<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR134282_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening van de gemeente Mill en Sint-Hubert 2010, dertiende serie wijziging</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Mill en Sint Hubert</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Mill en Sint Hubert</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Koerier</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening van de gemeente Mill en Sint-Hubert 2010, dertiende serie wijziging</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet art.8 alsmede de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening van de gemeente Mill en Sint-Hubert 2010, dertiende serie
            wijzigingen.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel</titel></kop><al><vet><cursief>1 Inleidende bepalingen </cursief></vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen </vet></al><al/><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>-<cursief>asbest: </cursief>hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                        letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005; </al><al>- <cursief>Bevoegd gezag: </cursief>bestuursorgaan, als bedoeld in de
                        Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken
                        van een bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en
                        wethouders; </al><al>- <cursief>bouwbesluit: </cursief>de algemene maatregel van bestuur als
                        bedoeld in artikel 2 van de Woningwet; </al><al>- <cursief>bouwtoezicht: </cursief>degene, die ingevolge artikel 92, tweede
                        lid van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en woningtoezicht; </al><al>- <cursief>bouwwerk: </cursief>elke constructie van enige omvang van hout,
                        steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij
                        direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                        steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; </al><al>- <cursief>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: </cursief>hetgeen
                        daaronder wordt verstaan in artikel 6, lid 1, van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005; </al><al>- <cursief>gebruiksoppervlakte: </cursief>de gebruiksoppervlakte als bedoeld
                        in het Bouwbesluit; </al><al>- <cursief>hoogte van de weg: </cursief>de hoogte van de weg zoals die door
                        of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld; </al><al>- NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven
                        norm; </al><al>- <cursief>NVN: </cursief>een door de Stichting Nederlands
                        Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm; </al><al>- <cursief>omgevingsvergunning voor het bouwen: </cursief>vergunning voor
                        een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de
                        Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; </al><al>- <cursief>omgevingsvergunning voor het slopen: </cursief>vergunning voor
                        een sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de
                        Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; </al><al>- <cursief>straatpeil: </cursief></al><al>a voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de
                        hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; </al><al>b voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst
                        de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing
                        van de bouw;</al><al> - <cursief>weg: </cursief>alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                        openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en
                        duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de
                        aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al><al> 2 In deze verordening wordt mede verstaan onder: </al><al>- <cursief>bouwwerk: </cursief>een gedeelte van een bouwwerk; -</al><al><cursief>gebouw: </cursief>een gedeelte van een gebouw. </al><al/><al><vet>Artikel 1.2 Termijnen (vervallen) </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><al>1 Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente </al><al>a: het gebied binnen de bebouwde kom; </al><al>b: het gebied buiten de bebouwde kom. </al><al>2 Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij deze
                        verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven. </al><al/><al><vet>2 <cursief>De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen
                            </cursief></vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden </cursief></al><al><vet>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen) Artikel
                            2.1.3 Aanvraag bouwvergunning (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                            vergunningaanvragen (vervallen) </vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek </vet></al><al><vet>1. </vet>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                        artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: </al><al>a. de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht
                        volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het
                        onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. </al><al>b. (vervallen). </al><al>c. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, - deeltjes
                        of —stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de
                        wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003. </al><al>2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                        artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het
                        bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is
                        aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3
                        van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het
                        Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. </al><al>3. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht
                        tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d,
                        van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1
                        bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten
                        beschikbaar zijn. </al><al>4. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het
                        indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van
                        de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte
                        instandhoudingtermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit
                        het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch
                        gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan
                        wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                        uitgave 2009 niet rechtvaardigen. </al><al>5. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn
                        gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en
                        voordat met de bouw wordt begonnen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag
                            om bouwvergunning (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                            bouwvergunning woonwagens en standplaatsen (vervallen) </vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning
                        </cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                            (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen (vervallen) Artikel 2.2.4 In
                            behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening (vervallen)
                        </vet></al><al><vet>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen)
                        </vet></al><al><vet> Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning
                            (vervallen) </vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf 3 Welstandstoetsing </cursief></al><al><vet>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen) </vet></al><al><cursief>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem
                        </cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem </vet></al><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                        voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: </al><al>a waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; </al><al>b voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                        vereist; en c 1 dat de grond raakt, of 2 waarvan het bestaande,
                        niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. </al><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het
                        bouwen</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde
                        in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht kan het bevoegd
                        gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in
                        het geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                        onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel
                        op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                        bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste
                        lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                        beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan
                        worden gemaakt. </al><al/><al><cursief>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                            bereikbaarheidseisen </cursief></al><al><vet>Artikel 2.5.1Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                            stedenbouwkundige bepalingen (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling </vet></al><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in
                        aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking
                        worden genomen. </al><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen </vet></al><al>1.Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                        bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een
                        verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die
                        geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s
                        en het overige te verwachten verkeer. </al><al>2 Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de
                        gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een
                        verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld: a een breedte
                        hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25 m zijn
                        verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van tenminste
                        4,2 m; b zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met
                        een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige
                        kunstwerken; en c op doeltreffende wijze kunnen afwateren. 3 Het bepaalde in
                        het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw voor het bouwen
                        waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van
                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor
                        zover dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een
                        hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen. </al><al>4 Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, moeten
                        zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een
                        doeltreffende verbinding tussen die auto’s en de bluswatervoorziening kan
                        worden gelegd. </al><al>5 Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet
                        worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                        bluswatervoorziening. </al><al>6 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de ligging en het
                        gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen. </al><al><vet>Artikel 2.5.3A Brandweeringang </vet>(vervallen) </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
                        </vet></al><al>1 Tussen de toegang van enerzijds: </al><al>a een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                        Bouwbesluit; </al><al>b een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector,
                        als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare
                        weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                        aanwezig zijn. </al><al>2 Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: </al><al>a ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al><al> b geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en </al><al>c ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit
                        plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in
                        de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn </vet></al><al>De voorgevelrooilijn is: </al><al>a langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van
                        de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg
                        gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                        voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig
                        beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; </al><al>b langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig
                        is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10
                        meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;bij een wegbreedte
                        geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn </vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk,
                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn
                        </vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        van toepassing op: a onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                        een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                        opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen van
                        niet-ingrijpende aard, als bedoeld in veranderingen bedoeld in artikel 3,
                        onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. b andere
                        onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                        is vereist die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking
                        van de veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij
                        het Besluit omgevingsrecht, te weten: 1 ondergrondse uitsteeksels, zoals
                        funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten; 2 stoepen, stoeptreden
                        en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                        overschrijden. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de voorgevelrooilijn.</vet></al><al>1 In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor: </al><al>a ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen,
                        mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil; </al><al>b bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel
                        9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard
                        en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn; </al><al>c laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                        overschrijden; </al><al>d erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de
                        voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden; </al><al>e trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                        stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende
                        schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                        bedoeld zijn in artikel 2.57;</al><al> f overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken. </al><al>g bouwwerken aan of bij een monument — als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                        dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening — voor
                        zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch
                        opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving. </al><al>2 Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden toegestaan,
                        indien niet lager gebouwd wordt dan: 4,20 m boven de hoogte van de rijweg,
                        met inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die
                        rijweg; 2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; en dan nog
                        voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar komt. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd gezag
                        de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al><al>a gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het
                        wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub a van bijlage
                        II bij het Besluit omgevingsrecht; </al><al>b bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                        waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer,
                        alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub
                        b, c en d, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al><al>c vrijstaande winkel- of reclamevitrines; </al><al>d reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; e andere bouwwerken,
                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die naar hun
                        aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn.</vet></al><al><vet>Afschuining van straathoeken </vet></al><al>1 Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                        voorgevelrooilijn zijn geplaatst. </al><al>2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in: </al><al>a de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de afwijking genoemd
                        in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend; </al><al>b in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de afwijking
                        genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter
                        de achtergevelrooilijn is geplaatst; </al><al>c in de gevallen, bedoeld in het derde lid. </al><al>3 Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik maakt van
                        90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich
                        in beide wegen of zich voor en na de knik op onderlinge tussenafstanden van
                        minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken — over een
                        hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil —
                        worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd
                        blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. </al><al>4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid voor: </al><al>a gebouwen behorende tot een complex van gebouwen; </al><al>b gebouwen op handels- en industrieterreinen; </al><al>c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al><al>d bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                        onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht bedoelde
                        gebouwen; </al><al>e gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                        begrepen, en de daarbijbehorende woningen; </al><al>f gedeelten van naar de weg gekeerde gevels; </al><al>g gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</vet></al><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt
                        zich: </al><al>a in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig of
                        regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
                        gelijk aan de helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                        voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                        dan 15 meter. Indien meer dan Eén ingeschreven cirkel binnen de
                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de grootste; </al><al>b in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een andere dan
                        onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald
                        op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok
                        tot een of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of
                        gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen
                        grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al><al>c in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig
                        bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                        gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide
                        zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                        bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                        meter; </al><al>d in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te
                        bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de
                        voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                        voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde
                        of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                        voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al><al>e in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand die
                        wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a
                        tot en met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                        voorgevelrooilijn dan 15 meter. </al><al>2 Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen een
                        scherpe hoek vormen moeten de achterzijden van die bebouwing — in het belang
                        van de toetreding van daglicht — over een afstand van ten minste 5 meter ter
                        weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte
                        van beide achtergevelrooilijnen. 3 Het bevoegd gezag kan de
                        omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het tweede
                        lid, voor zover de aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                        hoekbebouwing dit toelaten. </al><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn </vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor
                        het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn. </al><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn
                        </vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op: </al><al>a buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                        begrepen; </al><al>b buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                        doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen,
                        indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter
                        bedraagt; </al><al>c onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat
                        zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het bouwen waarvan op
                        grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II
                        bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist; </al><al>d onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat
                        zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in de
                        artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al><al>e andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet
                        vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                        Besluit omgevingsrecht, te weten: 1 ondergrondse uitsteeksels, zoals
                        funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten; 2 terrassen, bordessen
                        en bordestreden; </al><al>f antennes, anders dan bedoeld in artikel 2. onderdeel 15 en 17 van bijlage
                        II bij het Besluit omgevingsrecht. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de achtergevelrooilijn </vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor: </al><al>a buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                        doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen,
                        waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter
                        bedraagt; </al><al>b binnen de bebouwde kom gelegen kassen; </al><al>c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al><al>d gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                        grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een
                        spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van
                        die zijden mag worden bebouwd; </al><al>e gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld
                        in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd; </al><al>f bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                        onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht; </al><al>g gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of
                        industrieterrein omvattend; </al><al>h bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist; </al><al>i ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen,
                        mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het
                        terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw;</al><al>j erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen onder
