<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR13428_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening gemeente Aa en Hunze 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Aa en Hunze</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Aa en Hunze</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Schakel, 21-04-2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening gemeente Aa en Hunze 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Brandweerwet/article=12">Brandweerwet, art. 12 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-04-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-04-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-10-24</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2004/28-5</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening gemeente Aa en Hunze 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>gelet op de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Brandweerwet%201985%20/article=12%20">artikel 12 van de Brandweerwet 1985</extref> (Stb. 87);</al><al>besluit:</al><lijst><li nr="a."><al>in te trekken:</al></li><li nr=""><al>“Brandbeveiligingsverordening Aa en Hunze 2000.”</al></li><li nr="b."><al>vast te stellen de volgende verordening:</al></li><li nr=""><al>“Brandbeveiligingsverordening gemeente Aa en Hunze 2004.” </al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Onder inrichting wordt verstaan: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                        begrensde plaats.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze verordening is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in de
                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet">Woningwet</extref> en de <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/regelingen/Bouwverordening-gemeente-Aa-en-Hunze/13-12-2007">Bouwverordening</extref>.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Vergunning gebruik inrichting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het
                                college een inrichting in gebruik te hebben of te houden, waarin: </al><lijst><li nr="a."><al>meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen
                                        zijn;</al></li><li nr="b."><al>bedrijfsmatig de in artikel 2.2.2. bedoelde stoffen zullen
                                        worden opgeslagen;</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan tien personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                        verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;</al></li><li nr="d."><al>aan personen in het kader van de Wet op de bejaardenoorden
                                        huisvesting zal worden verschaft;</al></li><li nr="e."><al>aan meer dan tien personen jonger dan twaalf jaar, of aan
                                        meer dan tien lichamelijk en/of geestelijk gehandicapte
                                        personen dagverblijf zal worden verschaft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan aan de vergunning voorschriften verbinden in het
                                belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het
                                beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen
                                bij brand.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer er een verandering is in de inzichten of omstandigheden
                                gelegen buiten de inrichting – opgetreden na het verlenen van de
                                vergunning, kan dit leiden tot verbinden van nieuwe voorschriften
                                aan de vergunning of dat bestaande voorschriften worden gewijzigd of
                                ingetrokken. De bevoegdheid daartoe ligt bij het college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Weigeren vergunning</titel></kop><al>Een vergunning moet worden geweigerd indien de in de aanvraag vermelde wijze
                        van gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie
                        redelijkerwijze niet geacht kan worden een brandveilig gebruik te zijn en
                        door het stellen van voorschriften geen voldoende brandveilig gebruik kan
                        worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Intrekken vergunning</titel></kop><al>Het college kan een vergunning intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van door de aanvrager
                                onjuiste of onvolledige gegevens hebben verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een
                                voorschrift van de vergunning;</al></li><li nr="c."><al>van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het
                                onherroepelijk worden van de vergunning, dan wel de datum of periode
                                waarop of waarin een activiteit is voorzien waarvoor de vergunning
                                is verleend, is verstreken zonder dat bedoelde activiteit heeft
                                plaatsgevonden;</al></li><li nr="d."><al>van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen
                                gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="e."><al>het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond
                                van een verandering van de inzichten en/of verandering van de
                                omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het
                                verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het
                                stellen of wijzigen van voorschriften dat belang voldoende te
                                beschermen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>In de inrichting waar de activiteiten plaatsvinden waarop de vergunning
                        betrekking heeft moet de vergunning aanwezig zijn en moet op verzoek van
                        degene die is belast met de zorg voor de naleving van deze verordening, ter
