<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR13449_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Aa en Hunze</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Aa en Hunze</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Schakel, 03-01-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra/article=4">Wet op het primair onderwijs, art. 4 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra/article=4">Wet op de expertisecentra, art. 4 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20voortgezet%20onderwijs/article=4">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 4 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-04-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2006/71</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Aa en Hunze;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de
                        gemeente Aa en Hunze d.d. 14 november 2006, nummer;</al><al>gelet op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20primair%20onderwijs/article=4%20">artikelen 4 van de Wet op het primair onderwijs</extref>, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra%20">Wet op de expertisecentra</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20voortgezet%20onderwijs/article=4%20">artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs</extref>;</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de volgende: Verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                            Hunze.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 1 ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>school: </al><lijst><li nr="-"><al>een basisschool of speciale school voor basisonderwijs
                                            als bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20primair%20onderwijs%20">Wet op het primair onderwijs</extref> (Stb. 1998,
                                            495);</al></li><li nr="-"><al>een school voor speciaal onderwijs of speciaal en
                                            voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                                            onderwijs als bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra%20">Wet op de expertisecentra</extref> (Stb. 1998,
                                            496);</al></li><li nr="-"><al>een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20voortgezet%20onderwijs%20">Wet op het voortgezet onderwijs</extref> (Stb.
                                            1998, 512);</al></li><li nr="-"><al>een school voor speciaal voortgezet onderwijs als
                                            bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20voortgezet%20onderwijs">deel II van de Wet op het voortgezet
                                                onderwijs</extref>;</al></li></lijst></li><li nr="b"><al>ouders: de ouders, voogden of verzorgers van de leerling;</al></li><li nr="c"><al>leerling: een leerling van een school als bedoeld onder a;</al></li><li nr="d"><al>woning: de plaats waar de leerling feitelijk zijn hoofdverblijf
                                    heeft;</al></li><li nr="e"><al>afstand: de afstand tussen de woning en de school, gemeten langs
                                    de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige
                                    weg;</al></li><li nr="f"><al>vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer
                                    tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat
                                    plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de
                                    schooldag volgens het schoolplan, tenzij de structurele handicap
                                    van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk
                                    maakt;</al></li><li nr="g"><al>openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer
                                    volgens een dienstregeling per trein, metro, tram, bus,
                                    veerdienst of auto;</al></li><li nr="h"><al>aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer,
                                    taxi, treintaxi of bustaxi;</al></li><li nr="i"><al>eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig, bromfiets of
                                    fiets;</al></li><li nr="j"><al>reistijd: de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van
                                    de woning en de aanvang van de schooldag volgens het schoolplan,
                                    minus maximaal 10 minuten indien en voorzover de leerling het
                                    schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt
                                    dan het schoolplan aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die
                                    ligt tussen het einde van de schooldag volgens het schoolplan en
                                    de aankomst bij de woning;</al></li><li nr="k"><al>toegankelijke school: </al><lijst><li nr="-"><al>voor wat betreft basisscholen en speciale scholen voor
                                            basisonderwijs: de basisschool van de verlangde
                                            godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel
                                            de openbare school of de speciale school voor
                                            basisonderwijs waarop de leerling is aangewezen van de
                                            verlangde godsdienstige of levenbeschouwelijke richting
                                            dan wel de openbare school;</al></li><li nr="-"><al>voor wat betreft scholen voor (voortgezet) speciaal
                                            onderwijs, scholen voor speciaal voortgezet onderwijs en
                                            scholen voor praktijkonderwijs en leerwegondersteunend
                                            onderwijs: de school van de soort waarop de leerling is
                                            aangewezen van de verlangde godsdienstige of
                                            levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school
                                            van de soort waarop de leerling is aangewezen;</al></li></lijst></li><li nr="l"><al>inkomen: het ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 2001
                                    (Stb. 2000, 215) vastgestelde gecorrigeerde verzamelinkomen van
                                    de ouders in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het
                                    schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt
                                    gevraagd.</al></li><li nr="m"><al>opstapplaats: plaats aangewezen door burgemeester en wethouders,
                                    vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer;</al></li><li nr="n"><al>Commissie voor de begeleiding: de commissie die is ingesteld
                                    door het bevoegd gezag van een school als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra/article=1%20">artikel 1 van de Wet op de expertisecentra</extref>, niet
                                    zijnde een instelling, of de bevoegde gezagsorganen van twee of
                                    meer scholen als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra/article=1%20">artikel 1 van de Wet op de expertisecentra</extref>, niet
                                    zijnde instellingen, die hetzelfde regionaal expertisecentrum in
                                    stand houden;</al></li><li nr="o"><al>vervoersvoorziening: een gehele of gedeeltelijke vergoeding van
                                    de door burgemeester en wethouders noodzakelijk geachte
                                    vervoerskosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; </al><lijst><li nr="-"><al>de verstrekking van een abonnement of strippenkaart voor
                                            de leerling en zo nodig diens begeleider, of:</al></li><li nr="-"><al>aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente
                                            verzorgt of doet verzorgen;</al></li></lijst></li><li nr="p"><al>permanente commissie leerlingenzorg: de commissie als bedoeld in
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20primair%20onderwijs/article=23%20">artikel 23 van de Wet op het primair
                                    onderwijs</extref>.</al></li><li nr="q"><al>samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband als bedoeld in
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20primair%20onderwijs/article=18%20">artikel 18 van de Wet op het primair
                                    onderwijs</extref>.</al></li><li nr="r"><al>regionale verwijzingscommissie: de commissie als bedoeld in
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20voortgezet%20onderwijs%20/article=10g%20">artikel 10g van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs</extref></al></li><li nr="s"><al>opdc: orthopedagogisch en –didactisch centrum als bedoeld in
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20voortgezet%20onderwijs%20/article=10h">artikel 10h, derde lid van de Wet op het voortgezet
                                        onderwijs</extref></al></li><li nr="t"><al>ambulante begeleiding: de begeleiding door een personeelslid van
                                    een school of instelling als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra/article=1%20">artikel 1 van de Wet op de expertisecentra</extref> van
                                    leerlingen die zijn geplaatst op een basisschool of leerlingen
                                    die zijn geplaatst op een school voor voortgezet onderwijs en
                                    naar het oordeel van het bevoegd gezag zonder die begeleiding
                                    zouden zijn aangewezen op het speciaal onderwijs of voortgezet
                                    speciaal onderwijs.</al></li><li nr="u"><al>commissie voor de indicatiestelling: de commissie als bedoeld in
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra/article=28c">artikel 28 c van de Wet op de
                                    expertisecentra</extref>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Bekostiging van de door het college noodzakelijk te
                                achten vervoerskosten</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders
                                    van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een
                                    vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in
                                    deze verordening.</al></li><li nr="2"><al>Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt
                                    het dat de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging
                                    van de vervoerskosten toekomt, hun kinderen van het aldus
                                    verzorgde vervoer gebruik laten maken tegen betaling van een
                                    bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders ingevolge het
                                    bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van
                                    het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de
                                    in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op
                                    bekostiging vervallen.</al></li><li nr="3"><al>De bepalingen in deze verordening laten onverlet de
                                    verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun
                                    kinderen.</al></li><li nr="4"><al>Indien de leerling meerderjarig is en handelingsbekwaam is,
                                    wordt de bekostiging op aanvraag verstrekt aan de leerling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                                school</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Bekostiging van de vervoerskosten wordt toegekend over de
                                    afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de
                                    dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij
                                    vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente
                                    minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het
                                    vervoer naar die school schriftelijk instemmen.</al></li><li nr="2"><al>Indien ouders bekostiging van de vervoerskosten aanvragen voor
                                    het bezoeken van een school, die op grotere afstand van de
                                    woning is gelegen dan in artikel 11 of 15 is bepaald, terwijl
                                    een of meer scholen van dezelfde onderwijssoort dichterbij de
                                    woning zijn gelegen, ontstaat slechts aanspraak op bekostiging
                                    naar eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt
                                    verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar
                                    onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle
                                    bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is
                                    aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen.</al></li><li nr="3"><al>Voor de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs uit cluster 4 bezoekt geldt als dichtstbijzijnde
                                    toegankelijke school, de school die door de commissie voor de
                                    indicatiestelling is geadviseerd. Dit is van toepassing zolang
                                    de leerling zijn woonplaats heeft in het gebied van het
                                    regionaal expertisecentrum waaraan voornoemde commissie is
                                    verbonden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Uitbetaling van de vergoeding</titel></kop><al>Het college bepaalt bij het verstrekken van bekostiging van de
                            vervoerskosten de wijze en het tijdstip van de uitbetaling, alsmede de
                            tijdsduur van de verstrekte bekostiging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Aanvraagprocedure</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Een aanvraag voor bekostiging van de vervoerskosten wordt gedaan
                                    door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door
                                    de ouders ondertekend formulier, voorzien van de op het
                                    formulier vermelde gegevens.</al></li><li nr="2"><al>De aanvraag wordt, indien het een aanvraag voor het
                                    eerstvolgende schooljaar betreft, vóór 1 juni voorafgaand aan
                                    dat schooljaar ingediend.</al></li><li nr="3"><al>Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag
                                    noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende
                                    gegevens te verstrekken.</al></li><li nr="4"><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na
                                    ontvangst van alle benodigde gegevens.</al></li><li nr="5"><al>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten
                                    hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan
                                    schriftelijk in kennis.</al></li><li nr="6"><al>Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend wordt deze
                                    getroffen:</al></li><li nr="a"><al>met ingang van het nieuwe schooljaar indien de aanvraag voor 1
                                    juni is ingediend;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de door de ouders verzochte datum als het een
                                    aanvraag gedurende het schooljaar betreft, met dien verstande
                                    dat de datum waarop de vergoeding wordt toegewezen niet ligt
                                    voor de datum van ontvangst van de aanvraag door het
                                    college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De ouders zijn verplicht wijzigingen die van invloed kunnen zijn
                                    op de toegekende vergoeding van de vervoerskosten, onder
                                    vermelding van de datum van wijziging, onverwijld schriftelijk
                                    mede te delen aan het college.</al></li><li nr="2"><al>Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de
                                    verstrekte bekostiging, vervalt de aanspraak op bekostiging en
                                    verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                                    vervoerskosten.</al></li><li nr="3"><al>Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid
                                    en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid
                                    vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte bekostiging is
                                    verstrekt, vervalt de aanspraak op bekostiging van de
                                    vervoerskosten terstond en verstrekt het college al dan niet
                                    opnieuw bekostiging van de vervoerskosten. Het college deelt hun
                                    besluit schriftelijk mee aan de ouders.</al></li><li nr="4"><al>Een ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden
                                    teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele
                                    nieuwe verstrekking van bekostiging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Peildatum leeftijd leerling</titel></kop><al>Voor het verstrekken van bekostiging op basis van artikel 12 is bepalend
                            de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de
                            vergoeding betrekking heeft.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Andere vergoedingen</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging wordt verminderd met de aanspraak op een
                            toelage, voorzover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op
                            de reiskosten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 2 BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE LEERLINGEN VAN SCHOLEN
                            VOOR PRIMAIR ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                                speciale school voor basisonderwijs in het
                                samenwerkingsverband</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 worden de kosten worden
                            vergoed van het vervoer over de afstand tussen de woning dan wel de
                            opstapplaats en</al><lijst><li nr="a"><al>de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale
                                    school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de
                                    basisschool waarvan de leerling afkomstig is of</al></li><li nr="b"><al>een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a
                                    bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die
                                    school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen
                                    dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs,
                                    bedoeld onder a.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Permanente commissie leerlingenzorg</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college neemt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                                    leerlingenvervoer de beslissing in acht van de permanente
                                    commissie leerlingenzorg over de toelating van de leerling op
                                    een speciale school voor basisonderwijs.</al></li><li nr="2"><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                                    leerlingenvervoer eventuele adviezen van de permanente commissie
                                    leerlingenzorg die voor de beoordeling van die aanvraag van
                                    belang zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en
                                vervoer per fiets</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een
                                    school voor basisonderwijs of een speciale school voor
                                    basisonderwijs bezoekt bekostiging op basis van de kosten van
                                    het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de
                                    dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes
                                    kilometer bedraagt.</al></li><li nr="2"><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                    bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets,
                                    indien de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet
                                    onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                                    fiets.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van
                                een begeleider</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel
                                    11, bekostigt het college van burgemeester en wethouders tevens
                                    de daarin bedoelde kosten ten behoeve van een begeleider, indien
                                    de leerling jonger dan negen jaar is en door de ouders tegenover
                                    het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in
                                    staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets
                                    gebruik te maken.</al></li><li nr="2"><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                    komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één
                                    begeleider voor vergoeding in aanmerking.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                                vervoer</titel></kop><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                            vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs
                            of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, indien voldaan wordt
                            aan het afstandscriterium van artikel 11, en</al><lijst><li nr="a"><al>de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school
                                    of terug meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                                    aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar
                                    vervoer kan worden teruggebracht, of:</al></li><li nr="b"><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel
                                    van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken
                                    van het vervoer per fiets.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Bekostiging op basis van de kosten van eigen
                                vervoer</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten,
                                    kan het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer
                                    leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></li><li nr="2"><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                    verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling
                                    zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: </al><lijst><li nr="a"><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar
                                            vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op
                                            basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens
                                            het bepaalde in het vijfde lid;</al></li><li nr="b"><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                            auto, afgeleid van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnenland">Reisregeling binnenland</extref>, indien aanspraak
                                            zou bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast
                                            vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3"><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                    verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan één
                                    leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een
                                    bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto,
                                    afgeleid van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnenland">Reisregeling binnenland</extref>, behoudens het bepaalde in
                                    het vierde lid.</al></li><li nr="4"><al>Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door
                                    andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van één of
                                    meer leerlingen een vergoeding ontvangen afgeleid van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnenland">Reisregeling binnenland</extref>, wordt door het college
                                    geen bekostiging verstrekt.</al></li><li nr="5"><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en
                                    het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de
                                    leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt
                                    het college aan de ouders een bedrag op basis van een
                                    kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnenland">Reisregeling binnenland</extref>.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 3 BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE LEERLINGEN VAN SCHOLEN
                            VOOR (VOORTGEZET) SPECIAAL ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en
                                vervoer per fiets</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, bekostiging
                                    op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de
                                    afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                                    school meer dan zes kilometer bedraagt.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                    bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan
                                    wel bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het
                                    college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van
                                    het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van
                                    het vervoer per bromfiets.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Commissie voor de begeleiding</titel></kop><al>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een leerling
                            op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs niet of slechts
                            gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de
                            commissie voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen te
                            betrekken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten
                                behoeve van een begeleider</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel
                                    15, bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten
                                    behoeve van een begeleider, indien door de ouders ten behoeve
                                    van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling,
                                    gelet op zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke
                                    handicap of leeftijd, niet in staat is zelfstandig van het
                                    openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.</al></li><li nr="2"><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet
                                    of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking
                                    het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies
                                    van andere deskundigen te betrekken.</al></li><li nr="3"><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                    komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van
                                    één begeleider voor vergoeding in aanmerking.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                                vervoer</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                    aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school
                                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, indien voldaan
                                    wordt aan het afstandscriterium van artikel 15, en </al><lijst><li nr="a"><al>de leerling, naar het oordeel van burgemeester en
                                            wethouders, gelet op zijn lichamelijke, verstandelijke
                                            of zintuiglijke handicap niet in staat is - ook niet
                                            onder begeleiding - van openbaar vervoer gebruik te
                                            maken, of:</al></li><li nr="b"><al>de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar
                                            school of terug meer dan anderhalf uur onderweg is en de
                                            reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de
                                            reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht,
                                            of:</al></li><li nr="c"><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het
                                            oordeel van het college al dan niet onder begeleiding
                                            gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel
                                            zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                            bromfiets.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet
                                    of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking
                                    het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies
                                    van andere deskundigen te betrekken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Bekostiging op basis van de kosten van eigen
                                vervoer</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten,
                                    kan het college van burgemeester en wethouders de ouders op
                                    aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te
                                    laten vervoeren.</al></li><li nr="2"><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                    verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling
                                    zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: </al><lijst><li nr="a"><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar
                                            vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op
                                            basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens
                                            het bepaalde in het vijfde lid;</al></li><li nr="b"><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                            auto, afgeleid van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnenland">Reisregeling binnenland</extref>, indien aanspraak
                                            zou bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast
                                            vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3"><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                    verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan één
                                    leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren,
                                    bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding
                                    voor de auto, afgeleid van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20Binnenland">Reisregeling Binnenland</extref>, behoudens het bepaalde in
                                    het vierde lid.</al></li><li nr="4"><al>Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door
                                    andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van één of
                                    meer leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnenland">Reisregeling binnenland</extref>, wordt door het college
                                    geen bekostiging verstrekt.</al></li><li nr="5"><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en
                                    het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de
                                    leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets of
                                    bromfiets, verstrekt het college aan de ouders een bedrag op
                                    basis van een kilometervergoeding voor de fiets dan wel
                                    bromfiets, afgeleid van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnenland">Reisregeling binnenland</extref>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Bekostiging vervoerskosten</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college verstrekt eveneens bekostiging op basis van de
                                    kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die
                                    een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, in het
                                    geval dat de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor
                                    de leerling toegankelijke school minder bedraagt dan is bepaald
                                    in artikel 15, indien het college van oordeel is dat
                                    de lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap van de
                                    leerling dat vereist.</al></li><li nr="2"><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet
                                    of slechts gedeeltelijk toekent, dient zij bij de beschikking
                                    het advies van de commissie van begeleiding of het advies van
                                    andere deskundigen te betrekken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 4 BEPALINGEN OMTRENT WEEKEINDE- EN VAKANTIEVERVOER</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 21 Bekostiging kosten van het weekeinde- en
                                vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders</titel></kop><al>Het college bekostigt desgewenst de kosten van het weekeinde- en
                            vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling
                            die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet)
                            speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het
                            bepaalde in deze titel.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22 Bekostiging kosten weekeinde- en
                                vakantievervoer</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college verstrekt aan de ouders bekostiging van de kosten
                                    van het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per
                                    weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin
                                    waar de leerling verblijft naar de woning van de ouders en
                                    terug, voorzover de weekeinden niet vallen binnen de in het
                                    tweede lid bedoelde schoolvakanties.</al></li><li nr="2"><al>Het college bekostigt de kosten van het vakantievervoer van de
                                    leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of
                                    meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de
                                    leerling verblijft naar de woning van de ouders en terug,
                                    voorzover de vakantie voorkomt in het schoolplan van de school
                                    die de leerling bezoekt.</al></li><li nr="3"><al>Titel 3 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing,
                                    met uitzondering van artikel
                                        16, artikel 17, tweede lid, artikel 18, eerste lid onder b, artikel 18, tweede lid, en artikel
                                        20.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 5 EIGEN BIJDRAGE EN BEKOSTIGING NAAR FINANCIËLE
                            DRAAGKRACHT</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 23 Drempelbedrag</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Aan de ouders van een leerling die een school voor
                                    basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs
                                    bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan €
                                    21.600,- wordt slechts bekostiging verstrekt voorzover de kosten
                                    van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar
                                    vervoer over de in artikel 11 bepaalde afstand te boven
                                    gaan.</al></li><li nr="2"><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te
                                    kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen
                                    de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs,
                                    of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, voor één
                                    leerling per [1]gezin per schooljaar een eigen bijdrage die
                                    gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in
                                    artikel 11 bepaalde afstand, indien het inkomen van de ouders
                                    meer bedraagt dan € 21.600,-. Indien uit een gezin meerdere
                                    kinderen gebruik maken van het ingevolge deze bepalingen door
                                    burgemeester en wethouders verzorgde vervoer, dan is de eigen
                                    bijdrage als in dit lid bedoeld, slechts verschuldigd voor het
                                    oudste kind dat van het vervoer gebruik maakt.</al></li><li nr="3"><al>De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede
                                    lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die op grond van
                                    de zone-indeling in de regeling die is gebaseerd op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20personenvervoer%202000/article=30">artikel 30, eerste lid, van de Wet personenvervoer
                                        2000</extref>, voor de afstand redelijkerwijs zouden worden
                                    gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het
                                    daadwerkelijk gebruik ervan.</al></li><li nr="4"><al>Het bedrag van € 21.600,- genoemd in het eerste en tweede lid,
                                    wordt met ingang van 1 januari 1999 jaarlijks aangepast aan de
                                    wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van
                                    volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het
                                    voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van €
                                    450,-.</al></li><li nr=""><al>Het aangepaste bedrag treedt in de plaats van de in het eerste
                                    en tweede lid genoemde bedrag van € 21.600,-</al></li><li nr="5"><al>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie
                                    ingevolge titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24 Financiële draagkracht</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde
                                    toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 kilometer
                                    bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een
                                    van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk
                                    bedrag.</al></li><li nr="2"><al>Ingeval het college in plaats van bekostiging in geld toe te
                                    kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de
                                    afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                                    school voor basisonderwijs meer dan 20 kilometer bedraagt,
                                    betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke
                                    bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het
                                    vervoer.</al></li><li nr="3"><al>De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de
                                    bijdrage als bedoeld in het tweede lid zijn afhankelijk van de
                                    hoogte van het gecorrigeerde verzamelinkomen van de ouders in de
                                    zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 en bedragen:</al></li></lijst><al><onderstreept>inkomen in € eigen bijdrage in € </onderstreept></al><al>0 - 28.500 nihil</al><al>28.500 - 34.000 115</al><al>34.000 - 40.000 465</al><al>40.000 - 45.000 870</al><al>45.000 - 51.500 1.265</al><al>41.500 - 56.000 1.680</al><al>56.000 en verder per € 4.500 extra inkomen eigen bijdrage steeds
                            opgehoogd met € 395,-.[2]</al><lijst><li nr="4"><al>De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang
                                    van 1 januari 1998 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het
                                    indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft
                                    ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar,
                                    en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.</al></li><li nr="5"><al>De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid,
                                    worden met ingang van 1 januari 1998 jaarlijks aangepast aan de
                                    wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle
                                    huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan
                                    ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en
                                    rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.</al></li><li nr="6"><al>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie
                                    ingevolge titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 6 Bepalingen omtrent het vervoer van gehandicapte leerlingen
                            van scholen voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 25 Bekostiging op basis van de kosten van openbaar
                                vervoer met begeleiding</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                    openbaar vervoer met begeleiding aan de ouders van de leerling
                                    die een basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een
                                    school voor voortgezet onderwijs bezoekt en vanwege een
                                    lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet
                                    zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Ten
                                    aanzien van een leerling van een speciale school voor
                                    basisonderwijs neemt het college artikel 9 in acht.</al></li><li nr="2"><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet
                                    of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking
                                    het advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de
                                    ambulante begeleider of het advies van andere deskundigen te
                                    betrekken.</al></li><li nr="3"><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                    komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van
                                    één begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></li><li nr="4"><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                    bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan
                                    wel bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het
                                    college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van
                                    het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van
                                    het vervoer per bromfiets.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26 Bekostiging op basis van aangepast vervoer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                    aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een
                                    basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een school
                                    voor voortgezet onderwijs bezoekt, indien </al><lijst><li nr="a."><al>de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op
                                            zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke
                                            handicap niet in staat is - ook niet onder begeleiding-
                                            van openbaar vervoer gebruik te maken. Ten aanzien van
                                            een leerling van een speciale school voor basisonderwijs
                                            neemt het college artikel 9 in acht. Of:</al></li><li nr="b."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in
                                            artikel 25 en de leerling met gebruikmaking van openbaar
                                            vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur
                                            onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50%
                                            of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan
                                            worden teruggebracht, of:</al></li><li nr="c."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in
                                            artikel 25 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de
                                            leerling naar het oordeel van het college al dan niet
                                            onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per
                                            fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het
                                            vervoer per bromfiets.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet
                                    of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking
                                    het advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de
                                    ambulante begeleider of het advies van andere deskundigen te
                                    betrekken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27 Bekostiging op basis van de kosten van eigen
                                vervoer</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten,
                                    kan het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer
                                    leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></li><li nr="2"><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                    verleend, bekostigt het college aan de ouders die één of meer
                                    leerlingen zelf vervoeren of laten vervoeren: </al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar
                                            vervoer indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op
                                            basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens
                                            het bepaalde in het vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                            auto, afgeleid van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnenland">Reisregeling binnenland</extref>, indien aanspraak
                                            zou bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast
                                            vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3"><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                    verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan één
                                    leerling tegelijk zelf vervoeren of laten vervoeren, bekostiging
                                    van een bedrag op basis van kilometervergoeding voor de auto,
                                    afgeleid van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnenland">Reisregeling binnenland</extref>, behoudens het bepaalde in
                                    het vierde lid.</al></li><li nr="4"><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door
                                    andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of
                                    meer leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnenland">Reisregeling binnenland</extref>, wordt door het college
                                    geen bekostiging verstrekt.</al></li><li nr="5"><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en
                                    het college desgewenst toestaat dan wel van oordeel is dat de
                                    leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets of
                                    bromfiets, verstrekt het college aan de ouders bekostiging van
                                    een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets of
                                    bromfiets, afgeleid van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnenland">Reisregeling binnenland</extref>.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 7 SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 28 Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, die de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffen en
                            waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 29 Afwijken van bepalingen</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de ouders afwijken
                            van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben
                            gevraagd aan de permanente commissie leerlingenzorg, de commissie voor
                            de begeleiding, de regionale verwijzingscommissie of andere
                            deskundigen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30 Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze, 2003 wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31 Overgangsregeling</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Voor een leerling als bedoeld in titel 6 voor wie in het
                                    schooljaar 2001 – 2002 krachtens de Wet Rea een
                                    vervoersvoorziening werd verstrekt, niet zijnde een voorziening
                                    in de vorm van een bruikleenauto of een voorziening deel
                                    uitmakend van een samenhangend met een leefvervoervoorziening,
                                    blijft, indien de ouders dat wensen, zo nodig in afwijking van
                                    artikel 3 aanspraak bestaan op een gelijkwaardige voorziening
                                    van en naar de school die de leerling in schooljaar 2001 – 2002
                                    bezocht.</al></li><li nr="2"><al>Voor de leerling van leerwegondersteunend onderwijs of
                                    praktijkonderwijs die in het schooljaar 2001 – 2002 een
                                    vervoersvoorziening kreeg naar een school voor speciaal
                                    voortgezet onderwijs, leerwegondersteunend onderwijs,
                                    praktijkonderwijs of een opdc, blijft aanspraak bestaan op een
                                    vervoersvoorziening van en naar de school of opdc die de
                                    leerling in het schooljaar 2001 – 2002 bezocht indien de afstand
                                    van de woning naar de school meer dan zes kilometer bedraagt.
