<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR134437_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening Oosterhout 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oosterhout</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-11-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oosterhout</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Oosterhout, 01-02-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening Oosterhout 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-01-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-02-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Monumentenverordening 2010.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening Oosterhout 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="1."><al>Bevoegde overheid: bestuursorgaan als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=1.1">artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht</extref>.</al></li><li nr="2."><al>Monument: </al><lijst><li nr="a."><al>zaak die van algemeen belang is vanwege haar schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap en/of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="b."><al>terrein dat van algemeen belang is vanwege een aanwezige
                                            zaak, bijvoorbeeld archeologische waarden, als bedoeld
                                            onder 2a.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Gemeentelijk monument: onroerend monument, dat overeenkomstig de
                                    bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk
                                    monument is geregistreerd als bedoeld in artikel 4.</al></li><li nr="4."><al>Gemeentelijk archeologisch monument: monument, bedoeld in
                                    onderdeel 2b.</al></li><li nr="5."><al>Gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop de overeenkomstig
                                    deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen
                                    zaken of terreinen zijn geregistreerd.</al></li><li nr="6."><al>Rijksmonument: beschermd monument als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=1.1">artikel 1.1. eerste lid van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht</extref>.</al></li><li nr="7."><al>Kerkelijk monument: onroerend monument, dat eigendom is van een
                                    kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam
                                    waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander
                                    genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor
                                    een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden
                                    van de godsdienst of levensovertuiging.</al></li><li nr="8."><al>Redengevende omschrijving: de motivering van het besluit om een
                                    object of terrein te beschermen als monument.</al></li><li nr="9."><al>Vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=2.1">artikel 2.1, eerste lid</extref>, of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=2.2">2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht</extref>.</al></li><li nr="10."><al>Wabo: <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</extref>.</al></li><li nr="11."><al>Commissie voor Welstand en Monumenten: de op basis van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988%20/article=15">art. 15, lid 1 Monumentenwet 1988</extref> ingestelde
                                    commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen
                                    beweging te adviseren over de toepassing van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref>, de verordening en het
                                    monumentenbeleid.</al></li><li nr="12."><al>Bouwhistorisch onderzoek: rapportage waarin de bouw- en
                                    gebruiksgeschiedenis van een bouwwerk of structuur wordt
                                    vastgesteld, dat naar het oordeel van Burgemeesters en
                                    Wethouders voldoet aan de ‘Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek’
                                    uitgave Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.</al></li><li nr="13."><al>Bodemarchief: alle informatie die in de bodem ligt opgeslagen en
                                    daarin terecht is gekomen door activiteiten van mensen en door
                                    natuurlijke processen.</al></li><li nr="14."><al>AMZ-proces: Archeologische Monumentenzorg, de ruimtelijke
                                    procedure voor archeologisch onderzoek die gekoppeld is aan de
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20op%20de%20Archeologische%20Monumentenzorg">wet op de Archeologische Monumentenzorg 2007</extref>.</al></li><li nr="15."><al>AMK: Archeologische Monumentenkaart, waarop terreinen staan
                                    vermeld die door de provincie en de RCE (Rijksdienst voor het
                                    Cultureel Erfgoed) zijn geselecteerd vanwege hun archeologische
                                    waarde. Een aantal van deze terreinen heeft eveneens de status
                                    van beschermd archeologisch monument.</al></li><li nr="16."><al>Archeologisch monument: terrein van zeer hoge archeologische
                                    waarde dat is aangewezen als behoudenswaardig, beschermd op
                                    grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet</extref> (rijksmonument) of deze verordening
                                    (gemeentelijk monument).</al></li><li nr="17."><al>Terrein van hoge archeologische waarde: monument van
                                    oudheidkundige betekenis dat op grond van de genoemde criteria
                                    is aangewezen als behoudenswaardig, geregistreerd op de AMK. De
                                    oude stads- en dorpskernen zijn o.a. in deze categorie
                                    opgenomen. Op grond van vervolgonderzoek kan een dergelijk
                                    monument alsnog worden aangewezen als archeologisch
                                    monument.</al></li><li nr="18."><al>Gemeentelijke archeologische beleidskaart: kaart met een
                                    ruimtelijke presentatie van de gemeentelijke archeologische
                                    verwachtingsgebieden en het te voeren beleid, vastgesteld door
                                    de bevoegde overheid.</al></li><li nr="19."><al>Archeologisch verwachtingsgebied: terrein dat in overeenstemming
                                    met de bepalingen van deze verordening is aangewezen vanwege
                                    zijn betekenis voor de gemeentelijke archeologische
                                    monumentenzorg en geregistreerd is op de gemeentelijke
                                    archeologische beleidskaart.</al></li><li nr="20."><al>Gebied met een hoge archeologische verwachting: gebied of
                                    terrein waarvan op basis van historische, geologische en of
                                    bodemkundige opbouw, een hoge dichtheid aan archeologische
                                    sporen/vindplaatsen wordt verwacht.</al></li><li nr="21."><al>Gebied met een middelhoge archeologische verwachting: gebied of
                                    terrein waarvan op basis van historische, geologische en of
                                    bodemkundige opbouw, een middelhoge dichtheid aan archeologische
                                    sporen/vindplaatsen wordt verwacht.</al></li><li nr="22."><al>Gebied met een lage archeologische verwachting: gebied of
                                    terrein waarvan op basis van historische, geologische en of
                                    bodemkundige opbouw, een lage dichtheid aan archeologische
                                    sporen/vindplaatsen wordt verwacht.</al></li><li nr="23."><al>Verstoord gebied: gebied of terrein waar geen bodemarchief meer
                                    aanwezig is en de archeologisch relevante bodemlagen al
                                    verstoord zijn, bijvoorbeeld doordat reeds definitief
                                    archeologisch onderzoek (opgraving) is uitgevoerd of een
                                    ontgronding heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="24."><al>Archeologisch vooronderzoek: in schriftelijke rapportage
                                    vastgelegd inventariserend onderzoek naar de geschiedenis en de
                                    archeologische waarden van een locatie in overeenstemming met de
                                    Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, in de vorm van
                                    archeologisch bureauonderzoek of inventariserend
                                    veldonderzoek.</al></li><li nr="25."><al>Archeologisch bureauonderzoek: vorm van archeologisch onderzoek
                                    waarbij de aan- of afwezigheid, het karakter en de omvang, de
                                    gaafheid, de conservering en de relatieve kwaliteit van
                                    archeologische waarden worden bepaald aan de hand van bestaande
                                    bronnen over archeologische waarden die voor een bepaald gebied
                                    al bekend zijn of worden verwacht.</al></li><li nr="26."><al>Inventariserend veldonderzoek (IVO): vorm van onderzoek waarbij
                                    extra informatie wordt verworven om het gespecificeerde
                                    verwachtingsmodel dat op het archeologische bureauonderzoek is
                                    gebaseerd aan te vullen en te toetsen door middel van
                                    waarnemingen in het veld.</al></li><li nr="27."><al>Archeologische begeleiding: vorm van onderzoek waarbij de
                                    uitvoering van niet-archeologische werkzaamheden door een
                                    archeoloog wordt begeleid. Het proces kan 3 doelen dienen: </al><lijst><li nr="a."><al>om bij afwezigheid van adequaat vooronderzoek door
                                            fysieke belemmeringen alsnog een vorm van
                                            inventariserend veldonderzoek te kunnen verrichten (cf.
                                            IVO-proefsleuven);</al></li><li nr="b."><al>om eventueel aanwezige archeologische informatie te
                                            behouden (cf. Opgraven);</al></li><li nr="c."><al>om bij (beperkte) ingrepen in gewaardeerde terreinen
                                            aanwezige archeologische informatie te behouden (cf.