                        inzage worden gegeven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Gebruikseisen voor inrichtingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een inrichting te gebruiken, indien de wijze van
                                gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie
                                niet geacht kan worden een brandveilig gebruik te zijn.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een inrichting te gebruiken in strijd met de
                                gebruikseisen zoals die per onderwerp vermeld staan in de van
                                overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 3 bij de <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/regelingen/Bouwverordening-gemeente-Aa-en-Hunze/13-12-2007">Bouwverordening</extref>.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het gestelde in het tweede lid, is het verboden een
                                inrichting niet zijnde een woonschip, uitgezonderd een woonschip
                                waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid van bewoners in
                                combinatie met permanente aanwezigheid van personeel en begeleiding
                                van bewoners, te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per
                                onderwerp vermeld in de van overeenkomstige toepassing zijnde
                                bijlage 4 bij de <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/regelingen/Bouwverordening-gemeente-Aa-en-Hunze/13-12-2007">Bouwverordening</extref>.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan het vijfde en zesde lid van <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/regelingen/Bouwverordening-gemeente-Aa-en-Hunze/13-12-2007">artikel 3 van bijlage 3 van de Bouwverordening</extref>, buiten
                                toepassing verklaren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Verbod stoffen aanwezig te hebben</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit
                                brandveiligheid, (alsmede artikel ll van de Regeling tot wijziging
                                daarop) in, op of nabij een inrichting aanwezig te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: </al><lijst><li nr="a."><al>het voorhanden hebben van huishoudelijke en al het andere
                                        niet-bedrijfsmatige gebruik van de in het eerste lid
                                        bedoelde stoffen, indien dit de in <extref doc="http://aaenhunze.regelingenbank.nl/regelingen/Bouwverordening-gemeente-Aa-en-Hunze/13-12-2007">bijlage 5 van de Bouwverordening</extref> aangegeven
                                        maximum hoeveelheden niet overschrijdt;</al></li><li nr="b."><al>het voorhanden hebben van de in het eerste lid bedoelde
                                        stoffen in een inrichting waarvoor een vergunning
                                        overeenkomstig artikel 2.1.1. is verleend;</al></li><li nr="c."><al>de brandstof in een inrichting tot het bewaren, bezigen of
                                        afleveren van vloeibare brandstoffen;</al></li><li nr="d."><al>de brandstof in het reservoir bij een
                                        verbrandingsmotor;</al></li><li nr="e."><al>de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een
                                        ander warmte-ontwikkelend toestel.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij het bepalen van de hoeveelheden als bedoeld in het tweede lid,
                                onder a, worden de inhoudsmaten van vaatwerk dat gedeeltelijk is
                                gevuld met een vloeistof als bedoeld in dat lid volledig
                                meegerekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Opslag en verwerking stoffen</titel></kop><al>Stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (alsmede
                        artikel ll van de Regeling tot wijziging daarop) moeten worden opgeslagen
                        volgens de in bijlage 6 van de Bouwverordening aangegeven wijze.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</titel></kop><al>De rechthebbende op een inrichting, ten behoeve waarvoor een
                        bluswaterwinplaats aanwezig is, is verplicht deze zodanig te onderhouden,
                        dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kan worden
                        beschikt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Gebruik middelen en voorziening</titel></kop><al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen of te
                        hebben dat daardoor het onmiddellijke gebruik of de zichtbaarheid wordt
                        belemmerd van:</al><lijst><li nr="a."><al>middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij een
                                bestrijding van brand;</al></li><li nr="b."><al>middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van personen
                                en dieren bij brand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Verrichten van werkzaamheden</titel></kop><al>Bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds-, herstellings-,
                        wijzigings-, of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen als bedoeld in de
                        Regeling Bouwbesluit brandveiligheid, (alsmede artikel ll van de Regeling
                        tot wijziging daarvan), of gereedschappen worden gebruikt, waarvan het
                        gebruik aanleiding kan geven tot het ontstaan van brand, moeten voldoende
                        maatregelen zijn getroffen tegen het ontstaan van brand.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Verbod open vuur en roken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te roken of vuur te hebben: </al><lijst><li nr="a."><al>in een ruimte in gebruik als opslagplaats van één of meer
