<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR13557_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening gemeente Aa en Hunze</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Aa en Hunze</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Aa en Hunze</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Schakel, 05-12-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening gemeente Aa en Hunze</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=8">Woningwet, art. 8 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-11-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-12-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2007/71</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening gemeente Aa en Hunze</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1 Inleidende bepalingen</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="–"><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Asbestverwijderingsbesluit%202005/article=1">artikel 1, letter a, van het
                                                  Asbest-verwijderingsbesluit 2005</extref>;</al></li><li nr="–"><al>Besluit indieningsvereisten; het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20indieningsvereisten%20aanvraag%20bouwvergunning">Besluit indieningsvereisten aanvraag
                                                  bouwvergunning</extref> als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=40a">artikel 40a, eerste lid</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=57">57, tweede en derde lid van de
                                                Woningwet</extref>;</al></li><li nr="–"><al>Besluit bouwwerken; het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20bouwvergunningsvrije%20en%20licht-bouwvergunningplichtige%20bouwwerken">Besluit bouwvergunningsvrije en
                                                  licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken</extref>
                                                als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=43">artikel 43, eerste lid onder c</extref> en
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=44">artikel 44, tweede lid van de
                                                Woningwet</extref>;</al></li><li nr="–"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als
                                                bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=2">artikel 2 van de Woningwet</extref>;</al></li><li nr="–"><al>bouwtoezicht: degenen, die ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=100a">artikel 100a, eerste lid van de
                                                  Woningwet</extref> belast zijn met het bouw- en
                                                woningtoezicht;– bouwwerk: elke constructie van
                                                enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                                                materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij
                                                direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                                hetzij direct of indirect steun vindt in of op de
                                                grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al></li><li nr="–"><al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8:
                                                hetgeen daaronder wordt verstaan in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Asbestverwijderingsbesluit%202005/article=6">artikel 6, eerste lid , van het
                                                  Asbest-verwijderingsbesluit 2005</extref>;</al></li><li nr="–"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als
                                                bedoeld in het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003">Bouwbesluit</extref>;</al></li><li nr="–"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die
                                                door of namens burgemeester en wethouders is
                                                vastgesteld;</al></li><li nr="–"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands
                                                Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;</al></li><li nr="–"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands
                                                Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="–"><al>straatpeil: </al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                                  direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter
                                                  plaatse van die hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                                  niet direct aan de weg grenst de hoogte van het
                                                  terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij
                                                  voltooiing van de bouw;</al></li></lijst></li><li nr="–"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                                openstaande wegen of paden daaronder begrepen de
                                                daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen
                                                of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de
                                                aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide
                                                parkeerterreinen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder: </al><lijst><li nr="–"><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li><li nr="–"><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 1.2 Termijnen (vervallen)</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling
                                        van de gemeente: </al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat als
                                        zodanig ingevolge de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet">Wegenverkeerswet</extref> is of wordt vastgesteld.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2 De aanvraag bouwvergunning</titel></kop><afdeling><kop><titel>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop> Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop> Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop> Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop> Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als
                                            bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=8">artikel 8, vierde lid van de Woningwet</extref>
                                            bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent verkennend
                                                  onderzoek verricht volgens NEN 5740, bijlage B,
                                                  uitgave 1999, waarbij voor een terrein dat als
                                                  verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog
                                                  bestaat uit de resultaten van een onderzoek
                                                  volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek
                                                  milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober
                                                  1993);</al></li><li nr="b."><al>de resultaten van het nader onderzoek, verricht
                                                  volgens het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU,
                                                  uitgave 1995), in het geval dat de resultaten van
                                                  het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is
                                                  van bodemverontreiniging en voor de beoordeling
                                                  van de ernst van deze verontreiniging een nader
                                                  onderzoek als bedoeld in het Protocol Nader
                                                  Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de
                                                  Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave
                                                  1995), onontkoombaar is.</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding
                                                  bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder
                                                  mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in
                                                  de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede
                                                  plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707,
                                                  uitgave 2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                            bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e, van de Bijlage bij
                                            het Besluit indieningsvereisten geldt niet indien het
                                            bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en
                                            omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het
                                            Besluit bouwwerken. Deze verwijzing geldt niet voor de
                                            hoogtebepalingen in het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20bouwvergunningsvrije%20en%20licht-bouwvergunningplichtige%20bouwwerken">Besluit bouwwerken</extref>.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders verlenen geheel of
                                            gedeeltelijk ontheffing van de plicht tot het indienen
                                            van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5
                                            onder e van de Bijlage bij het Besluit
                                            indieningsvereisten, indien voor de toepassing van
                                            artikel 2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare recente
                                            onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen gedeeltelijk
                                            ontheffing verlenen van de plicht tot het indienen van
                                            een onderzoeksrapport als bedoeld inparagraaf 1.2.5
                                            onder e, van de Bijlage bij het Besluit
                                            indieningsvereisten voor een bouwwerk met een beperkte
                                            instandhoudingstermijn als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=45">artikel 45, eerste lid, van de Woningwet</extref>,
                                            indien uit het in NVN 5725, uitgave 1999, bedoelde
                                            vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                            bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is,
                                            dan wel de gerezen verdenkingen een volledig
                                            veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 1999 niet
                                            rechtvaardigen.</al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de
                                            aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het
                                            bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en
                                            voordat met de bouw wordt begonnen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de
                                    aanvraag om bouwvergunning</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop> Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop> Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                                    bouwvergunningwoonwagens en standplaatsen</tussenkop><al>Vervallen</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke
                                ordening</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                                bouwvergunningverlening</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel> Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                                bouwvergunning</titel></kop><structuurtekst><al>In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende
                                bouwvergunning als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=58">artikel 58 van de Woningwet</extref> wordt aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het
                                        bouwwerk;</al></li><li nr="c."><al>de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd
                                        wordt;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de
                                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</tussenkop><al>Vervallen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                                bodem</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde
                                    bodem</tussenkop><lijst><li nr="Op"><al>een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of
                                            gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de
                                            gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat
                                            bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al></li><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                            verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is
                                            vereist; en</al></li><li nr="c."><lijst><li nr="1."><al>dat de grond raakt, of</al></li><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet wederrechtelijke
                                                  gebruik niet wordt gehandhaafd.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</tussenkop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in
                                    artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter e van
                                    paragraaf 1.2.5 van de bij dit besluit behorende bijlage, kunnen
                                    burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de
                                    bouwvergunning, in het geval zij op grond van het in het Besluit
                                    indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij
                                    hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het
                                    overeenkomstig het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20bodembescherming/article=39">tweede lid van artikel 39 van de Wet
                                        bodembescherming</extref> goedgekeurde saneringsplan bedoeld
                                    in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20bodembescherming/article=39">artikel 39, eerste lid, van die Wet</extref> van oordeel
                                    zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar
                                    door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden
                                    gemaakt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 5 Voorschriften van stedebouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing
                                    van de stedenbouwkundige bepalingen</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop> Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</tussenkop><al>Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in
                                    aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                    verlening van een bouwvergunning voor een ander bouwwerk in
                                    aanmerking worden genomen.</al><tussenkop> Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor
                                    wegverkeer/brandblusvoorzieningen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf
                                            van mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd
                                            van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die
                                            toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die
                                            geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s,
                                            ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te
                                            verwachten verkeer.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste
                                            lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende
                                            weg in een bestemmingsplan of in een verordening of
                                            anderszins voorschriften heeft vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m en over
                                                  een breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en
                                                  een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben
                                                  van ten minste 4,2;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                                  motorvoertuigen met een massa van ten minste
                                                  14.600 kg en zijn voorzien van de nodige
                                                  kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            een bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van
                                            het Besluit bouwwerken, voor zover dit niet tot bewoning
                                            bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op
                                            hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                            bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                            brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een doeltreffende
                                            verbinding tussen die auto’s en de bluswatervoorziening
                                            kan worden gelegd.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                            bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                            doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></li><li nr="6."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien
                                            de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich
                                            daarvoor lenen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.3a Brandweeringang</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien een automatische doormelding van brand naar de
                                            alarmcentrale van de brandweer plaatsvindt, wordt,
                                            indien het gebouw over meerdere toegangen beschikt, in
                                            overleg met de brandweer ten minste één van de toegangen
                                            als brandweeringang aangewezen.</al></li><li nr="2."><al>Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een
                                            brandmelding of te openen zijn met behulp van een
                                            systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                    gehandicapten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds: </al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in
                                                  artikel 4.3 van het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet
                                                  gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als
                                                  bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit;</al></li><li nr=""><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                                  gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                                                  aanwezig zijn.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt
                                            dat zij: </al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan
                                                  0,85 m; en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen
                                                  van 0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van
                                                  een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de
                                                  artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</tussenkop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                            regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                            bebouwing:</al></li><li nr=""><al>de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke,
                                            zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                                            voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel
                                            mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                            overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                            bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden
                                            gebouwd:</al></li><li nr=""><al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn
                                            gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al></li><li nr=""><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn
                                            gelegen op 10 meter uit de as van de weg.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                    bouwvergunningplichtig bouwwerk te bouwen met overschrijding van
                                    de voorgevelrooilijn.</al><tussenkop> Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die
                                            bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten
                                            worden als het aanbrengen van veranderingen van
                                            niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste
                                            lid, onder k, van het Besluit bouwwerken.</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig
                                            bouwwerk, die bij het afzonderlijk realiseren niet
                                            vallen onder de werking van artikel 3, eerste lid, onder
                                            k, van het Besluit bouwwerken, te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                  funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                  rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits
                                                  zij de grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                                                  overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    voorgevelrooilijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen – met inachtneming van
                                            het bepaalde in het tweede lid – ontheffing verlenen van
                                            het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                            voorgevelrooilijn voor: </al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders,
                                                  kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de
                                                  bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het
                                                  straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan
                                                  bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder i, en
                                                  derde lid, van het Besluit bouwwerken, die naar
                                                  hun aard en bestemming op een voor de
                                                  voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                                  zijn;</al></li><li nr="c"><al>.laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de
                                                  grens van de weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede
                                                  balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met
                                                  niet meer dan 1,50 m overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappehuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                                  hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere
                                                  luifels, dakoverstekken, uitspringende
                                                  schoorsteenwanden, reclametoestellen en
                                                  draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn
                                                  in <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-2-5-7-toegelaten-overschrijding-van-de-voorgevelrooilijn">artikel 2.5.7</extref>;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding
                                                  tussen twee bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld
                                                  in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale
                                                  of gemeentelijke monumentenverordening – voor
                                                  zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de
                                                  in historisch-esthetisch opzicht gewenste
                                                  aansluiting bij het karakter van de bestaande
                                                  omgeving.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing
                                            worden verleend, indien niet lager gebouwd wordt dan: </al><lijst><li nr="–"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met
                                                  inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter
                                                  weerszijden van die rijweg;</al></li><li nr="–"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de
                                                  weg;</al></li><li nr="–"><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de