                        artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                        Besluit omgevingsrecht; </al><al>k trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                        stortbuizen, balkons en veranda’s, alsmede andere luifels, afdaken,
                        dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13; bouwwerken aan of bij een monument — als
                        bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                        monumentenverordening — voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in
                        historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het
                        karakter van de bestaande omgeving. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>1 Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een
                        strook grond omvat die: </al><al>a over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en </al><al>b voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen
                        het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter. </al><al>2 De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                        achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het
                        gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel
                        2.5.13, en de balkons en veranda’s buiten beschouwing blijven. </al><al>3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in: </al><al>a het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de
                        gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is; </al><al>b het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: </al><al>1 een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig; </al><al>2 het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan
                        een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein
                        slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van
                        redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht; </al><al>3 bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen
                        woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande
                        toestand verbeterd. </al><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>1 Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                        dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn
                        ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts gelegen deel
                        van het gebouw en over de volle breedte daarvan. </al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid: </al><al>a indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel vormen; </al><al>b indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod tot
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn. </al><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken </vet></al><al>1 De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                        zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk
                        en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten
                        ontstaan die: a vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder
                        dan 1 meter breed zijn; b niet toegankelijk zijn. </al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor
                        reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen </vet></al><al>1 Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel
                        12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn niet toegelaten. </al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of
                        terrein. </al><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtransportleidingen </vet></al><al>1 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding
                        bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen
                        bevinden van andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, dan die welke deel uitmaken van de
                        hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden
                        gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                        hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale
                        elektrische spanning van 1 .000 volt of meer. </al><al>2 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                        hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, worden gebouwd. </al><al>3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van: </al><al>a het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter,
                        indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen
                        bezwaar oplevert; </al><al>b het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter,
                        indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de
                        leiding geen bezwaar bestaat. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn </vet></al><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte
                        van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                        vereist, in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: a
                        in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de
                        desbetreffende weg; b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg. </al><al>2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing aan
                        wegen, waarvan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling verschilt,
                        in welk geval aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de
                        brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                        gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                        over geen grotere lengte dan 15 meter. </al><al>3 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                        desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het
                        bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn. </al><al>4 Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt geldt
                        ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid,
                        de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn. Indien de
                        tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van
                        die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden van de
                        onderbreking voorkomende rooilijnen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn </vet></al><al/><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte
                        van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                        vereist, in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd
                        met:</al><al> a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok; </al><al>b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok. </al><al>2 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                        achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te beschouwen
                        achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte
                        van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand
                        tussen de achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde
                        tegenover de achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn. </al><al>3 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van
                        een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan
                        de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok. </al><al>4 Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil
                        ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een
                        maat, gelijk aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het
                        onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de
                        bouw. </al><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                            achtergevelrooilijn </vet></al><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen
                        aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de andere
                        weg en bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt —
                        onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 — de maximale hoogte van de
                        zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten
                        hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die
                        bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden
                        bepaald als beschreven is in artikel <cursief>2.5.21, </cursief>tweede lid,
                        voor de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen. </al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de voorgevel. </al><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen
                        </vet></al><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor het
                        bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de voor- en de
                        achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale
                        vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op
                        de — krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 — maximale bouwhoogte en die
                        met het horizontale vlak een hoek vormen van: a 45 graden in de bebouwde
                        kom; b 37 graden buiten de bebouwde kom. </al><al>2 Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die
                        gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit
                        bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale vlak
                        door die zijgevel snijdt ter hoogte van de — krachtens artikel 2.5.22 —
                        maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                        graden. </al><al><vet>Artikel 25.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken </vet></al><al>1 De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15 meter. </al><al>2 Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                        verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de laagst
                        gelegen weg. </al><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen </vet></al><al>1 De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel
                        2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend
                        terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat —
                        uitgaande van een goothoogte van genoemde maat — daarboven een zadeldak met
                        hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.</al><al> 2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de
                        omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken </vet></al><al>1 De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak
                        van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van straatpeil. </al><al>2 De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet worden
                        bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte. Plaatselijke
                        verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28,
                        onder h, i, j en k, moeten — voor zover zij de maximale hoogte overschrijden
                        — buiten beschouwing worden gelaten. </al><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte
                        </vet></al><al>a Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en
                        derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is
                        niet van toepassing op: a onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen
                        waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                        veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                        Besluit omgevingsrecht; </al><al>b het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het
                        aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in
                        artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al><al>c topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de
                        achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de
                        geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is
                        dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter
                        plaatse; </al><al>d plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter. </al><al><vet>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de toegelaten bouwhoogte </vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                        2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het
                        bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al><al>a gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                        gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen; b
                        gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                        welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat; </al><al>c gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en
                        industrieterrein; </al><al>d agrarische bedrijfsgebouwen; </al><al>e het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                        anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                        omgevingsrecht, en indien: </al><al>1 de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en
                        de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat; </al><al>2 bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen andere
                        hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande; </al><al>f bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                        waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer,
                        anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het
                        Besluit omgevingsrecht; </al><al>g topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke aard; </al><al>h plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter;
                        i.dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75 meter,
                        de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3
                        meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt.
                        Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot
                        verschillende gebouwen behoren; </al><al>j.draagconstructies voor een reclame; </al><al>k vrijstaande schoorstenen; bouwwerken op een monument — als bedoeld in de
                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                        monumentenverordening — voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in
                        historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het
                        karakter van de bestaande omgeving. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in
                            geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid </vet></al><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan
                        het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van
                        de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                        overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien: a er voor het betreffende
                        gebied geen bestemmingsplan of beheersverordening of project besluit van
                        kracht is; b geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van
                        de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is; c de activiteit
                        in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk
                        beleid; d de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                        ordening, en e de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                        onderbouwing bevat. </al><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                            in gebouwen </vet></al><al>1 Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft,
                        moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate
                        ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het
                        onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet
                        overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw,
                        waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per
                        openbaar vervoer. </al><al>2 De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s moet
                        afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s. Aan deze
                        eis wordt geacht te zijn voldaan: a indien de afmetingen van bedoelde
                        parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m
                        bedragen; b indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor
                        een gehandicapte — voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een
                        trottoir grenst — ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen. </al><al>3 Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten
                        behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze
                        behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan
                        wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. </al><al>4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste en het derde lid: </al><al>a indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op
                        overwegende bezwaren stuit; of b voor zover op andere wijze in de nodige
                        parkeer- of stalling ruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. </al><al/><al><cursief>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiigheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidin gen </cursief></al><al><vet>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties (vervallen) Artikel
                            2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties (vervallen) Artikel 2.6.3
                            Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties (vervallen)
                        </vet></al><al><vet>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties (vervallen) Artikel
                            2.6.5 Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties (vervallen)
                        </vet></al><al><vet>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties
                            (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties (vervallen)
                            Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen (vervallen)
                            Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen (vervallen)
                        </vet></al><al><vet>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen (vervallen)
                            Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke huipverleningsdiensten
                            (vervallen) </vet></al><al><cursief>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen </cursief></al><al><vet>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding </vet></al><al/><al>Dein artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het
                        distributienet van de openbare waterleiding: a indien het bouwwerk op ten
                        hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het
                        distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk op een grotere afstand
                        dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk
                        niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m. </al><al/><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet </vet></al><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                        distributienet voor elektriciteit: a indien het bouwwerk op ten hoogste 100
                        m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                        gelegen; of b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de
                        kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                        bij een afstand van 100 m. </al><al><vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>1 De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet
                        voor aardgas: </al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van dat distributienet is gelegen; of </al><al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting
                        voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40
                        m. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen, waarin voor
                        het kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en voor
                        verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig is. </al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid: </al><al>a voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2; </al><al>b voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd; </al><al>c voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of publieke
                        voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit
                        (warmtedistributienet). </al><al><vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering </vet></al><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën moeten zijn
                        aangesloten aan een openbaar riool. Niet van toepassing is deze eis in delen
                        van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is.</al><al> 2 Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald: </al><al>a op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de voor het
                        maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het
                        gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet of moeten kruisen; </al><al>b of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten worden
                        tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van afvalwater en
                        faecaliën, ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op
                        het openbaar riool te lozen. </al><al>3 Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er al dan niet
                        voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld
                        ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool,
                        ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen daartoe
                        aanleiding geeft.</al><al> 4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder
                        verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk is: </al><al>a voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool
                        zijn gelegen; </al><al/><al>b voor agrarische bedrijven. </al><al><vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
                        </vet>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                        aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën niet
                        aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen: </al><al>a leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling,
                        moeten lozen op een rottingput met overstort; </al><al>b leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling,
                        moeten lozen op een mestkelder of een beerput zonder overstort, een gierput
                        of een rottingput met overstort; </al><al>c leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede
                        overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
                        van water, bodem of lucht kan optreden; </al><al>d leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen
                        op een rottingput. </al><al>2 De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan
                        te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten: </al><al>a zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem en lucht kan
                        optreden; en </al><al>b zijn aangesloten aan een in de grond aangebrachte opvang- en
                        bezinkingsvoorziening van voldoende capaciteit, welke voorziening in verband
                        met de grootte van de te ontwateren oppervlakken en de bodemgesteldheid ter
                        plaatse moet zijn gelegen op voldoende afstand van de perceelgrenzen en de
                        bebouwing op dat perceel. </al><al>3. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking: </al><al>a van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer op andere wijze
                        zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is;</al><al> b van het bepaalde in het tweede lid, indien de bodemgesteldheid en de
                        grondwaterafvoer ter plaatse, dan wel de omvang van het perceel de
                        infiltratie van hemelwater niet toelaten en bovendien de afvoervoorziening
                        voor hemelwater niet wordt aangesloten aan een rottingput. </al><al/><al><vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen</vet></al><al> 1 Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                        scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks
                        plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt. </al><al>2 De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan leidingen
                        van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting
                        gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.
