<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR13432_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Aa en Hunze</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Aa en Hunze</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Schakel 20-04-2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">geen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-04-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-05-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2005/31c</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Aa en Hunze</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van de gemeente Aa en
                        Hunze</al><al>gelet op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=147">artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet</extref> en op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">artikel 8 lid 1 onder c van de Wet werk en bijstand</extref>,</al><al>overwegende dat de gemeenteraad op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">artikel 8 lid 1 onder c van de Wet werk en bijstand</extref> een
                        bijstandsverordening dient vast te stellen;</al><al>besluit:</al><al>in te trekken: de verordening Toeslagenbeleid Wet werk en bijstand van 27
                        oktober 2004 van de gemeente Aa en Hunze</al><al>en</al><al>vast te stellen de: Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Werk%20en%20Bijstand">Wet Werk en Bijstand</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt voorts verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet : de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Werk%20en%20Bijstand">Wet Werk en Bijstand</extref></al></li><li nr="b."><al>zorgbehoeftige: degene die voor zijn dagelijkse
                                            verzorging is aangewezen op hulp van een ander;</al></li><li nr="c."><al>Netto minimumloon: het minimumloon per maand, genoemd in
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20minimumloon%20en%20minimumvakantiebijslag/article=8">artikel 8 eerste lid, onderdeel a, van de Wet
                                                minimumloon en minimumvakantiebijslag</extref>,
                                            verhoogd met aanspraak op vakantiebijslag waarop een
                                            werknemer op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20minimumloon%20en%20minimumvakantiebijslag/article=15">artikel 15 van die wet</extref> over dat
                                            minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na aftrek
                                            van de daarvan in te houden loonbelasting, premies
                                            volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en
                                            het werknemersaandeel in de ziekenfondspremie. De
                                            loonbelasting en premies volksverzekeringen worden
                                            berekend overeenkomstig de bepalingen in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=37">artikel 37, tweede lid, van de wet</extref>
                                            (WWB).</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Categorieën</titel></kop><al>Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend, geldt
                            een</al><al>categorieaanduiding. De volgende categorieën worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>gehuwde.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Reikwijdte verordening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                    belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In
                                    geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening
                                    alleen indien beiden 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar
                                    zijn.</al></li><li nr="2."><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten onverlet de toepassing
                                    van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=18">artikel 18 lid 1 van de wet</extref></al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel> HOOFDSTUK 2 CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE BIJSTANDSNORM</titel></kop><artikel><kop><titel> Artikel 4 Toeslagen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de
                                    alleenstaande of dealleenstaande ouder hogere algemeen
                                    noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de
                                    bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel
                                    kunnen delen van deze kosten met een ander.</al></li><li nr="2."><al>De toeslag als bedoeld in lid 1 wordt voor de alleenstaande en
                                    de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn/haar
                                    hoofdverblijf heeft, bepaald op het in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=25">artikel 25 lid 2 van de wet</extref> genoemde
                                    maximumbedrag.</al></li><li nr="3."><al>De toeslag als bedoeld in lid 1 wordt voor de alleenstaande en
                                    de alleenstaande ouder die de noodzakelijke kosten van het
                                    bestaan kan delen met inwonend kind met een eigen inkomen dat
                                    lager is dan de bijstandsnorm voor beneden 21 jarigen
                                    vermeerderd met de in lid 5 bedoelde toeslag, bepaald op het in
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=25">artikel 25 lid 2 van de wet</extref> genoemde
