<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR1349_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Besluit Individuele maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bergen (NH)</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bergen (NH)</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Duinstreek, 26-03-2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Besluit Individuele maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Verordening Individuele maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen 2008</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Bij inwerkingtreding van dit Besluit vervalt het Besluit Individuele maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen 2007 als vastgesteld bij besluit van 22 augustus 2006.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Besluit Individuele maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>Het college van de gemeente Bergen;</al><al>gelezen het voorstel van de afdeling Welzijn d.d. 20 november 2007;</al><al>gelet op het bepaalde in de Verordening Individuele maatschappelijke
                        ondersteuning gemeente Bergen 2008;</al><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al>vast te stellen het <vet>Besluit Individuele maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Bergen </vet><vet>2008</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Bijzondere regels over het persoonsgebonden
                            budget.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Regels rond verstrekking en
                                verantwoording.</titel></kop><lid><lidnr>1.1.</lidnr><al>Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm
                                van een persoonsgebonden budget (pgb) vindt plaats op verzoek van de
                                aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>1.2.1.</lidnr><al>Verstrekking van een persoonsgebonden budget aan een aanvrager vindt
                                niet plaats indien op grond van aanwijzingen die tijdens het
                                onderzoek duidelijk zijn geworden, het ernstige vermoeden bestaat
                                dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een
                                persoonsgebonden budget. Hiervan is in ieder geval sprake als de
                                aanvrager:</al><lijst><li nr="a."><al>Verslaafd is in combinatie met financiële problemen;</al><lijst><li nr="a."><al>Ernstige schuldenlast heeft en problemen bij
                                                afbetalingen;</al></li><li nr="b."><al>Een zwervend bestaan leidt;</al></li><li nr="c."><al>Eerder is gebleken dat met een persoonsgebonden
                                                budget adequate compensatie niet wordt
                                                gerealiseerd.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>1.2.2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, kan aan een
                                gemachtigde van de aanvrager een pgb verstrekt worden, waarbij de
                                gemachtigde optreedt als budgethouder.</al></lid><lid><lidnr>1.3.</lidnr><al>In gevallen dat op grond van de aard van de aandoening aannemelijk
                                kan worden gemaakt dat een gekochte voorziening geen
                                goedkoopste/adequate voorziening biedt voor de afschrijvingsperiode
                                van de voorziening, kan het college vaststellen dat alleen een
                                gehuurde voorziening adequaat is.</al></lid><lid><lidnr>1.4.</lidnr><al>Een sportrolstoel wordt uitsluitend verstrekt als financiële
                                bijdrage. Het bedrag van dit persoonsgebondenbudget bedraagt €
                                2273,-, welk bedrag bedoeld is als tegemoetkoming in aanschaf en
                                onderhoud van een sportrolstoel voor een periode van drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>1.5.</lidnr><al>De verantwoording van het persoonsgebonden budget door de
                                budgethouder aan het college vindt steekproefsgewijs plaats, waarbij
                                de steekproef minimaal een omvang heeft van 5% van de verstrekte
                                persoonsgebonden budgetten, na afloop van de verstrekking dan wel na
                                afloop van enig kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>1.6.</lidnr><al>Bij bestedingen uit het persoonsgebonden budget moeten, voor
                                minimaal 75% van de uitgaven, de volgende bewijsstukken worden
                                bewaard tot minimaal het einde van het jaar volgend op het jaar van
                                besteding:</al><lijst><li nr="a."><al>de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Hulp bij het huishouden.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Vaststellen aantal uren hulp bij het
                                huishouden in uren of klassen.</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Indien de aanvrager in staat is de regie over de eigen huishouding
                                te voeren wordt de omvang van de hulp bij het huishouden vastgesteld
                                in een aantal uren, tenzij er redenen zijn om te verwachten dat
                                behoefte aan hulp sterk zal fluctueren;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Indien de voorziening wordt toegekend in de vorm van een