                                        van de stoffen genoemd in de Regeling Bouwbesluit
                                        brandveiligheid, (alsmede artikel ll van de Regeling tot
                                        wijziging daarvan), onder a tot en met h;</al></li><li nr="b."><al>bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van
                                        brandbare vloeistoffen en (of) gassen kunnen
                                        veroorzaken;</al></li><li nr="c."><al>bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandbare
                                        vloeistof of een brandbaar gas.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Van het verbod gesteld in het eerste lid kan het college ontheffing
                                verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Verboden handelingen met stoffen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een brandbaar gas of gasmengsel uit een vat te doen
                                overstromen in een ander vat dat niet bestemd of ingericht is om dat
                                gas of gasmengsel te bevatten.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden gassen of gasmengsels in drukvaten of in leidingen
                                te verwarmen.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden een brandbaar gas te bezigen voor het vullen van
                                speelgoed, hobby- en sportartikelen, anders dan luchtvaartuigen
                                bedoeld in de Regeling inzake het met bepaalde luchtvaartuigen
                                opstijgen van en landen op alsmede het inrichten van niet als
                                luchtvaartterreinen aangewezen terreinen.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden een brandbare vloeistof, een brandbaar gas of
                                gasmengsel of een brandbare damp te laten wegstromen op zodanige
                                wijze dat daardoor brand kan ontstaan.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden gloeiende vaste stoffen op te slaan, te vervoeren of
                                weg te gooien op zodanige wijze dat daardoor brand kan
                                ontstaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                        onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De eigenaar van een naaldhoutbos, een heideveld, een veen of een
                                ander terrein, dat met brandbare gewassen is begroeid, is verplicht
                                – na een van het college ontvangen aangetekende brief – de
                                voorschriften op te volgen, die het college van burgemeester en
                                wethouders in die brief geeft tot het voorkomen van brand en het
                                beperken van de gevolgen van brand.</al></li><li nr="2."><al>Onder een in het eerste lid genoemd naaldhoutbos wordt verstaan elke
                                aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand, die voor meer dan
                                de helft bestaat uit naaldhout.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Toezicht op de naleving</titel></kop><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt
                        opgedragen aan ambtenaren van de brandweer en daartoe door het college
                        aangewezen ambtenaren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Strafbepaling</titel></kop><al>Overtredingen van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt
                        gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde
                        categorie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                            gebruiksvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag om gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 2.1.1 van
                                de brandbeveiligingsverordeningen vastgesteld bij raadsbesluit d.d.
                                23 december 1999, alsmede enig beroep, ingesteld tegen een
                                beslissing omtrent een dergelijke aanvraag, wordt afgedaan op grond
                                van genoemde brandbeveiligingsverordening en alle daarin
                                aangebrachte wijzigingen.</al></li><li nr="2."><al>Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 2.1.1 van de
                                brandbeveiligingsverordeningen vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 23
                                december 1999, geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel
                                3, voor zover deze niet krachtens overgangsrecht van de
                                Bouwverordening geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel
                                6.1.1. van de Bouwverordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Intrekking en inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening “Brandbeveiligingsverordening Aa en Hunze 2000” wordt
                                ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op 20 april 2004, zijnde de dag
                                na bekendmaking, met inachtneming van het bepaalde in artikel 25 lid
                                1 Tijdelijke referendumwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “Brandbeveiligingsverordening
                        gemeente Aa en Hunze 2004”.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad der gemeente Aa en
                        Hunze, gehouden op</ondertekening><ondertekening>14 april 2004.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>T. Santes Drs. R.W. Munniksma.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>TOELICHTING BRANDVEILIGHEIDSVERORDENING</vet></al><al>Algemene toelichting</al><al>De Brandbeveiligingsverordening regelt het brandveilig gebruik van inrichtingen.