                                                  gebruikers van de weg niet in gevaar komt.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
                                    voor het bouwen op de weg van:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net
                                            aangesloten nutsvoorziening, het
                                            telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het
                                            wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid
                                            onder h van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het
                                            verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of
                                            het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair,
                                            anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, b
                                            en e van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor
                                            reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun
                                            aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in
                                            de voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing
                                            in: </al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die
                                                  waarin de ontheffing genoemd in de artikelen 2.5.8
                                                  en 2.5.9 is verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in
                                                  die waarin de ontheffing genoemd in artikel 2.5.14
                                                  is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter
                                                  de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die
                                            een knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover
                                            elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen
                                            of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden
                                            van minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de
                                            hoeken – over een hoogte op een dergelijke hoek van niet
                                            meer dan 4,2 meter boven straatpeil – worden afgerond of
                                            afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor
                                            onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2
                                            behoeft te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van
                                                  gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele
                                                  eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder
                                                  b, van het Besluit bouwwerken bedoelde
                                                  gebouwen.</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en
                                                  veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, en de
                                                  daarbijbehorende woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het verlenen
                                                  van de ontheffing is gebaat.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de
                                            voorgevelrooilijn en bevindt zich: </al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                  driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig
                                                  bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                  gelijk aan de helft van de straal van de
                                                  ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                                  doch op geen grotere afstand van de
                                                  voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan
                                                  één ingeschreven cirkel binnen de
                                                  voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt
                                                  de grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                  bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm
                                                  op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn,
                                                  bepaald op de wijze als onder a bepaald, na
                                                  herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of
                                                  meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij
                                                  op zich zelf of gezamenlijk de vorm van het
                                                  bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen
                                                  grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                                  meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te
                                                  bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie
                                                  zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                  gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                                  voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                                  elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden
                                                  van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van
                                                  de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen
                                                  zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig
                                                  bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand
                                                  van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de
                                                  afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide
                                                  zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                                  bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen
                                                  grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                                  meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde
                                                  gevallen op een afstand die wordt bepaald met
                                                  inachtneming van de beginselen, welke zijn
                                                  neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op
                                                  geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan
                                                  15 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                            achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                            achterzijden van die bebouwing – in het belang van de
                                            toetreding van daglicht – over een afstand van ten
                                            minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten
                                            minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                            achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard,
                                            de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                            hoekbebouwing dit toelaten.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                    bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding
                                    van de achtergevelrooilijn.</al><tussenkop> Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken,
                                            geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur
                                            en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen
                                            zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot
                                            de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter
                                            bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk, die
                                            bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten
                                            worden als een aan- of uitbouw als bedoeld in artikel 2,
                                            onder a, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die
                                            bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten
                                            worden als het aanbrengen van veranderingen van
                                            niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 3, eerste
                                            lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig
                                            bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen
                                            onder de werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van
                                            het Besluit bouwwerken, te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                  funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                  rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f"><al>.antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                                            onder e en f, van het Besluit bouwwerken</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                    voor:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen
                                            zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot
                                            de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter
                                            bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                            liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                            openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een
                                            weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van
                                            die zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e"><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de
                                            bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en
                                            2.5.4, is verzekerd;</al></li><li nr="f"><al>bijgebouwen, anders dan de gebouwen bedoeld in artikel
                                            2, onder b, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="g"><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of
                                            overwegend handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h"><al>bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw
                                            zijnde;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                            voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen
                                            bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit
                                            bouwwerken;</al></li><li nr="k."><al>trappehuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda’s,
                                            alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                            uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen
                                            dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> dan wel in de
                                            provinciale of gemeentelijke monumentenverordening –
                                            voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te
                                            verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                            omgeving.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn
                                            dat ten minste een strook grond omvat die: </al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit
                                                  aan de achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen
                                                  deel dat is begrepen tussen het verlengde van de
                                                  zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5
                                                  meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten
                                            haaks op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst
                                            achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten
                                            de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13,
                                            en de balkons en veranda’s buiten beschouwing
                                            blijven.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in: </al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf
                                                  betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag
                                                  niet tot bewoning bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                                  voorwaarden wordt voldaan: </al><lijst><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                  aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein
                                                  waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                                                  grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar
                                                  water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                                  en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één
                                                  van die zijden mag worden bebouwd en tevens een
                                                  erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                                  gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan
                                                  de bepalingen voor te bouwen woningen en
                                                  woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de
                                                  bestaande toestand verbeterd.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders
                                            dan als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw
                                            behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2
                                            meter achter het verst achterwaarts gelegen deel van het
                                            gebouw en over de volle breedte daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw
                                                  hiervoor geen beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend
                                                  van het verbod tot overschrijding van de
                                                  achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten
                                            opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig
                                            zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het
                                            aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten
                                            ontstaan die: </al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter
                                                  daarboven minder dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li><li nr=""><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of
                                                  op het aan-grenzende erf wordt hierbij buiten
                                                  beschouwing gelaten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende
                                            mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van
                                            de vrij te laten ruimte.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in
                                            artikel 2, onder e, van Besluit bouwwerken, zijn niet
                                            toegelaten.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het
                                            af te scheiden erf of terrein.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen
                                    en ondergrondse hoofdtransportleidingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                            stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                            hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van
                                            andere bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke
                                            deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen
                                            van deze afstand moet rekening worden gehouden met het
                                            uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                            hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn
                                            met een nominale elektrische spanning van 1000 volt of
                                            meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                            ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen
                                            bouwvergunningplichtige bouwwerken worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van: </al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft
                                                  de afstand van 6 meter, indien de elektrische
                                                  spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen
                                                  bezwaar oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft
                                                  de afstand van 6 meter, indien daartegen met het
                                                  oog op de veilige en ongestoorde ligging van de
                                                  leiding geen bezwaar bestaat.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de
                                    voorgevelrooilijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                            maximale hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                                            in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter,
                                            vermeerderd met: </al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                                  voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende
                                                  weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand
                                                  tussen de voorgevelrooilijnen langs de
                                                  desbetreffende weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval
                                            aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan
                                            de brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een
                                            lengte van de hoek af gelijk aan de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch over geen
                                            grotere lengte dan 15 meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten
                                            haaks op de desbetreffende voorgevelrooilijn in het
                                            midden van de breedte van het bouwwerk of de projectie
                                            daarvan op de voor-gevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                            ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten
                                            hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtstbij gelegen
                                            tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende
                                            rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse
                                            van die onderbreking de verstverwijderde van de beide
                                            ter weerszijden van de onderbreking voorkomende
                                            rooilijnen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de
                                    achtergevelrooilijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                            maximale hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                                            in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter,
                                            vermeerderd met: </al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                                  tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                                  bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot
                                                  de tegen-overliggende achtergevelrooilijn in
                                                  hetzelfde bouwblok.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten
                                            haaks op de achtergevelrooilijn ter plaatse van het
                                            bouwwerk.</al></li><li nr=""><al>Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet
                                            evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de
                                            achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde
                                            afstand tussen de achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr=""><al>Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn
                                            ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde
                                            tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                            voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de
                                            maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de
                                            achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale
                                            hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                                            achtergevelrooilijn in het-zelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager
                                            dan straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde
                                            hoogte worden verminderd met een maat, gelijk aan het
                                            verschil tussen het straatpeil en het peil van het
                                            onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij
                                            voltooiing van de bouw.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                            bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot
                                            aan de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien
                                            in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt –
                                            onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 – de
                                            maximale hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk
                                            aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5
                                            maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                            achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg
                                            behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden
                                            bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid,
                                            voor de bepaling van de afstand tussen twee
                                            achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel
                                            niet hoger is dan de voorgevel.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                            bouwvergunningplichtig bouwwerk tussen de voor- en de
                                            achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken
                                            die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en
                                            door de achtergevelrooilijn snijden op de – krachtens de
                                            artikelen 2.5.20 en 2.5.21 – maximale bouwhoogte en die
                                            met het horizontale vlak een hoek vormen van: </al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een
                                            zijgevel heeft die gelegen is tegenover een
                                            achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit
                                            bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak
                                            dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter
                                            hoogte van de – krachtens artikel 2.5.22 – maximale
                                            bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek
                                            vormt van 56 graden.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van
                                    bouwwerken</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag
                                            niet meer bedragen dan 15 meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze
                                            wegen op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte
                                            ten opzichte van de laagstgelegen weg.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg
                                    grenzende terreinen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel
                                            2.5.3 of artikel 2.5.14 verleende ontheffing wordt
                                            opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein, mag
                                            niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat
                                            – uitgaande van een goothoogte van genoemde maat –
                                            daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45
                                            graden toegelaten is.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de
                                            ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen
                                            beletsel vormen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van
                                    bouwwerken</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een
                                            ander buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten
                                            ten opzichte van straatpeil.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging
                                            hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen
                                            door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld
                                            in artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h,
                                            i, j en k, moeten – voor zover zij de maximale hoogte
                                            overschrijden – buiten beschouwing worden gelaten.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</tussenkop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21,
                                    eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23
                                    en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk, die
                                            bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten
                                            worden als het aanbrengen van veranderingen van
                                            niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 3, eerste
                                            lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken
                                            anders dan het aanbrengen van veranderingen van
                                            niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 3, eerste
                                            lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                            voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij
                                            niet breder zijn dan 6 meter en mits de
                                            geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel
                                            gemeten, niet groter is dan het produkt van de breedte
                                            van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter
                                            plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan
                                            0,60 meter.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    toegelaten bouwhoogte</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                    en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en
                                    artikel 2.5.24 ten behoeve van:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken,
                                            schouwburgen en andere gebouwen bestemd voor het houden
                                            van bijeenkomsten en vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of
                                            winkeldoeleinden, indien de welstand bij het verlenen
                                            van de ontheffing is gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op
                                            een handels- en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van
                                            een bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste
                                            lid, onder k van het Besluit bouwwerken, en indien: </al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                  bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                  verlenen van de ontheffing is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                  hoogte-afmetingen andere hoogte-afmetingen kleiner
                                                  worden dan de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                            verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of
                                            het telecommunicatieverkeer al dan niet van openbare
                                            aard, anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid van het
                                            Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                            soortgelijke aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan
                                            0,60 meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet
                                            meer dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter,
                                            de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de
                                            afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter
                                            bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                            gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen
                                            behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument – als bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> dan wel in de
                                            provinciale of gemeentelijke monumentenverordening –
                                            voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te
                                            verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                            omgeving.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de
                                    rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van
                                    voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8,
                                            2.5.14 en 2.5.28 kunnen burgemeester en wethouders
                                            ontheffing verlenen van de verboden tot bouwen met
                                            overschrijding van de voor- en van de
                                            achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                                            overschrijding van de maximale bouwhoogte.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door
                                            burgemeester en wethouders worden verleend indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in
                                                  artikel 20 Bro;</al></li><li nr="b."><al>de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het
                                                  beleid van de provincie inzake artikel 19, lid 2
                                                  WRO;</al></li><li nr="c."><al>het desbetreffende bouwplan in overeenstemming
                                                  is met in voorbereiding zijnd toekomstig
                                                  ruimtelijk beleid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op de voorbereiding van een besluit omtrent een
                                            ontheffing, als bedoeld in het eerste lid, is de in
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=3.4">afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                                bestuursrecht</extref> geregelde procedure van
                                            toepassing met dien verstande dat: </al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de termijn van terinzagelegging
                                                  eenieder schriftelijk zijn zienswijze omtrent de
                                                  aanvraag kan inbrengen;</al></li><li nr="b."><al>indien er zienswijzen zijn ingebracht
                                                  burgemeester en wethouders de beslissing over de
                                                  aanvraag om reguliere bouwvergunning met ten
                                                  hoogste zes weken kunnen verdagen.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en
                                    losmogelijkheden bij of in gebouwen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                            aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of
                                            stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn
                                            aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of
                                            onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
                                            Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het
                                            gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening
                                            moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per
                                            openbaar vervoer.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren
                                            van auto’s moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op
                                            gangbare personenauto’s.</al></li><li nr=""><al>Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten
                                                  ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m
                                                  bij 6,00 m bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde
                                                  parkeerruimte voor een gehandicapte – voor zover
                                                  die ruimte niet in de lengterichting aan een
                                                  trottoir grenst – ten minste 3,50 m bij 5,00 m
                                                  bedragen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot
                                            een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of
                                            lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende
                                            mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel
                                            op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                                            behoort.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste en het derde lid: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door
                                                  bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren
                                                  stuit; of</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer-
                                                  of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte
                                                  wordt voorzien.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor
                                            de ontdekking en melding van brand, dat een brand zo
                                            snel mogelijk kan worden ontdekt en gemeld.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.1 van
                                            bijlage 10 van deze verordening voorschriften zijn
                                            aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het
                                            eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die
                                            voorschriften.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste en het tweede lid, indien
                                            de aard en de geringe omvang van de gebruiksfunctie
                                            daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een gebruiksfunctie: </al><lijst><li nr="a."><al>Waarvan de hoogste vloer van een verblijfsruimte
                                                  is gelegen op een in tabel 2.6.1 van bijlage 10
                                                  van deze verordening aangegeven waarde boven het
                                                  meetniveau als bedoeld in het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>Waarvan de totale gebruiksoppervlakte meer
                                                  bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 bij
                                                  deze verordening aangegeven grenswaarden;</al></li><li nr="c."><al>Waarvan het aantal verblijfsruimten bestemd voor
                                                  bezoekers meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van
                                                  bijlage 10 van deze verordening aangegeven
                                                  grenswaarde;</al></li><li nr="d."><al>die is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit
                                                  meer bouwlagen dan de in tabel 2.6.1 van bijlage
                                                  10 zijn aangegeven;</al></li><li nr=""><al>is voorzien van een brandmeldinstallatie als
                                                  bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1,
                                                  uitgave 2002.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie of
                                            een woongebouw waar vanaf de toegang van een
                                            verblijfsruimte slechts in één richting kan worden
                                            gevlucht alsmede de ruimten van waaruit de betreffende
                                            vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd,
                                            voorzien te zijn van een brandmeldinstallatie met
                                            ruimtebewaking, indien er sprake is van één of meer van
                                            de volgende situaties: </al><lijst><li nr="a."><al>De loopafstand tussen de toegang van een
                                                  verblijfsruimte en een punt vanwaar in meerdere
                                                  richtingen kan worden gevlucht, bedraagt meer dan
                                                  10 meter;</al></li><li nr="b."><al>Het totale oppervlak van het gedeelte van de
                                                  ruimte waardoor slechts in één richting kan worden
                                                  gevlucht alsmede de op dit gedeelte aangewezen
                                                  verblijfsruimte is groter dan 200m²;</al></li><li nr="c."><al>Het aantal verblijfsruimten dat is aangewezen op
                                                  de betreffende ruimte bedraagt meer dan 2.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door
                                    brandmeldinstallaties</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie
                                            als bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1,
                                            uitgave 2002, is uitgevoerd als: </al><lijst><li nr="a."><al>niet-automatische bewaking; of</al></li><li nr="b."><al>gedeeltelijke bewaking; of</al></li><li nr="c."><al>volledige bewaking;</al></li><li nr=""><al>zoals aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10
                                                  van deze verordening, of</al></li><li nr="d."><al>ruimte bewaking voor gedeeltelijke samenvallende
                                                  vluchtroutes en risicoruimten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een op grond van <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-2-6-2-aanwezigheid-van-brandmeldinstallaties">artikel 2.6.2, lid 1, a, b en c</extref> in een
                                            bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie meldt
                                            rechtstreeks door naar de alarmcentrale van de
                                            brandweer, voor zover dit voor een gebruiksfunctie staat
                                            aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze
                                            verordening.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</tussenkop><lijst><li nr="1"><al>Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige
                                            brandmeldinstallatie voldoet aan het gestelde in NEN
                                            2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002.</al></li><li nr="2"><al>Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige
                                            brandmeldinstallatie is ontworpen en aangelegd
                                            overeenkomstig een door of namens burgemeester en
                                            wethouders aanvaard programma van eisen als bedoeld in
                                            NEN 2535, uitgave 1996 en NEN 2535/A1 uitgave 2002.</al></li><li nr="3"><al>Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige
                                            brandmeldinstallatie, welke op grond van artikel 2.6.3, lid 2 rechtstreeks is
                                            doorgemeld naar de alarmcentrale van de brandweer. is
                                            voorzien van een geldig certificaat als bedoeld in de
                                            Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor
                                            Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CVV) in Den Haag,
                                            dan wel een certificaat waarvan een door burgemeester en
                                            wethouders erkende, ter zake kundige, onafhankelijke
                                            onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring
                                            heeft aangetoond dat dit certificaat ten minste
                                            gelijkwaardig is aan een certificaat bedoeld in de
                                            vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsinstallaties</tussenkop><lijst><li nr="1"><al>Een tebouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor
                                            alarmering dat gebruikers bij brand binnen redelijke
                                            tijd uit het bouwwerk kunnen vluchten.</al></li><li nr="2"><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.5 van
                                            bijlage 11 van deze verordening voorschriften zijn
                                            aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het
                                            eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die
                                            voorschriften.</al></li><li nr="3"><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste en het tweede lid, indien
                                            de aard en de geringe omvang van de gebruiksfunctie
                                            daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van
                                    ontruimingsinstallaties</tussenkop><lijst><li nr="1"><al>Een gebruiksfunctie op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een
                                            brandmeldinstallatie, is voorzien van een
                                            ontruimingsinstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                            2004.</al></li><li nr="2"><al>In een gebruiksfunctie, waarop het gestelde in artikel 2.6.2, tweede lid, van toepassing
                                            is, dienen de desbetreffende verblijfsruimten te zijn
                                            voorzien van een automatische
                                            ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575,
                                            uitgave 2004.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsinstallaties</tussenkop><lijst><li nr="1"><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                            ontruimingsinstallatie voldoet aan het gestelde in NEN
                                            2575, uitgave 200.</al></li><li nr="2"><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                            ontruimingsinstallatie is ontworpen e n aangelegd
                                            overeenkomstig een door of namens burgemeester en
                                            wethouders aanvaard programma van eisen, als bedoeld in
                                            NEN 2575, uitgave 2004.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</tussenkop><lijst><li nr="1"><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige aanduiding van
                                            vluchtroutes dat gebruikers op veilige wijze uit het
                                            bouwwerk kunnen vluchten.</al></li><li nr="2"><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.8 van
                                            bijlage 12 van deze verordening voorschriften zijn
                                            aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het
                                            eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die
                                            voorschriften.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van
                                    vluchtrouteaanduidingen</tussenkop><al>Een gebruiksfunctie, genoemd in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van
                                    deze verordening, is voorzien van vluchtrouteaanduidingen, als
                                    bedoeld in NEN 6088, uitgave 2002.</al><tussenkop> Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een op grond van artikel 2.6.9 in een bouwwerk aanwezige
                                            vluchtrouteaanduiding voldoet aan het gestelde in NEN
                                            6088, uitgave2002 .</al></li><li nr="2."><al>Een vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar en voldoende
                                            herkenbaar aangebracht.</al></li><li nr="3."><al>De in artikel 2.6.9 vermelde
                                            vluchtrouteaanduiding dient voor wat betreft de
                                            zichtbaarheidsaspecten te voldoen aan artikel 5.2 tot en
                                            met 5.6 van NEN-EN 1838, uitgave 1999.</al></li><li nr="4."><al>Indien in een gebruiksfunctie of een deel van een
                                            gebruiksfunctie geen noodverlichting aanwezig is, is in
                                            geval van netspanningsonderbreking het gestelde in lid 3
                                            niet van toepassing. </al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                            Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een
                                            brandmeldinstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.4 van overeenkomstige
                                            toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                            Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een
                                            ontruimingsalarminstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.7 van overeenkomstige
                                            toepassing.</al></li><li nr="3."><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                            Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing
                                            vluchtrouteaanduiding aanwezig is, is artikel 2.6.10 van overeenkomstige
                                            toepassing</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke
                                    hulpverleningsdiensten</tussenkop><al>Indien het naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor
                                    het goed kunnen functioneren van publieke hulpverleningsdiensten
                                    bij een calamiteiten in dat bouwwerk noodzakelijk is, moet een
                                    voor het publiek toegankelijk bouwwerk zijn voorzien van een
                                    installatie die mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleners
                                    binnen en buiten dat bouwwerk mogelijk maakt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen </titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</tussenkop><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=3.119">artikel 3.119 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten
                                    zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                    waterleiding:</al><lijst><li nr="a"><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b"><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van
                                            de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                            gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 50 m.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het
                                    elektriciteitsnet</tussenkop><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=2.46">artikel 2.46 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn
                                    aangesloten aan het openbare-distributienet voor
                                    elektriciteit:</al><lijst><li nr="a"><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b"><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 100 m.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</tussenkop><lijst><li nr="1"><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=2.68">artikel 2.68 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde,
                                            in bouwwerken aan te brengen gasvoorziening moet zijn
