<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR13446_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening gemeente Aa en Hunze 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Aa en Hunze</dcterms:creator><dcterms:modified>2004-04-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Aa en Hunze</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Schakel, 21-04-2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening gemeente Aa en Hunze</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=12">Monumentenwet 1988, art. 12 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=14">Monumentenwet 1988, art. 14 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=15">Monumentenwet 1988, art. 15 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-04-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-04-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2004/28d</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Monumentenverordening gemeente Aa en Hunze 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente Aa en Hunze;</al><al>gelezen het voorstel van het college van de gemeente Aa en Hunze, d.d. 30
                        maart 2004, nummer 2004/28d;</al><al>gelet op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=149">artikel 149 van de Gemeentewet</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=12">artikelen 12</extref>,<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=14">14</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=15">15 van de Monumentenwet 1988</extref>;</al><lijst><li nr="a."><al>in te trekken:</al></li><li nr=""><al> “Monumentenverordening Aa en Hunze 1999.”</al></li><li nr="b."><al>vast te stellen de volgende verordening:</al></li><li nr=""><al> “Monumentenverordening gemeente Aa en Hunze 2004.”</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>monument : </al><lijst><li nr="1."><al>zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid.
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak als bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijk monument : onroerend monument, dat overeenkomstig
                                    de bepalingen van deze verordening als gemeentelijk monument is
                                    aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>gemeentelijke monumentenlijst : de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken;</al></li><li nr="d."><al>beschermd rijksmonument : onroerend monument, dat is
                                    ingeschreven in de ingevolge de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> vastgestelde registers;</al></li><li nr="e."><al>kerkelijk monument : onroerend monument, dat eigendom is van een
                                    kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of van een
                                    kerkelijke instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend
                                    deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst;</al></li><li nr="f."><al>monumentencommissie : de door het college ingestelde commissie,
                                    met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te
                                    adviseren over de toepassing van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref>, de verordening en het
                                    monumentenbeleid;</al></li><li nr="g."><al>bouwhistorisch onderzoek : in schriftelijke rapportage
                                    vastgelegd onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de
                                    bouwhistorische kwaliteit van een monument;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk
                                monument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                    een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                    zij advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende gevallen
                                    kan het vragen van dit advies achterwege blijven.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een
                                    gemeentelijk monument bepalen dat bouwhistorisch onderzoek wordt
                                    verricht.</al></li><li nr="4."><al>Voordat het college een kerkelijk als gemeentelijk monument
                                    aanwijst, voert zij overleg met de eigenaar.</al></li><li nr="5."><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op
                                    grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=3">artikel 3 van de Monumentenwet 1988</extref> of dat is
                                    aangewezen op grond van de monumentenverordening van de
                                    provincie Drenthe.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Termijn advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken
                                    na ontvangst van het verzoek van het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het
                                    advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20
                                    weken na de adviesaanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Mededeling</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die
                            als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan en aan de
                            ingeschreven hypothecaire schuldeisers.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst.</al></li><li nr="2."><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke
                                    aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale
                                    aanduiding, de tenaamstelling en een beschrijving van het
                                    gemeentelijke monument.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een
                                    belanghebbende wijzigen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3, tweede, (derde) en vierde lid, alsmede
                                        artikel 4, eerste en tweede lid, zijn van
                                    overeenkomstige toepassing op het wijzigsbesluit.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                    ondergeschikte betekenis is blijft overeenkomstige toepassing
                                    van artikel 3, tweede, (derde) en vierde lid, alsmede
                                        artikel 4, eerste lid, achterwege.</al></li><li nr="4."><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede lid en artikel 4, eerste en tweede lid, van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                    toepassing wordt gegeven aan <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988%20/article=3">artikel 3 van de Monumentenwet 1988</extref> of aan het
                                    betreffende artikel van de monumentenverordening van de
                                    provincie Drenthe.</al></li><li nr="3."><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                    aangetekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Verbodsbepaling</titel></kop><al>Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te
                            vernielen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 De aanvraag</titel></kop><al>Het is verboden zonder vergunning van het college of in strijd met bij
                            zodanige vergunning gestelde voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te
                                    verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te
                                    laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd
                                    of in gevaar gebracht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Termijn advies vergunningverlening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college vraagt advies aan de monumentencommissie voordat zij
                                    beslissen op de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Binnen acht weken na de adviesaanvraag brengt de
                                    monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het
                                    college.</al></li><li nr="3."><al>Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van het
                                    advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 16
                                    weken na ontvangst van de aanvraag.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan de in het derde lid genoemde termijn van 16
                                    weken met ten hoogste tien weken verlengen, mits zij de
                                    aanvrager daarvan kennis geeft binnen de in het derde lid
                                    genoemde termijn.</al></li><li nr="5."><al>Indien het college niet voldoet aan het derde of vierde lid,
                                    wordt de vergunning geacht te zijn verleend.</al></li><li nr="6."><al>Een vergunning ingevolge deze verordening blijft buiten werking
                                    gedurende zes weken na de datum waarop zij is verleend of van
                                    rechtswege is verleend. Indien gedurende deze termijn bezwaar