                                            Opgraven).</al></li></lijst></li><li nr="28."><al>Opgraving: het vlakdekkend onderzoeken van archeologische
                                    vindplaatsen, met als doel de gegevens van de vindplaats te
                                    documenteren en daarmee de informatie te behouden die van belang
                                    is voor kennisvorming over het verleden. Opgravingen worden
                                    verricht door een vergunninghoudende partij, beschikkend over
                                    een opgravingsvergunning <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988%20/article=39">ex artikel 39 van de Monumentenwet 1988</extref> (incl. de
                                    RCE) en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificatie in de
                                    Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).</al></li><li nr="29."><al>Programma van Eisen: een door de bevoegde overheid opgesteld of
                                    bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de te
                                    verrichten werkzaamheden van de vindplaats geeft en de daaruit
                                    af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te
                                    voeren werk.</al></li><li nr="30."><al>Plan van Aanpak: een door de opdrachtnemer op te stellen plan
                                    voor de uit te voeren werken waarmee beoogd wordt aan de
                                    vereisten zoals geformuleerd in het Programma van Eisen te
                                    voldoen met een voorstel voor de werkwijze waarmee de in het
                                    Programma van Eisen geformuleerde resultaatsverwachtingen
                                    bereikt kunnen worden.</al></li><li nr="31."><al>Bodemingreep: alle grondwerkzaamheden/ activiteiten die een
                                    effect hebben op het voortbestaan van archeologische waarden in
                                    situ, ook wel bodemverstoring genoemd.</al></li><li nr="32."><al>Selectiebesluit: een archeologisch inhoudelijke afweging na een
                                    onderzoeksfase over eventuele archeologische
                                    vervolgstappen.</al></li><li nr="33."><al>Vergunninghoudende partij: een dienst, bedrijf of instelling,
                                    erkend door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) en
                                    werkend volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.</al></li><li nr="34."><al>Deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg:
                                    een door het college van Burgemeester en Wethouders aan te
                                    wijzen deskundige op het gebied van de gemeentelijke
                                    archeologische monumentenzorg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 2 GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3 De aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                    een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                    zij advies aan de commissie voor Welstand en Monumenten, aan
                                    degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en beperkt
                                    gerechtigde staan vermeld, de hypothecaire schuldeisers en, als
                                    om de aanwijzing is verzocht, de verzoeker.</al></li><li nr="3."><al>Voordat het college een kerkelijk monument aanwijst, voert zij
                                    tevens overleg met de eigenaar. Indien een aangewezen kerkelijk
                                    monument de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening
                                    verliest, wordt het geacht te zijn aangewezen als gemeentelijk
                                    monument.</al></li><li nr="4."><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                                    kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk
                                    monument ontvangt tot het moment dat de registratie als bedoeld
                                    in artikel 6 plaatsheeft of vaststaat dat het monument niet
                                    wordt aangewezen zijn de artikelen in 9 tot en met 15 van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan bepalen dat ten behoeve van de aanwijzing van
                                    een monument als gemeentelijk monument een bouwhistorisch- en/of
                                    non-destructief archeologisch onderzoek wordt verricht.</al></li><li nr="6."><al>De aanwijzing als gemeentelijk monument kan geen object
                                    betreffen dat onherroepelijk is aangewezen als rijksmonument op
                                    grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988%20/article=3">artikel 3 van de Monumentenwet 1988</extref> of als
                                    provinciaal monument op grond van de monumentenverordening van
                                    de provincie Noord-Brabant.</al></li><li nr="7."><al>De commissie voor Welstand en Monumenten adviseert schriftelijk
                                    binnen twaalf weken na ontvangst van het verzoek van het
                                    college.</al></li><li nr="8."><al>Het college beslist binnen 12 weken na ontvangst van het advies
                                    van de commissie voor Welstand en Monumenten, maar in ieder
                                    geval binnen 30 weken na de adviesaanvraag.</al></li><li nr="9."><al>Indien geen advies is gegeven binnen de in lid 8 genoemde
                                    termijn, betekent dit niet dat de vergunning van rechtswege
                                    plaatsvindt.</al></li><li nr="10."><al>De aanwijzing als bedoeld in lid 1 wordt medegedeeld aan degenen
                                    die in de kadastrale registratie als eigenaar en beperkt
                                    gerechtigde staan vermeld, aan de ingeschreven hypothecaire
                                    schuldeisers en, indien om aanwijzing is verzocht, aan de
                                    verzoeker.</al></li><li nr="11."><al>De aanwijzing wordt onverwijld opgenomen in de openbare
                                    registers zoals bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20kenbaarheid%20publiekrechtelijke%20beperkingen%20onroerende%20zaken/article=1">artikel 1, onderdeel e. van de Wet kenbaarheid
                                        publiekrechtelijke beperkingen en onroerende
                                    zaken</extref>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst.</al></li><li nr="2."><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke
                                    aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale
                                    aanduiding, de tenaamstelling en een beschrijving van het
                                    gemeentelijke monument.</al></li><li nr="3."><al>Indien een deel van een onroerende zaak beschermenswaardig is,
                                    beperkt de bescherming en registratie zich tot dat specifieke
                                    deel. De gemeentelijke monumentenlijst als bedoeld in lid 2
                                    bevat de beschrijving van dat specifieke onderdeel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Wijziging van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de aanwijzing al dan niet op aanvraag van een
                                    belanghebbende wijzigen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3, lid 2 en verder alsmede artikel 4 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing op de wijziging.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                    ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing
                                    van lid 2 achterwege.</al></li><li nr="4."><al>De inhoud en datum van wijziging worden op de gemeentelijke
                                    monumentenlijst aangetekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Intrekking van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de aanwijzing al dan niet op verzoek van een
                                    belanghebbende intrekken.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3, lid 2, 10 en 11 zijn van toepassing op de
                                    intrekking.</al></li><li nr="3."><al>De aanwijzing wordt ingetrokken als onherroepelijk is beslist
                                    tot aanwijzing krachtens <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988%20/article=3">artikel 3 van de Monumentenwet 1988</extref> of de
                                    monumentenverordening van de provincie Noord-Brabant.</al></li><li nr="4."><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                    aangetekend.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 3 INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE
                            ZAKEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7 Instandhoudingsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in
                                    artikel 1 lid 2.1 te beschadigen of te vernielen.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder omgevingsvergunning handelingen te
                                    verrichten aan een gemeentelijk monument als is beschreven in
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=2.2">artikel 2.2, eerste lid, sub b van de Wet algemene
                                        bepalingen omgevingsrecht</extref>.</al></li><li nr="3."><al>Het college verleent, met betrekking tot een monument met een
                                    religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in lid 2, dan
                                    in overeenstemming met de eigenaar indien er voor zover het een
                                    vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                                    godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn
                                        (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wabo/article=3.14">artikel 3.14 Wabo</extref>).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Aanvraag om vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht%20/article=4.2">artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht</extref> (Bor) voor een
                                    omgevingsvergunning en de daarbij te overleggen gegevens en
                                    bescheiden worden in 3-voud ingediend.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag om vergunning als bedoeld in lid 1 moet schriftelijk
                                    worden ingediend bij het college. Hierbij gelden de
                                    indieningsvereisten conform <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht%20/article=4.4">artikel 4.4 Bor</extref>.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover het voor een goede besluitvorming van belang is, kan
                                    het college de aanvrager verzoeken om een bouwhistorisch
                                    onderzoek van het object te overleggen.</al></li><li nr="4."><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                    ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk
                                    monument aan de commissie voor Welstand en Monumenten voor
                                    advies.</al></li><li nr="5."><al>Het college beslist binnen acht weken (eventueel verlengd met
                                    zes weken) na de datum van ontvangst van de aanvraag (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wabo/article=3.9">art. 3.9 lid 1 en 2 Wabo</extref>).</al></li><li nr="6."><al>Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van
                                    het besluit doet de bevoegde overheid mededeling van die
                                    beschikking op dezelfde wijze als kennis is gegeven van de
                                    aanvraag (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wabo/article=3.9">art. 3.9 lid 1, onder a, Wabo</extref>).</al></li><li nr="7."><al>Als niet binnen de wettelijke termijn een besluit is genomen, is
                                    het besluit van rechtswege verleend en doet de bevoegde overheid
                                    zo spoedig mogelijk mededeling van die beschikking op dezelfde
                                    wijze als kennis is gegeven van de aanvraag (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wabo/article=3.9">art. 3.9 lid 3 en 4 Wabo</extref>).</al></li><li nr="8."><al>Het college zendt een afschrift van het besluit aan de commissie
                                    voor Welstand en Monumenten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Voorschriften</titel></kop><al>Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen
                            verbinden betreffende de uitvoering en materiaaltoepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Intrekking van de vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien: </al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                            onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de aan de vergunning
                                            verbonden voorschriften niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder
                                            zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het
                                            gemeentelijk monument zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="d."><al>niet binnen 26 weken na vergunningverlening met de
                                            werkzaamheden gestart is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De beschikking tot intrekking wordt in afschrift gezonden aan de
                                    commissie voor Welstand en Monumenten.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 4 RIJKSMONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11 Aanvraag om vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college vraagt advies aan de commissie voor Welstand en
                                    Monumenten voordat het beslist op de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen zes maanden (eventueel verlengd met
