling van de markt als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt
                        rekening gehouden met de verschillende branches. Voor de orde op de markt is
                        het van belang te bepalen welke materialen (kraam of ook andere
                        verkoopmaterialen) worden toegelaten en waar deze kunnen worden opgesteld.
                        Naast de traditionele (huur)kraam onderscheidt de Centrale Vereniging voor
                        de Ambulante Handel (CVAH) bijvoorbeeld de instantkraam, de verrijdbare
                        kraam en de verkoopwagens. De onder b genoemde afmetingen van de
                        standplaatsen kunnen overigens ook een beperking geven voor bepaalde
                        materialen. Het tweede lid is facultatief bedoeld. Het schept de
                        mogelijkheid een beperkt aantal kooplieden per branche toe te laten.
                        Hierdoor wordt bereikt dat op de markt een zo groot mogelijke
                        verscheidenheid aan branches aanwezig is en wordt voorkomen dat te veel
                        kooplieden van één branche op de markt optreden. Hierdoor wordt de markt
                        aantrekkelijker voor de consument. <cursief>Jurisprudentie</cursief> Het
                        besluit van het college tot toevoeging van een artikelgroep of branche op de
                        markt is een algemeen verbindend voorschrift (avv). Het betreft hier de
                        wijziging van een gemeentelijke, bindende regeling, met externe werking en
                        een algemeen karakter, zodat het bepaalde in artikel 8:2, aanhef en onder a,
                        van de Awb aan bezwaar en beroep in de weg staat (ABRS 04-12-2002, nr.
                        200200350/1/H3, JG 03.00, m.nt. M. Geertsema). De Mededingingswet is niet
                        van toepassing op overheidshandelen dat (primair) strekt tot het behartigen
                        van een algemeen (publiek) belang van niet-economische aard en dat kan
                        worden herleid tot of gerelateerd aan (andere) taken en bevoegdheden van het
                        betrokken overheidsorgaan. De gemeente is op dit terrein geen ondernemer
                        (Rechtbank Rotterdam, sector Bestuursrecht “Bloemenmarkt Amsterdam” 14
                        augustus 2001, JG 02.0013 m.nt. H. Borburgh). De Nederlandse
                        Mededingingsautoriteit (NMa) is eveneens van mening dat gelet op de
                        doelstelling van artikel 160, eerste lid onder h van de Gemeentewet er een
                        overheidstaak wordt uitgevoerd te weten: het verzorgen van markten. Deze
                        uitoefening draagt geen economisch karakter dat de toepassing van de
                        mededingingsregels zou kunnen rechtvaardigen. Besluit tot vaststelling
                        aantal standplaatsen op de markt, opstelling, indeling en afmetingen is als
                        algemeen verbindend voorschrift niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Het
                        betreft hier niet een besluit waarin nader naar tijd, plaats of object de
                        toepasselijkheid van in de verordening reeds besloten liggende normen worden
                        bepaald, maar de vaststelling van zelfstandige normen (ABRS 28 februari
                        2000, JG 00.0130 m.nt. M. Geertsema, GS 7118, 4 m.nt. H.H., JB 2000, 114
                        m.nt. J.M.E.D.). De regels ten behoeve van een brancheverdeling lenen zich
                        voor herhaalde toepassing. De brancheverdeling is daarmee aan te merken als
                        een algemeen verbindend voorschrift. Op grond van de Awb is bezwaar en
                        beroep hiertegen uitgesloten (ABRS 18 mei 1995, JG 95,0363 m.nt. R.
                        Timmermans, inzake de wijziging van het aantal standplaatsen per branche).
                        Teneinde de orde op de markt te waarborgen, dient de mogelijkheid te worden
                        gecreëerd dat voor het handeldrijven met verkoopwagens afzonderlijke
                        gedeelten van het marktterrein kunnen worden aangewezen. Rechtbank
                        Dordrecht, 30 mei 1997, JG 97.0205 m.nt. M. de Jong, inzake het weren van
                        een markavan; ABRS 16 januari 1997, JG 97.0208, inzake de indeling van de
                        markt. </al><al> Artikel 3 Nadere regels In deze marktverordening is gekozen voor een vrij
                        uitgebreide regeling van de markt. Het college is op grond van dit artikel
                        bevoegd nadere regels te stellen. Uiteraard is het ook mogelijk dat de raad
                        een marktverordening op hoofdlijnen vaststelt en daarbij meerdere zaken door
                        het college laat regelen. Het college kan er ook voor kiezen beleidsregels
                        in plaats van nadere regels vast te stellen. De raad is door de dualisering
                        van het gemeentebestuur sinds 7 maart 2002 niet meer bevoegd om
                        beleidsregels vast te stellen ten aanzien van collegebevoegdheden.
                            <cursief>Beleidsregels versus nadere regels</cursief> Aangezien vaak
                        onduidelijkheid bestaat over het verschil tussen beide soorten regels volgt
                        hieronder een korte uiteenzetting van beleidsregels en nadere regels. Het
                        college kan beleidsregels opstellen ten aanzien van de gekregen
                        bevoegdheden. Verder kan het college nadere regels stellen op grond van
                        artikel 3 van de nieuwe marktverordening. Voor alle duidelijkheid:
                        beleidsregels zijn algemene regels omtrent de toepassing van bevoegdheden
                        (zie de definitie in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet
                        bestuursrecht). Nadere regels zijn algemene regels die te karakteriseren
                        zijn als algemeen verbindende voorschriften. Beleidsregels kennen een
                        inherente afwijkingsbevoegdheid in tegenstelling tot nadere regels. Op grond
                        van artikel 4:84 van de Awb dient een bestuursorgaan een uitzondering op een
                        beleidsregel te maken indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen. Dit
                        wordt de inherente afwijkingsbevoegdheid van de beleidsregel genoemd.