                                    wordt gemaakt op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>, blijft de vergunning
                                    buiten werking totdat op het bezwaar is beslist.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Kerkelijk monument</titel></kop><al>Het college verleent met betrekking tot een kerkelijk monument geen
                            vergunning ingevolge de bepalingen van artikel 10 dan in
                            overeenstemming met de eigenaar, indien en voor zover het een vergunning
                            betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het
                            monument in het geding zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Intrekken van de vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning kan het college worden ingetrokken indien: </al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                            onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als
                                            bedoeld in artikel 9, tweede lid, niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder
                                            zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het
                                            monument zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="d."><al>niet binnen 1 jaar van de vergunning gebruik wordt
                                            gemaakt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het besluit tot intrekking wordt in afschrift gezonden aan de
                                    monumentencommissie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de aanvraag om
                                    vergunning voor een beschermd rijksmonument met de naar voren
                                    gebrachte zienswijzen aan de monumentencommissie na afloop van
                                    de termijn van 14 dagen, bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=12">artikel 12, tweede lid, van de Monumentenwet
                                    1988</extref>.</al></li><li nr="2."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                    binnen acht weken na de datum van verzending van het
                                    afschrift.</al></li><li nr="3."><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn
                                    wordt de monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Schadevergoeding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge
                                    van: </al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het college een vergunning als bedoeld
                                            in artikel
                                                10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>voorschriften door het college verbonden aan een
                                            vergunning als bedoeld in artikel 10;
                                            schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of
                                            niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent de
                                            gemeenteraad hem op zijn aanvraag een naar billijkheid
                                            te bepalen schadevergoeding toe.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de
                                    verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van
                                    artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van
                                    overeenkomstige toepassing. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Strafbepaling</titel></kop><al>Hij, die handelt in strijd met de artikelen 9 en 10 van deze verordening,
                            wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Opsporingsbevoegdheid</titel></kop><al>De opsporing van de in artikel
                                16 strafbaar gestelde feiten is, naast de in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafvordering%20/article=141">artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering</extref> genoemde
                            opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door het college met de
                            zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, ieder voor zover
                            het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn vermeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Binnentreden</titel></kop><al>Zo dikwijls de zorg voor de naleving van deze verordening dit vereist,
                            wordt hierbij de machtiging verstrekt al dan niet besloten ruimten en
                            plaatsen, met uitzondering van woningen, desnoods tegen de wil van de
                            rechthebbende, bewoner of gebruiker, te betreden, aan hen die en voor
                            zover zij door het bevoegd gezag belast zijn met het toezicht op de
                            naleving van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Inwerkingtreding en overgangsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op gemeentelijke
                                    monumenten treedt zij in werking op de dag na de bekendmaking,
                                    met inachtneming van het bepaalde in artikel 25 lid 1 Tijdelijke
                                    referendumwet.</al></li><li nr="2."><al>De verordening, vastgestelde bij besluit van de raad van 29
                                    april 1999, voor zover het betreft bepalingen over gemeentelijke
                                    monumenten, vervalt op de dag dat bekendmaking plaats
                                    vindt.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                                    rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het
                                    bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=15">artikel 15, tweede lid, van de Monumentenwet
                                    1988</extref>.</al></li><li nr="4."><al>De monumentenverordening, vastgesteld bij besluit van de raad
                                    van 29 april 1999, voor zover het betreft bepalingen over
                                    beschermde rijksmonumenten, vervalt op de datum waarop het derde
                                    lid toepassing vindt.</al></li><li nr="5."><al>De op grond van de ingevolge het tweede lid vervallen
                                    verordening geregistreerde beschermde gemeentelijke monumenten
                                    worden geacht aangewezen te zijn overeenkomstig de bepalingen
                                    van deze verordening.</al></li><li nr="6."><al>De beschermde gemeentelijke monumenten, geregistreerd op de
                                    monumentenlijst van de ingevolge het tweede lid genoemde
                                    vervallen verordening, worden geacht geregistreerd te zijn
                                    overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.</al></li><li nr="7."><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend voor de
                                    inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met
                                    inachtneming van de in het tweede lid ingetrokken
                                    verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Monumentenverordening
                            gemeente Aa en Hunze 2004".</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad der gemeente Aa en
                        Hunze, gehouden op</ondertekening><ondertekening>14 april 2004,</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>T. Santes Drs. R.W. Munniksma.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>TOELICHTING MONUMENTENVERORDENING</vet></al><al><vet><onderstreept>Algemene toelichting</onderstreept></vet></al><al>Bij het opstellen van deze verordening zijn de 'Aanwijzingen voor de decentrale
                    regelgeving’ in aanmerking genomen.</al><al>De bepalingen van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> en de daarin gekozen systematiek vormen een
                    belangrijke basis voor de bepalingen van de modelverordening.</al><al>Drie hoofdpunten zijn in de verordening geregeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanwijzing van zaken tot gemeentelijk monument. Dit betreft ook
                            archeologische monumenten;</al></li><li nr="b."><al>het vergunningenstelsel voor de gemeentelijke monumenten;</al></li><li nr="c."><al>de verwijzing naar het vergunningenstelsel voor beschermde
                            rijksmonumenten in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref>.</al></li></lijst><al>Daarnaast is beoogd het bouwhistorisch onderzoek een nadrukkelijke rol te laten
                    spelen bij de bepaling van het gemeentelijk monumentenbeleid.</al><al>In 2004 is de modelverordening naar aanleiding van de dualisering van het
                    gemeentebestuur herzien. Inhoudelijk is de verordening hetzelfde gebleven omdat
                    de raad in het dualistische stelsel de verordende bevoegdheid heeft gehouden.
