<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR13433_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Inspraakverordening gemeente Aa en Hunze 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Aa en Hunze</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-09-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Aa en Hunze</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Schakel, 21-04-2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening gemeente Aa en Hunze 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=150">Gemeentewet, art. 150 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-04-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-04-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-11-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2004/28-7</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Inspraakverordening gemeente Aa en Hunze 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente Aa en Hunze;</al><al>gelezen het voorstel van het college van de gemeente Aa en Hunze, d.d. 30
                        maart 2004, nummer 2004/28;</al><al>gelet op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=150%20">artikel 150 van de Gemeentewet</extref>;</al><al>besluit:</al><lijst><li nr="a."><al>in te trekken de:</al></li><li nr="“Verordening"><al>inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de
                                voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken
                                (Inspraakverordening) (1998).”</al></li><li nr="b."><al>vast te stellen de volgende verordening: “Inspraakverordening
                                gemeente Aa en Hunze 2004.”</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>inspraak : het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de
                                voorbereiding van gemeentelijk beleid;</al></li><li nr="b."><al>inspraakprocedure : de wijze waarop de inspraak gestalte wordt
                                gegeven;</al></li><li nr="c."><al>beleidsvoornemen : het voornemen van het bestuursorgaan tot het
                                vaststellen of wijzigen van beleid.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden
                                of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk
                                beleid.</al></li><li nr="2."><al>Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.</al></li><li nr="3."><al>Geen inspraak wordt verleend: </al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                        vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li><li nr="b."><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                        uitgesloten;</al></li><li nr="c."><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving
                                        waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks
                                        beleidsvrijheid heeft;</al></li><li nr="d."><al>inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke
                                        dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van
                                        de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20">Gemeentewet</extref>;</al></li><li nr="e."><al>indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate
                                        spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;</al></li><li nr="f."><al>indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang
                                        van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare
                                        groepen in de samenleving. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</titel></kop><al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Inspraakprocedure</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20">Algemene wet bestuursrecht</extref> van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere
                                inspraakprocedure vaststellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Eindverslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een
                                eindverslag op.</al></li><li nr="2."><al>Het eindverslag bevat in elk geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al></li><li nr="b."><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak
                                        mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al></li><li nr="c."><al>een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed
                                        wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing
                                        van het beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                                openbaar.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn
                                    burgerjaarverslag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Intrekking en inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening “Inspraakverordening 1998” wordt ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op d.d. 20 april 2004, zijnde de
                                dag na de bekendmaking, met inachtneming van het bepaalde in artikel
                                25 lid 1 Tijdelijke referendumwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Inspraakverordening gemeente Aa en
                        Hunze 2004”.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad der gemeente Aa en
                        Hunze, gehouden op</ondertekening><ondertekening>14 april 2004.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>T. Santes. Drs. R.W. Munniksma.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting inspraakverordening</vet></al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 150 van de Gemeentewet</vet></al><al>Sinds 1 januari 1994 is in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=150%20">artikel 150 van de Gemeentewet</extref> aan de raad de verplichting
                    opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. De VNG heeft in 1993 daarvoor
                    een modelinspraakverordening opgesteld. Vele gemeenten hebben dit model
                    overgenomen. In 2003 heeft de VNG deze verordening grondig herzien. De
                    inspraakverordening is aangepast aan diverse wetswijzigingen op nationaal
                    niveau, bijvoorbeeld aan het klachtrecht dat inmiddels in hoofdstuk 9 van de
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> is opgenomen, de dualisering van het gemeentebestuur (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20dualisering%20gemeentebestuur">Wet dualisering gemeentebestuur</extref>) en de inspraakverplichtingen in
                    verschillende bijzondere wetten (zoals artikel 118 van de Algemene bijstandswet
                    en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20stedelijke%20vernieuwing">artikel 7a van de Wet stedelijke vernieuwing</extref>). Tevens is het model
                    aangepast aan de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving (Adr).</al><al><vet>Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb</vet></al><al>Met deze herziening is tevens beoogd de inspraakverordening aan te passen aan de
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20uniforme%20openbare%20voorbereidingsprocedure%20Awb%20">Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb</extref> (Stb. 2002, 54).
