<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR134431_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet kinderopvang 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-03-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Arena,  3 februari 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet kinderopvang 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wko, Artikel 1.25</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, Artikel 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-01-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-03-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Wet kinderopvang</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervallen van rechtswege</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet kinderopvang 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Landerd;</al><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 januari
                        2012</al><al>Gelet op artikel 1.25 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                        peuterspeelzalen en gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al><vet>B E S L U I T</vet></al><al>Tot het vaststellen van de </al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Landerd;</al></li><li nr="·"><al>de wet: de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                                    peuterspeelzalen;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Recht op tegemoetkoming</titel></kop><al>Recht op een tegemoetkoming heeft de ouder die valt onder de wettelijke
                            doelgroep.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij aanvraag of wijziging voor wettelijke
                                doelgroepen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van
                                    kinderopvang bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>Naam, adres en Burger servicenummer (BSN) van de
                                            ouder;</al></li><li nr="b."><al>Indien van toepassing: naam en BSNvan de
                                            partner en, indien dit een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres van de
                            partner;</al></li><li nr="c."><al>Naam, geboortedatum en BSN van het kind of de kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>Een offerte of contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat
                            de kinderopvang gaat verzorgen waarin in ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren 
                            kinderopvang per kind, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de opvang;</al></li><li nr="e."><al>Gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat de
                            ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in artikel 1.22 van de
                                wet<cursief>;</cursief></al></li><li nr="f."><al>Overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen besluiten
                            over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De aanvraag geschiedt met een door het college vastgesteld en
                                    beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</al></li><li nr="3."><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                    ondertekend door de partner.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>1.Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                            van alle benodigde gegevens.</al><al>2.Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                            college stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>1.Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                            kinderopvang</al><al> bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>De vaststelling of de ouder tot de wettelijke doelgroep
                                    behoort;</al></li><li nr="b."><al>De naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop
                                    de tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>De naam van het kindercentrum of gastouderbureau en plaatsnaam
                            waar de kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>De periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak waarvoor
                            de tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al>De wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald en
                            het bedrag dat op basis hiervan wordt verleend;</al></li><li nr="f."><al>De wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al></li><li nr="g."><al>De verplichtingen van de ouder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>1.Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort tot
                            de personen als bedoeld in artikel 1.22 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><al>1.De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop
                            de aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst is
                            genomen.</al><al>2.Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                            tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de kinderopvang zal
                            plaatsvinden.</al><al>3.Het college kan in bijzondere omstandigheden afwijken van de regel
                            zoals deze in lid 1 en 2 van dit artikel wordt genoemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><al>1.Indien de kinderopvang wordt verleend in het kader van re-integratie
                            of inburgering, wordt de kinderopvang toegekend voor de periode van het
                            traject.</al><al>2.Indien vooraf niet duidelijk is voor welke periode kinderopvang
                            noodzakelijk is, dan wordt de tegemoetkoming verleend voor de periode van maximaal een kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Omvang van de tegemoetkoming</titel></kop><al>1.Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                            kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd.</al><al>2.In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een ouder als
                            bedoeld in artikel 1.24, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel a, van
                            de wet de tegemoetkoming voor het aantal uren kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is voor de combinatie van arbeid en
                            zorg.</al><al>3.De hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente in de kosten van 