                    De werkingssfeer is in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Brandweerwet%201985%20/article=12%20">artikel 12 van de Brandweerwet 1985</extref> aangegeven. De
                    Brandbeveiligingsverordening is van toepassing voor zover in hetgeen zij regelt
                    niet is voorzien bij of krachtens de Woningwet of enige andere wet. Bouwwerken
                    zijn daaronder niet begrepen, omdat regeling van het brandveilig gebruik daarvan
                    ingevolge de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%201991%20">Woningwet 1991</extref> verplicht in de Bouwverordening is opgenomen. Als
                    gevolg hiervan is de Brandbeveiligingsverordening ingrijpend gewijzigd. De
                    Brandbeveiligingsverordening kan slechts regelen voor zover niet in de
                    brandveiligheid is voorzien bij of krachtens het bepaalde in andere wettelijke
                    regelingen. Rest derhalve thans die “voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                    begrensde plaatsen”, die geen bouwwerk zijn (zie ook de toelichting op artikel
                    1). De vergunningsplicht is evenwel pas van toepassing, wanneer aan de criteria,
                    genoemd in artikel 2.1.1. wordt voldaan.</al><al>De verordening bevat geen voorschriften over het aanvragen, het voorbereiden en
                    het beslissen op een verzoek om een vergunning. Die onderwerpen zijn geregeld in
                    de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>.</al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A1">artikelen 4:1</extref> tot en met <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20/article=4%3A6">4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</extref> zijn op de
                    vergunning-aanvraag van toepassing. De voorschriften hebben onder andere
                    betrekking op: bij wie de aanvraag moet worden ingediend, welke gegevens
                    tenminste op de aanvraag moeten staan en wanneer de aanvraag in behandeling kan
                    worden genomen. De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A13%20">artikelen 4:13</extref> tot en met <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A15">4:15 van de Awb</extref> geven aan binnen welke termijn een aanvraag om een
                    vergunning moet worden afgewikkeld. De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref>g eeft geen vaste termijn in weken, maar geeft aan dat de
                    aanvraag binnen een redelijke termijn tot een beschikking moet leiden. Die
                    redelijke termijn is in ieder geval verstreken als niet binnen acht weken na het
                    in ontvangst nemen van de aanvraag een beslissing is genomen of aan de aanvrager
                    is medegedeeld binnen welke redelijke termijn hij een beslissing op zijn
                    aanvraag krijgt. Door het hanteren van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A13">artikelen 4:13</extref> tot en met <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A15">4:15 van de Awb</extref> kan afhankelijk van de inhoud van de aanvraag
                    aangegeven worden binnen welke termijn de aanvraag wordt afgehandeld. Derhalve
                    is in de verordening geen artikel opgenomen dat een vaste termijn voor een
                    vergunningaanvraag voorschrijft.</al><al>Het gebruik van de bovengenoemde artikelen van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> bij de behandeling van een vergunning-aanvraag vereist geen
                    afzonderlijk besluit van het college van burgemeester en wethouders. Bij de
                    eerste vergunningaanvraag op basis van de verordening zal aangegeven moeten
                    worden dat bij de afwikkeling van de vergunningaanvraag de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A1">artikelen 4:1</extref> tot en met <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A6">4:6</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A13">4:13</extref> tot en met <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A15">4:15 van de Awb</extref> gebruikt worden. Op grond van algemene beginselen
                    van behoorlijk bestuur is het college van burgemeester en wethouders vervolgens
                    gehouden de daarop volgende aanvragen eveneens met toepassing van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> artikelen te behandelen.</al><al>In een bij deze toelichting behorende bijlage is de tekst van de bovenbedoelde
                    artikelen opgenomen.</al><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al><vet>Artikel 2 Werksfeer</vet></al><al>De in artikel 1.1.
                    bedoelde “voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde plaatsen” is een ruime
                    omschrijving. Bouwwerken vallen daar niet onder, het gebruik hiervan vindt
                    immers regeling in de Bouwverordening. In dit verband ware te denken aan alle
                    “bouwwerken” die op het water drijven en los met de wal verbonden zijn, zoals
                    hotelboten, opslagschepen en drijvende restaurants. Deze zijn namelijk geen
                    bouwwerken in de zin van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%201991%20">Woningwet 1991</extref> en vallen derhalve niet onder de werking van het
                    Bouwbesluit en de Bouwverordening. Er bestaat een in dit kader relevante
                    uitspraak van het Hof Arnhem van 6 juni 1972, NJ 73, 209. Daarin werd uitgemaakt
                    “dat een op het water drijvend bouwsel niet valt onder het begrip ‘gebouw’ en
                    evenmin onder de definitie bouwwerk in de gemeentelijke Bouwverordening, omdat
                    het niet in de geest van die verordening met de grond verbonden is noch steun
                    vindt in of op de grond”. Er was hier sprake van het aanmeren middels twee
                    lijnen aan in de grond geplaatste meerpalen, teneinde afdrijven te voorkomen.