                    In deze wet wordt afdeling 3.4 van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> grondig herzien en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=150%20">artikel 150 van de Gemeentewet</extref> gewijzigd. Te verwachten is dat de
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20uniforme%20openbare%20voorbereidingsprocedure%20Awb%20">Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb</extref> omstreeks 1 juli
                    2004 in werking zal treden, tegelijk met de nog in procedure zijnde
                    Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure.</al><al><vet>Afdeling 3.4 Awb (oud/nieuw)</vet></al><al>Afdeling 3.4 <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> bevat een procedure voor de voorbereiding van besluiten. Deze
                    afdeling heeft als doelstelling het bevorderen van eenheid in de wetgeving en
                    het systematiseren en vereenvoudigen van wetgeving. Bij het inwerkingtreden van
                    de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> in 1994 bestond naast deze afdeling nog een afdeling 3.5 die
                    een uitgebreidere voorbereidingsprocedure kende. Met de nieuwe <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20uniforme%20openbare%20voorbereidingsprocedure%20Awb%20">Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb</extref> is beoogd deze
                    twee procedures ineen te schuiven en tegelijkertijd te vereenvoudigen. Bij de
                    Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> wordt de nieuwe afdeling in verschillende bijzondere wetten
                    van toepassing verklaard. In de wet zelf is afdeling 3.4 (nieuw) van toepassing
                    verklaard op de inspraak bij provincies en gemeenten. De tekst van de nieuwe
                    afdeling 3.4 <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> alsmede de tekst van het nieuwe <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=150">artikel 150 Gemeentewet</extref> zijn als bijlage bij deze toelichting
                    gevoegd.</al><al>Uit de laatste zinsnede van het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=150%20">nieuwe tweede lid van artikel 150 van de Gemeentewet</extref> blijkt dat
                    afwijkingen van afdeling 3.4 <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> zijn toegestaan (zie ook de memorie van antwoord (MvA) Eerste
                    Kamer, 2000-2001, 27 023, nummer 177b, blz. 3). In de memorie van toelichting
                    (MvT) op de wet (TK 1999-2000, 27 023, nummer 3, blz. 31) is te lezen dat in de
                    inspraakverordening zowel geheel als gedeeltelijk kan worden afgeweken van
                    afdeling 3.4 <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref>. Dit laatste kan bijvoorbeeld geschieden in gevallen waarin
                    het wenselijk is om wel een ontwerp ter inzage te leggen, maar de inspraak
                    daarover op andere wijze te organiseren dan via het mondeling naar voren brengen
                    van zienswijzen of om te werken met andere termijnen, aldus de MvT.</al><al><vet>Inspraakprocedure/deregulering</vet></al><al>Aan inspraak kan op zeer uiteenlopende manieren worden vormgegeven. De VNG heeft
                    gekozen voor een sobere regeling mede met het oog op het door haar ondersteunde
                    dereguleringsstreven van opeenvolgende kabinetten. Door het van toepassing
                    verklaren van de procedureregeling van afdeling 3.4 van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> en het weghalen van overbodige bepalingen (zoals het
                    beklagrecht) en de onnodige paragraafindeling, is deze verordening nog verder
                    gedereguleerd. Nu resteert een bondige en goed leesbare verordening van slechts
                    acht artikelen. Bovendien maakt een globale raamregeling het mogelijk dat recht
                    wordt gedaan aan de behoefte van insprekers en gemeentebestuur mede in relatie
                    tot aard, schaal en reikwijdte van het beleidsvoornemen waarop inspraak
                    plaatsvindt. Een gedetailleerde en daardoor rigide wijze van regelgeving dient
                    niet de belangen van insprekers.</al><al><vet>Alternatieven voor inspraak</vet></al><al>Inspraak is onderdeel van het totale besluitvormingsproces, een naar tijd en
                    strekking begrensde fase daarin. Het moet onderscheiden worden van de andere
                    mogelijkheden die men heeft om zich tot het gemeentebestuur te wenden. Te denken
                    valt hierbij aan het spreekrecht bij raads- en commissie-vergaderingen (regeling
                    via het reglement van orde of een commissieverordening). Andere mogelijkheden
                    die buiten de inspraak vallen zijn: het schrijven van brieven, het bezoeken van
                    spreekuren, het houden van informatiebijeenkomsten, referenda enz. Inspraak is
                    uiteraard ook van een andere orde dan de mogelijkheid om de uitkomsten van de
                    beleidsvaststelling aan te vechten door middel van bezwaar en beroep.</al><al>Inspraak kan ook worden onderscheiden van interactieve beleidsvorming.