                            kinderopvang bedraagt maximaal de vastgestelde kostprijs per uur overeenkomstig het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in
                            kosten kinderopvang.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De betaling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt nadat de nota is overgelegd uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                                betaling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><al>1.De ouder verstrekt iedere maand, waarin een tegemoetkoming aan de
                            ouder is verleend, aan het college een overzicht van de feitelijke kosten van
                            kinderopvang over deze periode.</al><al>2.Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst van
                            het overzicht van de kosten vast.</al><al>3.Het uitgangspunt bij de vaststelling is de daadwerkelijke kosten die
                            aan de klant zijn voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verrekening met de overgelegde nota’s</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier weken
                            betaald, onder verrekening van de betaalde nota’s.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Verplichtingen van de ouder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><al>1.De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het bekend
                            worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van inlichtingen en
                            gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van een hogere of lagere
                            tegemoetkoming.</al><al>2.De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college, binnen een
                            door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en inlichtingen van
                            hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van
                            de gemeente van belang kan zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Opzegtermijn</titel></kop><al>1.Indien de ouder geen gebruik meer wenst te maken van kinderopvang en
                            dit vooraf bekend is, dient de ouder uiterlijk 2 maanden voorafgaand aan de
                            laatste dag van de kinderopvang aan zowel de kinderopvanginstelling als aan de gemeente door te geven dat de opvang beëindigd wordt.</al><al>2.Indien de kinderopvang per direct beëindigd wordt en de ouder hiervan
                            niet op de hoogte was, wordt de kinderopvang doorbetaald gedurende de
                            opzegtermijn, tot een maximaal bedrag van de laatst gefactureerde nota.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Aan een persoon die geen recht heeft op de bijdrage van de gemeente op
                            grond van deze verordening kan het college, gelet op alle
                            omstandigheden, in afwijking van het vorenstaande een bijdrage verlenen
                            indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt jaarlijks
                            geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze
                            verordening aangepast. Het college zendt hiertoe jaarlijks na de
                            inwerkingtreding van de verordening aan de raad een verslag over de
                            doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt inwerking op 1 maart 2012. De Verordening Wet
                            Kinderopvang (vastgesteld op 4 oktober 2004) wordt ingaande 1 maart 2012
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet Kinderopvang
                            2012</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 26 januari
                        2012,</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.A.G. Huijs W.C. Doorn-Van der Houwen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>Op 1 januari 2005 is de Wet kinderopvang in werking getreden. De Wet
                    kinderopvang beoogt het ouders of verzorgers gemakkelijker te maken werk en zorg
                    te combineren. Niet alleen werkenden kunnen een beroep doen op de Wet
                    kinderopvang. Een aantal in de wet benoemde doelgroepen kan een beroep doen op
                    de gemeente voor het betalen van een deel van de kosten die zij maken voor
                    kinderopvang. De vergoeding door de gemeente van een deel van de kosten voor
                    kinderopvang wordt aangeduid met de term ‘tegemoetkoming kosten kinderopvang’.
                    De Wet kinderopvang is aangepast en gewijzigd in “Wet kinderopvang en
                    kwaliteitseisen peuterspeelzalen’.</al><al>Artikel 1.25 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen bepaalt dat de
                    gemeenteraad bij verordening regels vaststelt omtrent de tegemoetkoming van de
                    gemeente. Deze regels hebben betrekking op de verlening en de vaststelling van
                    de tegemoetkoming. Deze verordening geeft uitvoering aan deze wettelijke
                    opdracht.</al><al>De tegemoetkoming is een subsidie in de zin van artikel 4:21 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb), te weten: een aanspraak op financiële middelen door een
                    bestuursorgaan verstrekt met het oog op een bepaalde activiteit van de
                    aanvrager. Titel 4.2 van de Awb die regels stelt over subsidies is van
                    toepassing op de</al><al>tegemoetkomingen. Dit betekent dat op de verstrekking van tegemoetkomingen in de
                    kosten van kinderopvang door de gemeente drie regelingen van toepassing
                    zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>de gemeentelijke verordening Wet kinderopvang gemeente 2012;</al></li><li nr="2."><al>de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;</al></li><li nr="3."><al>de subsidieregels in titel 4.2 van de Awb.</al></li></lijst><al>De vraag is aan de orde wat de verhouding is tussen de verordening kinderopvang
                    en de algemene subsidieverordening, en meer in het bijzonder of de algemene
                    subsidieverordening ook van toepassing is op tegemoetkomingen in de kosten van
                    kinderopvang. Deze verordening is zo opgezet dat deze geheel los staat</al><al>van de algemene subsidieverordening. In dat geval is de algemene
                    subsidieverordening niet van toepassing op de verstrekking van tegemoetkomingen.