                                    zes weken) na de datum van ontvangst van de aanvraag (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wabo/article=3.9">art. 3.9 lid 1 en 2 Wabo</extref>).</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 5 INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12 Gemeentelijke archeologische beleidskaart</titel></kop><al>De gemeenteraad stelt op voordracht van het college een gemeentelijke
                            archeologische beleidskaart vast, die dient als basis voor:</al><lijst><li nr="a."><al>hoofdstuk 5 van deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>vast te stellen bestemmingsplannen als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988%20/article=38a">artikel 38a van de Monumentenwet 1988</extref> incl. Wamz
                                    2007;</al></li><li nr="c."><al>aanwijzing van gemeentelijke archeologische monumenten als
                                    bedoeld in artikel 1, lid 2, onder b.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Instandhoudingsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om zonder of in afwijking van een vergunning het
                                    archeologisch bodemarchief met daarin de archeologische
                                    restanten in de breedste zin des woords in een gemeentelijk
                                    monument, bedoeld in artikel 1, lid 2 onder b, in een terrein
                                    met een hoge archeologische waarde (AMK-terrein) of met een hoge
                                    of middelhoge archeologische verwachting, zoals aangegeven op de
                                    gemeentelijke archeologische beleidskaart, dieper dan 50 cm
                                    onder maaiveld te verstoren, te beschadigen of te vernielen, als
                                    beschreven in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=2.2">artikel 2.2. van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht</extref>.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing: </al><lijst><li nr="a."><al>bij bodemingrepen die minder diep gaan dan 50 cm onder
                                            maaiveld met een omvang van minder dan 50 m2 met een
                                            vastgestelde archeologische waarde binnen de contouren
                                            van de binnenstad als aangegeven op de gemeentelijke
                                            archeologische beleidskaart;</al></li><li nr="b."><al>bij bodemingrepen die minder diep gaan dan 50 cm onder
                                            maaiveld met een omvang van minder dan 100 m2 in
                                            gebieden met een vastgestelde archeologische waarde
                                            (AMK-terreinen) en hoge en middelhoge archeologische
                                            verwachting buiten de contouren van de binnenstad als
                                            aangegeven op de gemeentelijke archeologische
                                            beleidskaart;</al></li><li nr="c."><al>bij bodemingrepen met een omvang van minder dan 50.000
                                            m2 (= 5 ha) in gebieden met een lage archeologische
                                            verwachting als aangegeven op de gemeentelijke
                                            archeologische beleidskaart, met uitzondering van
                                            projecten die MER-plichtig zijn. Dit is tevens van
                                            toepassing op gebieden kleiner dan 5 ha waarvoor een
                                            ontgrondingsvergunning wordt aangevraagd;</al></li><li nr="d."><al>indien een rapport is overlegd waarin de aan- of
                                            afwezigheid van een archeologische vindplaats van het te
                                            verstoren terrein naar het oordeel van de bevoegde
                                            overheid in voldoende mate is vastgesteld en waaruit
                                            blijkt dat: </al><lijst><li nr="-"><al>het behoud van de archeologische waarden naar
                                                  oordeel van de bevoegde overheid in voldoende mate
                                                  kan worden geborgd; of</al></li><li nr="-"><al>de archeologische waarden door de verstoring
                                                  niet onevenredig worden geschaad; of</al></li><li nr="-"><al>in het geheel geen archeologische waarden
                                                  aanwezig zijn;</al></li><li nr="-"><al>reeds een opgraving heeft plaatsgevonden en de
                                                  aangetroffen archeologische resten ex situ worden
                                                  bewaard;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>indien kan worden aangetoond dat in het gebied reeds
                                            verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de
                                            te verwachten archeologische resten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in lid 1 is ook niet van toepassing indien: </al><lijst><li nr="a."><al>in het geldende, door de bevoegde overheid goedgekeurde
                                            bestemmingsplan door de bevoegde overheid bepalingen
                                            zijn opgenomen omtrent archeologische
                                            monumentenzorg;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is een activiteit als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht%20/article=2.12">artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° en
                                                tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
                                                omgevingsrecht</extref> voorschriften zijn opgenomen
                                            omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige leden wordt het
                                    totaal van de bodemingrepen die plaatsvinden binnen een
                                    tijdsbestek van 1 jaar dan wel betrekking hebben op hetzelfde
                                    kadastrale perceel aangemerkt als bodemingrepen waarvoor het
                                    verbod als bedoeld in lid 1 niet van toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Wijziging kwalificatie van een locatie</titel></kop><al>Op grond van een melding ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988%20/article=53">artikel 53 van de Monumentenwet 1988</extref> en op grond van de
                            resultaten van archeologisch onderzoek kan het college een terrein of
                            locatie alsnog aanwijzen als gemeentelijk archeologisch monument of
                            gebied met hoge of middelhoge archeologische verwachting.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Vergunning archeologische verwachtingsgebieden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan vergunning verlenen voor graafwerk en
                                    bodemingrepen in gebieden met een vastgestelde archeologische
                                    waarde en archeologische verwachtingsgebieden.</al></li><li nr="2."><al>Vergunning volgens <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=2.1">artikel 2.1 eerste lid, sub b van de Wet algemene
                                        bepalingen omgevingsrecht</extref>, kan slechts worden
                                    verleend indien vooraf door aanvrager van de vergunning door
                                    middel van een rapportage van archeologisch vooronderzoek
                                    conform de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm voor de
                                    Nederlandse Archeologie en een geldig Programma van Eisen naar
                                    het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld dat
                                    bij realisatie van de bodemingrepen: </al><lijst><li nr="a."><al>de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker
                                            gesteld; of</al></li><li nr="b."><al>er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of</al></li><li nr="c."><al>de archeologische waarden niet of niet onevenredig
                                            worden geschaad.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan aan de verlening van de vergunning de volgende
                                    voorschriften verbinden: </al><lijst><li nr="a."><al>de verplichting tot het treffen van technische
                                            maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen
                                            worden behouden;</al></li><li nr="b."><al>de verplichting tot het doen van inventariserend
                                            veldonderzoek of een opgraving;</al></li><li nr="c."><al>de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring
                                            leidt, te laten begeleiden door een vergunninghoudende
                                            partij op het terrein van de archeologische
                                            monumentenzorg.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De gevraagde vergunning kan worden geweigerd, indien de
                                    archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel
                                    van het college in situ behouden dienen te blijven.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor terreinen/gebieden die in
                                    overeenstemming met <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=3">artikel 3 van de Monumentenwet 1988</extref> zijn
                                    aangewezen als beschermd archeologisch (rijks)monument.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Ruimtelijke ontwikkeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de
                                    vergunning, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=2.2">artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht</extref>, voorwaarden gesteld worden juncto
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=39">artikel 39 lid 3 van de Monumentenwet 1988</extref>.</al></li><li nr="2."><al>In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan
                                    een vergunning met toepassing van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=2.1">artikel 2.1</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=2.12">artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht</extref>, voorwaarden
                                    gesteld worden als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=41">artikel 41 van de Monumentenwet 1988</extref>.</al></li><li nr="3."><al>In geval van een aanvraag om een vergunning dient het college
                                    advies te vragen aan een deskundige op het gebied van de
                                    gemeentelijke archeologische monumentenzorg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Oosterhout
                                    onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van
                                    opgravingen in de zin van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=1">artikel 1 sub h van de Monumentenwet 1988</extref>, dient
                                    onverminderd de overige bepalingen van deze wet: </al><lijst><li nr="a."><al>het college een Programma van Eisen vast te stellen als
                                            bedoeld in artikel 1 van deze verordening, waarbij
                                            nadere eisen worden gesteld aan het onderzoek;</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een Plan
                                            van Aanpak als bedoeld in artikel 1 van deze verordening
                                            ter goedkeuring aan het college te overleggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In de nadere eisen kan het college bepalingen opnemen met
                                    betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het
                                    Plan van Aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van
                                    het college in acht te worden genomen.</al></li><li nr="3."><al>Om te kunnen beoordelen of het Plan van Aanpak aan het Programma
                                    van Eisen en eventuele nadere eisen voldoet, dient het college
                                    advies te vragen aan een deskundige op het terrein van de
                                    archeologische monumentenzorg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Betreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan bepalen dat een terrein in het belang van
                                    archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen
                                    worden verricht, dan wel daarin opgravingen worden gedaan, voor
                                    zover dat onderzoek dient ter voorbereiding of ter uitvoering
                                    van een besluit als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.6, 3.10, 3.22
                                    of 3.23 van de Wet op de ruimtelijke ordening. De rechthebbende
                                    t.a.v. dit terrein moet desgevraagd dulden dat dit terrein in
                                    het belang van archeologisch onderzoek wordt betreden, dat
                                    daarop metingen worden verricht, dan wel daarin opgravingen
                                    worden gedaan.</al></li><li nr="2."><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=5%3A27">Artikel 5.27 van de Algemene wet bestuursrecht</extref> is
                                    van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Meldingsplicht</titel></kop><al>Voor projecten waarin het verstoringsoppervlak onder de oppervlaktenorm
                            zoals opgenomen in het vastgestelde archeologiebeleid van de gemeente
                            Oosterhout ligt of die na een correct archeologisch voortraject zijn
                            vrijgegeven of die vallen onder artikel 13, lid 2 onder e van deze
                            verordening, en waarbij tijdens werkzaamheden toch archeologische
                            waarden worden aangetroffen geldt een meldingsplicht bij burgemeester en