                    Interactieve beleidsvorming is een werkwijze, met name bedoeld voor complexe
                    beleidsprocessen waarbij meerdere actoren betrokken zijn, waarbij een
                    overheidsorganisatie in een zo vroeg mogelijk stadium burgers, maatschappelijke
                    organisaties, bedrijven of andere overheden bij het beleid betrekt om zo in een
                    open en evenwichtige wisselwerking of samenwerking met hen tot de voorbereiding,
                    bepaling, uitvoering of evaluatie van beleid te komen. Interactieve
                    beleidsvorming mobiliseert daarbij de kennis en steun van betrokkenen bij
                    beleidsproblemen waarvan de overheid op voorhand niet weet - of nog niet wil
                    bepalen - hoe deze opgelost zullen worden.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Inspraak:</al></li><li nr=""><al>Er zijn veel omschrijvingen van het begrip inspraak. Bij de in dit
                            artikel opgenomen formulering is aangesloten bij de tekst van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=150%20">artikel 150 van de Gemeentewet</extref>. Inspraak is een onderdeel
                            van de voorbereiding en uitvoering van het gemeentelijk beleid en heeft
                            een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan belanghebbenden de mogelijkheid
                            geboden om hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te maken.
                            Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk hulpmiddel
                            in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding noodzakelijke
                            belangenafweging. Inspraak is overeenkomstig <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=150%20">artikel 150 van de Gemeentewet</extref>' eenzijdig' gedefinieerd,
                            dat wil zeggen dat geen gedachtewisseling met het bestuursorgaan is
                            inbegrepen. Geadviseerd wordt echter het tweezijdige element van
                            gedachtewisseling zo mogelijk wel onder de inspraakprocedure te brengen,
                            omdat hiermee een derde doel kan worden gediend, te weten het creëren
                            van draagvlak voor beleidsvoornemens (zie ook de algemene toelichting,
                            onder Alternatieven voor inspraak, over interactieve
                            beleidsvorming).</al></li><li nr="b."><al>Inspraakprocedure:</al></li><li nr=""><al>De verantwoordelijkheid voor het maken van een regeling over inspraak
                            ligt ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij de raad. Zoals in de
                            algemene toelichting is vermeld, is in de modelverordening afdeling 3.4
                            Awb van toepassing verklaard. Artikel 4, tweede lid, van het model geeft
                            het bestuursorgaan ruimte om een andere procedure te volgen. Het
                            bestuursorgaan is immers verantwoordelijk voor uitvoering, de nadere
                            regeling en organisatie van de inspraak.</al></li><li nr="c."><al>Beleidsvoornemen:</al></li><li nr=""><al>Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen van het
                            bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het zal
                            duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling van concrete
                            besluiten of maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze
                            kunnen worden gebaseerd.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</vet></al><al>In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen
                    bevoegdheden besluit of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van
                    gemeentelijk beleid. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=1%3A1">artikel 1:1, eerste lid, van de Awb</extref>. Het omvat in elk geval raad,
                    college en burgemeester. Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen
                    beleidsvoornemens aan inspraak onderwerpen. In de MvT (TK 1999-2000, 27 023,
                    nummer 3, blz. 20) is vermeld dat het ter volledige beoordeling van de
                    gemeenteraad blijft ten aanzien van welke beleidsvoornemens inspraak wordt
                    verleend. Omdat het in bepaalde gevallen doelmatiger zal kunnen zijn als
                    inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld spreekrecht bij
                    raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste lid de
                    mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze van
                    inspraak wordt geregeld. Het besluit om al dan niet inspraak te verlenen is een
                    besluit in de zin van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref>. Hiertegen kan dus bezwaar worden gemaakt.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien een
                    wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Hieronder is opgesomd welke wettelijke
                    verplichtingen gelden. Er is van afgezien om dit op te nemen in de tekst van
                    artikel 2 zelf, omdat in de eerste plaats bij een nieuwe wettelijke verplichting
                    direct de verordening moet worden aangepast en in de tweede plaats het een
                    dermate uitgebreide opsomming is dat de verordening hiermee onoverzichtelijk
