<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR134727_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelverordening WWB gemeente Lingewaard 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Het Gemeentenieuws, 28-12-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelverordening WWB gemeente Lingewaard 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=18">Wet werk en bijstand, art. 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011/91</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Maatregelverordening gemeente Lingewaard, vastgesteld op 29 september 2004 (WWB) en zoals laatstelijk gewijzigd op 8 oktober 2009 (Wet WIJ).</al><al>Artikel 16 bevat een hardheidsclausule.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelverordening WWB gemeente Lingewaard 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Definities</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b"><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="c"><al>algemene bijstand: de bijstand, bedoeld in artikel 5, onderdeel b,
                                van de wet;</al></li><li nr="d"><al>bijzondere bijstand: de bijstand, bedoeld in artikel 5, onderdeel d,
                                van de wet;</al></li><li nr="e"><al>langdurigheidstoeslag: de langdurigheidstoeslag, bedoeld in artikel
                                36 van de wet;</al></li><li nr="f"><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm, bedoeld in artikel 5, onderdeel c,
                                van de wet;</al></li><li nr="g"><al>gezinsnorm: de norm, genoemd in artikel 21, eerste lid, van de
                                wet;</al></li><li nr="h"><al>maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18,
                                tweede lid, van de wet;</al></li><li nr="i"><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                Lingewaard;</al></li><li nr="j"><al>belanghebbende: de alleenstaande, de alleenstaande ouder of ieder
                                van de meerderjarige rechthebbende gezinsleden.</al></li><li nr="k"><al>sociale activering: tegenprestatie naar vermogen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college legt een maatregel op als een belanghebbende tekortschietend
                            besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het
                            bestaan, dan wel de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en de Wet
                            structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dan wel de
                            verplichtingen, die in de beschikking tot toekenning of voortzetting van
                            de bijstand zijn opgenomen niet, of onvoldoende nakomt of wanneer een
                            belanghebbende zich jegens het college ernstig misdraagt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                            waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                            omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien een gedraging van een belanghebbende leidt tot benadeling van de
                            gemeente, doet het College, onverminderd de mogelijkheid de bijstand te
                            verlagen en de ten onrechte ontvangen bijstand terug te vorderen,
                            aangifte bij het Openbaar Ministerie, in overeenstemming met de door het
                            Openbaar Ministerie op dit punt gehanteerde uitgangspunten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>a De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm. </al><al> b In afwijking van het onderdeel a kan de maatregel ook worden
                            toegepast op de bijzondere bijstand, met dien verstande dat de verlaging
                            niet meer kan bedragen dan de bijstand waarop belanghebbende recht zou
                            hebben gehad indien er geen grond voor verlaging van de bijzondere
                            bijstand zou zijn geweest.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In het besluit tot het opleggen van een maatregel wordt in ieder geval
                            vermeld: </al><lijst><li nr="-"><al>de reden van de maatregel;</al></li><li nr="-"><al>de duur van de maatregel;</al></li><li nr="-"><al>het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd en</al></li><li nr="-"><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van een
                                    maatregel conform de bepalingen van de verordening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Samenloop</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                        verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                        genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden dan wordt gekozen voor de
                        zwaarste daarop van toepassing zijnde maatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel:</al><lijst><li nr="a"><al>indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li><li nr="b"><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                    gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij die
                                    gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als
                                    gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel, indien het
                                <cursief>daarvoor </cursief><cursief>dringende redenen
                            </cursief>aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond
                            van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk
                            mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Waarschuwing</titel></kop><al>Bij een eerste maatregelwaardige gedraging kan het college besluiten met
                        toepassing van artikel 2 lid 2 een waarschuwing te geven. Deze waarschuwing
                        telt mee bij de vaststelling van recidive. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De maatregel wordt opgelegd per toekenningsdatum van de uitkering of
                                met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum
                                waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan
                                belanghebbende is bekendgemaakt.</al></li><li nr="2"><al>Indien de maatregel niet kan worden opgelegd omdat de uitkering is
                                beëindigd, dan wordt de maatregel alsnog gerealiseerd door middel
                                van herziening van de eerder verstrekte bijstand.</al></li><li nr="3"><al>Indien de maatregel niet of niet volledig kan worden opgelegd met
                                toepassing van lid 1 of lid 2, dan wordt de maatregel opgelegd over
                                het recht op bijstand.</al></li><li nr="4"><al>Indien de bijstand is beëindigd, wordt onder het recht op bijstand
                                verstaan: indien binnen een termijn van twee jaar gerekend vanaf de
                                datum waarop het besluit tot beëindiging of intrekking van de
                                bijstand is afgegeven, een nieuw recht op bijstand ter voorziening
                                in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan is
                                ontstaan.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Categorie indeling van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a"><al>Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de
                                    Centrale organisatie werk en inkomen of het niet tijdig laten
                                    verlengen van de registratie;</al></li><li nr="b"><al>Het niet, onvolledig, onjuist of niet binnen de door het college
                                    daartoe gestelde termijn verstrekken van informatie die van
                                    belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting
                                    daarvan voor zover dat niet heeft geleid tot ten onrechte of