                                    Titel 5 is van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3"><al>De bepalingen in titel 6 zijn voor de eerste maal van toepassing
                                    in het schooljaar 2002-2003. Op het vervoer van leerlingen
                                    voorafgaand aan het schooljaar 2002 – 2003 en daarop betrekking
                                    hebbende geschillen, blijven de regelingen die voorafgaand aan
                                    de inwerkingtreding van deze verordening luiden van
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                            van de bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 33 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                            leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad der gemeente Aa en
                        Hunze, gehouden op</ondertekening><ondertekening>20 december 2006.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>T. Santes. Drs. R.W. Munniksma.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Artikelsgewijs de toelichting op de verordening leerlingenvervoer gemeente
                        Aa en Hunze</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></al><al>In artikel 1 van de
                    verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze zijn een aantal begrippen
                    nader gedefinieerd, die regelmatig gebruikt worden in de verordening.</al><al><vet>Ad a</vet></al><al>De Wet op het primair onderwijs (WPO), die op 1 augustus 1998 in werking treedt,
                    voorziet in de samenvoeging van het basisonderwijs en het onderwijs voor
                    kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom), moeilijk lerende kinderen
                    (mlk) en in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk) in één wet. De scholen
                    voor lom, mlk en iobk gaan onder de WPO ‘speciale scholen voor basisonderwijs’
                    heten.</al><al>Het oude vso-lom en vso-mlk zijn onder <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20voortgezet%20onderwijs%20/article=124%20">deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO), artikelen 124 en
                        volgende</extref>, gebracht. Inhoudelijk komen de bepalingen in dit deel
                    overeen met de bepalingen die op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Interimwet%20op%20het%20speciaal%20onderwijs%20en%20het%20voortgezet%20speciaal%20onderwijs%20">Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal
                        onderwijs</extref> (ISOVSO) golden. In de Wet regeling leerwegen mavo en vbo
                    alsmede invoering leerwegondersteunend en praktijkonderwijs is bepaald dat beide
                    schooltypen met ingang van 1 augustus 1998 moeten worden aangeduid als ‘scholen
                    voor speciaal voortgezet onderwijs’.</al><al>Scholen voor speciaal voortgezet onderwijs zijn in de periode van 1 augustus
                    1999 tot 1 augustus 2002 omgezet in leerwegondersteunend onderwijs of
                    praktijkonderwijs. Deze schoolsoorten maken deel uit van het reguliere
                    voortgezet onderwijs. Onder meer naar aanleiding van de Wet wijziging van de Wet
                    op het primair onderwijs, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra%20">Wet op de expertisecentra</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20voortgezet%20onderwijs%20">Wet op het voortgezet onderwijs</extref> in verband met het vervoer van
                    leerlingen (TK 27 884, Staatsblad 2002, 59) is het leerlingenvervoer op deze
                    schoolsoorten in beginsel niet meer van toepassing. Slechts leerlingen van het
                    regulier voortgezet onderwijs die vanwege hun lichamelijke, verstandelijke of
                    zintuiglijke handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik
                    kunnen maken, kunnen aanspraak maken op bekostiging van de kosten van
                    leerlingenvervoer. Voor leerlingen die in het schooljaar 2001-2002
                    leerlingenvervoer kregen, bestaat een overgangsregeling. Zie de toelichting op
                        artikel 31. Omdat in
                    deze overgangsregeling nog verwezen wordt naar het speciaal voortgezet onderwijs
                    (svo) en praktijkonderwijs, is er voor gekozen om deze schoolsoorten te
                    schrappen uit de verordening, behalve uit de begripsomschrijving (artikel
                    1).</al><al>Onder een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20voortgezet%20onderwijs">Wvo</extref>, vallen het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo),
                    het hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (havo en mavo) en het
                    voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), waar praktijkonderwijs en
                    leerwegondersteunend onderwijs deel van uit maken.</al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra%20">Wet op de expertisecentra</extref> (WEC) omvat al het overig speciaal en
                    voortgezet speciaal onderwijs, de zogeheten 2/3-scholen. Het gaat om onderwijs
                    voor doven, slechthorenden, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel
                    gehandicapten, lichamelijk gehandicapten, kinderen opgenomen in het ziekenhuis,
                    langdurig zieken, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare
                    kinderen, meervoudig gehandicapten en onderwijs op pedologische instituten. Deze
                    scholen blijven scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs heten.</al><al>Het Besluit trekkende bevolking van de WBO (Stb. 465, 1985) bevat voorschriften
                    voor scholen voor kinderen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden.</al><al>Vijf categorieën zijn hierin te onderscheiden:</al><lijst><li nr="1"><al>rijdende scholen voor kinderen van kermisexploitanten of van
                            circusmedewerkers;</al></li><li nr="2"><al>ligplaatsscholen voor varende kinderen;</al></li><li nr="3"><al>scholen voor kinderen van woonwagenbewoners;</al></li><li nr="4"><al>afdelingen voor zeer jeugdige kinderen van woonwagenbewoners;</al></li><li nr="5"><al>scholen voor kinderen van schippers, kermisexploitanten en
                            circusmedewerkers.</al></li></lijst><al>Tot 1 augustus 1985 waren de bepalingen ten aanzien van deze categorieën
                    opgenomen in de LO-wet, het Besluit buitengewoon onderwijs en wat betreft de
                    varende kinderen, gebaseerd op de Experimentenwet (Stb. 1970, 370).</al><al>Met de inwerkingtreding van de WBO zijn de voorzieningen ten behoeve van deze
                    groepen opgenomen in deze wet.</al><al>Deze scholen zijn vanaf 1 augustus 1985 aangemerkt als basisscholen.</al><al>Belangrijkste overweging hiervoor was, dat de desbetreffende kinderen in
                    principe aangewezen zijn op het reguliere basisonderwijs. Van overwegende
                    orthopedagogische of orthodidactische benadering was geen sprake.</al><al>Dit betekent dat de bekostigingen van vervoerskosten aan ouders van
                    eerdergenoemde leerlingen ook geënt dienen te zijn op de bepalingen omtrent het
                    vervoer van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs en speciale scholen voor
                    basisonderwijs (Titel 2 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                    Hunze). Met andere woorden: de volumebeperkende maatregelen zoals die zijn
                    vastgelegd in Titel 2 en Titel 5 van de verordening leerlingenvervoer gemeente
                    Aa en Hunze zijn ook van toepassing op het vervoer van deze leerlingen.
                    Uitzondering hierop vormen:</al><lijst><li nr="-"><al>leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van
                            kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B Besluit trekkende
                            bevolking);</al></li><li nr="-"><al>leerlingen die ligplaatsscholen bezoeken voor varende kinderen.</al></li></lijst><al>Ouders van leerlingen die voornoemde scholen bezoeken, komen niet voor
                    bekostiging van de vervoerkosten in aanmerking. De kosten voor noodzakelijk
                    vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek, vormen onderdeel
                    van de materiële instandhouding van die scholen.</al><al>Doorgaans bestaan basisscholen uit acht groepen. De vrije scholen kennen
                    daarentegen soms een ‘negende klas’. Door de uitspraak van de afdeling
                    rechtspraak van de Raad van State (van 27 juni 1988, Weekoverzicht RvS 1.61/88)
                    is duidelijk geworden dat de ‘negende klas’ bij vrije scholen onderdeel kan
                    uitmaken van dit type basisscholen. Ouders van leerlingen uit deze klassen komen
                    dus, indien voldaan is aan de voorwaarden van de gemeentelijke verordening, in
                    aanmerking voor een vervoerkostenbekostiging.</al><al>Vrije scholen kunnen nog tot 1 augustus 2001 afwijken van het beginsel dat
                    leerlingen binnen een tijdvak van acht aaneengesloten jaren het onderwijs kunnen
                    doorlopen. Vanaf deze datum komt de mogelijkheid van een negende klas echter ook
                    hier te vervallen.</al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra/article=2">Artikel 2 van de WEC</extref> verdeelt het speciaal en het voortgezet
                    speciaal onderwijs in onderwijs aan:</al><lijst><li nr="-"><al>dove kinderen;</al></li><li nr="-"><al>slechthorende kinderen;</al></li><li nr="-"><al>kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de
                            hiervoor bedoelde kinderen;</al></li><li nr="-"><al>visueel gehandicapte kinderen;</al></li><li nr="-"><al>lichamelijk gehandicapte kinderen;</al></li><li nr="-"><al>kinderen die opgenomen zijn in ziekenhuizen;</al></li><li nr="-"><al>langdurig zieke kinderen;</al></li><li nr="-"><al>zeer moeilijk lerende kinderen;</al></li><li nr="-"><al>zeer moeilijk opvoedbare kinderen;</al></li><li nr="-"><al>kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten;</al></li><li nr="-"><al>meervoudig gehandicapte kinderen.</al></li><li nr="Daarnaast"><al> werd tot 1 augustus 1998 onderscheid gemaakt naar:</al></li><li nr="-"><al>moeilijk lerende kinderen;</al></li><li nr="-"><al>kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden; en</al></li><li nr="-"><al>in hun ontwikkeling bedreigde kleuters.</al></li></lijst><al>Deze categorieën worden vanaf 1 augustus 1998 aangemerkt als speciale scholen
                    voor basisonderwijs vallend onder de WPO.</al><al>Wanneer voor een hoogbegaafde leerling het reguliere onderwijsaanbod niet
                    adequaat is en de leerling dientengevolge een school voor gewoon voortgezet
                    onderwijs bezoekt, dan behoeft de gemeente volgens de afdeling
                    bestuursrechtspraak van de Raad van State geen bekostiging van de kosten van het
                    leerlingenvervoer toe te kennen. De reden hiervoor is dat een school voor gewoon
                    voortgezet onderwijs geen school is in de zin van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20op%20de%20expertisecentra">WEC</extref> en WVO II en de Verordening leerlingenvervoer (uitspraak van 9
                    november 1995, nr. H 01.95.0165; in een uitspraak van 23 april 1998, nr.
                    H01.98.0221 bevestigd).</al><al><vet>Ad b</vet></al><al>In de omschrijving van het begrip ‘ouders’ is het onderscheid dat in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs">WPO</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20op%20de%20expertisecentra">WEC</extref> ten aanzien van ouders is aangebracht niet overgenomen. De
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs">WPO</extref> verstaat onder ouders: ouders en voogden van kinderen. De
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20op%20de%20expertisecentra">WEC</extref> verstaat ook de verzorgers daaronder.</al><al>In de praktijk van het leerlingenvervoer is gebleken dat aanvragen voor
                    leerlingenvervoer naar het primair onderwijs ook - zij het incidenteel - gedaan
                    worden door verzorgers. Een redelijke uitleg van de verordening brengt met zich
                    mee dat deze aanvragen in behandeling worden genomen. Uiteraard dient ook de
                    verzorger van een kind dat de basisschool of speciale school voor basisonderwijs
                    bezoekt de financiële verplichtingen na te komen die uit een eventuele
                    honorering van de aanvraag voortvloeien.</al><al>Vervolgens dient voor de bepaling of een drempelbedrag verplicht is, een inkomen
                    in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting aanwezig te zijn. Uitgangspunt is
                    dat daarbij het belastbaar inkomen van de aanvragende ouders, voogden of
                    verzorgers genomen wordt.</al><al>Het volgende onderscheid kan daarbij gemaakt worden:</al><lijst><li nr="-"><al>de kinderen vallen onder de zorg van natuurlijke personen;</al></li><li nr="-"><al>de kinderen vallen onder de zorg van een instelling.</al></li></lijst><al>Indien de ouder een natuurlijk persoon is, hoeft de bepaling van dit inkomen
                    doorgaans geen problemen op te leveren. Op eenvoudige wijze kan worden
                    vastgesteld wat het inkomen van de betrokken ouders is. De belastingwetgeving
                    houdt rekening met de verschillende samenlevingsvormen. Als in een concreet
                    geval onduidelijk is hoe het belastbaar inkomen bepaald moet worden, dan is het
                    raadzaam de belastingaanslagen dan wel jaaropgaven bij de ouders op te
                    vragen.</al><al>Als de aanvrager een rechtspersoon is, dan valt deze formeel niet onder de
                    werking van de Wet op de inkomstenbelasting. In de bekostiging van sommige
                    instellingen is echter rekening gehouden met bekostiging van de kosten van het
                    dagelijks vervoer naar school en het weekeinde- en vakantievervoer. In
                    voorkomende gevallen kan met de betrokken instelling contact worden
                    opgenomen.</al><al>Analoog aan de jurisprudentie van artikel 13 van de LO-wet vallen ook
                    verenigingen die minderjarigen onder voogdij hebben (KB 1 december 1954, nr. 22;
                    MO 1955, blz. 7) onder de begripsomschrijving ‘ouders’.</al><al><vet>Ad c</vet></al><al>Voor de begripsomschrijving ‘leerling’ geldt, evenals voor de
                    begripsomschrijving van ‘school’, dat die leerlingen zijn uitgesloten die een
                    rijdende school voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers
                    dan wel een ligplaatsschool voor varende kinderen bezoeken.</al><al>Ook de niet-leerplichtige leerlingen vallen onder de begripsomschrijving
                    ‘leerling’.</al><al>Met andere woorden: ook ouders van niet-leerplichtige leerlingen kunnen
                    aanspraak maken op bekostiging van de vervoerkosten. Hierbij wordt aangesloten
                    bij de jurisprudentie (KB 14-11-1986, nr. 30), en het gestelde tijdens de
                    parlementaire behandeling van de Wet gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer,
                    dat de niet-leerplichtige leerlingen onder het regime van de wet vallen.</al><al>In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs/article=39">artikel 39, derde lid, van de WPO</extref> is bepaald dat kinderen vanaf
                    drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de
                    basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen worden echter pas als zij de leeftijd
                    van vier jaar hebben bereikt leerling in de zin van de WPO (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs/article=39">artikel 39, eerste lid, WPO</extref>). De ouders kunnen dan ook pas vanaf
                    het moment dat hun kind vier jaar is geworden eventueel aanspraak maken op
                    bekostiging van de vervoerkosten naar de basisschool of speciale school voor
                    basisonderwijs.</al><al>De toelatingsleeftijd voor kinderen in het speciaal onderwijs is geregeld in
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra/article=39">artikel 39 van de WEC</extref>. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra/article=39">Artikel 39 WEC</extref> luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1"><al>De leeftijd waarop het kind tot het speciaal onderwijs mag worden
                            toegelaten is voor: </al><lijst><li nr="a"><al>zeer moeilijk opvoedbare kinderen: 6 jaar;</al></li><li nr="b"><al>zeer moeilijk lerende kinderen: 4,5 jaar;</al></li><li nr="c"><al>andere kinderen: 3 jaar.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>In het belang van het kind kan de inspecteur toestaan dat een kind
                            eerder wordt toegelaten dan in het eerste lid is bepaald.</al></li><li nr="3"><al>De leeftijd waarop de leerling het speciaal onderwijs en het voortgezet
                            speciaal onderwijs moet verlaten, is 20 jaar.</al></li></lijst><al>4 De inspecteur kan voor een leerling in het voortgezet speciaal onderwijs
                    ontheffing verlenen van het bepaalde in het derde lid, indien het voortgezet
                    verblijf op de school wenselijk is ter voltooiing van zijn opleiding of van een
                    op verhoging van zijn arbeidsgeschiktheid gerichte behandeling. Hij kan zich ten
                    behoeve van zijn beslissing een rapport over de leerling, opgesteld door de in
                    artikel 41, tweede lid, bedoelde commissie, doen voorleggen. De commissie kan
                    daartoe de betrokken leerling aan een onderzoek onderwerpen. De ontheffing wordt
                    telkens voor de tijd van 1 jaar verleend.’</al><al>Voor leerlingen die op grond van deze artikelen toegelaten zijn op een school
                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs, ongeacht of zij de leerplichtige leeftijd
                    hebben bereikt, of al voorbij zijn kunnen de ouders, indien zij voldoen aan de
                    voorwaarden van de gemeentelijke verordening leerlingenvervoer, aanspraak maken
                    op bekostiging van de vervoer kosten.</al><al><vet>Ad d</vet></al><al>Onder ‘woning’ wordt in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze
                    verstaan: de plaats waar de leerling feitelijk zijn verblijf heeft. Met andere
                    woorden, de plaats van waaruit het kind de school bezoekt. In dezen is het niet
                    relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven.</al><al>Niet ter zake doet of de ouders, voogden of verzorgers in de gemeente hun
                    officiële verblijf hebben in de zin van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Burgerlijk%20Wetboek%20Boek%201/article=10%20">artikelen 10 en verder van Boek I van het Burgerlijk wetboek</extref>. Bij
                    deze definitiebepaling is aangesloten bij de oude regelgeving en de
                    jurisprudentie onder artikel 13 van de LO-wet (KB van 17 augustus 1951, nr. 10;
                    MO nrs. 7 en 8, blz. 543).</al><al>Dit betekent dat indien een leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft
                    in deze ‘andere’ gemeente in het algemeen bekostiging van de vervoerkosten van
                    deze leerling aangevraagd moet worden. Met name bij zeer kort tijdelijk verblijf
                    van de leerling in een andere gemeente is het de vraag of het redelijk is dat
                    deze gemeente de vervoerkosten moet dragen. Door het incidentele karakter van
                    dit vervoer laat het zich doorgaans moeilijk organiseren binnen de bestaande
                    gemeentelijke kaders, zodat dit vervoer zeer veel extra kosten met zich mee kan
                    brengen. Ook voor ouders is dit omslachtig: bij gemeente A moeten zij deelname
                    aan het vervoer opzeggen, bij gemeente B vervoer aanvragen en een aantal weken
                    later dienen zij het omgekeerde te doen. Bovendien bevat de definitie van het
                    begrip woning een structureel element.</al><al>In een voorkomend geval kan als volgt worden gehandeld. Als vooraf vaststaat dat
                    een leerling gedurende een korte periode (niet meer dan bijvoorbeeld zes weken)
                    in een andere gemeente (B) verblijft en zijn oude school blijft bezoeken, dan
                    wordt dit verblijf aangemerkt als verblijf in de oorspronkelijke gemeente
                    (A).</al><al>Deze gemeente (A) zal dan ook het vervoer gedurende deze weken blijven
                    verzorgen. Hierbij wordt er van uitgegaan dat het kind naar zijn ‘eigen’ school
                    blijft gaan. Is de afstand van het tijdelijk verblijf van de leerling naar
                    school kleiner dan de kilometergrens die gemeente A hanteert, dan zal uiteraard
                    (tijdelijk) geen aanspraak op bekostiging van vervoerkosten bestaan.</al><al>In alle andere situaties waarin een leerling tijdelijk in een andere gemeente
                    verblijft verdient het aanbeveling de hoofdregel toe te passen, namelijk dat in
                    de gemeente waarin de leerling feitelijk verblijft het leerlingenvervoer wordt
                    aangevraagd. Deze gemeente beoordeelt dan dit verzoek op basis van de eigen
                    verordening leerlingenvervoer. Deze verordening kan uiteraard andere criteria
                    bevatten dan de verordening leerlingenvervoer van de oorspronkelijke
                    gemeente.</al><al>In het geval een leerling vanuit een ouderlijke woning een school bezoekt en
                    vanuit die school, omwille van een medische of sociale indicatie, naar een
                    dagcentrum reist, kan ervan uitgegaan worden dat het kind twee woningen in de
                    zin van de verordening heeft, te weten de ouderlijke woning en het
                    dagcentrum.</al><al>In hoofdstuk B, pagina 26 van de bijlage bij de Wet op de jeugdhulpverlening is
                    het begrip dagcentra als volgt gedefinieerd: ‘Voorzieningen die buiten
                    schooltijd begeleiding bieden aan schoolgaande kinderen wier functioneren door
                    psychosociale problemen wordt belemmerd, alsmede aan hun (stief)ouders.’</al><al>Bekende dagcentra zijn de Boddaertcentra, terwijl medische kinderdagverblijven,
                    die kinderen in de leeftijd van nul tot vier jaar begeleiden, ook als zodanig
                    kunnen worden aangemerkt. Om te bepalen of andere voorzieningen als een
                    dagcentrum kunnen worden aangemerkt, kan verder bij de provincie worden
                    geïnformeerd of gedeputeerde staten de voorziening als een dagcentrum
                    subsidiëren. Het is redelijk in dit soort gevallen een tegemoetkoming te
                    verlenen in de kosten van het vervoer van:</al><lijst><li nr="1"><al>de ouderlijke woning naar de school;</al></li><li nr="2"><al>de school naar het dagcentrum (uiteraard dient wel aan de
                            afstandscriteria voldaan te worden).</al></li></lijst><al>Het vervoer van dagcentrum naar huis komt niet voor rekening van de
                    gemeente.</al><al>Een kind van gescheiden ouders kan twee woningen hebben in de zin van de
                    verordening. Indien leerlingenvervoer is gewenst, moeten beide ouders
                    afzonderlijk, voor de dagen dat het kind doordeweeks bij hen verblijft, een
                    aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of zij woonachtig is.</al><al><vet>Ad e</vet></al><al>Met betrekking tot het begrip ‘afstand’ heeft de afdeling Rechtspraak van de
                    Raad van State bepaald dat de veiligheid van de weg op zich zelf beoordeeld
                    voldoende dient te zijn (uitspraak van 31 maart 1989, R03.87.2599). Het college
                    mag niet volstaan met verwijzing naar een minder veilige alternatieve
                    route.</al><al>Indien de afstand van de woning naar school niet voldoet aan het
                    afstandscriterium, dan dienen de ouders in voorkomend geval zelf voor
                    begeleiding zorg te dragen indien de af te leggen route onveilig is, aldus de
                    afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 12 juni 1995,
                    nr. R03.93.5575). De afdeling bestuursrechtspraak is voorts van mening dat de
                    route niet in alle gevallen volledig toegankelijk moet zijn voor gemotoriseerd
                    verkeer (uitspraak van 12 juni 1995, nr. R03.93.5639).</al><al><vet>Ad f</vet></al><al>Indien de gemeente opstapplaatsen hanteert, dient dit in de verordening te
                    worden opgenomen. Voorts is ter verduidelijking opgenomen dat het vervoer alleen
                    plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals
                    aangegeven in het schoolplan. Hiermee wordt voorkomen dat ouders op basis van
                    bijvoorbeeld sociale of tijdelijke medische overwegingen aanvragen indienen voor
                    het vervoer tijdens de schooltijd (bijvoorbeeld omdat de leerling te jong is om
                    het hele onderwijsprogramma te volgen). Uitsluitend indien de structurele
                    handicap van een leerplichtige leerling noodzaakt tot het volgen van slechts een
                    deel van het onderwijsprogramma, dient in voorkomend geval wel tijdens de
                    schooltijd vervoerd te worden.</al><al>Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20personenvervoer%202000/article=1%20">artikel 1 van de Wet personenvervoer</extref> (wet van 12 maart 1987, Stb.
                    175). In deze Wet wordt onder ‘openbaar vervoer’ verstaan: voor een ieder
                    openstaand personenvervoer per trein, metro, tram, bus, of auto volgens een
                    dienstregeling. De Wet personenvervoer definieert ‘dienstregeling’ als voor een
                    ieder kenbaar schema van reismogelijkheden. In de verordening is de
                    begripsomschrijving ‘openbaar vervoer’ uitgebreid met ‘veerdienst’.</al><al><vet>Ad j</vet></al><al>Onder ‘reistijd’ wordt in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze
                    verstaan: de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de
                    aanvang van de schooldag volgens het schoolplan, dan wel de totale tijdsduur die
                    ligt tussen het einde van de schooldag volgens het schoolplan minus maximaal
                    tien minuten indien en voorzover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend
                    terrein gewoonlijk eerder bereikt dan het schoolplan aangeeft en de aankomst bij
                    de woning.</al><al>Hiermee wordt aangegeven de tijdspanne die ligt tussen het verlaten van het huis
                    en de aanvang van de schooldag, dan wel de tijdspanne die ligt tussen het einde
                    van de schooldag en de aankomst bij het huis. Voorts leert de praktijk dat
                    leerlingen, ongeacht of zij gebruikmaken van het leerlingenvervoer, zich vaak
                    zo’n tien minuten voor de aanvang van de lessen op het schoolplein bevinden. Het
                    ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. Het is dus niet de
                    bedoeling het begrip reistijd in alle gevallen uit te breiden, slechts indien en
                    voorzover de leerling voor de aanvang van de lessen zich in de school dan wel op
                    het schoolplein bevindt.</al><al><vet>Ad k</vet></al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs">WPO</extref>, die op 1 augustus in werking treedt, introduceert een nieuw
                    orgaan, namelijk de permanente commissie leerlingenzorg (pcl, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs/article=23">artikel 23 WPO</extref>). Deze commissie beslist op aanvraag van de ouders
                    of een leerling op het onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs is
                    aangewezen. Alleen als dit besluit positief is, kan een leerling op een speciale
                    school voor basisonderwijs worden opgenomen. Het college moet bij de beoordeling
                    van een aanvraag voor leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Dit besluit is
                    overigens een besluit in de zin van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>(Awb). In het kader van de operatie Weer
                    samen naar school is afgesproken dat, indien vaststaat dat een leerling is
                    aangewezen op een hulpklas bij een basisschool, deze basisschool moet worden
                    aangemerkt als de toegankelijke school, ook wanneer dit niet de dichtstbijzijnde
                    basisschool is, en dat derhalve vervoer naar deze basisschool met hulpklas dient
                    te worden bekostigd. Vanaf 1 augustus 1999 bepaalt de rvc de toelaatbaarheid tot
                    het praktijkonderwijs. Dit is geregeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20voortgezet%20onderwijs/article=10g">artikel 10g van de WVO</extref>.</al><al><vet>Ad l</vet></al><al>Om te bepalen of op grond van artikel
                        23 een drempelbedrag kan worden geheven, is het inkomen van ouders
                    in het peiljaar nodig. Voor het schooljaar 2003-2004 is het peiljaar 2001, dit
                    betekent dat niet meer de Wet op de inkomstenbelasting 1964, maar de Wet op de
                    inkomstenbelasting 2001 van toepassing is. Ouders kunnen een IB 60-formulier
                    opvragen bij de Belastingdienst, waarop dit gecorrigeerde verzamelinkomen staat
                    vermeld.</al><al><vet>Ad m</vet></al><al>Een van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te
                    organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de
                    leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden
                    de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan
                    niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente
                    aangewezen opstapplaats.</al><al>In de uitspraak van 26 februari 1992 (nr. R03.89.0419/83-107) heeft de afdeling
                    Rechtspraak van de Raad van State inzake centrale opstapplaatsen het volgende
                    gesteld. In het onderhavige geval bedroeg de loopafstand tussen huis en de
                    opstapplaats niet meer dan dertig minuten (1.200 meter). Naar het oordeel van de
                    afdeling is deze reistijd, die overigens nog bekort kan worden wanneer de
                    afstand van de ouderlijke woning naar de bushalte met de fiets wordt afgelegd,
                    alleszins redelijk te noemen. Gelet op de leeftijd van de leerling (vijf jaar)
                    mag worden verwacht dat de ouders hun kind vergezellen naar de bushalte. Dat
                    ouders zelf voor deze begeleiding moeten zorg dragen, acht de afdeling een reëel
                    uitgangspunt. De afstand tot aan de bushalte wijkt immers niet af van die welke
                    vele van de in X woonachtige leerlingen moeten afleggen, aan wie reeds in
                    verband met het feit dat zij op minder dan vier kilometer afstand van de school
                    wonen geen vervoerkostenbekostiging, noch een vervoervoorziening wordt
                    toegekend, aldus de afdeling Rechtspraak.</al><al>De afdeling acht het kennelijk redelijk dat de gemeente opstapplaatsen opstelt
                    vanaf waar de leerling van het vervoer gebruik kan maken. De afdeling vindt de
                    reistijd, die in dit geval niet meer dan dertig minuten bedraagt, alleszins
                    redelijk. Hiermee is echter nog niet aangegeven wanneer de afdeling de reistijd
                    niet meer redelijk acht.</al><al>Wanneer gekozen wordt voor het aanwijzen van opstapplaatsen, dan is het van
                    belang dat de gemeente daarbij let op de af te leggen afstand van huis naar de
                    opstapplaats. Hierbij kan in ieder geval gedacht worden aan bestaande
                    halteplaatsen binnen een loopafstand van dertig minuten, waar een beschutte
                    halteplaats aanwezig is (mede in verband met de weersomstandigheden). Het feit
                    alleen dat de halte aan een drukke verkeersweg ligt en dus niet veilig genoeg
                    zou zijn voor een leerling, is niet voldoende om af te zien van het aanwijzen
                    van opstapplaatsen. Van ouders mag in dergelijke gevallen verwacht worden dat
                    zij hun kinderen begeleiden tot ten minste het moment dat hun kinderen in het
                    voertuig zijn gestapt.</al><al>De afdeling Rechtspraak van de Raad van State stelt in haar uitspraak van 24
                    augustus 1992 (nr. R03.90.1504/83-105) dat, indien de route onveilig zou zijn,
                    van de ouders verwacht mag worden dat zij hun kind vergezellen naar de bushalte.
                    Dat de ouders zelf voor deze beperkte begeleiding moeten zorg dragen kan in alle
                    redelijkheid van hen worden gevergd, gelet op het feit dat ook ouders van wie de
                    kinderen een school bezoeken die op een kortere afstand van hun woning is
                    gelegen dan de in de verordening genoemde vier kilometer, zo nodig voor
                    begeleiding zullen moeten zorg dragen, aldus de afdeling Rechtspraak.</al><al>In de uitspraak van de afdeling Rechtspraak van 11 augustus 1989 is gesteld:
                    ‘Niet aannemelijk is dat het ontbreken van de mogelijkheid om bekostiging te
                    krijgen voor reiskosten bij een reisafstand tot zes kilometer, de ouders
                    wezenlijk belemmert in de vrijheid om voor hun kinderen een school van de door
                    hen gewenste richting te kiezen’.</al><al>Deze uitspraak in aanmerking genomen en gezien het feit dat de gemeente volgens
                    de afdeling Rechtspraak opstapplaatsen mag aanwijzen zou het wellicht mogelijk
                    zijn ook voor de opstapplaatsen een afstandsgrens van zes kilometer te hanteren,
                    indien de gemeente in artikel 10
                    een afstandsgrens van zes kilometer hanteert. Ouders van wie de woning op
                    bijvoorbeeld vijf kilometer van de school gelegen is, krijgen immers over die
                    vijf kilometer ook geen bekostiging. Zij dienen er zelf voor te zorgen dat hun
                    kinderen de school bezoeken. De positie van die ouders is in feite niet anders
                    dan die van de ouders van wie de woning op zes kilometer of meer van de school
                    is gelegen. Het lijkt ons daarom redelijk van beide ouders over ten minste
                    dezelfde afstand hetzelfde te mogen vragen zowel wat betreft de begeleiding als
                    de kosten van het vervoer.</al><al>Met nadruk wordt erop gewezen dat de afdeling Rechtspraak van de Raad van State
                    nog geen uitspraak heeft gedaan over een afstandsgrens tussen huis en de
                    opstapplaats.</al><al>Wanneer een verzoek om een tegemoetkoming van de vervoerkosten wordt ingediend,
                    blijft de afstand tussen de woning en de school relevant; het instellen van
                    opstapplaatsen verandert daar niets aan. Dit betekent dat ouders die op
                    bijvoorbeeld negen kilometer van de school wonen terwijl de gemeente op zes
                    kilometer afstand een opstapplaats heeft ingesteld, recht hebben op bekostiging
                    van het vervoer (en eventueel begeleiding) over de resterende drie kilometer.