                        3 In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de aansluiting aan
                        een openbaar riool, mogen geen beerputten of rotting putten voorkomen. </al><al>4 Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen
                        vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend beloop
                        hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een voldoende
                        binnenwerkse middellijn. Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn
                        voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 2007. </al><al>5 Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor de
                        afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse waar zij de grens
                        van de weg kruist, een binnenwerkse middelljn hebben van ten minste 125 mm. </al><al>6 Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van
                        leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten doeltreffend
                        zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan
                        het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage 7. </al><al/><al>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                        openbare net van de nutsvoorzieningen De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3
                        en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn
                        waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel
                        van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet
                        bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                        bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. </al><al><vet>3 De melding </vet></al><al><vet>Artikel 3.1 De wijze van melden (Vervallen) </vet></al><al><vet> Artikel 3.2 Welstandscriteria (Vervallen) </vet></al><al/><al><vet>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij </vet></al><al><vet>ingebruikneming van een bouwwerk</vet></al><al><vet>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                            tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden
                        </vet></al><al>Op </al><al>het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk, aanwezig
                        zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven: a de
                        omgevingsvergunning voor het bouwen; b andere toestemmingen; c het
                        bouwveiligheidsplan; d een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede
                        lid, sub b van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. </al><al><vet>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</vet></al><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het
                        bouwen is verleend mag — onverminderd het in de voorwaarden van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde — niet worden begonnen alvorens
                        door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig:</al><al> a het straatpeil is aangegeven; </al><al>b de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet. </al><al><vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                            van) de bouwwerkzaamheden </vet></al><al>1 Het bouwtoezicht dient — voor zover het betreft bouwwerken waarvoor een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd het bepaalde
                        in de voorwaarden van een omgevingsvergunning voor het bouwen — ten minste
                        twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het
                        bouwproces in kennis te worden gesteld: </al><al>a de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder begrepen; </al><al>b de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van
                        proefpalen daaronder begrepen; </al><al>c de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden. </al><al>2 Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te worden
                        gesteld van het storten van beton. </al><al>3 De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                        bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden. </al><al><vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen
                        </vet></al><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                        ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                        bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                        verordening en van het Bouw-besluit nodig acht. </al><al><vet>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten </vet>Bij het bemalen van
                        bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen ten behoeve van
                        bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige wijze water aan de bodem worden
                        onttrokken, dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving
                        plaatsvindt, waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden
                        aangetast op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt. </al><al><vet>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein </vet></al><al>1 Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat, moet
                        geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                        veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de weg
                        gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken,
                        open erven en terreinen en hun gebruikers. </al><al>2 Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd moeten,
                        wanneer er niet wordt gewerkt — rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd
                        niet inbegrepen: </al><al>a de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering van
                        het bouw- en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld,
                        dat het weer in gebruik stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is; </al><al>b machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand, dat
                        deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan de
                        daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld; </al><al>3 Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een elektrische
                        verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch aangedreven
                        bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt
                        onderbroken en de veiligheid voldoende is gewaarborgd. </al><al>4 Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen of
                        andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit veiligheidsoogpunt
                        nodig zijn. </al><al><vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</vet></al><al>1 Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke
                        werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van
                        de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien
                        gevaar of hinder te duchten is. </al><al>2 De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en
                        ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de
                        toegang tot brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals leidingen,
                        er niet door wordt belemmerd. </al><al>3 Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet
                        van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden,
                        moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht
                        dit niet nodig acht. </al><al/><al><vet>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                            hinder</vet></al><al>1 Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen, transportinrichtingen en
                        ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen
                        aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren. </al><al>2 Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een werktuig
                        of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de omgeving optreedt. </al><al>3 Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of ernstige
                        hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken, verbieden. </al><al>4 Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te gebruiken
                        krachtwerktuig: </al><al>a uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of b de aandrijving
                        elektrisch geschiedt, en/of c het werktuig gedurende bepaalde delen van een
                        etmaal niet mag worden gebruikt. </al><al>5 Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing
                        indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de
                        Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde milieuwet van toepassing is. </al><al/><al><vet>Artikel <cursief>4.11 </cursief>Bouwafval </vet>Het bouwafval moet op
                        de bouwplaats ten minste worden gescheiden in de volgende fracties: </al><al>a de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                        Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst
                        (EURAL; Ster. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9); </al><al>b steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt; </al><al>c glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt; d overig afval. </al><al>2 Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de fracties,
                        bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de bouwplaats
                        gescheiden worden gehouden. </al><al>3 Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een bouwproject
                        minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10 m3, mag degene die
                        bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit bouwafval meenemen naar zijn
                        bedrijf voor tijdelijke opslag. </al><al><vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                        </vet>bouwwerkzaamheden </al><al>Van het gereedkomen: </al><al>a. van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering,
                        alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden
                        straatpeil; </al><al>b. van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de
                        thermische isolatie in andere besloten constructies moet het bouwtoezicht
                        onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b bedoelde werkzaamheden in
                        kennis worden gesteld. </al><al>2 Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft, mogen
                        niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken
                        gedurende twee dagen na het tijdstip van kennisgeving. </al><al>3 Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op die
                        onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de omgevingsvergunning voor
                        het bouwen verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van voltooiing
                        is bepaald. </al><al>4 Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                        omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het einde van
                        die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld. </al><al>5 De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht
                        dit verlangt, schriftelijk geschieden. </al><al/><al><vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen </vet></al><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                        buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste twee
                        dagen v66r het begin van het desbetreffende werk in kennis worden gesteld
                        van de te treffen maatregelen ten behoeve van: </al><al>a het niet verwerken van bevroren materialen; </al><al>b het verkrijgen van een goede binding en verharding; </al><al>c de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen
                        vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog
                        beneden 2 graden Celsius is. </al><al>2 De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                        bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden. </al><al/><al>Artikel <vet><cursief>4.14 </cursief>Verbod tot ingebruikneming </vet></al><al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te
                        nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het bouwtoezicht. </al><al><vet><cursief>5</cursief> Staat van open erven en terreinen, aansluiting op
                            de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                            gedierte</vet></al><al><cursief>Paragraaf </cursief><vet><cursief>1 </cursief></vet><cursief>Staat
                            van open erven en terreinen </cursief></al><al><vet>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen
                        </vet></al><al>1 Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun bestemming,
                        voldoende staat van onderhoud bevinden. </al><al>2 Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de
                        veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers
                        of anderen, ten gevolge van:</al><al> a drassigheid; </al><al>b stank; </al><al>c verontreiniging; </al><al>d aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte; </al><al>e aanwezigheid van begroeiing. </al><al/><al><vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer,
                            Brandblusvoorzieningen </vet></al><al>1 Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd van een
                        openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare
                        wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s,
                        ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te verwachten verkeer, tenzij
                        de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen. </al><al>2 Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de
                        gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een
                        verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld: a een breedte
                        hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25 m zijn
                        verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste
                        4,2 m; b zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met
                        een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige
                        kunstwerken; en c op doeltreffende wijze kunnen afwateren. 3 Het bepaalde in
                        het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw voor het bouwen
                        waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van
                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor
                        zover dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een
                        hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen. </al><al>4 Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s
                        aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto’s en de
                        bluswatervoorziening kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het
                        gebruik van het gebouw zulks niet vereisen. </al><al>5 Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet
                        worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                        bluswatervoorziening. </al><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
                        </vet></al><al>1 Tussen de toegang van enerzijds: </al><al>a een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                        Bouwbesluit; </al><al>b een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector,
                        als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare
                        weg moet een mede voor gehandicapten begaan bare weg of begaanbaar pad
                        aanwezig zijn. </al><al>2 Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: </al><al>a ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en </al><al>b geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en </al><al>c ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit
                        plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in
                        de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit. </al><al><cursief>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen </cursief></al><al/><al><vet>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en
                            vluchtrouteaanduidingen (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in
                            gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                            logiesgebouwen of kantoorgebouwen (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                            woongebouwen van bijzondere aard (vervallen) </vet></al><al><vet> Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                            logiesverblijven en logiesgebouwen (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                            kantoorgebouwen (vervallen) </vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen </cursief></al><al/><al><vet>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding </vet></al><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                        bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten
                        aan het distributienet van de openbare waterleiding: </al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van het distributienet is gelegen; </al><al>of b indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij
                        zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 50 m. </al><al/><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet </vet></al><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                        distributienet voor elektriciteit:</al><al> a indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij
                        zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk
                        op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 100 m. </al><al/><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet </vet></al><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor
                        aardgas: </al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al> b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting
                        voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40
                        m. Niet van toepassing is voorgaande eis op: </al><al>a woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas
                        aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer
                        nodig is;</al><al> b woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2; </al><al>c woningen die niet worden verhuurd; </al><al>d woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet. </al><al/><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>1 De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de
                        eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                        hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.6, op een
                        doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een openbaar riool. </al><al>2 Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid: </al><al>a in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is; </al><al>b op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool
                        zijn gelegen; </al><al>c voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd; d op agrarische bedrijven
