<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR134413_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Re-integratie WWB, IOAW en IOAZ 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Grave</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Grave</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Graafsche Courant, 27 maart 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Re-integratie WWB, IOAW en IOAZ 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005416">Gemeentewet, artt. 108, 147 en 148</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0015703">Wet werk en bijstand, artt. 7, 8, 10, 10a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005537">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0004044">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artt. 34-36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0004163">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artt. 34-36</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-02-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-04</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Gewijzigde regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>ISD</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>ISD</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Re-integratie WWB, IOAW en IOAZ 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Grave</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 4 oktober 2011 en </al><al>gelet op artikel 147 eerste lid en artikel 149, van de gemeentewet;</al><al>de artikelen 7,8 en 10, tweede lid, en 10a van de Wet Werk en Bijstand;</al><al>de Algemene wet bestuursrecht;</al><al>de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al><al>de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>Gelet op de EG-verordening nr. 800/2008 van 6 augustus 2008 en de
                        EG-verordening 1998/2006 van 15 december 2006 betreffende de toepassing van
                        de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de minimasteun;</al><al/><al>Overwegende dat met betrekking tot het ondersteunen bij arbeidsinschakeling
                        en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, regels
                        gesteld dienen te worden, welke in een verordening worden neergelegd;</al><al/><al>B e s l u i t:</al><al/><al>vast te stellen de: </al><al/><al><vet>Verordening Re-integratie WWB, IOAW en IOAZ 2011</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WWB,
                                IOAW en IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet Werk en Bijstand (Stb. 2003, 375, zoals die
                                        nadien wordt of is gewijzigd);</al></li><li nr="b."><al>de IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers(Stb. 2009, 596, zoals
                                        die nadien wordt of is gewijzigd);</al></li><li nr="c."><al>de IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Stb. 2009, 596,
                                        zoals die nadien wordt of is gewijzigd); </al></li><li nr="d."><al>ondersteuning: het geheel van activiteiten, al dan niet
                                        onderdeel uitmakend van een re-integratietraject, en
                                        opgenomen in een door de belanghebbende en de gemeente
                                        ondertekend trajectplan, dat bijdraagt aan inschakeling in
                                        de arbeid;</al></li><li nr="e."><al>duurzame uitstroom: gedurende een dusdanige periode
                                        verzekeringsplichtige reguliere arbeid verrichten waardoor
                                        wordt voldaan aan het gestelde in de artikelen 17, 17a, 17b
                                        en 17c van de Werkloosheidswet. Met reguliere arbeid wordt
                                        gelijkgesteld het verrichten van arbeid als zelfstandige in
                                        een rechtmatig gevestigd, levensvatbaar beroep of bedrijf,
                                        mits gedurende een periode van 3 jaar geen beroep wordt
                                        gedaan op een uitkering voor levensonderhoud ingevolge het
                                        Bijstandsbesluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004. Niet
                                        als duurzame uitstroom wordt beschouwd, het verrichten van
                                        gesubsidieerde arbeid;</al></li><li nr="f."><al>Re-integratietraject: een met belanghebbende overeengekomen,
                                        dan wel door het college aan hem opgelegd geheel van
                                        activiteiten of voorzieningen gericht op het verkrijgen van
                                        betaalde arbeid;</al></li><li nr="g."><al>Participatieplaats: tijdelijke, onbeloonde en additionele
                                        werkzaamheden die met behoud van uitkering kunnen worden
                                        verricht door belanghebbenden, zijnde
                                        uitkeringsgerechtigden, die vooralsnog niet bemiddelbaar
                                        zijn op de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="h."><al>College: het College van Burgemeester en wethouders; </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht aan het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college van Burgemeester en wethouders biedt ondersteuning
                                    aan belanghebbendenbij het vinden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid, of als dat doel niet bereikbaar is bij zelfstandige
                                    maatschappelijke participatie.</al></li><li nr="2."><al>Het toekennen van de ondersteuning geschiedt met inachtneming
                                    van de bepalingen van deze verordening.</al></li><li nr="3."><al>Het college bevordert dat met betrekking tot het aanbieden van
                                    ondersteuning, er sprake is van een gelijke aandacht voor de
                                    verschillende belanghebbenden alsmede een evenwichtige verdeling
                                    binnen de te onderscheiden doelgroepen (art. 8 lid 2 WWB en art.