                    Ook blijft het berekenen van de reistijd zoals dat nu geldt onverkort intact;
                    met andere woorden de tijdsduur die gemoeid is met het bereiken van de
                    opstapplaats telt mee als reistijd als bedoeld in artikel 13, onder a, en artikel 18, eerste lid onder b, van de verordening
                    leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze.</al><al><vet>Ad n</vet></al><al>De commissie voor de begeleiding komt in de plaats voor de commissie van
                    onderzoek. De indicerende taken van de CvO gaan over naar de regionale
                    commissies van indicatiestelling (Cvi). De taken omtrent toewijzing van
                    (ambulante) begeleiding blijven bij de commissie voor de begeleiding, verbonden
                    aan een school.</al><al><vet>Ad o</vet></al><al>De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen dan wel doen
                    verzorgen. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader
                    uitgewerkt.</al><al><vet>Ad p</vet></al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20primair%20onderwijs">WPO</extref> introduceert een nieuw orgaan, namelijk de permanente
                    commissie leerlingenzorg (pcl). Besluiten van de pcl over de toelating van een
                    leerling tot een speciale school voor basisonderwijs dienen door het college bij
                    de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer betrokken te worden.</al><al><vet>Ad q</vet></al><al>Op basis van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs">WPO</extref> gaan basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs een
                    zodanige zorgstructuur inrichten, dat voor elke leerling die zorg geboden kan
                    worden die op een bepaald moment wenselijk is. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs/article=18">Artikel 18 van de WPO</extref> geeft een regeling voor de
                    samenwerkingsverbanden.</al><al><vet>Ad r</vet></al><al>De regionale verwijzingscommissie heeft op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20voortgezet%20onderwijs%20/article=10g%20">artikel 10g Wet op het voortgezet onderwijs</extref> tot taak te beoordelen
                    of een leerling tot het praktijkonderwijs toelaatbaar is.</al><al><vet>Ad s</vet></al><al>Opdc: orthopedagogisch en didactisch centrum. Bovenschoolse voorziening bedoeld
                    om leerlingen extra aandacht te geven. Op een opdc kan ook onderwijs gegeven
                    worden, maar de leerlingen blijven ingeschreven op een school voor voortgezet
                    onderwijs.</al><al>Leerlingen die volledig onderwijs volgen aan een opdc kunnen in aanmerking komen
                    voor leerlingenvervoer naar het opdc. Leerlingen die gedeeltelijk onderwijs
                    volgen aan een opdc en gedeeltelijk aan een school voor voortgezet onderwijs,
                    kunnen alleen in aanmerking komen voor leerlingenvervoer naar de school voor
                    voortgezet onderwijs.</al><al><vet>Ad t</vet></al><al>Een ambulante begeleider is verbonden aan een school voor speciaal onderwijs en
                    geeft ondersteuning aan gehandicapte leerlingen in het reguliere primair en
                    voortgezet onderwijs. De gemeente kan aan de ambulante begeleider van
                    gehandicapte leerlingen in het reguliere onderwijs, voor wie een aanvraag
                    leerlingenvervoer wordt ingediend, advies vragen over de vervoersbehoefte van
                    die leerlingen.</al><al><vet>Ad u</vet></al><al>Elk kind dat wordt aangemeld voor het speciaal onderwijs moet worden
                    geïndiceerd. De commissie voor de indicatiestelling beoordeelt aan de hand van
                    onafhankelijke landelijke criteria of een leerling in aanmerking komt voor
                    leerlinggebonden financiering en in welk cluster de leerling wordt
                    geplaatst.</al><al><vet>Artikel 2 Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten
                            vervoerskosten</vet></al><al>In de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze worden de aanspraken
                    van de ouders op gehele of gedeeltelijke bekostiging voor het dagelijks vervoer
                    van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs, speciale scholen voor
                    basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs vastgelegd. Tevens zijn in de
                    regeling aanspraken op bekostiging van de kosten die zijn verbonden aan het
                    weekeinde- en vakantievervoer vastgelegd van ouders van leerlingen, die met het
                    oog op het volgen van voor hen passend onderwijs in een internaat of pleeggezin
                    verblijven.</al><al>De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft echter ingevolge de
                    Leerplichtwet ten principale in alle gevallen bij de ouders liggen. In artikel 2, derde lid, van de verordening leerlingenvervoer
                    gemeente Aa en Hunze is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet vastgelegd.
                    Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan
                    de gemeente. De wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt
                    deze verantwoordelijkheid van de ouders.</al><al>Indien het college het vervoer zelf laat verzorgen, kan het van ouders, die voor
                    bekostiging van de vervoerskosten in aanmerking komen, verlangen dat hun
                    kinderen van dit vervoer gebruik maken (dit kan dus zijn bekostiging van het
                    openbaar vervoer, al dan niet onder begeleiding, of aangepast vervoer). Tevens
                    verlangen zij dan dat ouders, aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van
                    de vervoerskosten toekomt, een eigen bijdrage betalen aan het vervoer van hun
                    leerlingen (artikel 2, tweede lid, van de verordening leerlingenvervoer
                    gemeente Aa en Hunze). De hoogte van deze eigen bijdrage, die slechts van
                    toepassing is op ouders van leerlingen die scholen voor basisonderwijs of
                    speciale scholen voor basisonderwijs (het voormalige LOM, MLK en IOBK-onderwijs)
                    bezoeken, is afhankelijk van het inkomen van de ouders en de afstand tussen de
                    woning en de te bezoeken school. Indien de ouders weigeren of nalatig zijn met
                    betrekking tot de ingevolge de verordening te betalen bijdrage, leidt dit tot
                    het vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan wel, indien gebruik wordt
                    gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot stopzetting van het vervoer. Het
                    behoeft geen betoog dat juist bij het aangepast vervoer afspraken kunnen worden
                    gemaakt met regiogemeenten om een zo efficiënt en goedkoop mogelijke wijze van
                    aangepast vervoer te organiseren.</al><al>Tevens komt in artikel 2, tweede lid, tot uitdrukking dat het eventuele
                    drempelbedrag en de bijdrage afhankelijk van het inkomen nooit hoger kunnen zijn
                    dan de werkelijke kosten van vervoer.</al><al>In het vierde lid staat dat een leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam
                    is zelf een aanvraag voor leerlingenvervoer kan doen in plaats van de
                    ouders/verzorgers. De vaste kamercommissie voor onderwijs, cultuur en
                    wetenschappen heeft daarom verzocht in het verslag bij de behandeling van het
                    wetsvoorstel ‘wijziging van de Wpo, Wec en Wvo in verband met het vervoer van
                    leerlingen’ (TK 2001-2002, 27 884).</al><al><vet>Artikel 3 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                            school</vet></al><al>Een van de uitgangspunten van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs/article=4">artikelen 4 van de WPO</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Voortgezet%20Onderwijs">WVO</extref> en de W<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20op%20de%20expertisecentra">wet op de expertisecentra</extref> EC is dat de gemeenteraad bij het
                    vaststellen van de verordening en het college bij de uitvoering daarvan de op
                    godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze voor een school
                    dient te eerbiedigen. Tevens is in genoemde artikelen bepaald dat in de
                    verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder
                    onderwijs. In de verordening is deze bepaling in artikel 3 verankerd. Bekostiging van de vervoerskosten wordt
                    verstrekt over de afstand tussen de woning van de leerling en de
                    dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school.</al><al>Als toegankelijke school is aan te merken wat betreft het primair onderwijs: de
                    school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel
                    de openbare school. Wat betreft (voortgezet) speciaal onderwijs wordt hier nog
                    een tweede criterium aan toegevoegd: de school van de soort waarop de leerling
                    is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. De hier
                    bedoelde soorten zijn schooltypen zoals vermeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20op%20de%20expertisecentra/article=2%20">artikel 2 van de WEC</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Voortgezet%20Onderwijs/article=5%20">artikel 5 van de WVO</extref>. Dit impliceert dat bekostiging van de
                    vervoerskosten van de leerling in principe plaatsvindt naar de dichtstbijzijnde
                    toegankelijke school (openbaar of bijzonder) van de verlangde godsdienstige of
                    levensbeschouwelijke richting. Als dichtstbijzijnde school kan worden
                    aangemerkt, de school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs
                    de kortste voor de leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg.</al><al>Het spreekt voor zichzelf dat op een toegankelijke school wel plaatsruimte voor
                    de leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten tot de
                    desbetreffende school. Van belang hierbij is dat wanneer het college een
                    aanvraag om bekostiging afwijst in verband met de aanwezigheid van een
                    dichterbijgelegen school van (de aangewezen soort en van) dezelfde richting, het
                    dient aan te tonen dat de leerling daadwerkelijk kan worden toegelaten tot die
                    school. Hierbij kan nog worden aangetekend dat bijvoorbeeld een nieuwe school
                    met slechts één leerkracht, namelijk voor de groepen 1 en 2, voor leerlingen uit
                    groep 3 en verder niet toegankelijk is. De leerling zal, indien hij niet
                    toegelaten wordt op de desbetreffende dichtstbijzijnde school, moeten uitzien
                    naar een andere school. Deze school is dan aan te merken als de dichtstbijzijnde
                    toegankelijke school.</al><al>In een dergelijk geval dient bekostiging van vervoerskosten te worden verstrekt,
                    naar deze andere (dichtstbijzijnde) school. Met de introductie van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs">WPO</extref> per 1 augustus 1998 dient voor de speciale scholen voor
                    basisonderwijs het vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school in het
                    samenwerkingsverband te worden bekostigd. Zie daarvoor artikel 9 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                    Hunze.</al><al>In de parlementaire behandeling van de Wet gemeentelijke regelingen
                    leerlingenvervoer is uitgebreid aandacht besteed aan de richting van het
                    onderwijs.</al><al>Een belangrijke wijziging van de wet kan in dit verband niet onvermeld
                    blijven.</al><al>Om alle twijfels weg te nemen dat de afstand die voor bekostiging in aanmerking
                    komt maximaal betrekking heeft op de kortste voor de leerling voldoende
                    begaanbare en veilige weg naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de
                    verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting is, door middel van een
                    Vierde nota van wijziging (Kamerstuk 18841, nr. 21) in de relevante artikelen
                    expliciet opgenomen dat vervoer plaatsvindt naar de dichtstbijzijnde voor de
                    leerling toegankelijke school, tenzij het vervoer met betrekking tot een verder
                    weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen, en
                    de ouders met het vervoer naar die school instemmen.</al><al>Bovengenoemd uitgangspunt houdt in dat indien een leerling een school bezoekt
                    die, met voorbijgaan van een school van dezelfde gewenste richting, verder van
                    de woning van de leerling is verwijderd, de aanspraak in principe beperkt blijft
                    tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de dichtstbijzijnde bij de
                    woning gelegen school. Dit is echter geen verplichting. Het college kan
                    besluiten om in het geheel geen bekostiging te verstrekken indien vervoer
                    aanwezig is waarvan de kosten gelijk blijven ongeacht het aantal leerlingen dat
                    van dat vervoer gebruik maakt.</al><al>Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning
                    van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper
                    zou zijn (of niet meer kosten met zich meebrengt), kan het college aan de ouders
                    vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor
                    een openbare school geldt hetzelfde.</al><al>Ouders hebben in beginsel veel ruimte om hun bezwaren inhoud te geven. Zo heeft
                    de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de wet en de
                    verordening leerlingenvervoer zich er niet tegen verzetten dat ouders tijdelijk
                    kiezen voor een school met een van hun principiële voorkeur afwijkende richting
                    (Uitspraak 30 juli 1993, R03.901947 en R03.90.7314).</al><al>De uitvoering van artikel 13 van de LO-wet heeft in het verleden geleid tot veel
                    jurisprudentie. Met name het zogenoemde ‘richtingenvraagstuk’ stond daarbij
                    centraal. Aanvankelijk beperkte de jurisprudentie zich bij de vraag over het al
                    dan niet doen toekennen van een vervoerskostenbekostiging tot het zogenoemde
                    ‘klassieke richtingenbestand’. Kenmerkend hierbij is dat het gaat om stromingen
                    van levensbeschouwelijke en godsdienstige aard. Ook bijzonder onderwijs op
                    algemene grondslag is hierbij als richting aan te merken.</al><al>In het algemeen kan gesteld worden dat naast scholen voor openbaar onderwijs,
                    tot het klassieke richtingenbestand binnen het bijzonder onderwijs gerekend
                    worden: scholen voor (rooms)katholiek onderwijs, scholen voor
                    protestants-christelijk onderwijs, scholen voor gereformeerd (vrijgemaakt)
                    onderwijs (KB 28 december 1960, nr. 95), scholen voor reformatorisch onderwijs,
                    scholen voor algemeen bijzonder onderwijs (KB 15 december 1948, nr. 37).
                    Daarnaast zijn ook de Joodse scholen als afzonderlijke richting aan te
                    merken.</al><al>Relatief nieuw is de jurisprudentie over de zogenoemde ‘vrije scholen’. Deze
                    scholen, die hun onderwijs stoelen op de antroposofische wijsbegeerte en met
                    name de filosofie van Rudolf Steiner, kunnen geacht worden een bepaalde richting
                    in het onderwijs te vertegenwoordigen, aangezien het onderwijs wordt gegeven
                    vanuit een eigen mens- en wereldbeschouwing (KB 18 juni 1980, nr. 32).</al><al>De vrije school kent in Nederland vele tientallen scholen, die onder de volgende
                    benamingen voorkomen:</al><lijst><li nr="a"><al>Vrije school ...</al></li><li nr="b"><al>Rudolf Steinerschool</al></li><li nr="c"><al>Parcivalschool</al></li><li nr="d"><al>Geert Grooteschool</al></li><li nr="e"><al>Tobiasschool</al></li><li nr="f"><al>Adriaan Roland Holstschool</al></li><li nr="g"><al>Michaelschool</al></li><li nr="h"><al>Michaelshoeveschool</al></li><li nr="i"><al>Johannesschool</al></li><li nr="j"><al>De Zonneschool</al></li></lijst><al>De verscheidenheid in richtingen is regelmatig onderwerp van geschillen. Met het
                    oog hierop is het volgende te melden.</al><lijst><li nr="1"><al>De Platoschool in Amsterdam</al></li><li nr=""><al>In Nederland is één Platoschool, gevestigd in Amsterdam. Alhoewel deze
                            school in het Plan van Scholen van Amsterdam is opgenomen als uitgaande
                            van een eigen richting en de Onderwijsraad in 1985 als zijn opvatting
                            heeft gegeven dat deze school van een eigen richting uitgaat, wordt de
                            Platoschool niet geacht een eigen richting te vertegenwoordigen.</al></li><li nr=""><al>De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft namelijk in
                            haar uitspraak van 17 november 1995 (nr. R03.93.3057) beslist dat de
                            Platoschool geen aparte richting vertegenwoordigt.</al></li><li nr="2"><al>In het christelijk onderwijs kunnen wat betreft het leerlingenvervoer de
                            volgende richtingen worden onderscheiden: protestants-christelijk,
                            reformatorisch, gereformeerd, gereformeerd (vrijgemaakt), gereformeerde
                            schoolvereniging, scholen met den bijbel, christelijk-nationaal,
                            hervormd.</al></li><li nr=""><al>In recente jurisprudentie worden ook de zogenoemde evangelische scholen
                            als een afzonderlijke richting aangemerkt (RvS 11-2-97, AB 1998,
                            28).</al></li><li nr="3"><al>Kees Boekeschool Werkplaats kindergemeenschap</al></li><li nr=""><al>In Bilthoven is gevestigd de Werkplaats kindergemeenschap, opgericht
                            door Kees Boeke. Deze school behoort tot de algemeen bijzondere
                            richting.</al></li><li nr="4"><al>Jan van Rijckenborgschool (Rozenkruisschool).</al></li><li nr=""><al>Nederland telt op dit moment drie scholen met deze naam, gevestigd in
                            Hilversum, Heiloo en Duiven. Deze gaan uit van het kerkgenootschap
                            ‘Lectorium Rosicrucianum’ en worden in stand gehouden door de Stichting
                            scholen van het Rozenkruis. Volgens adviezen van de Onderwijsraad uit
                            1984 en 1985 is het kerkgenootschap Lectorium Rosicrucianum blijkens
                            zijn afzonderlijke kerkformatie een van de richtingen die zich in het
                            Nederlandse volk op geestelijk terrein openbaren.</al></li><li nr=""><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelt in haar
                            uitspraak van 20 november 1995 (nrs. R03.92.4810 en R03.93.5156) dat de
                            van het Lectorium Rosicrucianum uitgaande Jan van Rijckenborgscholen een
                            eigen richting vertegenwoordigen.</al></li><li nr="5"><al>Janus Korczakschool</al></li><li nr=""><al>Gezien het advies van de Onderwijsraad en het hiermee overeenkomende
                            oordeel van de Kroon (KB 26 november 1986, nr. 42) gaat deze school uit
                            van de algemeen-bijzondere richting.</al></li><li nr="6"><al>Islamitische scholen</al></li><li nr=""><al>Gezien de antwoorden die staatssecretaris Wallage op 29 januari 1992
                            heeft gegeven op de vragen van het kamerlid Franssen, waren er op dat op
                            moment 18 bevoegde gezagsorganen die in totaal 20 basisscholen op
                            Islamitische grondslag besturen. Gezien de statuten van Islamitische
                            scholen wordt er van uitgegaan dat zij een eigen richting
                            vertegenwoordigen.</al></li><li nr="7"><al>Hindoeïstische scholen</al></li><li nr=""><al>Gezien de antwoorden die staatssecretaris Wallage 29 januari 1992 heeft
                            gegeven aan het kamerlid Franssen was er op die datum één schoolbestuur
                            dat 3 scholen op Hindoeïstische grondslag bestuurt. Gezien de statuten
                            van de Hindoeïstische scholen wordt er van uitgegaan dat zij een eigen
                            richting vertegenwoordigen.</al></li></lijst><al>Op grond van artikel 3, tweede lid, van de verordening leerlingenvervoer
                    gemeente Aa en Hunze dienen ouders, indien een leerling een school voor
                    basisonderwijs bezoekt op grotere afstand dan bepaald in de verordening
                    leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze, terwijl zich dichterbij andere (openbare
                    en bijzondere) basisscholen bevinden, schriftelijk te verklaren, dat zij
                    overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de
                    richting van de dichterbij gelegen bijzondere basisscholen. Uiteraard geldt voor
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs dat het bovenstaande slechts van toepassing
                    is op dichterbij gesitueerde scholen van de ‘soort’ waarop de leerling is
                    aangewezen (bijvoorbeeld ZMOK-school of school voor lichamelijk gehandicapte
                    kinderen).</al><al>In dit kader is van belang dat de afdeling Rechtspraak heeft bevestigd dat voor
                    het antwoord op de vraag op welke soort speciaal onderwijs een leerling is
                    aangewezen slechts een keuze kan worden gemaakt uit de in artikel 2 van de
                    ISOVSO (inmiddels: <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra/article=2">artikel 2 van de WEC</extref>) onderscheiden soorten (afdeling Rechtspraak
                    van de Raad van State, 2 januari 1992, R03.88.4075 en R03.89.160/62-129).
                    ‘Binnen die soorten is geen nadere onderverdeling aangebracht op basis waarvan
                    onderscheid tussen (...) scholen (...) kan worden gemaakt’. Slechts indien door
                    de ouders wordt aangetoond - met name via deskundigenrapporten - dat niet de
                    dichtstbijgelegen school van de gewenste richting en de aangewezen soort
                    geschikt is maar een verder gelegen school, neemt de Afdeling aan dat de
                    leerling op deze verder gelegen school feitelijk is aangewezen, en is er voor
                    het college aanleiding te bezien of met toepassing van de hardheidsclausule het
                    vervoer naar de verdergelegen school dient te worden bekostigd.</al><al>Voorbeeld 1</al><al>School A is een rooms-katholieke basisschool en ligt op zes kilometer afstand
                    van de woning van de leerling.</al><al>School B is een protestants-christelijke basisschool en ligt op drie kilometer
                    afstand van de woning van de leerling.</al><al>Indien de ouders nu schriftelijk verklaren overwegende bezwaren te hebben tegen
                    de richting van de school die dichterbij gelegen is (i.c. school B), verstrekt
                    het college bekostiging voor het vervoer van de leerling naar school A.</al><al>Voorbeeld 2</al><al>Een leerling bezoekt een school voor algemeen-bijzonder basisonderwijs op drie
                    kilometer afstand van de woning. De ouders besluiten dat de leerling naar een
                    andere basisschool van dezelfde richting gaat, gelegen op zes kilometer afstand
                    van de woning. In dit geval verstrekt het college geen bekostiging voor het
                    vervoer naar deze basisschool op zes kilometer afstand (immers, het is niet de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke school). Of bekostiging plaatsvindt naar de
                    basisschool op drie kilometer afstand, is afhankelijk van de door de
                    gemeenteraad bepaalde kilometergrens.</al><al>Voorbeeld 3</al><al>Een leerling bezoekt een gereformeerde (vrijgemaakt) school op zeven kilometer
                    afstand van de woning. Op drie kilometer afstand wordt een nieuwe gereformeerde
                    (vrijgemaakt) basisschool gesticht. In principe vervalt de bekostiging van de
                    vervoerskosten naar de school op zeven kilometer afstand. Het is immers niet
                    meer de dichtstbijzijnde toegankelijke school.</al><al>Hierbij is echter een redelijke overgangsregeling gewenst.</al><al>Aansluitend bij de gangbare opvattingen hierover lijkt een overgangsperiode van
                    circa twee jaren reëel indien daarmee het belang van de leerling wordt gediend.
                    Na een dergelijke overgangsperiode vervalt dan de bekostiging van de
                    vervoerskosten naar de school op zeven kilometer afstand van de woning.</al><al>Indien de ouders beslissen om de leerling eerder naar de dichterbij gelegen
                    school te sturen, vervalt de bekostiging op het moment dat de leerling de nieuwe
                    school bezoekt. Of er dan bekostiging plaatsvindt naar de nieuwe basisschool, is
                    afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde afstandsgrens.</al><al>Voorbeeld 4</al><al>Een leerling bezoekt een openbare school op drie kilometer afstand van de
                    woning.Halverwege het jaar verhuist het gezin naar een andere wijk in dezelfde
                    gemeente, waardoor de bezochte school niet meer de dichtstbijzijnde school voor
                    openbaar onderwijs is. De bezochte school ligt nu op een afstand van acht
                    kilometer. In principe bestaat geen aanspraak meer op bekostiging naar deze
                    school. Echter, indien de ouders voornemens zijn de leerling toch op de verder
                    weg gelegen school te laten, lijkt een redelijke overgangsperiode voor de hand
                    te liggen. Het college kan dan overwegen - indien daarmee het belang van de
                    leerling wordt gediend - bekostiging te verlenen voor het resterende schooljaar.
                    Of er dan bekostiging plaatsvindt naar de dichterbij gelegen school is
                    afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde afstandsgrens.</al><al>Voorbeeld 5</al><al>Een leerling bezoekt een protestants-christelijke speciale school voor
                    basisonderwijs op zes kilometer afstand van de woning terwijl een
                    rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs en een
                    protestants-christelijke ZMOK-school dichterbij zijn gesitueerd (respectievelijk
                    op twee kilometer en drie kilometer). De ouders komen voor bekostiging van de
                    vervoerskosten in aanmerking indien zij schriftelijk verklaren overwegende
                    bezwaren te hebben tegen de richting van de dichterbij gelegen toegankelijke
                    school (i.c. de rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs).</al><al>De protestants-christelijke ZMOK-school is geen school van de soort waarop de
                    leerling is aangewezen en is dus niet aan te merken als een dichterbij gelegen
                    toegankelijke school.</al><al>Voorbeeld 6</al><al>Een leerling bezoekt een openbare basisschool op negen kilometer afstand van de
                    woning. Op zes kilometer afstand is ook een openbare basisschool gehuisvest,
                    terwijl er dichterbij gelegen scholen voor bijzonder basisonderwijs aanwezig
                    zijn. Het college verstrekt bekostiging van de vervoerskosten naar de school op
                    zes kilometer afstand van de woning, indien de ouders schriftelijk hebben
                    verklaard overwegende bezwaren te hebben tegen de richting van deze dichterbij
                    gelegen bijzondere basisscholen. Deze school op zes kilometer afstand is immers
                    aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school.</al><al>Voorbeeld 7</al><al>Op drie kilometer afstand van de woning van de leerling is een reformatorische
                    basisschool gesitueerd. De leerling bezoekt een reformatorische basisschool op
                    acht kilometer afstand van de woning omdat op deze school godsdienstonderwijs
                    wordt gegeven volgens een bepaalde modaliteit, die niet tot uitdrukking komt in
                    de dichterbij gelegen reformatorische school. In dit geval bekostigt het college
                    niet de kosten van het vervoer naar de school, gelegen op een afstand van acht
                    kilometer.</al><al>Of bekostiging plaatsvindt naar de reformatorische basisschool op drie kilometer
                    afstand is afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde kilometergrens.</al><al>Voorbeeld 8</al><al>Een leerling bezoekt een vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor
                    basisonderwijs op twaalf kilometer afstand van de woning van de leerling, omdat
                    de onderwijskundige methode van die school geschikter blijkt voor de leerling
                    dan de onderwijskundige methode die gehanteerd wordt op de
                    vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor basisonderwijs, gelegen op een
                    afstand van vijf kilometer van de woning van de leerling. Het college verstrekt
                    een eventuele bekostiging voor het vervoer van en naar de school gelegen op vijf
                    kilometer afstand.</al><al>Voorbeeld 9</al><al>Een leerling bezoekt een openbare speciale school voor basisonderwijs binnen het
                    samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is,
                    terwijl er buiten het samenwerkingsverband een dichterbij de woning van de
                    leerling gelegen toegankelijke openbare speciale school voor basisonderwijs is.
                    Het college verstrekt bekostiging naar de school binnen het samenwerkingsverband
                    (zie artikel 9 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                    Hunze).</al><al>Voor alle hiervoor weergegeven voorbeelden geldt dat het college de ouders met
                    toepassing van de hardheidsclausule toch een - volledige - bekostiging kan
                    verstrekken indien daartoe naar de mening van het college aanleiding is.</al><al>Niet tot het begrip ‘richting’ wordt gerekend een bepaalde onderwijskundige
                    methode van een school. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen,
                    Montessorischolen, Daltonscholen en Freinetscholen. Deze scholen baseren hun
                    identiteit op de onderwijskundige inrichting van de school en niet op de
                    godsdienstige of levensbeschouwelijke richting.</al><al>Montessorischolen c.a. kunnen onder meer van katholieke, protestante signatuur
                    zijn. Dit betekent dat er in dezen geen verschil bestaat tussen een ‘reguliere’
                    katholieke basisschool en een katholieke Montessorischool, etc.</al><al>Een verklaring van bezwaar (artikel 3, tweede lid) dient zich te richten tegen de richting van
                    het bijzonder onderwijs dan wel tegen het openbaar onderwijs en niet tegen de
                    onderwijskundige methode die op de school gehanteerd wordt. Dat de Kroon een
                    onderwijsmethode als zodanig niet als aparte richting erkent, blijkt uit het KB
                    25 november 1980, nr. 15 (Baarn), waarin wordt geoordeeld dat de bezwaren van
                    een ouder, die koos voor de pedagogie van Rudolf Steiner, zich richten tegen het
                    feit dat naburige scholen niet de gewenste onderwijskundige methode hanteren en
                    dat daarom met het woord ‘richting’ een ander begrip wordt aangeduid dan in
                    artikel 13 van de LO-wet is bedoeld.</al><al>Ouders dienen in de verklaring dus aan te geven overwegende bezwaren te hebben
                    tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van
                    alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die
                    dichterbij zijn gelegen.</al><al>Sedert de totstandkoming van artikel 13 van de LO-wet is het oordeel over de
                    bezwaren, die aan de richting van het onderwijs verbonden zijn, aan de overheid
                    onttrokken. Met andere woorden: het college is niet gerechtigd de bezwaren van
                    ouders tegen een bepaalde richting inhoudelijk te verifiëren. Ook onder de
                    huidige regeling wordt deze gedragslijn in de jurisprudentie gevolgd. Slechts in
                    een enkel uitzonderlijk geval neemt de Afdeling rechtspraak van de Raad van
                    State aan dat niet de richting van het onderwijs maar de kwaliteit daarvan de
                    keuze van de ouders heeft bepaald, in weerwil van de door de ouders afgelegde
                    verklaring inzake hun bezwaar tegen de overige richtingen en het openbaar
                    onderwijs (Afdeling rechtspraak Raad van State, 10 april 1989,
                    R03.87.2455/98-86. Afdeling rechtspraak Raad van State, 2 januari 1992,
                    R03.89.0685/72-107). Op het college rust in deze gevallen een zware bewijslast.