                    Het principe geldt dan dat de meest specifieke regeling voorrang krijgt boven de
                    algemene regeling.</al><tussenkop>Hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de
                    tegemoetkomingen</tussenkop><al>In deze verordening worden de hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de
                    tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd. Daarbij zijn twee uitgangspunten
                    gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is dat de uitvoeringslasten voor zowel de
                    gemeente als de aanvragers van de tegemoetkoming zo beperkt mogelijk</al><al>moeten zijn. Het tweede uitgangspunt is dat de gemeentelijke uitgaven die
                    gemoeid zijn met de verstrekking van de tegemoetkomingen zo goed mogelijk
                    beheersbaar zijn.</al><tussenkop>Bepalingen om de beheersbaarheid van de gemeentelijke uitgaven te
                    bevorderen</tussenkop><al>De gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is een zogeheten
                    ‘open-einde regeling’. Dit betekent dat slechts diegenen die op grond van de wet
                    behoort tot de wettelijke doelgroep aanspraak heeft op een tegemoetkoming van de
                    gemeente. Om de gemeente in staat te stellen de kosten die gepaard gaan met
                    de</al><al>verstrekking van de tegemoetkomingen beheersbaar te houden, zijn in de
                    verordening de volgende bepalingen opgenomen:</al><al>− De omvang van de aanspraak op een tegemoetkoming van ouders die geen eigen
                    bijdrage in de kosten van kinderopvang hoeven te betalen, wordt aan beperkingen
                    gebonden. In de verordening wordt bepaald dat bij deze groep ouders de
                    tegemoetkoming wordt verstrekt voor het aantal uren kinderopvang per week dat
                    naar het oordeel van het college voor de ouder redelijkerwijs</al><al>noodzakelijk is om de combinatie van arbeid en zorg mogelijk te maken.</al><al>− Er worden geen tegemoetkomingen met terugwerkende kracht verstrekt. Een
                    gemeentelijke tegemoetkoming wordt verstrekt met ingang van het tijdstip waarop
                    de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in ontvangt is
                    genomen.</al><al>− De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er daadwerkelijk kinderopvang
                    plaatsvindt.</al><al>− De tegemoetkoming wordt uitbetaald na overleg van nota’s. Hierdoor blijft de
                    omvang van eventuele onverschuldigde betalingen die de gemeente van de ouders
                    moet terugvorderen, beperkt.</al><tussenkop>Termijn van de tegemoetkoming</tussenkop><al>Indien reeds duidelijk is dat de aanspraak op de tegemoetkoming beperkt is tot
                    een bepaalde periode (bijvoorbeeld de duur van een re-integratietraject die in
                    het trajectplan is vastgelegd of de datum waarop het kind naar de basisschool
                    gaat of de basisschool verlaat), dan wordt de tegemoetkoming voor die
                    betreffende periode toegekend. Jaarlijks wordt de verstrekte tegemoetkoming
                    definitief vastgesteld. Bij deze vaststelling wordt tevens gekeken of er nog aan
                    de voorwaarden wordt voldaan. Bestaat er vooraf geen duidelijkheid over de duur
                    van de tegemoetkoming, dan zal de tegemoetkoming verstrekt worden voor de duur
                    van één kalenderjaar.</al><tussenkop>Verstrekking van de tegemoetkoming in twee stappen</tussenkop><al>De verstrekking van de tegemoetkoming vindt plaats in twee stappen. Hiermee
                    wordt aangesloten bij de Awb. </al><al>De eerste stap is de beschikking tot het verlenen van de tegemoetkoming. Deze
                    beschikking geeft de ontvanger van de tegemoetkoming een voorwaardelijke
                    aanspraak op de tegemoetkoming tot een bepaald bedrag. De aanspraak is
                    voorwaardelijk omdat op het moment dat de beschikking wordt gegeven nog niet
                    zeker is dat de aanvrager daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang en
                    zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. Ondanks het voorwaardelijke karakter
                    schept de subsidieverlening wel een rechtens afdwingbare aanspraak. </al><al>De tweede stap is de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming. In
                    deze beschikking wordt vastgesteld in hoeverre de ontvanger aan de gestelde
                    voorwaarden heeft voldaan en hoeveel het uiteindelijke bedrag van de
                    tegemoetkoming is. Met het vaststellen van de tegemoetkoming wordt de
                    tegemoetkoming definitief. Voordat de tegemoetkoming wordt vastgesteld kan de
                    gemeente onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door
                    gegevens van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen bij de houders
                    van een kindcentrum of gastouderbureau op te vragen.</al><tussenkop>Wettelijke doelgroep</tussenkop><al>De verordening bevat geen inhoudelijke criteria over de definities van
                    wettelijke doelgroepen en de hoogte van de tegemoetkomingen. Deze criteria zijn
                    allemaal rechtstreeks in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen</al><al>peuterspeelzalen opgenomen. Gemeenten hebben bij de bepaling van deze
                    doelgroepen en de hoogte van de tegemoetkoming dus geen beleidsvrijheid.</al><al>Wij maken vooralsnog geen gebruik van artikel 1.23. Dit artikel treedt in
                    werking “op een nader te bepalen tijdstip”. Hiermee kan slechts de wettelijke
                    doelgroep aanspraak maken op een vergoeding voor de kosten van
                    kinderopvang.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijving</tussenkop><al>De begripsbepalingen in artikel 1.1 en 1.2 van de Wet kinderopvang en
                    kwaliteitseisen peuterspeelzalen zijn ook van toepassing op deze verordening.