                            wethouders binnen 1 dag nadat deze waarden bij de verstoorder bekend
                            zijn geworden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Procedure</titel></kop><al>De bepalingen uit artikel 8, 9 en 10 zijn van overeenkomstige toepassing
                            op de bepalingen uit artikel 13, tweede lid, onder e. Dit met dien
                            verstande dat voor de bepalingen uit artikel 13, tweede lid, onder e en
                            artikel 17, eerste lid, onder b, geen advies van de Commissie voor
                            Welstand en Monumenten is vereist, maar van de deskundige op het gebied
                            van de archeologische monumentenzorg (thans de regioarcheologen van de
                            Regio West-Brabant).</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 6 SCHADEVERGOEDING</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 21 Schadevergoeding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt
                                    of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen
                                    laste behoort te blijven, kent de bevoegde overheid hem op zijn
                                    aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe,
                                    indien de schade in relatie staat tot: </al><lijst><li nr="a."><al>een omgevingsvergunning volgens <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=2.1">artikel 2.1 eerste lid onder a t/m c</extref> en
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=2.2">artikel 2.2 eerste lid onder a en b , lid van de
                                                Wet algemene bepalingen
                                            omgevingsrecht</extref>;</al></li><li nr="b."><al>de weigering daarvan in het belang van de archeologische
                                            monumentenzorg;</al></li><li nr="c."><al>de voorschriften die in het belang van de archeologische
                                            monumentenzorg aan het desbetreffende besluit zijn
                                            verbonden onder a. (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=42">artikel 42 Monumentenwet 1988</extref>).</al></li><li nr="d."><al>de veroorzaakte schade door een maatregel als bedoeld in
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=57">artikel 57, tweede lid Monumentenwet
                                            1988</extref>.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de behandeling van de verzoeken zijn de bepalingen van de
                                    verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van
                                    artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 7 OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22 Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met artikel 7 en 12 lid 1 van deze
                            verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of
                            een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23 Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de door burgemeester en wethouders aangewezen
                            personen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24 Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De “<extref doc="http://oosterhout.regelingenbank.nl/regelingen/Monumentenverordening-Oosterhout-2010">Monumentenverordening Oosterhout 2010</extref>”, vastgesteld bij
                            besluit van de gemeenteraad van 19 oktober 2010 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25 Overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De op grond van de onder artikel 22 ingetrokken verordening
                                    aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden
                                    geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de
                                    bepalingen van deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de
                                    inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met
                                    inachtneming van de in artikel 22 ingetrokken verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking acht dagen nadat het besluit van
                            vaststelling van deze verordening is bekendgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Erfgoedverordening
                            Oosterhout 2012".</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING OP DE ERFGOEDVERORDENING OOSTERHOUT 2012</titel></kop><al>Hoofdpunten van de Erfgoedverordening Oosterhout 2012:</al><lijst><li nr="1."><al>de aanwijzing van monumenten tot gemeentelijk monument;</al></li><li nr="2."><al>het vergunningenstelsel voor de gemeentelijke monumenten en
                            rijksmonumenten;</al></li><li nr="3."><al>de inschakeling van de commissie voor Welstand en Monumenten als
                            adviesorgaan voor de aanwijzing tot gemeentelijk monument en de
                            verlening van een vergunning voor gemeentelijke monumenten en
                            rijksmonumenten;</al></li><li nr="4."><al>instandhouding, aanwijzing en vergunningverlening in archeologische
                            verwachtingsgebieden;</al></li><li nr="5."><al>eisen aan de uitvoering van archeologisch onderzoek.</al></li></lijst><al>De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de Monumentenverordening
                    Oosterhout 2010:</al><lijst><li nr="1."><al>de vaststelling van de gemeentelijke archeologische beleidskaart,
                            gekoppeld aan deze Verordening, en de hieruit voortvloeiende
                            consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen op het grondgebied van de
                            gemeente;</al></li><li nr="2."><al>toevoeging van het schadevergoedingsartikel.</al></li></lijst><al>De Raad is op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=147">artikel 147 van de Gemeentewet</extref> bevoegd verordeningen vast te
                    stellen op basis waarin gemeentelijk beleid is geformuleerd en op basis waarvan
                    dit beleid kan worden uitgevoerd.</al><al>Een vergunningaanvraag voor wijzigen van een rijks- of gemeentelijk monument
                    wordt behandeld conform de in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wabo%20">Wabo</extref> beschreven procedures voor de behandeling van
                    vergunningaanvragen.</al><al>Tegen een besluit over een vergunningaanvraag voor wijziging van een rijks- of
                    gemeentelijk monument is bezwaar en/of beroep mogelijk. De procedures daarvoor
                    zijn geregeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht, hoofdstuk 6 en 7</extref>.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><al><vet>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Sub 1</al><al>De bevoegde overheid is in art. 1, lid 1, van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht omschreven als: 'bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van
                    een besluit ten aanzien van een vraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien
                    van een al verleende omgevingsvergunning'.</al><al>Sub 2</al><al>Bij de omschrijving van het begrip "monument" is aansluiting gezocht bij de
                    omschrijving in de Monumentenwet 1988. Cultuurhistorische waarde is volgens de
                    Memorie van Toelichting op de Monumentenwet de aan een bouwwerk of gebied
                    toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat
                    de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft
                    gemaakt. Het begrip cultuurhistorische waarde is dermate ruim dat het ook
                    betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige waarde.</al><al>Onder een “zaak” kan ook worden verstaan een (gedeelte van een) gevelwand of
                    ensemble van gebouwen, mits deze zaak van algemeen belang is vanwege zijn
                    schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.</al><al>De onder 2 bedoelde “terreinen” kunnen bijvoorbeeld parken, tuinen, een perceel
                    met één of 'meer bomen zijn of een (aandachts-) gebied waar kan worden verwacht,
                    dat zich zaken in de bodem bevinden, die vanuit archeologisch oogpunt van belang
                    zijn.</al><al>Het is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt
                    teneinde over een monument te kunnen spreken. Een "zaak" is immers een veel
                    ruimer begrip. De vijftig-jaargrens, die voor rijksmonumenten geldt, is niet
                    voor gemeentelijke monumenten overgenomen. Daardoor biedt de verordening ook de
                    mogelijkheid om monumenten die (nog) niet op de rijkslijst kunnen komen omdat ze
                    te jong zijn, reeds op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al>Sub 3 en 7</al><al>Sub 3 en 7 spreken van onroerende monumenten. Roerende monumenten worden
                    derhalve niet beschermd. Reden hiervoor is dat het effectueren van de
                    bescherming een probleem vormt. Roerende monumenten kunnen meestal eenvoudig
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Roerende zaken zijn bijvoorbeeld
                    schepen, voertuigen, schilderijen, kerkschatten, kerkorgels en
                    gebruiksvoorwerpen. Zaken die naar hun aard onroerend zijn, zoals een kerkorgel,
                    kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van de redengevende
                    omschrijving.</al><al>Sub 4</al><al>Het begrip 'gemeentelijk archeologisch monument' wordt apart gedefinieerd om
                    enerzijds het belang van de archeologische monumentenzorg aan te geven en
                    anderzijds in verband met de afwijkende positie die een archeologisch monument
                    inneemt ten aanzien van de vergunningverlening. De vergunningverlening is
                    weliswaar de bevoegdheid van de bevoegde overheid, maar het doen van een
                    opgraving mag alleen plaatsvinden met vergunning van de verantwoordelijke
                    minister. Het eigendom van roerende monumenten, die men bij een opgraving
                    aantreft, wordt geregeld in de Monumentenwet 1988. Het maakt daarbij niet uit of
                    er sprake is van een rijks- of gemeentelijk archeologisch monument.</al><al>Sub 5</al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert.</al><al>Sub 6</al><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een "rijksmonument" in de
                    gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk
                    een voorwaarde voor het verkrijgen door het college van de bevoegdheid om
                    vergunningen voor de wijziging en sloop van rijksmonumenten te verlenen. Op de
                    vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de artikelen 11 t/m 21 van de
                    Monumentenwet 1988 van toepassing.</al><al>Sub 7</al><al>Ingeval van aanwijzing van een kerkelijk monument tot gemeentelijk monument is
                    overleg tussen eigenaar en gemeente nodig. Is er sprake van een vergunning voor
                    een gemeentelijk kerkelijk monument, dan is overeenstemming tussen eigenaar en
                    vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke
                    belangen van de uitoefening van de eredienst in het kerkelijke monument. Voor
                    bijvoorbeeld een pastorie, een catechisatieruimte of verblijven van
                    kloosterlingen geldt deze verbijzondering voor kerkelijke monumenten dan ook
                    niet. Zij vallen onder de voorschriften die voor de andere gemeentelijke
                    monumenten gelden.</al><al>Sub 11</al><al>De taken van de commissie voor Welstand en Monumenten zijn hier in het kort
                    beschreven. Voor een verdere detaillering van de inhoud van deze taken wordt
                    verwezen naar het Reglement van Orde van de commissie voor Welstand en
                    Monumenten gemeente Oosterhout en de Welstandsnota Oosterhout 2004.</al><al>Sub 12</al><al>Beoogd is het bouwhistorisch onderzoek een nadrukkelijke rol te laten spelen bij
                    de bepaling van het gemeentelijk monumentenbeleid, zowel bij een aanwijzing als
                    bij een wijziging van een gemeentelijk- of rijksmonument. De kennis die met
                    bouwhistorisch onderzoek wordt verkregen kan bij uitstek worden ingezet voor een
                    verantwoorde omgang, al dan niet in samenhang met veranderingen, en het beheer
                    hiervan. Het onderzoek levert informatie over de bouwmassa, de toegepaste
                    constructies, materialen en interieurafwerking. De uitkomst van een onderzoek is
                    van belang voor een op te stellen restauratieplan en kan tevens worden gebruikt
                    bij het analyseren en vaststellen van constructieve gebreken. In bouwhistorisch
                    onderzoek kunnen vier fasen worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>de bouwhistorische inventarisatie vindt in het algemeen plaats om de
                            omgeving en het pand in beeld te brengen. In deze fase is literatuur en
                            bronnenonderzoek van belang;</al></li><li nr="2."><al>de bouwhistorische verkenning is een beperkt onderzoek met verwerking
                            van de gegevens uit het bronnenonderzoek, de literatuur en de
                            bouwdossiers;</al></li><li nr="3."><al>de bouwhistorische opname is een uitgebreidere opname dan een verkenning
                            en onderzoekt te zichtbare en in het zicht gebrachte delen van een
                            gebouw;</al></li><li nr="4."><al>de bouwhistorische ontleding is het meest diepgaand onderzoek. Hierin
                            worden alle te voren verkregen informatie en een ontleding van het
                            gehele gebouw verwerkt. Deze ontleding heeft meestal plaats tijdens een
                            verbouwing of restauratie.</al></li></lijst><al>Direct na ontvangst van een aanvraag om vergunning dient in het kader van de
                    ontvankelijkheid toets te worden vastgesteld of voor de behandeling van de
                    aanvraag een bouwhistorisch onderzoek noodzakelijk is en met welke diepgang.
