<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR13396_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Aa en Hunze</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Aa en Hunze</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Schakel, 20-04-2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=147">Gemeentewet, art. 147 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">Wet werk en bijstand, art. 8 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">Wet werk en bijstand, art. 18 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-04-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-05-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>200531b</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Aa en Hunze;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Aa
                        en Hunze;</al><al>gelet op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=147">artikel 147 eerste lid, van de Gemeentewet</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Werk%20en%20Bijstand/article=8">artikel 8, eerste lid, onderdeel b</extref>, en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Werk%20en%20Bijstand/article=18">artikel 18 van de Wet Werk en Bijstand</extref>;</al><al>overwegende dat,</al><al>bij verordening regels dienen te worden gesteld ter verlaging van de
                        bijstand,</al><al>besluitin te trekken de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van 27
                        oktober 2004 en vast te stellen de:</al><al>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1. Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet Werk en Bijstand</extref> (WWB);</al></li><li nr="b."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=5">artikel 5, onderdeel b, van de wet</extref>;</al></li><li nr="c."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=5">artikel 5, onderdeel d, van de wet</extref>;</al></li><li nr="d."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="e."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=5">artikel 5, onderdeel c, van de wet</extref>;</al></li><li nr="f."><al>verlaging: het verlagen van de bijstand of de
                                            langdurigheidstoeslag op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, tweede lid, van de wet</extref>;</al></li><li nr="g."><al>inlichtingenplicht: als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 van de wet</extref>;</al></li><li nr="h."><al>benadelingsbedrag: de als gevolg van het niet of niet
                                            behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting ten
                                            onrechte of tot een te hoog bedrag betaalde bijstand
                                            verhoogd met de loonbelasting en de premies
                                            volksverzekeringen waarvoor de gemeente krachtens de
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20loonbelasting%201964">Wet op de loonbelasting 1964</extref>
                                            inhoudingsplichtige is, alsmede met de
                                            ziekenfondspremie, voor zover deze belasting en premies
                                            niet verrekend kunnen worden, met de belastingdienst en
                                            het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.</al></li><li nr="i."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders
                                            van de gemeente Aa en Hunze.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2. Het opleggen van een verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college in de
                                    periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                    voorziening in het bestaan dan wel de bij beschikking
                                    vastgestelde, of de uit de wet, of de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen/article=28">artikel 28, tweede lid</extref> dan wel <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen/article=29">artikel 29 eerste lid van de Wet structuur
                                        uitvoeringsorganisatie werk en inkomen</extref>
                                    voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt,
                                    waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                                    misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening de bijstand
                                    verlaagd.</al></li><li nr="2."><al>De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                    mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten
                                    en de omstandigheden waarin hij verkeert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3. Berekeningsgrondslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                    toegepast op de bijzondere bijstand indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend
                                            met toepassing van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=12">artikel 12 van de wet</extref>; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie
                                            met zijn recht op bijzondere bijstand, daartoe
                                            aanleiding geeft.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een verlaging worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het
                            percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, het bedrag waarmee de
                            bijstand wordt verlaagd uitgaande van de bijstandsnorm en, indien van
                            toepassing, de reden om af te wijken van een standaardverlaging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5. Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
                                    de gelegenheid</al></li><li nr="gesteld"><al> zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is
                                            gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich
                                            sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van
                                            het college of van een derde aan wie het college met
                                            toepassing van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=7">artikel 7 van de wet</extref> werkzaamheden in het
                                            kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een
                                            gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld
                                            in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=17">artikel 17 van de wet</extref>; of</al></li><li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                            verwijtbaarheid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het opleggen van een verlaging indien: </al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan twaalf maanden vóór constatering
                                            van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden,
                                            tenzij de gedraging een schending van de
                                            inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die
                                            gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een
                                            verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht
                                            wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de
                                            betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging indien