                    wordt.</al><al>Wettelijke verplichtingen tot het bieden van inspraak bestaan thans bij:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan dan wel
                            bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de
                            Ruimtelijke Ordening (artikel 6a WRO);</al></li><li nr="b."><al>de voorbereiding van het beleid inzake stadsvernieuwing (artikel 8 Wet
                            op de stads- en dorpsvernieuwing);</al></li><li nr="c."><al>de voorbereiding van een ontwikkelingsprogramma stedelijke vernieuwing
                                (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20stedelijke%20vernieuwing">artikel 7a Wet stedelijke vernieuwing</extref>);</al></li><li nr="d."><al>de voorbereiding van het gemeentelijk milieubeleidsplan (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer%20/article=4.17">artikel 4.17, derde lid, Wet milieubeheer</extref> (WM));</al></li><li nr="e."><al>de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een
                            afvalstoffenverordening die afwijkt van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20milieubeheer/article=10.21">artikel 10.21 WM</extref> (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20milieubeheer/article=10.26">artikel 10.26, tweede lid, WM</extref>);</al></li><li nr="f."><al>het integraal gemeentelijk gehandicaptenbeleid (artikel 1a Wet
                            voorzieningen gehandicapten);</al></li><li nr="g."><al>de plannen en beleidsverslagen gericht op de realisatie en de vormgeving
                            van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de Algemene bijstandswet
                            (artikel 118), de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20gewezen%20zelfstandigen%20">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen</extref>(<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20gewezen%20zelfstandigen/article=42">artikel 42, eerste lid, onder d</extref>) en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers%20">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers</extref> (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers%20/article=42">artikel 42, eerste lid, onder d</extref>);</al></li><li nr="h."><al>de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing als
                            bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20/article=12">artikel 12, tweede lid, onder a en b, van de Woningwet</extref>
                                (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=12">artikel 12, vierde lid</extref>).</al></li></lijst><al>In het derde lid is opgenomen wanneer geen inspraak wordt verleend.</al><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><lijst><li nr="-"><al>Er zijn geen wettelijke beletselen om bij het in procedure brengen van
                            het ontwerpplan af te wijken van het voorontwerp dat aan inspraak
                            onderworpen is geweest. Dit neemt niet weg dat, indien de afwijkingen
                            ten opzichte van het voorontwerp naar aard en omvang zodanig zijn dat
                            een geheel ander plan is ontstaan, dit aanleiding kan zijn de inspraak
                            opnieuw een aanvang te laten nemen. In dit geval oordeelde de Afdeling
                            bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) dat terecht geen nieuwe
                            inspraak is opengesteld (ABRS 22 januari 2003, inzake nummer
                            200001851/1, LJN-nummer AF3164).</al></li><li nr="-"><al>Uitwerkingsplan ex artikel 11 WRO is een ruimtelijk plan waarop artikel
                            6a WRO ziet en is dus inspraakplichtig. De goedkeuring van een deel van
                            een uitwerkingsplan dat de bouw van woningen mogelijk maakt, is in
                            strijd met artikel 6a WRO en de inspraakverordening nu aan omwonenden
                            geen inspraak is verleend met betrekking tot dit plandeel (ABRS 2 maart
                            2000, GS, 151 (2001) 7133, 7).</al></li><li nr="-"><al>Het is niet in strijd met de inspraakverordening noch met artikel 6a WRO
                            noch met <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=2%3A4">artikel 2:4 Awb</extref> dat de raad eerst zelf de aanvaardbaarheid
                            van de voorgestane ruimtelijke ontwikkeling heeft onderzocht en in het
                            voorontwerp van het plan de voorkeur voor een bepaalde ontwikkeling
                            heeft laten blijken, alvorens in het kader van de inspraakprocedure de
                            bevolking daarover te raadplegen. De afdeling concludeert dat de
                            gevolgde inspraakprocedure correct is (ABRS 31 januari 2000, inzake
                            nummer E01.98.0409, LJN-nummer AA5106).</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</vet></al><al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst
                    van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=150%20">artikel 150 van de Gemeentewet</extref>. In de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20uniforme%20openbare%20voorbereidingsprocedure%20Awb%20">Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb</extref> zijn de woorden
                    'in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen' vervangen