                    Wel is de tekst kritisch bekeken op dubbelingen, vernieuwingen als de Tijdelijke
                    Referendumwet (zie artikel
                        19) en verouderd taalgebruik.</al><al><vet><onderstreept>Artikelsgewijze toelichting</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></al><al><vet>Monument</vet></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'monument' is aansluiting gezocht bij de
                    omschrijving in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref>.</al><al>Cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan een
                    bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan
                    en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of
                    dat gebied heeft gemaakt. Het begrip cultuurhistorische waarde is dermate ruim
                    dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige
                    waarde.</al><al>De onder 2 bedoelde terreinen kunnen bijvoorbeeld parken, tuinen en een perceel
                    met een of meer bomen zijn. Het is niet vereist dat op het terrein ook een
                    bouwkundig monument voorkomt teneinde over een monument te kunnen spreken. Een
                    'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al>De vijftig-jaargrens die voor rijksmonumenten geldt, is niet voor gemeentelijke
                    monumenten overgenomen. Daardoor biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                    monumenten die (nog) niet op de rijkslijst kunnen komen omdat ze te jong zijn,
                    reeds op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen. Beschermd
                    rijksmonument/Kerkelijk monument</al><al>Het derde en zesde lid spreken van onroerende monumenten. Roerende monumenten
                    worden derhalve niet beschermd. Reden hiervoor is dat het effectueren van de
                    bescherming een probleem vormt. Roerende monumenten kunnen meestal eenvoudig
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Roerende zaken zijn bijvoorbeeld
                    schepen, voertuigen, schilderijen, kerkschatten en gebruiksvoorwerpen.</al><al>Zaken die naar hun aard onroerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de
                    beschermde status krijgen, op basis van de redengevende omschrijving.</al><al>Ingeval de gemeente de mogelijkheid wil bieden om ook roerende monumenten te
                    beschermen, kan zij dit doen. In dat geval dient het woord 'onroerende' op
                    plaatsen in de modelverordening waar het gemeentelijke monumenten betreft te
                    worden geschrapt. Voor de gemeente is het mogelijk door middel van aanvullende
                    regelgeving te voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen die als gemeentelijk
                    monument zijn aangewezen buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en
                    handhaving van deze regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk.</al><al>Gemeentelijke monumentenlijst</al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert.</al><al>Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen rechtsgevolg. Het betreft slechts
                    een administratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het
                    de aanwijzing tot gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het is
                    inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te
                    trekken. Zie ook de toelichting op artikel
                        3, lid 1, en artikel
                        6.</al><al>Beschermd rijksmonument</al><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een 'beschermd rijksmonument' in de
                    gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk
                    een voorwaarde voor het verkrijgen door het college van de bevoegdheid om
                    vergunningen voor de wijziging en sloop van beschermde rijksmonumenten te
                    verlenen. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn met name de
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=11">artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet 1988</extref> van
                    toepassing.</al><al>Kerkelijk monument</al><al>Ingeval van aanwijzing van een kerkelijk monument tot gemeentelijk monument is
                    overleg tussen eigenaar en gemeente nodig (zie artikel
                        3, lid 4). Is er sprake van een vergunning voor het gemeentelijke
                    of rijksbeschermde kerkelijke monument, dan kan overeenstemming tussen eigenaar
                    en vergunningverlener nodig zijn (zie artikel 12). Overleg en
                    overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in
                    het kerkelijke monument. Voor bijvoorbeeld een pastorie, een catechesatieruimte
                    of verblijven van kloosterlingen geldt deze verbijzondering voor kerkelijke
                    monumenten in de regel dan ook niet. Zij vallen onder de voorschriften die voor
                    de andere monumenten gelden.</al><al>Monumentencommissie</al><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                    monumentenverordening en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref>. Door de monumentencommissie in deze
                    begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> te adviseren aan het college, is voldaan aan
                    het vereiste, genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=15">artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet 1988</extref>. Mocht een gemeente
                    niet over een monumentenbeleid beschikken, dan moet dit niet in de bepaling
                    opgenomen worden.</al><al>In het gedualiseerde bestel is een belangrijke vernieuwing dat elk bevoegd
                    orgaan in de gemeente (raad , college en burgemeester) zelf zijn commissies
                    instelt. De monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het college.
                    Het is dan ook het college die deze commissie instelt op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=84">artikel 84 Gemeentewet</extref>. De samenstelling en werkwijze dient het
                    college nader uit te werken. In een dualistisch stelsel is het niet mogelijk dat
                    de raad in haar verordening bepaalt dat er een commissie is ingesteld welke
                    adviseert aan het college. Het is immers aan het college om te bepalen of zij
                    een advies commissie willen.</al><al>Deze redenatie gaat niet op voor wat betreft de monumentencommissie. In de
                    monumentenverordening wordt door de raad bepaald dat er een monumentencommissie
                    is die advies uitbrengt aan het college. Dit vloeit voort uit de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet</extref>. In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=15">artikel 15 van deze wet</extref> is bepaalt dat de gemeente in een
                    verordening de inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het
                    college over aanvragen van vergunningen als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=11">artikel 11 van de Monumentenwet</extref>. De wetgever geeft hier dus aan
                    dat het college in dit geval geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het
                    instellen van een commissie. Door het ontbreken van deze keuzevrijheid is er
                    geen strijdigheid met het duale uitgangspunt als de raad in haar verordening
                    bepaalt dat er een commissie is die adviseert aan het college. In de verordening
                    wordt zo immers uitwerking gegeven aan het bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=15">artikel 15 van de Monumentenwet</extref>.</al><al>Het instellen van de monumentencommissie door het college moet middels een apart
                    college besluit. Er bestaat geen modelbesluit voor het instellen van een
                    monumentencommissie. Wij adviseren het college bij het besluit tot instellen van
                    een monumentencommissie gebruik te maken van de Modelverordening op de
                    raadscommissie opgenomen in de Handreiking Commissie in het dualistisch
                    stelstel, een uitgave van de Vernieuwingsimpuls Dualisme en lokale
                    democratie.</al><al>Op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=84">artikel 84, tweede lid</extref>, in samenhang met <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=83">artikel 83, tweede lid van de Gemeentewet</extref> mogen raadleden geen
                    deel uitmaken van collegecommissies. In het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=84">vierde lid van artikel 84 Gemeentewet</extref> is bepaald dat de instelling
                    van een commissie op dezelfde wijze moet worden bekendgemaakt als algemeen