                                    35 IOAW/IOAZ).</al></li><li nr="4."><al>Geen recht op ondersteuning bestaat indien sprake is van een
                                    voorliggende voorziening welke naar mening van het college in
                                    voldoende mate bijdraagt aan de re-integratie van de
                                    belanghebbende. </al></li><li nr="5."><al>Bij een netto inkomen tot 115 % van de toepasselijke
                                    bijstandsnorm is de belanghebbende géén bijdrage verschuldigd in
                                    de kosten van ondersteuning; </al><al>Bij een netto inkomen van 115% tot 130% van de toepasselijke
                                    bijstandsnorm is de belanghebbende een bijdrage verschuldigd van
                                    50% van de kosten van ondersteuning;</al><al>Bij een netto inkomen dat uit gaat boven 130% van de
                                    toepasselijke bijstandsnorm komen de kosten van ondersteuning
                                    volledig voor rekening van belanghebbende.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>DE VORM VAN DE ONDERSTEUNING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Ondersteuning en voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ondersteuning is afgestemd op de mogelijkheden van
                                    belanghebbende en kan bestaan uit verschillende vormen die tot
                                    inschakeling in de arbeid leiden indien algemeen geaccepteerde
                                    arbeid niet voorhanden is en sollicitaties tot onvoldoende
                                    resultaat hebben geleid.</al></li><li nr="2."><al>De ondersteuning dient bij te dragen tot een spoedige terugkeer
                                    naar de reguliere arbeidsmarkt en kan onder meer bestaan uit de
                                    volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanbieden van scholing welke gericht dient te zijn
                                            op het behalen van een startkwalificatie arbeidsmarkt
                                            en/of gericht dient te zijn op uitstroom naar de
                                            reguliere arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al>het aanbieden van de mogelijkheid tot werken met behoud
                                            van uitkering door middel van stageplaatsen of
                                            leerwerkplaatsen voor een periode van maximaal 3
                                            maanden, welke éénmalig met maximaal 3 maanden kan
                                            worden verlengd. Alvorens tot verlenging overgegaan kan
                                            worden dient op basis van een evaluatie de noodzaak
                                            hiervan vastgesteld te zijn; </al></li><li nr="c."><al>het aanbieden van een gesubsidieerde arbeidsplaats,
                                            waarbij de te verstrekken loonkostensubsidie maximaal
                                            voor 6 maanden wordt toegekend; met de mogelijkheid van
                                            een éénmalige verlenging van maximaal 6 maanden.
                                            Alvorens tot verlenging overgegaan kan worden dient op
                                            basis van een evaluatie de noodzaak hiervan vastgesteld
                                            te zijn. De hoogte van de loonkostensubsidie bedraagt
                                            100% van de bruto loonkosten. De subsidie kan echter
                                            nooit meer bedragen dan de hoogte van de van toepassing
                                            zijnde gemeentelijke uitkeringsnorm als bedoeld in
                                            artikel 20 en 21 van de WWB, en artikel 5
                                            IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="d."><al>het aanbieden van sociale activering;</al></li><li nr="e."><al>het aanbieden van overige vergoedingen die kunnen
                                            bijdragen aan de arbeidsinschakeling dan wel aan een
                                            terugkeer naar de reguliere arbeidsmarkt en die niet
                                            door de werkgever worden vergoed (waaronder kinderopvang
                                            en reiskosten);</al></li><li nr="f."><al>het bieden van nazorg: activiteiten die er op gericht
                                            zijn uitstroom te continueren ten einde hier een
                                            duurzaam karakter aan te geven;</al></li><li nr="g."><al>het aanbieden van activiteiten in het kader van
                                            schuldhulpverlening indien de schulden een belemmering
                                            vormen voor de arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="h."><al>het aanbieden van een detacheringsbaan gedurende een
                                            periode van maximaal 6 maanden, als onderdeel van een
                                            traject gericht op inschakeling met als doelstelling het
                                            opdoen van vaardigheden die nodig zijn om betaalde
                                            arbeid te verrichten. De periode van 6 maanden kan
                                            éénmalig met maximaal 6 maanden verlengd worden.
                                            Alvorens tot verlenging overgegaan kan worden dient op
                                            basis van een evaluatie de noodzaak hiervan vastgesteld
                                            te zijn; </al></li><li nr="i."><al>het toepassen van de vrijlatingsbepaling als bedoeld in
                                            artikel 31 tweede lid onder n van de WWB voor zover de
                                            aanvaarding van deeltijdarbeid naar het oordeel van het
                                            college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Participatieplaats, Premie, Scholing:</al><lijst><li nr="a."><al>Het college kan, ter uitvoering van artikel 7 eerste lid
                                            onderdeel a van de WWB en artikel 38a IOAW en IOAZ aan
                                            een belanghebbende, zijnde een uitkeringsgerechtigde,
                                            die vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt
                                            een Participatieplaats aanbieden gedurende maximaal twee
                                            jaar.</al></li><li nr="b."><al>Het college verstrekt aan belanghebbende, zijnde
                                            uitkeringsgerechtigde, die onbeloonde additionele
                                            werkzaamheden verricht, conform artikel 10a, zesde lid
                                            van de WWB en conform artikel 38a IOAW en IOAZ, een
                                            premie van telkens € 300,-- per half jaar. Deze premie
                                            kan gedurende een periode van maximaal 2 jaar verstrekt
                                            worden.</al></li><li nr="c."><al>Het recht op deze premie wordt elke 6 maanden
                                            beoordeeld.</al></li><li nr="d."><al>De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling
                                            blijkt dat de belanghebbende de aan de onbeloonde
                                            additionele werkzaamheden verbonden verplichtingen in de
                                            voorafgaande 6 maanden heeft geschonden.</al></li><li nr="e."><al>Onverminderd het gestelde in sub b van dit lid komen ook
                                            personen als bedoeld in artikel 7, derde lid van de WWB
                                            voor een premie in aanmerking indien zij aan alle
                                            voorwaarden voldoen.</al></li><li nr="f."><al>Voor zover de belanghebbende niet beschikt over een
                                            startkwalificatie wordt binnen 6 maanden na aanvang van
                                            de onbeloonde additionele werkzaamheden door het college
                                            bekeken in hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen
                                            aan vergroting van de kans op inschakeling in het
                                            arbeidsproces. Het college betrekt bij deze
                                            beoordeling:</al><lijst><li nr="·"><al>het oordeel van degene in wiens opdracht de
                                                  belanghebbende de additionele werkzaamheden
                                                  uitvoert</al></li><li nr="·"><al>de scholingswens van de belanghebbende.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="4."><al>Premie duurzame uitstroom </al><al>Het college kan aan belanghebbende die gedurende een periode van
                                    3 jaar een bijstandsuitkering heeft ontvangen éénmalig een
                                    premie verstrekken indien er sprake is van duurzame uitstroom.