                        Hierdoor zijn beleidsregels flexibeler dan nadere regels (algemeen
                        verbindende voorschriften). Immers, van nadere regels is geen afwijking
                        mogelijk. <cursief>Jurisprudentie</cursief> Nadere regels worden opgevat als
                        algemeen verbindende voorschriften. Zie bijvoorbeeld ABRS 4 juli 1994, JG
                        95.0133, m.nt. A.B. Engberts, AB (1994) 698 m.nt. R.M. van Male. </al><al> Artikel 4 Voorschriften en beperkingen Door aan een vergunning of
                        ontheffing voorschriften en beperkingen te verbinden, kan een verfijning in
                        de gewenste rechtstoestand worden aangebracht. De in het eerste lid genoemde
                        belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist, zijn de
                        gemeentelijke belangen van openbare orde, zedelijkheid en gezondheid,
                        beperking van overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en de
                        veiligheid binnen de gemeente. Zie ook de inleiding bij deze toelichting
                        onder Grondslag en belang verordening. Niet-nakoming van voorschriften die
                        aan een vergunning/ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor
                        intrekking van de vergunning/ontheffing of voor toepassing van andere
                        bestuursrechtelijke sancties. De strafbepaling van artikel 21 is eveneens
                        van toepassing. </al><al> Artikel 5 Standplaatsvergunning De vergunning geeft het recht om een
                        standplaats op de markt in te nemen. De vergunninghouder moet voldoen aan de
                        voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden (artikel
                        4). De vergunning is persoonlijk en niet overdraagbaar. De verkoop van waren
                        op een markt dient uitsluitend te geschieden door degenen aan wie door het
                        college vergunning daarvoor is verleend. Iedere andere wijze van verkopen op
                        markten is verboden. Een uitzondering op deze regel kan worden gemaakt voor
                        degenen die de kooplieden van koffie, soepen en dergelijke voorzien.
                            <cursief>Jurisprudentie</cursief> Met de verplichting de standplaats
                        persoonlijk in te nemen strookt niet de gebruikmaking van een ontheffing om
                        rond te gaan met koffie en dergelijke op het marktterrein (ABRS 20 januari
                        1998, jbMarkten bladzijde 9). </al><al> Artikel 6 Vereisten De genoemde publiekrechtelijke verplichtingen zijn de
                        vestigingsvergunning op grond van de Vestigingswet (alleen voor bepaalde
                        branches van toepassing, bijvoorbeeld vis en poeliersproducten), eventuele
                        inschrijving in het handelsregister en de CRK-kaart (registratiekaart van
                        het Centraal Registratiekantoor (CRK) bij het Hoofdbedrijfschap Detailhandel
                        (HBD)). Indien de aanvrager niet voldoet aan de genoemde eisen, kan dit
                        reden zijn de vergunning te weigeren (of in te trekken op grond van artikel
                        12). Het is dwingend vastgelegd dat alleen natuurlijke personen tot de markt
                        worden toegelaten. Hiermee wordt voorkomen dat rechtspersonen een
                        overheersende positie op de markt kunnen innemen. Door de koppeling van de
                        vergunning aan een natuurlijk persoon wordt een zo eerlijk mogelijke
                        verdeling van alle marktstandplaatsen in Nederland bereikt. Uiteraard kan
                        het wel zo zijn dat de natuurlijke persoon een onderneming drijft in de vorm
                        van een rechtspersoon. Ook dan wordt de natuurlijke persoon (de
                        bedrijfsleider) aangemerkt als vergunninghouder. Het is echter niet mogelijk
                        de vergunning op naam van de rechtspersoon te stellen. Een
                        modelaanvraagformulier is als bijlage bij deze verordening gevoegd. Het
                        aanvraagformulier dient als overzicht om een zo volledig mogelijk beeld van
                        de vergunningaanvrager te krijgen. Op het formulier is geen vraag met
                        betrekking tot een WA-marktverzekering opgenomen. Een plicht tot verzekering
                        is niet in de verordening opgenomen, aangezien dit niet tot de belangen van
                        de gemeente behoort. De vergunning kan dus niet worden geweigerd indien de
                        aanvrager niet verzekerd is tegen vorderingen tot schadevergoeding, waartoe
                        hij als vergunninghouder op een markt krachtens wettelijke
                        aansprakelijkheidsbepalingen zou kunnen worden verplicht wegens aan derden
                        toegebrachte schade. <cursief>Jurisprudentie</cursief> Vz ARRS 8 november
                        1991, jbMarkten bladzijde 65, inzake de intrekking op grond van het niet in
                        bezit zijn van de vereiste papieren; en ABRS 15 oktober 1997, jbMarkten
                        bladzijde 41, inzake de inschrijving op de wachtlijst. ABRS 18 april 1995,
                        JG (1995) 241, inzake onderscheid natuurlijk persoon/rechtspersoon. </al><al>Artikel 7 Inhoud vastestandplaatsvergunning <cursief>Eerste lid</cursief> In
                        het eerste lid is een uitgebreide inhoudsopgave gegeven van een
                        vastestandplaatsvergunning. Uiteraard kunnen gemeenten ervoor kiezen dit
                        minder uitgebreid te doen. In onderdeel a is expliciet opgenomen dat de
                        vergunning naam én voornamen van de vergunninghouder in de vergunning worden
                        opgenomen. Dit vergemakkelijkt de identificatie van de vergunninghouder.