                                    het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college afziet van het opleggen van een verlaging op
                                    grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                    schriftelijk mededeling gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                    kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                    opleggen van de verlaging aan de belanghebbende is
                                    bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                    geldende bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met
                                    terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand nog
                                    niet is uitbetaald.</al></li><li nr="3."><al>Indien de verlaging wordt opgelegd over een periode voor
                                    bijstandsbeëindiging, en de verlaging kan niet meer worden
                                    verrekend, dan wordt de bijstand herzien.</al></li><li nr="4."><al>Een verlaging wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een verlaging
                                    die voor een periode van meer dan driemaanden wordt opgelegd,
                                    wordt uiterlijk binnen drie maanden nadat deze ten uitvoer is
                                    gelegd heroverwogen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8. Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan verschillende
                            gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in
                            artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte
                            van de verlaging uitgegaan van het gezamenlijk percentage behorende bij
                            de verschillende gedragingen met dien verstande dat de verlaging niet
                            hoger kan zijn dan de geldende bijstandsnorm.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9. Recidive</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Waar in deze verordening geen nadere bepalingen omtrent recidive
                                    zijn opgenomen geldt dat de duur van de verlaging wordt
                                    verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden
                                    na bekendmaking van een besluit waarbij een verlaging is
                                    opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                    van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een
                                    verlaging is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan
                                    af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6,
                                    tweede lid.</al></li><li nr="2."><al>Waar in deze verordening geen nadere bepalingen omtrent een
                                    derde verwijtbare gedraging binnen een periode van twaalf
                                    maanden is opgenomen, dient de bijstand individueel te worden
                                    afgestemd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2. Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het
                            verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10. Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=9">artikel 9 van de wet</extref> niet of onvoldoende is nagekomen,
                            worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet of niet tijdig laten registreren als
                                            werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen
                                            of het niet tijdig laten verlengen van de
                                            registratie;</al></li><li nr="b."><al>het zich niet of niet tijdig laten inschrijven bij
                                            uitzendbureaus.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>niet voldoen aan een oproep ter onderzoek naar
                                            arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie </al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                            belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een
                                            door het college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=9">artikel 9, eerste lid, onderdeel b</extref> en
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=10">artikel 10, eerste lid van de wet</extref> en in de
                                            reïntegratieverordening.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid of
                                            een door het college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=9">artikel 9, eerste lid, onderdeel b</extref> en
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=10">artikel 10, eerste lid van de wet</extref> en in de
                                            reïntegratieverordening.;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid of een door het college aangeboden
                                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld
                                            in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=9">artikel 9, eerste lid, onderdeel b</extref> en
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=10">artikel 10, eerste lid van de wet</extref> en in de
                                            reïntegratieverordening;</al></li><li nr="c."><al>geen medewerking verlenen aan een onderzoek ter
                                            vaststelling van het recht op een voorliggende
                                            voorziening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11. De hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging
                                    vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand
                                            bij gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand
                                            bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand
                                            bij gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand
                                            bij gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De duur van de verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt
                                    verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden
                                    na bekendmaking van een besluit waarbij een verlaging is
                                    opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                    van dezelfde of hogere categorie.</al></li><li nr="3."><al>Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt
                                    gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                    dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan bij een derde verwijtbare gedraging uit de
                                    eerste en/of de tweede categorie binnen twaalf maanden na
                                    bekendmaking van het laatste besluit tot verlaging, met
                                    toepassing van dit hoofdstuk, de verlaging stellen op 50%
                                    gedurende één maand. Bij verdere herhaling van het verwijtbare
                                    gedrag kan het college besluiten de bijstand voor bepaalde tijd
                                    te weigeren.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan bij een derde verwijtbare gedraging uit de derde
                                    categorie binnen twaalf maanden na bekendmaking van het laatste