                    Aangetoond dient te worden dat de bezwaren van de ouders in weerwil van de
                    letter van hun verklaring kennelijk niet de richting van het onderwijs
                    betreffen. Zelfs indien ouders hun kinderen aanvankelijk naar een openbare
                    basisschool sturen, vervolgens naar een katholieke basisschool en uiteindelijk
                    wederom naar een openbare basisschool, geeft de Voorzitter van de Afdeling
                    rechtspraak de ouders het voordeel van de twijfel (Voorzitter Afdeling
                    rechtspraak Raad van State, 24 maart 1988, R03.88.0917/S526098.00). Ook indien
                    ouders hun kind pas op twaalfjarige leeftijd naar de school met de door hen
                    gewenste richting sturen, dient het college de verklaring van de ouders, dat zij
                    tegen de overige richtingen en tegen het openbaar onderwijs bezwaar hebben te
                    respecteren, zeker nu de ouders aangaven dat zij hun kind aanvankelijk te jong
                    achtten om de afstand naar de gewenste school te overbruggen (Voorzitter
                    Afdeling rechtspraak Raad van State, 17 februari 1989, R03.89.0286/S5137-58).
                    Ook het feit dat kinderen uit hetzelfde gezin scholen van diverse richtingen
                    bezoeken levert onvoldoende grond op voor het oordeel dat de ouders hun keuze
                    kennelijk niet met het oog op de richting van het onderwijs hebben bepaald
                    (Afdeling rechtspraak Raad van State, 9 december 1989,
                        R03.87.2975/72-86).</al><al>Op 1 augustus 2003 treedt de Wet leerlinggebonden financiering in werking. Vanaf
                    dat moment kunnen leerlingen die geïndiceerd zijn voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs tevens kiezen voor het regulier onderwijs. Leerlingen die naar het
                    (voortgezet) speciaal onderwijs gaan, titel 3 van de modelverordening, maken
                    onverminderd aanspraak op leerlingenvervoer. Voor leerlingen van cluster 4
                    scholen – zeer moeilijk opvoedbare kinderen, leerlingen van scholen verbonden
                    aan pedologische instituten, langdurig zieke kinderen (psychiatrische
                    problematiek) – geldt dat zij recht hebben op vervoer naar de cluster 4-school
                    waarvoor de commissie voor de indicatiestelling (cvi) een advies heeft
                    afgegeven. Vanaf 1 augustus aanstaande wordt namelijk op basis van de nieuwe wet
                    (artikel 4, vijfde lid Wet op de expertisecentra) de cluster 4-school waarvoor
                    de cvi een advies heeft afgegeven, aangemerkt als de dichtstbijzijnde,
                    toegankelijke school. Dit geldt zolang de leerling woont in het gebied van het
                    regionaal expertisecentrum waar voornoemde commissie aan is verbonden.</al><al><vet>Artikel 4 Uitbetaling van de bekostiging</vet></al><al>De bekostiging zal als regel voor de tijdsduur van één schooljaar verstrekt
                    worden. Dit zal zeker het geval zijn als de ouders voorafgaande aan een
                    schooljaar een aanvraag doen ten behoeve van een geheel schooljaar.</al><al>In enkele gevallen echter, bijvoorbeeld als de aanvraag gedurende het schooljaar
                    plaatsvindt, of bij onveranderde situatie, kan het college beslissen dat de
                    bekostiging geldt voor dat lopende schooljaar en indien noodzakelijk ook voor
                    het daaropvolgende schooljaar. Het creëren van deze beleidsruimte is de reden
                    dat in artikel 4
                    van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is bepaald, dat het
                    college bij de verstrekking van de bekostiging tevens de termijn van de
                    bekostiging bepaalt. In de beschikking dient deze termijn wel aangegeven te
                    worden. Stelt de gemeenteraad zich echter op het standpunt dat de bekostiging te
                    allen tijde tot het einde van het aangevraagde schooljaar dient te lopen,
                    verdient het aanbeveling om de verordening in die zin aan te passen. De gekozen
                    formulering van artikel
                        4 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze laat de
                    ruimte om per geval de termijn van de bekostiging te bepalen.</al><al>Tevens dient het college bij verstrekking van bekostiging de wijze en het
                    tijdstip van uitbetaling te bepalen.</al><al>Bepaald zal onder andere dienen te worden of:</al><lijst><li nr="-"><al>de bekostiging per maand, kwartaal, of halfjaar geschiedt;</al></li><li nr="-"><al>de bekostiging in de vorm van een voorfinanciering of op
                            declaratiebasis, dan wel via een vast termijnbedrag achteraf
                            geschiedt;</al></li><li nr="-"><al>de bekostiging, in het geval er sprake is van aangepast vervoer,
                            rechtstreeks aan de vervoersonderneming geschiedt.</al></li></lijst><al>Aangezien de praktijk ten aanzien van de wijze van betaling en het tijdstip van
                    betalen veel verschillende varianten laat zien, is in de verordening
                    leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze geen expliciete keuze gemaakt.</al><al><vet>Artikel 5 Aanvraagprocedure</vet></al><al>De artikelen 5 en 6 van de verordening
                    leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze regelen de aanvraagprocedure voor
                    bekostiging van de vervoerskosten. Tevens zijn bepalingen opgenomen omtrent de
                    handelwijze bij veranderingen van omstandigheden die van invloed kunnen zijn op
                    de bekostiging. Indien ouders menen voor bekostiging in aanmerking te komen,
                    dienen zij hiertoe een aanvraag in bij het college. Van gemeentezijde wordt
                    hiervoor een aanvraagformulier beschikbaar gesteld. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A4">Artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht</extref> (Awb) geeft in het
                    algemeen de gemeente de bevoegdheid om het gebruik van aanvraagformulieren voor
                    te schrijven.</al><al>In artikel 5 van de
                    verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze zijn nadere bepalingen
                    opgenomen omtrent de aanvraag van bekostiging van de vervoerskosten.</al><al>De aanvraag kan in principe op twee tijdstippen plaatsvinden:</al><lijst><li nr="1"><al>indien het betreft een aanvraag voor het nieuwe schooljaar, dient de
                            aanvraag voor 1 juni voorafgaand aan dat nieuwe schooljaar ingediend te
                            worden;</al></li><li nr="2"><al>indien het betreft een aanvraag gedurende het schooljaar, kan de
                            aanvraag gedurende het schooljaar worden ingediend.</al></li></lijst><al><vet>Ad 1 Aanvraag voor 1 juni; beschikking geven voor het nieuwe
                        schooljaar</vet></al><al>Veelal zal ruimschoots voor de aanvang van het nieuwe schooljaar bekend zijn dat
                    een leerling in het nieuwe schooljaar een bepaalde school gaat bezoeken. Ook
                    continuering van het schoolbezoek is in veel gevallen ruim voor de aanvang van
                    het nieuwe schooljaar bij de ouders bekend. In dergelijke gevallen bepaalt
                        artikel 5, tweede lid,
                    van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze dat de ouders, die in
                    aanmerking wensen te komen voor bekostiging van de vervoerskosten, voor 1 juni
                    voorafgaande aan het nieuwe schooljaar een aanvraag bij de gemeente moeten
                    indienen.</al><al>Deze datum is gekozen omdat het van belang is om de afwikkeling van de
                    aanvraagprocedures zoveel mogelijk voor de werkelijke aanvang van het schooljaar
                    gerealiseerd te hebben respectievelijk voor de zomervakantie in verband met de -
                    in voorkomend geval - vereiste werkzaamheden van de commissie van
                    onderzoek.</al><al>Indien de aanvraag voor 1 juni is ingediend bij de gemeente, heeft het college
                    op grond van artikel 5, vierde
                        lid, tot uiterlijk het begin van het nieuwe schooljaar de tijd een
                    besluit te nemen en aan de aanvragers af te geven. De aanvraag dient dan wel
                    juist en volledig te zijn ingevuld en voorzien te zijn van de noodzakelijke
                    bijlagen.</al><al>Indien het aanvraagformulier niet juist en/of onvolledig is ingevuld, zullen
                    ouders het aanvraagformulier moeten aanpassen dan wel aanvullen en opnieuw
                    moeten inzenden. In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A15">artikel 4:15 van de Awb</extref> is bepaald dat de beslistermijn wordt
                    opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is
                    aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Artikel 5, vierde lid, van de
                        verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is vervolgens
                    van toepassing (zie ad 2).</al><al>Voor de termijn van 1 juni plus acht weken is gekozen om de eventueel te
                    verwachten ‘stormloop’ van aanvragen in de zomervakantie te kunnen verwerken.
                    Ondanks de gestelde termijnen in artikel 5 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                    Hunze kan het voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijnen niet haalbaar zijn
                    voor de gemeente. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in het geval van een
                    vakantiepiek, indien het gevraagde oordeel van de commissie van onderzoek of
                    andere deskundigen uitblijft, of indien er sprake is van een bijzondere
                    situatie. In dergelijke gevallen kan het college de beslissing voor ten hoogste
                    vier weken verdagen (artikel 5,
                        vijfde lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                    Hunze). De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> bepaalt dat dit uitstel schriftelijk kenbaar gemaakt moet
                    worden aan de betrokken ouders door het college, voor afloop van de eerste
                    termijn. Dit in verband met de bepalingen omtrent het overschrijden van de
                    termijnen en de daaruit voortvloeiende toewijzing van de aanvragen. Uiterlijk
                    een dag voor het verstrijken van de tweede termijn dient een beschikking op de
                    ingediende aanvraag door het college te zijn gegeven. Als blijkt dat ook de
                    verdagingstermijn onvoldoende soelaas biedt, bijvoorbeeld als gevolg van het
                    uitblijven van het advies van de commissie van onderzoek, is het van belang dat
                    er toch een beschikking wordt afgegeven. In een dergelijk geval ligt het voor de
                    hand een beschikking te geven, zonder bijvoorbeeld het advies van de commissie
                    van onderzoek af te wachten. Dit is dan ook geregeld in artikel 16, derde
                        lid.</al><al>Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A44">artikel 3:44 van de Awb</extref>). De termijnen die in artikel 5 van de verordening
                    leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze zijn opgenomen zijn inclusief de tijd die
                    het college nodig heeft om een genomen beschikking aan de aanvragers bekend te
                    maken. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A13">Artikel 4:13 van de Awb</extref> bepaalt dat een redelijke termijn
                    waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven in ieder geval is verstreken
                    indien het college binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven.</al><al>Indien bovenstaande termijnen (acht weken en een eventuele verdaging van vier
                    weken) overschreden worden, dan kunnen de aanvragers op basis van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=6%3A2">artikel 6:2 van de Awb</extref> daartegen bezwaar maken en beroep
                    instellen. In het onderhavige geval is het bezwaar en beroep niet aan een
                    termijn gebonden (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=6%3A12">artikel 6:12, eerste lid, van de Awb</extref>). Het bezwaar- of
                    beroepschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het onredelijk laat is
                    ingediend (artikel 6:12,
                        derde lid).</al><al>Bij de berekening van de termijnen (acht weken voor de beslissing, vier weken
                    uitstel), gelden de bepalingen zoals deze zijn opgenomen in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20termijnenwet%20">Algemene termijnenwet</extref> (Stb. 1969, 314).</al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20termijnenwet">Algemene termijnenwet</extref> bepaalt dat, indien de gestelde termijn
                    eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, de termijn
                    verlengd wordt tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of
                    algemeen erkende feestdag is. (Als algemeen erkende feestdagen zijn aan te
                    merken nieuwjaarsdag, tweede paasdag, beide kerstdagen, Hemelvaartsdag en
                    Koninginnedag.)</al><al><vet>Ad 2 Aanvragen gedurende het schooljaar; beschikking binnen acht
                        weken</vet></al><al>In gevallen waarin de ouders een aanvraag ten behoeve van het nieuwe schooljaar
                    om welke reden dan ook niet tijdig voor 1 juni indienen, is het in de meeste
                    gevallen niet haalbaar de beschikking voor het begin van het nieuwe schooljaar
                    af te geven. Hetzelfde geldt in het geval de aanvraag - weliswaar ingediend voor
                    1 juni - onvolledig is of onjuist is ingevuld (tenzij de gecorrigeerde aanvraag
                    ook voor 1 juni bij de gemeente binnen is).</al><al>Immers, in een dergelijk geval zullen de ouders de aanvraag moeten aanvullen of
                    corrigeren. Is er sprake van een bovengenoemde situatie dan is artikel 5, vierde lid, van de
                    verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze van toepassing. Hierin wordt
                    bepaald dat het college binnen acht weken na ontvangst van het formulier een
                    beslissing neemt, nadat ouders in voorkomend geval in de gelegenheid zijn
                    gesteld de aanvraag met ontbrekende gegevens aan te vullen.</al><al>Deze termijn is ook van toepassing indien gedurende het schooljaar een aanvraag
                    plaatsvindt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, indien in de loop van het
                    schooljaar een leerling ‘van schoolsoort wisselt’ (bijvoorbeeld van
                    basisonderwijs naar speciaal onderwijs), of wel dat het kind in de loop van het
                    jaar verhuist en daardoor een andere gelijksoortige school gaat bezoeken.</al><al>In de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 6 maart
                    1992 (R03.88.7294/83-129) staan de gevolgen van een verhuizing centraal. Ervan
                    uitgaande dat de voormalige woongemeente de ouders wijst op de noodzaak een
                    aanvraag bij de nieuwe woongemeente in te dienen mag van de ouders worden
                    verwacht dat zij onverwijld - maar uiterlijk binnen een week na de berichtgeving
                    van de voormalige woongemeente - een aanvraag bij de nieuwe woongemeente
                    indienen. Bij latere indiening is de nieuwe woongemeente niet gehouden om de
                    kosten van vervoer in de periode vanaf een week na de mededeling van de oude
                    woongemeente tot aan de uiteindelijke indiening van de aanvraag bij de nieuwe
                    woongemeente te bekostigen.</al><al>Ook ten aanzien van de aanvraagprocedures geldt echter dat de
                    afwikkelingstermijnen niet haalbaar kunnen zijn voor de gemeente. Hiervoor geldt
                    dan ook de verdaging van de termijn met vier weken. Dezelfde criteria en
                    sancties gelden als onder ad 1 zijn gesteld.</al><al>Indien op een aanvraag positief is beslist of indien via bezwaar of beroep een
                    positieve beschikking is afgedwongen, luidt de vraag met ingang van welke datum
                    de bekostiging wordt verleend. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat het
                    college de ingangsdatum van de bekostiging bepaalt. In het geval een aanvraag
                    voor het nieuwe schooljaar wordt gedaan, zal de ingangsdatum van de bekostiging
                    in principe samenvallen met de eerste schooldag van het nieuwe schooljaar
                        (artikel 5, zesde lid, onder
                        a). Hieronder dient dan de werkelijke start van het schooljaar
                    verstaan te worden en niet de wettelijke aanvangsdatum. De bekostiging gaat
                    uiteraard pas in op de dag dat het vervoer daadwerkelijk plaatsvindt. Indien de
                    aanvraag gedurende het schooljaar aan het college wordt gericht zal de
                    ingangsdatum van de bekostiging in principe samenvallen met de in het
                    aanvraagformulier verzochte datum van ingang, echter niet voor de datum waarop
                    de aanvraag wordt gedaan (artikel 5,
                        zesde lid, onder b) (de datum van ontvangst).</al><al>Hiermee is aangesloten bij jurisprudentie die bestaat omtrent artikel 13 van de
                    LO-wet. Uit de bewoordingen van artikel 13 van de LO-wet volgde dat bekostiging
                    als in dat artikel bedoeld slechts kan worden verleend voor kosten van
                    schoolbezoek na de tot het gemeentebestuur gerichte aanvraag.</al><al>Zoals reeds eerder is opgemerkt geeft <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A4">artikel 4:4 van de Awb</extref> de gemeente in het algemeen de bevoegdheid
                    om het gebruik van aanvraagformulieren voor te schrijven. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A15">Artikel 4:15 van de Awb</extref> bepaalt dat de beslistermijn wordt
                    opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is
                    aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</al><al>Onder gegevens dient ook te worden verstaan eventuele toevoeging van
                    verklaringen (bewijsstukken). Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een
                    medische verklaring, werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur der
                    belasting, verklaring van overwegende bezwaren en eventuele andere
                    bewijsstukken.</al><al>Ouders zijn op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A2">artikel 4:2 van de Awb</extref> verplicht deze gegevens te overleggen,
                    indien deze gegevens van belang zijn voor een juiste beoordeling van de
                    aanvraag. Of gegevens daadwerkelijk van belang zijn voor een juiste beoordeling
                    wordt door het college bepaald. Uiteraard dient het begrip ‘juist’ redelijk
                    geïnterpreteerd te worden. Criterium is: gegevens die van invloed zijn op de
                    aanvraag dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat
                    daadwerkelijk het geval is. Indien het aanvraagformulier aanvulling behoeft of
                    gecorrigeerd dient te worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug.
                    Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een
                    door het college te bepalen termijn (bijvoorbeeld vier weken) aan te vullen of
                    te verbeteren. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de
                    afweging te maken of de aanvraag in behandeling wordt genomen (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A5">artikel 4:5, eerste lid, van de Awb</extref>). Op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A5">artikel 4:5, vierde lid van de Awb</extref>, dient in een voorkomend geval
                    aan de aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling
                    wordt genomen.</al><al>Uit een beschikking van de voorzitter van de Afdeling rechtspraak van de Raad
                    van State (9 november 1989, nr. R03.89.5831/S6535) wordt duidelijk dat gemeenten
                    bij een afwijzende beschikking zich niet louter kunnen beroepen op een onjuist
                    dan wel onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat zij bij hun beoordeling
                    mede moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager is. De
                    voorzitter overweegt het volgende: ‘Wij stellen voorop dat, hoewel is gebleken
                    dat het aanvraagformulier voor de in geding zijnde reiskostenbekostiging onjuist
                    dan wel onvolledig is ingevuld, de kennelijke bedoeling van verzoeker, gezien de
                    aanvragen van de voorafgaande jaren, duidelijk is. Derhalve beschouwen wij de
                    aanvraag als zijnde correct gedaan.’ Bij het in behandeling nemen van aanvragen
                    zal de gemeente dus moeten letten op de kennelijke bedoeling van de aanvrager
                    zoals die uit aanvragen van de voorafgaande jaren gebleken is.</al><al>Het vijfde lid van artikel 5
                    geeft het college de mogelijkheid om de beslissing op de aanvraag met vier weken
                    te verdagen. Een beslissing van een bestuursorgaan om een beslissing te verdagen
                    is een beschikking in de zin van de Awb. Dit betekent onder andere dat het
                    bestuursorgaan een dergelijke beslissing dient te motiveren (artikel 4:16 van de
                    Awb) en dat de beslissing aan de belanghebbende bekend gemaakt dient te worden
                        (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A41">artikel 3:41 van de Awb</extref>).</al><al><vet>Artikel 6 Doorgeven van wijzigingen</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Artikel 6, eerste lid, van de
                        verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze regelt dat
                    ouders verplicht zijn wijzigingen door te geven aan het college, die van directe
                    invloed zijn op de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten.</al><al>Gegevens die van invloed kunnen zijn op de bekostiging zijn onder andere:</al><lijst><li nr="-"><al>wijziging van de reistijd, in verband met verandering in bijvoorbeeld
                            het openbaar vervoer;</al></li><li nr="-"><al>wijziging in het woonadres van de leerling, door bijvoorbeeld
                            verhuizing;</al></li><li nr="-"><al>wijziging van de gezinssamenstelling;</al></li><li nr="-"><al>wijziging in de gezinssituatie, die invloed heeft op het al dan niet
                            begeleiden van leerlingen;</al></li><li nr="-"><al>wijziging van het adres van de school;</al></li><li nr="-"><al>wijziging van de schooltijden van de school;</al></li><li nr="-"><al>wijziging van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar
                            voortgezet speciaal onderwijs);</al></li><li nr="-"><al>toekenning van bekostiging op grond van de Wet Rea etc.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Ouders dienen dergelijke wijzigingen onverwijld mede te delen aan het college.
                    Indien de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt het college de verstrekte
                    bekostiging in en verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                    vervoerskosten (artikel 6,
                        tweede lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze). Indien de wijziging geen invloed op de bekostiging heeft
                    gebeurt dit uiteraard niet. Wijziging in het inkomen van ouders van leerlingen
                    die een school voor basisonderwijs of speciale school voor basisonderwijs volgen
                    heeft in principe geen invloed op de bekostiging van de vervoerskosten voor het
                    desbetreffende jaar. Indien echter sprake is van een structurele wijziging in
                    het inkomen van de ouders die voor hen ernstig nadelig is, kan het college
                    vooruitlopend op het volgende schooljaar de bekostiging aanpassen. Indien het
                    college, zonder hiervan door de ouders onverwijld op de hoogte te zijn gesteld,
                    zelf wijzigingen vaststelt die van invloed kunnen zijn op de bekostiging, kan
                    het zijn dat ouders ten onrechte bekostiging (hebben) ontvangen.</al><al>Lid 4</al><al>Artikel 6, vierde lid, van de
                        verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze biedt in
                    dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde bekostigingen terug
                    te vorderen of in mindering te brengen bij eventueel nieuw te verstrekken
                    bekostigingen. Ook in onderhavige gevallen geldt immers dat nadat de wijziging
                    is vastgesteld de bekostiging kan vervallen en eventueel opnieuw wordt
                    verstrekt. De beslissing dient aan de aanvrager bekend te worden gemaakt.
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A41">Artikel 3:41 van de Awb</extref> bepaalt dat een beslissing, die tot een of
                    meer belanghebbenden is gericht, bekend wordt gemaakt door toezending of
                    uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.</al><al><vet>Artikel 7 Peildatum leeftijd leerling</vet></al><al>Aangezien in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze het
                    leeftijdscriterium in het basisonderwijs als een van de volumebeperkende
                    middelen is opgenomen (artikel 12) om al dan niet in aanmerking te komen voor vervoer
                    onder begeleiding, verdient het aanbeveling een peildatum van de leeftijd van de
                    leerling te kiezen. Indien de leerling in aanmerking komt voor openbaar vervoer
                    onder begeleiding en in de verordening is geen peildatum gekozen, zal in dat
                    schooljaar waarin de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, tweemaal een
                    beschikking dienen te worden afgegeven, namelijk voor de periode dat de leerling
                    nog acht jaar is en voor de periode dat de leerling de leeftijd van negen jaar
                    heeft bereikt. Een dergelijke handelwijze houdt nogal wat extra administratieve
                    werkzaamheden in.</al><al>In de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze (artikel 7) is dan ook
                    gekozen voor één peildatum die geldt voor het gehele schooljaar. Gekozen is voor
                    de peildatum van 1 augustus van het betreffende schooljaar, omdat deze datum
                    samenvalt met de wettelijke start van het schooljaar. Deze bepaling houdt in dat
                    indien de leerling op 1 augustus van een bepaald schooljaar acht jaar is, hij in
                    het kader van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze het gehele
                    schooljaar als acht jaar wordt aangemerkt (ook al wordt de leerling halverwege
                    het schooljaar negen jaar). Er hoeft dan ook maar één beschikking voor het
                    gehele schooljaar te worden afgegeven.</al><al>Ten behoeve van het (voortgezet) speciaal onderwijs is een dergelijke
                    leeftijdsgrens niet opgenomen.</al><al><vet>Artikel 8 Andere vergoedingen</vet></al><al>Indien kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een
                    andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding ontvangt voor de kosten
                    van het vervoer naar school, mag de gemeente die vergoeding aftrekken van de
                    bekostiging die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van de verordening
                    leerlingenvervoer. Dat geldt echter niet voor vergoedingen die worden verstrekt
                    door de IB-groep op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                    schoolkosten, die ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs
                    kunnen aanvragen. Deze vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten,
                    zoals lesgeld, boekengeld enzovoort en is niet puur bestemd voor reiskosten.
                    Deze vergoeding mag daarom niet worden afgetrokken van de bekostiging
                    leerlingenvervoer.</al><al><vet>Artikel 9 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale
                        school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband</vet></al><al>Dit artikel is een aanvulling op artikel 3 van de verordening leerlingenvervoer
                    gemeente Aa en Hunze. Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel van artikel 3, eerste lid. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs/article=4">Artikel 4 van de WPO</extref> bepaalt voor speciale scholen voor
                    basisonderwijs echter dat het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het
                    samenwerkingsverband dient te worden bekostigd. Dat zal veelal wel, maar hoeft
                    niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school van zijn soort te zijn omdat
                    buiten het samenwerkingsverband een dichterbij gelegen speciale school kan zijn.
                    Deze regeling is door de wetgever getroffen om zo veel mogelijk opvang binnen
                    het eigen samenwerkingsverband te realiseren. Evenals bij de regeling voor
                    basisscholen wordt bij het toekennen van een voorziening voor leerlingenvervoer
                    rekening gehouden met de toegankelijkheid voor de leerling en de op godsdienst
                    of levensbeschouwing berustende keuze van de ouders. In artikel 9 wordt
                    gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op grond
                    van artikel 3 van de verordening de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    basisschool. Is dit het geval, dan is artikel 9 van toepassing. Daarnaast geldt als gevolg van de
                    verwijzing naar artikel 3 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze bij toepassing van onderdeel b ook hier het vereiste van
                    schriftelijke instemming van de ouders.</al><al><vet>Artikel 10 Permanente commissie leerlingenzorg</vet></al><al>In de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs">WPO</extref> wordt aan de permanente commissie leerlingenzorg (pcl) de taak
                    opgedragen om een besluit te nemen over de toelating van een leerling tot een
                    speciale school voor basisonderwijs. Het college moet bij de beoordeling van een
                    aanvraag voor leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Daarnaast kunnen door
                    het samenwerkingsverband aan de permanente commissie leerlingenzorg adviestaken
                    worden opgedragen. Wanneer dat is gebeurd dient het college het advies van de
                    commissie bij de beoordeling te betrekken. Omdat het een advies betreft, is het
                    college daaraan echter niet gebonden.</al><al><vet>Artikel 11 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                        fiets</vet></al><al>In artikel 11 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze zijn de minimumvoorwaarden vastgelegd om ouders aanspraak te
                    kunnen laten maken op bekostiging van de vervoerkosten. Hierbij geldt als
                    uitgangspunt: ‘bekostiging van de kosten van openbaar vervoer dan wel de kosten
                    van het vervoer per fiets’.</al><al>Op 6 februari 1990 heeft de Raad van State in een uitspraak (nrs.