                    verbindende voorschriften.</al><al><vet>Artikel 2 Het gebruik van het monument</vet></al><al>Het betreft hier niet zozeer de publiekrechtelijke, planologische bestemming,
                    maar de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar/gebruiker daaraan toekent. Een en
                    ander mede gelet op de constructie en ligging van het pand.</al><al>Dit artikel is van belang als een motiveringsplicht bij de aanwijzing van
                    monumenten en bij de vergunningverlening.</al><al><vet>Artikel 3 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument</vet></al><al>Lid 1</al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is nu slechts een
                    administratieve handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het gebruik van het
                    monument.</al><al>Lid 2</al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie. De verordening
                    bindt het advies niet aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een
                    regeling die de taak en werkwijze van de monumentencommissie regelt is daarvoor
                    de aangewezen plaats.</al><al>De verordening bevat geen voorschriften voor de bescherming van het monument
                    gedurende de tijd dat de aanwijzingsprocedure loopt, zoals de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988%20">Monumentenwet 1988</extref> dat doet. De spoedprocedure kan in situaties
                    die ernstige gevolgen voor het aan te wijzen monument hebben, bewerkstelligen
                    dat binnen korte tijd de verbodsbepalingen van de verordening van toepassing
                    zijn. Er moeten dan gegronde redenen aanwezig zijn om de spoedprocedure te
                    kunnen gebruiken.</al><al>Indien de gemeente wil zekerstellen dat de potentieel aan te wijzen monumenten
                    tijdens de aanwijzingsprocedure ook zijn beschermd, moet een voorbescherming als
                    in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988%20">Monumentenwet 1988</extref> worden opgenomen.</al><al>Er wordt niet bepaald dat de aanvrager en andere belanghebbenden worden gehoord
                    voordat het college over een aanwijzing een besluit neemt, omdat dit is geregeld
                    in (de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=4%3A8">artikelen 4:8</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A9">4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht</extref> (Awb).</al><al>In het geval dat de gemeente besluit een aparte archeologische
                    begeleidingscommissie in te stellen moet de eerste zin van artikel
                        3, lid 2, als volgt worden aangepast:</al><al>`Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt zij advies aan
                    de monumentencommissie of aan de archeologische begeleidingscommissie indien het
                    een archeologisch monument betreft.'</al><al>Deze wijziging moet dan ook in artikel 11, lid
                        1, worden doorgevoerd.</al><al>Lid 3</al><al>Het bouwhistorisch onderzoek van een gebouw geeft meer inzicht in de historische
                    geschiedenis van een gebouw. In de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988%20">Monumentenwet 1988</extref> is geen bepaling over bouwhistorisch onderzoek
                    opgenomen. Het laten verrichten van bouwhistorisch onderzoek behoort daarmee tot
                    de beleidsvrijheid van de gemeente. Er is een tweetal momenten te onderscheiden
                    wanneer een gemeente bouwhistorisch onderzoek kan vragen.</al><al>Ten eerste bij een (aanvraag tot) aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                    monument. De informatie over de bouwhistorische waarde van een gebouw kan van
                    invloed zijn op de beslissing van het college om het pand al dan niet als
                    gemeentelijk monument aan te wijzen en op de wijze waarop het pand in de
                    registers wordt ingeschreven.</al><al>Ten tweede bij aanvragen voor vergunning tot wijziging van een beschermd
                    gemeentelijk monument. De bouwhistorische waarde die door een verbouwing of
                    andere wijziging aangetast wordt is van invloed op de beslissing van het
                    college.</al><al>Alhoewel het er in beide gevallen om gaat om informatie te krijgen over de
                    bouwhistorische waarde van een pand zijn de mogelijkheden om het bouwhistorisch
                    onderzoek te kunnen uitvoeren verschillend. Dit vindt zijn oorzaak in wiens
                    belang de aanvraag tot aanwijzing als gemeentelijk monument of de
                    vergunningaanvraag wordt gedaan. Daarnaast is van belang of het al dan niet een
                    woning betreft. Dit heeft te maken met de mogelijkheden om een gebouw als
                    gemeente binnen te kunnen treden.</al><al>De aanvraag tot aanwijzing als gemeentelijk monument is in veel gevallen niet
                    afkomstig van de eigenaar van het pand. Veelal dient een belangenvereniging voor
                    monumenten een aanvraag tot aanwijzing in. In die gevallen dat een ander dan de
                    eigenaar van een pand een aanvraag tot aanwijzing indient, dan wel de gemeente
                    ambtshalve aanwijzingsvoorstellen doet, kan de gemeente de eigenaar moeilijk
                    verplichten bouwhistorisch onderzoek uit te voeren. Indien de eigenaar of
                    gebruiker een aanvraag voor vergunning tot wijziging van het gebouw indient, kan
                    de gemeente hieraan de voorwaarde verbinden dat bouwhistorisch onderzoek wordt
                    verricht. In dat geval zullen (een deel van) de kosten van het bouwhistorisch
                    onderzoek ten laste van de eigenaar kunnen worden gebracht, gezien het belang
                    dat deze bij de vergunningverlening heeft (zie verder bij 'Vergunning tot
                    wijziging van een monument').</al><al>Om het bouwhistorisch onderzoek uit te voeren moet men het gebouw betreden. Voor
                    het binnentreden is toestemming van de eigenaar nodig. Deze toestemming vormt
                    naast de kosten van het onderzoek het tweede mogelijke knelpunt voor het
                    bouwhistorisch onderzoek. Bij het binnentreden moet onderscheid worden gemaakt
                    tussen woningen en gebouwen anders dan woningen. Het binnentreden van woningen
                    is in verband met het huisvrederecht aan strengere voorwaarden gebonden dan het
                    binnentreden van andere gebouwen.</al><al>Op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet">Gemeentewet</extref> kan de gemeente zich niet de toegang tot een woning
                    verschaffen ten behoeve van het verrichten van bouwhistorisch onderzoek. Het
                    binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoners is slechts
                    toegestaan in die gevallen dat het binnentreden tot doel heeft het handhaven van
                    de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van
                    personen. Bouwhistorisch onderzoek heeft dit niet tot doel. Bij woningen is de
                    gemeente dus afhankelijk van de bereidheid van de woningeigenaar om
                    bouwhistorisch onderzoek uit te laten voeren. Argumenten die de gemeente kan
                    gebruiken zijn het verkrijgen van zicht op de cultuurhistorische waarde van een
                    gebouw en het feit dat mogelijk anders bij een wijzigingsvergunning
                    bouwhistorisch onderzoek als voorwaarde kan worden gesteld.</al><al>De situatie is anders in die gevallen dat het andere gebouwen dan woningen
                    betreft. In de verordening is in artikel 17 opgenomen dat door het bevoegd gezag aangewezen
                    personen in het kader van het toezicht op de naleving van de verordening ruimten
                    binnen kunnen treden. Dit geldt ook voor het doen van bouwhistorisch onderzoek
                    op grond van de verordening.</al><al>De gemeente kan voordat zij een besluit neemt over de vergunningverlening tot
                    wijziging van een monument bepalen dat informatie over de bouwhistorische waarde
                    van het gebouw nodig is. Het is niet noodzakelijk om het vragen van
                    bouwhistorisch onderzoek in de verordening vast te leggen. De voorwaarden die de
                    gemeente omtrent de afhandeling van aanvragen om een beschikking op grond van de
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A5">Awb (artikel 4:5)</extref> kan stellen bieden voldoende houvast. Argument
                    hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische waarde van een gebouw bij de
                    beoordeling van de aanvraag tot wijziging van een monument van belang is. De
                    gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch onderzoek tot de
                    noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van de aanvraag te komen.