                    Het valt te verwachten dat bij een 'minder losse verbinding' de bouwsels onder
                    de werking van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20">Woningwet</extref> zullen vallen.</al><al>Ook allerlei terreinen vallen onder het begrip inrichting, evenals (feest-)
                    tenten en dergelijke.</al><al><vet>Artikel 3 Vergunning gebruik inrichting</vet></al><al>Het college kan aan de vergunning voorschriften verbinden, zoals voorschriften
                    met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>stoffering en versiering;</al></li><li nr="b."><al>uitgangen en vluchtwegen;</al></li><li nr="c."><al>installaties;</al></li><li nr="d."><al>standbouw, podia, kramen en dergelijke;</al></li><li nr="e."><al>verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="f."><al>verbod voor open vuur en vuurwerk;</al></li><li nr="g."><al>bewaking en controle;</al></li><li nr="h."><al>ventilatie en werkzaamheden;</al></li><li nr="i."><al>brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende
                            stoffen;</al></li><li nr="j."><al>opstellingsplannen;</al></li><li nr="k."><al>afval;</al></li><li nr="l."><al>doorlopend toezicht;</al></li><li nr="m."><al>brandveiligheidsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de bestaande
                            interne organisatie;</al></li><li nr="n."><al>het maximale toelaatbare aantal personen in een ruimte van een
                            inrichting of in een inrichting met het oog op de brandveiligheid.</al></li></lijst><al>Ook zijn voorschriften van bouwkundige aard denkbaar, aangezien de hier bedoelde
                    bouwsels niet onder de werking van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet%20">Woningwet</extref> vallen.</al><al><vet>Artikel 4 Weigeren vergunning</vet></al><al>Weigeringsgronden zijn in artikel 2.1.2. niet expliciet genoemd. Toetsingsgrond
                    voor een vergunning kunnen zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de constructies – het bouwbesluit en Bouwverordening;</al></li><li nr="b."><al>voor het gebruik – de bijlagen van de gemeentelijke Bouwverordening en
                            van de toelichting op de Bouwverordening.</al></li></lijst><al>De situaties a. en b. betreffen uiteraard uitsluitend de brandveiligheid.</al><al>Een andere goede basis voor de beoordeling van de vergunningplichtige
                    inrichtingen zijn de boeken die de NBF uitgeeft in de serie ”Een brandveilig
                    gebouw bouwen” en “Een brandveilig gebouw installeren”. Een nadere omschrijving
                    van de toetsingscriteria is gezien de diversiteit van de inrichtingen (tenten,
                    hotelboten, kampeerterreinen en dergelijke) niet mogelijk.</al><al><vet>Artikel 7 Gebruikseisen inrichtingen</vet></al><al>Alleen de in artikel
                        3 genoemde inrichtingen zijn vergunningsplichtig. In artikel 3 vindt de
                    brandveiligheid van niet vergunningsplichtige inrichtingen regeling.</al><al><vet>Artikel 17 Toezicht op naleving</vet></al><al>Het college wijst in verband met de bij de gemeentelijke brandveiligheids- en
                    hulpverlenings-verordening (ex <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Brandweerwet%201985/article=1%20">artikel 1 van de Brandweerwet 1985</extref>) opgedragen taken in ieder
                    geval de brandweer aan als de gemeentelijke dienst belast met het toezicht op de
                    Bouwverordening. De brandweer is de deskundige dienst om te adviseren over
                    brandpreventieve voorschriften. Tevens wordt de afdeling Bouw-/Milieuzaken met
                    de naleving ervan belast. Het verdient in elk geval aanbeveling bij de
                    uitvoering van deze verordening en van ander verordeningen coördinatie tot stand
                    te brengen.</al><al>Voor de opsporing van (ondermeer) de in de Brandbeveiligingsverordening
                    aangegeven strafbare feiten zijn door de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken
                    uitsluitend aangewezen de commandanten en het personeel van gemeentelijke
                    brandweren in de rang van adjunct-hoofdbrandmeester of hoger. Beschikkingen van
                    de staatssecretaris van 24 maart 1986, nr. EB 85/V4828 en va 5 december 1986,
                    nr. EB 86/V2859 247).</al><al><vet>Artikel 18 Strafbepaling</vet></al><al>Op grond van het facultatieve karakter van de in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Brandweerwet%201985%20/article=23%20">artikel 23 van de Brandweerwet 1985</extref> genoemde strafbepaling is het
                    ook mogelijk dat op overtreding van de regels van de
                    Brandbeveiligings-verordening een lagere hechtenis of geldboete van de eerste of
                    tweede categorie in de verordening gesteld worden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>