                                persoonsgebonden budget wordt de omvang van de hulp bij het
                                huishouden vastgesteld in een aantal uren;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>In alle andere gevallen wordt de omvang van de hulp bij het
                                huishouden vastgesteld in klassen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>De combinatie klassen en uren wordt niet toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Vaststelling bedrag persoonsgebonden budget
                                hulp bij het huishouden.</titel></kop><al>De vaststelling van een persoonsgebonden budget vindt ten aanzien van
                            hulp in de huishouding als volgt plaats:</al><lijst><li nr="1."><al>Indien de aanvrager zelf de regie op de huishouding kan voeren,
                                    wordt een bedrag per uur beschikbaar gesteld van <vet>€
                                        14,00</vet>;</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager zelf de regie op het huishouden niet kan
                                    voeren, wordt een bedrag per uur beschikbaar gesteld van <vet>€
                                        22,00</vet>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Tijdelijke voorziening: respijtzorg.</titel></kop><lid><lidnr>4.1</lidnr><al>Respijtzorg kan op de volgende manieren worden verleend als
                                eenmalige verstrekking voor een duur van enkele uren of een
                                periode.</al></lid><lid><lidnr>4.2</lidnr><al>Bij de verstrekking van respijtzorg gelden de regels voor hulp bij
                                het huishouden, behalve:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Als de duur niet langer is dan 50 uur, is er geen onderzoek nodig,
                                wel een indicatiestelling;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Als de nodige zorg voor het grootste deel wordt uitgevoerd door
                                mantelzorg, wordt geen eigen bijdrage in rekening gebracht voor de
                                tijdelijke zorg;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>De beleidsregel gebruikelijke zorg is niet van toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Woonvoorzieningen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr></kop><lid><lidnr>5.1 .</lidnr><al>De financiële bijdrage van de gemeente of het persoonsgebonden
                                budget, zoals bedoeld in artikel 4 van de Verordening individuele
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente bergen 2008, die wordt
                                verstrekt om een woningaanpassing mogelijk te maken, wordt
                                vastgesteld op basis van de door het college geaccepteerde
                                offerte.</al></lid><lid><lidnr>5.2</lidnr><al>Het in artikel 20 van de van de Verordening individuele
                                maatschappelijke ondersteuning bergen 2008 genoemde
                                afschrijvingsschema luidt als volgt: als afschrijving wordt
                                uitgegaan van 10% over maximaal 10 jaar.</al></lid><lid><lidnr>5.3.</lidnr><al>Het bedrag voor de verhuiskostenvergoeding als genoemd in artikel 15
                                sub b. van de Verordening individuele maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Bergen 2008 is afhankelijk van:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal kamers van de nieuw te betrekken woning:</al><al>€ 1.185,00 bij 1 of 2 kamers;</al></li></lijst><al>€ 1.420,00 bij 3 kamers;</al><al>€ 1.595,00 bij 4 kamers;</al><al>€ 1.860,00 bij 5 kamers of meer.</al><lijst><li nr="b."><al>de kosten van transport.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.4</lidnr><al>Het bedrag dat als maximum verstrekt wordt bij het bezoekbaar maken
                                als genoemd in artikel 18 lid 4 van de Verordening individuele
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen 2008 bedraagt €
                                2.500,00</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Het zich lokaal verplaatsen per
                            vervoermiddel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr></kop><al>Het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen wordt vastgesteld
                            op basis van de tegenwaarde van de huurprijs of koopprijs van de
                            goedkoopst-adequate voorziening, inclusief onderhoud, WAM-verzekering en
                            reparatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr></kop><al>Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een (eigen)
                            auto, een taxi of een rolstoeltaxi bedraagt voor bewoners van een
                            intramurale AWBZ-instelling € 429,84, voor zelfstandig wonenden bedraagt
                            dit bedrag € 429,84.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Verplaatsen in en rond de woning.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr></kop><al>Het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen wordt vastgesteld
                            op basis van de tegenwaarde van de huur- of koopprijs inclusief van de
                            goedkoopste/adequate voorziening, inclusief onderhoud, WAM-verzekering
                            en reparatie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Advisering, samenhangende afstemming en
                            overgangsbepaling.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Samenhangende afstemming.</titel></kop><lid><lidnr>9.1</lidnr><al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te