                                            aangesloten aan het openbare-distributienet voor
                                            aardgas: </al><lijst><li nr="a"><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand
                                                  van de dichtst bij zijnde leiding van dat
                                                  distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b"><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is
                                                  gelegen van de leiding van het
                                                  aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de
                                                  kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                                  bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van
                                                  40 m.</al></li><li nr="Niet"><al>van toepassing is het bepaalde in dit lid op
                                                  woningen voor bejaarden.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a"><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van
                                                  meer dan 500 m2;</al></li><li nr="b"><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                                  verhuurd;</al></li><li nr="c"><al>Voor woningen met een aansluiting op een
                                                  gemeenschappelijke of publieke voorziening voor
                                                  verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                                  bouwbesluit (warmtedistributienet).</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                                    riolering</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=3.31">artikel 3.31 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde,
                                            in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de
                                            afvoer van afvalwater en faecaliën moeten zijn
                                            aangesloten aan een openbaar riool. Niet van toepassing
                                            is deze eis in delen van de gemeente waarin geen
                                            openbare riolering aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald: </al><lijst><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                                  binnenmiddellijn de voor het maken van de
                                                  aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de
                                                  gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf
                                                  of terrein moet of moeten kruisen;</al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die
                                                  aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter
                                                  voorkoming van het terugvloeien van afvalwater en
                                                  faecaliën, ingeval de leiding te laag gelegen is
                                                  om op natuurlijke wijze op het openbaar riool te
                                                  lozen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag krachtens de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer%20">Wet milieubeheer</extref> bepaalt of er al dan niet
                                            voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten
                                            worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede
                                            werking of de goede staat van het openbaar riool, dan
                                            wel ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen
                                            aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of de
                                            aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding
                                            geeft.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een
                                            andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en
                                            lucht mogelijk is: </al><lijst><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan
                                                  40 m van een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=3.31">artikel 3.31 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde,
                                            in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de
                                            afvoer van afvalwater en faecaliën niet aan een openbaar
                                            riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen: </al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit
                                                  toiletten met waterspoeling, moeten lozen op een
                                                  rottingput met overstort;</al></li><li nr="b."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit
                                                  toiletten zonder waterspoeling, moeten lozen op
                                                  een beerput zonder overstort, een gierput of een
                                                  rottingput met overstort;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder
                                                  faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten
                                                  moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van
                                                  water, bodem en lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder
                                                  faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=3.41">artikel 3.41 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde,
                                            aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor
                                            de afvoer van hemelwater moeten: </al><lijst><li nr="a."><al>zodanig lozen dat geen verontreiniging van
                                                  water, bodem en lucht kan optreden; en</al></li><li nr="b."><al>zijn aangesloten aan een in de grond
                                                  aangebrachte opvang- en bezinkingsvoorziening van
                                                  voldoende capaciteit, welke voorziening in verband
                                                  met de grootte van de te ontwateren oppervlakken
                                                  en de bodemgesteldheid ter plaatse moet zijn
                                                  gelegen op voldoende afstand van de perceelgrenzen
                                                  en de bebouwing op het perceel.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen: </al><lijst><li nr="a."><al>van het bepaalde in het eerste lid, indien de
                                                  afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van
                                                  water, bodem en lucht mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>van het bepaalde in het tweede lid, indien de
                                                  bodemgesteldheid en de grondwaterafvoer ter
                                                  plaatse, dan wel de omvang van het perceel de
                                                  infiltratie van hemelwater niet toelaten en
                                                  bovendien de afvoervoorziening voor hemelwater
                                                  niet wordt aangesloten aan een rottingput.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                                    riolering</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=3.31">artikel 3.31 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde,
                                            in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de
                                            afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in
                                            artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                                            bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer
                                            van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een openbaar
                                            riool.</al></li><li nr=""><al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid: </al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare
                                                  riolering aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt
                                                  geloosd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald: </al><lijst><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                                  binnenmiddellijn de voor het maken van de
                                                  aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de
                                                  gevel van het gebouw, dan wel de grens van het erf
                                                  of terrein moet of moeten kruisen;</al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die
                                                  aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter
                                                  voorkoming van het terugvloeien van afvalwater,
                                                  faecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te
                                                  laag gelegen is om op natuurlijke wijze op het
                                                  openbaar riool te lozen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer%20">Wet milieubeheer</extref> moet worden bepaald of er
                                            al dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding
                                            moeten worden tussengeschakeld ter verzekering van de
                                            goede werking of de goede staat van het openbaar riool,
                                            dan wel ter voorkoming van hinder voor andere
                                            aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de
                                            hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen
                                            daartoe aanleiding geeft.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een
                                            andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem of
                                            lucht mogelijk is: </al><lijst><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan
                                                  40 m van een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=3.31">artikel 3.31 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde,
                                            in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de
                                            afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=3.41">artikel 3.41 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde,
                                            aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor
                                            de afvoer van hemelwater niet aan een openbaar riool
                                            worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen: </al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit
                                                  toiletten met waterspoeling, moeten lozen op een
                                                  rottingput met overstort;</al></li><li nr="b."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit
                                                  toiletten zonder waterspoeling, moeten lozen op
                                                  een beerput zonder overstort, een gierput of een
                                                  rottingput zonder overstort;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor
                                                  de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede
                                                  overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen
                                                  dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht
                                                  kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor
                                                  de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen
                                                  niet lozen op een rottingput.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                            van het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien
                                            afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water,
                                            bodem en lucht mogelijk is.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de
                                    buitenriolering op erven en terreinen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                            scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel
                                            mogelijk haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten
                                            waterdicht zijn aangewerkt.</al></li><li nr="2."><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde
                                            leidingen aan leidingen van de buitenriolering moet
                                            zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting
                                            gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of
                                            de buitenriolering.</al></li><li nr="3."><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en
                                            de aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen
                                            beerputten of rottingputten voorkomen.</al></li><li nr="4."><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen
                                            mogen geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en
                                            moeten een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende
                                            lucht- en waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse
                                            middellijn.</al></li><li nr=""><al>Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn
                                            voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN
                                            3215, uitgave 1997.</al></li><li nr="5."><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een
                                            leiding voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en
                                            hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg
                                            kruist, een binnenwerkse middellijn hebben van ten
                                            minste 125 mm.</al></li><li nr="6."><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en
                                            hulpstukken van leidingen van de buitenriolering op
                                            erven en terreinen moeten doeltreffend zijn.</al></li><li nr=""><al>Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt
                                            voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn
                                            opgenomen in bijlage 7.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen
                                    van het openbare net van de nutsvoorzieningen</tussenkop><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs
                                    de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                                    worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het
                                    dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij
                                    moeten bouwwerken die zich te zamen op één erf of terrein
                                    bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3 De melding</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 3.1 De wijze van melden</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 3.2 Welstandscriteria</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                            ingebruikneming van een bouwwerk</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                                tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><structuurtekst><al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in
                                    <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=59">artikel 59 van de Woningwet</extref> de bouwvergunning geheel
                                of gedeeltelijk intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                        bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is
                                        gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze
                                        werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26
                                        weken stilliggen.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                                bescheiden</titel></kop><structuurtekst><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het
                                bouwwerk, aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter
                                inzage worden gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr="b."><al>andere vergunningen en ontheffingen;</al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="d."><al>Een besluit ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=13">artikel 13 Woningwet</extref>, dan wel een besluit tot
                                        toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                                        dwangsom.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</titel></kop><structuurtekst><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend
                                mag – onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning
                                bepaalde – niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester
                                en wethouders voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein
                                        zijn uitgezet.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van
                                (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het bouwtoezicht dient – voor zover het betreft bouwwerken
                                        waarvoor bouwvergunning is verleend en onverminderd het
                                        bepaalde in de voorwaarden van de bouwvergunning – ten
                                        minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te
                                        noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden
                                        gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden,
                                                ontgravingswerkzaamheden daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen,
                                                het slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de
                                                grondverbeteringswerkzaamheden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in
                                        kennis te worden gesteld van het storten van beton.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen
                                        moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk
                                        geschieden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                                onderzoekingen</titel></kop><structuurtekst><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle
                                opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden
                                verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de
                                naleving van deze verordening en van het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003">Bouwbesluit</extref>nodig acht.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</titel></kop><structuurtekst><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                                ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een
                                zodanige wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een
                                verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt,
                                waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast
                                op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in
                                        verband staat, moet geschieden op veilige wijze, onder meer
                                        zodanig dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen
                                        ten behoeve van de weg en de in de weg gelegen werken en de
                                        weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken, open
                                        erven en terreinen en hun gebruikers.</al></li><li nr="2."><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt
                                        uitgevoerd moeten, wanneer er niet wordt gewerkt –
                                        rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd niet inbegrepen: </al><lijst><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve
                                                van de uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun
                                                geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het
                                                weer in gebruik stellen van de installaties door
                                                anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder
                                                meer mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een
                                                zodanige toestand, dat deze dan wel mechanismen
                                                daarvan, niet zonder meer door anderen dan de
                                                daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden
                                                gesteld;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                        elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer
                                        elektrisch aangedreven bemalingspompen, indien de
                                        omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt
                                        onderbroken en de veiligheid voldoende is gewaarborgd.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg
                                        te nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen
                                        zolang zij uit veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                        dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                        doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende
                                        open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of
                                        hinder te duchten is.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                        geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk
                                        hinder ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en
                                        andere openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door
                                        wordt belemmerd.</al></li><li nr="3."><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                        en dat niet van de weg en van het aangrenzende open erf of
                                        terrein is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt
                                        gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet
                                        nodig acht.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                                hinder</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                        transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat
                                        kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van
                                        goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud
                                        verkeren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk
                                        een werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor
                                        gevaar voor de omgeving optreedt.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een
                                        werktuig, dat schade of ernstige hinder voor de omgeving
                                        veroorzaakt of kan veroorzaken, verbieden.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor
                                        een op een werk te gebruiken krachtwerktuig: </al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd,
                                                en/of</al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal
                                                niet mag worden gebruikt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                        toepassing indien en voor zover het betreft nadelige
                                        gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige
                                        in deze wet genoemde milieuwet van toepassing is.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.11 Bouwafval</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden
                                        gescheiden in de volgende fracties: </al><lijst><li nr="a"><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                                                hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende bij
                                                de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr.