                        waarin de faecaliën voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                        voldoende ruime mestkelder, gier- of beerput aanwezig is. </al><al/><al><vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
                        </vet></al><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden
                        de volgende bepalingen: </al><al>a voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling,
                        moet een doeltreffende rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar
                        die toiletten aanwezig zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische
                        bedrijfsdoeleinden worden gebruikt; </al><al>b voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                        waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort, een
                        doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met overstort aanwezig
                        zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de
                        genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen
                        verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; </al><al>c leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                        zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen
                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; </al><al>d leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                        zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput. </al><al/><al><vet>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen </vet></al><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                        toepassing. </al><al><vet>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen </vet></al><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden
                        gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                        worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. </al><al/><al><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid </cursief></al><al><vet>Artikel 5.4.1 Preventie </vet></al><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                        bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt. </al><al><vet>6 Brandveilig gebruik (vervallen)</vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf </cursief><vet><cursief>1
                            </cursief></vet><cursief>Gebruiksvergunning (vervallen) </cursief></al><al><vet>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel <cursief>6.1.4 </cursief>Termijn van beslissing (vervallen)
                        </vet></al><al><vet>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning (vervallen) </vet></al><al><vet> Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning (vervallen) </vet></al><al/><al/><al><vet>Verplicht aanwezige bescheiden (vervallen)</vet></al><al><cursief>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar
                            </cursief><vet>Artikel <cursief>6.2.1 </cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6.2.2 </vet></al><al><vet>Artikel 6.2.3 </vet><cursief>Paragraaf 3 (vervallen) </cursief></al><al>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen (vervallen) </al><al><vet>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen (vervallen)
                            </vet><cursief>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid
                            (vervallen) </cursief></al><al><vet>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid (vervallen)
                        </vet></al><al/><al><vet><cursief>7 Overige gebruiksbepalingen</cursief></vet></al><al><cursief>Paragraaf 1 </cursief></al><al><cursief>Overbevolking </cursief></al><al><vet>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen </vet></al><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning
                        wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte. </al><al/><al><vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens </vet></al><al>Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een
                        woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                        gebruiksoppervlakte. </al><al><cursief>Paragraaf </cursief>2 <cursief>Staken van het gebruik
                        </cursief></al><al/><al><vet>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid </vet></al><al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te
                        doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is
                        medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met: a bouwvalligheid van
                        het bouwwerk; b bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk. </al><al><vet>Artikel 6.1.7 </vet><cursief>Paragraaf </cursief>2 <cursief>(vervallen)
                        </cursief></al><al><vet>Gebruikseisen voor bouwwerken (vervallen) </vet></al><al><vet>Verbod stoffen aanwezig te hebben (vervallen) </vet></al><al><vet> Opslag en verwerking stoffen vervallen) </vet></al><al><cursief>Het bestrjden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand
                        </cursief></al><al/><al><vet>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek
                            aan hygiëne </vet></al><al>Indien tengevolge van het niet functioneren — hieronder begrepen het
                        afgesloten zijn — van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige
                        voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken
                        over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen
                        beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of
                        een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het
                        gebruik van het bouwwerk te staken. </al><al><vet>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen (vervallen)
                        </vet></al><al><cursief>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen
                        </cursief></al><al><vet>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf </vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit
                        omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op 10. </al><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder </vet></al><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein
                        voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te
                        verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:</al><al> a. op de voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm
                        of stof wordt verspreidt; </al><al>b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het
                        bouwwerk, het open erf of terrein; </al><al>c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht
                        of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door
                        geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door
                        schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                        bouwwerk, open erf of terrein; </al><al>d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt. Niet van
                        toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft nadelige
                        gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet
                        genoemde wet van toepassing is. </al><al/><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid </al><al/><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie </vet></al><al>1 Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                        bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt. </al><al>2 Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden bewaard
                        dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt aangetrokken. </al><al/><al><cursief>Paragraaf 5 Watergebruik </cursief></al><al/><al>Artikel <vet>7.5.1 Verboden gebruik van water </vet></al><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                        schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken. </al><al><vet><cursief>Paragraaf 6 Installaties </cursief></vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al> Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit en/of de
                        Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat
                        verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt. </al><al/><al><vet><cursief>8 Slopen </cursief></vet></al><al/><al><vet><cursief>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen
                            </cursief></vet></al><al/><al><vet>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>1 Het is verboden bouwwerken, en woonwagens daaronder begrepen, te slopen
                        zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag. </al><al>2 De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar
                        redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan 10
                        m3, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts is
                        geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een besluit op grond van
                        artikel 13 van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. Het bevoegd gezag
                        kan aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid. </al><al>3 Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen
                        slechts voorschriften over: </al><al>a de veiligheid tijdens het slopen; </al><al>b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken; </al><al>c het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het
                        sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een
                        fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval; </al><al>d het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens
                        als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c, voor zover deze gegevens
                        niet reeds zijn overgelegd. </al><al>4 De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid, onder
                        letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen, de fracties
                        waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in
                        fracties gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Het
                        bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen met
                        betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken
                        daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen
                        dit moet plaatsvinden. </al><al>5 De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien in een
                        tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor een seizoengebonden
                        bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van het tijdelijke
                        bouwwerk. </al><al><vet>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing (vervallen) </vet></al><al><vet> Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen </vet></al><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien: </al><al>a de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door
                        het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden
                        gewaarborgd; </al><al>b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen
                        onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op
                        een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al><al> c een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten ingevolge
                        de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke
                        monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend;</al><al> d een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op
                        de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens overgangsrecht van de
                        Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de werking heeft behouden, is vereist
                        en deze niet is verleend; </al><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen </vet></al><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken indien: a de
                        vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave van
                        gegevens; </al><al>b binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning
                        voor het slopen geen begin met de werkzaamheden is gemaakt; </al><al>c tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden
                        langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen. </al><al><cursief>Paragraaf </cursief>2 <cursief>Uitzonderingen op het vereiste van
                            omgevingsvergunning voor het slopen </cursief></al><al><vet>Artikel 8.2.1 Sloopmelding </vet></al><al>1 In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen omgevingsvergunning
                        voor het slopen vereist voor het anders dan in de uitoefening van een beroep
                        of bedrijf in zijn geheel slopen van: </al><al>a geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden
                        zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf van die
                        woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het
                        kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                        bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te
                        verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per
                        kadastraal perceel bedraagt; </al><al>b asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking
                        uit een woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw,
                        voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening
                        van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in
                        dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende
                        vloerbedekking of vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per
                        kadastraal perceel bedraagt; </al><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders
                        en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is
                        gemeld is medegedeeld dat geen omgevingsvergunning voor het slopen is
                        vereist. </al><al>2 Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden gemeld
                        met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en wethouders
                        vastgesteld formulier. </al><al>3 De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in drievoud worden
                        ingediend. </al><al>4 De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het Nederlands
                        zijn gesteld.</al><al> 5 In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en het
                        gebruik van het bouwwerk. </al><al>6 Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens burgemeester en
                        wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de
                        datum van ontvangst is vermeld. </al><al>7 Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde mededeling
                        niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is de mededeling van
                        rechtswege gedaan. </al><al>8 Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in het
                        eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de verwijdering,
                        opslag en afvoer van asbest. </al><al>9 De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het zevende lid
                        is verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede de
                        voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te nemen. Voorts is de
                        houder verplicht ter zake van de afvoer van asbest bevattende vloerbedekking
                        alsmede van andere afvalstoffen waarop de mededeling betrekking heeft de in
                        de gemeente geldende voorschriften in acht te nemen. </al><al>10 Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop
                        vrijkomt is niet toegestaan. </al><al>11 Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en met
                        het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen burgemeester en
                        wethouders degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen
                        één week de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen. </al><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                            omgevingsvergunning voor het slopen </vet></al><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                        omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor zover
                        dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van
                        de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen
                        van: </al><al>a geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen; </al><al>b verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van
                        kassen; </al><al>c rem- en frictiematerialen; </al><al>d pakkingen uit verbrandingsmotoren; </al><al>e pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen
                        met een nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt. </al><al/><al><cursief>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen </cursief></al><al/><al><vet>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein </vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige
                        toepassing op het slopen en het sloopterrein. </al><al/><al><vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden
                        </vet>Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of een
                        besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                        dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter
                        inzage worden gegeven. </al><al/><al><vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor
                            het slopen </vet></al><al>1 De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het slopen, voor
                        zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf. </al><al>2 De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een afschrift
                        van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen
                        krachtens aanneming van werk zal uitvoeren. </al><al>3 De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten minste één
                        week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het bevoegd gezag
                        schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen waarop het slopen,
                        voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal plaatsvinden. </al><al>4 De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt binnen twee
                        weken na de uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag een afschrift
                        van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid
                        van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al/><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt </vet></al><al>1 Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor het slopen
                        is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt
                        ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen aan
                        het bouw- en woningtoezicht. </al><al>2 Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de aanvang
                        van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de
                        beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden.