                                    De hoogte van de premie is gelijk aan 50% van het in artikel 31
                                    lid 2 onder j van de WWB genoemde bedrag en artikel 8 lid 2
                                    IOAW/IOAZ.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>VERPLICHTINGEN AAN HET RECHT OP ONDERSTEUNING.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belanghebbende doet op verzoek van het college of onverwijld uit
                                eigen beweging,mededeling, van alle feiten en omstandigheden waarvan
                                hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed zijn op
                                het recht op ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het recht op ondersteuning naar mening van het college
                                bestaat, verbindt het college hier, op belanghebbende nader
                                afgestemde, verplichtingen aan. Deze verplichtingen worden in een
                                beschikking dan wel trajectplan opgenomen. Indien het college van
                                oordeel is dat een gesubsidieerde arbeidsplaats bijdraagt aan de
                                inschakeling in de arbeid, kan aan de toe te kennen
                                loonkostensubsidie de verplichting verbonden worden dat de werkgever
                                belanghebbende in vaste dienst neemt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>TERUGVORDERING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien blijkt dat de belanghebbende, zijnde een
                                niet-uitkeringsgerechtigde (Nug), de ondersteuning onderscheidenlijk
                                het re-integratietraject tussentijds verwijtbaar beëindigd, kunnen
                                de kosten geheel of gedeeltelijk van hem worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover de ondersteuning aan de belanghebbende, zijnde een niet-
                                uitkeringsgerechtigde (Nug), is aangeboden, op grond van door hem of
                                zijn echtgenoot/partner verstrekte onjuiste of onvolledige
                                inlichtingen, worden de kosten van ondersteuning van hem en zijn
                                echtgenoot teruggevorderd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4a</nr><titel>Regelingen in verband met de wijzigingen in de WWB en intrekking van
                            de WIJ per 1 januari 2012</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5a</nr><titel>Wijziging betekenis begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’,
                                ‘alleenstaande ouder’ en ‘gezin’ worden gebruikt, hebben deze vanaf
                                1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Waar in deze verordening wordt gesproken van ‘gehuwde(n)’ of
                                ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde
                                betekenis als ‘gezin’, bedoeld in artikel 4, respectievelijk
                                ‘gezinsnorm’, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5b</nr><titel>Afwijkende bepalingen voor jongeren</titel></kop><al>In afwijking van hetgeen in deze verordening is bepaald, kunnen de
                            volgende voorzieningen bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van
                            de wet niet worden ingezet voor de arbeidsinschakeling van
                            belanghebbenden jonger dan 27 jaar: </al><al>a. onbeloonde additionele arbeid als bedoeld in artikel 10a van de wet; </al><al>b. de voorzieningen bedoeld in artikel 31, vijfde lid van de wet. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al>Ten behoeve van belanghebbenden die op de datum van inwerkingtreding van
                            de Wet werk en bijstand, 1 januari 2004, werkzaam zijn op een
                            gesubsidieerde arbeidsplaats op grond van de Wet inschakeling
                            werkzoekenden(Wiw) dan wel het Besluit In- en Doorstroombanen (ID-banen)
                            wordt deze gesubsidieerde arbeidsplaats op grond van voornoemde
                            regelgeving gecontinueerd en de aan de werkgever verleende subsidie
                            gehandhaafd op het niveau van 2003. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                                overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De verordening Re-integratie Wet werk en bijstand 2010, zoals
                            vastgesteld bij besluit van 28 september 2010 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 december 2011. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening Re-integratie
                            WWB, IOAW en IOAZ 2011</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Grave in zijn openbare