                                    besluit tot verlaging, met toepassing van dit hoofdstuk, de
                                    verlaging stellen op 100% gedurende één maand. Bij verdere
                                    herhaling van het verwijtbare gedrag kan het college besluiten
                                    de bijstand voor bepaalde tijd te weigeren.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan bij een derde verwijtbare gedraging uit de
                                    vierde categorie binnen twaalf maanden na bekendmaking van het
                                    laatste besluit tot verlaging, met toepassing van dit hoofdstuk,
                                    de verlaging stellen op 100% gedurende drie maanden. Bij verdere
                                    herhaling van het verwijtbare gedrag kan het college besluiten
                                    de bijstand voor bepaalde tijd te weigeren.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3. Verstrekken van inlichtingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12. Onjuist of onvolledig verstrekken van inlichtingen
                                met gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=17">artikel 17 van de wet</extref> heeft geleid tot het ten
                                    onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt
                                    de verlaging afgestemd op de hoogte van het
                                    benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging op de
                                    volgende wijze vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 2000,-: 20% van de
                                            bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 50%
                                            van de bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100% van
                                            de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13. Te laat verstrekken van gegevens zonder dat hierdoor
                                teveel bijstand is verstrekt</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende de verplichting op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=17">artikel 17 van de wet</extref> niet is nagekomen door
                                    informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of
                                    de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe
                                    gestelde termijn te verstrekken, wordt een verlaging opgelegd
                                    van vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van de verlaging wordt afgezien en volstaan met
                                    het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of
                                    niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen
                                    een periode van 12 maanden te rekenen vanaf de datum waarop
                                    eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is
                                    gegeven.</al></li><li nr="3."><al>De duur van de verlaging wordt verdubbeld, indien de
                                    belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                    een besluit waarbij een verlaging wordt opgelegd opnieuw
                                    schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te merken
                                    gedraging. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd
                                    wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond
                                    van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14. Onjuist of onvolledig verstrekken van inlichtingen
                                zonder gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=17">artikel 17 van de wet</extref> niet heeft geleid tot het
                                    ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand,
                                    bedraagt de verlaging, onverminderd artikel 2, tweede lid,
                                    vijfprocent van de bijstand gedurende een maand.</al></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van de verlaging bedoeld in het eerste lid
                                    wordt afgezien en volstaan met het geven van een schriftelijke
                                    waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    verplichting plaatsvindt binnen een periode van twaalf maanden
                                    te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende
                                    een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></li><li nr="3."><al>De duur van de verlaging wordt verdubbeld, indien de
                                    belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                    een besluit waarbij een verlaging wordt opgelegd opnieuw
                                    schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te merken
                                    gedraging. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd
                                    wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond
                                    van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot verlaging</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15. Tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                    betoond als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=18">artikel 18, tweede lid, van de wet</extref>, wordt een
                                    verlaging opgelegd die wordt afgestemd op de periode waarover de
                                    belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer
                                    recht heeft op bijstand.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 2,
                                        tweede lid, wordt de verlaging op de volgend wijze
                                    vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>bij een periode van 3 maanden of korter: 10% van de
                                            bijstandsnorm gedurende die maanden dat er verwijtbaar
                                            een beroep op bijstand wordt gedaan;</al></li><li nr="b."><al>bij een periode van 3 tot 6 maanden: 20% van de
                                            bijstandsnorm gedurende die maanden dat er verwijtbaar
                                            een beroep op bijstand wordt gedaan;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij een periode van 6 maanden en langer vindt er geen verlaging
                                    plaats, maar wordt er leenbijstand verstrekt gedurende de
                                    maanden dat er verwijtbaar een beroep op bijstand wordt
                                    gedaan;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16. Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende waarmee deze zich zeer ernstig
                            misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, als bedoeld in
                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=18">artikel 18, tweede lid van de wet</extref>, onder omstandigheden
                            die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="b."><al>belediging</al></li><li nr="c."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>mensgericht fysiek geweld/ dan wel bedreiging met
                                            geweld;</al></li><li nr="b."><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 De hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 2,