                                stemmen op de situatie van de aanvrager wordt bij het onderzoek
                                inzake het advies ex artikel 29 van de Verordening individuele
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen 2008 - indien van
                                toepassing - aandacht besteed aan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de algemene gezondheidstoestand van de aanvrager;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de beperkingen die de aanvrager in zijn functioneren
                                ondervindt;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de woning en de woonomgeving van de aanvrager;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de psychisch en sociaal functioneren van de aanvrager;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de sociale omstandigheden van de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>9.2</lidnr><al>Bij de besluitvorming en de motivering van het besluit wordt door
                                het college aangesloten bij de bevindingen van het onderzoek als
                                bedoeld in artikel 9.1.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overgangsbepaling.</titel></kop><al>Aanvragers van hulp bij het huishouden die een (her)indicatie nodig
                            hebben omdat de oude indicatie afloopt, behouden recht op zorg volgens
                            de verlopen indicatie tot de gemeente een beschikking heeft afgegeven
                            over de aanvraag voor hulp bij het huishouden, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>De aanvraag tot herïndicatie minimaal 4 weken voor het aflopen
                                    van de indicatie is ingediend.</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>De beperkingen die ten grondslag lagen aan de indicatie, zijn
                                    verdwenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding.</titel></kop><lid><lidnr>11.1</lidnr><al>Het Besluit treedt in werking op 1 januari 2008;</al></lid><lid><lidnr>11.2</lidnr><al>Bij inwerkingtreding van dit Besluit vervalt het Besluit Individuele
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen 2007 als vastgesteld
                                bij besluit van 22 augustus 2006. </al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van 20 december 2007</ondertekening><ondertekening>het college van Bergen op </ondertekening><ondertekening>de secretaris, de burgemeester,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><tussenkop>Bijlage Toelichting behorende bij het Besluit Individuele
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen </tussenkop><tussenkop>Inleiding.</tussenkop><al>Naast een Verordening individuele maatschappelijke ondersteuning is er ook een
                    besluit individuele maatschappelijke ondersteuning. In dit besluit zijn bij
                    elkaar gebracht alle bedragen, die op basis van de verordening moeten worden
                    vastgesteld. Voor zover mogelijk wordt in de verordening echter voor bedragen
                    verwezen naar door het Rijk vastgestelde documenten. Daarnaast zijn regels in
                    het besluit opgenomen, die het college krachtens delegatie door de raad op grond
                    van de verordening mag stellen.</al><al>Het voordeel van het opnemen van alle bedragen in een besluit is dat bij
                    wijziging van de bedragen (bijvoorbeeld omdat er aan de hand van de prijsindex
                    een bijstelling van bedragen plaatsvindt) niet de verordening gewijzigd moet
                    worden en dus in de raad besproken en opnieuw vastgesteld moet worden.
                    Bijstelling van het Besluit door het college kan aanzienlijk sneller
                    plaatsvinden.</al><al>Gezien het belang van een aantal onderdelen die in het Besluit een plaats hebben
                    gevonden is het begrijpelijk dat de raad bij het vaststellen van de verordening
                    zicht wil hebben op de invulling in het Besluit. Het Besluit wordt daarom in
                    conceptvorm aan de commissie maatschappelijke zaken ter informatie en commentaar
                    aangeboden voor het college haar vaststelt. </al><al>Het eerste onderwerp dat in het besluit aan de orde komt is het persoonsgebonden
                    budget. Van alle soorten voorzieningen waarvoor een persoonsgebonden budget
                    mogelijk is wordt in het Besluit uitgewerkt hoe het bedrag van het
                    persoonsgebonden budget wordt samengesteld.</al><al>In dit Besluit wordt geregeld boven welk bedrag in bepaalde omstandigheden
                    advies gevraagd moet worden en hoe de samenhangende afstemming bij de
                    toekenning, zoals genoemd in artikel 5 van de wet, wordt geregeld. </al><al><vet>Hoofdstuk 1. Bijzondere regels over het persoonsgebonden budget.</vet></al><tussenkop>Artikel 1. Regels rond verstrekking en
                    verantwoording.</tussenkop><lijst><li nr="1.1."><al>Verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van
                            de aanvrager. Dit kan bij voorkeur tegelijk met de aanvraag, indien op
                            dat moment al duidelijk is dat de aanvrager dit wenst.</al></li><li nr="1.2."><al>Op verzoek van de aanvrager van een individuele voorziening kan
                            verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget plaatsvinden.