                        vergadering van 15 november 2011. </ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>Algemene Toelichting</vet></al><al>Met de re-integratieverordening geeft de gemeenteraad inhoudelijk invulling aan
                    het uitgangspunt “werk boven uitkering”. De verordening regelt de aanspraak op
                    het aanbod van voorzieningen dat er op gericht is te komen tot inschakeling in
                    de arbeid. Uiteindelijk doel is duurzame uitstroom naar reguliere arbeid.</al><al>De re-integratieverordening geeft de kaders aan waarbinnen het
                    re-integratiebeleid van de gemeente vorm wordt gegeven. Gekozen is voor een
                    zogenaamde kaderstellende verordening waarbij het re-integratiebeleid bepaald
                    wordt, de aanspraak op de ondersteuning, de inzet van de voorzieningen en de
                    rechten en plichten van belanghebbende. </al><al>Geen enkele doelgroep wordt bij voorbaat uitgesloten van de
                    re-integratievoorzieningen. Het college bepaalt welke vorm van ondersteuning het
                    meest recht doet aan de mogelijkheden van belanghebbende ten einde inschakeling
                    in de arbeid binnen een redelijke termijn mogelijk te maken. De verschillende
                    vormen van ondersteuning maken deel uit van het re-integratietraject dat met
                    belanghebbende wordt afgesloten. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><al><vet>Begripsomschrijving</vet></al><al>In deze verordening is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de gebruikte
                    begrippen in de WWB, de IOAW, de IOAZ, de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
                    werk en inkomen(Suwi) en de Algemene wet bestuursrecht(Awb)</al><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al><vet>Opdracht aan het college van burgemeester en wethouders</vet></al><al>De feitelijke opdracht aan het college om ondersteuning te bieden vindt zijn
                    grondslag in artikel 7 Wet werk en bijstand (WWB) en artikel 34 van de
                    IOAW/IOAZ. Het college draagt zorg voor een evenwichtige aandacht voor alle
                    belanghebbenden. Dit uitgangspunt is neergelegd in artikel 8 lid 2 van de WWB en
                    artikel 35 IOAW/IOAZ. Er bestaat geen recht op ondersteuning indien er sprake is
                    van een voorliggende voorziening die in voldoende mate kan bijdragen aan de
                    inschakeling in de arbeidsmarkt.</al><al>Onder kosten wordt alleen verstaan de feitelijke kosten van ondersteuning.</al><al>In lid 5 wordt aangegeven dat bij een hoger inkomen een bijdrage in de kosten
                    van de re-integratie gevraagd kan worden. Deze bepaling is van belang voor
                    belanghebbenden die geen uitkeringsgerechtigde zijn (de zogeheten “Nuggers”).
                    Bij een inkomen boven 130% van de toepasselijke bijstandsnorm dient men zelf de
                    kosten van de re-integratie te dragen. </al><al/><al><vet>Artikel 3</vet></al><al><vet>Ondersteuning en voorzieningen</vet></al><al>Dit artikel geeft het kader aan waarlangs de arbeidsinschakeling vorm kan worden
                    gegeven. Uitgangspunt hierbij is dat belanghebbende, waarvan de aanspraak op een
                    voorziening geëffectueerd wordt, allereerst gedurende een bepaalde periode op
                    eigen kracht probeert terug te keren naar de reguliere arbeidsmarkt. </al><al>Het aanbieden van gesubsidieerde arbeid kan zowel in de profit als
                    non-profitsector aan de orde zijn. Belanghebbende komt in dienst van het bedrijf
                    of de instelling waar de gesubsidieerde arbeidsplaats wordt gerealiseerd.</al><al>Een gesubsidieerde arbeidsplaats dient een vooropgezet tijdelijk karakter te
                    hebben. Doelstelling is om de belanghebbende gedurende een beperkte periode
                    werkervaring op te laten doen waarna doorstroom naar de reguliere arbeidsmarkt
                    dient plaats te vinden. </al><al>Het aanbieden van een gesubsidieerde arbeidsplaats, geschiedt in eerste
                    instantie voor een periode van maximaal 6 maanden. </al><al>Indien uit een evaluatie blijkt dat verlenging noodzakelijk is, kan deze termijn
                    eenmalig met een periode van 6 maanden worden verlengd. Voor de verlenging is de
                    evaluatie dus een noodzakelijke voorwaarde. </al><al>De gesubsidieerde arbeidsplaats, kan gerealiseerd worden door middel van een
                    aanstelling dan wel het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd
                    bij een reguliere werkgever, bij een Re-integratiebedrijf dan wel bij de