                                    teveel betaalde bijstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a"><al>Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen of te aanvaarden;</al></li><li nr="b"><al>Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c"><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de aan belanghebbende
                                    opgelegde verplichtingen zoals bedoeld in hoofdstuk 6 paragraaf
                                    3 van de wet;</al></li><li nr="d"><al>Het langer dan de toegestane vakantieduur in het buitenland
                                    verblijven, waardoor arbeidskansen zijn gemist.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a"><al>Gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;</al></li><li nr="b"><al>Het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het
                                    college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                                    als bedoeld in artikel 9, eerste lid onderdeel b en artikel 10,
                                    eerste lid van de wet, waaronder begrepen sociale
                                    activering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Vierde categorie:</al><al>aHet niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid dan wel een
                            andere vorm van inkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Hoogte van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a"><al>€ 75,00 bij een gedraging uit de eerste categorie;</al></li><li nr="b"><al>€ 150,00 bij een gedraging uit de tweede categorie;</al></li><li nr="c"><al>€ 300,00 bij een gedraging uit de derde categorie;</al></li><li nr="d"><al>weigering van de bijstand gedurende 1 maand bij een gedraging
                                    uit de vierde categorie. </al></li><li nr="e"><al>als doorcumulatie van de maatregelen bedoeld onder a, b en
                                    c de bijstandsnorm per maand wordt overstegen, dan wordt het
                                    restant uitgesmeerd over de daaropvolgende maand(en) opgelegd
                                    (maatwerk).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan jaarlijks de bedragen zoals genoemd in het eerste lid a
                            tot en met d, aanpassen door middel van indexering. De bedragen na
                            indexering worden afgerond op een veelvoud van € 5,00.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Schending inlichtingenplicht met financieel nadeel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het niet, niet tijdig of niet behoorlijk verstrekken van informatie of
                            het verstrekken van informatie die heeft geleid tot het ten onrechte of
                            tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand leidt tot een
                            maatregel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid wordt de maatregel vastgesteld op 10%
                            van de teveel verstrekte netto bijstand, met een minimum van €
                            100,--..</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bedrag van de maatregel wordt afgerond op een veelvoud van €
                            5,00.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien naar de mening van het college sprake is van het zich voordoen
                            van zeer ernstig misdragen door een belanghebbende die zich voor
                            bijstand meldt (wachttijd jongere) daartoe een aanvraag indient of
                            bijstand ontvangt wordt de bijstand verlaagd met in achtneming van de
                            ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging
                            kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a"><al>€ 75,00 bij verbaal geweld en discriminatie;</al></li><li nr="b"><al>€ 300,00 bij intimidatie;</al></li><li nr="c"><al>een verlaging van 100% van de bijstand gedurende 1 maand bij
                                    zaakgericht of mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="d"><al>een verlaging van 100% van de bijstand gedurende 1 maand bij een
                                    combinatie van agressievormen vermeld bij a en b.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In aanvulling op het eerste lid kan door of namens het college aangifte
                            worden gedaan bij de politie dan wel de toegang tot het gemeentehuis
                            worden ontzegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Recidive</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De hoogte van de maatregelen als bedoeld in artikel 8, artikel 9 en
                                artikel 10 lid 2 wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich
                                binnen 12 maanden na het besluit tot het opleggen van een maatregel
                                in verband met een verwijtbare gedraging, opnieuw schuldig maakt aan
                                een gedraging waaraan een vergelijkbare of zwaardere maatregel is
                                verbonden.</al></li><li nr="2"><al>Wanneer binnen een jaar na het besluit tot een verlaging van 100%
                                van de bijstand gedurende 1 maand als gevolg van een verwijtbare
                                gedraging sprake is van herhaling van een gedraging die een
                                verlaging van 100% van de bijstand gedurende 1 maand tot gevolg had,
                                wordt de periode van verlaging van 100% verdubbeld.</al></li><li nr="3"><al>Met een besluit waarmee een maatregel wordt opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om af te zien van ten uitvoerlegging op
                                grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 4 lid 2.</al></li><li nr="4"><al>Met het besluit waarmee een maatregel wordt opgelegd wordt gelijk
                                gesteld het besluit om een waarschuwing te geven, zoals bedoeld in
                                artikel 5.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Onverantwoorde besteding van vermogen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij het op onverantwoorde wijze van besteding van het vermogen wordt,
                            onverminderd artikel 2, tweede lid, de maatregel vastgesteld op 25% van
                            de toepasselijke bijstandsnorm voor de duur dat betrokkenen bij een
                            verantwoorde besteding van het vermogen in zijn onderhoud had kunnen
                            voorzien. Onder verantwoorde besteding van het vermogen wordt verstaan
                            1,5 keer de toepasselijke bijstandsnorm per maand.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bedrag van de maatregel wordt afgerond op een veelvoud van
                            €5,00.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bijstand niet gebruikt voor het doel waarvoor het verstrekt
                            is</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid wordt wanneer bijzondere bijstand is
                        vertrekt voor specifieke bijzondere noodzakelijke kosten en de verstrekte
                        bijstand niet is gebruikt voor het doel waarvoor het is toegekend, een
                        maatregel opgelegd ter hoogte van het aangevraagde en verstrekte bijzondere
                        bijstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Door eigen toedoen geen gebruik kunnen maken van een voorliggende
                            voorziening</titel></kop><al>Als door eigen toedoen geen gebruik wordt of kan worden gemaakt van een
                        voorliggende voorziening wordt, onverminderd artikel 2, tweede lid, een
                        maatregel opgelegd:</al><lijst><li nr="1"><al>Ter hoogte van het bedrag van de voorliggende voorziening waarop de
                                belanghebbende recht zou hebben gehad indien hij daar een beroep op
                                had gedaan en waarvoor bijstand wordt aangevraagd en toegekend.</al></li><li nr="2"><al>Ter hoogte van de in artikel 8 lid 1 onder d genoemde maatregel,