                        Onder een duidelijke omschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt
                        bij voorkeur gedacht aan een tekening of plattegrond waarop de afmetingen
                        van de standplaatsen en de nummering daarvan zijn aangegeven. Ingevolge het
                        vermelde onder d worden in de vergunning de verkoopmaterialen (kramen,
                        tafels, wagens en dergelijke) opgesomd die de vergunninghouder bij het
                        innemen van de standplaats mag gebruiken. Het verdient aanbeveling
                        beleidsregels vast te stellen ten aanzien van het toegestane materiaal,
                        standaardmateriaal dan wel alternatieve materialen. Zie ook de toelichting
                        op artikel 2, eerste lid, onder d. Ter verkrijging van uniformiteit op de
                        markt is het gewenst het plaatsen van marktkramen aan een vergunning te
                        binden. Veelal zal de marktkramenexploitatie in handen van een particulier
                        bedrijf worden gegeven. In dat geval kan men zowel denken aan het stellen
                        van voorwaarden in de vergunning, als aan het aangaan van een
                        privaatrechtelijke overeenkomst tussen gemeente en kramenexploitant, waaraan
                        in de af te geven vergunning wordt gerefereerd. Het verdient aanbeveling
                        hierbij ruimte te laten voor toekomstige ontwikkelingen op het gebied van de
                        verkoopmaterialen. Zie ABRS 10 mei 1995, JG (1995) 308, GS (1995) 7014, 3
                        m.nt. E. Brederveld; en ABRS 16 juni 1995, JG (1995) 309, GS (1996) 7035, 2
                        m.nt. E. Brederveld. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief> Artikel 7, tweede lid, bepaalt dat er een
                        middel ter identificatie aan de vergunning wordt gehecht. In verband hiermee
                        kan de vergunninghouder worden verzocht twee pasfoto’s te overleggen die
                        dienen ter identificatie; de ene op de vergunning en de ander voor het
                        archief. Dit tweede lid is in 2003 aan de modelmarktverordening toegevoegd.
                            <cursief>Jurisprudentie</cursief> Eigen materiaal op de markt. Afwijking
                        van vaste gedragslijn of beleid moet worden gemotiveerd aan de hand van
                        bijzondere omstandigheden (ABRS 7 november 2001, JG 02.0007 m.nt. M.
                        Geertsema). </al><al>Artikel 8 Inschrijving op de anciënniteitlijst Op dit moment wordt nog niet
                        gewerkt met een anciënniteitlijst, daarom zal ter opbouwing van een
                        dergelijke lijst na vaststelling van deze marktverordening de marktlieden
                        gevraagd worden een aantal gegevens te overleggen, waaronder de datum waarop
                        hen een vaste standplaats is toegekend, alsmede de inschrijving bij de KvK.
                        De inschrijving op een anciënniteitlijst is van belang in het geval van
                        plaatsverbetering. Om de rechten van de marktlieden te respecteren wordt
                        alsnog een anciënniteitlijst opgesteld. </al><al>Artikel 9 Inschrijving op de wachtlijst Voor het goed functioneren van de
                        markt is een goede registratie van de marktkooplieden noodzakelijk. De
                        wachtlijst is bedoeld voor die personen die graag een vaste standplaats op
                        de markt willen verwerven, maar aan wie op het moment dat zij de aanvraag
                        doen geen standplaats kan worden toegewezen. In de marktverordening is niet
                        gekozen voor een zogenaamd meeloopsysteem. Dit systeem heeft als nadeel dat
                        een gegadigde zich iedere keer moet melden zonder dat hij de zekerheid heeft
                        dat hij op de markt kan staan. Dit kan problemen opleveren bij verse,
                        bederfelijke waren. Om rechtszekerheid aan de aanvrager te verschaffen, is
                        het gewenst dat hij van zijn inschrijving als gegadigde voor een vaste
                        standplaats een schriftelijk bewijs krijgt. ABRS 15 oktober 1997, jbMarkten
                        bladzijde 41, inzake bepalendheid datum van inschrijving; ABRS 27 april
                        1992, AB (1992) 446, inzake verloting van vrijgekomen standplaats bij gering
                        verschil in data van inschrijving. Ingevolge het tweede lid dient de
                        aanvrager op eigen initiatief zijn inschrijving te verlengen. Het verzoek
                        dient voor 1 januari van elk jaar te zijn gedaan. Om verlenging te
                        vergemakkelijken kan het college voorzien in een
                        standaardverlengingsformulier. De brancheorganisaties achten het redelijk
                        voor elke verlenging leges te heffen. Zodoende worden de kosten van het
                        instandhouden van de wachtlijst niet door de standplaatshouders gedragen.
                            <cursief>Jurisprudentie</cursief> Financieel belang van een gegadigde
                        voor een vaste standplaats noopt niet tot afwijking van beleid ten aanzien
                        van de wachtlijst (ABRS 25 november 1999, JB 2000, 10). Artikel 10 Doorhalen
                        van inschrijving op wachtlijst In dit artikel worden de dwingende redenen
                        genoemd waarom een gegadigde voor een vaste standplaats van de wachtlijst
                        dient te worden gehaald. Het verdient aanbeveling de invulling van
                        bijzondere omstandigheden als genoemd onder d, duidelijk te omschrijven
                        teneinde onduidelijkheden omtrent de plaats op de wachtlijst te voorkomen.
                            <cursief>Jurisprudentie</cursief> ABRS 17 augustus 1995, GS (1996) 7037,
                        5 m.nt. C.P.J. Goorden, inzake onbevoegde doorhaling van de wachtlijst.
                        Artikel 11 Volgorde toewijzing vaste standplaatsen In dit artikel is de
                        volgorde van toewijzing van vaste standplaatsen op de markt geregeld.
                        Aangezien niet alle standplaatsen dezelfde mogelijkheden bieden, is het
                        redelijk dat in eerste aanleg aan vergunninghouders van een vaste
                        standplaats de gelegenheid wordt geboden een naar hun oordeel betere
                        standplaats te verkrijgen, mits zij schriftelijk hebben aangegeven in
                        aanmerking te komen voor een betere plaats op de markt. Na hen kunnen de
                        ingeschrevenen op de wachtlijst in de gelegenheid worden gesteld een keuze
                        te doen uit de dan nog beschikbare standplaatsen. De volgorde van
                        inschrijving op de wachtlijst van deze personen is hierbij bepalend. </al><al>Indien het college een branche-indeling heeft vastgesteld, zal hiermee bij
                        de toewijzing van vaste standplaatsen rekening dienen te worden gehouden.
                        Branchevreemde producten verdienen de voorkeur boven de huidige brache.