                    gemeente. Indien de aanstelling dan wel de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd
                    vervalt de loonkostensubsidie met ingang van de datum van beëindiging van de
                    aanstelling onderscheidenlijk de arbeidsovereenkomst. Indien de aanstelling of
                    arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden dan wel via een juridische
                    procedure wordt ontbonden<vet>, </vet>kan de loonkostensubsidie geheel of
                    gedeeltelijk worden teruggevorderd. </al><al>De hoogte van de loonkostensubsidie bedraagt 100% van de bruto loonkosten. </al><al/><al><vet>Artikel 3 lid 3</vet></al><al><vet>Participatieplaats, Premie en Scholing</vet></al><al>Tengevolge van de invoering van de Wet stimulering arbeidsparticipatie (STAP)
                    per 1 januari 2009 wordt aan het bestaande re-integratie-instrumentarium de
                    zogeheten Participatieplaats toegevoegd. Participatieplaatsen zijn tijdelijke,
                    onbeloonde en additionele werkzaamheden die met behoud van uitkering kunnen
                    worden verricht door uitkeringsgerechtigden die vooralsnog niet bemiddelbaar
                    zijn op de arbeidsmarkt.</al><al>Hierbij moet sprake zijn van re-integratie. De toenadering tot de arbeidsmarkt
                    staat voorop; de uitkeringsgerechtigde moet baat hebben bij het opdoen van
                    werkervaring of tijd nodig hebben om te wennen aan werkgerelateerde aspecten,
                    zoals regelmaat.</al><al>Voorts moet het gaan om een additionele functie. Dat wil zeggen een speciaal
                    gecreëerde functie of een al bestaande functie die een uitkeringsgerechtigde
                    alleen met speciale begeleiding kan verrichten. </al><al>Een participatieplaats kan maximaal 2 jaar worden aangeboden. Omdat het niet de
                    bedoeling is dat uitkeringsgerechtigden onnodig lang op een dergelijke plaats
                    zitten, en zo snel als mogelijk op een ander traject of regulier werk ingezet
                    moeten kunnen worden, wordt in deze verordening geen gebruik gemaakt van de
                    mogelijkheid voor een verdere verlenging dan de vermelde twee jaar.</al><al>Omdat het belangrijk is dat de uitkeringsgerechtigde er financieel op vooruit
                    gaat als een langer durende inspanning wordt gevraagd is, in artikel 10a van de
                    WWB en artikel 38a van de IOAW en IOAZ, geregeld dat men na 6 maanden op een
                    participatieplaats en vervolgens iedere 6 maanden recht heeft op een premie. </al><al>Artikel 8 van de WWB en artikel 35 IOAW/IOAZ verlangt van de Raad dat zij regels
                    stelt met betrekking tot de hoogte van deze premie, alsmede de eventuele inzet
                    van scholing of opleiding, indien er sprake is van een persoon die algemene
                    bijstand ontvangt en die in het kader van een door het college aangeboden
                    voorziening onbeloonde arbeid verricht. </al><al>Gekozen is voor een premie van € 300,-- per half jaar. Omdat de wetgever heeft
                    gesteld dat het bedrag van de premie in relatie tot de armoedeval bezien moet
                    worden, is duidelijk dat de premie niet te hoog mag worden. Voorts moet bedacht
                    worden dat de premie eens per half jaar verstrekt moet worden. Door een bedrag
                    van € 300,-- per half jaar aan te houden, loopt het totaal bedrag (uitgaande van
                    maximaal 2 jaar is dit € 1.200,--) niet teveel uit de pas met het bedrag van de
                    uitstroompremie.</al><al/><al><vet>Artikel 3 lid 4</vet></al><al><vet>Premie duurzame uitstroom</vet></al><al>Deze bepaling heeft betrekking op de mogelijkheid om bij duurzame uitstroom een
                    premie te verstrekken aan belanghebbenden. Er is voor gekozen om een eventuele
                    premie te koppelen aan de uitkeringsduur. Dit om te voorkomen dat
                    belanghebbenden die slechts een beperkte periode een bijstandsuitkering hebben
                    genoten ook hiervoor in aanmerking komen. Niet valt in te zien dat een
                    belanghebbende die na paar maanden uitkering een (nieuwe) baan vindt, hiervoor
                    extra “beloont” zou moeten worden. </al><al>De premie is bedoeld om diegenen te stimuleren die reeds langere tijd een
                    bijstandsuitkering genieten en waarbij dus sprake is van een grote tot zeer
                    grote afstand tot de arbeidsmarkt. Zij zullen over het algemeen een grotere
                    inspanning moeten leveren om weer op de arbeidsmarkt terug te keren.</al><al>Ook voor de categorie alleenstaande ouders met kinderen onder de 12 jaar geldt
                    dat zij extra inspanningen moeten leveren om reguliere arbeid te verkrijgen.