                                    maximumbedrag.</al></li><li nr="4."><al>De toeslag als bedoeld in lid 1 wordt voor de zorgbehoeftige en
                                    degene(n) die, behoudens met de tot het gezin behorende personen
                                    en eventuele kostganger(s) of onderhuurders, samen met één of
                                    meer op zijn verzorging aangewezen zorgbehoeftigen hoofdverblijf
                                    heeft in dezelfde woning, bepaald op het in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=25">artikel 25 lid 2 van de wet</extref> genoemde
                                    maximumbedrag.</al></li><li nr="5."><al>De toeslag als bedoeld in lid 1 wordt voor de alleenstaande en
                                    de alleenstaande ouder in wiens woning een ander zijn/haar
                                    hoofdverblijf heeft, bepaald op 10% van het netto
                                    minimumloon.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 3 CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE BIJSTANDSNORM OF DE
                            TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><titel> Artikel 5 Verlaging gehuwden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien de gehuwden
                                    lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan
                                    waarin de bijstandsnorm voorziet als gevolg van het geheel of
                                    gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.</al></li><li nr="2."><al>De verlaging als bedoeld in lid 1 bedraagt 10% van het netto
                                    minimumloon.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van lid 1 is er geen sprake van het geheel of
                                    gedeeltelijk kunnen delen van kosten, indien de gehuwden een
                                    woning bewonen met één of meer kinderen met een eigen inkomen
                                    dat lager is dan de bijstandsnorm voor beneden 21 jarigen
                                    vermeerderd met de in lid 2 bedoelde toeslag.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van lid 1 is er geen sprake van het geheel of
                                    gedeeltelijk kunnen delen van kosten, indien sprake is van een
                                    zorgbehoeftige en degene(n) die, behoudens met de tot het gezin
                                    behorende personen en eventuele kostganger(s) of onderhuurders,
                                    samen met één of meer op zijn verzorging aangewezen
                                    zorgboeftigen hoofdverblijf heeft in dezelfde woning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Verlaging woonsituatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bijstandsnorm of de toeslag wordt lager vastgesteld indien de
                                    alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwden lagere
                                    algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin
                                    de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van hun
                                    woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een
                                    woning.</al></li><li nr="2."><al>De verlaging als bedoeld in lid 1 bedraagt 20% van het netto
                                    minimumloon.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Verlaging alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=25">artikel 25 van de wet</extref> wordt, in afwijking van
                                    artikel 4, voor de alleenstaande van 22 jaar in wiens woning
                                    geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op 10% van het
                                    netto minimumloon.</al></li><li nr="2."><al>De toeslag als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=25">artikel 25 van de wet</extref> wordt, in afwijking van
                                    artikel 4, voor de alleenstaande van 22 jaar in wiens woning een
                                    ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op 5% van het netto
                                    minimumloon.</al></li><li nr="3."><al>De toeslag als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=25">artikel 25 van de wet</extref> wordt, in afwijking van
                                    artikel 4, voor de alleenstaande van 21 jaar in wiens woning
                                    geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op 5% van het netto
                                    minimumloon.</al></li><li nr="4."><al>De toeslag als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=25">artikel 25 van de wet</extref> wordt, in afwijking van
                                    artikel 4, voor de alleenstaande van 21 jaar in wiens woning een
                                    ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op 2,5% van het netto
                                    minimumloon.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Verlaging Schoolverlaters</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bijstandsnorm of de toeslag wordt voor de belanghebbende die
                                    recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een
                                    beroepsopleiding gedurende zes maanden na die beëindiging lager
                                    vastgesteld, indien voldaan is aan de criteria zoals genoemd in