                                indien ten gevolge van de onderhavige gedraging algemene bijstand
                                wordt aangevraagd en toegekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><al>De gemeenteraad c.q. het college draagt in het kader van de bestrijding van
                        het ten onrechte ontvangen bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk
                        gebruik van de Wet werk en bijstand en het financiële beheer, zorg voor het
                        opstellen van het Handhavingsbeleidskader inclusief de aanpak van
                        fraudepreventie en –bestrijding en het vigerende beleid terug-en
                        invordering.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen van de bepalingen in deze verordening
                        afwijken, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van
                        overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt na bekendmaking in werking op het tijdstip waarop de
                        wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de wet
                        investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de
                        arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van
                        uitkeringsgerechtigden’ in werking treedt.</al><al>Op dit zelfde moment wordt de Maatregelverordening gemeente Lingewaard,
                        vastgesteld op 29 september 2004 (WWB) en zoals laatstelijk gewijzigd op 8
                        oktober 2009 (Wet WIJ) ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: </al><al>Maatregelverordening WWB gemeente Lingewaard 2012.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering </ondertekening><ondertekening>van      .</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Th.G.L. Greep H.H. de Vries</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><tussenkop>Bijlage</tussenkop><al>Algemene toelichting</al><tussenkop>De regeling in de Wet werk en bijstand</tussenkop><al>Artikel 18 WWB bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelbeleid in een
                    verordening vast te leggen. Dit artikel luidt:</al><lijst><li nr="1"><al>Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af
                            op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                            belanghebbende;</al></li><li nr="2"><al>Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening bedoeld
                            in artikel 8, eerste lid, onderdeel b ter zake van het niet of
                            onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen
                            voortvloeiende uit deze wet dan wel artikelen 30c, tweede en derde lid
                            van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, waaronder
                            begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, dan wel
                            indien de belanghebbende naar het oordeel van het college
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                            voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien, indien
                            elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li><li nr="3"><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid
                            binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
                            bedraagt.</al></li><li nr="4"><al>Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede
                            verstaan het gezin.</al></li></lijst><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het
                        <cursief>afstemmen</cursief> van de bijstand en de daaraan verbonden
                    verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                    belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de
                    hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor de
                    uitkeringsgerechtigden <cursief>maatwerk</cursief> is, waarbij recht wordt
                    gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                    uitkeringsgerechtigden. In tweede lid wordt een directe koppeling gelegd tussen
                    de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een
                    uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de
                    mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college
                    tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in
                    onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. De verlaging van de
                    uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de gemeenteraad vast te
                    stellen verordening. Dit is de maatregelverordening. Alleen wanneer iedere vorm
                    van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van zo’n verlaging.</al><tussenkop>De term ‘maatregel’</tussenkop><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de
                    terminologie van de WWB aangeduid als het <cursief>afstemmen</cursief> van de
                    uitkering op de mate waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen
                    nakomt. Met het begrip ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt
                    dat rechten en plichten één kant van dezelfde medaille vormen.</al><al>Toch is er voor gekozen om het verlagen van de bijstand vanwege het niet of
                    onvoldoende nakomen van verplichtingen aan te duiden als <cursief>het opleggen
                        van een maatregel</cursief>. Daarmee wordt niet alleen aangesloten bij het
                    spraakgebruik dat sinds de Wet Boeten en Maatregelen gangbaar is, maar wordt ook
                    het sanctionerende karakter ervan benadrukt. Wel zal steeds voor ogen moeten
                    worden gehouden dat het opleggen van een maatregel géén <cursief>punitieve
                    </cursief>sanctie is, waarbij het leedtoevoegende karakter voorop staat, máár
                    een <cursief>reparatoire</cursief> sanctie (ook wel herstelsanctie genoemd),
                    gericht op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand
                    met de mate waarin de belanghebbende de aan de uitkering verbonden
                    verplichtingen nakomt.</al><al>In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van de WWB wordt steeds gesproken
                    over de ‘afstemmingsverordening’. Om te onderstrepen dat de verordening de
                    juridische grondslag vormt om maatregelen op te leggen wanneer een
                    uitkeringsgerechtigde niet aan een verplichting voldoet, duiden wij de
                    verordening aan als ‘maatregelverordening’.</al><tussenkop>Het verlagen van de bijstand</tussenkop><al>Het maatregelbeleid van de gemeente Lingewaard is gericht op zowel het voorkomen
                    van het opleggen van een maatregel door goede voorlichting en dienstverlening
                    aan de cliënt, als op het direct sanctioneren van tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid van een cliënt.</al><al>Op grond van artikel 18, tweede lid WWB kan zowel de bijstand (dat wil zeggen:
                    algemene bijstand en bijzondere bijstand) als de langdurigheidstoeslag worden
                    verlaagd.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat het besef van verantwoordelijkheid
                    van een cliënt tekortschiet, zoals het niet of in onvoldoende mate nakomen van
                    aan de bijstand verbonden verplichtingen, moet het college een maatregel
                    opleggen door de uitkering te verlagen. Er is geen sprake van een bevoegdheid,
                    maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid
                    ontbreekt, ziet het college af van een verlaging.</al><al>Een maatregel legt het college op door een verlaging van de uitkering met een
                    vast bedrag. De hoogte van het bedrag is afhankelijk van de categorie waartoe de
                    verwijtbare gedraging behoort. Door het vaststellen van een vast bedrag wordt