                    Indien een eigenaar bouwhistorisch onderzoek Iaat uitvoeren voorafgaand aan een
                    restauratieplan, kunnen deze kosten bij de bepaling van de subsidiabele kosten
                    worden betrokken.</al><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                    deze geen nadere toelichting behoeven.</al><al><vet>Artikel 2 Het gebruik van het monument</vet></al><al>Het betreft hier niet zozeer de publiekrechtelijke, planologische bestemming,
                    maar de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar/gebruiker daaraan toekent. Een en
                    ander mede gelet op de constructie en ligging van het pand. Dit artikel is van
                    belang als een motiveringsplicht bij de aanwijzing van monumenten en bij de
                    vergunningverlening.</al><al><vet>HOOFDSTUK 2 GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</vet></al><al><vet>Artikel 3 De aanwijzing</vet></al><al>Lid 1</al><al>Het aanwijzen van een monument tot beschermd gemeentelijk monument is geen
                    verplichting maar een bevoegdheid van de bevoegde overheid. Na afweging van alle
                    betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De monumentale belangen
                    komen tot uitdrukking in de redengevende omschrijving. Aangezien de Algemene wet
                    bestuursrecht op deze verordening van toepassing is moeten de belanghebbenden
                    worden gehoord voordat over de aanwijzing wordt besloten (artikelen 4:8 en 4:9
                    Awb). Overigens geeft de enkele aanwijzing van een monument, zo blijkt uit
                    constante jurisprudentie, geen recht op een schadevergoeding. De aanwijzing
                    verandert immers niets aan het huidige gebruik van het monument.</al><al>Lid 2</al><al>De verordening bindt het advies van de Commissie niet aan bepaalde voorschriften
                    over vorm en inhoud. De "Verordening regelende de taak, de samenstelling en de
                    werkwijze van de Commissie voor Welstand en Monumenten" is daarvoor de
                    aangewezen plaats.</al><al>Lid 3</al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden
                    zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren
                    kunnen brengen van zienswijzen.</al><al>Lid 4</al><al>De verordening regelt de voorbescherming van het monument gedurende de tijd dat
                    de het voornemen tot het aanwijzen aan de eigenaar schriftelijk kenbaar is
                    gemaakt. Hierbij is de methodiek van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                    gevolgd. De spoedprocedure kan in situaties die ernstige gevolgen voor het (in
                    de toekomst aan te wijzen monument, bewerkstelligen dat binnen korte tijd de
                    verbodsbepalingen van de verordening van toepassing worden. Er moeten dan
                    gegronde redenen aanwezig zijn om de spoedprocedure te kunnen gebruiken.</al><al>Lid 5</al><al>Het bouwhistorisch onderzoek van een zaak geeft meer inzicht in de historische
                    geschiedenis van een zaak (gebouw). In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                    is geen bepaling over bouwhistorisch onderzoek opgenomen. Het laten verrichten
                    van bouwhistorisch onderzoek behoort daarmee tot de beleidsvrijheid van de
                    gemeente.</al><al>Er is een tweetal momenten te onderscheiden wanneer een gemeente bouwhistorisch
                    onderzoek kan vragen:</al><al>1. Bij een (aanvraag tot) aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument. De
                    informatie over de bouwhistorische waarde van een zaak (gebouw) kan van invloed
                    zijn op de beslissing van burgemeester en wethouders om het zaak (gebouw) al dan
                    niet als beschermd gemeentelijk monument aan te wijzen en op de wijze waarop de
                    zaak (gebouw) in de registers wordt ingeschreven;</al><al>2. Bij aanvragen voor vergunning tot wijziging van een beschermd gemeentelijk
                    monument. De bouwhistorische waarde die door een verbouwing of andere wijziging
                    aangetast wordt is van invloed op de beslissing van burgemeester en
                    wethouders.</al><al>Lid 6</al><al>Monumenten die op een rijkslijst of een provinciale lijst staan, komen niet voor
                    aanwijzing ais gemeentelijk monument in aanmerking. In Noord-Brabant bestaat
                    (nog) geen provinciale monumentenlijst.</al><al>Lid 7, 8 en 9</al><al>Hier worden de termijnen genoemd waarbinnen de commissie voor Welstand en
                    Monumenten moet adviseren en het College van Burgemeester en Wethouders een
                    beslissing moet nemen. Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van
                    het besluit, omdat de Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6). Er is geen fatale
                    beslistermijn, dus geen vergunningverlening van rechtswege als de beslistermijn
                    wordt overschreden.</al><al>Lid 10 en 11</al><al>De mededeling van burgemeester en wethouders is voor de eigenaar en de
                    anderszins zakelijk gerechtigden van essentieel belang. Het is dan ook zaak dat
                    de mededeling door de geadresseerde wordt ontvangen. In de regel zal de
                    mededeling bij aangetekend schrijven uitgaan. In latere instantie kan hij zich
                    er dan niet op beroepen van niets te weten. Dit artikel regelt niet dat de
                    aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb
                    zulks bepaalt (afdeling 3.6). Is artikel 4:8 toegepast (het horen van
                    geadresseerde en van derde belanghebbenden) en is van de daar geboden
                    mogelijkheid gebruik gemaakt, dan dienen de betrokkenen op grond van het
                    bepaalde in artikel 3:43 Awb een mededeling te ontvangen. Met dit artikel wordt
                    tevens voldaan aan de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen en roerende
                    zaken</al><al><vet>Artikel 4 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</vet></al><al>Lid 1</al><al>Door aanwijzing als gemeentelijk monument is het gehele pand, inclusief het
                    interieur, onder de werking van de verordening geplaatst. Andere zaken die zich
                    op het (kadastraal) perceel van het beschermde gemeentelijke monument bevinden,
                    zoals bijgebouwen, tuininrichting en bomen moeten expliciet worden beschreven,
                    willen zij onder de werking van de verordening vallen.</al><al>Lid 2</al><al>Voor elke wijziging van het beschermde monument is een vergunning nodig. Voor de
                    duidelijkheid, bijvoorbeeld in verband met kadastrale vernummering, kan ook een
                    plattegrond worden aangehecht.</al><al>Lid 3</al><al>Is slechts een onderdeel van een onroerend goed beschermenswaardig dan kan een
                    "bescherming vanwege" plaatshebben. In de omschrijving (het registerblad) dient
                    dat onderdeel beschreven te zijn. Bij een onderdeel vanwege kan gedacht worden
                    aan een winkelpui, een deel van een gebouw, bijvoorbeeld een woonhuis van een
                    boerderij zonder de stal.</al><al><vet>Artikel 5 Wijziging van de aanwijzing</vet></al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten te
                    wijzigen. Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure als voor de
                    aanwijzing, tenzij de wijziging van ondergeschikte betekenis is. Wijzigingen van
                    de aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst.</al><al><vet>Artikel 6 Intrekking van de aanwijzing</vet></al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke beschermde
                    monumenten in te trekken. Ook hiervoor geldt dat het advies van de commissie
                    voor Welstand en Monumenten nodig is, tenzij het gaat om spoedeisende gevallen.