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=28">artikel 28 van de wet</extref>.</al></li><li nr="2."><al>Voor een thuiswonende schoolverlater stellen burgemeester en
                                    wethouders de norm vast op het bedrag zoals genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=33">artikel 33 lid onder a van de wet</extref>.</al></li><li nr="3."><al>Voor een uitwonende schoolverlater stellen burgemeester en
                                    wethouders de norm vast op het bedrag genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=33">artikel 33 lid 2 onder b van de wet</extref>.</al></li><li nr="4."><al>Het bepaalde in artikel
                                        5,6 en 7 is niet van toepassing op een
                                    uitkeringsgerechtigde op wie dit artikel van toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Anticumulatie-bepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als voor de belanghebbende een combinatie van een toeslag op
                                    grond van artikel 4 en één of meer verlagingen op grond van
                                    artikelen 5,6 en 7 geldt, bedraagt de verlaging niet meer dan
                                    20% van het netto minimumloon ten opzichte van de bijstandsnorm
                                    zoals die is vastgesteld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=21">artikel 21 van de wet</extref>.</al></li><li nr="2."><al>Als voor de belanghebbende meer dan één verlaging op grond van
                                    artikelen 5,6 en 7 geldt, bedraagt de verlaging niet meer dan
                                    20%van het netto minimumloon ten opzichte van de bijstandsnorm
                                    zoals die is vastgesteld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=21">artikel 21 van de wet</extref>.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel> HOOFDSTUK 4 SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel> Artikel 10 Uitvoering</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn belast met de uitvoering van deze
                            verordening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Citeertitel en inwerkintreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als:
                                    “Toeslagenverordening Wet werk en bijstand”.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2005.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente op 13
                        april 2005.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening><ondertekening>Drs. R.W. Munniksma T.Santes </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> (WWB) dient de gemeenteraad een verordening
                    vast te stellen met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm als
                    bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=8">artikel 8 lid 1 onder c</extref> juncto <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=30">artikel 30 WWB</extref>, de zogenaamde toeslagenverordening. Met het
                    vaststellen van een nieuwe toeslagenverordening wordt gestalte gegeven aan de
                    beoogde uniformering van beleid, ter voorbereiding van de fusie tussen de
                    afdelingen Sociale Zaken van Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo. Tevens is van de
                    gelegenheid gebruik gemaakt om nieuw beleid in de verordening tot uitdrukking te
                    brengen alsmede het inbrengen van wijzigingen als gevolg van
                    jurisprudentie.</al><al><onderstreept>Hoofdstuk 3 van de </onderstreept><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">WWB</extref> kent voor de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan een
                    systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. De bijstandsnormen zijn
                    geregeld in paragraaf 2, in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=20">artikelen 20 tot en met 24 WWB</extref>. Daarnaast voorziet paragraaf 3 in
                    toeslagen en verlagingen: <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=25">artikelen 25 tot en met 29 WWB</extref>.</al><al>Burgemeester en wethouders verhogen in bepaalde gevallen de norm met een toeslag
                    en passen in bepaalde gevallen een verlaging toe. Dit beleid is categoriaal: uit
                    de verordening blijkt voor welke categorieën en op grond van welke criteria een
                    verhoging of verlaging van de landelijke bijstandsnormen plaatsvindt. Op die
                    manier kan een uitkeringsgerechtigde concreet uit de verordening afleiden welke
                    verhoging of verlaging in zijn situatie geldt.</al><al>Bij het afbakenen van categorieën is rekening gehouden met in de praktijk
                    eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er ook gekozen voor een forfaitaire
                    benadering. De verordening omschrijft alleen de situaties waarin iemand geacht
                    wordt lagere noodzakelijke kosten van bestaan te hebben. Hierdoor wordt
                    rekenwerk met werkelijke kosten voorkomen.</al><al><vet><onderstreept>Individualisering</onderstreept></vet></al><al>Het is niet noodzakelijk alle mogelijke situaties uitputtend te regelen. In niet
                    geregelde gevallen of uitzonderlijke situaties geldt het
                    individualiseringsbeginsel. Burgemeester en wethouders kunnen de bijstand op
                    grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=18">artikel 18 lid 1 WWB</extref> afwijkend vast stellen.</al><al>De werking van de verordening beperkt zich tot uitkeringsgerechtigden van 21