                                        tweede lid, wordt de verlaging vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand
                                            bij gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand
                                            bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende drie
                                            maanden bij gedragingen van de derde categorie;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De duur van de verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt
                                    verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden
                                    na bekendmaking van het besluit tot verlaging met toepassing van
                                    het eerste lid, opnieuw schuldig maakt aan een zeer ernstige
                                    gedraging.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan bij een derde en een volgende verwijtbare
                                    gedraging binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het
                                    laatste besluit tot verlaging met toepassing van het eerste lid,
                                    de verlaging op een hoger bedrag vaststellen en/of de duur van
                                    de verlaging verlengen. Bij herhaald verwijtbaar gedrag kan het
                                    college de bijstand voor bepaalde tijd weigeren.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5. Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 18 Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen
                                waarin de verordening niet voorziet.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet,
                                    beslissen burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="2."><al>Ter uitvoering van deze verordening kan, onverminderd artikel 12, tweede lid, het college nadere
                                    beleidsregels vaststellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 mei 2005.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Afstemmingsverordening Wet
                            Werk en Bijstand.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeenten Aa en
                        Hunze op 13 april 2005.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De grifier,</ondertekening><ondertekening>Drs. R.W. Munniksma T.Santes</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al><vet>De regeling in de Wet werk en bijstand</vet></al><al>Met de inwerkingtreding van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Werk%20en%20Bijstand">WWB</extref> komt het systeem van boeten en maatregelen van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20bijstandswet">Algemene bijstandswet</extref> (de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20bijstandswet/article=14">artikelen 14 tot en met 14f</extref>, nader uitgewerkt in het
                    Maatregelbesluit en Boetebesluit) te vervallen. In plaats daarvan zullen
                    gemeenten zelf hun sanctiebeleid moeten gaan vormgeven. De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Werk%20en%20Bijstand">WWB</extref> kent slechts één soort sanctie: het verlagen van de uitkering.
                    De boete als sanctie voor uitkeringsgerechtigden die hun inlichtingenplicht
                    hebben geschonden, verdwijnt.</al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">Artikel 18 WWB</extref> bevat de opdracht aan gemeenten om een
                    verlagingenbeleid in een verordening vast te leggen. Dit artikel luidt:</al><al>1. Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de
                    omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.</al><al>2. Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend
                    besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan
                    wel de uit deze wet dan wel de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van
                    de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende
                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens
                    het college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college overeenkomstig de
                    verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand of de
                    langdurigheidstoeslag. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt.</al><al>3. Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid binnen een
                    door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.</al><al>4. Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede verstaan
                    het gezin. </al><al>In het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">eerste lid van artikel 18</extref> wordt gesproken over het afstemmen van
                    de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij
                    recht wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden
                    van uitkeringsgerechtigden. In tweede lid wordt een directe koppeling gelegd
                    tussen de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een
                    uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de
                    mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college
                    tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in
                    onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van
                    een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van zo’n verlaging. Verlaging van
                    de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de gemeenteraad vast te
                    stellen verordening. Dit is de afstemmingsverordening. </al><al><vet>De term ‘verlaging’</vet></al><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de
                    terminologie van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">WWB</extref> aangeduid als het afstemmen van de uitkering op de mate waarin
                    de belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met de begrip ‘afstemmen’
                    wordt het uitgangspunt van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">WWB</extref> benadrukt dat rechten en plichten één kant van dezelfde
                    medaille vormen. Het opleggen van een verlaging is géén punitieve sanctie,
                    waarbij het leedtoevoegend karakter voorop staat, maar een reparatoire sanctie
                    (ook wel herstelsanctie genoemd), gericht op het (weer) in overeenstemming
                    brengen van de hoogte van de bijstand met de mate waarin de bijstandsgerechtigde
                    de aan de uitkering verbonden verplichtingen nakomt. </al><al><vet>Het verlagen van de bijstand</vet></al><al>Op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, tweede lid, WWB</extref> kan zowel de bijstand (dat wil zeggen:
                    algemene bijstand en bijzondere bijstand) als de langdurigheidstoeslag worden
                    verlaagd. De uitzondering hierop vormt de bijzondere bijstand voor jongeren van
                    18 tot 21 jaar. Deze groep ontvangt een lage algemene bijstandsuitkering die
                    wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Indien de verlaging alleen op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de groep
                    21-jarigen en ouder. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsomschrijving</vet></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">WWB</extref>.</al><al>Het begrip benadelingsbedrag is in deze verordening opgenomen. Dit begrip komt
                    niet voor in de wet, maar is van belang omdat in artikel 12 de maatregel wordt afgestemd op het benadelingsbedrag.