                    Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is
                    ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan),
                    worden door burgemeester en wethouders van de monumentenlijst gehaald. Lid 3
                    regelt dat monumenten die na aanwijzing als gemeentelijk monument worden
                    geregistreerd als rijksmonument, vanaf dat tijdstip geacht worden niet meer te
                    zijn aangewezen.</al><al>Voor de situatie waarin een provinciale monumentenlijst bestaat, en dat is
                    Noord-Brabant (nog) niet het geval, is een vergelijkbare regeling opgenomen. Het
                    kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van de
                    aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze voor
                    een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><al><vet>HOOFDSTUK 3 INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN</vet></al><al><vet>Artikel 7 Instandhoudingsbepaling</vet></al><al>De opbouw en inhoud van dit artikel vertoont gelijkenis met artikel 11 van de
                    Monumentenwet 1988. De verordening legt de vergunningverlening ten aanzien van
                    rijksmonumenten op basis van de Monumentenwet 1988 in handen van het
                    college.</al><al>De Monumentenwet 1988 regelt de vergunningverlening voor de wijziging van
                    rijksmonumenten door het college in de artikelen 11 tot en met 21 van de Wet
                    algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 11 van de Monumentenverordening
                    2010. In dit artikel gaat het derhalve alleen over gemeentelijke
                    monumenten.</al><al>Indien tijdens een archeologisch onderzoek, een opgraving of ingeval van
                    grondverzet vondsten worden gedaan, waarvan mag worden aangenomen dat deze
                    cultuurhistorische waarde hebben en waarvan de waarde nog niet is vastgesteld,
                    mogen deze niet zonder vergunning worden vervreemd (verkocht).</al><al><vet>Artikel 8 Aanvraag om vergunning</vet></al><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Besluit
                    omgevingsrecht (Bor) zowel digitaal als op papier worden ingediend. Een burger
                    heeft de keuze tussen het digitaal dan we schriftelijk aanvragen van de
                    omgevingsvergunning. Voor ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep
                    geldt in beginsel geen keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs
                    digitale weg indienen. Aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog
                    niet over de benodigde voorzieningen beschikt om een aanvraag digitaal in te
                    dienen is in overleg met diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting
                    na verloop van twee jaren in werking te laten treden.</al><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                    lasten voor burgers en bedrijven de bevoegde overheid bij een schriftelijke
                    aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                    bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van
                    art. 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of meer
                    adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al><al>Zoals eerder gesteld is de Awb (art. 4.2, 4.5 en 4.15) en het Bor (art. 4.4) van
                    toepassing. Eén van de in te dienen zaken kan betrekking hebben op de uitkomsten
                    van uitgevoerd bouwhistorisch onderzoek naar de geschiedenis en de kwaliteiten
                    van het beschermd monument.</al><al>Lid 5 en verder</al><al>Indien sprake is van een koppeling aan een aanvraag voor een bouwvergunning /
                    bestemmingsplanwijziging, is de aanvraag ontvankelijk nadat deze akkoord /
                    ontvankelijk zijn.</al><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                    voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging ten
                    opzichte van de monumentenverordening zoals die is vastgesteld in 1999. Op basis
                    hiervan was op de voorbereiding van deze vergunningaanvraag de uitgebreide
                    openbare voorbereidingsprocedure uit de Awb van toepassing verklaard. Op grond
                    van de Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de vergunning
                    betreffende de gemeentelijke monumenten. Echter indien er meerdere activiteiten
                    voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten
                    de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolgd
                    moet worden, dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één
                    procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedures geldt de
                    zwaarste procedure (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure).</al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van de
                    Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming. De bevoegde
                    overheid moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een beslissing op de
                    aanvraag nemen. In deze periode moet het bevoegd orgaan eventuele
                    belanghebbenden de mogelijkheid geven om zienswijzen in te brengen (artikel 4:8
                    Awb). Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde
                    lid, Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld
                    advies uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de commissie
                    voor Welstand en Monumenten.</al><al>Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat de
                    adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen. Het is
                    echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid gebruik wil
                    maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een besluit niet in de
                    weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan kan de
                    bevoegde overheid de procedure vervolgen. De bevoegde overheid dient altijd de
                    termijn van 8 weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste
                    zes weken worden verlengd. De bevoegde overheid dient hiervan op dezelfde manier
                    mededeling te doen als van de kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van
                    6 weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het
                    uitbrengen van een advies.</al><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                    stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk
                    voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur
                    zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de beslistermijn dient het
                    uitbrengen van het advies door de monumentencommissie parallel te lopen aan de
                    beoordeling van de aanvraag door de bevoegde overheid. Dit parallel lopen van
                    het advies en de beoordeling gebeurt ook al in het kader van de verlening van de
                    evenementenvergunning waarbij een advies van de brandweer is vereist.</al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                    waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt
                    in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat
                    de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken.</al><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                    opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding
                    van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De
                    omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. De bepalingen uit
                    paragraaf 4.1.3.3 van de Awb zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van
                    artikel 4:20b, derde lid en 4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt
                    in werking met ingang van de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat
                    de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien
                    bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist.</al><al><vet>Artikel 9 Voorschriften</vet></al><al>Het verbinden van voorschriften aan een vergunning (bijv. over de herbestemming
                    van vrijkomende materialen en over de tijdelijkheid van de vergunning) is een
                    ongeschreven regel in het bestuursrecht, zodat opneming van deze mogelijkheid
                    niet apart in deze verordening hoeft te worden geregeld. Ten aanzien van de
                    verstoring van een gemeentelijk archeologisch monument kan bijvoorbeeld het
                    voorschrift in de vergunning worden opgenomen dat toestemming moet worden
                    verleend om graafwerk en/of documentatiewerkzaamheden op het terrein te laten
                    verrichten.</al><al><vet>Artikel 10 Intrekking van de vergunning</vet></al><al>Lid 1 bevat de mogelijke intrekkinggronden. De bepaling onder 1.3 heeft de
                    volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien
                    van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe
                    belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument behoren
                    voor te gaan. In dat geval moet de bevoegde overheid de mogelijkheden hebben om
                    de vergunning in te trekken.</al><al><vet>HOOFDSTUK 4 BESCHERMDE RIJKSMONUMENTEN</vet></al><al><vet>Artikel 11 Aanvraag om vergunning</vet></al><al>De Monumentenwet 1988 is de basis voor de bescherming en daarmee de inhoudelijke
                    beoordeling van vergunningaanvragen voor Rijksmonumenten. De Monumentenwet 1988
                    schrijft voor dat een 'deskundige commissie' moet worden ingeschakeld bij deze
                    vergunningprocedure.</al><al>De procedure voor de aanvraag van een monumentenvergunning voor een
                    rijksmonument staat beschreven in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
                    Hoofdstuk 2, De Omgevingsvergunning. Een omgevingsvergunning voor
                    rijksmonumenten wordt voorbereid volgens de uitgebreide voorbereidingsprocedure,
                    die nagenoeg overeenkomt met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de
                    Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent:</al><lijst><li nr="•"><al>besluitvorming binnen 26 weken; max. zes weken verlenging beslistermijn
                            bij ingewikkelde of omstreden onderwerpen;</al></li><li nr="•"><al>terinzagelegging ontwerpbesluit gedurende zes weken;</al></li><li nr="•"><al>geen fatale beslistermijn, dus geen vergunningverlening van rechtswege
                            als de beslistermijn wordt overschreden;</al></li><li nr="•"><al>inwerkingtreding vergunning daags na afloop termijn voor indienen
                            beroepschrift. Beroep schort werking vergunning niet op; opschorting
                            alleen te bewerkstelligen via verzoek om voorlopige voorziening;</al></li><li nr="•"><al>rechtsbeschermingmogelijkheden: zienswijze op de ontwerpvergunning;
                            beroep bij de rechtbank; hoger beroep bij de Raad van State.</al></li></lijst><al>De aard en de omvang van de werkzaamheden bepalen uiteindelijk in het concrete
                    geval welke indieningsvereisten gelden. Zo zijn voor de beoordeling van een
                    vergunningaanvraag voor uitvoering van een restauratie- of (ver)bouwplan meer
                    gegevens en bescheiden noodzakelijk dan voor het beoordelen van een
                    vergunningaanvraag voor het aanbrengen van gevelreclame. Voorafgaand aan
                    ingrijpende restauraties is een bouwhistorisch onderzoek aan te bevelen, terwijl
                    dit voor kleinere herstelwerkzaamheden meestal niet aan de orde zal zijn. Ook de
                    locatie van de werkzaamheden is voor de indieningsvereisten van belang. Indien
                    er werkzaamheden in het interieur worden uitgevoerd, zijn interieurfoto’s nodig,
                    maar deze zijn niet relevant indien het alleen de buitenkant van het monument
                    betreft.</al><al>In het algemeen is het raadzaam om, als er een rijksmonument in het geding is,
                    voorafgaand aan de vergunningaanvraag al contact te zoeken met de
                    vergunningverlener: het college. Liefst nog voordat het definitieve plan is
                    opgesteld. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed kan hierbij op verzoek van
                    de bevoegde overheid aanschuiven, al dan niet via de daartoe ingestelde
                    provinciale steunpunten monumentenzorg. Een aantal steunpunten biedt zelfs een
                    regulier platform voor vooroverleg.</al><al>Tijdens het vooroverleg kan de bevoegde overheid de aanvrager informeren over de
                    wijze waarop rekening kan worden gehouden met de cultuurhistorische waarden en
                    met eventuele kwaliteitseisen of uitvoeringsvoorschriften die voor monumenten
                    gelden. Ook kan helderheid worden verkregen over de indieningsvereisten – die
                    immers van geval tot geval kunnen verschillen. Tijdens het vooroverleg worden
                    wederzijdse verwachtingen helder. Zo kan voorkomen worden dat de vergunning moet
                    worden geweigerd omdat bij de voorgenomen ingreep onvoldoende rekening wordt
                    gehouden met de cultuurhistorische waarden. Ook kan vooroverleg voorkomen dat na
                    indiening van de aanvraag nog allerlei stukken nodig blijken, die dan alsnog bij
                    de aanvrager moeten worden opgevraagd. In een dergelijk geval wordt de
                    beslistermijn voor de bevoegde overheid opgeschort, waardoor de
                    vergunningprocedure langer duurt.</al><al>Is een aanvraag eenmaal ingediend, dan brengt de Rijksdienst voor het Cultureel
                    Erfgoed in een aantal gevallen namens de minister van OCW advies uit aan de
                    bevoegde overheid. Het gaat daarbij om de volgende ingrepen: sloop of
                    gedeeltelijke sloop van ingrijpende aard, of daarmee in impact vergelijkbare
                    wijziging van het rijksmonument, functiewijziging van het rijksmonument en
                    reconstructie. De adviestermijn bedraagt maximaal acht weken. Gedeputeerde
                    staten hebben een adviesbevoegdheid indien het rijksmonument gelegen is buiten
                    de bebouwde kom. De adviestermijn bedraagt maximaal acht weken. De gemeentelijke
                    commissie voor Welstand en Monumenten adviseert het college over de aanvraag om
                    een omgevingsvergunning. De adviestermijn gaat in op de datum van het
                    adviesverzoek, mits alle relevante stukken zijn bijgevoegd. Dit zijn alle
                    stukken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag dan wel het
                    ontwerpbesluit.</al><al>Het college kan onder de Wabo advies vragen over de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning, of over het ontwerpbesluit op die aanvraag. Bij
                    rijksmonumenten verdient het aanbeveling om de adviseurs al in te schakelen bij
                    de aanvraag. Het college kan dan alle adviezen meenemen in het ontwerpbesluit.