                    Alleen de in deze artikelen niet gedefinieerde begrippen zijn aangevuld.</al><tussenkop>Artikel 2. Recht op tegemoetkoming</tussenkop><al>Ter verduidelijking op wie aanspraak heeft op een vergoeding ingevolge de
                    Verordening kinderopvang is in artikel 2 expliciet verwezen naar de wettelijke
                    doelgroep in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (artikel
                    1.22). </al><tussenkop>Artikel 3. Te verstrekken gegevens bij aanvraag voor wettelijke
                    doelgroepen</tussenkop><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college (artikel 1.26
                    Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen). Het moet dan gaan om het
                    college van de gemeente waar de ouder woont (artikel 1.22 derde lid van de Wet
                    kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen). De aanvraag moet schriftelijk
                    gebeuren (artikel 4:1 Awb).</al><al>Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een offerte of
                    contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat
                    verzorgen moet worden toegevoegd. Dit betekent dat de aanvraag voor een
                    tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden ingediend als de ouder over een
                    offerte of contract</al><al>beschikt. Op basis van de offerte of het contract kan de gemeente de hoogte van
                    de tegemoetkoming vaststellen. Het kindercentrum of gastouderbureau dat de
                    kinderopvang gaat verzorgen, moet ingeschreven staan in het landelijk register
                    kinderopvang (artikel 1.5 eerst lid van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                    peuterspeelzalen).</al><al>Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens of
                    verwijzingen naar gegevens moeten worden toegevoegd waaruit blijkt dat de ouder
                    behoort tot een gemeentelijke doelgroep. In een aantal gevallen kan de ouder
                    volstaan met een verwijzing naar die gegevens omdat de gemeente over de gegevens
                    beschikt.</al><al>Dit is het geval indien:</al><al>-de ouder of partner een uitkering in het kader van de WWB, IOAW/IOAZ of
                    Anw</al><al> ontvangt én gebruik maakt van een voorziening gericht op
                    arbeidsinschakeling;</al><al>-de ouder een inburgering plichtige is op grond van artikel 19 Wet inburgering
                    en</al><al> Een inburgeringsprogramma volgt;</al><al>-de inburgeringsbehoeftige die een inburgeringsprogramma volgt.</al><al> In andere gevallen zal de ouder de volgende gegevens aan de gemeente moeten
                    verstrekken:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt,
                                        volgt scholing of een opleiding en ontvangt algemene
                                        bijstand op grond van de WWB of kan zo’n uitkering
                                        ontvangen. </al></entry><entry colname="col2"><al>Bewijs van inschrijving school of</al><al>opleidingsinstituut.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>De ouder of diens partner zijn ingeschreven bij een school
                                        of instelling als bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet
                                        tegemoetkoming onderwijsbijdragen of in de artikelen 2.8 tot
                                        en met 2.11 van de Wet Studiefinanciering 2000.</al></entry><entry colname="col2"><al>Bewijs van inschrijving school of</al><al>opleidingsinstituut.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In het vierde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner heeft, deze
                    partner de aanvraag mede ondertekent. Deze bepaling is overeenkomstig artikel
                    1.26 derde lid van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. </al><tussenkop>Artikel 4. Beslistermijn</tussenkop><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag van
                    een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een tegemoetkoming. </al><tussenkop>Artikel 5. Inhoud van de beschikking</tussenkop><al>Het besluit is een beschikking in de zin van titel 4.1 van de Awb. Dit betekent
                    dat tegen het besluit bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden
                    ingesteld.</al><al>Lid 1 geeft aan welke zaken in ieder geval in de beschikking vermeld moeten
                    worden. </al><tussenkop>Artikel 6. Weigeringsgronden</tussenkop><al>Wanneer de aanvrager niet behoort tot de doelgroep zoals geformuleerd in de Wet
                    kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en in de verordening, wordt er
                    geen tegemoetkoming verstrekt. </al><al>Naast de weigeringsgrond in dit artikel kent de Awb ook een aantal gronden om de
                    subsidieverlening te weigeren. Ook deze weigeringsgronden zijn van toepassing.