                    een heldere relatie gelegd tussen de verwijtbare gedraging en de sanctie.</al><al>In geval van een gedraging die heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te
                    hoog bedrag verlenen van bijstand, waaronder fraude, wordt de sanctie
                    vastgesteld op een percentage van het benadelingsbedrag. Bij fraude kan aangifte
                    worden gedaan bij het Openbare Ministerie.</al><al>Indien een cliënt zich binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging
                    opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of van een
                    hogere categorie, dan wordt de maatregel verdubbeld. Als een cliënt regelmatig
                    zijn verplichtingen niet nakomt kan niet worden volstaan met een
                    standaardmaatregel, maar wordt maatwerk toegepast. De cliënt kan eventueel
                    worden uitgesloten van het recht op bijstand.</al><al>Bij de vaststelling van de maatregel houdt het college rekening met de ernst van
                    de situatie, de mate van verwijtbaarheid en bijzondere omstandigheden.</al><al>Als de uitkering is beëindigd kan geen maatregel worden opgelegd. In dat geval
                    herziet het college het besluit tot verstrekking van de bijstand. De maatregel
                    wordt met terugwerkende kracht opgelegd en het teveel betaalde bedrag wordt
                    teruggevorderd. Is het uitkeringsbedrag onvoldoende om de maatregel te
                    effectueren, dan wordt de maatregel op het eventueel toekomstig recht op
                    bijstand opgelegd.</al><tussenkop>De relatie met de re-integratieverordening</tussenkop><al>De gemeente stelt ook een re-integratieverordening vast. In deze verordening
                    wordt vastgelegd hoe de gemeente de cliënten kan ondersteunen bij de
                    arbeidsinschakeling en hoe zij omgaat met het aanbieden van voorzieningen
                    gericht op arbeidsinschakeling. Voorbeelden van voorzieningen zijn: scholing,
                    loonkostensubsidies, gesubsidieerde arbeid, sociale activering, premies,
                    kinderopvang en stages. In beginsel wordt aan iedere cliënt de
                    arbeidsverplichting opgelegd. De algemene verplichting staat in de wet genoemd.
                    Gemeenten kunnen deze verplichting echter ook nader specificeren (invullen met
                    specifieke voorzieningen) en de specificaties in de beschikking vastleggen. In
                    de re-integratie en participatie verordening 2008 wordt aandacht geschonken aan
                    de voorzieningen die de gemeente kan inzetten. Concrete voorzieningen zijn
                    vastgelegd in beleidsregels. De vertaling daarvan vindt plaats in de individuele
                    beschikking. Indien een cliënt de verplichtingen niet nakomt, leidt dit in
                    beginsel tot een maatregel, waarvoor de basis is gelegd in de
                    maatregelverordening.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>1 Algemeen</tussenkop><al>De Verordening maatregelen Wet werk en bijstand gemeente Lingewaard 2012 stelt
                    regels voor het opleggen van een maatregel (een sanctie) aan een bijstand
                    ontvangende cliënt. Een maatregel wordt opgelegd wanneer de uit de wet
                    voortvloeiende verplichtingen niet, niet tijdig of in onvoldoende mate worden
                    nagekomen, dan wel wanneer betrokkene tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. De gemeente
                    dient het maatregelbeleid zelf vorm te geven en vast te leggen in een
                    verordening (artikel 18 WWB). De WWB kent slechts één soort maatregel: het
                    verlagen van de uitkering.</al><al>Het maatregelbeleid van de gemeente Lingewaard is gericht op zowel het voorkomen
                    van het opleggen van een maatregel, door goede voorlichting en dienstverlening
                    aan de cliënt, als op het direct sanctioneren van tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid van een cliënt. Wanneer het college tot het oordeel komt
                    dat het besef van verantwoordelijkheid van een cliënt tekortschiet, of dat hij
                    aan de bijstand verbonden verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt,
                    moet het college een maatregel opleggen door de uitkering te verlagen. Er is
                    geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer
                    iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    verlaging.</al><al>Het college legt een maatregel op door een verlaging van de uitkering met een
                    vast bedrag. De hoogte van het bedrag is afhankelijk van de ernst van de
                    verwijtbare gedraging, deels uitgedrukt in categorieën. Door het vaststellen van
                    een vast bedrag wordt een heldere relatie gelegd tussen de verwijtbare gedraging
                    en de sanctie.</al><al>In geval van een gedraging die heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te
                    hoog bedrag verlenen van bijstand, waaronder fraude, wordt de sanctie
                    vastgesteld op een percentage van het benadelingsbedrag. Bij fraude kan aangifte
                    worden gedaan bij het Openbaar Ministerie.</al><al>.</al><al>Ook op de periodieke bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud aan
                    jongeren van 18 tot 21 jaar conform artikel 12 WWB is het gemeentelijk
                    maatregelbeleid van toepassing. Deze groep ontvangt een lage algemene
                    bijstandsuitkering die op individuele gronden kan worden aangevuld met
                    bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud.</al><al>Een maatregel kan ook op de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35 lid 1
                    WWB worden toegepast wanneer de aanvraag voor bijzondere bijstand het gevolg is
                    van ongenoegzaam betoond besef van verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld wanneer
                    betrokkene zich niet adequaat verzekert tegen medische kosten en vervolgens een
                    beroep doet op bijzondere bijstand voor die kosten. Ook wanneer iemand
                    woonkostentoeslag aanvraagt omdat hij willens en wetens een niet passende woning
                    heeft aanvaard met een te hoge huur waarvoor geen huurtoeslag kan worden
                    ontvangen, kan de bijzondere bijstand worden afgestemd. De maatregel kan in
                    dergelijke gevallen nooit hoger zijn dan het bedrag waarvoor bijzondere bijstand
                    zou zijn toegekend zonder toepassing van de maatregel.</al><al>Indien een cliënt zich binnen één jaar na een besluit tot het opleggen van een
                    maatregel als gevolg van een eerste verwijtbare gedraging opnieuw schuldig maakt
                    aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of van een hogere categorie, dan
                    wordt de maatregel verdubbeld. Ook als binnen een jaar na het besluit tot
                    weigering van een maand sprake is van herhaling van een gedraging die eerder
                    heeft geleid tot een maand weigering, dan wordt deze periode verdubbeld. Er is
                    bewust gekozen voor het afbakenen van een periode van 12 maanden met als ijkpunt
                    het besluit tot het opleggen van een maatregel en niet de eerste verwijtbare
                    gedraging, omdat in veel gevallen niet te bepalen valt wanneer een verwijtbare
                    gedraging heeft plaatsgevonden. Zowel voor de cliënt als voor de uitvoerenden is
                    dit duidelijker en beter hanteerbaar.</al><al>Overigens geldt de recidiveclausule niet voor een maatregel die wordt opgelegd
                    op bijzondere bijstand o.g.v. art. 35 lid 1 WWB. Aan het besluit tot het
                    opleggen van een maatregel wordt gelijkgesteld het geven van een waarschuwing.