                        Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen schriftelijk
                        geschieden. </al><al/><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
                        </vet></al><al>1 Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk
                        aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt gesloopt. 2
                        Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande technieken
                        worden toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te voorkomen. </al><al><vet>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen
                            (Vervallen) </vet></al><al><cursief>Paragraaf 4 Vrij slopen </cursief></al><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen </vet></al><al>1 Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning
                        krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is
                        vereist, dient ten minste te worden gescheiden in de navolgende fracties: a
                        de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                        afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst
                        (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9); b steenachtig sloopafval,
                        zonder inbegrip van gips: c bitumineuze en teerhoudende dakbedekking: </al><al>d met PAKS verontreinigde materialen; e asfalt; f dakgrind; g overig afval.
                        2 Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de fracties,
                        bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten op het
                        sloopterrein gescheiden worden gehouden. </al><al><vet>9 Welstand</vet></al><al>Artikel <vet>9.1 De advisering door de commissie </vet></al><al><cursief>1 </cursief>De advisering over redelijke eisen van welstand is
                        opgedragen aan een externe onafhankelijke instelling of partij, die daarvoor
                        de noodzakelijke deskundigheid heeft, hierna te noemen de
                        welstandscommissie. </al><al>2 De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen
                        voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. </al><al>3 De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                        genoemde welstandscriteria </al><al><vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie </vet></al><al><cursief>1 </cursief>De welstandscommissie bestaat ten minste uit twee
                        leden, die beiden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke
                        kwaliteit dan wel cultuurhistorie. </al><al><vet>2 </vet>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen. </al><al>3 De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste
                        twee deskundige leden aanwezig </al><al><vet><cursief>4 </cursief></vet>De leden van de commissie zijn onafhankelijk
                        van het gemeentebestuur. <vet>5</vet> In de welstandscommissie kan een
                        geïnteresseerde burger, anders dan bedoeld in het eerste lid, zitting
                        hebben. </al><al><vet>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</vet></al><al><vet><cursief>1 </cursief></vet>De leden van de welstandscommissie en hun
                        plaatsvervangers worden op voorstel van de burgemeester en wethouders
                        benoemd en ontslagen door de gemeenteraad. </al><al>2 De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een termijn van
                        drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een
                        periode van ten hoogste drie jaar. </al><al>3 Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage
                                <vet><cursief>9 </cursief></vet>bij deze verordening is vastgesteld,
                        bevat, binnen het gestelde in de voorgaande leden, nadere regels voor
                        samenstelling van de commissie en benoeming van de leden. </al><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording </vet></al><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden
                        voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: - op welke wijze
                        toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; - de
                        werkwijze van de welstandscommissie; - op welke wijze uitwerking is gegeven
                        aan de openbaarheid van vergaderen; - de aard van de beoordeelde plannen; -
                        de bijzondere projecten. De welstandscommissie kan in haar jaarverslag
                        aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk
                        kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke
                        welstandsnota in het bijzonder. </al><al><vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering </vet></al><al>1 De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of
                        namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. </al><al>2 De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft
                        op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen
                        drie weken nadat door of namens burgmeester en wethouders daarom is
                        verzocht. </al><al>3 Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                        welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden
                        van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een
                        langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de
                        termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel
                        3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </al><al><vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting
                        </vet></al><al>1 De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar. De
                        agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig
                        bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws-
                        of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien
                        burgemeester en wethouders — al dan niet op verzoek van de aanvrager — een
                        verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en
                        wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet
                        openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt
                        zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. </al><al>2 Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij
                        het indienen van de aanvraag heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                        welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het
                        bouwplan. </al><al>3 In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt
                        behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient
                        de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te
                        ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt
                        behandeld. </al><al>4 Er is geen spreekrecht. </al><al><vet>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat </vet></al><al>1 De welstandscommissie kan de advisering over de welstandsaspecten van
                        aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen mandateren aan een of
                        meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid c.q. de aangewezen
                        leden (voorzitter en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan
                        volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                        verondersteld.</al><al> 2 In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als bedoeld
                        in het vorige lid alsnog voor aan de welstandscommissie. </al><al>3 Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien het bevoegd
                        gezag — al dan niet op verzoek van de aanvrager — een verzoek doet tot
                        nietopenbare behandeling, dan dient het bevoegd gezag daaraan klemmende
                        redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten
                        grondslag te leggen. </al><al><vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht </vet></al><al><vet>1.</vet>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                        schriftelijk. </al><al>2 Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester
                        en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het
                        bouwen van een bouwwerk. </al><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken
                        </vet></al><al><vet>1 </vet>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                        voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken uit
                        te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende
                        besluit niet dan nadat: </al><al>a op het voornemen inspraak is verleend; </al><al>b het advies van de welstandscommissie is ingewonnen. </al><al>2 De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                        voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening. </al><al><vet>10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                            onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                            woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (Vervallen)
                        </vet></al><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                            voorschriften </vet></al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening <vet>en
                        </vet>vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en
                        andere voorschriften waarnaar in deze verordening — of in de bij deze
                        verordening behorende bijlagen — wordt verwezen, indien de bevoegde
                        instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift
                        heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                        gepubliceerd. </al><al><vet>11 Handhaving</vet></al><al><vet>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming (vervallen)
                        </vet></al><al><vet>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen) </vet></al><al/><al><vet>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 12.1 Strafbare feiten (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek </vet></al><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in
                        enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief
                        bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in
                        artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij burgemeester en
                        wethouders van mening zijn dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als
                        een recent onderzoek kan worden gezien. </al><al><vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open
                            erven en terreinen </vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                        gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op
                        basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de
                        Woningwet van 12juli1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van
                        artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn
                        gesteld. </al><al><vet>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning
                            (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 12.6 Slotbepaling </vet></al><al>1. Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de bouwverordening
                        twaalfde serie wijzigingen en alle daarin aangebrachte wijzigingen met
                        uitzondering van hetgeen hierna onder “overgangsbepalingen” is bepaald; </al><al>2.Deze verordening kan worden aangehaald als “Bouwverordening van de
                        gemeente Mill en Sint-Hubert 2010, dertiende serie wijzigingen”. </al><al/><al><vet>Overgangsbepalingen </vet></al><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming anderszins, die
                        is ingediend v66r het tijdstip waarop deze wijzigingsverordening van kracht
                        wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen
                        van de bouwverordening van toepassing, zoals deze luidden v66r de
                        onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de
                        gewijzigde bepalingen worden toegepast. </al><al><vet>Inwerkingtreding </vet></al><al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht in werking treedt. </al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad der gemeente Mill en
                        Sint-Hubert d.d. 15juli 2010</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Artikel 352 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen
                        in afwijking van de bestemming.</vet></al><al>1 Zolang bij een bestemmingsplan, tot stand gekomen als uitbreidingsplan of als
                    voorschriften ex artikel 43 van de Woningwet 1901, hetzij voor, hetzij na
                    inwerkingtreding van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stb. 1962, 286) geen
                    voorschriften zijn gegeven omtrent het gebruik van de in die plannen of
                    voorschriften begrepen bouwwerken, open erven of terreinen en geen aanpassing
                    aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening heeft plaatsgevonden, is het verboden die
                    bouwwerken, open erven of terreinen te gebruiken, in gebruik te geven of te
                    laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de uit dat plan of die
                    voorschriften voortvloeiende bestemming, nadat de bij het bestemmingsplan
                    aangegeven bestemming is verwezenlijkt. </al><al>2. Het is verboden niet in een bestemmingsplan begrepen bouwwerken en hun
                    aanhorigheden te gebruiken in strijd met de bestemming, die zij blijkens hun
                    constructie dan wel inrichting hebben. </al><al><vet>3. </vet>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op
                    een gebruik dat tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet
                    onwettig was en zolang in dat gebruik geen wijziging wordt gebracht.</al><al><vet>4. </vet>Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het
                    bepaalde in het eerste en tweede lid. </al><al><vet><cursief>Bijlage 1 </cursief>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning
                        (vervallen) Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1 </vet></al><al>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als bedoeld
                    in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen) </al><al>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden
                    als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening (vervallen) Artikel 3
                    Funderingsplan (vervallen) </al><al>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen)</al><al> Artikel 5 Bouwveiligheidsplan (vervallen) </al><al>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen) </al><al>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen) </al><al><vet><cursief>Bijlage 2 </cursief>Gegevens en bescheiden aanvraag
                        gebruiksvergunning (vervallen) </vet>Bijlage behorende bij artikel 6.1.2
                    Artikel 1 (vervallen) Artikel 2 (vervallen) Artikel 3 (vervallen) </al><al><vet><cursief>Bijlage 3 </cursief>Gebruikseisen voor bouwwerken
                        (vervallen)</vet></al><al>Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, eerste lid Artikel 1 </al><al>Vrijhouden van terreingedeelten (vervallen)</al><al> Artikel 2 Elektrische installaties en toestellen (vervallen) </al><al>Artikel 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden (vervallen) </al><al>Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rookgassen (vervallen) </al><al>Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur (vervallen) </al><al>Artikel 6 Blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties (vervallen) Artikel
                    7 Brandweerlift (vervallen) </al><al>Artikel 8 Brandmeldinstallatie (vervallen) </al><al>Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie (vervallen) </al><al>Artikel 10 Automatische brandblusinstallatie (vervallen) </al><al>Artikel 11 Brandslanghaspels en de bijbehorende pompinstallaties (vervallen) </al><al>Artikel 12 Automatisch werkende deuren (vervallen) </al><al>Artikel 12A Deuren van overdruktrappenhuizen (vervallen) </al><al>Artikel 13 Kwaliteit van vluchtrouteaanduiding (vervallen)</al><al> Artikel 14 Gasflessen (vervallen) </al><al>Artikel 15 Rook- en warmteafvoerinstallatie (vervallen) </al><al>Artikel 16 Overdrukinstallatie (vervallen)</al><al> Artikel 17 Onderhoud van rook- en brandscheidingen (vervallen) </al><al>Artikel 18 Brandweeringang (vervallen) </al><al>Artikel 19 Logboek (vervallen) </al><al>Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale bedrijfsuitoefening
                    (vervallen) </al><al>Artikel 21 Rookmelders in woningen (vervallen) </al><al>Artikel 22 Roltrap (vervallen) </al><al>Artikel 23 Garantiecertificaat (vervallen)</al><al> Artikel 24 Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes (vervallen) </al><al>Artikel 25 Bluswaterwinplaats op eigen terrein (vervallen) </al><al/><al><vet><cursief>Bijlage </cursief>4 </vet></al><al><vet>Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-
                        gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties (vervallen)</vet></al><al>Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, tweede lid </al><al>Artikel 1 Uitgangen en vluchtroutes (vervallen) </al><al>Artikel 2 Bekleding, stoffering en versiering (vervallen) </al><al>Artikel 3 Elektrische verlichting (vervallen) </al><al>Artikel 4 Aanduiding van blusmiddelen (vervallen) </al><al>Artikel 5 Toepassen van vuurwerk binnen een gebouw (vervallen) </al><al><vet>Artikel 6 Opstelling van inventaris (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 7 Afval (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 8 Periodieke controle van draagbare blustoestellen (vervallen)
                    </vet></al><al><vet>Artikel 9 Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaal (vervallen)
                    </vet></al><al><vet>Artikel 10 Glas (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 11 Textiel in horizontale toepassing (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 12 Toepassing van kunststof foliemateriaal, behangpapier,
                        crêpepapier of fotopapier (vervallen) </vet></al><al/><al><vet><cursief>Bijlage 5 </cursief>Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen)
                    </vet></al><al>Bijlage behorend bij artikel <vet><cursief>6.2.2</cursief></vet></al><al><vet><cursief>Bijlage 6 </cursief>Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen)
                    </vet></al><al><vet><cursief>Bijlage </cursief>7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van
                        de buitenriolering op erven en terreinen </vet></al><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6,
                    zesde lid, zijn de volgende: </al><al>a NEN 7002, uitgave 1968, ‘Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen’ (met
                    correctieblad d.d. december 1979); </al><al>b NEN 7003, uitgave 1968, ‘Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen’ (met
                    correctieblad d.d. december 1979); </al><al>c NEN 7013, uitgave 1980, ‘Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                    buitenrioleringen’; </al><al>d NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, ‘Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                    buitenriolering — Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) — Deel 1. Eisen voor buizen,
                    hulpstukken en het systeem’ (Engelstalig); </al><al>e NEN-EN 295-1, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                    aanvullingsbladen Al, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven
                    1999— Deel 1. Eisen’ (Engelstalig); </al><al>f NEN-EN 295-2, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                    aanvullingsblad Al, uitgegeven 1999 — Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername’
                    (Engelstalig); g NEN-EN 295-3, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken,
                    alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval — Deel 3.
                    Beproevingsmethoden’ (Engelstalig). </al><al><vet><cursief>Bijlage 8 </cursief></vet></al><al><vet>Checklist voor de visuele inspectie van </vet>woningen en daarmee
                        <vet>vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest (Vervallen)
                    </vet></al><al><vet><cursief>Bijlage </cursief>9 Reglement van orde van de welstandscommissie
                    </vet>Reglement op de gemeentelijke welstandsadvisering Commissie met 2 leden
                        <vet>Inhoud </vet></al><al>1. Begripsbepalingen </al><al>2. Onafhankelijkheid</al><al> 3. Samenstelling en benoeming van de commissie </al><al>3.1 Samenstelling </al><al>3.2 Benoeming en zittingsduur </al><al>4. Taakomschrijving </al><al>4.1 Taken van de commissie </al><al>4.1.1 Wettelijke taken </al><al>4.1.2 Niet wettelijk verplichte taken </al><al>4.2 Taakomschrijving commissieleden </al><al>4.2.1 Taken rayonarchitect als voorzitter van de commissie</al><al> 4.2.2 Verdere taken van de rayonarchitect </al><al>4.2.3 Taken extern architectlid </al><al>4.2.4 Taken externe deskundigen </al><al>4.2.5 Taken secretaris </al><al>5. Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht 6. Werkwijze van de commissie </al><al>6.1 Vooroverleg </al><al>6.2 Openbare vergadering van de commissie </al><al>6.2.1 Locatie, jaarrooster en agenda </al><al>6.2.2 Toelichting opdrachtgever/ontwerper — spreekrecht </al><al>6.3 Het advies </al><al>7. Afwijking van het advies / second opinion </al><al>8. Evaluatie en aanpassing van de welstandsnota </al><al>9. Excessenregeling </al><al><vet>1. Begripsbepalingen </vet></al><al>a. het college : het college van burgemeester en wethouders </al><al>b. de welstandscommissie de gemeentelijke welstandscommissie, een externe
                    onafhankelijke instelling of partij als bedoeld in artikel 2.1. </al><al>c. de secretaris de door het college aangewezen ambtenaar, die de commissie
                    bijstaat </al><al>d. reglement het Reglement op de gemeentelijke welstandsadvisering </al><al>e. aanvraag : een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een
                    bouwwerk dat geheel of gedeeltelijk ziet op het bouwen van een bouwwerk (ex art.
                    2.1, lid 1, sub a van de Wabo) </al><al>f. advies : advies als bedoeld in art. 2.26, lid 3 en 4 van de Wabo, in
                    combinatie met art. 6.2 lid 1 en 2 van de Bor. </al><al><vet>2. Onafhankelijkheid </vet></al><al><vet>1. </vet>De gemeenteraad wijst een welstandscommissie (hierna te noemen: de
                    commissie) aan, die aan het college advies uitbrengt over de vraag of het
                    uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is ingediend, in strijd zijn met redelijke
                    eisen van welstand. </al><al>2. De commissie voert haar taak uit in onafhankelijkheid. </al><al><vet>3. Samenstelling en benoeming van de commissie </vet></al><al><vet><cursief>3.1 Samenstelling</cursief></vet></al><al>1. De commissie bestaat uit een extern architectlid en een rayonarchitect.
                    Beiden zijn deskundig op het terrein van architectuur en aanverwante
                    vakgebieden. Wanneer de vaste commissieleden verhinderd zijn zorgt de commissie
                    voor deskundige plaatsvervangende leden. </al><al>2. De rayonarchitect zit de commissie voor. </al><al>3. De commissie kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door externe
                    deskundigen. Dit betreft disciplines als stedenbouw, architectuurhistorie,
                    bouwhistorie, landschapsarchitectuur, etc. Voor zover hier kosten aan zijn
                    verbonden, zullen deze alleen worden vergoed, nadat tevoren toestemming is
                    verleend door de gemeente. </al><al>4. Afhankelijk van het type plan dat moet worden behandeld, nemen de in lid 3
                    genoemde deskundigen deel aan de vergadering. Zij hebben geen stemrecht. </al><al>5. De commissie kan slechts adviezen uitbrengen als beide leden of hun
                    plaatsvervangers aanwezig zijn. </al><al>6. In afwijking van het vorige lid kan de commissie de advisering over de
                    welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen
                    mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid c.q.