                    Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid. De gemeente kan de aanvrager
                    bijvoorbeeld niet verplichten om voor het gehele pand bouwhistorisch onderzoek
                    uit te voeren als slechts voor een deel van het pand een wijzigingsvergunning
                    wordt aangevraagd. Daarnaast moet de gemeente bij het stellen van voorwaarden
                    rekening houden met de kosten die met het bouwhistorisch onderzoek zijn gemoeid.
                    Deze kosten moeten in redelijke verhouding tot de kosten van de verbouwing
                    staan. Er zijn binnen het bouwhistorisch onderzoek verschillende gradaties aan
                    te geven (mate van gedetailleerdheid). Zie voor de benodigde tijd van het
                    onderzoek C1-1.6.3 (Bijlagen). De VNG adviseert om in het aanvraagformulier op
                    te nemen dat bouwhistorisch onderzoek mogelijk nodig is om tot een beoordeling
                    op de aanvraag te komen. Op deze manier is de aanvrager op het moment van
                    aanvragen op de hoogte van wat er van hem wordt verlangd. In de toelichting op
                    het aanvraagformulier kan de gemeente aangeven dat het bouwhistorisch onderzoek
                    door ter zake deskundigen moet worden uitgevoerd. De gemeente kan hierbij
                    aangeven welke personen of instanties in haar ogen voldoende gekwalificeerd
                    zijn. Als de gemeente besluit om het bouwhistorisch onderzoek te subsidiëren
                    kunnen meer verplichtend kwalitatieve eisen aan het onderzoek of onderzoekers
                    worden gesteld.</al><al>Het feit dat het binnentreden van een woning niet afgedwongen kan worden is bij
                    een aanvraag tot vergunningverlening geen probleem. Indien de eigenaar weigert
                    om de personen die het bouwhistorisch onderzoek moeten verrichten binnen te
                    laten dan kan hij niet aan de verplichting van de vereiste bescheiden voldoen.
                    In die gevallen zal het college de aanvraag, na herhaald verzoek de verlangde
                    gegevens te leveren, niet in behandeling nemen.</al><al>Bij de verlening van de vergunning kan de gemeente in de vergunningvoorwaarden
                    het doen van onderzoek en het verstrekken van documentatie tijdens de
                    bouwwerkzaamheden regelen, net als het veilig stellen van de afkomende
                    bouwhistorische elementen.</al><al>Lid 4</al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> dat belanghebbenden zienswijzen naar voren kunnen brengen
                        (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A8">artikel 4:8</extref>). Overleg is immers meer dan het naar voren kunnen
                    brengen van zienswijzen.</al><al>Lid 5</al><al>Monumenten die al op een rijkslijst of een provinciale lijst staan, komen niet
                    voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking.</al><al><vet>Artikel 4 Termijn advies en aanwijzingsbesluit</vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moeten nemen (lid 2).</al><al>Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten de aanvrager, eigenaar
                    en andere belanghebbenden beter waar ze aan toe zijn. De redactie van lid 2
                    heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet tijdig adviseert, het
                    college de volgende keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of
                    besluiten om het (te laat uitgebrachte advies, maar binnen de termijn voor het
                    college) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet tijdig
                    beslist, is op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> sprake van een fictieve weigering. Ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=6%3A2">artikel 6:2</extref> staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van
                    bezwaar of administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou
                    staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><al><vet>Artikel 5 Mededeling</vet></al><al>De mededeling van het college is voor de eigenaar en de anderszins zakelijk
                    gerechtigden van essentieel belang. Het is dan ook zaak dat de mededeling door
                    de geadresseerde wordt ontvangen. In de regel zal de mededeling bij aangetekend
                    schrijven uitgaan. In latere instantie kan hij zich er dan niet op beroepen van
                    niets te weten.</al><al>Dit artikel regelt niet dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en
                    de aanvrager, omdat de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> zulks bepaalt (afdeling 3.6). Is <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A8">artikel 4:8</extref> toegepast (het horen van geadresseerde en van derde
                    belanghebbenden) en is van de daar geboden mogelijkheid gebruik gemaakt, dan
                    dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A43">artikel 3:43 Awb</extref> een mededeling te ontvangen.</al><al><vet>Artikel 6 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</vet></al><al>Door aanwijzing als gemeentelijk monument is het gehele pand, inclusief het
                    interieur, onder de werking van de verordening geplaatst. Andere zaken die zich
                    op het perceel van het monument bevinden, zoals bijgebouwen, tuininrichting en
                    bomen moeten expliciet worden aangegeven, willen zij onder de werking van de
                    verordening vallen. Voor elke wijziging van het monument is dus een vergunning
                    nodig. Voor de duidelijkheid, bijvoorbeeld in verband met kadastrale
                    vernummering, kan ook een plattegrond worden aangehecht.</al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de aldus bij te houden monumentenlijst is om eenieder
                    snel inzicht te geven in welke zaken om welke reden als gemeentelijk monument
                    zijn aangewezen.</al><al><vet>Artikel 7 Wijziging van de aanwijzing</vet></al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten te
                    wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure (advies van
                    monumentencommissie of eventueel archeologische begeleidingscommissie of
                    eigenaar van een kerkelijk monument) als voor de aanwijzing (lid 2), tenzij de
                    wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing
                    worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><al><vet>Artikel 8 Intrekken van de aanwijzing</vet></al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten in
                    te trekken (lid 1). Ook hiervoor geldt dat het advies van de monumentencommissie
                    nodig is, tenzij het gaat om spoedeisende gevallen (lid 2). Monumenten op de
                    gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze
                    zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college van
                    de monumentenlijst gehaald.</al><al>Lid 3 regelt dat monumenten die na aanwijzing als gemeentelijk monument worden
                    geregistreerd als rijksmonument, vanaf dat tijdstip geacht worden niet meer te
                    zijn aangewezen.</al><al>Voor de situatie waarin een provinciale monumentenlijst bestaat is een
                    vergelijkbare regeling opgenomen. Ook is het mogelijk dat de provinciale
                    monumentenverordening dit regelt.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><al><vet>Artikel 9 Verbodsbepaling</vet></al><al>De verbodsbepaling van artikel