                                                17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al></li><li nr="b"><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                                bedraagt;</al></li><li nr="c"><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                                bedraagt;</al></li><li nr="d"><al>overig afval.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d,
                                        en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en
                                        c, moeten op de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></li><li nr="3"><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                        bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container
                                        van 10 m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                                        verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor
                                        tijdelijke opslag.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                                bouwwerkzaamheden</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Van het gereedkomen: </al><lijst><li nr="a."><al>van putten en van grond- en huisaansluitingen van de
                                                riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en
                                                mantelbuizen doorwanden en vloeren beneden
                                                straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden,
                                                alsmede van de thermische isolatie in andere
                                                besloten constructies moet het bouwtoezicht
                                                onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b
                                                bedoelde werkzaamheden in kennis worden
                                                gesteld.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid
                                        betrekking heeft, mogen niet zonder toestemming van het
                                        bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken gedurende twee
                                        dagen na het tijdstip van kennisgeving.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige
                                        toepassing op die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in
                                        de aan de bouwvergunning verbonden voorwaarden een plicht
                                        tot kennisgeving van voltooiing is bepaald.</al></li><li nr="4."><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden,
                                        waarop de bouwvergunning, betrekking heeft, wordt het einde
                                        van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></li><li nr="5."><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                        bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-,
                                        metsel- of buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het
                                        bouwtoezicht ten minste twee dagen vóór het begin van het
                                        desbetreffende werk in kennis worden gesteld van de te
                                        treffen maatregelen ten behoeve van: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en
                                                verharding;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de
                                                voltooiing tegen vorstschade, zolang het nog
                                                onvoldoende is verhard of de temperatuur nog beneden
                                                2 graden Celsius is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien
                                        het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk
                                        plaatsvinden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidsinstallaties,
                            aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en
                            hinderlijk gedierte</titel></kop><afdeling><kop><titel>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                                    terreinen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband
                                            met hun bestemming, voldoende staat van onderhoud
                                            bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen
                                            opleveren voor de veiligheid, noch nadeel voor de
                                            gezondheid van of hinder voor de gebruikers of anderen,
                                            ten gevolge van: </al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid;</al></li><li nr="b."><al>stank;</al></li><li nr="c."><al>verontreiniging;</al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk
                                                  gedierte;</al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                    wegverkeer/Brandblusvoorzieningen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 15 meter is
                                            verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg
                                            tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig
                                            zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s,
                                            ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te
                                            verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het
                                            gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste
                                            lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende
                                            weg in een bestemmingsplan of in een verordening of
                                            anderszinsvoorschriften heeft vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m en over
                                                  een breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en
                                                  een vrije hoogte bovenin de kruin van de weg
                                                  hebben van ten minste 4,2m;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                                  motorvoertuigen met een massa van ten minste
                                                  14.600 kg en zijn voorzien van de nodige
                                                  kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op een doeltreffende wijze kunnen
                                                  afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            een bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van
                                            het Besluit bouwwerken, voor zover dit niet voor
                                            bewoning is bestemd, maar wel tot een hoofdgebouw
                                            behoort, dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                            brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een doeltreffende
                                            verbinding tussen die auto’s en de bluswatervoorziening
                                            kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het
                                            gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                            bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                            doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                    gehandicapten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds: </al><lijst><li nr="a."><al>een woning of woongebouw, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=4.3">artikel 4.3 van het Bouwbesluit</extref>;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet
                                                  gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als
                                                  bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=4.3">artikel 4.3 van het Bouwbesluit</extref>;</al></li><li nr=""><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                                  gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                                                  aanwezig zijn.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt
                                            dat zij:</al></li><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen
                                            2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidsinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake
                                    brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</tussenkop><al>Voor bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.12 van
                                    overeenkomstige toepassing</al><tussenkop> Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties
                                    in gebouwen niet zijnde woningen, woongebouwen,
                                    logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop> Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties
                                    in woongebouwen van bijzondere aard</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop> Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties
                                    in logiesverblijven en logiesgebouwen</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop> Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties
                                    in kantoorgebouwen</tussenkop><al>Vervallen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</tussenkop><al>De in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=3.123">artikelen 3.123</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=3.124">3.124 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde, in bouwwerken
                                    aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten
                                    aan het distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van
                                            de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                            gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 50 m.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het
                                    elektriciteitsnet</tussenkop><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=2.52">artikel 2.52 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde, in
                                    bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn
                                    aangesloten aan het openbare-distributienet voor
                                    elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 100 m.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</tussenkop><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=2.72">artikel 2.72 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde, in
                                    bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan
                                    het openbare-distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het aardgasdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 40 m.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><lijst><li nr="a."><al>woningen voor bejaarden;</al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                            m2;</al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het
                                            stadsverwarmingsnet.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                                    riolering</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003/article=3.36">3.36 van het Bouwbesluit</extref> bedoelde, in
                                            bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                                            afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel in of aan
                                            bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                                            hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-5-3-6-kwaliteit-en-dimensionering-van-de-buitenriolering-op-erven-en-terreinen">artikel 5.3.6</extref>, op een doeltreffende wijze
                                            zijn aangesloten aan een openbaar riool.</al></li><li nr="2."><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare
                                                  riolering aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40
                                                  m van een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt
                                                  geloosd;</al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                                  bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                                  voldoende ruime gier- of beerput aanwezig is.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering</tussenkop><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                                    gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                            met waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met
                                            een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten
                                            aanwezig zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische
                                            bedrijfsdoeleinden worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                            zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput
                                            zonder overstort, een doeltreffende gierput of een
                                            doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn,
                                            alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die
                                            toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige
                                            wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water,
                                            bodem of lucht kan optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede
                                            overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat
                                            geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                            optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen
                                            op een rottingput.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de
                                    buitenriolering op erven en terreinen</tussenkop><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn
                                    van overeenkomstige toepassing.</al><tussenkop> Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen
                                    van het openbare net van de nutsvoorzieningen</tussenkop><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs
                                    de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                                    worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het
                                    dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij
                                    moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                    bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk
                                gedierte.Reinheid</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5.4.1 Preventie</tussenkop><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6 Brandveilig gebruik</titel></kop><afdeling><kop><titel>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een
                                            gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een
                                            bouwwerk in gebruik te hebben of te houden, waarin: </al><lijst><li nr="a."><al>meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig
                                                  zullen zijn, anders dan in een één- of
                                                  meergezinshuis;</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan tien personen bedrijfsmatig of in
                                                  het kader van verzorging nachtverblijf zal worden
                                                  verschaft;</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan tien kinderen jonger dan twaalf
                                                  jaar, of aan meer dan tien lichamelijk en/of
                                                  verstandelijk gehandicapten dagverblijf zal worden
                                                  verschaft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de
                                            gebruiksvergunning slechts voorwaarden verbinden in het
                                            belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van
                                            brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en
                                            beperken van ongevallen bij brand</al></li><li nr="3."><al>Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit
                                            vereist op grond van een verandering van de inzichten
                                            en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten
                                            het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de
                                            vergunning, kunnen burgemeester en wethouders aan de
                                            vergunning nieuwe voorwaarden verbinden en gestelde
                                            voorwaarden wijzigen of intrekken.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden
                                            overgelegd als genoemd in bijlage 2 van deze
                                            verordening.</al></li><li nr="2."><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager
                                            gebruik maken van de door of namens burgemeester en
                                            wethouders vastgestelde formulieren. De bij deze
                                            aanvraag behorende gegevens en bescheiden moeten voldoen
                                            aan de eisen van de in het tweede lid genoemde
                                            bijlage.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in
                                            3-voud worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in
                                            het Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien
                                            zij betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein
                                            of op met elkaar samenhangende terreinen.</al></li><li nr="6."><al>De bij de aanvraag om gebruiksvergunning behorende
                                            bescheiden moeten door de aanvrager of diens gemachtigde
                                            worden ondertekend dan wel worden gewaarmerkt.</al></li><li nr="7."><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van
                                            een bestaande situatie, moeten uit de aanvraag en de
                                            daarbijbehorende bescheiden de bestaande en de nieuwe
                                            toestand duidelijk blijken.</al></li><li nr="8."><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en
                                            wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of
                                            uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is
                                            vermeld.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</tussenkop><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens artikel
                                        6.1.2 gestelde eisen, alsmede aan de eisen die
                                    gelden ingevolge de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=4%3A1">artikelen 4:1</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=4%3A2">4:2 van de Algemene wet bestuursrecht</extref>stellen
                                    burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid om de
                                    door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al><tussenkop> Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag
                                            voor een gebruiksvergunning binnen twaalf weken na
                                            ontvangst van de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor
                                            ten hoogste zes weken verdagen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede
                                            lid houden burgemeester en wethouders de beslissing aan
                                            indien: </al><lijst><li nr="a."><al>voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is
                                                  vereist en zij over die vergunning nog niet hebben
                                                  beslist;</al></li><li nr="b."><al>Voor hetzelfde bouwwerk een besluit tot
                                                  toepassing van bestuursdwang of het opleggen van
                                                  een last onder dwangsom dan wel een besluit
                                                  ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=13">artikel 13 van de Woningwet</extref> is genomen
                                                  wegens strijd met de voorschriften van het
                                                  bouwbesluit, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=1b">artikel 1b van de Woningwet</extref>, en deze
                                                  binnen de in het eerte lid vermelde termijn is
                                                  verzonden, doch aan dit besluit nog niet is
                                                  voldaan.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes
                                            weken nadat is beslist op een aanvraag om bouwvergunning
                                            als bedoeld onder letter a van het derde lid, dan wel
                                            nadat is voldaan aan het besluit als bedoeld onder
                                            letter b van het derde lid en burgemeester en wethouders
                                            hiervan in kennis zijn gesteld.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</tussenkop><al>Een gebruiksvergunning moet worden geweigerd indien een van de
                                    volgende omstandigheden zich voordoet:</al><al>a. de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van het bouwwerk
                                    kan in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht worden
                                    een brandveilig gebruik te zijn en door het stellen van
                                    voorwaarden kan geen voldoende brandveilig gebruik worden
                                    bereikt;</al><al>b. de bouwvergunning is geweigerd.</al><tussenkop> Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen een gebruiksvergunning
                                            intrekken indien: </al><lijst><li nr="a."><al>blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van
                                                  onjuiste of onvolledige gegevens hebben
                                                  verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de houder van de vergunning niet
                                                  heeft voldaan aan een voorwaarde van de
                                                  vergunning;</al></li><li nr="c."><al>van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt
                                                  binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van
                                                  de vergunning;</al></li><li nr="d."><al>van de vergunning gedurende een periode van 26
                                                  weken of langer geen gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="e."><al>het belang waarvoor de vergunning is verleend
                                                  dit vereist op grond van een verandering van de
                                                  inzichten en/of verandering van de omstandigheden
                                                  gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het
                                                  verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk
                                                  blijkt door het stellen of wijzigen van
                                                  voorwaarden dat belang voldoende te
                                                  beschermen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking
                                            dan nadat zij de houder van de vergunning hebben
                                            gehoord.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</tussenkop><al>In het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                                    gebruiksvergunning betrekking heeft moet deze vergunning
                                    aanwezig zijn, en moet op verzoek van degene die is belast met
                                    de zorg voor de naleving van dit hoofdstuk, ter inzage worden
                                    gegeven.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met
                                            de gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage
                                            3 bij deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het
                                            verboden een bouwwerk met uitzondering van de
                                            niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties te
                                            gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per
                                            onderwerp vermeld in bijlage 4 bij deze
                                            verordening.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In, op of nabij een bouwwerk is geen in bijlage 5
                                            aangewezen brandgevaarlijke stof aanwezig.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de in bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid
                                                  van de betreffende stoffen niet wordt
                                                  overschreden, met dien verstande dat de totale
                                                  toegestane hoeveelheid van de eerste zes rijen
                                                  honderd kilogram of liter is,</al></li><li nr="b."><al>de betreffende stof zodanig is verpakt </al><lijst><li nr="-"><al>dat de verpakking tegen normale behandeling
                                                  bestand is, en</al></li><li nr="-"><al>van de inhoud niets onvoorzien uit de
                                                  verpakking kan ontsnappen, en</al></li><li nr="-"><al>de betreffende stof wordt gebruikt met
                                                  inachtneming van de op de verpakking aangegeven
                                                  gevaarsaanduiding R- en S- zinnen.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="3."><al>het in het eerste lid gestelde is voorts niet van
                                            toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>de brandstof in het reservoir bij een
                                                  verbrandingsmotor;</al></li><li nr="b."><al>de brandstof in een verlichtings-, een
                                                  verwarmings, of een ander warmteontwikkelend
                                                  toestel;</al></li><li nr="c."><al>voor consumptie bestemde alcoholhoudende
                                                  dranken, en</al></li><li nr="d."><al>het aanwezig hebben van een grotere dan de in
                                                  bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van de
                                                  desbetreffende stof voor zover dat bij of
                                                  krachtens de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Milieubeheer%20">Wet Milieubeheer</extref>is toegestaan.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>bij het bepalen van de hoeveelheid als bedoeld in het
                                            tweede lid onder a, worden volledig meegerekend de
                                            inhoudsmaten van vaatwerk dat gedeeltelijk is gevuld met
                                            een vloeistof die in bijlage 5 als brandgevaarlijk is
                                            aangemerkt.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</tussenkop><al>Vervallen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van
                                ongevallen bij brand</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden
                                    bluswaterwinplaatsen</tussenkop><al> Vervallen</al><tussenkop> Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</tussenkop><al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te
                                    plaatsen of te hebben dat daardoor het onmiddellijk gebruik of
                                    de zichtbaarheid ervan wordt belemmerd van:</al><lijst><li nr="a."><al>middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij
                                            en bestrijding van brand;</al></li><li nr="b."><al>middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding
                                            van personen en dieren bij brand.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de
                                    brandveiligheid</tussenkop><al>Onverminderd het bepaalde in of krachtens de artikelen
                                        6.1.1 tot en met 6.3.2 is het verboden in, op of
                                    aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of
                                    stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te
                                    verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                    waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze
                                            rook, roet, walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="b."><al>brandgevaar wordt veroorzaakt;</al></li><li nr="c."><al>vluchten.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover
                                    het betreft hinder, terzake waarvan de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Milieubeheer%20">Wet Milieubeheer</extref> of enige in deze wet genoemde wet
                                    van toepassing is.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7 Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><afdeling><kop><titel>Paragraaf 1 Overbevolking</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</tussenkop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat
                                    een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2
                                    gebruiksoppervlakte.</al><tussenkop> Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en
                                    woonketen</tussenkop><al>Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te
                                    bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk
                                    een woonkeet wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                                    gebruiksoppervlakte.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</tussenkop><al>Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of
                                    terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens
                                    burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk
                                    is in verband met:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen
                                            bouwwerk.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid
                                    en gebrek aan hygiëne</tussenkop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen
                                    het afgesloten zijn - van de ingevolge het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit%202003">Bouwbesluit</extref> verplicht aanwezige voorzieningen tot
                                    het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken over
                                    drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het
                                    kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een
                                    onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is,
                                    kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik van het
                                    bouwwerk te staken.</al><tussenkop> Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een
                                    woonwagen</tussenkop><al>Indien in een besluit op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=13">artikel 13 van de Woningwet</extref> is bepaald dat het
                                    gebruik van een gebouw op of behorende bij een standplaats moet
                                    worden gestaakt en dientengevolge essentiële voorzieningen ten
                                    dienste van het bewonen van een woonwagen buiten gebruik zijn
                                    gesteld, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik
                                    van de woonwagen te staken gedurende de periode dat bedoelde
                                    voorzieningen niet functioneren.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                                terreinen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 7.3.1 (Vervallen)</tussenkop><al>Zie toelichting.</al><tussenkop> Artikel 7.3.2 Hinder</tussenkop><al>Het is verboden in, op, of aan een bouwwerk, of op een open erf
                                    of terrein, voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te
                                    hebben, handelingen te verrichten of na te laten, of werktuigen
                                    te gebruiken, waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de
                                            gebruikers van het bouwwerk, het open erf of
                                            terrein;</al></li><li nr="b."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze
                                            stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt
                                            verspreid of overlast wordt veroorzaakt door: geluid en
                                            trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of
                                            door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door
                                            verontreiniging van het bouwwerk, open erf of
                                            terrein;</al></li><li nr="c."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt
                                            veroorzaakt;</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande indien en voor zover het
                                    betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer%20">Wet milieubeheer</extref> of enige in deze wet genoemde
                                    milieuwet van toepassing is.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                Reinheid</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 7.4.1 Preventie</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                            geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                            bevindt.</al></li><li nr="2."><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te
                                            worden bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte
                                            hierdoor niet wordt aangetrokken.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 5 Watergebruik</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</tussenkop><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door burgemeester
                                    en wethouders schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk
                                    wordt geacht, te gebruiken. </al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 6 Installaties</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</tussenkop><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit
                                    en/of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten
                                    in een goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd
                                    gebruik kan worden gemaakt. </al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>8 Slopen</titel></kop><afdeling><kop><titel>Paragraaf 1 Sloopvergunning</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 8.1.1 Sloopvergunning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens
                                            daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van
                                            een vergunning van burgemeester en wethouders
                                            (sloopvergunning).</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist
                                            indien naar redelijke schatting de hoeveelheid
                                            sloopafval niet meer zal bedragen dan 10 m3, tenzij het
                                            slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts
                                            is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een
                                            besluit op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=13">artikel 13 van de Woningwet</extref>, dan wel een
                                            besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging
                                            van een last onder dwangsom. Burgemeester en wethouders
                                            kunnen aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld
                                            in het derde lid.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders verbinden aan de
                                            sloopvergunning slechts voorschriften over: </al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden
                                                  houden van het sloopafval, ten minste inhoudende
                                                  een scheiding in een fractie asbest, een fractie
                                                  gevaarlijk afval en een fractie overig afval;</al></li><li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden
                                                  overleggen van de gegevens als bedoeld in <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-8-1-2-aanvraag-sloopvergunning">artikel 8.1.2, tweede lid, letter c</extref>,
                                                  voor zover deze gegevens niet reeds zijn
                                                  overgelegd.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval als bedoeld in het
                                            derde lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent
                                            het selectief slopen, de fracties waarin wordt
                                            gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein en
                                            het in fracties gescheiden verpakken van het sloopafval
                                            op het sloopterrein. Burgemeester en wethouders
                                            verbinden aan de sloopvergunning met betrekking tot
                                            asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken
                                            daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de
                                            termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al></li><li nr="5."><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt
                                            niet indien in een tijdelijke bouwvergunning voor een
                                            seizoensgebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld
                                            over het slopen van het tijdelijke bouwwerk als bedoeld
                                            in het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=45">zesde lid van artikel 45 van de
                                            Woningwet</extref>.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager
                                            gebruik maken van een door of vanwege burgemeester en
                                            wethouders vastgesteld formulier.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag moet inhouden: </al><lijst><li nr="a."><al>correspondentieadres van de aanvrager in
                                                  Nederland;</al></li><li nr="b."><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam
                                                  en adres;</al></li><li nr="c."><al>naam en adres van degene, die met het slopen zal
                                                  worden belast;</al></li><li nr="d."><al>de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop
                                                  zich het te slopen bouwwerk bevindt en het
                                                  huisnummer van het bouwwerk. Indien de
                                                  sloopwerkzaamheden bestaan uit asbestverwijdering
                                                  van meer dan één bouwwerk in het kader van
                                                  hetzelfde project, wordt een lijst met bedoelde
                                                  kadastrale aanduidingen en huisnummers van de
                                                  desbetreffende bouwwerken bijgevoegd, welke lijst
                                                  ingevolge het negende lid is gewaarmerkt;</al></li><li nr="e."><al>een exacte aanduiding van het gedeelte van een
                                                  bouwwerk waarop de sloopwerkzaamheden betrekking
                                                  hebben, indien niet het gehele bouwwerk wordt
                                                  gesloopt;</al></li><li nr="f."><al>het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te
                                                  slopen gedeelte van het bouwwerk laatstelijk is
                                                  gebezigd;</al></li><li nr="g."><al>mededeling of een bouwvergunning is of zal
                                                  worden aangevraagd voor een op het perceel van het
                                                  te slopen bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van
                                                  het bouwwerk op te richten of te veranderen of uit
                                                  te breiden bouwwerk;</al></li><li nr="h."><al>een beschrijving van de wijze waarop het slopen
                                                  zal plaatsvinden;</al></li><li nr=""><al>en voorts, indien van toepassing:</al></li><li nr="i."><al>het sloopveiligheidsplan.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te
                                            slopen bouwwerk asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed
                                            aanwezig te zijn indien bij de aanvraag een van de
                                            volgende gegevens wordt overgelegd: </al><lijst><li nr="a."><al>een afschrift van het
                                                  asbestinventarisatierapport, uitgevoerd door een
                                                  deskundig asbestonderzoeksbedrijf, waaruit blijkt
                                                  dat er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk
                                                  bevindt;</al></li><li nr="b."><al>een asbestonderzoeksrapport opgesteld voor ...