                    jaar tot 65 jaar, hoewel de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">WWB</extref> de mogelijkheid biedt verlagingen (gehuwden en woonsituatie)
                    toe te passen op uitkeringsgerechtigden van 18, 19 of 20 jaar. </al><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al><vet>Artikel 1 lid 1</vet></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">WWB</extref>.</al><al><vet>Artikel 1 lid 2</vet></al><al>In artikel 1 lid 2 staan
                    de afwijkingen op de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">WWB</extref> opgesomd.</al><al><vet><onderstreept>Zorgbehoeftige</onderstreept></vet></al><al>Zorgbehoefte wordt getoetst aan het feit of belanghebbende nog zelfstandig kan
                    wonen of dat medebewoning noodzakelijk is om de (beperkte) zelfstandigheid zo
                    lang mogelijk te behouden. Bij noodzakelijke medebewoning wordt zowel de
                    zorgbehoeftige als de verzorgende partij als zelfstandig wonend aangemerkt bij
                    de vaststelling van de hoogte van de bijstandsuitkering.</al><al><vet><onderstreept>Netto minimumloon</onderstreept></vet></al><al>Deze omschrijving komt overeen met de omschrijving in de wet, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=37">artikel 37, eerste lid WWB</extref>, en moet overeenkomstig worden
                    uitgelegd.</al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=30">Artikel 30 van de WWB</extref> schrijft voor dat de verordening vaststelt
                    voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verlaagd of verhoogd. De
                    categorie-indeling is gebaseerd op de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">WWB</extref>.</al><al>De niet in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">WWB</extref> omschreven begrippen zijn nader uitgelegd in artikel 1 van de
                    verordening.</al><al><vet>Artikel 3 lid 1</vet></al><al>De werking van de verordening is beperkt tot uitkeringsgerechtigden in de
                    leeftijdscategorie van 21 tot 65 jaar. De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=26">artikelen 26</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=27">27</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=28">28 WWB</extref> maken ook categoriale verlagingen mogelijk voor
                    uitkeringsgerechtigden van 18, 19 en 20 jaar. Deze uitkeringsgerechtigden hebben
                    echter al een lagere norm (de jongerennorm), omdat zij in principe een beroep
                    kunnen doen op de ouderlijke onderhoudsplicht.</al><al><vet>Artikel 3 lid 2</vet></al><al>Deze bevoegdheid volgt uit <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=30">artikel 30 lid 4 WWB</extref>. Burgemeester en wethouders stellen de
                    bijstand afwijkend vast (in afwijking van het bepaalde in de
                    Toeslagenverordening) als dat gelet op de omstandigheden, mogelijkheden en
                    middelen van belanghebbende wenselijk is. Dit geldt ook in situaties waarin de
                    Toeslagenverordening niet voorziet.</al><al>Deze verplichting is expliciet in de verordening opgenomen onder lid 2 van dit
                    artikel, zodat hier in de uitvoering geen misverstand over kan bestaan.</al><al><vet>Artikel 4 lid 1</vet></al><al>Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande
                    ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat betrokkene de
                    bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet het geval is,
                    wordt de basisnorm verhoogd met een toeslag. In de toelichtende stukken op het
                    wetsvoorstel is hierover gezegd dat voor het bepalen van de hoogte van de
                    toeslag alle extra algemeen noodzakelijke bestaanskosten in aanmerking worden
                    genomen die de alleenstaande of de alleenstaande ouder heeft ten opzichte van
                    degene die met zijn partner een gezamenlijke huishouding voert.</al><al>"Het gaat hierbij niet alleen om woonkosten (in beperkte of uitgebreide zin)
                    maar ook om alle andere uitgaven waarbij partners een schaalvoordeel hebben
                    omdat zij alle kosten van huisvesting en huishouding gezamenlijk opbrengen. Bij
                    de relatief hogere kosten waarmee alleenstaanden in beginsel worden
                    geconfronteerd kan onder meer gedacht worden aan duurzame gebruiksgoederen,
                    zoals woninginrichting en huishoudelijke apparatuur, maar ook aan vaste lasten,
                    zoals abonnementen en diverse andere kosten. De toeslag dient zodanig te zijn
                    dat de betrokkene daaruit op dezelfde wijze zijn algemene bestaanskosten kan
                    voldoen als nu het geval is met de volledig landelijk genormeerde algemene
                    bijstand. Bij de beoordeling of betrokkene inderdaad hogere bestaanskosten
                    heeft, is in voorkomende gevallen niet bepalend of deze ook feitelijk die kosten
                    met een ander deelt, maar of het - gegeven de omstandigheden - redelijk is er
                    vanuit te gaan dat deze kosten kunnen worden gedeeld. In bijvoorbeeld de
                    situatie dat een hoofdbewoner de woning met een ander bewoont, zou een
                    ongewenste gebruikersruimte (van bijstandsmiddelen, red) ontstaan als de hoogte
                    van de toeslag afhankelijk is van de vraag of de medebewoner, hoewel deze
                    daartoe financieel in staat is, ook feitelijk een bijdrage levert in de
                    woonkosten. Vandaar dat gesproken wordt van het "kunnen delen" van de kosten.