                    Vandaar dat ook deze groep in aanmerking kan komen voor de uitstroompremie. </al><al>De hoogte van de premie is bepaald op 50% van het in artikel 31 lid 2 sub j van
                    de WWB en artikel 8 lid 2 IOAW/IOAZ vermelde bedrag.</al><al/><al><vet>Artikel 4</vet></al><al><vet>Verplichtingen </vet></al><al>Alle rechten en plichten welke aan een re-integratietraject zijn verbonden
                    worden in een beschikking dan wel een trajectplan opgenomen. Op deze wijze is
                    voor alle partijen duidelijk welke afspraken zijn gemaakt en welke inspanningen
                    (zowel door de gemeente als door belanghebbende) worden verricht. </al><al/><al><vet>Artikel 5</vet></al><al><vet>Terugvordering</vet></al><al>Dit artikel regelt de terugvordering van kosten van de ondersteuning als een
                    traject verwijtbaar wordt beëindigd, dan wel de ondersteuning is aangeboden op
                    basis van onjuiste dan wel onvolledige inlichtingen van de zijde van
                    belanghebbenden. </al><al>De terugvordering van kosten van ondersteuning blijft beperkt tot
                    belanghebbenden, die geen uitkeringsgerechtigde zijn, dus de zogeheten Nuggers. </al><al>Indien sprake is van dergelijk verwijtbaar handelen van uitkeringsgerechtigden,
                    dient toepassing te worden gegeven aan de Verordening Afstemming Wet werk en
                    bijstand 2011 en de Verordening Afstemming IOAW en IOAZ 2011. Hierin zijn
                    sancties op de uitkering opgenomen, in geval men niet aan de verplichtingen
                    voldoet welke aan de uitkering zijn verbonden (o.a. de plicht om medewerking te
                    verlenen aan Re-integratie en aan door het college aangeboden ondersteuning). </al><al/><al><vet>Artikel 6</vet></al><al><vet>Overgangsbepalingen</vet></al><al>Dit artikel voorziet in een overgangsregeling voor personen die nog een
                    (gesubsidieerde) arbeidsplaats hebben op grond van de Wet Inschakeling
                    Werkzoekenden(Wiw) dan wel de In- en doorstroombanen(ID-banen). </al><al/><al><vet>Artikel 7</vet></al><al><vet>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</vet></al><al>Dit artikel behelst een hardheidsclausule en maakt het mogelijk om, indien de
                    toepassing van de verordening tot onbillijkheden leidt, af te wijken van hetgeen
                    in de verordening is vastgelegd. Voorts mandateert dit artikel de bevoegdheid
                    aan het college om een besluit te nemen in gevallen waarin deze verordening niet
                    voorziet. </al><al/><al><vet>Artikel 8</vet></al><al><vet>Intrekking oude regeling</vet></al><al>Dit artikel regelt dat de bij besluit van 28 september 2010 vastgestelde
                    Verordening Re-integratie Wet werk en bijstand 2010 wordt ingetrokken.</al><al/><al><vet>Toelichting i.v.m. samenvoeging WWB en WIJ</vet></al><al>ALGEMENE TOELICHTING </al><al> Achtergrond </al><al>Op 1 januari 2012 treedt de ‘Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en
                    samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op
                    bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen
                    verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden’ (kortweg: Wet Aanscherping WWB)
                    in werking. Uitgangspunten van deze wetswijziging zijn: • Grotere nadruk op
                    eigen verantwoordelijkheid burger in de voorziening in het bestaan; </al><al>• Versterking van het activerende karakter en de vangnetfunctie van de Wet werk
                    en bijstand (WWB); </al><al>• Aanscherping van de verplichtingen voor bijstandsgerechtigden; </al><al>• Beperking van de doelgroep voor het gemeentelijk minimabeleid. Deze
                    uitgangspunten leiden ertoe dat het wettelijk bijstandsregime substantieel van
                    inhoud verandert. Zo gaat voor jongeren een wettelijke zoektijd van vier weken
                    gelden en hebben zij, anders dan onder het regime van de Wet investeren in
                    jongeren (WIJ), geen recht meer op een werkleeraanbod, maar op begeleiding bij
                    de vormgeving van hun eigen verantwoordelijkheid op weg naar economische
                    zelfstandigheid. Een belangrijke wijziging in de regelgeving betreft voorts het
                    afschaffen van de bijstand voor inwonende meerderjarige kinderen en ouders en de
                    creatie van een toets op het huishoudinkomen. Voorts worden enkele nieuwe
                    verplichtingen in de WWB opgenomen en wordt de doelgroep voor het minimabeleid
                    beperkt tot de groep minima met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm. Het
                    verlenen van individuele bijzondere bijstand boven 110% blijft wel een
                    bevoegdheid van de gemeente. Daarnaast is een verordeningsplicht gecreëerd voor
                    de maatschappelijke participatie van kinderen. Consequenties voor gemeentelijk
                    beleid Mede vanwege intrekking van de WIJ per 1 januari 2012 hebben de genoemde
                    ontwikkelingen aanzienlijke consequenties voor het gemeentelijk beleid. Deze