                    de aangewezen leden (voorzitter en/of secretaris) adviseren over bouwplannen
                    waarvan volgens hen het oordeel van de commissie als bekend mag worden
                    verondersteld. </al><al><vet><cursief>3.2 Benoeming en zittingsduur </cursief></vet></al><al>1. De commissie doet voor elke nieuwe zittingstermijn een voordracht voor
                    commissieleden en hun plaatsvervangers aan de burgemeester en wethouders. Indien
                    gewenst vindt hierover vooroverleg plaats tussen de gemeente en de commissie. </al><al>2. De gemeenteraad benoemt en ontslaat de leden van de commissie en hun
                    plaatsvervangers door in te stemmen met de voordracht. De commissie draagt zorg
                    voor een correcte uitvoering van benoeming en ontslag van de leden en hun
                    plaatsvervangers. 42 </al><al>3.De leden en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van ten
                    hoogste drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens drie jaar. </al><al>4. Bij afwezigheid van het extern architectlid en/of de rayonarchitect treden
                    plaatsvervangers op in de commissievergadering. </al><al>5. De rayonarchitect, het extern architectlid en hun plaatsvervangers zijn
                    onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur en de gemeentelijke
                    Organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties op basis waarvan het advies
                    over de welstandsaspecten wordt beïnvloed. </al><al><vet>4. Taakomschrijving </vet></al><al/><al><vet><cursief>4.1 Taken van de commissie </cursief></vet>De commissie is belast
                    met zowel wettelijk verplichte als niet wettelijk verplichte taken. De wettelijk
                    verplichte taken worden uitgevoerd op grond van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (Wabo) en de Woningwet. De commissie is beleidsmatig gebonden aan
                    het gemeentelijke welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke
                    welstandsnota. </al><al><cursief>4.1.1 Wettelijke taken </cursief></al><al>1-. <onderstreept>Toetsing van vergunningplichtige bouwwerken
                    </onderstreept></al><al>De commissie adviseert het college over de welstandsaspecten van een bouwplan in
                    verband met de toetsing aan artikel 2.10, eerste lid, onderdeel d, van de Wabo
                    en artikel 12 en 12a van de Woningwet. </al><al>2 <onderstreept>Jaarverslag commissie</onderstreept></al><al>De commissie legt de gemeenteraad één maal per jaar een verslag voor van de door
                    haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste uiteen
                    op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria. Tenminste
                    één maal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een evaluatiegesprek
                    plaats tussen een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de commissie. </al><al/><al><cursief>4.1.2 Niet wettelijk verplichte taken </cursief></al><al>1.De gemeente kan opdracht geven aan de commissie om onder regie van de gemeente
                    en op verzoek van de commissie, de gemeente of de aanvrager, noodzakelijk geacht
                    vooroverleg te voeren met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen. </al><al>2. De commissie zal desgevraagd adviseren in het geval van: </al><al>a) excessen: buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor
                    niet- deskundigen evident zijn;</al><al> b) de beoordeling van aanvragen voor reclames (inzake de gemeentelijke APV). </al><al>3. Verdere niet wettelijk verplichte taken zijn bijvoorbeeld: - desgewenst zal
                    de commissie tijd inruimen voor een vast inloopspreekuur. Belanghebbenden kunnen
                    daarin advies van de commissie krijgen ten behoeve van de voorbereiding van
                    bouwplannen. De afspraken voor dit inloopspreekuur worden door de secretaris
                    gemaakt. Overigens wordt het spreekuur gestructureerd naar analogie van het
                    bepaalde in artikel 6.2; - de herziening van de welstandsnota; - het desgevraagd
                    adviseren op basis van welstandseisen op zienswijzen, bezwaarschriften etc. De
                    in dit derde lid genoemde taken worden als maatwerk beschouwd en zullen
                    afzonderlijk in rekening worden gebracht. </al><al><vet><cursief>4.2 Taakomschrijving commissieleden </cursief></vet></al><al><cursief>4.2.1 Taken rayonarchitect als voorzitter van de commissie
                    </cursief></al><al><cursief>1. </cursief>De rayonarchitect is verantwoordelijk voor het
                    functioneren van de commissie en de kwaliteit van de advisering. De
                    rayonarchitect ziet erop toe dat de commissie adviseert binnen de kaders van het
                    gemeentelijk welstandsbeleid. </al><al>2. Tijdens de openbare vergadering treedt de rayonarchitect op als gastheer voor
                    de aanwezigen. Hij legt in het kort de vergaderprocedure uit en informeert wie
                    van de aanwezige belanghebbenden op zijn of haar plan een toelichting wil geven.
                    Indien een plan in vooroverleg is besproken geeft de rayonarchitect een korte
                    samenvatting van hetgeen in dat stadium van het plan proces is besproken. </al><al>3. De rayonarchitect geeft leiding aan de vergadering en bewaakt de voortgang
                    van de agenda. Hij geeft na de inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag
                    voor alle aanwezigen een korte en heldere samenvatting. </al><al>4. Bij het overleg met de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de pers
                    treedt de rayonarchitect namens de commissie naar buiten.</al><al> 5. De rayonarchitect houdt met het medelid/de medeleden van zijn commissie een
                    jaarlijkse, inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden. De resultaten worden
                    opgenomen in het jaarlijkse verslag van de commissie aan de gemeenteraad. </al><al><cursief>4.2.2 Verdere taken van de rayonarchitect </cursief></al><al>1. De rayonarchitect onderhoudt de contacten met het gemeentebestuur en de
                    relevante gemeentelijke diensten.</al><al> 2. Indien een adviesaanvrage niet is voorzien van de in artikel 5 genoemde
                    bescheiden, en hierdoor een afgewogen advisering niet mogelijk is, neemt de
                    rayonarchitect de adviesaanvraag niet voor behandeling in de commissie aan. </al><al>3. De rayonarchitect legt de conclusie over een bouwplan vast in een
                    schriftelijk advies en voorziet die conclusie van een motivering. </al><al>4. De rayonarchitect is verantwoordelijk voor het spreekuur indien dat in de
                    gemeente bestaat en legt van elk gevoerd gesprek puntsgewijs de gemaakte
                    afspraken vast. </al><al><cursief>Taken extern architectlid </cursief></al><al><cursief>1. </cursief>Het extern architectlid geeft op basis van zijn
                    deskundigheid een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen.</al><al> 2. Wanneer hij een zakelijke binding heeft met een plan waarvoor advies wordt
                    gevraagd, wordt hij voor de betreffende vergadering vervangen. </al><al>3. Het extern architectlid overlegt tijdens de vergadering met aanvragers,
                    architecten en andere ontwerpers en hoort eventuele belanghebbenden. </al><al>4. Hij tekent de in 6.3 bedoelde adviezen voor akkoord. </al><al><cursief>Taken externe deskundigen </cursief></al><al>De aan de commissievergadering deelnemende externe deskundigen geven vanuit hun
                    ervaring en inzicht in het vakgebied een onafhankelijke visie op de
                    adviesaanvragen. Wanneer een extern deskundige een zakelijke binding heeft met
                    een plan waarvoor advies wordt gevraagd, dan laat hij zich voor de betreffende
                    commissievergadering vervangen. </al><al><cursief>Taken secretaris </cursief>1. De secretaris verzamelt relevante
                    informatie en bereidt de behandeling in de commissie voor. Hij voorziet de
                    commissie van de benodigde bescheiden. Relevante informatie voor het beoordelen
                    van plannen is/zijn: </al><al>a. de gemeentelijke welstandsnota; </al><al>b. de bestemmingsplanbepalingen; </al><al>c. de beeldkwaliteitsplannen;</al><al> d. luchtfoto’s (indien mogelijk); </al><al>e. het stedenbouwkundig advies of advies ruimtelijke ontwikkeling; </al><al>f. informatie over eerdere behandeling(en) van het plan; </al><al>g. vergelijkbare aanvragen die door de commissie zijn beoordeeld. 2. De
                    secretaris stelt, zo nodig in overleg met de rayonarchitect, de agenda voor de
                    vergadering vast. 3. Hij is verantwoordelijk voor het openbaar maken van de
                    agenda van de vergaderingen van de commissie. 4. De secretaris is geen benoemd
                    lid van de commissie en heeft geen stemrecht. </al><al><vet>5. Werkwijze ‘Bouw- en Woningtoezicht’ </vet></al><al><vet>1-- </vet>Een advies kan worden gevraagd over alle plannen waarvoor een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen wordt aangevraagd. De ambtenaar BWT draagt
                    er zorg voor dat de commissie inzicht heeft in de planologische aanvaardbaarheid
                    van het plan, en bij strijdigheid met planologische aspecten inzicht heeft in de
                    aard van de strijdigheid. </al><al>2. De ambtenaar BWT controleert of plannen (inclusief de plannen die worden
                    aangeboden voor vooroverleg) voldoen aan de indieningsvereisten als genoemd in
                    de Mor. Onder ‘hoofdstuk 2. indieningsvereisten vanwege bouwactiviteiten’ zijn
                    hier als vereiste bescheiden aangegeven: </al><al>a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van
                    belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe
                    omgeving past; </al><al>b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; </al><al>c. kleurenfoto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; </al><al>d. opgave van de toe te passen bouwmaterialen en de kleur daarvan (uitwendige
                    scheidingsconstructie). In ieder geval worden opgegeven het materiaal en de
                    kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken,
                    dakgoten en boeidelen en de dakbedekking. Verder dienen tekeningen t.b.v. een
                    aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit te voldoen aan de volgende
                    voorwaarden: </al><al>1. De aanvrager voorziet de tekeningen bij de aanvraag om een vergunning voor
                    een bouwactiviteit van een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding. </al><al>2. Tenzij artikel 5.8 van toepassing is, geldt voor de volgende tekeningen de
                    daarbij genoemde maximaal toe te passen schaal: </al><al>a. situatietekeningen: 1:1000; </al><al>b. geveltekeningen, plattegronden en doorsneden: 1°. bouwwerken kleiner dan
                    10.000 m2 bruto vloeroppervlakte: 1:100; 2°. bouwwerken 10.000 m2 of groter
                    bruto vloeroppervlakte: 1:200; c. detailtekeningen: 1:5 of 1:10 of 1:20. </al><al>3. Uit de situatietekening blijkt de oriëntatie van het bouwwerk op het perceel