                            Niet in alle situaties is het mogelijk een persoonsgebonden budget te
                            ontvangen. Dit artikel benoemd enkele situaties waarin duidelijk is dat
                            de aanvrager niet in staat zal zijn om te gaan met een persoonsgebonden
                            budget, waardoor een persoonsgebonden budget feitelijk geen adequate
                            compensatie biedt. De opsomming is niet limitatief. In situaties dat
                            tijdens onderzoek duidelijk wordt dat een aanvrager problemen zal
                            krijgen met het omgaan met een persoonsgebonden budget, zal dat als
                            contra-indicatie worden opgevat.</al></li><li nr="1.3."><al>In veel gevallen kan een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld als
                            maandelijks huur/lease bedrag of als eenmalig bedrag voor koop (plus een
                            periodiek bedrag voor onderhoud). Dit artikel bepaald dat een eenmalig
                            persoonsgebonden budget ten behoeve de koop van een voorziening niet een
                            adequate voorziening biedt als te voorzien is dat de aangekochte
                            voorziening voor een beperkte periode zal voldoen. In die gevallen is
                            alleen een huur/lease variant adequaat omdat dat de mogelijkheid biedt
                            te veranderen van type voorziening als de ontwikkeling van de beperking
                            dat nodig maakt.</al></li><li nr="1.4."><al>De sportrolstoel is een voorziening die meegenomen wordt vanuit de Wvg
                            zonder dat deze sportrolstoel in de Wvg of in de Wmo wordt genoemd. De
                            sportrolstoel is een bovenwettelijke voorziening, in de Wvg opgenomen
                            naar aanleiding van een verzoek van de Tweede Kamer. Daarom wordt de
                            verstrekkingswijze, zoals bij de Wvg gewoon voortgezet, hetgeen betekent
                            dat een sportrolstoel alleen verstrekt wordt als een vastliggende
                            financiële tegemoetkoming. Deze tegemoetkoming is niet kostendekkend en
                            dient beschouwd te worden als tegemoetkoming in de kosten van aanschaf
                            en onderhoud voor een periode van drie jaar. Na drie jaar kan opnieuw
                            een financiële tegemoetkoming worden toegekend.</al></li><li nr="1.5."><al>De keuze die gemaakt wordt ten aanzien van de verantwoording van het
                            persoonsgebonden budget wordt hier vastgelegd. Er is gekozen voor de
                            minimale controle die nodig is voor een rechtmatige
                            verstrekkingenpraktijk.</al></li><li nr="1."><al>6 Alle bewijsstukken van de uitgaven uit het persoonsgebonden budget
                            moeten worden bewaard. Hoewel voor 25% van het pgb geen bewijsstukken
                            hoeven te worden overlegd, moeten ze wel in de betalingen inzichtelijk
                            zijn.</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 2. Hulp bij het huishouden.</tussenkop><tussenkop>Artikel 2. Vaststellen aantal uren hulp bij het
                    huishouden in uren of klassen.</tussenkop><al>De Bergense verordening kiest in artikel 12 niet tussen het vaststellen van de
                    omvang van de hulp bij het huishouden in uren of in klassen, maar maakt beide
                    mogelijk. In dit artikel wordt bepaald wanneer met uren wordt gewerkt en wanneer
                    met klassen. Er wordt vanuit gegaan dat wanneer er alleen uitvoerende
                    schoonmaakwerkzaamheden moeten worden gedaan in de huishouding, dat dit weinig
                    fluctueert. Er is dan sprake van Hh1. Of de voorziening in de vorm van natura of
                    in de vorm van een pgb wordt gegeven heeft geen invloed op de zorg die nodig is.
                    Wanneer er sprake van is dat er meer dan schoonmaakwerk-zaamheden moet worden
                    uitgevoerd dan is er sprake van Hh2. Bij deze vorm van Hulp bij het huishouden
                    kan het voorkomen, dat er, gezien de specifieke persoonlijke situatie van de
                    cliënt, een bepaalde bandbreedte in uren Hh2 noodzakelijk is. Ook bij Hh2 wordt
                    echter in beginsel uitgegaan van toekenning in uren en niet in klassen.</al><tussenkop>Artikel 3. Vaststelling bedrag persoonsgebonden budget
                    voor hulp bij het huishouden.</tussenkop><al>In dit artikel wordt aangegeven hoe het persoonsgebonden budget (pgb) voor de
                    hulp bij het huishouden wordt vastgesteld.</al><al>De vaststelling van een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden
                    gebeurt in Bergen altijd in een exact aantal uren. Bergen vergoedt in het Pgb
                    100% van de gemiddelde kostprijs voor Hh1 of Hh2 van de gecontracteerde
                    aanbieders. De kosten van de diensten van de sociale verzekeringsbank neemt de
                    gemeente, met uitzondering van pakket 2, voor haar rekening. </al><al>Bergen maakt hierin onderscheid tussen de goedkopere Hh1-variant en de
                    Hh2-variant, waar ook begeleiding en coaching bij komen kijken. </al><tussenkop>Artikel 4 Tijdelijke voorziening:
                    respijtzorg.</tussenkop><al>Artikel 4 bepaalt dat respijtzorg als tijdelijke voorziening wordt geïndiceerd.
                    Verder wordt de respijtzorg vrij gesteld van een eigen bijdrage als het
                    merendeel van de zorg door de mantelzorg wordt uitgevoerd. Ook wordt bepaald dat
                    er wanneer het gaat om een korte periode van verstrekking; minder dan 50 uur,
                    geen uitgebreid onderzoek zal worden uitgevoerd. Tot slot wordt de gebruikelijke
                    zorg buiten werking gesteld voor de respijtzorg. </al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Woonvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5. </tussenkop><al>In artikel 5, lid 1 is geregeld hoe de financiële tegemoetkoming minus het eigen
                    aandeel of het persoonsgebonden budget voor een woonvoorziening wordt
                    vastgesteld.</al><al>Het gaat daarbij om de kosten van de door het college goedgekeurde offerte.