                    Bij de omschrijving van het begrip is uitgegaan van de omschrijving van het
                    begrip kosten van bijstand als genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20bijstandswet/article=90">artikel 90 van de Abw</extref> zoals dat gold tot 1 januari 2004.</al><al>In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip wordt
                    in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=1%3A2">artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht</extref> omschreven als
                    ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’.</al><al><vet>Artikel 2. Het opleggen van een verlaging</vet></al><al>Eerste lid</al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">WWB</extref> verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, tweede lid</extref>).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=9">artikel 9</extref>). Deze plicht bestaat uit twee soorten
                            verplichtingen:</al></li><li nr="3."><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                            en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="4."><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                            voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze
                            verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke
                            verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van
                            de bijstandsgerechtigde. De reïntegratieverordening die elke gemeente
                            moet opstellen, vormt de juridische basis voor opleggen van deze
                            specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het besluit tot
                            het verlenen van bijstand moeten worden neergelegd.</al></li><li nr="5."><al>De informatieplicht (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17, eerste lid</extref>). Op een uitkeringsgerechtigde rust
                            de verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen
                            beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan
                            hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                            op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.</al></li><li nr="6."><al>De medewerkingsplicht (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17, tweede lid</extref>). Dit is de plicht van
                            uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te
                            verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De
                            medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                            zoals: het toestaan van huisbezoek; het meewerken aan een psychologisch
                            onderzoek.</al></li></lijst><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">Artikel 18, tweede lid</extref>, noemt een gedraging die in ieder geval een
                    schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer
                    ernstig misdragen’.</al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen">Wet SUWI</extref>legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het
                    betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de
                    Centrale organisatie werk en inkomen te verstrekken die nodig zijn voor de
                    beslissing door het college (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen/article=28">artikel 28, tweede lid</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen/article=29">artikel 29 eerste lid Wet SUWI</extref>) en de verplichting om op verzoek
                    of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan
                    de Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
                    moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend
                    maken van het recht bijstand of de hoogte of de duur van de bijstand.</al><al>Tweede lid</al><al>In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm.</al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                    leggen verlaging af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                    belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee
                    dat het college bij elke op te leggen verlaging zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van
                    de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is.
                    Afwijking van de standaardverlaging kan zowel een verzwaring als een matiging
                    betekenen.</al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een verlaging moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><lijst><li nr="Stap"><al>1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="Stap"><al>2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="Stap"><al>3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De beoordeling van de ernst van de gedraging is in deze verordening
                    geobjectiveerd door voor een groot aantal gedragingen een standaardverlaging
                    voor te schrijven. Dit neemt uiteraard niet weg dat indien individuele
                    omstandigheden daartoe aanleiding geven, ten voor- of ten nadele van de klant,
                    een andere dan de standaardverlaging kan worden opgelegd.</al><al>Voor de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid kan bijvoorbeeld gekeken
                    worden naar de omstandigheden waaronder de belanghebbende zijn verplichtingen
                    niet is nagekomen of de mate waarin belanghebbende bekend verondersteld kan
                    worden met de hem opgelegde verplichtingen. Toetsing van de mate van
                    verwijtbaarheid kan in individuele gevallen leiden tot een grotere of een
                    mindere verlaging dan de standaardverlaging. Indien de gedraging in het geheel
                    niet verwijtbaar is, wordt geen verlaging opgelegd. Zie hiervoor artikel 3, eerste lid, onder
                        a, en de toelichting hierop.</al><al>Bij de vaststelling van de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert kan
                    gedacht worden aan financiële en sociale aspecten. Hierbij kan onder meer
                    aandacht worden besteed aan eventuele bijzondere lasten, bijvoorbeeld hoge
                    woonlasten of aflossingsverplichtingen, de gezinssamenstelling of het effect van
                    een opeenstapeling van verlagingen.</al><al>Uitgangspunt is dat het college vaststelt of er sprake is van een gedraging
                    waarvoor verlaging van de uitkering gepast is en onderzoek doet naar de mate van
                    verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende. Daarnaast kan het