                    door: belanghebbenden. Het begrip 'belanghebbende' is in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=1%3A2">artikel 1:2 Awb</extref> gedefinieerd en deze definitie heeft ook gelding
                    voor wetgeving buiten de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref>.</al><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>In dit geval is het projectdocument uitsluitend aan het wijkoverlegorgaan
                    voorgelegd. De kring van personen die ingevolge artikel 6a WRO moeten worden
                    betrokken bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen is ruimer. Conclusie is
                    dat de inspraak die niet overeenkomstig de inspraakverordening is verleend, in
                    strijd is met artikel 6a WRO (ABRS 14 augustus 2002, inzake nummer 200102132/1,
                    LJN-nummer AE6455).</al><al><vet>Artikel 4 Inspraakprocedure</vet></al><al>Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> van toepassing verklaard op de inspraak. In</al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A11">Artikel 3:11 tot en met 3:17</extref> (tot de inwerkingtreding van de Wet
                    uniforme openbare voorbereidingsprocedure <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref>:</al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A11">Artikel 3:11 tot en met 3:13</extref>) <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> is de inspraakprocedure te vinden. Na terinzagelegging en
                    bekendmaking van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken
                    (tot de inwerkingtreding van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20uniforme%20openbare%20voorbereidingsprocedure%20Awb">Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb</extref>: vier weken)
                    schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. In de meeste
                    gevallen zal deze procedure passend zijn voor de inspraak. Zo niet, dan kan op
                    grond van het tweede lid de inspraakprocedure worden aangepast. In te beelden is
                    dat bijvoorbeeld de genoemde zeswekentermijn door het bestuursorgaan te lang
                    wordt bevonden. Deze termijn zou in de verordening kunnen worden aangepast of
                    bij besluit van het bestuursorgaan op grond van het tweede lid. In dit kader
                    wordt voor twee punten aandacht gevraagd.</al><lijst><li nr="1."><al>Een inspraakprocedure kan ook het houden van een facultatief referendum
                            omvatten (uitvoering van de wijze waarop men zijn zienswijze naar voren
                            kan brengen). Dit middel zal echter, gezien de daaraan verbonden kosten,
                            op beperkte schaal worden toegepast.</al></li><li nr="2."><al>Het is uiteraard mogelijk een (of meer) standaardprocedure(s) te
                            ontwikkelen die wanneer nodig kan (kunnen) worden ingezet. Zo zou voor
                            artikel 19 WRO-procedures een aparte procedure kunnen worden ontwikkeld
                            met bijvoorbeeld een standaardtermijn van twee in plaats van zes
                                weken.</al></li></lijst><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Bij de behandeling van het beroep tegen de goedkeuring van een bestemmingsplan
                    wordt door de afdeling niet ingegaan op het bezwaar van appellant tegen de
                    beperking van de spreektijd tijdens de inspraakavond. Appellant had hiertegen
                    een klacht kunnen indienen en heeft dit niet gedaan, aldus de afdeling (ABRS 10
                    juli 2002, inzake nummer 200103950/1, LJN-nummer AE5107).</al><al><vet>Artikel 5 Eindverslag</vet></al><al>In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref>. In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A17">Artikel 3:17</extref> (tot de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure:</al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A13">Artikel 3:13, vijfde lid) Awb</extref> wordt namelijk slechts bepaald dat
                    een verslag wordt gemaakt van hetgeen tijdens de inspraakprocedure mondeling
                    naar voren is gebracht.</al><al>Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de gevolgde
                    inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">afdeling 3.4 Awb</extref> onverkort toegepast? Wanneer is het
                    beleidsvoornemen ter inzage gelegd enz.?</al><al>Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te
                    bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De
                    schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In de MvT
                    bij de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> wordt opgemerkt dat in het verslag kan worden volstaan met een
                    korte zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding
                    van de personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht.</al><al>Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het
                    bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan.</al><al>In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de
                    gebruikelijke wijze openbaar maakt. Benadrukt wordt dat de bekendmaking van de
                    resultaten van de inspraak uitermate belangrijk is. Het ligt voor de hand om
                    degenen die hebben ingesproken een exemplaar van het eindverslag te sturen.