                    Als een cliënt regelmatig zijn verplichtingen niet nakomt kan niet worden
                    volstaan met een standaardmaatregel, maar wordt maatwerk toegepast. De cliënt
                    kan eventueel het recht op bijstand worden geweigerd.</al><al>Bij de vaststelling van de maatregel houdt het college rekening met de ernst van
                    de situatie, de mate van verwijtbaarheid en bijzondere omstandigheden.</al><al>Als de uitkering is beëindigd kan geen maatregel worden opgelegd. In dat geval
                    herziet het college het besluit tot verstrekking van de bijstand. De maatregel
                    wordt met terugwerkende kracht opgelegd en het te veel betaalde bedrag wordt
                    teruggevorderd. Is het uitkeringsbedrag onvoldoende om de maatregel te
                    effectueren dan wordt overwogen de maatregel op het eventuele toekomstig recht
                    op bijstand op te leggen. Hiervan wordt de cliënt in de beëindigingsbeschikking
                    op de hoogte gesteld.</al><tussenkop>2. Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De WWB verbindt aan het recht op bijstand de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="1"><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid WWB).</al></li><li nr="2"><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB). Deze plicht houdt
                            in:</al></li><li nr="-"><al>Het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen en
                            behouden;</al></li><li nr="-"><al>Het gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening,
                            gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.</al></li></lijst><al>Deze verplichtingen worden voor iedere cliënt nader uitgewerkt in specifieke
                    verplichtingen, die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de
                    cliënt.</al><al>De Verordening re-integratie en participatie Wet werk en bijstand 2008 en
                    bijbehorende beleidsregels van de gemeente Lingewaard vormt de juridische basis
                    voor het opleggen van deze specifieke verplichtingen. De verplichtingen van
                    jongeren tijdens de wachttijd zal in beleidsregels nader worden uitgewerkt en
                    vastgelegd. Deze verplichtingen moeten in het besluit tot het verlenen van
                    bijstand worden neergelegd.</al><lijst><li nr="3"><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). De belanghebbende is
                            verplicht aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging
                            mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het voor de
                            cliënt redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen
                            zijn op de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Het toelaten
                            van huisbezoek behoort ook tot de informatieplicht.</al></li><li nr="4"><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van de
                            cliënt om desgevraagd het college de medewerking te verlenen die
                            redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De
                            medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                            zoals het toestaan van huisbezoek.</al></li></lijst><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van
                    de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college (en jegens
                    ambtenaren die namens het college belast zijn met de uitvoering) zeer ernstig
                    misdragen’ (agressie).</al><al>De Wet SUWI legt verplichtingen op aan de aanvrager van een uitkering. Het
                    betreft de verplichting alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de UWV WERK
                    bedrijfte verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het college
                    (artikel 28, tweede lid Wet SUWI) en op verzoek of onverwijld uit eigen beweging
                    alle feiten en omstandigheden mee te delen aan de UWV WERK bedrijf, waarvan het
                    de aanvrager redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                    op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand of de
                    hoogte van de bijstand.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>In de maatregelverordening zijn voor categorieën van verwijtbare gedragingen
                    standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van een vast bedrag, een
                    100%-verlaging of een percentage van het benadelingsbedrag. In het tweede lid is
                    de hoofdregel neergelegd dat het college een op te leggen maatregel afstemt op
                    de individuele omstandigheden van de cliënt en de mate van verwijtbaarheid. Deze
                    bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel
                    moet nagaan of, gelet op de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de cliënt, afwijking van de hoogte en de duur van de
                    voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                    standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.</al><al>Dit houdt in dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de cliënt.</al><al>Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar
                    de toelichting bij artikel 4. Matiging van de opgelegde maatregel kan aan de
                    orde zijn bij bijzondere financiële of sociale omstandigheden van de cliënt. Bij
                    een opeenstapeling van maatregelen wordt beoordeeld of de zwaarte van het geheel
                    van maatregelen in verhouding staat tot de ernst van de gedragingen en de mate
                    van verwijtbaarheid.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Uitgangspunt is dat bij een benadelingsbedrag door fraude hoger dan € 12.000 het
                    college aangifte doet bij het Openbaar Ministerie. Aangifte is ook mogelijk bij
                    een benadelingsbedrag onder de € 12.000 als sprake is van bijzondere