                    college, indien het zich nog niet voldoende geïnformeerd acht, de belanghebbende
                    uitnodigen zijn visie te geven op het voornemen om de uitkering te
                    verlagen.</al><al><vet>Artikel 3. De berekeningsgrondslag</vet></al><al>Eerste lid</al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt opgelegd over
                    de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm,
                    inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag.</al><al>Tweede lid</al><al>Onderdeel a: de 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die indien
                    noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in
                    de kosten van levensonderhoud. Indien de verlaging alleen op de lage
                    jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte
                    van de 21-jarigen.</al><al>Onderdeel b: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele
                    gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand of de
                    langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging
                    van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand of de
                    langdurigheidstoeslag.</al><al><vet>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een verlaging</vet></al><al>Het verlagen van de bijstand vindt plaats door middel van een besluit. Wanneer
                    de verlaging bij een lopende uitkering wordt opgelegd, wordt een besluit tot
                    vaststelling van de algemene bijstand op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=45">artikel 45 WWB</extref> genomen.</al><al>Wordt een verlaging met terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een besluit tot
                    herziening van de bijstand worden genomen (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=54">artikel 54, derde lid</extref>).</al><al><vet>Artikel 5. Horen van belanghebbende</vet></al><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Awb</extref> is in een aantal gevallen het horen van de belanghebbende
                    verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter
                    niet bij de voorbereiding van beschikkingen die betrekking hebben op een
                    financiële aanspraak (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A12">artikel 4:12</extref>).</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a en b. staan ook genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A11">artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht</extref>.</al><al><vet>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een verlaging</vet></al><al>Eerste lid</al><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging ‘indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, tweede lid, WWB</extref>.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b.
                    geregeld dat het college geen verlagingen opgelegd voor gedragingen die langer
                    dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.</al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                    bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                    jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die staat in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20bijstandswet%20/article=14e">artikel 14e van de Algemene bijstandswet</extref> in verband met het
                    opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn
                    van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en
                    gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de
                    fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen.</al><al>Tweede lid</al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                    verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                    redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                    voorhand worden vastgelegd.</al><al>Derde lid</al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive.</al><al><vet>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak</vet></al><al>Eerste lid</al><al>Het opleggen van een verlaging vindt plaats door het verlagen van het
                    uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en). Bij toekenning van de bijstand
                    vindt de verlaging plaats ingaande ingangsdatum van de toe te kennen
                    bijstand.</al><al>Tweede lid</al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is
                    uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te
                    verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de
                    bijstand wel worden herzien en teruggevorderd.</al><al>Derde lid</al><al>Indien er een maatregel wordt opgelegd, maar deze kan niet meer worden verrekend
                    door beëindiging, dan dient de uitkering herzien te worden over de periode dat
                    de verwijtbare gedraging heeft plaatsgevonden.</al><al>Vierde lid</al><al>Door een verlaging voor een bepaalde periode op te leggen, weet de
                    uitkeringsgerechtigde die met een verlaging wordt geconfronteerd waar hij aan
                    toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de verlaging is
                    getroffen opnieuw een verlaging opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart
                    besluit nodig.</al><al>Wordt een verlaging voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het
                    college de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld
                    in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, derde lid WWB</extref>.</al><al>Gemeenten mogen zelf bepalen wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat
                    maar gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo’n
                    herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle
                    relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een
                    marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of het redelijk is
                    dat de opgelegde verlaging wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar
                    de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de
                    betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.</al><al><vet>Artikel 8. Samenloop van gedragingen</vet></al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een bijstandsgerechtigde. Bijvoorbeeld, niet ingeschreven CWI en
                    niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Het
                    gaat hier om gedragingen uit twee categorieën. De verlaging van de bijstandsnorm
                    wordt dan vastgesteld aan de hand van de percentages van de beide categorieën.