                                                  (= datum van verwerking in de gemeentelijke
                                                  bouwverordening van de vierde serie wijzigingen
                                                  van de Model bouwverordening d.d. 1 juli 1997) dat
                                                  voldoet aan de eisen in BRL 5052, uitgave 1998,
                                                  waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te
                                                  slopen bouwwerk bevindt; indien het bedoelde
                                                  asbestonderzoeksrapport is opgesteld voor 1 juli
                                                  1993, dient tevens een schriftelijke verklaring
                                                  van de aanvrager te worden overgelegd dat er geen
                                                  veranderingen van het te slopen bouwwerk hebben
                                                  plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen
                                                  zijn toegepast;</al></li><li nr="c."><al>een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen
                                                  bouwwerk is gebouwd na 1januari 1994;</al></li><li nr="d."><al>bij woningen of naar bouwconstructie of
                                                  materiaaltoepassing vergelijkbare, niet tot
                                                  bewoning bestemde bouwwerken en bijgebouwen: een
                                                  schriftelijke verklaring van de bouwer van het te
                                                  slopen bouwwerk dat hij hierin geen asbest heeft
                                                  toegepast, alsmede een schriftelijke verklaring
                                                  van de aanvrager dat er sinds het tijdstip van de
                                                  bouw geen veranderingen hebben plaatsgevonden,
                                                  waarbij asbesthoudende materialen zijn
                                                  toegepast;</al></li><li nr="e."><al>bij sloop van bepaalde materialen: een
                                                  schriftelijke verklaring van de fabrikant of de
                                                  leverancier dat het te slopen materiaal geen
                                                  asbest bevat, alsmede een schriftelijke verklaring
                                                  van de aanvrager dat het materiaal van deze
                                                  fabrikant of leverancier afkomstig is;</al></li><li nr=""><al>Indien geen van bovenvermelde gegevens bij de
                                                  aanvraag wordt overgelegd, wordt vermoed dat het
                                                  bouwwerk asbest bevat, tenzij de aanvrager in
                                                  vergelijkbare situaties andere gegevens verstrekt
                                                  die dit vermoeden naar het oordeel van
                                                  burgemeester en wethouders voldoende
                                                  weerleggen.</al></li></lijst></li><li nr=" 4."><al>Indien –gelet op het derde lid- vermoed wordt dat het
                                            bouwwerk asbest bevat of de aanvrager weet of kan
                                            redelijkerwijs weten dat zich in het bouwwerk asbest
                                            bevindt, wordt met een asbestinventarisatierapport van
                                            een deskundig bedrijf aangetoond of dit juist is, en zo
                                            ja, waar dit asbest zich bevindt. Indien geen
                                            asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf
                                            wordt overgelegd waaruit blijkt of asbest aanwezig is,
                                            en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Aan deze eis
                                            wordt geacht te zijn voldaan indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de aanvraag om sloopvergunning uitsluitend
                                                  betrekking heeft op het verwijderen van asbest op
                                                  in de aanvraag aangeduide plaatsen, of</al></li><li nr="b."><al>een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid
                                                  3, onder b bij de aanvraag is gevoegd.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten
                                            valt dat een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen
                                            gedeelte van een bouwwerk is verontreinigd met de als
                                            gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van
                                            de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                            afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr.
                                            159, blz. 9), dient een onderzoek te worden ingesteld
                                            naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het
                                            rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag
                                            om sloopvergunning worden gevoegd.</al></li><li nr="6."><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in
                                            3 voud worden ingediend.</al></li><li nr="7."><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in
                                            het Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="8."><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien
                                            zij betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein
                                            of op met elkaar samenhangende terreinen dan wel indien
                                            zij betrekking heeft op asbestverwijdering van meer dan
                                            één bouwwerk in het kader van hetzelfde project.</al></li><li nr="9."><al>De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende
                                            bescheiden moeten door de aanvrager of diens gemachtigde
                                            ondertekend dan wel gewaarmerkt worden.</al></li><li nr="10."><al>Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een
                                            bouwwerk betreft, moeten uit de aanvraag en de
                                            daarbijbehorende bescheiden de bestaande en de nieuwe
                                            toestand duidelijk blijken.</al></li><li nr="11."><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en
                                            wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of
                                            uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is
                                            vermeld.</al></li><li nr="12."><al>Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding
                                            van het voornemen tot slopen voor zover dit slopen
                                            betrekking heeft op asbest.</al></li><li nr="13."><al>Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden
                                            waarvoor geen sloopvergunning is vereist wordt, voor
                                            zover dit slopen betrekking heeft op asbest, aangemerkt
                                            als melding als bedoeld in <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-8-2-1-sloopmelding">artikel 8.2.1</extref>.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan
                                            de bij of krachtens <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-8-1-2-aanvraag-sloopvergunning">artikel 8.1.2</extref> gestelde eisen, alsmede de
                                            eisen die gelden ingevolge de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=4%3A1">artikelen 4:1</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=4%3A2">4:2 van de Algemene wet bestuursrecht</extref>
                                            stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in de
                                            gelegenheid de door hen aan te geven ontbrekende
                                            gegevens over te leggen binnen een door hem te stellen
                                            termijn.</al></li><li nr="2."><al>Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de
                                            gegevens als bedoeld in <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-8-1-2-aanvraag-sloopvergunning">artikel 8.1.2, tweede lid, letter c</extref>.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag
                                            om sloopvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van
                                            de aanvraag. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten
                                            hoogste zes weken verdagen. Een afschrift van hun
                                            besluit tot verdaging zenden zij zo spoedig mogelijk aan
                                            de aanvrager.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid
                                            beslissen burgemeester en wethouders over een aanvraag
                                            om sloopvergunning binnen vier weken na de dag waarop de
                                            aanvraag om een sloopvergunning is ingediend, indien het
                                            slopen uitsluitend is bedoeld om asbest of
                                            asbesthoudende producten uit een bouwwerk te
                                            verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede
                                            lid houden burgemeester en wethouders de beslissing aan
                                            indien een vergunning krachtens <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=11">artikel 11</extref> of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=37">artikel 37 van de Monumentenwet 1988</extref>, een
                                            provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening,
                                            een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de
                                            stads- en dorpsvernieuwing, of een aanlegvergunning voor
                                            het slopen is vereist en omtrent die vergunning(en) nog
                                            niet is beslist. De aanhouding eindigt zes weken na
                                            bedoelde beslissing. Bij samenloop van vergunningen
                                            wordt uitgegaan van de datum van de laatstgenomen
                                            beslissing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op
                                            sloopwerkzaamheden in het kader van het vernieuwen, het
                                            veranderen of het vergroten van een bouwwerk waarvoor
                                            tevens een bouwvergunning is aangevraagd, kan bij de
                                            aanvraag om sloopvergunning þ voor zover voor beide
                                            aanvragen dezelfde bescheiden en gegevens worden
                                            verlangd þ worden verwezen naar die bescheiden en
                                            gegevens die zijn ingediend bij de aanvraag om
                                            bouwvergunning en behoeven dezelfde bescheiden niet
                                            nogmaals te worden ingediend.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-8-1-4-termijn-van-beslissing">artikel 8.1.4</extref> volgt de beslissing op de
                                            aanvraag om sloopvergunning de procedure van de
                                            beslissing op de aanvraag om bouwvergunning in het geval
                                            dat beide aanvragen gelijktijdig zijn ingediend.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</tussenkop><al>Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is
                                            gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften
                                            niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband
                                            met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door
                                            het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil
                                            kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>een vergunning ingevolge de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> of een provinciale of
                                            een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en
                                            deze niet is verleend;</al></li><li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op
                                            grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20stads-%20en%20dorpsvernieuwing">Wet op de stads- en dorpsvernieuwing</extref> is
                                            vereist en deze niet is verleend;</al></li><li nr="e."><al>een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of
                                            op grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en
                                            deze niet is verleend.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning
                                            intrekken indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van
                                                  onjuiste of onvolledige opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van
                                                  de sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden
                                                  is gemaakt;</al></li><li nr="c"><al>.tussen het begin en het einde van de
                                                  sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan
                                                  een aaneengesloten periode van 26 weken
                                                  stilliggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking
                                            dan nadat zij de houder van de vergunning hebben
                                            gehoord.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van
                                sloopvergunning</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 8.2.1 Sloopmelding</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-8-1-1-sloopvergunning">artikel 8.1.1, eerste lid</extref>, is geen
                                            sloopvergunning vereist voor het anders danin de
                                            uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel
                                            slopen van: </al><lijst><li nr="a."><al>geschroefde, asbesthoudende platen waarin de
                                                  asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde
                                                  dakleien, uit een woning of uit een op het erf van
                                                  die woning staand bijgebouw, voorzover de woning
                                                  of het bijgebouw niet in het kader van de
                                                  uitoefening van een beroep of bedrijf worden
                                                  gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader
                                                  en de oppervlakte van de te verwijderen
                                                  asbestplaten maximaal vijfendertig vierkante meter
                                                  per kadastraal perceel bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde,
                                                  asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of
                                                  uit een op het erf van die woning staand
                                                  bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw
                                                  niet in het kader van de uitoefening van een
                                                  beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn
                                                  voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de
                                                  te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of
                                                  vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter
                                                  per kadastraal perceel bedraagt;</al></li><li nr=""><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeldbij
                                                  burgemeester en wethouders en door burgemeester en
                                                  wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit
                                                  is gemeld is medegedeeld dat geen sloopvergunning
                                                  is vereist.</al></li><li nr=""><al>Met een woning wordt gelijk gesteld een
                                                  woonkeet, woonwagen of logiesverblijf.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid
                                            moet worden gemeld met gebruikmaking van een door of
                                            namens burgemeester en wethouders vastgesteld
                                            formulier.</al></li><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                            4-voud worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                            het Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het
                                            adres, de aard en het gebruik van het bouwwerk.</al></li><li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of
                                            namens burgemeester en wethouders een bewijs van
                                            ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van
                                            ontvangst is vermeld.</al></li><li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid
                                            bedoelde mededeling niet binnen de aldaar gestelde
                                            termijn hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege
                                            gedaan.</al></li><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als
                                            bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met
                                            betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van
                                            asbest.</al></li><li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste
                                            of het tweede lid is verplicht het gestelde in een door
                                            de minister van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening
                                            en milieubeheer uitgegeven publikatie ter zake van het
                                            slopen van asbest bevattende vloerbedekking in acht te
                                            nemen. Voorts is de houder verplicht de voorschriften,
                                            bedoeld in het achtste lid alsmede de voorschriften die
                                            bij of krachtens de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Asbestverwijderingsbesluit%202005/article=7">artikelen 7</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Asbestverwijderingsbesluit%202005/article=8">8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005</extref>
                                            zijn gesteld, in acht te nemen.</al></li><li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest
                                            door sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al></li><li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het
                                            eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel
                                            gestelde eisen, stellen burgemeester en wethouders
                                            degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid om
                                            binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende
                                            gegevens over te leggen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                    sloopvergunning</tussenkop><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                    sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat
                                    betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het
                                    kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of
                                    gedeeltelijk verwijderen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                            constructie van kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem- en frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                            verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat
                                            lager is dan 2250 kilowatt.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</tussenkop><al>Het bepaalde in de artikelen
                                        4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige
                                    toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al><tussenkop> Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                                    bescheiden</tussenkop><al>Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of een besluit tot
                                    toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                                    dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het
                                    bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al><tussenkop> Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de
                                    sloopvergunning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor
                                            zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een
                                            deskundig bedrijf.</al></li><li nr="2."><al>De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van
                                            de vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf
                                            dat het slopen krachtens aanneming van werk zal
                                            uitvoeren.</al></li><li nr="3."><al>De houder van de sloopvergunning stelt tenminste één
                                            week voorafgaande aan de aanvraag van het slopen,
                                            burgemeester en wethouders schriftelijk op de hoogte van
                                            de data en tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat
                                            betrekking heeft op asbest, zal plaatsvinden.</al></li><li nr="4."><al>de houden van de sloopvergunning stuurt binnen twee
                                            weken na de uitvoering van de werkzaamheden burgemeester
                                            en wethouders een afschrift van de resultaten van de
                                            eindbeoordeling bedoeld in artikel 9, eerste lid van het
                                            Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</tussenkop><lijst><li nr="1. Indien"><al>wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is
                                            verleend voor het slopen van asbest en tijdens het
                                            slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt
                                            verplicht hiervan terstond melding te doen aan het bouw-
                                            en woningtoezicht.</al></li><li nr="2."><al> Aan het bouwtoezicht dient ten minste twee dagen van
                                            tevoren de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden
                                            gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de
                                            sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden.