                        9 vertoont gelijkenis met <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=11">artikel 11 lid 1 van de Monumentenwet 1988</extref>.</al><al><vet>Artikel 10 De aanvraag</vet></al><al>De verordening legt de vergunningverlening ten aanzien van rijksmonumenten op
                    basis van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> in handen van het college.</al><al>Het is verstandig de vergunningverlening voor rijks- en gemeentelijke monumenten
                    procedureel en inhoudelijk zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Het is voor
                    de aanvrager, maar ook voor de behandelende gemeentelijke diensten en voor het
                    college van praktische betekenis dat beide aanvragen zoveel mogelijk langs
                    dezelfde weg worden afgehandeld.</al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> regelt de vergunningverlening voor de wijziging
                    van rijksmonumenten door het college in de artikelen 11 tot en met
                        21 j° artikel 14 van de
                        monumentenverordening. In dit artikel gaat het derhalve alleen over
                    gemeentelijke monumenten.</al><al>Artikel 10 regelt dat een
                    vergunning nodig is om een monument te verstoren. Dit geldt ook voor
                    archeologische monumenten. Over opgravingen en vondsten is niets in de
                    verordening geregeld. Reden hiervoor is dat deze aspecten uitputtend in de
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> zijn geregeld.</al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> regelt:</al><lijst><li nr="-"><al>dat voor opgravingen een vergunning nodig is;</al></li><li nr="-"><al>dat een rechthebbende van een terrein moet dulden dat de
                            opgravingsbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen
                            verricht;</al></li><li nr="-"><al>de eigendomskwestie van vondsten;</al></li><li nr="-"><al>een schaderegeling.</al></li></lijst><al>Als de gemeente zelf archeologische monumenten beschermt, kan zij in de
                    toelichting van de verordening aangeven wat zij onder verstoren verstaat. In de
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> wordt hierover geen uitspraak gedaan. Ingrepen
                    die de bestemming van de grond veranderen en waardoor het grondwaterpeil
                    verandert of waarbij bijvoorbeeld graafwerk dieper dan 0,50 m wordt verricht
                    kunnen worden aangemerkt als het verstoren van een archeologisch monument in de
                    zin van artikel 10.</al><al>Ten aanzien van de vergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten, is van
                    belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A2">artikel 4:2</extref> respectievelijk <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A5">4:5</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A15">4:15</extref> ).</al><al>In een aanvraagformulier voor de vergunning kan de gemeente aangeven welke
                    gegevens zijn vereist.</al><al>Wat de eventueel benodigde gegevens voor bouwhistorisch onderzoek betreft wordt
                    verwezen naar de toelichting van artikel
                        3, lid 3.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 11 Advies van de monumentencommissie en beslissing op
                            de aanvraag</onderstreept></vet></al><al>Als het college de aanvraag in behandeling neemt, moet door hem op grond van de
                    verordening advies gevraagd worden aan de monumentencommissie. Nadat dit advies
                    aan het college is uitgebracht moeten zij ermee rekening houden dat <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A7">artikel 4:7</extref> of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A8">artikel 4:8 Awb</extref> van toepassing kan zijn. Over het voornemen de
                    beschikking af te geven, dan wel geheel of gedeeltelijk af te wijzen moeten de
                    aanvrager en de belanghebbenden worden gehoord. Deze kunnen naar keuze hun
                    zienswijzen schriftelijk of mondeling naar voren brengen op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A9">artikel 4:9 Awb</extref>.</al><al>De monumentencommissie adviseert het college binnen acht weken na de
                    adviesaanvraag (lid 2). Vervolgens, dus na ontvangst van het advies, beslist het
                    college binnen acht weken (lid 3). De redactie van lid 3 heeft tot gevolg dat,
                    wanneer de monumentencommissie niet tijdig adviseert, het college de volgende
                    keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen of besluiten om het (te laat
                    uitgebrachte advies) toch in zijn overwegingen te betrekken.</al><al>De totale termijn kan met maximaal tien weken worden verlengd, mits de aanvrager
                    tijdig van het uitstel op de hoogte wordt gesteld (lid 4).</al><al>De totale termijn van 26 weken spoort niet meer met die voor de bouwvergunning.
                    In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=46">artikel 46 Woningwet</extref> wordt voor licht vergunningplichtige
                    bouwwerken enen termijn van maximaal 6 weken voorgeschreven. Voor een reguliere
                    bouwvergunning wordt een termijn van maximaal 18 weken voorgeschreven en als een
                    reguliere bouwvergunning gefaseerd wordt verleend dan geldt er een termijn van
                    maximaal 24 weken. Om niet gedurende de lopende monumentenprocedure de
                    bouwvergunning te moeten weigeren (conform de weigeringsgrond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=44">artikel 44 sub e Woningwet</extref>) adviseren wij om in overleg met de
                    aanvrager van de monumenten- en bouwvergunning de aanvraag bouwvergunning pas
                    later in te dienen of in procedure te nemen. In de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20">Woningwet</extref> is namelijk alleen een aanhoudingsregeling voor
                    vergunningen van rijksmonumenten opgenomen (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=54">artikel 54 Woningwet</extref>).</al><al>Als het college niet tijdig beslist, wordt de monumentenvergunning geacht te
                    zijn verleend (lid 5).</al><al>Hierbij is niet aangesloten bij de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20">Awb</extref> (die kent immers de fictieve weigering), maar bij de
                    bouwvergunning en rijksmonumentenvergunning. Deze kennen namelijk ook een
                    fictieve vergunningverlening bij overschrijding van de fatale termijnen. Er kan
                    ook worden gekozen voor een fictieve weigering, de in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20">Awb</extref> geregelde systematiek. Een voordeel hiervan is dat er dan nog
                    niets onherroepelijks kan gebeuren.</al><al>De bepaling van lid 6 komt overeen met die in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref>, maar niet met hetgeen geregeld is voor de
                    bouwvergunning en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20">Awb</extref>.</al><al>Het is ook mogelijk om dit lid achterwege te laten, zodat geen schorsende
                    werking optreedt. Indien belanghebbenden in dat geval schorsende werking wensen,
                    moeten zij hiervoor bij de rechtbank een voorziening vragen. Het voordeel is dat
                    tijdverlies wordt voorkomen in gevallen dat geen bezwaren tegen de
                    vergunningverlening bestaan. Het nadeel is dat al onomkeerbare acties kunnen