                        Hiermee wordt beoogd de markt gevarieerd te houden en eenzijdigheid van het
                        aanbod op de markt te voorkomen. <cursief>Jurisprudentie</cursief> Een
                        bestuursorgaan mag zonder toestemming van de rechthebbende niet in plaats
                        van vergunningverlening een schadevergoeding toekennen (ABRS 7 juli 2000, JG
                        00.0185 m.nt. M. Geertsema). </al><al> Artikel 12 Overschrijving vaste standplaatsvergunning Komt een
                        vergunninghouder te overlijden of wordt hij blijvend geheel
                        arbeidsongeschikt of bereikt hij de pensioengerechtigde leeftijd, dan moet
                        het op sociale overwegingen gerechtvaardigd worden geacht dat zijn
                        vergunning voor een vaste standplaats op de achterblijvende echtgenoot, de
                        geregistreerde partner (als bedoeld in artikel 1:80a van het Burgerlijk
                        Wetboek) of een andere achterblijvende persoon met wie hij duurzaam
                        samenwoonde, kan worden overgeschreven. In het eerste lid is vastgelegd dat
                        de echtgenoot en de daarmee gelijkgestelde partners recht hebben op de vaste
                        standplaats van de vergunninghouder. Een kind van de vergunninghouder of een
                        werknemer dat/die voldoet aan de in het tweede lid gestelde eisen heeft
                        recht op de vaste standplaats op de markt. Het kind/de medewerker dient
                        minimaal drie jaar onafgebroken in loondienst van het marktbedrijf van de
                        vergunninghouder te hebben gewerkt of gedurende eenzelfde periode als
                        mede-eigenaar (bijvoorbeeld vennoot of aandeelhouder) in dit bedrijf te
                        hebben gefunctioneerd. Voorts dient bij notariële akte te worden aangetoond
                        dat de onderneming in eigendom van de medewerker is overgegaan en dat de
                        marktplaats geen economische factor in de overname is. Tot slot dient het
                        kind/de werknemer of de mede-eigenaar ingeschreven te zijn op de wachtlijst. </al><al>Ten aanzien van de mogelijkheid dat een kind of werknemer van een
                        vergunninghouder de vaste standplaats over kan nemen is de gemeente van
                        mening dat het standpunt van de CVAH gevolgd kan worden, weliswaar onder
                        voorwaarden.</al><al>Zo moeten zowel kind als werknemer ten minste drie jaar in loondienst van
                        het marktbedrijf van de vergunninghouder hebben gewerkt of gedurende
                        eenzelfde periode als mede-eigenaar in dit bedrijf hebben gefunctioneerd en
                        zich hebben laten inschrijven op de wachtlijst. Daarnaast moet de werknemer
                        bij notariële akte aantonen dat de onderneming in eigendom van hem is
                        overgegaan en dat de marktplaats geen economische factor in de overname is. </al><al>Deze voorwaarden zijn opgenomen om te voorkomen dat bij de overname van het
                        bedrijf en de vaste standplaats voornamelijk economische en financiële
                        motieven een rol doorslaggevende rol spelen. In deze motieven kan de
                        gemeente niet treden. Het doel voor het houden van markten voor de gemeente
                        is het aantrekkelijk houden van de markt. Met deze voorwaarden bij overname
                        is dat voldoende gewaarborgd. </al><al>In het vierde lid is een hardheidsclausule opgenomen. </al><al>In artikel 11 van de verordening is daarom de volgorde van de toewijzing van
                        vaste standplaatsen geregeld. De uitzonderingen worden geregeld in artikel
                        12. </al><al> Artikel 13 Intrekking vaste standplaatsvergunning Tot intrekking van de
                        vaste standplaatsvergunning wordt altijd op de in het eerste lid genoemde
                        gronden overgegaan. In het tweede lid worden intrekkingbevoegdheden (“kan”
                        betekent: is bevoegd, dat wil zeggen is niet verplicht) genoemd ten aanzien
                        van de vergunning. Bij dagplaatsen en standwerkersplaatsen ligt intrekking
                        van de vergunning minder voor de hand. Daarom is in 2003 deze bepaling
                        beperkt tot de vaste standplaatsvergunning. Ten aanzien van dagplaatsen en
                        standwerkersplaatsen zal echter eerder worden overgegaan tot bestuursdwang
                        of onmiddellijke verwijdering op grond van artikel 25. Het derde lid vormt
                        het sluitstuk van artikel 12. <cursief>Jurisprudentie</cursief> Hoewel
                        wettelijke grondslag ontbreekt voor intrekking van de standplaatsvergunning,
                        mag het college deze vergunning intrekken wegens een administratieve fout,
                        mits hierbij algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht worden
                        genomen. In casu was de intrekking niet in strijd met deze beginselen (ABRS
                        12 december 2001, JB 2002, 27 m.nt. C.L.G.F.H.). Artikel 14 Toewijzing
                        dagplaats (meelopers) De in het eerste lid vereiste vergunning wordt veelal
                        mondeling verleend, doch het verdient aanbeveling de marktmeester in mandaat
                        een (standaardvoorbedrukte) schriftelijke vergunning te laten afgeven waarop
                        hij het nummer van de standplaats invult. Uiteraard dient, indien voor de
                        markt een branche-indeling is vastgesteld, daarmee bij het toewijzen van
                        dagplaatsen rekening te worden gehouden. Het in het tweede lid vermelde
                        uiterste tijdstip van melding bij de marktmeester dient te worden gekoppeld
                        aan het in artikel 20, derde lid, genoemde uiterste tijdstip voor het
                        innemen van een vaste standplaats. </al><al> Artikel 15 Toewijzing standwerkersplaats Wanneer standwerkersplaatsen
                        worden toegewezen, is het gewenst dat dit zo objectief mogelijk gebeurt om
                        de bekende en de minder bekende standwerkers een gelijke kans te geven.
                        Daarom is in het eerste lid bepaald dat de toewijzing geschiedt door loting.