                    omstandigheden (bijvoorbeeld als de uitkering is beëindigd). Het doen van
                    aangifte wegens fraude sluit het toepassen van een verlaging niet uit, ook niet
                    bij benadelingsbedragen boven de € 12.000. Het OM houdt bij de straftoemeting
                    rekening met de maatregel die door de gemeente is toegepast. Het college ziet af
                    van het opleggen van een maatregel als het Openbaar Ministerie eerder een
                    sanctie heeft opgelegd. Het college volgt het ‘una via’ beginsel: geen dubbele
                    sancties op hetzelfde onrechtmatige gedrag bij beslissingen van meerdere
                    overheidsorganen.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Als uitgangspunt geldt dat een maatregel wordt opgelegd op de
                    bijstandsuitkering, dat wil zeggen op de norm plus de toeslag. Als één van de
                    gezinsleden de verplichtingen niet nakomt kan de totale uitkering gesanctioneerd
                    worden (gezinsnorm) </al><tussenkop>Onderdeel a</tussenkop><al>De 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm in verband met de
                    onderhoudsplicht van de ouders. Zijn de middelen van de ouders niet toereikend
                    of kan de jongere het onderhoudsrecht redelijkerwijs niet te gelde maken dan kan
                    de norm worden aangevuld met bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Op deze aanvulling kan een maatregel worden opgelegd.</al><tussenkop>Onderdeel b</tussenkop><al>De WWB biedt geen grond om bijzondere bijstandsaanvragen die het gevolg zijn van
                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid af te wijzen. Wel kan op de
                    bijzondere bijstand in dergelijke gevallen een maatregel worden toegepast. De
                    maatregel kan maximaal de hoogte hebben van het bedrag waarvoor bijzondere
                    bijstand zou zijn toegekend zonder toepassing van de maatregel, zodat per saldo
                    voor de betreffende aanvraag geen bijzondere bijstand wordt verstrekt.</al><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Het opleggen van een maatregel door het verlagen van de bijstand is een besluit
                    dat aan de cliënt wordt meegedeeld. Wanneer de maatregel bij een lopende
                    uitkering wordt opgelegd neemt het college een besluit tot vaststelling van de
                    algemene bijstand op grond van artikel 45 WWB. Wordt een maatregel met
                    terugwerkende kracht opgelegd, dan neemt het college een besluit tot herziening
                    van de bijstand (artikel 54,derde lid). Tegen beide besluiten kan door de cliënt
                    bezwaar en beroep worden aangetekend. In dit lid wordt aangegeven wat in het
                    besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks
                    voort uit het motiveringsbeginsel op grond van de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb).</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>De bepaling in dit lid over de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                    verschillende gedragingen van een cliënt die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden. Als één gedraging onder te brengen is onder meerdere categorieën,
                    dan wordt gekozen voor de zwaarste daarop van toepassing zijnde maatregel.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. De mate
                    van verwijtbaarheid wordt vastgesteld op basis van een individuele beoordeling.
                    Ook als de verwijtbare gedraging meer dan een jaar voor de constatering heeft
                    plaatsgevonden (dit is het moment waarop intern het maatregelonderzoek is
                    afgerond en de uitkomst daarvan kenbaar is gemaakt aan de belanghebbende) ziet
                    het college af van het opleggen van een maatregel. Omwille van de effectiviteit
                    van het maatregelbeleid (‘lik op stuk’) is het gewenst dat een maatregel wordt
                    opgelegd spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgevonden. Als wordt afgezien van
                    het ten uitvoer leggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt
                    dit schriftelijk aan belanghebbende gemeld.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>In individuele omstandigheden kan wegens zeer dringende redenen worden afgezien
                    van het opleggen van een maatregel. Van dringende redenen is sprake als de
                    gevolgen van het opleggen van een maatregel onaanvaardbaar zijn. Dit vergt een
                    beoordeling van de situatie van de belanghebbende. Jurisprudentie is hierin
                    leidend.</al><al>Het vastleggen van het afzien van een maatregel is ook van belang voor recidive;
                    de maatregel is immers afstemmingswaardig en wordt teruggebracht naar 0
                    euro.</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>Als bij een eerste maatregelwaardige gedraging wordt besloten slechts een
                    waarschuwing te geven, telt deze wel mee voor de mate van sanctioneren bij
                    recidive.</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Er kan geen maatregel worden opgelegd als de uitkering is stopgezet. In dat
                    geval herziet het college het besluit tot verstrekking van de bijstand. De
                    maatregel wordt met terugwerkende kracht opgelegd en het te veel betaalde bedrag
                    wordt verrekend. Is het uitkeringsbedrag onvoldoende om de maatregel te
                    effectueren dan wordt de maatregel op het eventuele toekomstig recht op bijstand
                    opgelegd.</al><al>De artikelen 7 en 8 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. Verwijtbare
                    gedragingen zijn ingedeeld in categorieën, waaraan in artikel 8 lid 1 een
                    gewicht is toegekend in de vorm van de hoogte van een verlaging.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><tussenkop>De eerste categorie</tussenkop><al>Bij onderdeel a gaat het om de formele verplichting om zich als werkzoekende bij