                    worden ondernomen, voordat het besluit onherroepelijk is geworden.</al><al>Het is niet nodig om te regelen dat het college aan een vergunning voorschriften
                    kan verbinden in het belang van de monumentenzorg of dat de vergunning voor
                    bepaalde tijd kan worden verleend. Het verbinden van voorschriften aan een
                    vergunning en het verlenen van een vergunning voor bepaalde tijd is namelijk een
                    ongeschreven regel van het bestuursrecht. Dat kan dus ook zonder het in de
                    verordening te regelen.</al><al>Indien de aanvraag een verstoring van een gemeentelijk archeologisch monument
                    betreft kan de gemeente bij het afgeven van een vergunning bepalen dat de
                    belangen waardoor het terrein is aangewezen voldoende moeten zijn beschermd. Dit
                    kan zij regelen door in de vergunningvoorwaarden op te nemen dat de
                    rechthebbende op het terrein toestemming moet verlenen aan door het college aan
                    te wijzen personen om het terrein te betreden en om graafwerk of
                    documentatiewerkzaamheden op het terrein te laten verrichten. Een en ander kan
                    ook nodig zijn in verband met het verkrijgen van voldoende gegevens om op de
                    vergunningaanvraag te kunnen beschikken.</al><al>Een en ander geldt ook voor bovengrondse monumenten. Zowel in de sloopvergunning
                    als bij de intrekking van de aanwijzing kunnen voorafgaand aan de sloop
                    voorwaarden worden gesteld ter documentatie van het monument voor de lokale
                    geschiedenis en om afkomende bouwhistorische elementen veilig te stellen.</al><al><vet>Artikel 12</vet></al><al>Zijn er geen wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het geding, dan
                    is overeenstemming niet vereist. Zie de toelichting op artikel 1, sub f.</al><al><vet>Artikel 13</vet></al><al>Lid 1</al><al>Dit artikellid bevat de mogelijke intrekkingsgronden. De bepaling onder c heeft
                    de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten
                    aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een
                    nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument
                    behoren voor te gaan. In dat geval moet de vergunningverlener (het college) de
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al>Lid 2</al><al>Gelet op de taak van de monumentencommissie, ligt het voor de hand dat een
                    afschrift van de intrekking aan die commissie wordt gezonden. Er kunnen zich
                    omstandigheden voordoen waarin het aanbeveling verdient om de
                    monumentencommissie om advies te vragen. De commissie kan ook ongevraagd
                    adviseren.</al><al>De inkennisstelling van de vergunninghouder en het met redenen omkleed moeten
                    zijn van het besluit zijn weggelaten, omdat <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A41">artikel 3:41 Awb</extref> dit regelt.</al><al><vet>Artikel 14</vet></al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel vloeit voort uit <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=15">artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet 1988</extref>.</al><al>Alhoewel de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> termijnen doorgaans in aantallen weken uitdrukt, is in lid 1
                    de dagentermijn uit de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988%20">Monumentenwet 1988</extref> gevolgd.</al><al>De procedure voor de afgifte door het college van de vergunning voor
                    rijksmonumenten staat in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988%20/article=11">artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet 1988</extref>.</al><al>Leden 2 en 3</al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988%20">Monumentenwet 1988</extref> schrijft voor dat de monumentencommissie bij de
                    aanvragen om vergunning voor rijksmonumenten wordt ingeschakeld. Om te voorkomen
                    dat dit wettelijke vereiste door het ontbreken van het advies van de
                    monumentencommissie tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is
                    in lid 3 bepaald dat de monumentencommissie geacht wordt te hebben geadviseerd
                    na het verstrijken van de in lid 2 gestelde adviestermijn.</al><al><vet>Artikel 15</vet></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Dit artikel is dus niet verplicht. Alternatief voor een
                    schadevergoedingsregeling is de civielrechtelijke jurisprudentie over
                    schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad, Boek 6, artikel 126 BW).</al><al>Ten opzichte van de (on)rechtmatige-daadprocedure, heeft een
                    schadevergoedingsregeling de volgende voordelen:</al><al>- een lage drempel voor de burger en meer mogelijkheden voor overleg
                    (administratieve voorprocedure);</al><al>- samenhang tussen monumenten en ruimtelijke ordening (artikel 49 WRO); Vandaar
                    dat in lid 2 voor de behandeling van de aanvragen de bepalingen van de
                    verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van artikel 49 van de
                    WRO van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.</al><al>Ten opzichte van de (on)rechtmatige-daadprocedure, heeft de
                    schadevergoedingsregeling de volgende nadelen:</al><al>- zoals vermeld is de regeling geen wettelijke verplichting;</al><al>- de regeling kan een aanzuigende werking hebben;</al><al>- er is een (civielrechtelijk) alternatief.</al><al>Het aanwijzen, wijzigen of intrekken van de aanwijzing als gemeentelijk monument
                    is uit het schadevergoedingsartikel weggelaten. Dit heeft als reden dat
                    eventuele schade pas optreedt als voor bepaalde activiteiten geen of niet de
                    gewenste vergunning is verleend.</al><al><vet>Artikel 16</vet></al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=154">Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet</extref> laat aan de gemeentelijke
                    wetgever de keuzemogelijkheid om op overtreding van verordeningen een geldboete
                    te stellen van de tweede of de eerste categorie. In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht/article=23">artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht</extref> zijn de
                    geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor strafbare feiten in
                    de eerste categorie is maximaal euro 225,-- (februari 2004); in de tweede
                    categorie maximaal euro 2250,-- (februari 2004). Het is de gemeente niet
                    toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.</al><al>In de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> is handelen in strijd met artikel 11
                    (het verbod om een monument zonder vergunning te wijzigen of af te breken)
                    gekoppeld aan een geldboete van de vijfde categorie (euro 45.000,-- (februari
                    2004)).</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van de
                    strafmaat voor rijksmonumenten en de wens om enige preventieve werking te
                    bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie voor de hand
                    liggend.</al><al>In de verordening hoeft niet de mogelijke straf opgenomen te worden om bij
                    overtreding de rechterlijke uitspraak openbaar te maken. Een dergelijke
                    strafbepaling is overbodig, omdat iedere rechterlijke uitspraak openbaar