                        Het college dient van tevoren de manier van loting vast te stellen. Het
                        verdient daarbij aanbeveling hierbij voorrang te geven aan de
                        marktkooplieden van wie is gebleken dat zij in de uitoefening van de
                        markthandel uitsluitend en daadwerkelijk als standwerker plegen op te
                        treden. Gebleken is dat een sterke behoefte bestaat aan uniforme en
                        duidelijke richtlijnen voor de toewijzing van standwerkersplaatsen, zowel
                        bij de marktbeheerders als bij de marktgebruikers, in het bijzonder bij de
                        standwerkers zelf. Deze groep kooplieden heeft een eigen wijze van werken.
                        Bij de benadering van het publiek treden zij geheel anders op dan de
                        zogenaamde stille kramers. Zij verhogen de levendigheid van de markt en
                        maken deze daardoor aantrekkelijker voor het publiek. Teneinde verstarring
                        tegen te gaan en om te voorkomen dat de standwerker, die jaar in jaar uit
                        dezelfde plaats bezet, langzamerhand een stille kramer zou worden, wordt het
                        in het algemeen ongewenst geacht aan deze categorie kooplieden vaste
                        standplaatsen toe te wijzen. Dit standpunt wordt door de officiële
                        landelijke organisatie van standwerkers (Stibesta) steeds met klem naar
                        voren gebracht. Vooral ook omdat het werkterrein van de standwerkers zich
                        over het gehele land uitstrekt, is het voorts gewenst dat de regels voor de
                        toewijzing van de standplaatsen aan deze bijzondere categorie kooplieden op
                        alle markten in Nederland zo veel mogelijk gelijkluidend zijn. Alhoewel in
                        principe een scherpe scheiding tussen de voor de stille kramers en de voor
                        standwerkers bestemde standplaatsen dient te blijven bestaan, zal het in
                        sommige gevallen “ in het belang van de markt dan wel uit
                        billijkheidsoverwegingen tegenover de betrokken kooplieden” niet van
                        overwegend bezwaar zijn, opengebleven standwerkersplaatsen aan stille
                        kramers toe te wijzen, met dien verstande dat aan laatstbedoelde kooplieden
                        wordt duidelijk gemaakt dat zij hieraan nimmer enig recht op de
                        desbetreffende standplaats zullen kunnen ontlenen. Tot toewijzing van
                        dergelijke standplaatsen aan stille kramers is alleen dan over te gaan,
                        indien op de markt beslist geen voor deze categorie kooplieden bestemde
                        standplaatsen meer beschikbaar zijn. Belangrijk is voorts de in het derde
                        lid opgenomen mogelijkheid om als koppel of duo een standwerkersplaats te
                        kunnen betrekken. Uitdrukkelijk is hierbij echter de voorwaarde gesteld dat
                        een duo zich tevoren als zodanig bij de marktmeester moet melden en dat een
                        duo als één loteling wordt aangemerkt. <cursief>Jurisprudentie</cursief>
                        ARRS 26 juli 1991, JG 92.0124 m.nt. van L.J.J. Rogier, inzake sanctioneren
                        van een standwerker. Artikel 16 Persoonlijk innemen standplaats; bijstand In
                        artikel 16 is bepaald dat de vergunninghouder in principe verplicht is zelf
                        op zijn standplaats aanwezig te zijn. Daarnaast mag de echtgenoot of
                        echtgenote of levenspartner op de standplaats aanwezig zijn. </al><al>Aangezien in artikel 6 is bepaald dat de vergunninghouder een natuurlijk
                        persoon moet zijn, betekent dit dat de standplaats niet door bijvoorbeeld
                        een medevennoot van de vergunninghouder kan worden ingenomen. Vz ARRvS, 2
                        juli 1993, JG 1994/206, inzake onderscheid natuurlijk persoon/rechtspersoon;
                        Rechtbank Almelo 18 augustus 1995, GS (1995) 7022,3 m.nt. van E. Brederveld,
                        inzake aanschrijving om standplaats persoonlijk in te nemen. De
                        vergunninghouder kan zich doen bijstaan op grond van het tweede lid. De
                        artikelen 19 (“bijzondere omstandigheden”) en 21 geven aan de
                        vergunninghouder de mogelijkheid om zaken te regelen, bijvoorbeeld om naar
                        de veiling te gaan. In het derde lid van artikel 18 is in verband met de in
                        de artikelen 23 en 24 vervatte verboden, thans een normstelling opgenomen
                        namelijk dat zowel de vergunninghouder als degene die hem bijstaan zich niet
                        schuldig mogen maken aan wangedrag of bedrog.