                    het UWV WERK bedrijf in te schrijven en ingeschreven te blijven. Bij het niet
                    voldoen aan deze verplichting kan de arbeidsbemiddeling niet of niet optimaal
                    plaatsvinden en wordt de kans op werk of deelname aan arbeid bevorderende
                    activiteiten verkleind.</al><al>Bij onderdeel b: Op het niet, onvolledig, onjuist of niet tijdig verstrekken van
                    inlichtingen aan de gemeente is artikel 54 WWB van toepassing. Het college kan
                    in dat geval het recht op bijstand opschorten en de cliënt in de gelegenheid
                    stellen binnen een door het college te stellen termijn het verzuim te
                    herstellen.</al><al>Als vereiste gegevens niet alsnog aan de gemeente worden verstrekt, kan het
                    college het recht op uitkering niet vaststellen en moet de bijstand worden
                    geweigerd (in de situatie dat een uitkering wordt aangevraagd) of moet het
                    besluit tot toekenning van de bijstand worden ingetrokken (bij een lopende
                    uitkering). Het opleggen van een maatregel is in dat geval niet aan de
                    orde.</al><tussenkop>De tweede categorie</tussenkop><al>De aanscherping van de verplichtingen ingevolge de wet en onder a en b voor de
                    groep jongeren lichten wij als volgt toe.</al><al>Het college legt werkt de verplichtingen van de jongere tijdens de wachttijd
                    nader uit in beleidsregels.</al><al>Op grond van artikel 44a van de wet legt het college voor een jongere onder de
                    27 jaar in een plan van aanpak het volgende vast:</al><lijst><li nr="-"><al>hoe de eventuele ondersteuning eruit ziet;</al></li><li nr="-"><al>welke verplichtingen gericht op de arbeidsinschakeling de klant heeft;
                            en</al></li><li nr="-"><al>wat van de jongere wordt verwacht.</al></li></lijst><al>Dit plan van aanpak maakt onderdeel uit van de beschikking en is – met de rest
                    van de beschikking – vatbaar voor bezwaar en beroep. Het college is verplicht om
                    de jongere bij de uitvoering van het plan van aanpak te begeleiden. </al><al>De verplichtingen onder c hebben betrekking op nadere verplichtingen die aan het
                    recht op bijstand zijn verbonden conform artikel 55, 56 en 57 WWB. Het kan
                    bijvoorbeeld gaan om de verplichting tot het instellen van een vordering tot
                    toekenning van levensonderhoud (alimentatie) op de ex-partner.</al><tussenkop>De derde categorie</tussenkop><al>Hierbij gaat het om een gedraging die een directe aanleiding vormt tot een
                    beroep op bijstand of het onnodig langer voortduren daarvan. Voorbeelden van
                    deze categorie zijn negatief gedrag bij sollicitaties en onvoldoende meewerken
                    aan de uitvoering van een trajectplan gericht op arbeidsinschakeling, waaronder
                    ook activering wordt gerekend.</al><al>De plicht om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden
                    bestaat al, net als de plicht om een voorziening gericht op de
                    arbeidsinschakeling te aanvaarden, waaronder sociale activering. Daar wordt aan
                    toegevoegd de plicht om naar vermogen een tegenprestatie te verrichten, ook als
                    die niet direct samenhangt met de arbeidsinschakeling. De tegenprestatie kent
                    geen verplichte samenloop met een re-integratietraject. De tegenprestatie:</al><lijst><li nr="-"><al>hoeft niet gericht te zijn op toeleiding tot de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="-"><al>mag niet in de weg staan aan acceptatie van arbeid of
                            re-integratie;</al></li><li nr="-"><al>bestaat daarom uit werkzaamheden waarvan omvang en duur beperkt
                            zijn;</al></li><li nr="-"><al>bestaat uit werkzaamheden die de uitkeringsgerechtigde kan verrichten
                            (naar vermogen);</al></li><li nr="-"><al>wordt verricht naast of in aanvulling op de reguliere arbeidsmarkt (mag
                            niet tot verdringen leiden).</al></li></lijst><al>Het college werkt het onderdeel tegenprestatie verder uit in beleidsregels zoals
                    vastgelegd in de wet (<cursief>kan bepaling</cursief>) en bepaalt aan de hand
                    van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de
                    tegenprestatie. Immers niet alle onbeloonde maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden kunnen aan elke uitkeringsgerechtigde worden opgedragen.</al><tussenkop>De vierde categorie</tussenkop><al>In deze categorie gaat het om het door eigen toedoen niet verkrijgen of behouden
                    van algemeen geaccepteerde arbeid, bijvoorbeeld verwijtbaar ontslag, dan wel het
                    niet verkrijgen of behouden van een andere vorm van inkomen.</al><al>Algemeen geaccepteerde arbeid omvat allerlei soorten arbeid: gesubsidieerd of
                    regulier, fulltime of parttime, tijdelijk of voor onbepaalde duur. Essentieel is
                    dat de cliënt door de werkweigering afziet van een concrete kans om geheel of
                    gedeeltelijk uit de bijstand te komen. Het gaat hierbij overigens niet om het
                    verwijtbaar verlies van middelen in de vorm van vermogen. Een gedraging die valt
                    in deze categorie heeft dus gevolgen voor de bijstand. Een concreet bedrag is
                    alleen niet vast te stellen.</al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Aan elke categorie gedraging is een standaardbedrag gekoppeld. De hoogte van het
                    bedrag is afhankelijk van de zwaarte van het verwijtbare gedrag. Deze standaard
                    dient als uitgangspunt bij de uiteindelijke vaststelling van de verlaging,
                    waarbij de ernst van het gedrag, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden worden meegewogen. Door het vaststellen van een vast bedrag wordt
                    een heldere relatie gelegd tussen het verwijtbare gedrag en de sanctie. Bij