                    Dit verkleint het risico dat het ontwerpbesluit sterk moet worden aangepast naar
                    aanleiding van een advies dat pas op het ontwerpbesluit kan worden uitgebracht.
                    Ook bevordert dit de snelheid van de behandeling van de aanvraag, doordat de
                    adviseurs tegelijkertijd adviseren en niet na elkaar in het proces.</al><al>Eenieder kan een zienswijze naar voren brengen op het ontwerpbesluit. Ook de
                    Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed kan namens de minister van OCW een
                    zienswijze indienen. Dit staat los van de adviesbevoegdheid van de minister van
                    OCW.</al><al><vet>HOOFDSTUK 5 INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN</vet></al><al>Het belang van de archeologische monumentenzorg wordt door middel van
                    verschillende wettelijke instrumenten beschermd: door aanwijzing van beschermde
                    archeologische monumenten op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau en de
                    daaraan gekoppelde vergunningstelsels. Voor beschermde archeologische
                    rijksmonumenten geldt de archeologische monumentenvergunning op grond van de
                    Monumentenwet 1988 (zie hierna) en voor provinciale en gemeentelijke
                    archeologische monumenten de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.2, lid
                    1, onder b, Wabo. Verder heeft de bevoegde overheid met de Wabo de mogelijkheid
                    om vanwege de archeologische monumentenzorg voorschriften te verbinden aan een
                    omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan,
                    beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, en het slopen in
                    een beschermd stads- of dorpsgezicht. Hetzelfde geldt voor een
                    omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk of
                    werkzaamheden, mits dat in het bestemmingsplan is bepaald (artikel 5.2 Besluit
                    omgevingsrecht).</al><al>Mogelijke voorschriften zijn bijvoorbeeld de verplichting tot:</al><lijst><li nr="1."><al>het treffen van technische maatregelen die behoud van de monumenten in
                            de bodem (in situ) mogelijk maken;</al></li><li nr="2."><al>het doen van opgravingen;</al></li><li nr="3."><al>het laten begeleiden van de activiteit die tot bodemverstoring leidt
                            door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg
                            die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties.</al></li></lijst><al>Welke voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden, zal mede
                    afhangen van het archeologisch rapport dat de bevoegde overheid van de aanvrager
                    kan verlangen (artikelen 39 t/m 41 Monumentenwet 1988). In het rapport dient de
                    archeologische waarde van het terrein dat zal worden verstoord naar het oordeel
                    van de bevoegde overheid in voldoende mate te zijn vastgesteld.</al><al>De vergunning voor beschermde archeologische rijksmonumenten is niet
                    geïntegreerd in de omgevingsvergunning. Deze blijft geregeld in de Monumentenwet
                    1988 (artikel 11 e.v.). De voorbereidingsprocedure voor de archeologische
                    monumentenvergunning is nagenoeg gelijk aan de procedure vóór inwerkingtreding
                    van de Wabo. Zo blijft de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van kracht,
                    alsmede de van rechtswege verlening van de vergunning bij niet tijdig beslissen.
                    Toch is met de Invoeringswet Wabo een aantal zaken veranderd:</al><lijst><li nr="1."><al>de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed toetst voortaan de aanvraag op
                            volledigheid en volgt eventueel een procedure tot aanvulling van de
                            aanvraag;</al></li><li nr="2."><al>de vergunning treedt in werking daags na afloop termijn voor indienen
                            beroepschrift; beroep schort werking vergunning niet op. Opschorting
                            alleen via voorlopige voorziening;</al></li><li nr="3."><al>de minister van OCW is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving,
                            maar dan mede op grond van de Wabo;</al></li><li nr="4."><al>strafbepalingen Monumentenwet 1988 verhuizen naar Wet op de economische
                            delicten (Wed).</al></li></lijst><al>Een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouw-, aanleg- of sloopactiviteit
                    op of in een beschermd archeologisch rijksmonument treedt niet in werking
                    voordat voor de voorgenomen werkzaamheden ook een archeologische
                    monumentenvergunning op grond van artikel 11, lid 2, van de Monumentenwet 1988
                    in werking is getreden (artikel 6.2a Wabo). Dat is een vergunning voor het
                    verstoren van een beschermd archeologisch rijksmonument. Deze
                    afstemmingsregeling is nodig om te voorkomen dat de activiteiten waarvoor een
                    omgevingsvergunning is verleend al worden uitgevoerd voordat toestemming is
                    gegeven voor de verstoring van het beschermde archeologische rijksmonument. De
                    archeologische monumentenvergunning zal in grote mate bepalend zijn voor de
                    mogelijkheden met betrekking tot de omgevingsvergunning. Het is daarom
                    belangrijk dat de bevoegde overheid de aanvrager van de omgevingsvergunning in
                    een zo vroeg mogelijk stadium informeert over de samenloop en afstemming van de
                    omgevingsvergunning met de monumentenvergunning. Het vooroverleg is daarvoor een
                    geschikt moment.</al><al>In hoofdstuk V van de Monumentenwet 1988 wordt de archeologische monumentenzorg
                    geregeld. In dat hoofdstuk is onder meer bepaald dat de gemeenteraad een
                    verordening kan vaststellen die regels bevat die burgemeester en wethouders
                    kunnen stellen aan gravend onderzoek en gevallen kunnen opnemen waarin
                    burgemeester en wethouders kunnen afzien van de verplichting een archeologisch
                    onderzoek of het opleggen van dergelijke verplichtingen.</al><al>In artikel 41a van de Monumentenwet kan de raad besluiten om aan te geven dat
                    voor het uitvoeren van bodemingrepen die kunnen leiden tot verstoring van
                    archeologische waarde een vrijstelling geldt voor oppervlaktes die groter zijn
                    dan 100 m2. Om onder meer uitvoering te geven aan de Monumentenwet is een
                    gemeentelijke archeologische beleidskaart opgesteld. Deze kaart werkt via de
                    bestemmingsplannen en aanvullend via de thans voorliggende Verordening.</al><al><vet>Artikel 12 Gemeentelijke archeologische beleidskaart</vet></al><al>De archeologische beleidskaart dient als basis voor zowel hoofdstuk 5 van de
                    Erfgoedverordening als de bestemmingsplannen. De door de gemeenteraad
                    vastgestelde beleidskaart en erfgoedverordening vormen tezamen een consistent
                    geheel. Op grond van nader inzicht en nieuwe onderzoeksgegevens kan de kaart
                    periodiek worden bijgewerkt. Deze verordening is altijd gekoppeld aan de laatst
                    vastgestelde versie van de beleidskaart. De kaderstelling kan vervolgens ook
                    gebruikt worden bij de uitwerking van het beleid in bestemmingsplannen.</al><al><vet>Artikel 13 Instandhoudingsbepaling</vet></al><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 1 september 2007 verplicht de
                    raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1
                    van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige
                    dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend
                    uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze verordening, is daarom
                    primair dat in het bestemmingsplan, door middel van de gemeentelijke
                    archeologische beleidskaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden
                    in de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een
                    overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is.</al><al>Er is gekozen voor aanhaking van de instandhouding van archeologische terreinen
                    op grond van artikel 2.2, tweede lid, Wabo, bij de omgevingsvergunning
                    (facultatieve integratie). Zolang gemeentelijke bestemmingsplannen nog niet
                    Malta-proof zijn, kan op deze wijze in de omgevingsvergunning bescherming aan
                    archeologische waarden in de bodem worden geboden bij de realisatie van een
                    fysiek project.</al><al>De Erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen. De Wabo