                    Met deze omschrijving beoogt het kabinet uitdrukkelijk niet aan te geven dat van
                    de betrokkene kan worden gevergd dat deze bijvoorbeeld zijn woonsituatie aanpast
                    om zo met een lagere bijstandsuitkering te kunnen volstaan."</al><al>De mate waarin de bestaanskosten kunnen worden gedeeld bepaalt, zoals gezegd, de
                    hoogte van de toeslag. De toeslag bedraagt minimaal 0% en maximaal 20% van het
                    netto minimumloon. Degene die voor een toeslag in aanmerking wenst te komen,
                    moet aannemelijk maken dat er geen sprake is van kosten die kunnen worden
                    gedeeld en dat er derhalve terecht aanspraak op een toeslag wordt gemaakt. De
                    toeslag maakt een integraal deel van de bijstandsuitkering uit. De algemene
                    inlichtingenverplichting die op de aanvrager rust, geldt ook voor het
                    toeslagendeel. Aanvrager zal dan ook door middel van het overleggen van gegevens
                    het recht moeten aantonen.</al><al><vet>Artikel 4 lid 2</vet></al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=30">Artikel 30 lid 2 WWB</extref> schrijft voor dat de toeslag, onverminderd
                    het bepaalde in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=27">artikelen 27</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=28">28</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=29">29 van de wet</extref>, voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met
                    zijn kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald
                    op het maximumbedrag genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=25">artikel 25 lid 2 van de WWB</extref>. De maximale toeslag komt neer op 20%
                    van het netto minimumloon. In deze verordening wordt volstaan met een verwijzing
                    naar het bedrag zoals dat in de wet is genoemd. Dit bedrag wordt regelmatig
                    (veelal (half)jaarlijks) bijgesteld.</al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=27">artikelen 27</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=28">28</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=29">29 WWB</extref> geven de gemeente de bevoegdheid om voor bepaalde
                    categorieën de bijstandsnorm of de toeslag lager vast te stellen. Dit betekent
                    dat indien aanvrager voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 4 lid 2 van deze
                    verordening het toch kan zijn dat er geen recht op een toeslag bestaat van 20%
                    van het netto minimumloon, indien de gemeente daarnaast tevens gebruik maakt van
                    de mogelijkheid om de bijstandsnorm of de toeslag te verlagen (zie de artikelen 4 en 5 van deze
                    verordening).</al><al><vet>Artikel 4 lid 3</vet></al><al>Ook het inwonen van kinderen bij ouder(s) levert schaalvoordelen op. Maar als
                    het inkomen van de inwonende kinderen gezamenlijk niet uitstijgt boven de
                    bijstandsnorm voor beneden de 21 jarigen, inclusief de toeslag uit lid 5, kan
                    bezwaarlijk worden gesproken van het hebben van schaalvoordelen. Slechts zodra
                    het inkomen van het inwonende kind boven de genoemde bijstandsnorm inclusief
                    toeslag uitstijgt, wordt voor hen het volledig schaalvoordeel aanwezig
                    geacht.</al><al><vet>Artikel 4 lid 4</vet></al><al>Voor zorgbehoeftige behoort zelfstandig wonen niet altijd meer tot de
                    mogelijkheden. Medebewoning is in die gevallen noodzakelijk om de (beperkte)
                    zelfstandigheid nog zo lang mogelijk te behouden. Het toeslagen- en
                    verlagingsbeleid mag hierin niet in de weg staan. Voor zowel de zorgbehoeftige
                    als de verzorgende partij wordt de hoogte van de bijstandsuitkering door middel
                    van deze bepaling vastgesteld als waren zij zelfstandig wonend. De “gedwongen”
                    situatie van medebewoning heeft zo geen gevolgen voor de uitkering van de
                    belanghebbenden.</al><al><vet>Artikel 4 lid 5</vet></al><al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze
                    schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten
                    van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven en
                    dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per
                    woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Deze schaalvoordelen worden
                    berekend op 10%. lndien er op enigerlei wijze sprake is van het kunnen delen van
                    kosten, wordt de toeslag als gevolg van de optredende schaalvoordelen
                    vastgesteld op 10% van het netto minimumloon.</al><al><vet>Artikel 5 lid 1</vet></al><al>De hoogte van de uitkering van alleenstaanden en alleenstaande ouders is
                    afhankelijk van de mate waarin zij de kosten van het bestaan kunnen delen. Hoe
                    meer kosten kunnen worden gedeeld, hoe lager de toeslag is. Ook gehuwden kunnen
                    schaalvoordelen genieten aangezien zij de kosten van het bestaan kunnen delen