                    Artikel 4:35 Awb bepaalt dat de subsidieverlening kan worden geweigerd indien
                    een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden</al></li></lijst><al> verplichtingen;</al><al>c.de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal</al><al> afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden </al><al> uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de</al><al> subsidie van belang zijn.</al><al>Het tweede lid van artikel 4:35 Awb bepaalt dat de subsidieverlening voorts in
                    ieder geval kan worden geweigerd indien de aanvrager:</al><al>a.in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft </al><al>verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste </al><al>beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of</al><al>b.failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten </al><al>aanzien van hem de</al><al>schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan
                    wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.</al><tussenkop>Artikel 7. Ingangsdatum van de tegemoetkoming</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming. Er
                    zijn twee ingangsdata mogelijk:</al><al>1.De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in</al><al> ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie zal de ouder op het moment
                    dat </al><al> hij zijn aanvraag indient reeds kinderopvang hebben.</al><al>2.De datum waarop de kinderopvang van start gaat. Het tweede lid bepaalt dat
                    er</al><al> alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er kinderopvang plaatsvindt.</al><al>Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de kosten
                    van kinderopvang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor een tegemoetkoming
                    bij de gemeente is ingediend. Een aanvraag wordt door de gemeente in ontvangst
                    genomen wanneer deze voldoet aan de vormvereisten van artikel 4.1 en 4.2 Awb.
                    Dit</al><al>betekent dat een aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>schriftelijk moet worden ingediend;</al></li><li nr="-"><al>moet zijn ondertekend;</al></li><li nr="-"><al>de naam en het adres van aanvragen dient te bevatten;</al></li><li nr="-"><al>een aanduiding moet geven van de beschikking die wordt gevraagd.</al></li></lijst><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop de
                    aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de tegemoetkoming
                    vindt pas plaats vanaf het moment dat het besluit tot verlening van de
                    tegemoetkoming is genomen. De betaling vindt dan met terugwerkende kracht</al><al>plaats tot de datum waarop de aanvraag in ontvangst is genomen.</al><al>Met betrekking tot uitbreiding of vermindering van het aantal uren kinderopvang,
                    wordt de tegemoetkoming aangepast per datum wijziging die genoemd wordt in het
                    contract wat de klant volgens artikel 3 van deze verordening heeft
                    ingeleverd.</al><tussenkop>Artikel 8. De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt
                    verleend</tussenkop><al>De tegemoetkoming wordt in principe verleend voor de duur van het contract wat
                    geldt voor de re-integratie of inburgering of, indien er sprake is van een
                    sociaal medische indicatie, voor de duur van de indicatie. Door de periode van
                    verstrekking van de tegemoetkoming te koppelen aan de duur van het
                    re-ïntegratietraject (of een</al><al>andere vorm van arbeid), hoeft de ouder geen actie te ondernemen om de
                    verstrekking van de tegemoetkoming stop te zetten of hoeft de gemeente geen
                    eventueel ten onrechte uitgekeerde bedragen terug te vorderen. Tevens hoeft de
                    ouder niet jaarlijks een verzoek tot verlenging of een nieuwe aanvraag in te
                    dienen.</al><al>Lid 2 geeft aan dat indien er geen duidelijkheid bestaat over de termijn
                    waarvoor kinderopvang noodzakelijk is, wordt de tegemoetkoming verstrekt voor de
                    periode van maximaal één kalenderjaar.</al><tussenkop>Artikel 9. Omvang van de tegemoetkoming</tussenkop><al>De Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen regelt de aanspraak van
                    ouders op een tegemoetkoming van de gemeente voor de kosten van kinderopvang.