                    In dit geval 25% gedurende één maand. Verlaging kan niet hoger zijn dan de
                    geldende bijstandsnorm, is dat wel het geval dan wordt de verlaging gematigd tot
                    100%.</al><al><vet>Artikel 9. Recidive</vet></al><al>De algemene recidiveregel geldt waar in deze verordening geen nadere recidive
                    bepalingen zijn opgenomen. Bij een derde gedraging binnen 12 maanden is er geen
                    sprake meer van recidive en dient de bijstand individueel te worden
                    afgestemd.</al><al><vet>Artikel 10. Indeling in categorieën</vet></al><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging
                    het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                    gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid.</al><al>De gedragingen die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet omschreven
                    dan in het Verlagingenbesluit. De reden hiervoor is dat de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">WWB</extref>, in tegenstelling tot de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20bijstandswet%20">Abw</extref>, volstaat met een algemene omschrijving van de plicht tot
                    arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de verplichtingen dient zoveel
                    mogelijk te worden afgestemd op de mogelijkheden van de individuele
                    bijstandsgerechtigde.</al><al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in
                    te schrijven bij het CWI en uitzendbureaus. Daarnaast dient men ingeschreven te
                    blijven staan.</al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om
                    bijvoorbeeld voldoende te solliciteren en te voldoen aan een oproep.</al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. Het
                    gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de
                    aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling
                    verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn negatieve gedragingen bij
                    sollicitaties en onvoldoende meewerken aan het opgesteld trajectplan waaronder
                    ook sociale activering verplicht kan worden gesteld.</al><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde of
                    een door het college aangeboden voorziening arbeid alsmede door eigen toedoen
                    voorafgaand aan de aanvraag algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel
                    tijdens de bijstand deeltijdarbeid niet behouden of een door het college
                    aangeboden voorziening.</al><al><vet>Artikel 11. De hoogte en duur van de verlaging</vet></al><al>Eerste lid</al><al>Deze bepaling bevat de standaardverlagingen voor de vier categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al>Tweede lid</al><al>Indien binnen 12 maanden na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                    verlaging. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan
                    die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook indien de verlaging wegens
                    dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    verlaging is opgelegd, bekend is gemaakt.</al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidiveverlaging slechts één keer worden
                    toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                    hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de verlaging
                    individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de betrokkene. Middels het gestelde in lid 3 tot en met lid 6
                    wordt een richtlijn gegeven om de rechtsgelijkheid te bevorderen.</al><al><vet>Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht</vet></al><al>In dit hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de informatieplicht
                    onderscheiden:</al><al>Artikel 12: het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de gemeente. In
                    deze situatie is <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=54">artikel 54 WWB</extref> van toepassing. Het college kan in dat geval het
                    recht op bijstand opschorten en belanghebbende in de gelegenheid stellen binnen
                    een door hem te stellen termijn het verzuim te herstellen.</al><al>Artikel 13: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen aan de
                    gemeente, waardoor er ten onrechte een uitkering is verstrekt of een te hoog
                    bedrag aan bijstand is verstrekt. In deze situatie heeft de belanghebbende niet
                    voldaan aan de inlichtingenplicht van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 WWB</extref>. Het opzettelijk verzwijgen van relevante
                    informatie tegenover de gemeente, met het oogmerk een (hogere) uitkering te
                    krijgen (fraude) vormt een schending van de informatieplicht van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17</extref>.</al><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens niet aan de gemeente
                    worden verstrekt. In dat geval kan het college de rechtmatigheid van de
                    uitkering niet vaststellen. De bijstand moet dan worden geweigerd (in de
                    situatie dat een uitkering wordt aangevraagd) of het besluit tot toekenning van
                    de bijstand moet worden ingetrokken (bij een lopende uitkering). Het opleggen
                    van een verlaging is dus bij het niet-verstrekken van gegevens die noodzakelijk
                    zijn voor het vaststellen van de rechtmatigheid van de uitkering niet aan de
                    orde.</al><al><vet>Artikel 12. Te laat verstrekken van gegevens zonder gevolgen voor de
                        bijstand</vet></al><al>Eerste lid</al><al>Indien een cliënt de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde
                    gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het college het
                    recht op bijstand opschorten (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=54">artikel 54, eerste lid, WWB</extref>). Het college geeft de belanghebbende
                    vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen (de
                    hersteltermijn).</al><al>Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de gemeente
                    verstrekt, dan kan het college de bijstand stopzetten (het intrekken van het
                    besluit tot toekenning van de bijstand). Worden de gevraagde gegevens wél binnen