                    omdat zij de door hen bewoonde woning niet alleen bewonen. Deze schaalvoordelen
                    leiden ertoe dat de gehuwdennorm wordt verlaagd.</al><al><vet>Artikel 5 lid 2</vet></al><al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze
                    schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten
                    van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven en
                    dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per
                    woning slechts eenmaal in rekening worden ge- bracht.Deze schaalvoordelen worden
                    berekend op 10%. lndien er op enigerlei wijze sprake is van het kunnen delen van
                    kosten, wordt de toeslag als gevolg van de optredende schaalvoordelen
                    vastgesteld op 10% van het netto minimumloon.</al><al><vet>Artikel 5 lid 3</vet></al><al>Ook het inwonen van kinderen bij ouder(s) levert schaalvoordelen op. Echter,
                    wanneer het inkomen van de inwonende kinderen niet uitstijgt boven de
                    bijstandsnorm voor beneden de 21 jarigen, inclusief de toeslag uit lid 3, kan
                    bezwaarlijk worden gesproken van het hebben van schaalvoordelen. Slechts zodra
                    het inkomen van het inwonende kind boven de genoemde bijstandsnorm, inclusief
                    toeslag, uitstijgt, wordt voor hen het volledige schaalvoordeel aanwezig
                    geacht.</al><al><vet>Artikel 5 lid 4</vet></al><al>Voor zorgbehoeftige behoort zelfstandig wonen niet altijd meer tot de
                    mogelijkheden. Medebewoning is in die gevallen noodzakelijk om de (beperkte)
                    zelfstandigheid nog zo lang mogelijk te behouden. Het toeslagen- en
                    verlagingsbeleid mag hierin niet in de weg staan. Voor zowel de zorgbehoeftige
                    als de verzorgende partij wordt de hoogte van de bijstandsuitkering door middel
                    van deze bepaling vastgesteld als waren zij zelfstandig wonend. De “gedwongen”
                    situatie van medebewoning heeft zo geen gevolgen voor de uitkering van de
                    belanghebbenden.</al><al><vet>Artikel 6 lid 1</vet></al><al>De bijstandsuitkering dient voldoende te zijn om in de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan te kunnen voorzien. De kosten van het wonen maken daar
                    deel van uit. Het financiële voordeel van het niet verschuldigd zijn van
                    woonkosten rechtvaardigt een lager bedrag aan algemene bijstand.</al><al><vet>Artikel 6 lid 2</vet></al><al>Uitgangspunt voor de verlaging is de hoogte van de maximum toeslag ex art. 4 lid 2 van deze
                    verordening, zijnde 20% van het netto minimumloon. Dit komt in de buurt van het
                    bedrag dat wordt gehanteerd als minimumbedrag bij het toepassen van
                    huursubsidie.</al><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">WWB</extref> kent geen afzonderlijke uitkeringsnormen voor 21 - en 22-
                    jarige alleenstaanden. Het gevolg is dat de bijstandsuitkering soms hoger kan
                    uitvallen dan het loon dat men in een dienstbetrekking verdient, bijvoorbeeld in
                    het kader van de WIW. Ook het minimumloon dat men in een voltijds
                    dienstbetrekking kan verdienen, is nauwelijks hoger. Zo is er weinig stimulans
                    om arbeid te aanvaarden. Teneinde dit effect te beperken wordt de toeslag voor
                    21 jarige alleenstaanden op 5% respectievelijk 2,5 % en 22-jarige alleenstaanden
                    op 10% respectievelijk 5% gesteld. Hiermee is gebruik gemaakt van de bevoegdheid
                    in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=29">artikel 29 van de wet</extref>.</al><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>De schoolverlatersverlaging is bedoeld om de schoolverlater gedurende het eerste
                    half jaar niet in een veel betere financiële positie te brengen als toen hij nog
                    aangewezen was op studiefinanciering of een tegemoetkoming krachtens de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20tegemoetkoming%20onderwijsbijdrage%20en%20schoolkosten">Wtos</extref>.</al><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>Indien gebruik wordt gemaakt van de verlagingsmogelijkheden dient rekening te
                    worden gehouden met nadelige cumulatieve effecten. Cumulatie kan er namelijk toe
                    leiden dat er onvoldoende uitkering overblijft om te voorzien in de algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan.</al><al><vet>Artikel 10</vet></al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=7">Artikel 7 van de WWB</extref> schrijft voor dat de uitvoering van de wet
                    berust bij burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders kunnen deze
                    bevoegdheid overeenkomstig hetgeen hierover in de wet is geregeld delegeren aan
                    ambtenaren.</al><al><vet>Artikel 11 lid 1</vet></al><al>De verordening kan worden aangehaald als Toeslagenverordening Wet werk en
                    bijstand”</al><al><vet>Artikel 11 lid 2</vet></al><al>De verordening treedt in werking met ingang van 1 mei 2005</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>