                    Wanneer een ouder op basis van de criteria die de wet geeft tot een
                    gemeentelijke doelgroep behoort heeft deze recht op een gemeentelijke
                    tegemoetkoming.</al><al>In de uitvoeringspraktijk kwam het vaak voor dat ouders meer uren opgaven dan er
                    daadwerkelijk aan opvang plaatsvond. Om dit tegen te gaan is ervoor gekozen om
                    een maximaal aantal uren in te stellen waarvoor kinderopvangtoeslag verkregen
                    kan worden. Hoeveel dit daadwerkelijk is, wordt bij algemene maatregel van
                    bestuur (Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang)
                    vastgesteld. In artikel 8a van deze AMvB wordt het maximaal aantal uren
                    vastgesteld op 230 uur per kalendermaand (aantal uren geldend in 2011).</al><al>Lid 3 bepaalt dat de tegemoetkoming van de gemeente niet meer mag bedragen dan
                    de maximale uurprijs die genoemd wordt in artikel 4 van het Besluit
                    Kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang. Indien de
                    kinderopvanginstelling een hoger tarief dan het tarief wat in artikel 4 van het
                    Besluit wordt genoemd, worden de meerkosten door de gemeente vergoed, indien de
                    ouder een re-integratietraject of inburgeringstraject volgt waardoor
                    kinderopvang noodzakelijk is. Deze kosten worden vanuit het P-budget
                    (reintegratie)</al><al>of vanuit het inburgeringsbudget betaald.</al><tussenkop>Artikel 10. De bevoorschotting van de tegemoetkoming</tussenkop><al>De subsidieverstrekking vindt plaats nadat de nota is overgelegd. De gemeente
                    betaalt de tegemoetkoming uit aan de ouder. De ouder kan, al dan niet op verzoek
                    van het kindercentrum of het gastouderbureau, de gemeente machtigen om de
                    betalingen rechtstreeks aan dat kindercentrum of gastouderbureau te doen. Deze
                    machtiging verandert juridisch gezien niets aan de verhouding tussen de gemeente
                    en de ouder. Ook al wordt het bedrag gestort op de rekening van het
                    kindercentrum of gastouderbureau, er blijft sprake van een betaling van de
                    tegemoetkoming van gemeente aan de ouder.</al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere voorschriften te
                    stellen over de wijze van betaling van de tegemoetkoming. Zo kan het college
                    bepalen dat er alleen een betaling plaats vind op basis van een factuur van het
                    kindercentrum of gastouderbureau. </al><tussenkop>Artikel 11. Het besluit tot vaststelling van de
                    tegemoetkoming</tussenkop><al>De ouders zijn verplicht om binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor
                    de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de feitelijke
                    kosten van kinderopvang over deze periode te verstrekken. Het college heeft
                    vervolgens acht weken de tijd om de tegemoetkoming vast te stellen.</al><al>In deze periode kan de gemeente een onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de
                    tegemoetkoming door gegevens van de ouders te controleren en eventueel
                    inlichtingen bij de houders van een kindcentrum of gastouderbureau op te
                    vragen.</al><al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt bepaald wat
                    precies het bedrag is wat de ouder die de tegemoetkoming heeft aangevraagd heeft
                    ontvangen. De berekeningswijze die is opgenomen in de beschikking tot verlening
                    van de tegemoetkoming geldt als het uitgangspunt voor het vaststellen van
                    de</al><al>tegemoetkoming. Dit betekent dat de tegemoetkoming wordt vastgesteld op basis
                    van het aantal uren kinderopvang dat in de beschikking tot verlening van de
                    tegemoetkoming is vastgelegd. Dat is het maximum aantal uren. Bij de
                    vaststelling van de tegemoetkoming kan wel worden uitgegaan van een lager</al><al>aantal uren, maar niet van een hoger aantal. </al><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de tegemoetkoming
                    op een lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan ook betekenen op nul
                    vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op grond van artikel 4:46,
                    tweede en derde lid, Awb. Op grond van het tweede lid kan de subsidie lager
                    worden vastgesteld indien:</al><al>a.de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben</al><al> plaatsgevonden;</al><al>b.de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden</al><al> verplichtingen;</al><al>c.de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en</al><al>de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere </al><al>beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of</al><al>d.de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit</al><al> wist of behoorde te weten.</al><al>Het derde lid van artikel 4:46 Awb luidt: ‘Voor zover het bedrag van de subsidie