                    consequenties kunnen als volgt worden gecategoriseerd: </al><al>• De WIJ-verordeningen vervallen per 1 januari 2012. Doordat de WIJ wordt
                    ingetrokken, vervallen de daarop gebaseerde verordeningen eveneens per 1 januari
                    2012 . Jongeren vallen door de wetswijziging voortaan onder het WWB-regime
                    (overgangssituaties daargelaten). Dit roept de vraag op of de huidige
                    WWB-verordeningen adequaat voorzien in het regeltechnisch kader voor jongeren,
                    of dat in die verordeningen nog aanpassingen nodig zijn. Dit is een vraag van
                    regeltechnische maar ook van beleidsinhoudelijke aard; </al><al> • Door herdefiniëring van de leefvormen die als afzonderlijk bijstandssubject
                    voor bijstand in aanmerking komen alsmede de totstandkoming van de huishoudtoets
                    wordt de kring van rechthebbenden kleiner, hebben meerderjarige kinderen en
                    ouders nog slechts gezamenlijk recht op bijstand en treffen misdragingen van
                    deze belanghebbenden het gezamenlijk inkomen. Dit heeft gevolgen voor het
                    gemeentelijk toeslagenbeleid, het afstemmingsbeleid en het minimabeleid en roept
                    de vraag op welke aanpassingen aan de verordeningen noodzakelijk en/of gewenst
                    zijn; </al><al>• De nieuwe verplichtingen voor bijstandsgerechtigden hebben gevolgen voor het
                    afstemmingsbeleid en het re-integratiebeleid en roepen evenzeer de vraag op
                    welke aanpassingen aan de verordeningen noodzakelijk en/of gewenst zijn; </al><al>• De normering van gemeentelijk minimabeleid tot maximaal 110% van de
                    bijstandsnorm kan gevolgen hebben voor de doelgroepomschrijving in de
                    verordening langdurigheidstoeslag De normering kan tevens consequenties hebben
                    voor andere delen van het minimabeleid. Waarom een Raadsbesluit met tijdelijke
                    regels? De wetswijziging leidt, zoals gezegd, tot de noodzaak om het
                    gemeentelijk beleid op tal van terreinen te heroverwegen. Gelet op de zeer korte
                    invoeringstermijn was het echter uitermate lastig om reeds voor 1 januari 2012
                    dit indringende heroverwegingsproces adequaat af te ronden én vorm te geven.
                    Daarbij komt dat de aanscherping van de WWB per 1 januari 2012 niet op zichzelf
                    staat maar een stap is in een proces dat in 2012 vermoedelijk tot nog een aantal
                    wijzigingen in de WWB zal leiden die nopen tot wijziging van het gemeentelijk
                    beleid. Gedacht moet ondermeer worden aan het wetsvoorstel ‘Toevoeging van de
                    eis tot beheersing van de Nederlandse taal aan de Wet werk en bijstand’ (w.o. 32
                    328’), de plannen van het kabinet betreffende “Aanpak fraude”
                    (Handhavingsprogramma 2011-2014) en uiteraard de Wet werken naar vermogen. Mede
                    gelet op de uitvoeringstechnische complicaties die kunnen optreden als op
                    beleidsmatig vlak keuzes worden gemaakt die tot aanpassingen in de
                    uitvoeringspraktijk leiden, is een keus om de overgang naar de nieuwe WWB per
                    2012 zoveel mogelijk ‘beleids- en uitvoeringsarm’ te laten plaatsvinden een
                    logische. Met ‘beleidsarm’ wordt bedoeld dat het huidige gemeentelijk beleid
                    zoveel mogelijk in stand wordt gelaten dan wel dat slechts het minimaal
                    noodzakelijke aan nieuw of gewijzigd beleid wordt vastgesteld. Een en ander in
                    afwachting van een diepgaander integrale heroverweging in 2012. Onder
                    ‘uitvoeringsarm‘ wordt verstaan dat daar waar noodzakelijke aanpassingen in het
                    beleid plaatsvinden, dit op de minst belastende wijze voor wat betreft de
                    uitvoering plaatsvindt. Bij deze uitgangspunten past dat thans niet alle
                    WWB-verordeningen separaat worden gewijzigd en in een bestuurlijk
                    wijzigingstraject worden geplaatst, maar dat slechts daar waar dat strikt
                    noodzakelijk is aanpassingen aan de verordeningen plaatsvinden die middels één
                    Raadsbesluit worden geëffectueerd. Met het thans voorliggende Raadsbesluit wordt
                    dat beoogd. Wat is de status van het tijdelijk Raadsbesluit? Het Raadsbesluit
                    heeft formeel gezien het karakter van een wijzigingsverordening, dwz. zij brengt
                    met haar vaststelling door de gemeenteraad een wijziging in de inhoud en
                    betekenis van een aantal verordeningen teweeg. Met de term ‘besluit’ wordt in
                    dit Raadsbesluit overigens niet gedoeld op het begrip ‘besluit’, bedoeld in
                    artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit Raadsbesluit bevat algemeen
                    verbindende voorschriften. Het Raadsbesluit is tijdelijk van aard, dwz. gericht
                    op het faciliteren van de met de genoemde wetswijziging minimaal noodzakelijke
                    aanpassingen in de gemeentelijke verordeningen. De intentie is erop gericht om