                    R03.88.1134/VE24 en R03.88.1135/VE25) bepaald dat een gemeentelijke bepaling
                    waarin een grens van veertien kilometer was opgenomen in strijd is met artikel
                    4, derde lid, van de Wet op het basisonderwijs. Aan die bepaling van de
                    gemeentelijke verordening werd de verbindende kracht ontzegd. Een zelfde
                    uitspraak heeft de Raad van State gedaan over een afstandsgrens van acht
                    kilometer (uitspraak van 15 mei 1990, R03.88.0790).</al><al>Daarentegen heeft de Afdeling rechtspraak van de Raad van State op 11 augustus
                    1989 (R03.88.3592) uitgesproken dat een afstandsgrens van zes kilometer voor het
                    basisonderwijs mogelijk is. De Afdeling overweegt ‘dat niet aannemelijk is dat
                    het ontbreken van de mogelijkheid om bekostiging te krijgen bij een reisafstand
                    tot zes kilometer, de ouders wezenlijk belemmert in de vrijheid om voor hun
                    kinderen een school van de door hen gewenste richting te kiezen’.</al><al>Als afstandscriterium wordt in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                    Hunze zes kilometer gehanteerd. In de lijn van de jurisprudentie is deze
                    kilometergrens inmiddels in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs/article=4">artikel 4, zevende lid, van de WPO</extref> als bovengrens vastgelegd.</al><al>In de uitspraak van 27 december 1989 (R03.88.7309) heeft de afdeling Rechtspraak
                    van de Raad van State duidelijkheid verschaft over de wijze waarop de afstand
                    tussen school en woning bepaald moet worden. Als er een klein verschil (minder
                    dan enkele honderden meters) bestaat tussen de meting van de afstand door de
                    ouders en de gemeente, dan kan niet volstaan worden met het meten van de afstand
                    door een auto-dagteller. In dit geval dient een methode gebruikt te worden
                    waardoor de exacte afstand kan worden bepaald, bijvoorbeeld door middel van het
                    gebruik van een geijkte teller.</al><al>Van belang is tevens dat de afdeling Rechtspraak van de Raad van State in
                    dezelfde uitspraak heeft bepaald dat bij het meten van de afstand niet mag
                    worden uitgegaan van de gemiddelde afstand van de heenweg (’s morgens) en de
                    terugweg (’s middags). Indien de reisafstand op de heenweg onder de in de
                    verordening gestelde grens ligt doch de reisafstand op de terugweg daarboven -
                    of omgekeerd - dan ligt het naar het oordeel van de afdeling veeleer in de rede
                    dat een gedeeltelijke bekostiging - voor alleen de heen- dan wel de terugreis -
                    wordt verstrekt.</al><al>Een combinatie van afstandscriterium en leeftijdscriterium is op grond van de
                    wet niet mogelijk (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs/article=4">artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra/article=4">artikel 4, zevende en achtste lid, van de WEC</extref>.</al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs/article=4">Artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO</extref> luidt:</al><lijst><li nr="8"><al>De regeling kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op
                            grond van de afstand tussen de voor de leerling toegankelijke school en
                            de woning van de leerling, gemeten langs de kortste, voor de leerling
                            voldoende begaanbare en veilige weg.</al></li><li nr="9"><al>De regeling kan bepalen dat voor een leerling die ouder is dan een
                            bepaalde leeftijd, de aanspraak op bekostiging wordt beperkt tot de
                            kosten van openbaar vervoer, dan wel, indien zulks in redelijkheid kan
                            worden verlangd, een goedkopere wijze van vervoer (...).</al></li></lijst><al>Met andere woorden: een voor de hand liggend onderscheid in afstand voor jongere
                    en oudere kinderen is niet mogelijk.</al><al>Overigens is het de vraag of de wetgever een dergelijk onderscheid bewust niet
                    wenste op te nemen. De parlementaire behandeling van de Wet gemeentelijke
                    regelingen leerlingenvervoer geeft geen duidelijk antwoord op deze vraag.</al><al>De oorspronkelijke tekst van het wetsontwerp gemeentelijke regelingen
                    leerlingenvervoer bepaalde dat de gemeentelijke regeling kan bepalen dat geen
                    aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de leeftijd van de leerling en de
                    afstand.</al><al>De huidige tekst van het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs/article=4">negende lid van artikel 4 van de WPO</extref> en het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra/article=4">achtste lid van artikel 4 van de WEC</extref> heeft zijn vorm gekregen door
                    middel van een tweede nota van wijziging (Kamerstuk 18 841, nr. 11, 31 oktober
                    1985).</al><al>Deze wijziging is opgenomen naar aanleiding van een vraag van de leden van de
                    CDA-fractie in het eindverslag (Kamerstuk 18 841, nr. 9, blz. 5, 26 september
                    1985) of het de gemeenten vrijstaat vierjarigen die het basisonderwijs volgen,
                    van bekostiging uit te sluiten.</al><al>Naar aanleiding van deze vraag antwoordt de staatssecretaris in de nota naar
                    aanleiding van het eindverslag (Kamerstuk 18 841, nr. 10. blz. 3, 30 oktober
                    1985) dat het niet de bedoeling is de gemeenten de mogelijkheid te geven
                    vierjarigen geheel van de aanspraak op vervoer uit te sluiten. Om deze
                    onduidelijkheid weg te halen is de wet aangepast in vorenstaande zin.</al><al>Het effect van de wijziging is dat leerlingen op grond van de leeftijd niet
                    uitgesloten kunnen worden van een aanspraak op bekostiging.</al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs/article=4">artikelen 4 van de WPO</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra/article=4">WEC</extref> bepalen dat de gemeentelijke regeling kan bepalen dat geen
                    aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand. In de verordening
                    leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is deze afstand nader ingevuld door het
                    stellen van een kilometergrens.</al><al>Het drempelbedrag en het draagkrachtbeginsel</al><al>Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs heeft de
                    gemeente naast de vaststelling van een afstandsgrens en leeftijdsgrens nog twee
                    andere volumebeperkende maatregelen ter beschikking ter regulering van de
                    vervoerskosten, namelijk een drempelbedrag en het toepassen van het
                    draagkrachtbeginsel. In het kader van het vervoer van leerlingen naar speciale
                    scholen voor basisonderwijs kan eveneens een drempelbedrag geheven worden, maar
                    is het toepassen van het draagkrachtbeginsel niet mogelijk.</al><al>1 Drempelbedrag</al><al>Het drempelbedrag houdt in dat:</al><lijst><li nr="-"><al>aan ouders wier inkomen meer bedraagt dan € 17.700,- per jaar
                            (geïndexeerd), slechts bekostiging wordt verleend voorzover de kosten
                            van vervoer van de leerling de kosten van het openbaar vervoer over de
                            in artikel 11 dan wel artikel 15 bepaalde afstand te boven gaan;</al></li><li nr="-"><al>indien het college het vervoer zelf organiseren dienen ouders een
                            financiële bijdrage voor één te vervoeren leerling per gezin te betalen
                            die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 dan wel artikel 15 bepaalde afstand als het inkomen meer bedraagt
                            dan € 17.700,- per jaar (geïndexeerd) (zie artikel 23 van de verordening
                                leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze).</al></li></lijst><al>2 Draagkrachtprincipe</al><al>Naast het heffen van een drempelbedrag kan de gemeente in een aantal gevallen
                    bepalen dat de hoogte van de bekostiging afhankelijk is van de financiële
                    draagkracht van de ouders, of dat het vervoer dat de gemeente verzorgt of doet
                    verzorgen geschiedt tegen een van de financiële draagkracht van de ouders
                    afhankelijke bijdrage (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs/article=4">artikel 4, elfde lid, van de WPO</extref>). Dit draagkrachtbeginsel kan
                    worden toegepast indien het leerlingen betreft die een school voor
                    basisonderwijs of een school voor speciaal voortgezet onderwijs bezoeken en voor
                    wie de afstand van de woning naar de school meer dan twintig kilometer bedraagt.
                    De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 17
                    februari 1992 (R03.88.6457) bepaald dat het niet is toegestaan naast de bijdrage
                    naar draagkracht, zoals berekend via de oude, op de zogeheten IPO-norm
                    gebaseerde formule tevens de verplichte eigen bijdrage te heffen. Inmiddels is
                    de berekening van de bijdrage naar draagkracht aangepast. Er wordt nu gewerkt
                    met inkomenscategorieën, met een bijbehorende draagkrachtafhankelijke bijdrage.
                    Bij de vaststelling van de hoogte van de draagkrachtafhankelijke bijdrage is
                    rekening gehouden met het gelijktijdig in rekening brengen van de verplichte
                    eigen bijdrage. Dit betekent dat in deze systematiek zowel de verplichte eigen
                    bijdrage als de draagkrachtafhankelijke bijdrage in rekening dienen te worden
                    gebracht.</al><al>Als uitgangspunt van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze geldt
                    bekostiging op basis van het openbaar vervoer: ‘Openbaar vervoer eventueel onder
                    begeleiding is regel en aangepast vervoer is uitzondering’.</al><al>Artikel 11 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze bepaalt dat de ouders van leerlingen die een school voor
                    basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken, in
                    aanmerking kunnen komen voor bekostiging op basis van de kosten van het openbaar
                    vervoer dan wel vervoer per fiets, indien de afstand van de woning naar de
                    dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school meer dan zes kilometer
                    bedraagt.</al><al>Het tweede lid van artikel 11 voorziet er in dat een fietsvergoeding
                    wordt verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al
                    dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij
                    dienen in overweging te worden genomen de leeftijd van de leerling, de eventuele
                    handicap van de leerling, de veiligheid van de af te wijken route en de afstand.
                    Ook is het mogelijk een fietsbekostiging voor bijvoorbeeld de maanden maart tot
                    november te verstrekken en voor de overige maanden bekostiging voor ander
                    passend vervoer.</al><al>Overeenkomstig artikel 1, onder e,
                        van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze dient
                    onder ‘afstand’ verstaan te worden: de afstand tussen de woning van de leerling
                    en de te bezoeken school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende
                    begaanbare en veilige weg.</al><al>Leerlingenvervoer naar dislocaties/nevenvestigingen</al><al>Artikel 11 e.v. en artikel 15 e.v. van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze bepalen dat het college bekostiging verstrekt in de kosten
                    van leerlingenvervoer, indien de afstand van de woning van de leerling naar de
                    dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school voor basisonderwijs, een
                    speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal voortgezet
                    onderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes
                    kilometer.</al><al>Indien de school die de leerling bezoekt meer dan één locatie heeft, rijst de
                    vraag of slechts de hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als school in
                    de zin van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze
                    leerlingenvervoer dienen te worden beschouwd. Deze vraag zal zich in de praktijk
                    vaker voordoen door met name de schaalvergrotingsoperatie (T&amp;B) in het
                    basisonderwijs. Door deze operatie is het aantal dislocaties toegenomen en zijn
                    zelfstandige scholen omgevormd tot nevenvestigingen.</al><al>Voor de beantwoording van de gestelde vraag kan aansluiting worden gezocht bij
                    de regelgeving inzake de huisvesting en materiële instandhouding in het primair
                    onderwijs, alsmede bij artikel 2, eerste lid, artikel 11 en artikel 15, eerste lid van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze leerlingenvervoer.</al><al>Als uitgangspunt geldt dan dat de feitelijke locatie die door de leerling wordt
                    bezocht als school kan worden beschouwd in de zin van de verordening.</al><al>Onderscheid tussen rijksbekostigde en particuliere locaties is hierbij niet aan
                    de orde, gelet op de wijziging van de WBO en de ISOVSO (Stbl. 1993, nr. 587)
                    waarbij de bepalingen inzake het leerlingenvervoer zijn verplaatst naar de
                    eerste Titel van beide wetten. Vanaf 1 augustus 1998 gelden hiervoor de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs">WPO</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20op%20het%20voortgezet%20onderwijs">WVO</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20op%20de%20expertisecentra">WEC</extref>.</al><al>Concreet gaat het om de volgende situaties:</al><lijst><li nr="1"><al>Nevenvestiging in het basisonderwijs. Een nevenvestiging wordt in termen
                            van de WPO (artikel 1) beschouwd als een deel van de school op de plaats
                            waar vóór de vorming van de nevenvestiging een zelfstandige school
                            functioneerde. De eigen wettelijke positie van een nevenvestiging komt
                            onder andere tot uiting in een afzonderlijke normstelling voor de
                            instandhouding, in een afzonderlijke regeling voor de rijksbekostiging
                            van de huisvesting (los van de plaatsingscapaciteit van de
                            hoofdvestiging) en in de verplichting om voor de nevenvestiging een
                            afzonderlijke leerlingadministratie bij te houden.</al></li><li nr=""><al>Gelet op het voorgaande uitgangspunt en tegen deze achtergrond bezien,
                            ligt het voor de hand een nevenvestiging als een school in de zin van de
                            verordening te beschouwen.</al></li><li nr="2"><al>Dislocaties in het primair onderwijs. Een dislocatie kan, gelet op het
                            hiervoor genoemde uitgangspunt, eveneens als een school in de zin van de
                            verordening worden beschouwd.</al></li><li nr="3"><al>Bekostiging. Het college verstrekt bekostiging indien de leerling de
                            dichtstbijzijnde toegankelijke onderwijslocatie bezoekt, indien
                            uiteraard aan de criteria van de verordening op het gebied van richting
                            en kilometergrens wordt voldaan. Met een onderwijslocatie wordt zowel de
                            hoofdvestiging als een nevenvestiging of dislocatie bedoeld. Hieruit
                            vloeit bijvoorbeeld voort dat indien een leerling een dislocatie bezoekt
                            die minder ver van de woning is gelegen dan de kilometergrens van
                                <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-11-bekostiging-van-de-kosten-van-openbaar-vervoer-en-vervoer-per-fiets">artikel 11</extref> respectievelijk <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-15-bekostiging-van-de-kosten-van-openbaar-vervoer-en-vervoer-per-fiets">artikel 15 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                                Hunze</extref>, het college niet gehouden is bekostiging te
                            verstrekken voor de kosten van het leerlingenvervoer. Dit gaat ook niet
                            op indien de hoofdvestiging van de school zich wel verder weg van de
                            woning bevindt dan de kilometergrens.</al></li><li nr=""><al>Anderzijds is het college gehouden bekostiging van de kosten van
                            leerlingenvervoer te verstrekken indien de dichtstbijgelegen
                            onderwijslocatie van de gewenste soort en richting een nevenvestiging is
                            die verder weg van de woning is gelegen dan de kilometergrens van
                                <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-11-bekostiging-van-de-kosten-van-openbaar-vervoer-en-vervoer-per-fiets">artikel 11</extref> respectievelijk <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-15-bekostiging-van-de-kosten-van-openbaar-vervoer-en-vervoer-per-fiets">artikel 15</extref>, terwijl de hoofdvestiging binnen deze
                            kilometergrens is gelegen.</al></li><li nr="4"><al>Toegankelijkheid. De bekostigingsplicht van het college tot de
                            dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school kan van specifiek
                            belang zijn indien de leerling een school bezoekt met een nevenvestiging
                            of een dislocatie.</al></li></lijst><al>Indien een school een nevenvestiging of dislocatie heeft, kan het bevoegd gezag
                    bij de inrichting van het onderwijs bepalen dat de hoofdvestiging en de
                    nevenvestiging/dislocatie niet elk een volledig onderwijscurriculum verzorgen.
                    Indien bijvoorbeeld de dichtstbijgelegen locatie een dislocatie is waar slechts
                    onderwijs voor de onderbouw wordt verzorgd, is deze locatie voor een leerling
                    uit de bovenbouw niet toegankelijk en wordt de verdergelegen dislocatie of
                    hoofdvestiging met onderwijs voor de bovenbouw als dichtstbijzijnde
                    onderwijslocatie aangemerkt. Indien aan de overige voorwaarden wordt voldaan
                    bekostigt het college het vervoer daarheen.</al><al><vet>Artikel 12 Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een
                        begeleider</vet></al><al>In een aantal gevallen zal blijken dat het voor de leerling niet mogelijk is
                    zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Indien er dan geen andere
                    ‘oudere’ leerlingen zijn die de leerling kunnen begeleiden, is deze begeleiding
                    een verantwoordelijkheid van de ouders. In artikel 12 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze is daaromtrent een regeling getroffen.</al><al>Uit artikel 12 blijkt:</al><lijst><li nr="1"><al>dat de afstand van de woning naar de school meer dan zes kilometer moet
                            zijn om voor bekostiging van de vervoerkosten ten behoeve van een
                            begeleider in aanmerking te komen;</al></li><li nr="2"><al>dat begeleiding slechts wordt bekostigd aan de ouders, indien de
                            leerling jonger dan negen jaar is. Met andere woorden: de regeling gaat
                            ervan uit dat een leerling van negen jaar en ouder in principe
                            zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Is dat in een
                            incidenteel geval niet zo, dan kan op grond van artikel 29 van de
                                verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze een
                            uitzondering hierop gemaakt worden.</al></li><li nr=""><al>In dit verband is artikel 7 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                                Hunze van belang. Indien de leerling op 1 augustus van het
                            schooljaar acht jaar is, geldt voor het hele schooljaar dat de leerling
                            als acht jaar wordt aangemerkt ook al wordt de leerling in de loop van
                            het schooljaar negen jaar;</al></li><li nr="3"><al>dat door de ouders genoegzaam aangetoond moet worden dat de leerling
                            niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te
                            maken.</al></li><li nr=""><al>Hiervan kan onder andere sprake zijn indien: </al><lijst><li nr="-"><al>de leerling te jong is om zelfstandig van het openbaar vervoer
                                    gebruik te maken;</al></li><li nr="-"><al>de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of
                                    meerdere malen moet overstappen op gevaarlijke overstappunten en
                                    hij, gezien zijn leeftijd, te jong hiervoor is;</al></li><li nr="-"><al>de route van het uitstappunt van de bus naar de school
                                    gevaarlijke punten kent (en oplossing daarvan door bijvoorbeeld
                                    verkeersbrigadiers niet mogelijk is).</al></li></lijst></li></lijst><al>Dit ‘genoegzaam aantonen’ dient zoveel als mogelijk ondersteund te worden door
                    eventuele bewijsstukken, zoals gegevens over de routes van het openbaar vervoer,
                    psychologische verklaringen en medische verklaringen.</al><al>In een aantal gevallen kan het voorkomen dat het bewijs moeilijk te geven is. In
                    die gevallen dient de situatie zorgvuldig beoordeeld te worden door het college.
                    Het college bepaalt immers of inderdaad aangetoond wordt of zelfstandig vervoer
                    van de leerling niet mogelijk is.</al><al>Wie uiteindelijk als begeleider zal fungeren is in principe niet van belang.
                    Ongeacht wie de leerling begeleidt, vindt de bekostiging van de kosten plaats
                    aan de ouders van de leerling.</al><al>In de meeste gevallen zal het een ouder zijn die de leerling begeleidt. Indien
                    een begeleider (al dan niet een ouder) meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                    geldt slechts bekostiging als ware er sprake van de begeleiding van één
                    leerling. Met andere woorden, indien bijvoorbeeld één ouder drie leerlingen
                    begeleidt met het openbaar vervoer, kan het niet zo zijn dat de bekostiging van
                    de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van de begeleider drie maal
                    plaatsvindt. Artikel 12, tweede lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze bepaalt dan ook dat de kosten van openbaar vervoer ten
                    behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking komen.</al><al>In de uitspraak van 19 maart 1992 (nr. R03.89.6924/106) van de afdeling
                    Rechtspraak van de Raad van State gaat het om de vraag in hoeverre leerlingen
                    zelf kunnen voorzien in de begeleiding van andere (jongere) leerlingen. In
                    aanscherping op de algemene lijn die de afdeling hierin volgt, geeft de afdeling
                    aan dat weliswaar leerlingen van elf jaar en ouder enige begeleiding voor hun
                    rekening kunnen nemen, maar dat van een elfjarig kind niet kan worden verwacht
                    dat het zelfstandig twee of meer jongere kinderen door moeilijke
                    verkeerssituaties kan loodsen.</al><al><vet>Artikel 13 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                    vervoer</vet></al><al>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer ten behoeve van de
                    leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor
                    basisonderwijs bezoekt, dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen te
                    worden verleend. Deze uitzonderingen zijn in artikel 13 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze vastgelegd.</al><al>In veel gevallen zal het voorkomen dat het college het aangepast vervoer zelf
                    organiseert. Het drempelbedrag en de bijdrage op grond van de draagkracht zullen
                    dan door de ouders aan het college betaald moeten worden, in feite in ruil voor
                    het aangeboden vervoer. Overigens geldt met name voor aangepast vervoer dat
                    regionale samenwerking met andere gemeenten tot belangrijke besparingen kan
                    leiden.</al><al>In artikel 13 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze is bepaald dat bekostiging op basis van de kosten van
                    aangepast vervoer wordt verstrekt, indien de afstand van de woning naar de
                    school meer dan zes kilometer bedraagt, en:</al><lijst><li nr="1"><al>indien de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of
                            terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast
                            vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan
                            worden teruggebracht of</al></li><li nr="2"><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling, naar het oordeel van het
                            college, zelf gebruik kan maken van vervoer per fiets.</al></li></lijst><al>De bepaling dat aangepast vervoer wordt toegekend indien de leerling is
                    aangewezen op openbaar vervoer onder begeleiding en de ouders kunnen aantonen
                    dat het begeleiden van de leerling door hen of door anderen onmogelijk is dan
                    wel tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden en een andere oplossing
                    niet mogelijk is, is niet meer in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa
                    en Hunze opgenomen.</al><al>De overweging hierbij is dat begeleiding primair een taak van de ouders is. Als
                    dat niet mogelijk is, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Die kan
                    gevonden worden door bijvoorbeeld een oppas, buren, familie of anderen in te
                    schakelen. In noodsituaties kunnen ouders een beroep doen op de
                    hardheidsclausule (artikel 26 van
                        de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze). Daarbij kan
                    rekening worden gehouden met de uitspraken van de afdeling Rechtspraak van de
                    Raad van State over dit onderwerp.</al><al>In de uitspraak van de afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 5 februari
                    1992 (R03.90.1688/62-120) staat centraal dat de aanvragende ouders aangepast
                    vervoer eisen, aangezien zij zichzelf niet in staat achten in de begeleiding van
                    hun kinderen in het openbaar vervoer te voorzien. Zij motiveren deze
                    onmogelijkheid naar het oordeel van de afdeling Rechtspraak niet voldoende. De
                    afdeling spreekt hierover uit dat het aan de ouders is voldoende aannemelijk te
                    maken dat het hun onmogelijk is hun kind te begeleiden. In dit concrete geval
                    eist de afdeling, gezien de cursus die de moeder volgt, lesroosters of
                    andersoortige verklaringen waaruit de onmogelijkheid tot begeleiden blijkt.
                    Voorts dienen de ouders volgens de afdeling aan te tonen dat hun kind niet
                    (gedeeltelijk) door anderen kan worden begeleid.</al><al>De uitspraak van de afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 2 december
                    1988 (R03.88.5983/S649265-29) inzake het beroep van ouders tegen de afwijzende
                    beschikking van een gemeente om aangepast vervoer toe te staan gaat verder op
                    deze zaak in. De ouders stellen dat het begeleiden van hun zoon tot gevolg heeft
                    dat zijn negenjarig zusje tweeëneenhalf tot vier uur per dag, mede door haar
                    afwijkende schooltijden, zonder opvang moet doorbrengen. Opvang elders is
                    volgens de ouders niet mogelijk. De afdeling concludeert dat verzoeker
                    voorshands niet overtuigend heeft aangetoond dat de begeleiding van zijn zoon -
                    bijvoorbeeld door in onderling overleg met de ouders van medeleerlingen
                    beurtelings de kinderen naar en van school brengen - niet op een andere minder
                    bezwaarlijke wijze zou kunnen plaatsvinden.</al><al>Een soortgelijke uitspraak heeft de afdeling gedaan in een geschil waarin ouders
                    stellen dat begeleiding door de ouders de gezinnen voor grote problemen stelt,
                    onder meer omdat een aantal van hen thuis nog niet-schoolgaande kinderen heeft,
                    die eveneens aandacht en verzorging behoeven. De afdeling stelt in haar
                    uitspraak d.d. 25 april 1989 (R0.3.87.3373) dat niet aannemelijk is gemaakt dat
                    het voor appellanten onmogelijk is een zodanige regeling te treffen dat
                    gedurende de afwezigheid van degenen die zorg dragen voor de begeleiding van de
                    schoolkinderen door anderen op de jongere kinderen wordt gepast.</al><al>Uit de uitspraak van de Voorzitter van de afdeling Rechtspraak van de Raad van
                    State van 14 mei 1992 (R03.89.7315/P01) inzake de begeleiding door ouders blijkt
                    het volgende. Appellant is van mening, dat aanspraak bestaat op aangepast
                    vervoer in plaats van openbaar vervoer, omdat onder meer de begeleiding van haar
                    kind in het openbaar vervoer tot een onaanvaardbare belasting van het gezin
                    leidt, aangezien enerzijds haar tweede kind telkens mee moet reizen bij gebrek
                    aan een oppas en anderzijds de reistijd voor de begeleider onaanvaardbaar lang
                    is.</al><al>De Voorzitter bepaalt dat, hoewel niet kan worden ontkend dat bij gebruik van
                    het openbaar vervoer de begeleiding van het kind veel tijd vergt, niet
                    aangetoond is dat begeleiding van haar kind tot ernstige benadeling van het
                    gezin zou leiden. Daarbij is in aanmerking genomen dat de ouder van de gemeente
                    bekostiging ten behoeve van begeleiding is verstrekt, zodat zij haar kind niet
                    zelf hoeft te begeleiden, maar hem kan laten begeleiden. Bovendien zou de ouder
                    gedurende de tijd dat zij haar zoon naar en van school begeleidt haar tweede
                    kind onder de hoede van een oppas kunnen stellen.</al><al>Uit deze uitspraken blijkt onder meer dat de verklaring van de ouders, dat er
                    thuis kinderen zijn die verzorging behoeven, en er daarom geen sprake kan zijn
                    van begeleiding door de ouders op zich niet voldoende is. Van ouders wordt in
                    dit soort gevallen verwacht, dat zij zelf een oplossing zoeken voor het (laten)
                    begeleiden van hun kinderen en in voorkomend geval aantonen dat die mogelijkheid
                    niet aanwezig is. In feite zal de gemeente moeten afwegen wat van ouders, die in
                    aanmerking komen voor bekostiging van het leerlingenvervoer, meer gevraagd wordt
                    ten aanzien van de begeleiding van hun kinderen dan van ouders die niet voor die
                    bekostiging in aanmerking komen. Een voorbeeld moge dit verduidelijken: ouder A
                    woont op vijf kilometer van de school en ouder B op zeven kilometer, de gemeente
                    hanteert een afstandscriterium van zes kilometer. Beide ouders hebben thuis een
                    kind dat verzorging behoeft. Wanneer ouder B, die in aanmerking komt voor
                    leerlingenvervoer, zou mededelen zijn kind niet te kunnen begeleiden in verband
                    met de gezinssituatie dan doet zich de vraag voor of, op grond van het feit dat
                    er sprake is van een verschil in afstand van twee kilometer, van ouder A wel en
                    van ouder B niet verwacht kan worden dat hij zijn kind zelf begeleidt, dan wel
                    een andere oplossing zoekt.</al><al><vet>Ad 1 Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur</vet></al><al>Indien de leerling met gebruikmaking van het openbaar vervoer, meer dan
                    anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder
                    van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, wordt bekostiging
                    op basis van de kosten van aangepast vervoer verstrekt.</al><al>Overigens is het niet zo dat de ouders, indien zij op basis van het criterium
                    reistijd aanspraak op bekostiging van aangepast vervoer maken, van het college
                    kunnen eisen dat de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt
                    teruggebracht (in het geval dat het college het vervoer zelf organiseert).</al><al>Indien een schoolbusje meer leerlingen vervoert, kan dit tijdscriterium
                    overschreden worden. Slechts van belang is dat via individuele meting de
                    conclusie wordt getrokken, dat de totale reisduur van die leerling met het
                    openbaar vervoer meer dan anderhalf uur bedraagt en deze met het aangepast
                    vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden
                    teruggebracht. Is hiervan sprake dan kunnen ouders aanspraak maken op
                    bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer.</al><al>De afdeling Rechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 17
                    februari 1990 (nr. R03.89.5769/SP274) uitgesproken dat bij de reistijd vijf
                    minuten wachttijd bij de bushalte per rit opgeteld moet worden. Op grond van de
                    uitspraken van de afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 5 oktober 1990
                    (R03.90.6236/86538) alsmede van 10 december 1992 (S03.92.3655.67) kan voor de
                    berekening van de reistijd per taxi tweemaal vijf minuten worden bijgeteld.