                    afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is
                    verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden
                    beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen’.</al><tussenkop>Artikel 12. Verrekening </tussenkop><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen deel
                    van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger bedrag heeft
                    uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de gemeente het te veel betaalde
                    bedrag terugvorderen. Terugvordering is geregeld in artikel 1.38 Wet
                    kinderopvang en</al><al>kwaliteitseisen peuterspeelzalen (zie ook de toelichting bij artikel 14).</al><tussenkop>Artikel 13. Inlichtingenplicht</tussenkop><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in artikel 1.28,
                    eerste tot en met derde lid Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                    peuterspeelzalen. De reden dat zij in deze verordening nogmaals worden
                    opgenomen, is dat de wet niet geldt voor een tegemoetkoming verstrekt aan een
                    sociaal-medisch geïndiceerde.</al><al>Er kunnen drie vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik gemaakt van kinderopvang, maar de ouder heeft
                            geen</al></li></lijst><al> recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot de wettelijke</al><al> doelgroep).</al><al>3.Het verstrekken van onjuiste informatie waardoor geen recht bestaat op</al><al> een tegmoetkoming</al><al>Indien er sprake is van een wijziging van het aantal uren (verhoging of
                    verlaging) dient de klant dit door middel van een schriftelijke melding door te
                    geven aan het college (artikel 1.28 derde lid en artikel 1.16 eerste lid van de
                    Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen). Voldoende is dat de klant
                    een gewijzigd contract</al><al>van de kinderopvanginstelling overhandigt, waaruit blijkt welke wijziging in
                    uren er heeft plaatsgevonden. Uitbreiding van het aantal uren is niet mogelijk
                    zonder een nieuw contract in te leveren. Na de wijziging te hebben doorgevoerd,
                    stelt de consulent een wijzigingsbeschikking op, waarin het besluit omtrent de
                    gewijzigde</al><al>uren wordt medegedeeld.</al><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten onrechte
                    een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het college de
                    beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van de tegemoetkoming
                    intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag terugvorderen.</al><tussenkop>Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de
                    tegemoetkoming</tussenkop><al>In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie (een tegemoetkoming in de
                    terminologie van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen) kan
                    worden ingetrokken en teruggevorderd. Daarbij moeten twee situaties worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de situatie waarin de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld en</al></li><li nr="b."><al>de situatie waarin de tegemoetkoming wel is vastgesteld.</al></li></lijst><tussenkop>Ad a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken of wijzigen
                    van de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming (artikel 4:48
                    Awb)</tussenkop><al>Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het college de beschikking
                    tot verlening van de tegemoetkoming intrekken of ten nadele van de ontvanger van
                    de tegemoetkoming wijzigen, indien:</al><al>a.de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of niet
                    geheel</al><al> hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al><al>b.de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden</al><al> verplichtingen;</al><al>c.de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige gegevens</al><al> heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een </al><al> andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de tegemoetkoming </al><al> zou hebben geleid;</al><al>d.de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de</al><al> ontvanger dit wist of behoorde te weten.</al><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                    subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                    bepaald.</al><tussenkop>Opschorten van de betaling (artikel 4:56 Awb)</tussenkop><al>Het college hoeft niet te wachten met het treffen van een maatregel tot dat het
                    besluit tot verlening van de tegemoetkoming is ingetrokken of gewijzigd. Het
                    college kan al eerder besluiten de betaling van de tegemoetkoming op te
                    schorten. Op grond van artikel 4:56 Awb kan het college de verplichting tot