                    Daarnaast kan het eindverslag algemeen worden gepubliceerd in de krant en op de
                    gemeentelijke website. Als het aantal insprekers omvangrijk is, kan worden
                    gekozen voor het volstaan met een algemene bekendmaking. Het is aan te bevelen
                    om tijdens de inspraakavond al duidelijkheid omtrent de communicatie te
                    verschaffen.</al><al>In het vierde lid wordt de burgemeester verplicht om het eindverslag te
                    vermelden in zijn burgerjaarverslag overeenkomstig <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=170">artikel 170, tweede lid, aanhef en onder b, van de
                        Gemeentewet</extref>.</al><al><vet>Artikel 6 Intrekking en inwerkingtreding</vet></al><al>Met deze bepaling wordt de bestaande inspraakverordening ingetrokken. De datum
                    waarop de oude verordening vervalt, is de datum waarop de verordening in werking
                    treedt (zie artikel 7).</al><al>Deze verordening treedt een dag na bekendmaking in werking. Tot 1 januari 2002
                    traden alle verordeningen in werking op de achtste dag na bekendmaking, tenzij
                    een ander tijdstip daarvoor was aangewezen (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=142">artikel 142 Gemeentewet</extref>). Hierin is verandering gekomen door de
                    inwerkingtreding van de Tijdelijke referendumwet (Trw) op 1 januari 2002. Deze
                    wet maakt referenda mogelijk over onder andere de vaststelling, wijziging en
                    intrekking van verordeningen. Wel zijn enkele verordeningen uitgezonderd, die
                    hier niet van belang zijn. De vaststelling, wijziging of intrekking van een
                    inspraakverordening is een van de besluiten waarover een referendum kan worden
                    gehouden.</al><al>Indien een referendum wordt gehouden dat leidt tot een raadgevende uitspraak tot
                    afwijzing, moet de raad na het referendum de beslissing tot vaststelling of
                    wijziging van de inspraakverordening heroverwegen. Ook als de raad na
                    heroverweging alsnog besluit tot inwerkingtreding (in plaats van intrekking) van
                    de inspraakverordening, zal de raad opnieuw in een tijdstip van inwerkingtreding
                    moeten voorzien.</al><al>Op grond van de Trw bepaalt de raad (dus niet het college) het tijdstip van
                    inwerkingtreding. Het college is op grond van de Trw gehouden tot het
                    bekendmaken van de verordening en de mededeling dat tot drie weken na
                    bekendmaking van de verordening een verzoek tot het houden van een referendum
                    over de inspraakverordening kan worden ingediend. Op grond van de Trw is de
                    gemeente verplicht om een referendum te organiseren over een verordening indien
                    voldoende kiesgerechtigden een verzoek tot het houden van een referendum
                    indienen (zie voor meer informatie over de Trw de circulaires van het ministerie
                    van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (CW2001/82554 en CW2001/82050) en
                    de ledenbrieven van de VNG over dit onderwerp (Lbr. 01/158 en Lbr. 01/217). Of
                    de website www.referendumwet.nl).</al><al>In artikel 6 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt
                    ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude regeling vervalt, is
                    de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt. De Trw ziet dit niet
                    anders. Weliswaar kan over een besluit tot intrekking van een verordening een
                    referendum worden aangevraagd, echter in dit model maakt het besluit tot
                    intrekking deel uit van de verordening tot vaststelling of wijziging van de
                    bestaande inspraakverordening en is alleen het besluit tot vaststelling van de
                    verordening referendabel.</al><al><vet>Artikel 7 Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening gemeente Aa en Hunze
                        2004.</al></nota-toelichting><bijlage><al><vet>Bijlage met wetteksten Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb
                        (Stb. 2002, 54)</vet></al><al><vet>A. De tekst van het nieuwe artikel 150 Gemeentewet luidt als volgt: Artikel
                        150</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt een verordening vast waarin regels worden gesteld met
                            betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de
                            voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde inspraak wordt verleend door toepassing
                            van afdeling 3.4 van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>, voorzover in de verordening
                            niet anders is bepaald.</al></li></lijst><al><vet>B. De tekst van de nieuwe afdeling 3.4 Awb luidt als volgt: Afdeling 3.4
                        uniforme openbare voorbereidingsprocedure</vet></al><al><vet>Artikel 3:10</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze afdeling is van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien
                            dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is
                            bepaald.</al></li><li nr="2."><al>Afdeling 4.1.1 is mede van toepassing op andere besluiten dan
                            beschikkingen, indien deze op aanvraag worden genomen en voorbereid
                            overeenkomstig deze afdeling.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:11</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de
                            daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor
                            een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.</al></li><li nr="2."><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20openbaarheid%20van%20bestuur%20/article=10%20">Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur</extref> is van
                            overeenkomstige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken
                            niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.</al></li><li nr="3."><al>Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten verstrekt het bestuursorgaan
                            afschrift van de ter inzage gelegde stukken.</al></li><li nr="4."><al>De stukken liggen ter inzage gedurende de in</al></li><li nr="5."><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A16">Artikel 3:16, eerste lid</extref>, bedoelde termijn.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:12</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het bestuursorgaan in een of
                            meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte
                            wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van
                            de zakelijke inhoud.</al></li><li nr="2."><al>Indien het een besluit van een tot de centrale overheid behorend
                            bestuursorgaan betreft, wordt de kennisgeving in ieder geval in de
                            Staatscourant geplaatst, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is
                            bepaald.</al></li><li nr="3."><al>In de kennisgeving wordt vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen;</al></li><li nr="b."><al>wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren
                                    te brengen;</al></li><li nr="c."><al>op welke wijze dit kan geschieden;</al></li><li nr="d."><al>indien toepassing is gegeven aan</al></li><li nr="e."><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A18">Artikel 3:18, tweede lid</extref>: de termijn waarbinnen
                                    het besluit zal worden genomen.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 3:13</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht,
                            zendt het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp
                            toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.</al></li><li nr="3."><al>Artikel 3:12, derde lid, is van
                            overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:14</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan vult de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe
                            relevante stukken en gegevens.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3:11, tweede tot en met vierde
                                lid, is van toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:15</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of
                            mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.</al></li><li nr="2."><al>Bij wettelijk voorschrift of door het bestuursorgaan kan worden bepaald
                            dat ook aan anderen de gelegenheid moet worden geboden hun zienswijze
                            naar voren te brengen.</al></li><li nr="3."><al>Indien het een besluit op aanvraag betreft, stelt het bestuursorgaan de
                            aanvrager zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren
                            gebrachte zienswijzen.</al></li><li nr="4."><al>Indien het een besluit tot wijziging of intrekking van een besluit
                            betreft, stelt het bestuursorgaan degene tot wie het te wijzigen of in
                            te trekken besluit is gericht zo nodig in de gelegenheid te reageren op
                            de naar voren gebrachte zienswijzen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:16</vet></al><lijst><li nr="a."><al>De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen en het uitbrengen
                            van adviezen als bedoeld in afdeling 3.3, bedraagt zes weken, tenzij bij
                            wettelijk voorschrift een langere termijn is bepaald.</al></li><li nr="b."><al>De termijn vangt aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage
                            is gelegd.</al></li><li nr="c."><al>Op schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen zijn de artikelen 6:9
                            en 6:10 van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:17</vet></al><al>Van hetgeen overeenkomstig Artikel
                        3:15 mondeling naar voren is gebracht, wordt een verslag
                        gemaakt.</al><al><vet>Artikel 3:18</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien het een besluit op aanvraag betreft, neemt het bestuursorgaan het
                            besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van
                            de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft,
                            kan het bestuursorgaan, alvorens een ontwerp ter inzage te leggen,
                            binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de in het eerste lid
                            bedoelde termijn met een redelijke termijn verlengen. Voordat het
                            bestuursorgaan een besluit tot verlenging neemt, stelt het de aanvrager
                            in de gelegenheid zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid neemt het bestuursorgaan het besluit
                            uiterlijk twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerp, indien
                            het een besluit betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>inzake intrekking van een besluit;</al></li><li nr="b."><al>inzake wijziging van een besluit en de aanvraag is gedaan door
                                    een ander dan degene tot wie het te wijzigen besluit is
                                    gericht.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht doet het bestuursorgaan
                            daarvan zo spoedig mogelijk, nadat de termijn voor het naar voren
                            brengen van zienswijzen is verstreken, mededeling op de wijze, bedoeld
                            in <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-3-12">artikel 3:12, eerste en tweede lid</extref>. In afwijking van het
                            eerste of derde lid neemt het bestuursorgaan het besluit in dat geval
                            binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van
                            zienswijzen is verstreken.</al></li></lijst></bijlage></regeling></body></cvdr>