                                            Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde
                                            meldingen schriftelijk geschieden.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                                    asbest</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in
                                            een bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat
                                            het bouwwerk wordt gesloopt.</al></li><li nr="2."><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste
                                            bestaande technieken worden toegepast om verontreiniging
                                            van het milieu met asbest te voorkomen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                                    tuinbouwkassen</tussenkop><al>vervallen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Paragraaf 4 Vrij slopen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                            vergunning krachtens <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-8-1-1-sloopvergunning">artikel 8.1.1</extref>, noch een melding krachtens
                                                <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-8-2-1-sloopmelding">artikel 8.2.1</extref> is vereist, dient ten minste
                                            te worden gescheiden in de navolgende fracties: </al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                                                  hoofdstuk 17 van de afvalstoffenlijst behorende
                                                  bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL;
                                                  Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9).</al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van
                                                  gips;</al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="e."><al>asfalt;</al></li><li nr="f."><al>dakgrind;</al></li><li nr="g."><al>overig afval.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder
                                            g, en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a
                                            tot en met f, moeten op het sloopterrein gescheiden
                                            worden gehouden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9 Welstand</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is
                                        opgedragen aan de stichting Drents Plateau die uit haar
                                        midden personen voordraagt als lid van de
                                        welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen; de
                                        welstandscommissie.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten
                                        van aanvragen voor regulier vergunningplichtige en
                                        licht-vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=44">artikel 44, eerste lid onder d</extref> respectievelijk
                                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=44">artikel 44, derde lid</extref> juncto <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=44">eerste lid onder d van de Woningwet</extref>.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de
                                        welstandsnota genoemde welstandscriteria.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat uit ten minste vijf leden,
                                        waaronder een voorzitter en een secretaris, waarvan ten
                                        minste dire leden deskundig zijn op het gebied van
                                        architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel
                                        cultuurhistorie.</al></li><li nr="2."><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien
                                        ten minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste
                                        twee leden beschikken over deskundigheid op het gebied van
                                        welstand.</al></li><li nr="4."><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                        gemeentebestuur.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                                        welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op
                                        voorstel van de burgemeester en wethouders benoemd en
                                        ontslagen door de gemeenteraad.</al></li><li nr="2."><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor
                                        een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal
                                        worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie
                                        jaar.</al></li><li nr="3."><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als
                                        bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen
                                        het gestelde in de voorgaande leden, nadere
                                        benoemingsprocedures.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><structuurtekst><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                                werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde
                                komt;</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de
                                        welstandscriteria uit de welstandsnota;</al></li><li nr="-"><al>de werkwijze van de welstandscommissie;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                        vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="-"><al>de bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                                aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het
                                algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                                bijzonder.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 9.5 Termijn van advisering</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om
                                        een lichte bouwvergunning uit binnen drie weken nadat door
                                        of namens burgemeester en wethouders daarom is
                                        verzocht.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om
                                        een reguliere bouwvergunning uit binnen zes weken nadat door
                                        of namens burgemeester en wethouders daarom is
                                        verzocht.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om
                                        een reguliere bouwvergunning eerste fase uit binnen drie
                                        weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom
                                        is verzocht.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies
                                        de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                        bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het
                                        uitbrenegn van het welstandsadvies. Een langere termijn kan
                                        door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de
                                        termijn van afdoening van de aanvraag om: </al><lijst><li nr="a."><al>een lichte bouwvergunning langer is dan de in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=46">artikel 46, eerste lid, sub a van de
                                                  Woningwet</extref> bedoelde termijn van zes
                                                weken.</al></li><li nr="b."><al>een reguliere bouwvergunning langer is dan de in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=46">artikel 46, eerste lid, sub b van de
                                                  Woningwet</extref> bedoelde termijn van twaalf
                                                weken.</al></li><li nr="c."><al>Een bouwvergunning eerste fase langer is dan de in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=46">artikel 46, eerste lid, sub c van de
                                                  Woningwet</extref> bedoelde termijn van zes weken.
                                            </al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondlinge
                                toelichting</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                        openbaar. De agenda voor de vergadering van de
                                        welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van
                                        overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                                        huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.
                                        Indien burgemeester en wethouders –al dan niet op verzoek
                                        van de aanvrager- een verzoek doen tot niet-openbare
                                        behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan
                                        klemmende redenen op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20openbaarheid%20van%20bestuur/article=10">artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur</extref>
                                        ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                        beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het
                                        indienen van de aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht,
                                        wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat
                                        gesteld tot het geven van een toelichting op het
                                        bouwplan.</al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de
                                        commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van
                                        een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de
                                        bouwvergunning een uitnodiging te ontvangen voor de
                                        vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt
                                        behandeld.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het
                                        reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage
                                        9 bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in een
                                        procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt
                                        aangebracht in de toelichtende fase en de
                                        beraadslagingen.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om
                                        advies voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als
                                        bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=44">artikel 44, eerste lid onder d van de
                                            Woningwet</extref> mandateren aan een of meerdere
                                        daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter
                                        en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens
                                        hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag
                                        worden verondersteld.</al></li><li nr="2."><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan
                                        als bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de
                                        welstandscommissie.</al></li><li nr="3."><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar.
                                        Indien burgemeester en wethouders –al dan niet op verzoek
                                        van de aanvrager- een verzoek doen tot niet-openbare
                                        behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan
                                        klemmende redenen op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20openbaarheid%20van%20bestuur/article=10">artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur</extref>
                                        ten grondslag te leggen.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beoordeling of een
                                        bouwplan voor een licht-vergunningplichtig bouwwerk niet in
                                        strijd is met redelijke eisen van welstand mandateren aan
                                        een door hen aan te wijzen ambtenaar, indien in de
                                        welstandsnota voor de vesrchillende categorieën
                                        licht-vergunningplichtige bouwwerken toetsingscriteria zijn
                                        opgenomen.</al></li><li nr="5."><al>In het geval het bouwplan als bedoeld in het vorige lid niet
                                        voldoet aan de betreffende welstandscriteria, leggen
                                        burgemeester en wethouders het bouwplan alsnog voor aan de
                                        wlestandscommisssie.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel> Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                        schriftelijk.</al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                        burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                        bouwvergunning.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                                standplaatsen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Indien de raad op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=12">artikel 12 van de Woningwet</extref> het voornemen
                                        heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken
                                        of standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt
                                        de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat: </al><lijst><li nr="a."><al>Op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="b."><al>Het advies van de welstandscommissie is
                                                ingewonnen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de
                                        wijze voorzien in de krachtens <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=150">artikel 150 Gemeentewet</extref> vastgestelde
                                        verordening.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10 Overige administratieve bepalingen</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><structuurtekst><al>Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=60">artikel 60 van de Woningwet</extref> moeten worden vermeld de
                                plaats en de aard van het gebouw en het doel waarvoor het
                                laatstelijk is gebruikt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een
                                ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><structuurtekst><al>vervallen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</titel></kop><structuurtekst><al>Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning,
                                de bouwvergunning eerste fase, de woonvergunning als bedoeld in
                                    <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=60">artikel 60 van de Woningwet</extref>, de gebruiksvergunning als
                                bedoeld in artikel 6.1.1 dan wel de sloopvergunning als bedoeld
                                in artikel
                                    8.1.1 op aanvraag van zijn rechtverkrijgende
                                overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens naam de
                                vergunning is gesteld. </al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen
                                en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en
                                andere voorschriften</titel></kop><structuurtekst><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de
                                herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen,
                                praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze
                                verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen -
                                wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm,
                                voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of
                                vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. </al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11 Handhaving</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot
                                ingebruikneming</titel></kop><structuurtekst><al> Vervallen </al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen </al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen </al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 12.1 Strafbare feiten</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing, gebruiksvergunning of
                                toestemming anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop
                                deze wijzigingsverordening van kracht wordt en waarop op genoemd
                                tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de
                                bouwverordening van toepassing, zoals die luidden vóór de
                                onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft
                                dat de gewijzigde bepalingen dienen te worden toegepast.</al><al>Het bovenstaande is slechts van toepassing voorzover deze bepalingen
                                in overeenstemming zijn met de Wet tot wijziging van de Woningwet en
                                enkele andere wetten (verbetering naleving, handhaafbaarheid en
                                handhaving bouwregelgeving) (Wet van 21 december 2006, Stb. 2007,
                                27)</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 12.6 Slotbepaling</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening is in werking getreden op 6 juni 2007.</al></li><li nr="2."><al>De verordening is gewijzigd bij raadsbesluit van 28 november
                                        2007 waar het de artikelen 2.7.4 en 2.7.5 betreft;</al></li><li nr="3."><al>De gewijzigde artikelen treden in werking op 13 december
                                        2007</al></li><li nr="4."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen de
                                        artikelen 2.7.4 en 2.7.5 zoals die laatstelijk zijn
                                        vastgesteld op 6 juni 2007;</al></li><li nr="5."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'bouwverordening
                                        gemeente Aa en Hunze’.</al></li></lijst><al><extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/files/Bijlagen%20Bouwverordening.pdf">Bijlagen Bouwverordening.pdf (versie geldig sinds: 20-01-2009;
                                    PDF-bestand; grootte: 397.39 KB)</extref></al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>