                    Discussie over de exacte reistijd per openbaar vervoer kan volgens de uitspraak
                    van de afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 6 oktober 1992
                    (S03.92.3174) worden vermeden door uit te gaan van de desbetreffende
                    dienstregelingen.</al><al>In de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is een
                    reistijdcriterium opgenomen van anderhalf uur. Over een maximale reistijd van
                    anderhalf uur met het openbaar vervoer stelt de afdeling Rechtspraak van de Raad
                    van State (uitspraken R03.88.5039, R03.88.6089 en R03.88.6566) geen grond te
                    zien voor het oordeel dat dit op zichzelf in strijd is met <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20op%20het%20primair%20onderwijs/article=4">artikel 4</extref> van de WBO (nu <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs/article=4">WPO</extref>). Niet aannemelijk is, dat bij het ontbreken van de
                    mogelijkheid om bekostiging te krijgen op basis van de kosten van aangepast
                    vervoer, bij een reisduur tot anderhalf uur de vrijheid van ouders om voor hun
                    kinderen een openbare dan wel een bijzondere school van de door hen gewenste
                    richting te kiezen, in onaanvaardbare mate onder druk kan komen te staan van
                    financiële hindernissen.</al><al>Dit neemt echter niet weg, dat van vervoerders mag worden verwacht dat indien de
                    omstandigheden daartoe aanleiding geven, zij onderzoeken of onverkort aan de in
                        artikel 13, onder a, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze weergegeven reistijd dient te worden vastgehouden. De
                    hardheidsclausule in de gemeentelijke verordening biedt daartoe uitdrukkelijk de
                    mogelijkheid.</al><al>In een aantal gevallen kan het voorkomen dat bijvoorbeeld ten aanzien van de
                    heenreis (woning-school) wel voldaan wordt aan het criterium van de reistijd,
                    terwijl dit voor de terugreis niet het geval is. Dit kan het geval zijn indien
                    bijvoorbeeld op de heenreis een stopbus en op de terugreis een snelbus is
                    ingezet, of indien de heenreis qua tijd niet aansluit bij de aanvang van de
                    school, maar dat dit bij de terugreis wel het geval is. In dergelijke gevallen
                    dient het college te besluiten, dat er bekostiging wordt verstrekt wat betreft
                    de heenreis, op basis van aangepast vervoer, en voor wat betreft de terugreis op
                    basis van openbaar vervoer.</al><al>Ook kan het met name bij lange afstanden zinvol zijn om combinatie van vervoer
                    te overwegen. De leerling zou in zo’n geval gebruik kunnen maken van aangepast
                    vervoer (dat ook wordt ingezet voor andere leerlingen) tot een centraal
                    eindpunt, en vervolgens gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer om op de
                    plaats van bestemming te komen. Een vorm van combinatievervoer kan zijn dat de
                    leerling eerst met de bus naar het station gaat en vervolgens de trein
                    neemt.</al><al>Een ander voorbeeld kan zijn dat de schoolbus enkele centrale opstappunten (zie
                    artikel 1, onder m) kent.</al><al>In de uitspraak van 26 februari 1992 (R03.89.0419/83-107) geeft de afdeling
                    Rechtspraak van de Raad van State enige richtlijnen met betrekking tot centrale
                    opstapplaatsen (buurtbussen). Hierbij dienen de leerlingen van huis naar een
                    opstapplaats te lopen/fietsen/worden gebracht. Indien hiermee een reistijd is
                    gemoeid van ten hoogste dertig minuten, en indien de vertrektijden van de bus
                    zodanig zijn afgestemd op de aanvangs- en eindtijden van de lessen dat er niet
                    of nauwelijks sprake is van wachttijden, is deze constructie in beginsel
                    ‘alleszins redelijk’ te noemen, volgens de afdeling. Wanneer de leerling gelet
                    op zijn leeftijd begeleiding behoeft bij het vervoer van huis naar de
                    opstapplaats, acht de afdeling het reëel dat de ouders zelf voor de begeleiding
                    zorg dragen. Hierbij dient te worden aangetekend dat in de onderhavige casus de
                    leerlingen die dichterbij de school woonden dan de kilometergrens van vier
                    kilometer gewend waren om in zijn algemeenheid vergelijkbare afstanden af te
                    leggen naar reguliere bushalten, aldus de afdeling.</al><al><vet>Ad 2 Openbaar vervoer ontbreekt</vet></al><al>In een aantal gemeenten komt het voor dat openbaar vervoer geheel ontbreekt of
                    zo weinig frequent rijdt dat leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor
                    het vervoer van woning naar school of vice versa.</al><al>In principe kunnen de ouders dan aanspraak maken op bekostiging op basis van
                    aangepast vervoer. Hierbij kan het college de volgende mogelijkheden
                    overwegen:</al><lijst><li nr="-"><al>is een combinatie van vervoer haalbaar;</al></li><li nr="-"><al>de vervoersonderneming kan verzocht worden om wijzigingen aan te brengen
                            in de dienstregeling of de mate van het openbaar vervoer, waardoor deze
                            vervoervorm dienstbaar wordt voor het reizen van en naar de school;</al></li><li nr="-"><al>het bevoegd gezag van de school kan verzocht worden de schooltijden af
                            te stemmen op de vervoertijden;</al></li><li nr="-"><al>contact kan worden opgenomen met de rijksverkeersinspectie in het
                            betreffende gebied; deze kan eventueel een adviserende en bemiddelende
                            rol spelen;</al></li><li nr="-"><al>tevens kan nog bezien worden of het mogelijk is andersoortig vervoer te
                            organiseren tegen de kosten van openbaar vervoer.</al></li></lijst><al>Als echter blijkt dat voorgaande en eventuele andere mogelijkheden niet
                    uitvoerbaar zijn, dan kan het college bekostiging verstrekken op basis van de
                    kosten van aangepast vervoer (of de leerling gebruik laten maken van het door de
                    gemeente verzorgde vervoer).</al><al>Overigens biedt artikel 13, onder b, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze het college de mogelijkheid om te beoordelen of de leerling
                    in staat mag worden geacht met de fiets naar school te gaan. Hierbij spelen de
                    volgende overwegingen een belangrijke rol:</al><lijst><li nr="-"><al>is de leerling zelfstandig genoeg om met de fiets naar school te
                            gaan;</al></li><li nr="-"><al>is de route die de leerling af moet leggen, veilig met de fiets af te
                            leggen.</al></li></lijst><al>Is dat het geval, dan vindt een fietsbekostiging plaats (zie ook de toelichting
                    op artikel 14).</al><al>In de uitspraak van de voorzitter van de afdeling Rechtspraak van de Raad van
                    State van 4 februari 1988 (R03.87.7225/S6761) staat dat een bepaling in de
                    gemeentelijke verordening, die inhoudt dat alleen dan bekostiging wordt verleend
                    op basis van de kosten van aangepast vervoer indien openbaar vervoer ontbreekt,
                    in strijd is met de wet. Ook op andere gronden dan het ontbreken van openbaar
                    vervoer kan voor ouders aanspraak bestaan op bekostiging op basis van de kosten
                    van aangepast vervoer. Een zodanig geval kan zich voordoen indien de reistijd
                    die met het gebruik van het openbaar vervoer is gemoeid excessief lang is en het
                    alternatief van aangepast vervoer niet.</al><al><vet>Artikel 14 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</vet></al><al>Artikel 14 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze geeft nadere regels omtrent de bekostigingen van het eigen
                    vervoer. Hieronder kan worden verstaan: ouders die de leerlingen zelf naar
                    school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto, bromfiets
                    etc.), of een leerling die gebruikmaakt van fietsvervoer.</al><al>Of van bekostiging van eigen vervoer sprake kan zijn is ter beoordeling van het
                    college. Een belangrijke maatstaf hierbij kan zijn dat dit vervoer voor de
                    gemeente een goedkopere wijze van vervoer is.</al><al>Hiervan is bijvoorbeeld geen sprake indien voor de desbetreffende leerling nog
                    plaats is in een aangepast vervoermiddel (busje, taxi) waarmee de leerling
                    anders zou kunnen reizen.</al><al>Ook kunnen aspecten als zelfredzaamheid van de leerling meespelen bij de
                    beoordeling van het college of de leerling zelf gebruik kan maken van het
                    vervoer per fiets.</al><al>De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de bekostiging waar de
                    ouders in principe op basis van de bepalingen in de verordening
                    leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze voor in aanmerking komen:</al><lijst><li nr="a"><al>voor openbaar vervoer;</al></li><li nr="b"><al>voor aangepast vervoer.</al></li></lijst><al><vet>Ad a Openbaar vervoer</vet></al><al>Indien ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar
                    vervoer en zij vervoeren de leerling met toestemming van het college zelf, dan
                    keert het college bekostiging uit op basis van het openbaar vervoer.</al><al>Voorbeeld:</al><al>Afstand woning-school is acht kilometer. Ouders komen in aanmerking voor
                    bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer maar vervoeren de
                    leerling zelf, met toestemming van het college.</al><al>Het college dient nu na te gaan wat voor deze afstand betaald zou moeten worden,
                    indien de leerling gebruik zou maken van het openbaar vervoer.</al><al>Ook hiervoor geldt dat het college het meest goedkope tarief als uitgangspunt
                    mag nemen. Vervolgens past het college het eigen bijdrage principe toe. De
                    vraag, wat het openbaar vervoer per kilometer kost, is niet in zijn algemeenheid
                    te beantwoorden en is mede afhankelijk van het Vervoersplan en de bepalingen
                    omtrent de zone-indeling die gelden voor die specifieke gemeente. Nadere
                    informatie hierover bij de plaatselijke of regionale vervoersondernemingen is
                    daarom noodzakelijk.</al><al><vet>Ad b Aangepast vervoer</vet></al><al>Indien ouders in aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten van
                    aangepast vervoer en zij met toestemming van het college de leerling zelf
                    vervoeren, geldt een vergoeding per kilometer.</al><al>Per 1 april 1993 zijn in werking getreden het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisbesluit%20binnenland%20">Reisbesluit binnenland</extref> (Stb. 1993, 144) en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnenland%20">Reisregeling binnenland</extref> (Stcrt. van 22 maart 1993), waarmee het
                    Reisbesluit Nederland 1971 en de Reisbeschikking Nederland zijn komen te
                    vervallen.</al><al>Voor het leerlingenvervoer is dit van belang, aangezien in artikel 14, tweede tot en met vijfde lid en artikel 19, tweede tot en met vijfde lid van de verordening
                        leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze leerlingenvervoer is bepaald
                    dat onder omstandigheden bekostiging aan ouders wordt verstrekt die bestaat uit
                    een bedrag op basis van een kilometervergoeding afgeleid van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnenland">Reisregeling binnenland</extref>. Het betreft onder andere de
                    kilometervergoedingen die ouders ontvangen indien zij gebruikmaken van eigen
                    vervoer.</al><al>Bij de totstandkoming van het nieuwe <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisbesluit%20binnenland">Reisbesluit binnenland</extref> heeft terugdringing van de (auto)mobiliteit
                    en het zoveel mogelijk vermijden van fiscaal bovenmatige vergoedingen als
                    uitgangspunt gediend.</al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisbesluit%20Binnenland/article=7">Artikel 7-9 van het Reisbesluit</extref> jo <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnenland/article=2">artikel 2-3 van de Reisregeling</extref> bepalen onder meer het
                    volgende:</al><lijst><li nr="1"><al>indien openbaar vervoer passend is en er desalniettemin toestemming is
                            verleend door het bevoegd gezag om te reizen met eigen vervoer wordt een
                            bedrag betaald van € 0,09 per kilometer (zowel per auto als per
                            bromfiets);</al></li><li nr="2"><al>indien aangepast vervoer passend is en toestemming is verleend door het
                            bevoegd gezag om te reizen met de eigen auto wordt voor alle kilometers
                            een vergoeding verstrekt van € 0,27 per kilometer, zijnde de maximaal
                            onbelaste vergoeding; in geval van eigen vervoer met een bromfiets
                            bedraagt de vergoeding € 0,10 per kilometer;</al></li><li nr="3"><al>de fietsvergoeding bedraagt € 0,05 per kilometer plus een vergoeding van
                            de eventuele kosten van stalling.</al></li></lijst><al>Een knelpunt valt te signaleren voor de concrete betekenis voor het
                    leerlingenvervoer. Immers, tot 1 april 1993 werd de hoogte van de
                    kilometervergoedingen afgeleid van de bedragen van de Reisbeschikking Nederland.
                    Hierbij werden de volgende tarieven gehanteerd:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>0 km</al></entry><entry colname="col2"><al>- </al></entry><entry colname="col3"><al>5.000 km</al></entry><entry colname="col4"><al>1/2 x 68 zoals genoemd in Reisbeschikking = 34 cent</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.001 km</al></entry><entry colname="col2"><al>- </al></entry><entry colname="col3"><al>10.000 km</al></entry><entry colname="col4"><al>1/2 x 49 zoals genoemd in Reisbeschikking = 25 cent</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.001 km</al></entry><entry colname="col2"><al>- </al></entry><entry colname="col3"><al>20.000 km</al></entry><entry colname="col4"><al>1/2 x 37 zoals genoemd in Reisbeschikking = 19 cent</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>meer dan</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>20.000 km</al></entry><entry colname="col4"><al>1/2 x 33 zoals genoemd in Reisbeschikking = 17 cent</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Tussen de hoogte van de kilometervergoedingen en de hoogte van de bedragen zoals
                    genoemd in de Reisbeschikking bestaat derhalve een duidelijke relatie. De vraag
                    is hoe die relatie vanaf 1 april 1993 dient te worden gelegd.</al><al>Te noemen zijn onder andere de volgende mogelijkheden:</al><lijst><li nr="a"><al>conform de systematiek tot 1 april 1993 wordt het bedrag, zoals genoemd
                            in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnenland">Reisregeling</extref> gehalveerd, zodat per kilometer 30 cent wordt
                            vergoed (vanaf 1-1-2002: € 0,14); dit is ongunstig voor de meeste
                            ouders, waardoor soms voor gemeenten niet ongunstige belangstelling voor
                            eigen vervoer kan omslaan in een voorkeur van ouders voor door de
                            gemeente bekostigd overig aangepast vervoer;</al></li><li nr="b"><al>handhaving van de systematiek die tot 1 april 1993 gold en de daarbij
                            gehanteerde bedragen is mogelijk binnen de randvoorwaarden van het
                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisbesluit%20binnenland">Reisbesluit</extref>, aangezien de vergoedingen niet meer dan 59
                            cent bedragen (vanaf 1-1-2002: € 0,27); nadeel hiervan is dat de in het
                            kader van het leerlingenvervoer gehanteerde bedragen nauwelijks meer als
                            een afgeleide van de in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnnenland">Reisregeling binnnenland</extref> genoemde bedragen kunnen worden
                            beschouwd. Anders is dit indien het college percentages vaststelt van
                            het bedrag als genoemd in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnenland%20">Reisregeling binnenland</extref>(zie d);</al></li></lijst><al>c in het voetspoor van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Reisregeling%20binnenland">Reisregeling</extref> wordt met ingang van 1 april 1993 per kilom1eter 59
                    cent betaald (vanaf 1-1-2002: € 0,27); dit betekent een enorme verhoging van de
                    kilometervergoedingen, en dus bij ongewijzigd beleid een forse verhoging van de
                    uitgaven ten behoeve van het leerlingenvervoer, tenzij dit bedrag slechts wordt
                    uitgekeerd voor de kilometers die de leerling aflegt (hierbij wordt er van
                    uitgegaan dat de leerling tweemaal de reisafstand aflegt omdat de leerling
                    tussen de middag op de school kan overblijven);</al><al>d De werkgroep scholierenvervoer Meppel e.o. heeft het volgende alternatief
                    ontwikkeld.[NB De afrondingen van de percentages zijn hierin niet overgenomen.]
                    De regeling die tot 1 april 1993 werd gehanteerd wordt vertaald naar de regeling
                    die vanaf 1 april 1993 geldt, en wel op de volgende wijze. Het genoemde bedrag
                    van 52 cent per kilometer wordt als uitgangspunt genomen. De bedragen die tot 1
                    april 1993 werden gehanteerd worden uitgedrukt in een percentage van de genoemde
                    52 cent, en wel als volgt:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>0 km</al></entry><entry colname="col2"><al>- </al></entry><entry colname="col3"><al>5.000 km:</al></entry><entry colname="col4"><al>34/52 x 100 = 65%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.001 km</al></entry><entry colname="col2"><al>- </al></entry><entry colname="col3"><al>10.000 km:</al></entry><entry colname="col4"><al>25/52 x 100 = 48%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.001 km</al></entry><entry colname="col2"><al>- </al></entry><entry colname="col3"><al>20.000 km:</al></entry><entry colname="col4"><al>19/52 x 100 = 37%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>meer dan</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>20.000 km:</al></entry><entry colname="col4"><al>17/52 x 100 &gt; 33%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Om het te vergoeden bedrag per kilometer te berekenen, dient het genoemde bedrag
                    vermenigvuldigd te worden met een van deze percentages.</al><al>De voordelen van deze methode zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de vergoedingsbedragen verschillen niet van de bedragen die tot 1 april
                            1993 werden gehanteerd;</al></li><li nr="-"><al>de oude regeling wordt vertaald naar de nieuwe regeling. Door de
                            ontwikkeling van het prijsindexcijfer was het bedrag van 52 cent
                            gewijzigd in 60 cent per 1 januari 1997 (vanaf 1-1-2002: € 0,27). De
                            vergoedingsbedragen voor het leerlingenvervoer worden als volgt
                            vastgesteld:</al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>0 km</al></entry><entry colname="col2"><al>- </al></entry><entry colname="col3"><al>5.000 km:</al></entry><entry colname="col4"><al>65% van 60 = € 0,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.001 km</al></entry><entry colname="col2"><al>- </al></entry><entry colname="col3"><al>10.000 km:</al></entry><entry colname="col4"><al>48% van 60 = € 0,13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.001 km</al></entry><entry colname="col2"><al>- </al></entry><entry colname="col3"><al>20.000 km:</al></entry><entry colname="col4"><al>37% van 60 = € 0,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>meer dan</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>20.000 km:</al></entry><entry colname="col4"><al>33% van 60 = € 0,09</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De hiervoor weergegeven mogelijkheden zijn alle vier reëel. Op plaatselijk
                    niveau kan de afweging worden gemaakt welke kilometervergoeding toegepast wordt.
                    Indien wordt overgegaan op een vergoeding die lager ligt dan de ouders gewend
                    waren te ontvangen, dan is het van belang deze nieuwe vergoeding pas een aantal
                    maanden na het moment dat de desbetreffende ouders daarvan op de hoogte zijn
                    gesteld, in te laten gaan en de ouders in de gelegenheid te stellen hun verzoek
                    om zelf in het vervoer te mogen voorzien, te heroverwegen.</al><al>Indien de gemeenteraad aansluit bij de vergoedingensystematiek afgeleid van de
                    Reisregeling Nederland, worden eventuele wijzigingen hierin automatisch door het
                    college vertaald naar het leerlingenvervoer.</al><al>De kilometervergoeding betreft enkelvoudige reizen. Dit betekent dat indien het
                    kind per auto vervoerd wordt, in principe aanspraak bestaat op vier maal de
                    afstand woning-school.</al><al>Geen bekostiging wordt verstrekt voor de kosten die ontstaan indien de leerling
                    ook tussen de middag wordt vervoerd.</al><al>Indien ouders twee of meer leerlingen vervoeren die aangepast vervoer behoeven,
                    mag uitgegaan worden van de rijafstand uitgaande van de woning van de te
                    vervoeren leerling die het verst van de school verwijderd woont.</al><al>In artikel 14, derde lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze is bepaald, dat ouders aanspraak maken op bekostiging op
                    basis van een kilometervergoeding, indien zij meer dan één leerling tegelijk
                    vervoeren en daarvoor van het college toestemming hebben gekregen. Dit is ook
                    het geval indien ouders in principe slechts aanspraak maken op bekostiging op
                    basis van de kosten van openbaar vervoer. Indien ouders bijvoorbeeld zes
                    kinderen met een eigen busje vervoeren, kunnen het college bij wijze van
                    uitzondering op grond van de hardheidsclausule een andere bekostiging
                    vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast vervoer per
                    leerling.</al><al>Ook in een dergelijk geval is toestemming van het college noodzakelijk. Hierbij
                    zal uiteraard rekening gehouden moeten worden met de kosten die daarmee gepaard
                    gaan.</al><al>Ten slotte bepaalt artikel 14, vijfde lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze dat het college bekostiging verstrekt op basis van het aantal
                    kilometers fietsvervoer, indien de leerling gebruik maakt van het vervoer per
                    fiets. Hiervan kan sprake zijn:</al><lijst><li nr="a"><al>indien het college van oordeel is dat de leerling hiertoe in staat mag
                            worden geacht als openbaar vervoer ontbreekt;</al></li><li nr="b"><al>indien de ouders van de leerling dit wensen, bijvoorbeeld in het kader
                            van de bevordering van de zelfredzaamheid, en het college hiervoor
                            toestemming geeft.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 15 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                            fiets</vet></al><al>Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs geldt evenals voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor
                    basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs als uitgangspunt:
                    ‘bekostiging van de kosten van openbaar vervoer’. Indien het college van oordeel
                    is, eventueel na de commissie voor de begeleiding en andere deskundigen gehoord
                    te hebben, dat een andere wijze van vervoer noodzakelijk is, kan een andere
                    wijze van vervoer voor bekostiging in aanmerking gebracht worden, namelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>openbaar vervoer onder begeleiding;</al></li><li nr="-"><al>aangepast vervoer al dan niet verzorgd door het college;</al></li><li nr="-"><al>eigen vervoer;</al></li><li nr="-"><al>een combinatie van bovenstaande vervoersmogelijkheden.</al></li></lijst><al>In de verordening is voor het (speciaal) onderwijs één afstandsgrens opgenomen,
                    namelijk zes kilometer. Hierbij dient echter rekening te worden gehouden met het
                    bepaalde in artikel
                        20 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze. Dit
                    artikel bepaalt dat als de afstand naar de school minder bedraagt dan zes
                    kilometer, toch aangepast vervoer moet worden verstrekt indien de handicap van
                    de leerling dat vereist.</al><al>Analoog aan de regeling voor de bekostiging van het vervoer naar scholen voor
                    basisonderwijs en speciale scholen voor basisonderwijs geldt ook ten aanzien van
                    de bekostiging van het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                    dat het college de voor de gemeente goedkoopst mogelijke wijze van vervoer
                    bekostigt (dit kan bijvoorbeeld zijn een strippenkaart, een jaarabonnement of
                    een maandabonnement of een kilometervergoeding voor de (brom)fiets).</al><al>Het college kan op grond van het tweede lid bepalen dat bekostiging voor de
                    fiets wordt verstrekt. Het college moet dan van oordeel zijn dat de leerling, al
                    dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij
                    dient in overweging worden genomen: de leeftijd van de leerling, de eventuele
                    handicap van de leerling, de veiligheid van de af te leggen route en de afstand.
                    Ook is het mogelijk een fietsvergoeding voor bijvoorbeeld de maanden maart tot
                    november te verstrekken en voor de overige maanden bekostiging voor ander
                    passend vervoer.</al><al><vet>Artikel 16 Commissie voor de begeleiding</vet></al><al>De Commissie van onderzoek (Cvo) bestaat niet meer vanaf 1 augustus 2002. De
                    indicerende taken gaan over naar de regionale Commissies van Indicatiestelling
                    (CvI). De taken omtrent het toewijzen van (ambulante) begeleiding gaan over naar
                    de commissie voor de begeleiding, verbonden aan een school voor (voortgezet)
                    speciaal onderwijs.</al><al>Het college kan advies inwinnen bij de commissie voor de begeleiding en/of de
                    ambulante begeleider van een leerling. Als zij niet op de hoogte zijn van de
                    gesteldheid van de leerling waarvoor een aanvraag is binnengekomen, kan advies
                    worden ingewonnen bij de schooldirecteur. Deze moet een gemotiveerd advies
                    geven.</al><al>Om de bestuurslast beperkt te houden, is bepaald dat alleen in het geval het
                    college een negatieve beschikking op de gevraagde voorziening geeft, het advies
                    van genoemde commissies daarbij moet worden betrokken. Indien het voor een
                    gemeente duidelijk is dat het aangevraagde vervoer voor de leerling passend is
                    (bijvoorbeeld omdat het een herhalingsaanvraag betreft of omdat de handicap dat
                    vervoer noodzakelijk maakt), behoeft het advies niet te worden gevraagd.
                    Uiteraard laat deze bepaling onverlet dat het advies van genoemde commissies ook
                    gevraagd kan worden indien de gemeente dit wenselijk vindt.</al><al>Tevens biedt de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze in artikel 16, tweede
                        lid, de mogelijkheid dat het college naast het advies van genoemde
                    commissies tevens het advies van andere deskundigen in kan winnen. Van deze
                    mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt indien bijvoorbeeld het oordeel van het
                    college afwijkt van het advies van genoemde commissies, of in geval de
                    bijzondere handicap van de leerling dit vraagt. Andere deskundigen kunnen dan
                    bijvoorbeeld zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>medische specialisten;</al></li><li nr="-"><al>een orthopedagoog;</al></li><li nr="-"><al>de huisarts van de leerling;</al></li><li nr="-"><al>kinderpsycholoog en dergelijke.</al></li></lijst><al>Als nadeel van een keuze voor de directeur/commissie voor de begeleiding als
                    adviserend orgaan geldt de veel gehoorde klacht, dat hun adviezen nogal eens
                    subjectief van aard kunnen zijn. Zij zijn immers verbonden aan de ontvangende
                    school en er kunnen dan bepaalde belangen zijn bij het aannemen van het kind op
                    de desbetreffende school. Het is in dat kader van belang dat het college een
                    gemotiveerd advies vraagt van de directeur/commissie voor de begeleiding. Voorts
                    is in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze gekozen voor de
                    mogelijkheid om ook andere deskundigen te raadplegen. In geval van twijfel kan
                    dan het advies van deze deskundigen ingewonnen worden. Uiteraard kan de
                    gemeenteraad ook kiezen voor een andere vorm van advies.</al><al>In een dergelijk geval kan de gemeenteraad als alternatief een onafhankelijke
                    commissie van advies instellen, al dan niet in samenwerking met andere
                    gemeenten. Op deze wijze kan een onafhankelijk advies verkregen worden; de
                    commissie van advies is immers niet gekoppeld aan een bepaalde school. De
                    samenstelling van een dergelijke commissie zou dan kunnen bestaan uit een arts
                    (specialist), een maatschappelijk werker, een onderwijsgevende en een
                    psycholoog. De eventuele kosten verbonden aan een onafhankelijke commissie van
                    advies zullen dan wel door de (samenwerkende) gemeenten gedragen moeten
                    worden.</al><al>Er kan ook gekozen worden voor advisering door een schoolartsendienst of
                    geneeskundige dienst. Wanneer advies nodig is over deelaspecten van het vervoer
                    - bijvoorbeeld ‘veilige route’ -, dan kan dit worden ingewonnen bij deskundigen
                    op het terrein van het desbetreffende deelaspect, bijvoorbeeld in dit geval de
                    (verkeers)politie.</al><al>Ook voor deze deskundigen geldt dat zij een onafhankelijke positie innemen.</al><al>De kosten verbonden aan de adviezen van een schoolartsendienst of geneeskundige
                    dienst, zullen veelal lager zijn dan de kosten verbonden aan een apart
                    ingestelde onafhankelijke commissie. Deze kosten zullen echter ook voor rekening
                    van de gemeente komen.</al><al>Volgens de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze vindt advisering
                    plaats indien het college een negatieve beschikking op de gevraagde voorziening
                    geeft. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om:</al><lijst><li nr="1"><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school
                            voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet onder
                            begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets (<extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-15-bekostiging-van-de-kosten-van-openbaar-vervoer-en-vervoer-per-fiets">artikel 15, tweede lid</extref>);</al></li><li nr="2"><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school
                            voor speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet zelfstandig gebruik kan
                            maken van het openbaar vervoer in verband met zijn verstandelijke of
                            lichamelijke handicap of leeftijd, waardoor vervoer onder begeleiding
                            noodzakelijk is (<extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-17-bekostiging-van-de-kosten-van-openbaar-vervoer-ten-behoeve-van-een-begeleider">artikel 17, eerste lid, van de verordening leerlingenvervoer
                                gemeente Aa en Hunze</extref>);</al></li><li nr="3"><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school
                            voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gelet op zijn
                            verstandelijke of lichamelijke handicap al dan niet in staat is - ook
                            niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken,
                            waardoor aangepast vervoer noodzakelijk is (<extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-18-bekostiging-op-basis-van-de-kosten-van-aangepast-vervoer">artikel 18, eerste lid, onder a, van de verordening
                                leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze</extref>);</al></li><li nr="4"><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school
                            voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, waarvan de afstand van de
                            woning van de leerling naar de te bezoeken school minder bedraagt dan de
                            in de verordening aangegeven minimum km-grenzen, niet in staat is,
                            gezien zijn lichamelijke handicap, die school zonder aangepast vervoer
                            te bereiken (<extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-20-bekostiging-vervoerskosten">artikel 20 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                                Hunze</extref>);</al></li><li nr="5"><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school
                            voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gebruik kan maken van de
                            (brom)fiets, indien openbaar vervoer ontbreekt (<extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-18-bekostiging-op-basis-van-de-kosten-van-aangepast-vervoer">artikel 18, eerste lid, onder c, van de verordening
                                leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze</extref>);</al></li><li nr="6"><al>advisering aan het college indien het college wil afwijken van de
                            bepalingen zoals die omschreven zijn in titel 3 van de verordening
                            leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze.</al></li></lijst><al>In de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze hebben de commissies
                    slechts adviserende taken als het het ‘gestel’ van de leerling betreft
                    (verstandelijk of lichamelijk).</al><al>De commissies hebben geen adviserende taak indien het betreft:</al><lijst><li nr="1"><al>de vraag of de reistijd van anderhalf uur of meer met openbaar vervoer
                            door middel van aangepast vervoer teruggebracht kan worden tot 50% of
                            minder (<extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-18-bekostiging-op-basis-van-de-kosten-van-aangepast-vervoer">artikel 18, onder b, van de verordening leerlingenvervoer gemeente
                                Aa en Hunze</extref>);</al></li><li nr="2"><al>de vraag of openbaar vervoer ontbreekt (<extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-18-bekostiging-op-basis-van-de-kosten-van-aangepast-vervoer">artikel 18, onder c, van de verordening leerlingenvervoer gemeente
                                Aa en Hunze</extref>).</al></li></lijst><al>Het spreekt voor zichzelf dat de commissies het gemotiveerde advies aan het
                    college uitbrengt binnen een door het college te stellen termijn.</al><al>Deze commissies zijn een externe adviseur in de zin van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A5">artikel 3:5 van de Awb</extref>. Dit houdt in dat de algemene regels die in
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A3">afdeling 3:3 van de Awb</extref> zijn gegeven van toepassing zijn. Dit
                    betekent onder andere dat het bestuursorgaan de adviseur een termijn kan stellen
                    waarbinnen het advies wordt verwacht, en dat in of bij het besluit vermeld dient
                    te worden wie de adviseur is die het advies heeft uitgebracht.</al><al><vet>Artikel 17 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van
                        een begeleider</vet></al><al>Indien ouders van een leerling op grond van artikel 15 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze in aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten
                    van openbaar vervoer, en het college van oordeel is dat de leerling niet
                    zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, komen de
                    ouders tevens in aanmerking voor bekostiging van de kosten van het openbaar
                    vervoer ten behoeve van een begeleider (artikel 17 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze). Uit artikel 17 blijkt:</al><lijst><li nr="1"><al>de leerling moet een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                            bezoeken die is aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke
                            school, en de afstand van de woning naar de school voor speciaal
                            onderwijs moet meer dan zes kilometer bedragen;</al></li><li nr="2"><al>de begeleiding wordt slechts bekostigd indien door de ouders genoegzaam
                            wordt aangetoond dat de leerling door zijn lichamelijke, verstandelijke
                            of zintuiglijke handicap dan wel door zijn leeftijd niet in staat is
                            zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.</al></li></lijst><al>Hiervan kan onder andere sprake zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>indien de handicap dan wel de leeftijd van de leerling begeleiding
                            noodzakelijk maakt;</al></li><li nr="-"><al>indien de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of
                            meerdere malen over moet stappen op te gevaarlijke overstappunten en dit
                            gezien de leeftijd van de leerling onverantwoord is;</al></li><li nr="-"><al>indien de route van het uitstappunt van de bus naar de school te
                            gevaarlijke punten kent, en een adequate oplossing van deze gevaarlijke
                            punten niet mogelijk is (bijvoorbeeld verkeersbrigadiers etc.).</al></li></lijst><al>Voor dit ‘genoegzaam aantonen’ geldt - analoog aan de desbetreffende bepaling
                    voor het openbaar vervoer onder begeleiding naar scholen voor basisonderwijs of
                    speciale scholen voor basisonderwijs - dat de bewijslast bij de ouders ligt.