                    Daarin kan een aantal kosten teruggevonden worden. Te denken valt hierbij aan de
                    kosten van bouw, maar ook aan eventuele kosten architect, kosten van
                    vergunningen en kosten van toezicht.</al><al>Door uit te gaan van de kosten van de goedgekeurde offerte is het mogelijk per
                    offerte andere kosten mee te nemen. Zo zullen toezichtkosten bij een kleine
                    verbouwing geen rol spelen. Om welke kosten het zal kunnen gaan zal verder
                    worden uitgewerkt in de beleidsregel woonvoorzieningen.</al><al>Artikel 5, lid 2 geeft het afschrijvingsschema aan volgens welk schema bij
                    verkoop binnen 10 jaar een eventueel bedrag, dat het gevolg is van de meerwaarde
                    van de woning door de aanpassing, aan het college moet worden terugbetaald.</al><al>Artikel 5, lid 3 en lid 4 tenslotte leggen vast welke bedragen verstrekt worden
                    als het gaat om een verhuiskostenvergoeding of bij het bezoekbaar maken. </al><al><vet>Hoofdstuk 4. Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</vet></al><tussenkop>Artikel 6.</tussenkop><al>Artikel 6 regelt de wijze waarop een persoonsgebonden budget voor een
                    vervoersvoorziening wordt vastgesteld. Hierbij wordt uitgegaan, conform de
                    verordening, van de goedkoopste-adequate voorziening. Omdat voorziening in de
                    gemeente worden gehuurd inclusief onderhoud en reparatie, worden deze kosten ook
                    verrekend in de hoogte van het persoonsgebonden budget . </al><tussenkop>Artikel 7.</tussenkop><al>Artikel 7 tenslotte legt een aantal bedragen vast voor de autokostenvergoeding,
                    de taxikostenvergoeding en de vergoeding van de rolstoeltaxi. </al><tussenkop>Hoofdstuk 5. Verplaatsen in en rond de
                    woning.</tussenkop><tussenkop>Artikel 8.</tussenkop><al>Aangezien de gemeente rolstoelen huurt inclusief onderhoudskosten, wordt ook in
                    het bedrag voor het persoonsgebonden budget de kosten van onderhoud, verzekering
                    en reparatie opgenomen. Elke rolstoel die enige aanpassing behoeft zal uitkomen
                    op een ander bedrag. Daarom vindt vaststelling van het persoonsgebonden budget
                    bij rolstoelen vaak per rolstoel plaats.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6. Advisering en samenhangende
                    afstemming.</tussenkop><tussenkop>Artikel 9. Samenhangende afstemming.</tussenkop><al>De Verordening individuele maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen 2008
                    bepaalt in artikel 29 dat in dit Besluit bepaald moet worden op welke wijze de
                    verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend wordt afgestemd op de
                    situatie van de aanvrager. Bij deze eisen is aangesloten bij de eisen die het
                    Zorgindicatiebesluit stelt ten aanzien van het onderzoek inzake de AWBZ.
                    Hierdoor is enerzijds de samenhang met de AWBZ gewaarborgd, maar wordt
                    anderzijds ook een ruime hoeveelheid informatie vergaard waarmee het college een
                    zorgvuldig, op de individuele situatie af te stemmen besluit kan nemen.</al><tussenkop>Artikel 10 Overgangsbepaling.</tussenkop><al>In artikel 37 van de verordening wordt verwezen naar de het Besluit individuele
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen voor de overgangsbepalingen voor
                    cliënten van wie de indicatie afloopt in 2007. Deze bepaling is opgenomen om
                    eventuele het problemen van de uitvoering van de herïndicaties voor
                    overgangscliënten te voorkomen. Het is zonder hoge extra kosten niet uitvoerbaar
                    om alle herïndicaties van de zogenoemde overgangscliënten voor 31 december 2007
                    uit te voeren. Om nu te voorkomen dat de grondslag voor de verstrekking van Hulp
                    bij het huishouden vervalt, omdat de gemeente nog geen herïndicatie heeft kunnen
                    uitvoeren, blijft de huidige indicatiestelling van kracht tot het moment waarop
                    de herïndicatie is uitgevoerd en er een nieuwe beschikking is verstrekt.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>