                    is.</al><al><vet>Artikel 17</vet></al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafvordering%20/article=141">artikelen 141</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafvordering%20/article=142">142 van het Wetboek van Strafvordering</extref> wijzen de ambtenaren aan
                    die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafvordering%20/article=141">Artikel 141</extref> noemt de ambtenaren met een algemene
                    opsporingsbevoegdheid, zoals politieagenten. Uit de bewoordingen van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafvordering%20/article=142">artikel 142</extref> blijkt dat de gemeentelijke wetgever bevoegd is om in
                    zijn verordeningen buitengewone opsporingsambtenaren aan te wijzen.</al><al>Op basis van deze bepaling kan het college medewerkers van de bouw- en
                    woningdienst en monumentenzorg aanwijzen als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar.</al><al><vet>Artikel 18</vet></al><al>Dit artikel is de grondslag voor de betreding van open ruimten en de
                    binnentreding van gemeentelijke monumenten die geen woning zijn, tegen de wil
                    van de rechthebbende, bewoner of gebruiker. Woningen zijn uitgezonderd in de Wet
                    op het binnentreden.</al><al>Voor het betreden of binnentreden van woningen, andere gebouwen en terreinen
                    wordt verwezen naar artikel 6.5 van de Model-APV van de VNG.</al><al><vet>Artikel 19</vet></al><al>De datum van inwerkingtreding en het vervallen van de oude verordening is
                    allereerst geregeld voor gemeentelijke monumenten (de leden 1 en 2) en daarna
                    voor rijksmonumenten (de leden 3 en 4). Vervolgens wordt bepaald dat de op grond
                    van de oude verordening op de gemeentelijke monumentenlijst voorkomende
                    monumenten geacht worden te zijn aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze
                    nieuwe verordening (de leden 5 en 6). Ten slotte is in lid 7 geregeld dat
                    aanvragen om vergunning voor gemeentelijke monumenten die zijn ingediend vóór
                    het van kracht worden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de
                    oude verordening.</al><al>Het eerste lid is gebaseerd op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=139">artikel 139 van de Gemeentewet</extref>. Hierin wordt de bekendmaking van
                    verordeningen geregeld.</al><al>In dit artikel is geen overgangsbepaling opgenomen ten aanzien van
                    rijksmonumenten omdat artikel 14 van de
                        modelmonumentenverordening, noch <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=12">artikel 12 van de Monumentenwet 1988</extref> is gewijzigd. Evenmin is een
                    regeling getroffen inzake het toepasselijk recht ten aanzien van
                    bezwaarschriften die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening.
                    Dit betekent dat het nieuwe recht op deze bezwaarschriften van toepassing
                    is.</al><al>Tot 1 januari 2002 traden alle verordeningen in werking op de achtste dag na
                    bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor was aangewezen (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=142">artikel 142 Gemeentewet</extref>). Hierin is verandering gekomen door de
                    inwerkingtreding van de Tijdelijke referendumwet (Trw) op 1 januari 2002. Deze
                    wet maakt referenda mogelijk over onder andere de vaststelling, wijziging en
                    intrekking van verordeningen. Wel zijn enkele verordeningen uitgezonderd, die
                    hier niet van belang zijn. De vaststelling, wijziging of intrekking van een
                    monumentenverordening is een van de besluiten waarover een referendum kan worden
                    gehouden. Verordeningen waarover op grond van de Trw een referendum kan worden
                    gehouden, treden in afwijking van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=142">artikel 142 Gemeentewet</extref>, niet eerder in werking dan zes weken na
                    de bekendmaking van de verordening (artikel 22 Trw ). De termijn van zes weken
                    hangt ermee samen dat na bekendmaking van de verordening en de mededeling dat
                    over deze verordening een referendum gehouden kan worden, een verzoek tot het
                    houden van een referendum kan worden ingediend. Wel kan gekozen worden voor een
                    later tijdstip van inwerkingtreding.</al><al>Als er een tijdstip voor inwerkingtreding is bepaald en indien een inleidend
                    verzoek tot het houden van een referendum over de monumentenverordening
                    onherroepelijk is toegelaten, vervalt het tijdstip van inwerkingtreding van
                    rechtswege (artikel 22, derde lid, Trw ) en zal de raad, nadat vaststaat dat
                    geen referendum wordt gehouden of het referendum niet heeft geleid tot een
                    raadgevende uitspraak tot afwijzing (artikel
                        5), opnieuw in de inwerkingtreding moeten voorzien. Indien een
                    referendum wordt gehouden dat leidt tot een raadgevende uitspraak tot afwijzing,
                    moet de raad na het referendum de beslissing tot vaststelling of wijziging van
                    de monumentenverordening heroverwegen. Ook als de raad na heroverweging alsnog
                    besluit tot inwerkingtreding (in plaats van intrekking) van de
                    monumentenverordening, zal de raad opnieuw in een tijdstip van inwerkingtreding
                    moeten voorzien.</al><al>Op grond van de Trw bepaalt de raad (dus niet het college) het tijdstip van
                    inwerkingtreding. Naast de mogelijkheid om het tijdstip van inwerkingtreding in
                    de verordening zelf aan te wijzen, blijft het ook geoorloofd in de verordening
                    te bepalen dat de verordening in werking treedt op een door de raad te bepalen
                    tijdstip. Met het oog op de Trw is deze keuze het eenvoudigst, waarbij het
                    tijdstip van inwerkingtreding pas wordt vastgesteld nadat onherroepelijk
                    vaststaat dat over de verordening geen referendum wordt aangevraagd. Het ligt in
                    de rede dat ook een besluit van de raad waarbij de datum van inwerkingtreding
                    wordt aangewezen, wordt afgekondigd op dezelfde wijze als de verordening zelf
                    (zie mr. J. Bool, De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet">Gemeentewet</extref>, blz. 134, noot 3).</al><al>Het college is op grond van de Trw gehouden tot het bekendmaken van de
                    verordening en de mededeling dat tot drie weken na bekendmaking van de
                    verordening een verzoek tot het houden van een referendum over de
                    monumentenverordening kan worden ingediend. Op grond van de Tijdelijke
                    referendumwet is de gemeente verplicht om een referendum te organiseren over een
                    verordening indien voldoende kiesgerechtigden een verzoek tot het houden van een
                    referendum indienen. Zie voor meer informatie over de Trw de circulaires van het
                    ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (CW2001/82554 en
                    CW2001/82050) en de ledenbrieven van de VNG over dit werp (Lbr. 01/158 en Lbr.
                    01/217).</al><al><vet>Artikel 20</vet></al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>