                    Ouders dienen hiertoe verklaring(en) van deskundige(n) te overleggen. Indien het
                    college de aanvraag voor begeleiding afwijst, dient daarbij het advies van de
                    commissie voor de begeleiding en eventueel het advies van andere deskundigen te
                    worden betrokken.</al><al>Deze commissie zal een advies moeten geven met betrekking tot de vraag of de
                    leerling, gezien zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap dan
                    wel leeftijd, niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan
                    maken.</al><al>Indien het college aanvullend advies (bijvoorbeeld specialist, pedagoog en
                    psycholoog) noodzakelijk acht, wordt tevens het advies van andere deskundigen
                    gevraagd. Dit kan het geval zijn indien de specifieke handicap van de leerling
                    dat vereist of indien het college tot een ander oordeel komt dan de commissie
                    voor de begeleiding. Zeker in het laatste geval verdient het aanbeveling andere
                    deskundigen om advies te vragen. Dit in verband met de zorgvuldigheid van de
                    besluitvorming.</al><al>In principe is het niet van belang wie de leerling uiteindelijk begeleidt. In de
                    regel zullen dit de ouders zijn. Het is echter ook denkbaar dat een ander
                    familielid, een oppas, buren, ouders van andere leerlingen, een kennis of een
                    klasseassistent de leerling begeleidt.</al><al>Bij begeleiding door een klasseassistent dienen wel afspraken gemaakt te worden
                    met het bevoegd gezag van de betrokken school. Ook kan begeleiding in
                    groepsverband georganiseerd worden of via een rooster van verschillende
                    begeleiders. Is hiervan sprake, dan is artikel 17, derde lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze van toepassing; indien één begeleider meerdere leerlingen
                    tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van
                    één begeleider voor bekostiging in aanmerking (zie tevens de toelichting op
                        artikel 12).</al><al>Door de Nederlandse Spoorwegen en de stads- en streekvervoerbedrijven is een
                    regeling getroffen betreffende kosteloos vervoer van de begeleider van een
                    gehandicapte. Indien een gehandicapte hiervoor in aanmerking komt, verstrekt de
                    NS hem een legitimatiebewijs. Het legitimatiebewijs is bestemd voor die mensen
                    die vanwege een lichamelijke, geestelijke of zintuiglijke handicap niet of niet
                    onder alle omstandigheden zelfstandig kunnen reizen. Aanvraagformulieren zijn
                    verkrijgbaar op de NS-stations.</al><al>Het legitimatiebewijs is wat het binnenland betreft geldig op onder meer:</al><lijst><li nr="a"><al>alle lijnen van de Nederlandse Spoorwegen;</al></li><li nr="b"><al>alle buslijnen in Nederland, zowel in het stads- als in het
                            streekvervoer;</al></li><li nr="c"><al>alle metro- en tramlijnen.</al></li></lijst><al>Daarnaast is door de Vereniging het Nederlandse Blinden- en Slechtziendenwezen
                    (VNBW) een regeling getroffen betreffende kosteloos vervoer van de begeleider.
                    Als de blinde/slechtziende hiervoor in aanmerking komt, dan wordt hem een
                    geleidekaart verstrekt. Deze is bestemd voor diegenen die vanwege hun visuele
                    handicap niet of niet onder alle omstandigheden zelfstandig kunnen reizen. De
                    geleidekaart kan worden aangevraagd bij de VNBW, Postbus 14094, 3508 SC Utrecht,
                    tel. (030) 254 17 88.</al><al>Voorts blijkt het in de praktijk tot de mogelijkheden te horen dat afspraken met
                    de NS worden gemaakt over bijvoorbeeld het uitstappen van de leerling onder
                    begeleiding van de conducteur.</al><al><vet>Artikel 18 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                    vervoer</vet></al><al>Ook voor het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt dat
                    bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer in principe
                    uitzondering is.</al><al>Wel moet de toegankelijkheid van het (voortgezet) speciaal onderwijs gewaarborgd
                    blijven. Daar waar vervoer, openbaar of aangepast, noodzakelijk is, moet dit op
                    passende wijze kunnen plaatsvinden.</al><al>In artikel 18 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze zijn deze waarborgen verankerd.</al><al><vet>Ad a De verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap van de
                        leerling vereist aangepast vervoer</vet></al><al>Indien de leerling, gelet op zijn verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke
                    handicap niet in staat is, ook niet onder begeleiding, van het openbaar vervoer
                    gebruik te maken, bekostigt het college de kosten van het aangepast vervoer.
                    Hiervan kan onder andere sprake zijn indien:</al><lijst><li nr="-"><al>een leerling een school voor lichamelijk gehandicapte kinderen bezoekt
                            en zich in een rolstoel voort moet bewegen;</al></li><li nr="-"><al>een leerling een ZMOK-school bezoekt en zijn geestelijke toestand
                            aangepast vervoer noodzakelijk maakt.</al></li></lijst><al>Welke wijze van aangepast vervoer bekostigd wordt, bepaalt het college. Een
                    belangrijk criterium hierbij is: op welke wijze kan het aangepast vervoer zo
                    goedkoop en efficiënt mogelijk georganiseerd worden zonder de bereikbaarheid van
                    de school in gevaar te brengen? In veel gevallen zal het door het college
                    georganiseerde vervoer het meest efficiënt zijn.</al><al>Het college kan ook, uit financiële en doelmatigheidsoverwegingen, in
                    samenwerking met buurgemeenten een vervoerregeling treffen, zodat leerlingen uit
                    verschillende gemeenten gebruik kunnen maken van het door het college
                    georganiseerde vervoer.</al><al>Ook kan het betekenen dat de taxi, schoolbus en dergelijke in de route
                    verschillende opstappunten kent, waar de leerlingen kunnen opstappen. Bij een
                    ernstige lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap van de leerling
                    kan het college besluiten dat de leerling thuis opgehaald wordt.</al><al>Indien er sprake is van centrale opstappunten, kan van de ouders verlangd worden
                    dat zij de leerling, indien nodig, hier naar toe begeleiden. In veel gevallen
                    zal de afstand woning-opstappunt klein en veilig te overbruggen zijn
                    (bijvoorbeeld een centraal punt in een wijk).</al><al>Als de afstand huis-opstappunt groter is (bijvoorbeeld meer dan twee km), kan
                    overwogen worden een extra opstappunt in te lassen of de leerling thuis op te
                    halen.</al><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze dient het college indien het de gevraagde voorziening niet of
                    slechts gedeeltelijk toekent het advies te vragen aan de commissie voor de
                    begeleiding. Deze zal dan moeten beoordelen of de leerling, gezien zijn
                    lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap, niet in staat is - ook
                    niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken. Tevens kan
                    het college het advies van andere deskundigen inwinnen.</al><al>De bepaling dat aangepast vervoer wordt verstrekt indien de leerling is
                    aangewezen op openbaar vervoer onder begeleiding en de ouders kunnen aantonen
                    dat het begeleiden van de leerling door hen of door anderen onmogelijk is, dan
                    wel tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden, en een andere oplossing
                    niet mogelijk is, is niet meer in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa
                    en Hunze opgenomen.</al><al>De overweging hierbij is dat begeleiding primair een taak van de ouders is. Als
                    dat niet mogelijk is, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Die kan
                    gevonden worden door bijvoorbeeld een oppas, buren, familie of anderen in te
                    schakelen. In noodsituaties kunnen ouders een beroep doen op de
                    hardheidsclausule (artikel 29 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa
                    en Hunze).</al><al><vet>Ad b Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur</vet></al><al>Het college verstrekt ook bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                    vervoer, indien de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school
                    of terug meer dan ten minste anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                    aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan
                    worden teruggebracht. Ook hierbij geldt dat het advies van de commissie voor de
                    begeleiding niet gevraagd hoeft te worden. Zie verder de toelichting op artikel 13 onder ad 1.</al><al><vet>Ad c Openbaar vervoer ontbreekt</vet></al><al>Artikel 18, eerste lid, onder c, van de verordening leerlingenvervoer
                        gemeente Aa en Hunze geeft een derde mogelijkheid om aanspraak te
                    maken op bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer.</al><al>Dit lid bepaalt dat het college de kosten van het aangepast vervoer bekostigt,
                    indien openbaar vervoer ontbreekt. Tevens kan het voorkomen dat het openbaar
                    vervoer zo weinig frequent rijdt dat de leerling daarvan geen gebruik kan maken.
                    Echter, voordat het college beslist dat bekostiging van het aangepast vervoer
                    verleend wordt, kan het de mogelijkheden onderzoeken zoals in de toelichting op
                        artikel 13 is uitgewerkt. Ook kan het college bepalen dat de
                    leerling gebruik kan maken van het vervoer per (brom)fiets. Het college kan het
                    advies van de commissie voor de begeleiding en eventueel het advies van andere
                    deskundigen daarover vragen.</al><al>Als de leerling gebruik dient te maken van een aangepaste fiets of driewieler of
                    met behulp van een tandem naar school gaat (als er een zogenaamde voorrijder
                    aanwezig is), kunnen de ouders op grond van de Wet Rea bij het GAK een
                    tegemoetkoming in de aanschafkosten vragen.</al><al>De hoogte van de bekostiging van aangepast vervoer is uiteraard afhankelijk van
                    een eventueel drempelbedrag en een bijdrage afhankelijk van het inkomen van de
                    ouders (wat betreft het vervoer naar een school voor speciaal voortgezet
                    onderwijs).</al><al>In uitzonderlijke gevallen kan het college zelfs gehouden zijn de
                    (salaris)kosten van een begeleider in aangepast vervoer te bekostigen. Zie de
                    uitspraak van de afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 8 oktober 1990
                    (R03.90.3061/Sp. 179) met betrekking tot een leerling die constant op de
                    ondersteuning van een deskundige op het gebied van speciale medische apparatuur
                    was aangewezen.</al><al><vet>Artikel 19 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</vet></al><al>Met name bij het bezoeken van scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs kan
                    het voorkomen dat de ouders de leerlingen zelf wensen te vervoeren of te laten
                    vervoeren per auto. In artikel 19 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze zijn hiervoor nadere voorschriften gegeven.</al><al>a Openbaar vervoer</al><al>Indien ouders de leerling zelf wensen te vervoeren of te laten vervoeren tegen
                    een (kilometer)vergoeding, is toestemming van het college noodzakelijk. Deze
                    toestemming is opgenomen in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                    Hunze, omdat het college dient te bekijken of deze wijze van vervoer
                    daadwerkelijk de goedkoopste is. Is dat het geval, dan kan het college
                    desgewenst toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren.
                    De bekostiging die hier dan tegenover staat is afhankelijk van de bekostiging
                    waarop de ouders in principe recht hebben.</al><al>Maken ouders aanspraak op bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en
                    wensen zij de leerling zelf te vervoeren of te laten vervoeren, dan bekostigt
                    het college de kosten van het openbaar vervoer.</al><al>Voorbeeld:</al><al>Ouders maken aanspraak op bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer
                    naar een school voor dove leerlingen. De kosten van een jaarabonnement zijn €
                    500,-. Zij vervoeren de leerling echter, na toestemming van het college, zelf.
                    De bekostiging is dan € 500,- als ware er sprake van bekostiging van de kosten
                    van het openbaar vervoer.</al><al>b Aangepast vervoer</al><al>Maken ouders aanspraak op bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                    vervoer en vervoeren zij de leerling, na toestemming van het college, zelf of
                    laten zij de leerling zelf vervoeren, dan bekostigt het college een bedrag per
                    kilometer.</al><al>Deze bekostiging is analoog aan de betreffende bepaling in Titel 2 van de
                    verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze, namelijk een bedrag per
                    kilometer, afgeleid van de Reisregeling binnenland. Voor een verdere uitwerking
                    hiervan wordt verwezen naar de toelichting op artikel 14.</al><al>In artikel 19, derde lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze is tevens bepaald dat, indien het college de ouders
                    desgewenst heeft toegestaan meer dan één leerling zelf te vervoeren of te laten
                    vervoeren, bekostiging op basis van een kilometervergoeding bestaat. Dit geldt
                    ook indien de ouders aanspraak maken op bekostiging gebaseerd op openbaar
                    vervoer.</al><al>Indien de ouders of het college van oordeel zijn dat de leerling met de fiets of
                    de bromfiets naar school en terug kan, wordt bekostiging verstrekt op basis van
                    een fietsvergoeding dan wel op basis van een bromfietsvergoeding.</al><al>Indien het college van oordeel is dat de leerling gebruik kan maken van het
                    (brom)fietsvervoer kan het advies van de commissie voor de begeleiding of andere
                    deskundigen worden ingewonnen.</al><al>Zeker voor leerlingen die een school voor voortgezet speciaal onderwijs
                    bezoeken, kan deze vorm van vervoer nuttig zijn in het kader van de bevordering
                    van de zelfredzaamheid. Het college verleent dan een vergoeding per km
                    fietsvervoer (zie de toelichting op artikel 14) of een vergoeding per kilometer bromfietsvervoer
                    afgeleid van de bedragen als genoemd in de Reisregeling binnenland.</al><al><vet>Artikel 20 Bekostiging vervoerskosten</vet></al><al>In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra/article=4">artikel 4, zevende lid, van de WEC</extref> is bepaald dat de gemeenteraad
                    kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand
                    tussen de woning en de school, echter onverminderd het bepaalde dat leerlingen
                    die wegens hun lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap op ander
                    vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, op een passende wijze vervoerd
                    dienen te worden.</al><al>In een aantal gevallen zal het voorkomen dat een leerling, gezien zijn handicap,
                    ook over een afstand van minder dan zes kilometer aangepast vervoer
                    behoeft.</al><al>Artikel 20 van de
                        verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze voorziet in een
                    dergelijke voorziening.</al><al>Uitgangspunt van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is dat in
                    principe voldaan dient te worden aan het gestelde criterium in artikel 15 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze (afstandsgrens).</al><al>Maakt de handicap van de leerling aangepast vervoer noodzakelijk naar de school
                    die dichterbij is gelegen dan zes kilometer, dan kunnen ouders toch in
                    aanmerking komen voor bekostiging van de vervoerkosten.</al><al>Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn, indien door de aard van de handicap
                    aangepast vervoer technisch de enige mogelijkheid is (bijvoorbeeld
                    rolstoel).</al><al>Indien het college de gevraagde voorziening niet toekent, dient het bij de
                    beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding en eventueel het
                    advies van andere deskundigen te betrekken.</al><al><vet>Artikel 21 Bekostiging van de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer
                        aan de in de gemeente wonende ouders</vet></al><al>Artikel 21 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze bepaalt dat het college desgewenst de kosten van het
                    weekeinde- en vakantievervoer bekostigt aan de in de gemeente wonende ouders van
                    de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet)
                    speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. Dit artikel valt in
                    twee belangrijke onderdelen uiteen:</al><lijst><li nr="1"><al>Het college van de gemeente waar de ouders wonen, bekostigt de kosten
                            van het weekeinde- en vakantievervoer.</al></li><li nr="2"><al>Het college bekostigt de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer,
                            indien het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin
                            noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet)
                            speciaal onderwijs.</al></li></lijst><al>Ad 1</al><al>Indien de ouders ten behoeve van hun kind aanspraak maken op bekostiging van het
                    weekeinde- en vakantievervoer, dan wordt deze bekostiging verstrekt door het
                    college van de gemeente waar de ouders woonachtig zijn, en dus niet door het
                    college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin
                    verblijft. Wellicht ten overvloede wordt hier nog opgemerkt dat het college van
                    de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft, het
                    dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug dient
                    te bekostigen, indien de leerling daarvoor in aanmerking komt.</al><al>Het komt wel eens voor dat ouders van een leerling die een internaat bezoekt
                    gescheiden zijn en dat de leerling het ene weekeinde naar zijn moeder en het
                    andere weekeinde naar zijn vader dient te worden vervoerd. Als de vader in een
                    andere gemeente woont dan de moeder dan dient iedere ouder zelfstandig een
                    aanvraag in te dienen bij de gemeente waar men woonachtig is. Het komt nogal
                    eens voor dat ouders het college vragen hun kind af en toe ook door de week naar
                    huis te vervoeren. Dergelijke verzoeken kunnen worden afgewezen. Het gaat hier
                    immers om weekeinde- en vakantievervoer. Indien daartoe aanleiding is, kan in
                    voorkomend geval bezien worden of toepassing gegeven dient te worden aan artikel 29 van de verordening
                        leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze.</al><al>Ad 2</al><al>Essentieel voor de regeling is dat pas bekostiging van het weekeinde- en
                    vakantievervoer wordt verleend als het verblijf in het internaat of pleeggezin
                    noodzakelijk is voor het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Met
                    andere woorden, er moet dus een directe relatie bestaan tussen het verblijf in
                    een internaat of het pleeggezin en het volgen van passend onderwijs. Dit
                    betekent dat het college geen bekostiging voor het weekeinde- en vakantievervoer
                    verstrekt, als de leerling passend onderwijs kan volgen dat met dagelijks
                    vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden. Tevens betekent dit dat
                    het vervoer niet wordt bekostigd van gemeentewege indien de leerling om medische
                    of sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft.</al><al>In zijn uitspraak van 20 oktober 1988 bepaalt de afdeling Rechtspraak van de
                    Raad van State dat het college terecht geen bekostiging heeft verstrekt in de
                    kosten van weekeinde- en vakantievervoer nu de leerling niet primair voor het
                    volgen van passend speciaal onderwijs in een internaat verblijft
                    (R03.88.3380/S6311).</al><al>Of plaatsing op het internaat om buiten het onderwijs gelegen redenen heeft
                    plaatsgevonden dient door de gemeente voldoende gemotiveerd te worden. De
                    gemeente dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat is
                    geplaatst (afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 12 juni 1995, nr.
                    R03.92.5415).</al><al>Weekeinde- en vakantievervoer geldt dus slechts voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs. Met andere woorden: voor het volgen van primair onderwijs wordt geen
                    weekeinde- of vakantievervoer bekostigd van en naar het internaat of
                    pleeggezin.</al><al>Een belangrijke consequentie hiervan is dat leerlingen die in een internaat of
                    een pleeggezin verblijven - omdat hun ouders een trekkend bestaan leiden - niet
                    voor bekostiging van het weekeinde en vakantievervoer in aanmerking komen.
                    Immers, sinds 1 augustus 1985 maken de voorschriften voor scholen van leerlingen
                    van wie de ouders een trekkend bestaan leiden onderdeel uit van de WBO (nu
                    WPO).</al><al>Het betreft hier een vijftal categorieën:</al><lijst><li nr="1"><al>rijdende scholen voor kinderen van kermisexploitanten of van
                            circusmedewerkers;</al></li><li nr="2"><al>ligplaatsscholen voor varende kinderen;</al></li><li nr="3"><al>scholen voor kinderen van woonwagenbewoners;</al></li><li nr="4"><al>afdelingen voor zeer jeugdige kinderen van woonwagenbewoners;</al></li><li nr="5"><al>scholen voor kinderen van schippers, kermisexploitanten en
                            circusmedewerkers.</al></li></lijst><al>Deze scholen zijn vanaf 1 augustus 1985 aangemerkt als basisscholen.</al><al>Ouders van leerlingen die in internaten of pleeggezinnen verblijven met het oog
                    op het volgen van bovengenoemde basisscholen, vallen dan ook niet onder het
                    regime van het weekeinde- en vakantievervoer, zoals in Titel 4 van de
                    verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze nader is geregeld.</al><al><vet>Artikel 22 Bekostiging kosten weekeinde- en vakantievervoer</vet></al><al>Artikel 22 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze bepaalt welke bekostiging maximaal wordt verleend, namelijk
                    ten behoeve van:</al><lijst><li nr="1"><al>de reis van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en
                            terug in elk weekeinde, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de
                            schoolvakanties;</al></li><li nr="2"><al>de reis van het internaat of het pleeggezin naar de woning van de ouders
                            en terug in elke vakantie van twee of meer schooldagen, voor zover deze
                            vakantie is opgenomen in het schoolplan van de school die de leerling
                            bezoekt.</al></li></lijst><al>Welke wijze van vervoer wordt bekostigd, bepaalt het college van de gemeente
                    waar de ouders wonen. Artikel
                        22, derde lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze geeft aan dat de bepalingen van Titel 3 van de verordening
                    leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze van overeenkomstige toepassing zijn op de
                    toekenning van bekostiging voor weekeinde- en vakantievervoer, met uitzondering
                    van artikel 17 tweede lid, artikel 18, eerste lid, onder b, artikel 18, tweede
                        lid en artikel 20 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze.</al><lijst><li nr="1"><al>In <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-17-bekostiging-van-de-kosten-van-openbaar-vervoer-ten-behoeve-van-een-begeleider">artikel 17, tweede lid</extref>, en in <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-18-bekostiging-op-basis-van-de-kosten-van-aangepast-vervoer">artikel 18, tweede lid, van de verordening leerlingenvervoer
                                gemeente Aa en Hunze</extref> is geregeld dat het college indien het
                            de gevraagde voorziening niet honoreert het advies van de commissie voor
                            de begeleiding of eventueel het advies van andere deskundigen moet
                            vragen.</al></li><li nr="Ingeval"><al>er sprake is van weekeinde- en vakantievervoer behoeft dit advies niet
                            gevraagd te worden. (Indien het college van oordeel is dat dit wel
                            wenselijk is, kan het college uiteraard wel het advies vragen.)</al></li><li nr="2"><al>In <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-18-bekostiging-op-basis-van-de-kosten-van-aangepast-vervoer">artikel 18, eerste lid, onder b, van de verordening
                                leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze</extref> is geregeld dat
                            aangepast vervoer wordt bekostigd als de leerling met gebruikmaking van
                            openbaar vervoer naar school of terug (i.c. van internaat of pleeggezin
                            naar de woning van ouders of terug) meer dan ten minste anderhalf uur
                            onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van
                            de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht. Indien ook
                            deze bepaling van overeenkomstige toepassing zou worden verklaard, dan
                            zou naar alle waarschijnlijkheid bijna al het weekeinde- en
                            vakantievervoer van leerlingen met aangepast vervoer geschieden.
                            Bovendien kunnen bij weekeinde- en vakantievervoer langere reistijden
                            worden gerechtvaardigd.</al></li><li nr="3"><al>In <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-20-bekostiging-vervoerskosten">artikel 20</extref> is geregeld dat bekostiging van het vervoer
                            naar scholen, dichterbij gelegen dan het in <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-15-bekostiging-van-de-kosten-van-openbaar-vervoer-en-vervoer-per-fiets">artikel 15</extref> aangegeven afstandscriterium van zes kilometer
                            mogelijk is, indien de lichamelijke handicap van de leerling dat
                            vereist.</al></li></lijst><al>Gezien de afstanden die bij het weekeinde- en vakantievervoer afgelegd moeten
                    worden, kan artikel
                        20 buiten werking worden gesteld. Immers, indien een dergelijke
                    situatie zich voor zou doen, hoeft het kind niet in een internaat of een
                    pleeggezin te verblijven met het oog op het volgen van passend onderwijs.</al><al>Analoge toepassing van Titel 3 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa
                    en Hunze betekent dat:</al><lijst><li nr="1"><al>bekostiging van openbaar vervoer regel is indien aan de afstandscriteria
                            van <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-15-bekostiging-van-de-kosten-van-openbaar-vervoer-en-vervoer-per-fiets">artikel 15</extref> wordt voldaan.</al></li><li nr="2"><al>het college tevens de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van
                            een begeleider kan bekostigen, in het geval door de ouders ten behoeve
                            van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op
                            zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke handicap of leeftijd,
                            niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken
                                (<extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-17-bekostiging-van-de-kosten-van-openbaar-vervoer-ten-behoeve-van-een-begeleider">artikel 17, eerste lid</extref>).</al></li><li nr="3"><al>het college de kosten van het aangepast vervoer bekostigt, indien: </al><lijst><li nr="a"><al>de leerling gelet op zijn verstandelijke, zintuiglijke of
                                    lichamelijke handicap niet in staat is - ook niet onder
                                    begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken (<extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-18-bekostiging-op-basis-van-de-kosten-van-aangepast-vervoer">artikel 18, eerste lid, onder a</extref>);</al></li><li nr="b"><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel
                                    van het college van het (brom)fietsvervoer gebruik kan
                                    maken.</al></li></lijst></li><li nr="(Van"><al>het (brom)fietsvervoer zal, gezien de afstanden die overbrugd moeten
                            worden, in principe geen gebruikgemaakt worden) (<extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-18-bekostiging-op-basis-van-de-kosten-van-aangepast-vervoer">artikel 18, eerste lid, onder c</extref>).</al></li><li nr="Overigens"><al>geldt met name voor het weekeinde- en vakantievervoer dat een combinatie
                            van vervoer in veel gevallen mogelijk is. Bijvoorbeeld een combinatie
                            trein-taxi, etc.</al></li><li nr="4"><al>het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren. De
                            bekostiging is dan afhankelijk van de bekostiging van het vervoer waarop
                            de ouders aanspraak zouden maken (<extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-19-bekostiging-op-basis-van-de-kosten-van-eigen-vervoer">artikel 19</extref>).</al></li></lijst><al>De algemene bepalingen van Titel 1 van de verordening leerlingenvervoer gemeente
                    Aa en Hunze zijn uiteraard ook van toepassing, alsmede het bepaalde in de Titel
                    7.</al><al><vet>Artikel 23 Drempelbedrag</vet></al><al>Per 1 februari 1999 is de wetswijziging betreffende de bijdrageregeling in het
                    leerlingenvervoer in werking getreden. Deze wetswijziging heeft tot gevolg dat
                    gemeenten, in plaats van de voorheen geldende verplichte eigen bijdrage, een
                    drempelbedrag bij ouders in rekening kunnen brengen. In de verordening
                    leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze wordt invulling gegeven aan deze door de
                    wet geboden mogelijkheid.</al><al>Bij het drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de
                    gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning
                    tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. Invoering
                    van het drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan
                    deze kilometergrens voor rekening van de ouders komen. In de verordening
                    leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is de kilometergrens voor alle
                    onderwijssoorten op zes kilometer gesteld (artikel 11, eerste lid, en artikel 15, eerste lid). Gemeenten zijn vrij een andere
                    kilometergrens vast te stellen, mits deze niet boven de 6 kilometer uitkomt. In
                    de wet is deze afstand als bovengrens vastgelegd.</al><al>Indien een drempelbedrag wordt ingevoerd, is de gemeente voor de berekening van
                    de hoogte daarvan gebonden aan de wet. Er kan niet worden gewerkt met een
                    fictief bedrag; de kosten van het openbaar vervoer dienen te worden bepaald op
                    basis van de zone-indeling. Dit betekent dat bij een aanvraag voor
                    leerlingenvervoer moet worden nagegaan hoeveel zones gereisd moet worden om de
                    afstand tot aan de [3]door de gemeente vastgestelde kilometergrens te
                    overbruggen. Het drempelbedrag bedraagt dan de kosten van een jeugdjaarkaart
                    voor dit aantal te reizen zones. Voor het schooljaar 2006-2007 gaat het bij 1
                    zone om een bedrag van euro 231,50) (de kosten van een jeugdjaarkaart met 1
                    ster) en bij twee of drie zones om een bedrag van euro 393,00 (de kosten van een
                    jeugdjaarkaart met 2 sterren).</al><al>[4]Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van
                    belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het openbaar vervoer. Ook
                    wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast vervoer of wanneer er geen
                    openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten van het openbaar
                    vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf
                    te dragen. In dat geval dient te worden uitgegaan van de meest gangbare, voor de
                    leerling toegankelijke route.</al><al>De doelgroep voor het drempelbedrag was dezelfde als die waarvoor tot dusverre
                    de verplichte eigen bijdrage in rekening werd gebracht: leerlingen die een
                    school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of een
                    school voor speciaal voortgezet onderwijs bezoeken en waarvan de ouders een
                    gezamenlijk inkomen van meer dan € 21.600,- (geïndexeerd) hebben.</al><al>Inmiddels zijn er geen scholen voor speciaal voortgezet onderwijs meer. Wel komt
                    het voor dat leerlingen van voortgezet onderwijs die eerst naar dit type
                    onderwijs gingen op grond van de overgangsregeling genoemd in artikel 31, tweede
                    lid, aanspraak maken op leerlingenvervoer. Op hen is artikel 23 onverkort van
                    toepassing.</al><al>Het drempelbedrag kan niet in rekening worden gebracht aan ouders van
                    sbo-leerlingen voor wie de gemeente in het schooljaar 2001-2002 bekostiging van
                    het Gak op basis van de Wet Rea ontving. Dit blijft gelden gedurende de periode
                    dat de leerling dezelfde school bezoekt.</al><al>Ook voor leerlingen die onder titel 6 vallen (gehandicapte leerlingen in het
                    reguliere primair en voortgezet onderwijs) geldt, dat aan de ouders geen
                    drempelbedrag gevraagd mag worden. Ook wanneer de leerling zelf de aanvraag doet
                    mag geen drempelbedrag gevraagd worden.</al><al>Het bedrag wordt voor één te vervoeren leerling per gezin in rekening gebracht.