                    en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen (noord pijl). 3. De gegevens,
                    en zo mogelijk ook de bescheiden, worden voor aanvang van de vergadering
                    digitaal aan de rayonarchitect aangeleverd. </al><al><vet>6. Werkwijze van de commissie </vet></al><al><vet><cursief>6.1 Vooroverleg </cursief></vet></al><al>1. De gemeente kan een nog niet formeel ingediende aanvraag ter advisering
                    voorleggen aan de commissie. </al><al>2. Van dat vooroverleg wordt een verslag gemaakt, dat met de besproken
                    bescheiden in een projectdossier wordt opgenomen.</al><al> 3. Het vooroverleg vindt, wanneer de aanvrager daarom verzoekt, in beslotenheid
                    plaats. </al><al><vet><cursief>6.2 Openbare vergadering van de commissie </cursief></vet></al><al><cursief>6.2.1 Locatie, jaarrooster en agenda </cursief></al><al>1. De commissie vergadert wekelijks, en wel om en om in de gemeente MilI en
                    SintHubert en in de gemeente Sint-Anthonis, op een vaste locatie, een vaste dag
                    en een vast tijdstip, volgens een tevoren per kalenderjaar vast te stellen
                    rooster.</al><al> 2. De data en tijdstippen van de vergaderingen worden opgenomen in het
                    jaarrooster. Deze data en tijdstippen en de locatie van iedere vergadering
                    worden tijdig vx5r de vergadering openbaar gemaakt in een van overheidswege
                    uitgegeven blad of een dag- nieuws- of huis-aan-huisblad dan wel op een andere,
                    naar het oordeel van de colleges van burgemeester en wethouders van de in lid 1
                    genoemde gemeenten (hierna te noemen: de colleges) geschikte wijze. </al><al>3. De agenda van de vergadering van de commissie wordt tijdig voor die
                    vergadering bekend gemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-,
                    nieuws- of huis-aan-huisblad dan wel op een andere, naar het oordeel van het de
                    colleges, geschikte wijze </al><al>4. De vergaderingen van de commissie en de adviezen zijn openbaar, tenzij de
                    voorzitter, het college of de belanghebbende van oordeel is dat er op grond van
                    artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur klemmende redenen aanwezig zijn
                    voor geheimhouding. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen als voor
                    het formuleren van de conclusie c.q. het advies. </al><al/><al><cursief>6.2.2 Toelichting opdrachtgever / ontwerper </cursief>—
                        <cursief>spreekrecht </cursief></al><al>De aanvrager of diens gemachtigde kan (al dan niet op verzoek van de commissie)
                    in de vergadering van de commissie waarin het betreffende plan wordt behandeld,
                    dit plan nader toelichten. Zij kunnen dit vermelden op het daarvoor bestemde
                    formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de
                    uitnodigingen. </al><al/><al><vet><cursief>6.3 Het advies </cursief></vet></al><al>De commissie toetst het plan aan het gemeentelijk welstandsbeleid
                    (welstandsnota). </al><al>2. De commissie formuleert het uit te brengen advies in heldere en duidelijk
                    toetsbare bewoordingen. Het gebruik van abstracte taal en jargon wordt tot een
                    noodzakelijk minimum beperkt. </al><al>3. Het advies wordt direct geformuleerd en bij de gemeente achtergelaten, of zo
                    spoedig mogelijk na de vergadering ondertekend toegestuurd aan de gemeente. </al><al>4. Een welstandsadvies kan de volgende uitkomst hebben: Voldoet: De commissie is
                    van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet
                    in strijd is met redelijke eisen van welstand. Desgewenst motiveert de commissie
                    haar advies schriftelijk. </al><al/><al><vet>Voldoet mits (voldoet niet tenzij): </vet>De commissie is van mening dat
                    het plan op onderdelen niet voldoet aan de toetsingscriteria uit de
                    welstandsnota, tenzij tegemoet gekomen wordt aan de geformuleerde bezwaren op
                    die punten. De commissie omschrijft nauwkeurig welke onderdelen van het plan
                    bezwaarlijk zijn. In het geval het college het advies overneemt, krijgt de
                    aanvrager, voor zover dit nog past binnen de beschikbare beslistermijn, de
                    gelegenheid om de plannen te wijzigen en aan de bezwaarpunten tegemoet te komen. </al><al><vet>Voldoet niet:</vet></al><al>De commissie is van oordeel dat het plan strijdig is met redelijke eisen van
                    welstand. Een negatief welstandsadvies betekent dat indien het college het
                    advies overneemt, het bouwplan ingrijpend gewijzigd moet worden. Een negatief
                    advies wordt nauwkeurig schriftelijk gemotiveerd. Hierin staat een korte
                    omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing
                    zijnde welstandscriteria, een samenvatting van de beoordeling van het plan op
                    die punten en een aanbeveling tot aanpassing van het plan. </al><al><vet>Aanhouden: </vet></al><al>De commissie kan het advies aanhouden waarbij Bouw- en Woningtoezicht aangeeft
                    of en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende beslistermijn - wanneer: a)
                    meer informatie of een toelichting van de opdrachtgever/ontwerper noodzakelijk
                    is voor een goede beeldvorming en een afgewogen beoordeling. b) de commissie van
                    oordeel is dat bijzondere omstandigheden nopen tot afwijking van het
                    gemeentelijk welstandsbeleid. Zij geeft dan gemotiveerd aan op grond waarvan
                    afwijking gerechtvaardigd is. </al><al><vet>7. Afwijking van het advies second opinion </vet></al><al>1. Het college kan bij het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning
                    voor het bouwen afwijken van het advies van de commissie, indien hij van mening
                    is dat de commissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft
                    geïnterpreteerd of toegepast. De redenen voor de afwijking worden bij de
                    bekendmaking van het besluit vermeld. Alvorens definitief te beslissen biedt het
                    college de commissie de mogelijkheid van heroverweging van het eerder
                    uitgebrachte advies. </al><al>2. Het college heeft op grond van artikel 2.10 lid Id van de Wabo de
                    mogelijkheid om bij strijd igheid van een bouwplan met redelijke eisen van
                    welstand toch een omgevingsvergunning voor het bouwen te verlenen, indien hij
                    van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend. De
                    afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen gemotiveerd. </al><al>3. Het college kan eventueel op advies van de commissie gemotiveerd afwijken van
                    de in de gemeentelijke welstandsnota vastgelegde welstandscriteria. Dat kan in
                    het geval dat een bouwplan niet voldoet aan de welstandscriteria, maar wel
                    voldoet aan redelijke eisen van welstand. In die gevallen moet worden verwezen
                    naar de algemene beoordelingscriteria die in de welstandnota zijn opgenomen. </al><al>4. Indien het college zich niet kan verenigen met het advies van de commissie,
                    kan hij een ‘second opinion’ inwinnen bij een andere commissie. Alvorens daartoe
                    over te gaan stelt het college de commissie daarvan op de hoogte. </al><al><vet>8. Evaluatie en aanpassing van de welstandsnota</vet></al><al>1. Het college brengt aan de gemeenteraad jaarlijks verslag uit over de
                    uitvoering van het welstandsbeleid. Voor de aspecten die in dit verslag
                    tenminste aan de orde moeten komen, wordt verwezen naar artikel 12b van de
                    Woningwet (zie bijlage). </al><al>2. Tenminste één maal per jaar vindt een evaluatiegesprek plaats tussen een
                    vertegenwoordiging van de colleges, de commissie en een vertegenwoordiger van
                    het management van de SRE Milieudienst. </al><al>3. De gemeenteraad beslist op grond van de jaarverslagen en evaluaties over
                    eventuele aanvullingen en/of aanpassingen van de gemeentelijke welstandsnota. </al><al><vet>9. Excessenregeling </vet></al><al>Het uiterlijk van bestaande bouwwerken mag niet in ernstige mate strijdig zijn
                    met redelijke eisen van welstand, beoordeeld aan de hand van de hiertoe
                    opgenomen criteria uit de welstandsnota. Ook de omgevingsvergunningvrije
                    bouwwerken vallen onder dit repressieve welstandsvereiste dat is opgenomen in
                    artikel 12, eerste lid, van de Ww. (artikel 5.2,
                        <cursief>Repressiefwelstandsvereiste, </cursief>in Bijlage II van de nota
                    van toelichting bij de Bor.) Het college kan de commissie vragen te adviseren
                    over de vraag of het uiterlijk van: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering
                    van een bouwwerk, niet zijnde een seizoensgebonden bouwwerk, waarvoor in de
                    omgevingsvergunning is bepaald dat dit slechts voor een bepaalde periode in
                    stand mag worden gehouden: b. een te bouwen bouwwerk voor het bouwen waarvan, op
                    grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wabo, geen omgevingsvergunning is
                    vereist, in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. Dat is
                    het geval wanneer het gaat om buitensporigheden in het uiterlijk van een
                    bouwwerk, die ook voor niet- deskundigen evident zijn. Hiervoor zijn in de
                    welstandsnota criteria opgenomen in het hoofdstuk of de paragraaf
                    “excessenregeling”. </al><al><vet>Bijlage </vet></al><al>Burgemeester en wethouders leggen de gemeenteraad één maal per jaar een verslag
                    voor waarin zij ten minste uiteenzetten: a. op welke wijze zij zijn omgegaan met
                    de adviezen van de commissie; b. in welke categorieën van gevallen zij de
                    aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen niet aan de commissie
                    hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben
                    gegeven aan criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a van de
                    Woningwet; c. in welke gevallen waarin niet is of wordt voldaan aan artikel 12,
                    eerste lid van de Woningwet, zij zijn overgegaan tot toepassing van
                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. </al><al><vet>Bijlage 10 Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)
                        (vervallen) </vet></al><al><vet>Bijlage 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsintallatie)
                        (vervallen) </vet></al><al><vet>Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8
                        (vluchtrouteaanduiding)(vervallen) </vet></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>