                            <cursief>Jurisprudentie</cursief> Eis dat vaste standplaats persoonlijk
                        wordt ingenomen, valt binnen de verordende bevoegdheid van de raad (ABRS 20
                        juni 2001, JG 01.0199 m.nt. M. Geertsema). Artikel 17 Aantal keren innemen
                        vaste standplaats De plicht om de standplaats het minimumaantal vastgestelde
                        keren in te nemen, geldt uiteraard alleen voor de vastestandplaatshouder en
                        niet voor de dagplaatshouder of standwerker. Dit is noodzakelijk om de
                        continuïteit in de bezetting te waarborgen. Het minimumaantal keren kan
                        worden aangepast aan de plaatselijke omstandigheden. Artikel 18 Afwezigheid
                        wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden In dit artikel worden
                        de uitzonderingen gegeven op het uitgangspunt dat de vergunninghouder zelf
                        op de standplaats aanwezig dient te zijn. Het is wel noodzakelijk dat het
                        college of de marktmeester van elke verhindering tot marktbezoek zo tijdig
                        mogelijk op de hoogte wordt gesteld. Het college kan bepalen dat
                        kortstondige afwezigheid (bijvoorbeeld tot maximaal één uur) zonder
                        mededeling of ontheffing is toegestaan. Dit is van belang voor
                        vergunninghouders, bijvoorbeeld voor veilingbezoek, inkoop, bezoek aan
                        vergaderingen en overige bedrijfs- en sociale verplichtingen. Een
                        verplichting van de vergunninghouder om een geneeskundige verklaring te
                        overleggen is niet meer in de verordening opgenomen omdat
                        KNMG-artsenfederatie (beroepsorganisatie voor artsen) haar leden ontraadt
                        die informatievoorziening over hun patiënten te verstrekken. De
                        artsenfederatie hanteert het standpunt dat van de behandelende arts (die een
                        bijzondere vertrouwensrelatie heeft met zijn patiënt) niet verwacht mag
                        worden dat deze een onbevooroordeeld advies uitbrengt. Voorts is de VNG van
                        mening dat met steeds opnieuw zijnde regelgeving (zoals o.a. de wijziging
                        van de sociale wetgeving, de Wet bescherming persoonsgegevens) het middel
                        hiertoe in het neutrale moet blijven. Overigens is er geen wettelijke basis
                        op grond waarvan het college de vergunninghouder zou kunnen verplichten een
                        geneeskundige keuring te ondergaan. Het college kan de vergunninghouder
                        uiteraard wel aanbieden zich bijvoorbeeld door de GGD of Arbodienst te laten
                        onderzoeken om zijn ziekte aan te tonen. </al><al> Artikel 19 Ontheffing en vervanging wegens ziekte, vakantie of bijzondere
                        omstandigheden Eerste lid: De ontheffing kan aan een maximum van twee jaar
                        worden gebonden voor wat betreft ziekte. Het bestuur van de NVM beveelt dit
                        ook sterk aan. Indien de ziekte langer dan twee jaar duurt, is veelal sprake
                        van blijvende arbeidsongeschiktheid. Tweede lid: In geval van ziekte,
                        vakantie of bijzondere omstandigheden kan het college de vergunninghouder
                        van een vaste standplaats toestaan zich op zijn standplaats te laten
                        vervangen. Een maximumtermijn van zes weken is voor vakantie gebruikelijk.
                        Het college kan (bij langdurige vervanging) als voorwaarde stellen dat de
                        vervanger aan de vereisten van artikel 6 voldoet.
                            <cursief>Jurisprudentie</cursief> Vz ABRS 29 maart 1994, jbMarkten
                        bladzijde 11, inzake weigering vervanging door niet-gezinslid. ABRS 23
                        september 1991, JG 92.0005 m.nt. L.J.J. Rogier, inzake ongeoorloofde
                        vervanging. Artikel 20 Legitimatie en identiteit vergunninghouder Bij
                        herhaling is gebleken dat de kopers op de markt er behoefte aan hebben te
                        weten bij wie zij hun inkopen hebben gedaan. In de praktijk wordt hier
                        echter weinig de hand aan gehouden. Het moet ook door iedere bonafide
                        marktkoopman of -koopvrouw van belang worden geacht. Het vormen van een
                        vaste klanten kring kan hierdoor tevens worden bevorderd. Vermelding van
                        adres en woonplaats wordt in verband met gevaar van inbraak bij de koopman,
                        die tijdens de markt immers van huis is, niet wenselijk geacht. </al><al> Artikel 21 Tijdstip innemen standplaats/aan- en afvoer goederen Het
                        marktterrein behoort tot de openbare weg. Teneinde het marktterrein tijdens
                        de markt vrij te maken van alle verkeer, dient het college een
                        verkeersbesluit te nemen. Ten onrechte geparkeerde auto’s kunnen met
                        toepassing van bestuursdwang, op kosten van de eigenaars, van het
                        marktterrein worden verwijderd nog vóór de eigenlijke opbouw van de markt.
                        Voorwaarde is wel dat de tijden waarop het terrein beschikbaar moet zijn ten
                        behoeve van de markt, duidelijk worden medegedeeld. Het is van belang de in
                        het eerste lid gegeven tijdspanne zo ruim te nemen dat hieraan in de regel
                        kan worden voldaan. Veelal worden de tijden vastgesteld in overleg met de
                        instanties die de belangen van de ambulante handel behartigen. Het tweede
                        lid maakt duidelijk dat het in het algemeen, in het belang van de orde op de
                        markt, de vergunninghouder niet kan worden toegestaan de markt op
                        willekeurige, vóór de sluitingstijd gelegen, momenten te verlaten. Het
                        college dient invulling te geven aan de bijzondere omstandigheden die
                        ontheffing mogelijk maken. Op grond van het derde lid is het mogelijk dat
                        over een vaste standplaats beschikt kan worden ten gunste van een andere
                        koopman, indien de vergunninghouder de markt op een bepaalde dag niet
                        bezoekt. Daartoe is bepaald dat de vaste standplaats vóór een bepaald uur
                        ingenomen moet zijn. Indien bekend is dat de rechthebbende later op de markt
                        verschijnt, zal de standplaats uiteraard open moeten blijven. Het vierde lid
                        bevat hiervoor een regeling. Vroegtijdig “eventueel vóór de openingstijd van
                        de markt” toewijzen van de dagplaatsen (zie hiervoor ook artikel 14) biedt
                        het voordeel dat het publiek geen of weinig hinder ondervindt van het
                        aanvoeren van de marktartikelen. Indien de gemeente de houder van een vaste
                        standplaats nog enig voorrecht wil geven boven de pas beginnende kooplieden,
                        die nog niet over een vaste standplaats beschikken, dan zou het toewijzen
                        van dagplaatsen ná de opening van de markt dienen te geschieden.
                            <cursief>Jurisprudentie</cursief> Kantongerecht Maastricht 1 november
                        1995, PG (1996) 4450, inzake schadevergoeding in verband met zorgplicht
                        gemeente met betrekking tot het autovrij maken van het marktterrein. Artikel
                        22 Strafbepaling Ten aanzien van de in artikel 22 opgenomen strafbepaling
                        geldt dat van overtreding alleen sprake kan zijn indien de verordening een
                        ge- of verbodsnorm (een verplichtende norm) inhoudt. Tegen overtredingen van
                        de in deze verordening opgenomen bepalingen, alsmede tegen handelingen die
                        de orde op de markt op enigerlei wijze kunnen verstoren, verdient voor wat
                        de marktkooplieden betreft een administratieve afhandeling de voorkeur.