                    in 2012 het gemeentelijk bijstandsbeleid integraal te heroverwegen. De
                    verwachting is dat dit in mei 2012 zal leiden tot een inhoudelijke aanpassing
                    van de betreffende verordeningen. Bij de vormgeving van dit Raadsbesluit is
                    ernaar gestreefd om zoveel mogelijk recht te doen aan de Aanwijzingen voor de
                    decentrale regelgeving van de VNG. Gelijkstellingsbepaling In dit Raadsbesluit
                    wordt bij elke te wijzigen verordening een bepaling voorgesteld die regelt dat
                    de begrippen ‘alleenstaande’, ‘alleenstaande ouder’ en ‘gezin’ per 1 januari
                    2012 in die verordening dezelfde betekenis hebben als in de gewijzigde WWB. Uit
                    een oogpunt van duidelijkheid is dit opgenomen. Vervolgens is bepaald dat voor
                    ‘gehuwden’ en ‘gehuwdennorm’ moet worden gelezen en ‘gezin’ resp. ‘gezinsnorm’,
                    om daarmee te verduidelijken dat onder het nieuwe regime niet meer de gehuwden
                    maar het gezin de norm is waarmee gewerkt moet worden. Geen voorstel voor
                    aanpassing Verordening Handhaving WWB, WIJ, IOAW en IOAZ 2011 Hoewel het
                    denkbaar is dat door intrekking van de WIJ de Verordening Handhaving WWB, WIJ,
                    IOAW en IOAZ 2011 worden geraakt, is binnen het kader van dit Raadsbesluit voor
                    die verordening geen wijzigingsbesluiten genomen. Met betrekking tot de
                    handhaving van de WIJ geldt dat er geen afwijkende regeling gold ten opzichte
                    van de handhaving van de WWB. Omdat er slechts enkele algemeen verbindende
                    voorschriften voorkomen en deze inhoudelijk geen wijziging ondergaan als gevolg
                    van intrekking van de WIJ, is het evenzeer verantwoord om eerst in 2012 tot een
                    herziening van de verordening over te gaan. </al><al>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </al><al> Artikel I. De Verordening re-integratie WWB, IOAW en IOAZ 2011 Onderdelen A en
                    B De onderdelen A en B zijn reeds toegelicht in het algemene deel. Onderdeel C
                    In 2009 heeft de gemeenteraad de Verordening Werkleeraanbod Wet investeren in
                    jongeren vastgesteld. Daarmee is voldaan aan de wettelijke opdracht om, middels
                    een verordening, regels te stellen over de inhoud van het werkleeraanbod. Door
                    het intrekken van de WIJ zal daarmee van rechtswege tevens de Verordening
                    Werkleeraanbod Wet investeren in jongeren komen te vervallen. De Verordening
                    Werkleeraanbod Wet investeren in jongeren heeft een andere inhoud dan de
                    Verordening re-integratie WWB, IOAW en IOAZ 2011. Enerzijds is dit veroorzaakt
                    door het afdwingbare recht op ondersteuning middels een werkleeraanbod,
                    anderzijds door de beperking van het aantal ‘incentives’ dat gemeenten konden
                    verstrekken aan jongeren die gingen werken. Bij een beleidsarme overgang moet
                    minimaal worden geregeld dat voor jongeren niet tot het
                    re-integratie-instrumentarium behoren de volgende ‘incentives’:
                    inkomstenvrijlating, premies, vrijlating van onkostenvergoedingen voor
                    vrijwilligerswerk en plaatsing in participatieplaatsen. Dat is met artikel II
                    van dit Raadsbesluit beoogd. Verwezen is naar artikel 31, vijfde lid WWB. In dat
                    artikel wordt aangegeven welke middelen niet vrijgelaten worden bij de verlening
                    van algemene bijstand aan jongeren. Los van de ‘incentives’, zal het met
                    betrekking tot het specifiek voor jongeren opgestelde gemeentelijk
                    arbeidstoeleidingsbeleid meestal niet nodig zijn daarover iets in de Verordening
                    re-integratie WWB, IOAW en IOAZ 2011 op te nemen. Weliswaar komen de specifieke
                    bepalingen in de Verordening Werkleeraanbod Wet investeren in jongeren die
                    betrekking hebben op het gemeentelijk arbeidstoeleidingsbeleid voor jongeren te
                    vervallen en komt de wettelijke grondslag met betrekking tot het
                    arbeidsmarktbeleid voor jongeren evenzeer te vervallen, die bepalingen en dat
                    beleid zijn in beginsel begunstigend van aard en daardoor als interne
                    gedragslijn ook vanaf 1 januari 2012 hanteerbaar. Mocht echter de –juridisch
                    terechte- wens bestaan om een wettelijke grondslag voor dit beleid te creëren,
                    dan dienen de betreffende bepalingen of beleidsnota’s als grondslag de WWB te
                    krijgen. Daartoe hoeft de Verordening re-integratie WWB, IOAW en IOAZ 2011
                    echter niet te worden aangepast. Voldoende is, dat het betreffende beleid als
                    beleid op grondslag van de WWB wordt ‘omgenummerd’ en bepalingen uit de
                    Verordening Werkleeraanbod Wet investeren in jongeren in dit beleid worden
                    opgenomen. </al></bijlage></regeling></body></cvdr>