                    cumulatie van maatregelen die de bijstandsnorm overstijgen wordt maatwerk
                    toegepast.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Lid 2 regelt dat het college bevoegd is tot indexering van de bedragen. In
                    verband met de herkenbaarheid van de bedragen worden geïndexeerde bedragen
                    afgerond op een veelvoud van € 5. Indexeringen worden altijd berekend op basis
                    van de niet afgeronde bedragen.</al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>In afwijking van artikel 7 lid 1b gaat het in dit artikel om het niet, niet
                    tijdig of niet behoorlijk verstrekken van informatie, die direct van invloed is
                    op het recht of de hoogte van de bijstand. Het betreft het niet of niet
                    behoorlijk verstrekken van gegevens, waarvan de cliënt redelijkerwijs kan
                    begrijpen dat deze van invloed zijn op het recht op bijstand. Er kan in deze
                    situaties sprake zijn van fraude als de cliënt de bedoelde inlichtingen bewust
                    heeft verzwegen met de bedoeling er financieel van te profiteren. Waren de
                    inlichtingen wel (tijdig) verstrekt, dan zou dat hebben geleid tot het lager
                    vaststellen van het recht op bijstand of tot beëindiging van de bijstand.</al><al>Voorbeelden van gedragingen zijn: het niet melden van inkomsten, het niet melden
                    van (wijzigingen in de) omstandigheden, zoals de woonsituatie.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>In geval van een gedraging die heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te
                    hoog bedrag verlenen van bijstand, waaronder fraude, bedraagt de maatregel 10%
                    van de teveel verstrekte netto bijstand, met een minimum van € 100. Het
                    benadelingsbedrag wordt uiteraard teruggevorderd. Bij fraude kan aangifte worden
                    gedaan bij het Openbaar Ministerie.</al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>Met ‘zeer ernstige misdragingen’ wordt bedoeld gedrag dat in het normale
                    menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel wordt beschouwd, zoals
                    agressie en discriminatie. Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie
                    dat een cliënt zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid, de omstandigheden waaronder
                    de misdraging heeft plaatsgevonden en de persoonlijke omstandigheden van de
                    cliënt.</al><al>Wat betreft de ernst van de gedraging kunnen de volgende vormen van misdragingen
                    in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden onderscheiden.</al><lijst><li nr="1"><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="2"><al>discriminatie;</al></li><li nr="3"><al>intimidatie (bedreiging, uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="4"><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="5"><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="6"><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Naast het opleggen van een maatregel kan aangifte bij Justitie worden gedaan.
                    Bij vernielingen wordt de schade verhaald.</al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Indien binnen één jaar na het besluit tot opleggen van een maatregel ten gevolge
                    van een eerdere verwijtbare gedraging opnieuw sprake is van een vergelijkbare of
                    ernstiger verwijtbare gedraging, wordt herhaalde verwijtbaarheid tot uitdrukking
                    gebracht in een verdubbeling van het standaardbedrag.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Bij zeer ernstige misdragingen of een gedraging uit de vierde categorie (artikel
                    6 lid 4) kan een maatregel opgelegd worden in de vorm van een maand lang een
                    verlaging van 100%. Indien betrokkene zich binnen een jaar na een besluit tot
                    een 100%-maatregel van één maand ten gevolge van een verwijtbare gedraging
                    schuldig maakt aan een vergelijkbare of ernstiger gedraging dan wordt de periode
                    van één maand verdubbeld.</al><tussenkop>Lid 3 en 4</tussenkop><al>Met de eerdere verwijtbare gedraging wordt de gedraging bedoeld die aanleiding
                    is geweest tot het opleggen van een maatregel, ook al is de maatregel niet
                    geëffectueerd. Hieraan wordt ook een waarschuwing of afzien van ten
                    uitvoerlegging op grond van dringende redenen gelijkgesteld.</al><tussenkop>Artikel 12, 13 en 14</tussenkop><al>Omdat het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid een breed
                    begrip is waaronder allerlei gedragingen kunnen vallen wordt het college
                    verplicht om in de maatregelenverordening zoveel mogelijk specifieke gedragingen
                    te benoemen. Anders kan er immers geen maatregel aan gehangen worden. Met deze
                    artikelen wordt aan deze specificeringsplicht tegemoet gekomen. Wanneer de
                    verplichtingen vaker niet worden nagekomen moet individuele afweging van de mate
                    van verwijtbaarheid nauwkeurig onderbouwd worden in relatie tot de maatregel.
                    Overigens is het onmogelijk om alle gedragingen die vallen onder tekortschietend
                    besef van verantwoordelijkheid te benoemen en zal bij niet genoemde gedragingen
                    in dit kader maatwerk moeten worden geleverd.</al><tussenkop>Artikel 15</tussenkop><al>Artikel 8a WWB bepaalt dat de gemeenteraad in het kader van het financiële
                    beheer bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte
                    ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
                    De gemeenteraad kan aansluiten bij de verordening maatregelen en hoeft in dat
                    geval geen aparte fraudeverordening op te stellen. Met de formulering van
                    artikel 13 wordt voor dit laatste gekozen en sluiten wij aan bij het vigerende
                    beleid terugvordering en verhaal.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>