                        Verwacht mag worden dat van de bepalingen, opgenomen in de artikelen 22 tot
                        en met 24, een sterk preventieve werking zal uitgaan. Artikel 23 Intrekking
                        en schorsing vaste standplaatsvergunning In artikel 23 worden de gronden
                        genoemd waarop een vergunning voor een vaste standplaats kan worden
                        ingetrokken of geschorst. Bij herziening van de modelmarktverordening in
                        2003 is de zinsnede “onverminderd artikel 13” toegevoegd om aan te geven dat
                        ook de intrekking op grond van artikel 13 een punitieve sanctie is. Het
                        verdient aanbeveling een sanctiebeleid vast te stellen waarin wordt
                        aangegeven in welke gevallen de vergunning wordt geschorst dan wel
                        ingetrokken. Het artikel heeft een facultatief karakter. Het hangt van de
                        omstandigheden af of tot intrekking of schorsing wordt overgegaan. In
                        onderdeel c wordt ervan uitgegaan dat het niet-betalen van marktgeld een
                        grond kan zijn voor intrekking of schorsing van een standplaatsvergunning
                        voor de markt. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
                        van State van 29 juli 1999 (JG 99.0184 m.nt. M. Geertsema) inzake het hoger
                        beroep van S. Gonesh tegen de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 6
                        november 1998, vormt voldoende basis om alsnog de gewenste intrekkings- of
                        schorsingsgrond in het model op te nemen. De Afdeling bestuursrechtspraak
                        van de Raad van State overwoog in deze zaak dat ingevolge de Verordening op
                        de straathandel van de gemeente Amsterdam een vergunning voor een vaste
                        standplaats kan worden ingetrokken “wegens het niet voldoen aan
                        verplichtingen die voor de vergunninghouder voortvloeien uit de voor die
                        markt geldende heffingsverordening”. Het stond tussen partijen vast dat
                        Gonesh ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar reeds gedurende
                        langere tijd niet aan zijn uit de geldende heffingsverordening
                        voortvloeiende betalingsverplichtingen had voldaan. Het dagelijks bestuur
                        van het stadsdeel Zuidoost van de gemeente Amsterdam kon de aan Gonesh
                        verleende vergunning derhalve intrekken. Het moge duidelijk zijn dat deze
                        intrekkings- of schorsingsgrond niet lichtvaardig mag worden gebruikt. Het
                        kan wel een oplossing bieden voor (notoire) “wanbetalers”. Voor alle
                        duidelijkheid wijzen wij erop dat deze uitspraak zich naar ons inzicht
                        alleen uitstrekt tot betalingsverplichtingen op basis van publiekrechtelijke
                        regelingen. De vraag of intrekking of schorsing ook mogelijk is bij het niet
                        nakomen van privaatrechtelijke betalingsverplichtingen (huur of pacht)
                        blijft in deze uitspraak onbeantwoord.
                        <cursief>Jurisprudentie</cursief> Terechte voorwaardelijke
                        tijdelijke schorsing van een marktstandplaats wegens overtreding van
                        Reglement warenmarkten Den Haag. Standplaatshouder is tevoren diverse malen
                        gewaarschuwd. Opgelegde sanctie is niet onevenredig zwaar. Schorsingsregime
                        is niet onverbindend wegens strijd met artikel 156 Gemeentewet (ABRS 15
                        augustus 2001, JU 021011). De intrekking van een standplaatsvergunning op de
                        Albert Cuypmarkt in Amsterdam voor een week is een maatregel met een
                        punitief karakter die door de rechter op zijn evenredigheid dient te worden
                        getoetst, doch de enkele omstandigheid dat de strafrechter betrokkene een
                        taakstraf heeft opgelegd, leidt niet tot het oordeel dat het bestuursorgaan
                        reeds daarom niet tot het opleggen van een maatregel mocht overgaan. De
                        opgelegde maatregel moet zelfstandig op evenredigheid worden beoordeeld. De
                        Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State neemt voor dat oordeel
                        mede in aanmerking dat het bestuursorgaan een eigen taak heeft bij het
                        handhaven van de rust en orde op de markt. Niet kan worden gezegd dat deze
                        maatregel niet in een redelijke verhouding staat tot het wangedrag. Het
                        geven van slechts een waarschuwing staat niet alleen niet in verhouding tot
                        de ernst van de overtreding, maar maakt ook de handhaving van de verordening
                        illusoir (ABRS 30 maart 2001, AB 2001, 189 m.nt. L.D.). Vz ABRS 8 november
                        1991, jbMarkten bladzijde 65, inzake intrekking vergunning, omdat
                        vergunninghouder niet meer in het bezit is van de vereiste papieren,
                        waaronder diploma Handelskennis (sinds 1993: diploma Algemene
                        ondernemingsvaardigheden). Indien het bestuursorgaan overweegt om de
                        vergunning in te trekken of te schorsen, dient het daarbij te letten op het
                        bepaalde in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht. Zie Rechtbank
                        Amsterdam 17 februari 1994, JB (1994) 58, inzake intrekken zonder horen ex
                        artikel 4:8 Awb. Artikel 24 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker In
                        artikel 23 is de intrekking of schorsing van een vergunning voor een vaste
                        standplaats geregeld. Intrekking of schorsing ligt uiteraard minder voor de
                        hand bij niet-vaste standplaatsen, maar in de praktijk is het van belang
                        gebleken om naast de bevoegdheid tot onmiddellijke verwijdering (artikel 25)
                        ook een houder van een dagplaats of standwerkersplaats langduriger van de
                        markt te kunnen verwijderen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een
                        vergunninghouder voor een vaste standplaats op de vuist gaat met een
                        dagplaatshouder of standwerker. In dit artikel 24 is dan ook de mogelijkheid
                        opgenomen om in de daarin genoemde gevallen de houder voor maximaal vier
                        marktdagen uit te sluiten van de toewijzing van een dagplaats of een
                        standwerkersplaats. Bij de herziening van 2003 is niet meer de beperking van
                        een periode van twee jaar opgenomen, omdat deze beperking niet zo zinvol is.