                    de hersteltermijn verstrekt, dan wordt de bijstand voortgezet, maar wordt tevens
                    een verlaging opgelegd. Dit lid regelt de hoogte van de verlaging.</al><al>Tweede lid</al><al>In dit lid wordt de hoogte van de verlaging geregeld.</al><al><vet>Artikel 13. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                        gevolgen voor de bijstand</vet></al><al>Eerste lid</al><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken van
                    onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft
                    voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van nulfraude zijn het niet opgeven
                    van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het niet melden van
                    vrijwilligerswerk.</al><al>Met onverwijld wordt hiermee bedoeld binnen de termijn van het inleveren van de
                    inkomstenverklaring, of de redelijke termijn die middels een aanvul- dan wel
                    hersteltermijn is gegeven. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                    hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde
                    bedrag aan bijstand.</al><al>Tweede lid</al><al>De bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij het niet of niet
                    behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht is gelijk aan de bevoegdheid tot
                    het geven van een waarschuwing bij het te laat verstrekken van informatie</al><al>Derde lid</al><al>Een schriftelijke waarschuwing geldt als een besluit. Bij herhaling van het
                    gedrag binnen de daarvoor geldende termijn geldt dan de recidive bepaling.</al><al><vet>Artikel 14. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                        gevolgen voor de bijstand</vet></al><al>Eerste lid</al><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’geregeld: het verstrekken van
                    onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft
                    voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van nulfraude zijn het niet opgeven
                    van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het niet melden van
                    vrijwilligerswerk.</al><al>Tweede lid</al><al>De bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij het niet of niet
                    behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht is gelijk aan de bevoegdheid tot
                    het geven van een waarschuwing bij het te laat verstrekken van informatie.</al><al>Derde lid</al><al>Een schriftelijke waarschuwing geldt als een besluit. Bij herhaling van het
                    gedrag binnen de daarvoor geldende termijn geldt dan de recidivebeplaing.</al><al><vet>Artikel 15. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet></al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt,
                    het college bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door
                    het opleggen van een verlaging.</al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken, zoals onder andere:</al><lijst><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;- het
                            niet nakomen van de verplichting tot instellen van een
                            alimentatievordering;</al></li><li nr="-"><al>Langer dan de gebruikelijke vakantieduur verblijven in het
                            buitenland;</al></li><li nr="-"><al>Door eigen schuld niet adequaat verzekerd zijn tegen ziektekosten.</al></li></lijst><al>In het tweede lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de verlaging en
                    het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is in dit geval de omvang van het
                    vermogen of de voorziening waarmee de betrokkene gedurende kortere of langere
                    tijd buiten de bijstand zou zijn gebleven.</al><al><vet>Artikel 16. Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd.</al><al>Gemeenten kunnen alleen een verlaging opleggen indien er een verband bestaat
                    tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij
                    het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt
                    bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">WWB</extref>.</al><al>In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, tweede lid</extref>, wordt gesproken over ‘het zich jegens het
                    college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                    tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding kan zijn voor het
                    opleggen van een verlaging.</al><al>Er kan dus geen verlaging worden opgelegd als een belanghebbende zich agressief
                    heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is
                    met de uitvoering van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">WWB</extref> (bijvoorbeeld een reïntegratiebedrijf).</al><al>Het is dat geval wellicht wel mogelijk om een verlaging op te leggen wegens het
                    niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht op
                    arbeidsinschakeling (artikel 9, derde
                        lid, van deze verordening).</al><al>Bij het vaststellen van de verlaging in de situatie dat een
                    uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden
                    naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                    omstandigheden van de betrokkene.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden:</al><al>verbaal geweld (schelden);</al><al>belediging;</al><al>discriminatie;</al><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al><al>mensgericht fysiek geweld, dan wel bedreiging met geweld.</al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad.</al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                    geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het
                    toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                    (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                    onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.</al><al>Het opleggen van een verlaging staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een verlaging op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie.</al><al><vet>Artikel 17 Hoogte en duur van de verlaging</vet></al><al>Deze bepaling bevat de standaardverlagingen voor de drie categorieën van zeer
                    ernstige misdragingen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>