                    betaling van een nota opschorten met ingang van de dag waarop het college aan de
                    ouder schriftelijk kennis geeft van</al><al>het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om de beschikking tot verlening van
                    de tegemoetkoming in te trekken of te wijzigen. Deze opschorting duurt tot en
                    met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is
                    bekendgemaakt of de dag waarop vanaf de kennisgeving van het ernstige vermoeden
                    dertien weken zijn verstreken.</al><tussenkop>Ad b. de tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of wijzigen van de
                    beschikking tot subsidievaststelling (artikel 4:49 Abw)</tussenkop><al>Ook als de tegemoetkoming is vastgesteld, is het college in bepaalde gevallen
                    bevoegd de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming in te trekken
                    of ten nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming te wijzigen. Het gaat om de
                    volgende gevallen:</al><al>a.er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de</al><al> vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn </al><al> en op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan overeenkomstig de </al><al> verlening van de tegemoetkoming zou zijn vastgesteld.</al><al>b.de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de ontvanger van de</al><al> tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te weten;</al><al>c.de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van de</al><al> tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden </al><al> verplichtingen.</al><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de
                    ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag
                    waarop zij is bekendgemaakt.</al><tussenkop>Terugvordering (artikel 1.38 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                    peuterspeelzalen)</tussenkop><al>Indien de beschikking tot het verlenen of het vaststellen van de tegemoetkoming
                    is ingetrokken of ten nadele van de ouder is gewijzigd, kan de gemeente het
                    reeds betaalde bedrag van de ouder terugvorderen. In artikel 1.38 Wet
                    kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen worden de bepalingen in de Wet
                    werk en bijstand</al><al>(WWB) over de terugvordering van bijstand van overeenkomstige toepassing
                    verklaard op het terugvorderen van een tegemoetkoming. Dit betekent bijvoorbeeld
                    dat het bedrag dat wordt teruggevorderd kan worden verrekend met de
                    tegemoetkoming die aan de ouder wordt verstrekt. In het besluit tot
                    terugvordering moet de wijze waarop zal worden teruggevorderd worden vermeld
                    (artikel 60, eerste lid WWB).</al><tussenkop>Artikel 14. Opzegtermijn</tussenkop><al>De kinderopvanginstellingen hanteren in de meeste gevallen een opzegtermijn van
                    2 maanden. Indien vooraf bekend is wanneer de kinderopvang wordt beëindigd zal
                    dit tijdig gecommuniceerd moeten worden aan de kinderopvanginstelling en de
                    gemeente. Indien er sprake is van een traject is in de meeste gevallen
                    vooraf</al><al>duidelijk wanneer de kinderopvang beëindigd wordt. Het is de
                    verantwoordelijkheid van de ouder om dit vroegtijdig door te geven.</al><al>Mocht er wegens omstandigheden binnen 2 maanden een einde worden gemaakt aan de
                    kinderopvang en de ouder kon hiervan niet op de hoogte zijn, dan zal de gemeente
                    de kosten van de kinderopvang voor de duur van maximaal 2 maanden door betalen.
                    Let op: het gaat hier alleen om de kosten die de gemeente anders ook</al><al>gemaakt zou hebben en dus niet de kosten die normaal gesproken als
                    kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst wordt ontvangen. Lid 2 zal echter
                    slechts in uitzonderingen voorkomen. Het is aan de consulent om te beoordelen of
                    er inderdaad sprake is van een situatie zoals benoemd in lid 2 van dit artikel.
                    Motivering</al><al>hiervoor dient duidelijk in de rapportage naar voren te komen.</al><tussenkop>Artikel 15. Hardheidsclausule</tussenkop><al>De verordening kent een hardheidsclausule. Dat betekent dat in gevallen die niet
                    in de verordening geregeld zijn en waarin dit tot een kennelijk onbillijke
                    situatie zou leiden er met een beroep op deze bepaling alsnog een tegemoetkoming
                    voor kinderopvang kan worden verleend. Toepassing van de hardheidsclausule is
                    bedoeld</al><al>voor echt uitzonderlijke situaties, omdat het overgrote deel van de voorkomende
                    situaties in de verordening is geregeld.</al><tussenkop>Artikel 16. Evaluatie</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 17. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 18. Citeertitel</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>