                        In de beschikking tot uitsluiting moet immers worden aangegeven om hoeveel
                        dagen het gaat (maximaal vier) en om welke concrete dagen. Het in onderdeel
                        d genoemde kan worden opgenomen ter bestraffing van niet-betalende
                        dagplaatshouders of standwerkers. Zie verder de toelichting onder artikel
                        23, onderdeel c. </al><al>Artikel 25 Onmiddellijke verwijdering In artikel 125 van de Gemeentewet is
                        bepaald dat ter uitvoering van wetten, algemene maatregelen van bestuur en
                        provinciale en gemeentelijke verordeningen het gemeentebestuur de
                        bevoegdheid heeft om bestuursdwang toe te passen. Dit artikel bevat voor het
                        college de bevoegdheidsgrondslag om bestuursdwang toe te passen bij
                        overtreding van de marktverordening en de daarop gebaseerde voorschriften.
                        In de artikelen 5:21 tot en met 5:36 van de Awb worden regels over de
                        besluitvorming omtrent en de toepassing van bestuursdwang (en dwangsom)
                        gegeven. De in artikel 25 geregelde onmiddellijke verwijdering is een vorm
                        van bestuursdwang, waarbij de spoedeisendheid als bedoeld in artikel 5:24,
                        zesde lid, van de Awb wordt verondersteld. Achteraf dient dan het besluit
                        tot het toepassen van bestuursdwang op papier te worden gesteld. Van deze
                        bevoegdheid dient uiteraard alleen in zeer spoedeisende gevallen gebruik te
                        worden gemaakt. Overigens is in artikel 5:23 van de Awb geregeld dat de
                        bepalingen over bestuursdwang niet van toepassing zijn indien wordt
                        opgetreden ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde. Op grond van
                        artikel 4:8 van de Awb dienen belanghebbenden bij toepassing van artikel 25
                        in beginsel in de gelegenheid te worden gesteld hun zienswijze (mondeling
                        dan wel schriftelijk) kenbaar te maken. Artikel 4:11 Awb bepaalt dat dit
                        horen niet nodig is in spoedeisende situaties. Onderdeel c is gewijd aan de
                        niet-actieve standwerker. Duidelijk kwam in het COM de wens naar voren om
                        dergelijke “verkapte stille kramers” aan te kunnen pakken. Artikel 26
                        Toezichthouders In artikel 5:11 van de Awb wordt aangegeven dat onder
                        toezichthouder wordt verstaan: een natuurlijk persoon, die bij of krachtens
                        een wettelijk voorschrift is belast met het houden van toezicht op de
                        naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Een
                        persoon die aangewezen is als toezichthouder beschikt in beginsel over alle
                        in afdeling 5.2 van de Awb opgenomen bevoegdheden. Op grond van artikel 5:14
                        van de Awb kunnen deze bevoegdheden bij verordening of bij besluit van het
                        college worden beperkt. Het ligt voor de hand de marktmeester als
                        toezichthouder aan te wijzen. Door toevoeging van de marktmeester is
                        verzekerd dat deze na beëdiging als opsporingsambtenaar kan fungeren. Een
                        bepaling over buitengewone opsporingsambtenaren is overbodig en in strijd
                        met aanwijzing 92 van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving.
                        Immers, in artikel 142, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van
                        Strafvordering, is onder meer bepaald dat met de opsporing van strafbare
                        feiten als buitengewoon opsporingsambtenaar zijn belast de personen die bij
                        verordeningen zijn belast met het toezicht op de naleving daarvan, een en
                        ander voorzover het die feiten betreft en de personen zijn beëdigd.
                        Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het Wetboek
                        van Strafvordering ontlenen, is een nadere regeling niet nodig. De
                        opsporingsbevoegdheid van de buitengewone opsporingsambtenaren beperkt zich
                        tot die zaken waarvoor zij toezichthouder zijn. Zij dienen op grond van het
                        Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar aan eisen van vakbekwaamheid en
                        betrouwbaarheid te voldoen en te zijn beëdigd door de procureur-generaal.
                        Artikel 27 Intrekking oude regeling De datum waarop de oude regeling
                        vervalt, is de datum waarop de verordening in werking treedt. Artikel 28
                        Overgangsbepalingen Een overgangsregeling als hier opgenomen, achten wij
                        noodzakelijk voor de rechtszekerheid van de betrokkenen. Het is van belang
                        oude rechten te eerbiedigen. Onder de ruime formulering “besluiten” van het
                        eerste lid vallen vergunningen, ontheffingen, voorschriften en beperkingen.
                        In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor bestaande wachtlijsten.
                        In het derde lid is bepaald dat aanvragen om vergunning die nog niet
                        definitief zijn afgehandeld direct onder de nieuwe verordening komen te
                        vallen. Hiermee wordt voorkomen dat nog lange tijd met de oude verordening
                        moet worden gewerkt. Voor lopende aanvragen en in behandeling zijnde
                        bezwaarschriften geldt dus de nieuwe verordening. Artikel 29
                        Inwerkingtreding De verordening treedt (na publicatie) in werking op 6 april
                        2007.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief> Het besluit van de raad tot vaststelling
                        van de Marktverordening is terecht aangemerkt als een algemeen verbindend
                        voorschrift waartegen ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb
                        geen beroep en daaraan voorafgaand bezwaar openstaat (ABRS 21 augustus 2000,
                        AB 2001, 345 m.nt. L.D.). Artikel 30 Citeertitel In de citeertitel wordt een
                        jaartal opgenomen om de betrokken regeling te onderscheiden van de
                        voorgaande regeling.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>