                    ziet toe op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels. Burgemeester
                    en wethouders blijven hiervoor de bevoegde overheid. Het inhoudelijke
                    toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de gemeentelijke archeologische
                    monumenten is in de verordening bepaald.</al><al>Lid 1</al><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                    biedt deze verordening bij wijze van artikel 13 de nodige bescherming aan
                    archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 13 biedt
                    bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan 50 cm de bodem te
                    verstoren.</al><al>Lid 2 en 3</al><al>In het tweede en derde lid van artikel 13 worden een aantal
                    uitzonderingsmogelijkheden gegeven op het eerste lid.</al><al><vet>Artikel 14 Wijziging kwalificatie van een locatie</vet></al><al>Niet altijd is vooraf goed in te schatten welke waarden in de bodem aanwezig
                    zijn. Daarom heeft het college op grond van dit artikel de bevoegdheid
                    verkregen, om op basis van nieuwe gegevens die uit onderzoek voortkomen, aan een
                    bepaalde locatie een hogere of lagere (verwachtings)waarde toe te kennen.</al><al><vet>Artikel 15 Vergunning archeologische verwachtingsgebieden</vet></al><al>Op de archeologische beleidskaart is aangegeven in welke gebieden archeologische
                    waarden zijn te verwachten of aanwezig zijn. In deze gebieden mogen diepere
                    graafwerkzaamheden pas worden uitgevoerd als hiervoor een vergunning is
                    verleend.</al><al><vet>Artikel 16 Ruimtelijke ontwikkeling</vet></al><al>In dit artikel wordt een aantal besluiten uit de Wet ruimtelijke ordening
                    genoemd die op basis van artikel 2.2. van de Wabo gelijk worden gesteld met een
                    omgevingsvergunning. Dergelijke besluiten kunnen tot stand komen doordat bij de
                    aanvraag tot het nemen van een dergelijk besluit voorschriften kunnen worden
                    opgenomen met betrekking tot archeologische waarden in het gebied waarvoor
                    aanvraag wordt ingediend. Aan het besluit kan dan de voorwaarde worden verbonden
                    dat een rapportage wordt overlegd waarin de archeologische waarden van het te
                    verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld.</al><al><vet>Artikel 17 Opgravingen en begeleiding</vet></al><al>Om de regierol m.b.t. archeologie goed te kunnen uitoefenen dient het College
                    van B&amp;W een Programma van Eisen te beoordelen en te accorderen. Hierin
                    worden eisen gesteld aan de uitvoering en het eindresultaat van archeologisch
                    onderzoek, zoals verwoord in artikel 17. Vervolgens wordt van de opgraver
                    verwacht dat hij in een Plan van Aanpak weergeeft hoe hij specifiek de gestelde
                    kaders zoals omschreven in het Programma van Eisen denkt te gaan invullen.</al><al>Het is verstandig vooruitlopend op het (laten) opstellen van een Plan van Aanpak
                    na te gaan of de voorgestelde onderzoeksmethode (vooral boren) een geschikte
                    methode is voor het betreffende plangebied. Booronderzoek heeft op zandgrond
                    namelijk een zeer beperkte informatie waarde waardoor vaak blijkt dat boren een
                    overbodige (tussen)stap is in het proces van de archeologische monumentenzorg.
                    Op grond van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met
                    betrekking tot de feitelijke uitvoering en de beoordeling van het plan van
                    aanpak.</al><al><vet>Artikel 18 Betreding</vet></al><al>Grondslag vormt artikel 57.2 van de Monumentenwet 1988.</al><al><vet>Artikel 19 Meldingsplicht</vet></al><al>Grondslag vormt artikel 53.1 van de Monumentenwet 1988.</al><al><vet>Artikel 20 Procedure</vet></al><al>Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 13, tweede lid, onder e
                    sprake van een verkapt vergunningstelsel en de uitvoering van een fysiek
                    project. Om deze reden is de Wabo van toepassing verklaard. De bepalingen uit de
                    artikelen 8, 9 en 10 welke zien op de verlening van de omgevingsvergunning voor
                    gemeentelijke monumenten, kunnen derhalve van overeenkomstige toepassing worden
                    verklaard.</al><al><vet>HOOFDSTUK 6 SCHADEVERGOEDING</vet></al><al><vet>Artikel 21 Schadevergoeding</vet></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond
                    van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                    schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. Het principe
                    van ‘de veroorzaker betaalt’,zoals dat in de memorie van toelichting van de Wet
                    op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat bij de afweging tot
                    toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle in het eerste lid
                    genoemde onderdelen. De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat
                    ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze verordening is gekozen voor een
                    gecombineerde schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen zijn
                    opgenomen op grond waarvan het college mogelijk een schadevergoeding aan een
                    belanghebbende dient toe te kennen.</al><al><vet>HOOFDSTUK 7 OVERIGE BEPALINGEN</vet></al><al><vet>Artikel 22 Strafbepaling</vet></al><al>Op overtreding van een verordening kan, op grond van artikel 154, eerste lid
                    Gemeentewet, een geldboete van de of tweede categorie worden gezet. Aan strijd
                    met de Monumentenwet 1988 is een geldboete van de vijfde categorie (maximaal €
                    76.000,-; tarief 2012) gekoppeld. Gelet op de ernst van het vergrijp en de
                    hoogte van de strafmaat bij rijksmonumenten is de keuze voor een geldboete van
                    de tweede categorie (maximaal € 3.800,-; tarief 2012) voor de hand liggend.</al><al><vet>Artikel 23 Toezichthouders</vet></al><al>In hoofdstuk 5 van de Awb is in afdeling 5.2 een aparte regeling opgenomen over
                    het toezicht op de naleving. De bevoegdheden die de toezichthouders hebben in
                    het kader van de uitoefening van hun taken (inzage van gegevens en bescheiden,
                    vorderen van inlichtingen, betreden van plaatsen anders dan woningen) zijn in
                    die afdeling opgenomen.</al><al>Aangezien Oosterhout (behoudens het reguliere bouw- en woningtoezicht) geen
                    eigen zogeheten Buitengewoon opsporingsambtenaren kent, is het opnemen van een
                    afzonderlijke opsporingsbepaling niet noodzakelijk.</al><al>Daarnaast ligt het voor de hand dat de handhaving van de verordening in
                    hoofdzaak op publiekrechtelijke wijze (bestuursdwang, dwangsom) plaatsvindt en
                    de strafrechtelijke vervolging als ultimum remedium geldt.</al><al><vet>Artikel 24 Intrekking oude regeling</vet></al><al>Dit artikel regelt de intrekking van de Monumentenverordening 2010, zodat niet
                    twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het
                    uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten
                    met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld
                    door een latere regeling.</al><al><vet>Artikel 25 Overgangsrecht</vet></al><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                    bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 3)
                    en de vergunning verlening (artikel 8).</al><al>Lid 1</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke
                    monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en
                    geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening.</al><al>Lid 2</al><al>In het tweede lid is geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                    gemeentelijke monumenten, die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze
                    verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening.</al><al>Voor een bepaalde overgangsperiode zullen er dus twee procedures gelden. Indien
                    de verordening niet tijdig aan de Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel in
                    werking is getreden zet de Wabo de bepalingen uit de verordening aan de kant. De
                    Wabo gaat namelijk voor op lagere regelgeving. De bepalingen uit de verordening
                    zijn van rechtswege onverbindend. Bij een nieuwe aanvraag voor een vergunning
                    gelden dan de bepalingen uit de Wabo.</al><al><vet>Artikel 26 Inwerkingtreding</vet></al><al>Bekendmaking van deze verordening moet op grond van artikel 142 van de
                    Gemeentewet plaatsvinden tenminste acht dagen voor inwerkingtreding.</al><al><vet>Artikel 27 Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>