                    Indien een leerling slechts een deel van het schooljaar gebruik maakt van het
                    leerlingenvervoer, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening
                    gebracht. Het blijft mogelijk om voor elk van de genoemde onderwijssoorten een
                    verschillende kilometergrens te hanteren. Bovendien staat het de gemeente vrij
                    het drempelbedrag wel voor de ene maar niet voor de andere schoolsoorten in te
                    voeren.</al><al>Met name wanneer veel kinderen gebruikmaken van het leerlingenvervoer en het
                    inkomen van de ouders relatief laag is, kan voor ouders een onevenredig grote
                    financiële belasting ontstaan. In de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa
                    en Hunze is er voor gekozen om dergelijke uitzonderingssituaties op te lossen
                    door het verschuldigde drempelbedrag op grond van de hardheidsclausule van
                        artikel 29 niet
                    geheel in rekening te brengen. De gemeente kan er echter ook voor kiezen om in
                    de verordening te bepalen dat het drempelbedrag een beperkt aantal keer,
                    bijvoorbeeld maximaal twee keer, per gezin geheven wordt. Bovendien is het
                    mogelijk om de inkomensgrens in de verordening hoger te leggen dan de in de wet
                    genoemde ondergrens van € 21.600,-.</al><al>De mogelijkheid om de hardheidsclausule hier te hanteren, vloeit voort uit
                    jurisprudentie van de afdeling Rechtspraak van de Raad van State over de
                    verplichte eigen bijdrage. De afdeling heeft op 2 april 1990 (nr. R03.87.7147)
                    een uitspraak gedaan over de bevoegdheid van gemeenten om de ‘hardheidsclausule’
                    toe te passen op de verplichte eigen bijdrage van ƒ 200,-. De belangrijkste
                    overweging in de uitspraak van de afdeling luidt als volgt: ‘Naar het oordeel
                    van de afdeling biedt noch artikel 24 van de verordening noch artikel 4, dertiende lid, van
                    de Interimwet enig aanknopingspunt voor de opvatting van verweerders. Artikel 24 en artikel 4, dertiende
                        lid, geven een algemene afwijkingsbevoegdheid, welke niet is
                    beperkt tot nader aangegeven gevallen, zodat van alle bepalingen van de regeling
                    (verordening) kan worden afgeweken. Verweerders hebben derhalve ten onrechte
                    gemeend dat hun niet de bevoegdheid toekwam om ook van het bepaalde in artikel 21, eerste lid, van de verordening af te wijken.’ Deze
                    uitspraak betekent dat de hardheidsclausule van (nu) artikel 29 van de verordening
                        leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze ook toegepast kan worden om
                    in bijzondere omstandigheden de ouders géén of slechts een deel van het
                    drempelbedrag te laten betalen.</al><al>Onder inkomen moet worden verstaan: het gecorrigeerd verzamelinkomen in de zin
                    van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 in het peiljaar. Als peiljaar moet op
                    grond van de wet worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het
                    schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerkosten wordt gevraagd. Ouders
                    kunnen een IB 60-formulier opvragen bij de Belastingdienst, waarop dit
                    gecorrigeerde verzamelinkomen [5]staat vermeld.</al><al>In de meeste gevallen zal ten behoeve van het peiljaar het gecorrigeerd
                    verzamelinkomen voorhanden zijn. Indien het gecorrigeerd verzamelinkomen van het
                    tweede kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging wordt
                    gevraagd nog niet bekend is, kan het derde jaar voorafgaande aan het
                    desbetreffende schooljaar als ‘voorlopig’ uitgangspunt worden gehanteerd. In een
                    later stadium, als het gecorrigeerd verzamelinkomen in het peiljaar bekend is,
                    kan een definitieve berekening worden gemaakt.</al><al>Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken,
                    wordt op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A15">artikel 4:15 van de Awb</extref> de beslistermijn opgeschort tot de dag
                    waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor
                    gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Vervolgens kan het college besluiten
                    de aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan
                    schriftelijk op de hoogte gesteld.</al><al>Ingeval ouders geen aangifte bij de belastinginspecteur hebben gedaan, geschiedt
                    bij toepassing van de bijdragen van artikel 23 en 24 van de modelverordening
                    leerlingenvervoer de berekening van het ouderlijk inkomen aan de hand van het
                    gecorrigeerde belastbaar loon. Dit cijfer is door de ouders op te vragen bij de
                    Belastingdienst via een IB 60-formulier (inkomensverklaring).</al><al>De hoogte van het gecorrigeerd verzamelinkomen is voor het peiljaar 2004 (dus
                    ten behoeve van het schooljaar 2006-2007) vastgesteld op € 21.600,- wat betreft
                    het innen van een drempelbedrag. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de
                    wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers
                    heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en afgerond
                    op een veelvoud van € 450,-.</al><al>Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het
                    peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt
                    ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het
                    voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de
                    afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze. Door het kiezen van een later peiljaar kan het voorkomen dat
                    ouders in dat latere peiljaar niet voldoen aan de inkomensgrens en dus geen
                    drempelbedrag hoeven te betalen.</al><al>Om te bepalen wanneer het redelijk is van de peildatum af te wijken, kan de
                    regeling, zoals die opgenomen is in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20studiefinanciering%202000/article=6.12%20">artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering 2000</extref>, als leidraad
                    gehanteerd worden. Dit artikel is niet in de verordening leerlingenvervoer
                    gemeente Aa en Hunze opgenomen. Het gaat bij de toepassing van artikel 29 van de
                    verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze om een beleidsbevoegdheid van
                    het college. Voorgaand artikel vormt slechts een gedeeltelijke invulling van die
                    beleidsruimte. Het betreffende artikel van de WSF kan als richtsnoer gehanteerd
                    worden. Het college houdt dan zijn eigen bevoegdheid om in zeer bijzondere
                    situaties een andere oplossing te kiezen.</al><al>De afdeling Rechtspraak van de Raad van State (31 augustus 1993, nrs. R03.93.
                    1702 en R03.93.1773) acht het redelijk dat als de verzorgers pleegouders zijn
                    zij ook de financiële verplichtingen op zich nemen die uit de eventuele
                    honorering van een aanvraag tot bekostiging van vervoerkosten naar school
                    voortvloeien.</al><al>In tegenstelling tot de vrijwillige plaatsing zijn de natuurlijke ouders bij een
                    justitiële plaatsing niet meer aan te spreken voor de extra kosten, tenzij de
                    natuurlijke ouders en niet de pleegouders de aanvraag hebben ingediend.</al><al>In de bekostiging op basis van de Regeling vrijwillige pleegzorg zit in het
                    algemeen geen component voor de kosten van het schoolbezoek, die door de
                    gemeente in mindering gebracht kan worden op de gemeentelijke bekostiging voor
                    het leerlingenvervoer.</al><al>Pleegouders die bekostiging ontvangen op basis van de Regeling vrijwillige
                    pleegzorg, dienen bij een honorering van hun aanvraag tot bekostiging van de
                    kosten van het leerlingvervoer door de gemeente ook het drempelbedrag per
                    schooljaar aan de gemeente te betalen, als hun inkomen boven de inkomensgrens
                    ligt. Tevens zullen de pleegouders de eventuele bijdrage naar financiële
                    draagkracht aan de gemeente moeten voldoen. Eventueel kunnen zij deze kosten wel
                    verhalen op de natuurlijke ouders of voogden van de leerling.</al><al>Ten aanzien van de invordering van het drempelbedrag is het navolgende van
                    belang:</al><lijst><li nr="-"><al>In <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-2-bekostiging-van-de-door-het-college-noodzakelijk-te-achten-vervoerskosten">artikel 2, tweede lid, van de verordening leerlingenvervoer
                                gemeente Aa en Hunze</extref> is onder meer bepaald: ‘Weigering tot
                            of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde
                            bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen.’</al></li><li nr=""><al>Indien het college zelf het vervoer verzorgt of laat verzorgen dienen de
                            ouders die daarvoor in aanmerking komen het drempelbedrag aan de
                            gemeente over te maken. Doen zij dit niet of niet geheel dan vervalt de
                            aanspraak.</al></li><li nr="-"><al>Indien het college dit wenst kan het weigerachtige ouders in gebreke
                            stellen en de (kanton)rechter verzoeken uit te spreken dat de ouders het
                            drempelbedrag dienen te betalen. Vervolgens kan met inschakeling van een
                            deurwaarder de bijdrage worden geïnd. Aangezien deze procedure nogal
                            omslachtig en duur is kan het, als er sprake is van aangepast vervoer,
                            raadzaam zijn het vervoer te stoppen. De ouders blijven echter op grond
                            van de Leerplichtwet verantwoordelijk voor het schoolbezoek van hun
                            kind. De praktijk leert dat een dergelijke maatregel zeer effectief
                            is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 24 Financiële draagkracht</vet></al><al>De Wet gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer biedt gemeenten de
                    mogelijkheid om van ouders wier kinderen een school voor basisonderwijs bezoeken
                    en van wie de school ten minste twintig kilometer van de woning is verwijderd,
                    een van de draagkracht afhankelijke bijdrage te vragen in de kosten van het
                    vervoer. Deze inkomensafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven.</al><al>Tot 1 augustus 1997 bepaalde de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                    Hunze leerlingenvervoer dat deze bijdrage werd berekend met toepassing van de
                    zogenoemde IPO-norm. Deze norm bracht met zich mee dat voor het schooljaar
                    1997/1998 van het belastbaar inkomen van ouders respectievelijk een
                    bijdragevrije voet van ruim ƒ 38.000,- en een vast bedrag per kind van ƒ 4.600
                    in mindering werd gebracht. Van het resterende bedrag werd 1/16e deel als de
                    draagkrachtafhankelijke bijdrage aangemerkt.</al><al>Deze regeling bleek, mede door haar bewerkelijke karakter, in lang niet alle
                    gevallen waarin dat zou hebben gekund, te worden toegepast.</al><al>Ten einde de toepasselijkheid van de draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage
                    te vergroten is per 1 augustus 1997 een nieuwe regeling opgenomen in artikel 24 van de verordening
                        leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze, die is geënt op drie
                    uitgangspunten, namelijk:</al><lijst><li nr="1"><al>de systematiek is zo eenvoudig mogelijk ten einde de toepasbaarheid te
                            vergemakkelijken;</al></li><li nr="2"><al>het niveau van de bijdrage blijft voor een individuele ouder in grote
                            lijnen gelijk aan het niveau onder de IPO-norm;</al></li><li nr="3"><al>de systematiek sluit aan bij die van recente wettelijke regelingen op
                            maatschappelijk terrein, zoals de Wet voorzieningen gehandicapten, de
                            tabel voor de ouderlijke bijdrage bij kinderopvang, de Wet op de
                            rechtsbijstand en de Wet tegemoetkoming studiekosten.</al></li></lijst><al>In artikel 24 is
                    gekozen voor een systeem waarin met een aantal inkomensblokken wordt gewerkt,
                    waaraan een vooraf vastgestelde draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage is
                    gekoppeld. Zowel de bedragen van de inkomensblokken als van de verschuldigde
                    bijdrage worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze die aansluit bij de Wet
                    gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer.</al><al>Per 1 februari 1999 is de wetswijziging betreffende de bijdrageregeling in het
                    leerlingenvervoer in werking getreden. Naast invoering van het drempelbedrag
                        (artikel 23 van de verordening
                        leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze) heeft de wetswijziging
                    gevolgen voor het artikel betreffende de draagkrachtafhankelijke bijdrage. In de
                    eerste plaats is in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20primair%20onderwijs">Wet op het primair onderwijs</extref> opgenomen dat geen
                    draagkrachtafhankelijke bijdrage in rekening kan worden gebracht indien de
                    afstand tot de dichtstbijzijnde speciale school voor basisonderwijs meer dan 20
                    kilometer bedraagt. In combinatie met de invulling die op grond van de wet in
                    artikel 3 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is gegeven
                    aan de toegankelijkheid betekent dit dat het niet meer mogelijk is een
                    draagkrachtafhankelijke bijdrage in rekening te brengen bij de speciale scholen
                    voor basisonderwijs. De speciale school voor basisonderwijs is derhalve niet
                    opgenomen in het eerste en het tweede lid van artikel 24 van de verordening
                        leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze.</al><al>Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het
                    peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt
                    ingediend, op structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel
                    van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de
                    afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van de modelverordening. Door het kiezen
                    van een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders in dat latere peiljaar niet
                    voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbijdrage hoeven te betalen.</al><al>In de tweede plaats zijn de bedragen in lid 3 van artikel 24 van de
                        verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze aangepast. Dat
                    hangt samen met het feit dat de draagkrachtafhankelijke bijdrage in de
                    systematiek van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze steeds
                    wordt geheven naast het drempelbedrag (en voorheen de verplichte eigen
                    bijdrage). Bij de vaststelling van de hoogte van de verschuldigde
                    draagkrachtafhankelijke bijdrage is hiermee rekening gehouden. Omdat het
                    drempelbedrag bij een kilometergrens van 6 kilometer hoger is dan de verplichte
                    eigen bijdrage zijn de bedragen in verband met de wetswijziging naar beneden
                    bijgesteld. Door bij de hoogte van de draagkrachtafhankelijke bijdrage rekening
                    te houden met gelijktijdige inning van het drempelbedrag, wordt recht gedaan aan
                    de bedoeling van de wetgever en aan eerdere jurisprudentie, omdat zodoende
                    feitelijke cumulatie van ouderlijke bijdragen wordt vermeden (zie ook de
                    toelichting bij artikel 11 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze).</al><al>Bij toepassing van de bijdrage naar financiële draagkracht kan op eenzelfde
                    wijze als beschreven in de toelichting op artikel 23 (het drempelbedrag) op
                    grond van artikel 29 van de
                        verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze ten gunste van
                    de ouders van de peildatum worden afgeweken, zodat die ouders in voorkomende
                    gevallen geen bijdrage naar financiële draagkracht hoeven te betalen.</al><al>Deze bepaling is tevens van toepassing op leerlingen van voortgezet onderwijs
                    die op grond van de overgangsregeling neergelegd in artikel 31, tweede lid
                    aanspraak op leerlingenvervoer hebben. Dit artikel geldt echter niet voor
                    leerlingen die onder titel 6 vallen (gehandicapte leerlingen in het reguliere
                    primair en voortgezet onderwijs).</al><al>In het vierde lid is het afrondingsbedrag vanuit praktische overwegingen
                    gewijzigd van € 450 in € 500.</al><al><vet>Artikel 25 Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met
                        begeleiding</vet></al><al>In titel 6 wordt geregeld dat alleen gehandicapte leerlingen in het regulier
                    primair en voortgezet onderwijs, die niet of niet zelfstandig van het openbaar
                    vervoer gebruik kunnen maken, in aanmerking kunnen komen voor leerlingenvervoer.
                    Gemeenten kunnen aan de ambulante begeleider die verbonden is aan de reguliere
                    school voor primair of voortgezet onderwijs, advies vragen over passend vervoer
                    voor deze leerlingen (zie toelichting artikel 1). Mocht een leerling
                    geen ambulante begeleiding krijgen, dan kan de gemeente het advies van de
                    schooldirecteur of andere deskundigen vragen (bijvoorbeeld een GGD arts).</al><al>Leerlingen die in het schooljaar 2001-2002 een vervoersvoorziening kregen naar
                    een school voor speciaal voortgezet onderwijs, praktijkonderwijs,
                    leerwegondersteunend onderwijs of een opdc, kunnen op basis van de
                    overgangsregeling (zie artikel
                        31) aanspraak blijven maken op die voorziening gedurende de periode
                    dat zij diezelfde school bezoeken.</al><al>Ook voor leerlingen van speciale scholen voor basisonderwijs die onder titel 6
                    vallen geldt, dat ze – overeenkomstig artikel 9 – recht hebben op vervoer naar de dichtstbijzijnde
                    toegankelijke school in het samenwerkingsverband. Dit is geregeld in lid 1 van artikel 25. Bij afwijzing of gedeeltelijke toekenning
                    van een aanvraag leerlingenvervoer voor een leerling van een speciale school
                    voor basisonderwijs dient het college het advies van de permanente commissie
                    leerlingenzorg of andere deskundigen te betrekken.</al><al>Indien in de verordening gesproken wordt van een handicap, wordt een structurele
                    handicap bedoeld. In het leerlingenvervoer kennen we geen ‘tijdelijke handicap’.
                    Dit betekent dat de gemeente geen vervoer hoeft te verzorgen om tijdelijke
                    medische redenen, bijvoorbeeld als een leerling een gebroken been heeft. Ouders
                    hebben hier zelf een verantwoordelijkheid in. In sommige gevallen vergoedt de
                    ziektekostenverzekeraar een gedeelte. Echter, het kan voorkomen dat een leerling
                    een zware operatie moet ondergaan of een meervoudige ledematenbreuk heeft
                    opgelopen, met als gevolg dat hij of zij een groot gedeelte van het schooljaar
                    afhankelijk is van rolstoel en/of krukken vanwege herstel of revalidatie. In dat
                    geval kan een leerling eventueel wel een beroep doen op het leerlingenvervoer op
                    basis van titel 6. De gemeente geeft dan een beschikking af voor de duur van het
                    herstel en/of de revalidatie. Als de noodzaak voor het vervoer verdwijnt, heeft
                    de leerling geen recht meer op vervoer. Het UWV/gak hield altijd een termijn van
                    drie maanden aan, voordat er eventueel sprake was van een vervoersvergoeding op
                    basis van de Wet Rea. Dit zou een richtlijn kunnen zijn voor de gemeente:</al><lijst><li nr="-"><al>tijdelijke handicap tot drie maanden: sowieso geen aanspraak op
                            leerlingenvervoer</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke handicap die langer duurt dan drie maanden: de gemeente
                            bekijkt of de leerling in aanmerking kan komen voor vervoer op basis van
                            titel 6.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 26 Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer</vet></al><al>Gehandicapte leerlingen die zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen,
                    maar die daartoe niet in staat zijn omdat het openbaar vervoer in de regio
                    ontbreekt, maken geen aanspraak op aangepast vervoer. Ze kunnen immers
                    zelfstandig met het openbaar vervoer reizen. Dat er geen openbaar vervoer
                    aanwezig is, is niet relevant.</al><al>Leerlingen die een handicap hebben waardoor ze niet zelfstandig met het openbaar
                    vervoer kunnen reizen, maken wel aanspraak op aangepast vervoer indien het
                    openbaar vervoer in de regio ontbreekt. Zij zijn dan immers niet in staat om
                    onder begeleiding met het openbaar vervoer te reizen, omdat het niet aanwezig
                    is. De gemeente heeft echter wel de plicht om passend vervoer te verzorgen in
                    zo’n geval, dus aangepast vervoer. Daarom is in artikel
                        26 opgenomen dat indien de leerling op grond van artikel 25 recht heeft op openbaar vervoer met begeleiding,
                    terwijl openbaar vervoer ontbreekt of te lang duurt, de leerling aanspraak op
                    aangepast vervoer kan maken.</al><al>Zie verder de toelichting op artikel 25.</al><al><vet>Artikel 27 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 25. Over eigen vervoer is een uitgebreide toelichting te
                    vinden bij de artikelen 14 en 19. In artikel 27 wordt de bekostiging gerelateerd aan de bekostiging
                    waar ouders in principe op basis van de verordening leerlingenvervoer gemeente
                    Aa en Hunze voor in aanmerking komen. Voor de leerlingen in titel 6 betekent dit
                    ofwel bekostiging op basis van openbaar vervoer met begeleiding (artikel 25) ofwel aangepast vervoer (artikel
                        26).</al><al><vet>Artikel 28 Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                        voorziet</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat het college beslist in gevallen, de uitvoering van het
                    leerlingenvervoer betreffende, waarin de verordening niet voorziet.</al><al>In de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze zijn de hoofdlijnen van
                    de bekostigingen van het leerlingenvervoer vastgelegd. Uiteraard zal zich een
                    aantal concrete gevallen voordoen, waarin de verordening leerlingenvervoer
                    gemeente Aa en Hunze niet voorziet. Te denken valt onder andere aan:</al><lijst><li nr="-"><al>varianten van het combinatievervoer (bijvoorbeeld aangepast plus
                            openbaar vervoer);</al></li><li nr="-"><al>begeleiding tijdens groepsvervoer;</al></li><li nr="-"><al>gemeenschappelijke afspraken met andere gemeenten;</al></li><li nr="-"><al>varianten in het gebruik van eigen vervoer.</al></li></lijst><al>Voor dergelijke en andere situaties waarin de verordening leerlingenvervoer
                    gemeente Aa en Hunze niet voorziet, is in artikel 25 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en
                        Hunze bepaald dat het college beslist.</al><al>Hierbij dient in redelijkheid gehandeld te worden.</al><al>Uitgangspunt bij deze besluitvorming dient te zijn dat in de geest van de wet en
                    de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze gehandeld wordt.</al><al><vet>Artikel 29 Afwijken van bepalingen</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen, ten gunste van de
                    ouders kan afwijken van de bepalingen in de verordening. Met deze bepaling wordt
                    aangesloten bij <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Primair%20Onderwijs/article=4">artikel 4, twaalfde lid van de WPO</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20Voortgezet%20Onderwijs/article=4">artikel 4, zevende lid, van de WVO</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20expertisecentra/article=4">artikel 4, tiende lid, van de WEC</extref>.</al><al>Deze artikelleden zijn via een wijzigingsvoorstel tijdens de parlementaire
                    behandeling van de Wet gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer
                    totstandgekomen (Tweede nota van wijziging, Kamerstuk 18 841, nr. 11).</al><al>In de Tweede nota van wijziging is aan deze artikelen toegevoegd ‘ten gunste van
                    de ouders’. Dit houdt in dat het college slechts in voor ouders voordelige zin
                    kan afwijken van de verordening.</al><al>Van een dergelijke afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake
                    zijn indien:</al><lijst><li nr="-"><al>een leerling, die niet voor bekostiging van de begeleiding in aanmerking
                            komt, toch - gezien zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke
                            handicap - begeleid moet worden;</al></li><li nr="-"><al>leerlingen die naar het oordeel van het college gebruik moeten maken van
                            aangepast vervoer, terwijl zij, gezien de criteria, daarvoor niet in
                            aanmerking komen;</al></li><li nr="-"><al>sprake is van groepsvervoer, georganiseerd door de ouders en het college
                            een daarop geënte bekostiging wil betalen;</al></li><li nr="-"><al>sprake is van een voor het kind onaanvaardbare onderwijs-inhoudelijke
                            danwel onhoudbare praktische situatie op de dichtstbijgelegen
                            toegankelijke school. Indien daarvan sprake is - de bewijslast daarvan
                            ligt bij de ouders - kan bekostiging volgen van de kosten van vervoer
                            naar een verdergelegen toegankelijke school (afdeling Rechtspraak van de
                            Raad van State van 28 februari 1992, R03.89.3402/83-107; zie ook
                            Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 6 oktober 1992,
                            R03.92.3306/P90 en S03.92.2460).</al></li></lijst><al>In haar jurisprudentie heeft de afdeling Rechtspraak van de Raad van State in de
                    casuïstiek nadere richtlijnen gegeven inzake de toepassing van de
                    hardheidsclausule te weten:</al><lijst><li nr="a"><al>Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van overwegende aard,
                            die zich ten aanzien van personen bij een strikte toepassing van de
                            bepalingen van de verordening zouden voordoen, weg te nemen. De
                            toepassing ervan is niet aan enige beperking gebonden. Met alle feiten
                            en omstandigheden kan rekening worden gehouden, zoals bijvoorbeeld
                            medische, pedagogische en sociale factoren (afdeling Rechtspraak van de
                            Raad van State van 12 mei 1989, nr. R03.88.7057/Sp347/26-41).</al></li><li nr="b"><al>Via toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de
                            verordening worden afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag
                            van artikel 23 (Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 2 april
                            1990 R03.87.7147/58-43).</al></li></lijst><al>Voorts dient erop te worden toegezien dat ter voorkoming van - ongewenste -
                    precedentenwerking de toepassing van de hardheidsclausule wordt onderbouwd met
                    op de specifieke, concrete situatie van ouders van een leerling betrekking
                    hebbende argumenten.</al><al>Tevens wordt in artikel 29 van
                        de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze bepaald dat
                    het college zo nodig het advies van de commissie van onderzoek, het advies van
                    de RVC en eventueel andere deskundigen vraagt.</al><al>Dit is uiteraard slechts van toepassing voor zover de aanvragen betrekking
                    hebben op het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs.</al><al><vet>Artikel 30 Intrekking oude regeling</vet></al><al>In artikel 30 wordt
                    geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook
                    niet nodig. De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de
                    nieuwe verordening in werking treedt. De Trw maakt dit niet anders. Weliswaar
                    kan over het besluit tot intrekking van een verordening een referendum worden
                    aangevraagd, echter in dit model maakt het besluit tot intrekking deel uit van
                    de verordening tot vaststelling van de verordening leerlingenvervoer, is alleen
                    het besluit tot vaststelling van de verordening referendabel.</al><al><vet>Artikel 31 Overgangsregeling</vet></al><al>In het eerste lid wordt gesproken over een bruikleenauto of
                    leefvervoervoorziening. Deze voorzieningen zijn aan te vragen bij en worden
                    verstrekt door het Gak en niet de gemeente.</al><al>Met een ‘gelijkwaardige voorziening’ wordt bedoeld, dat leerlingen die in het
                    schooljaar 2001-2002 op basis van de Wet Rea taxivervoer kregen, niet in het
                    schooljaar 2002-2003 van de gemeente bekostiging openbaar vervoer of openbaar
                    vervoer met begeleiding mogen krijgen. Ook zal het vervoer in een busje door de
                    wetgever niet worden opgevat als gelijkwaardig aan taxivervoer. Wel mogen
                    gemeenten in gevallen waar dat praktisch mogelijk is, individuele taxiritten met
                    elkaar combineren. Dit zou bijvoorbeeld mogelijk zijn als twee leerlingen elk
                    een individuele taxivoorziening naar dezelfde school ontvangen en de twee
                    ritten, zonder dat de leerlingen daar aantoonbaar nadeel van ondervinden, kunnen
                    worden gecombineerd.</al><al>Tevens zal in sommige gevallen vervoer verzorgd moeten worden naar een school
                    die niet de dichtstbijzijnde, toegankelijke school is voor de betreffende
                    leerling. In de Wet Rea wordt dit criterium namelijk niet gehanteerd.</al><al>In het tweede lid wordt gesproken over een vervoersvoorziening naar een opdc.
                    Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 1s.</al><al>De aanspraak op leerlingenvervoer op grond van lid 2 komt te vervallen indien de
                    leerling binnen de afstandsgrens komt te wonen.</al><al><vet>Artikel 32 Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van
                    bekendmaking.</al><al>* bedragen zijn aangepast aan de norm voor het schooljaar 2006-2007.</al><al>* bedragen zijn aangepast aan de norm voor het schooljaar 2006-2007.</al><al>* bedragen zijn aangepast aan de norm voor het schooljaar 2006-2007.</al><al>* bedragen zijn aangepast aan de norm voor het schooljaar 2006-2007.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>