<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR133664_1</dcterms:identifier><dcterms:title>BIBOB-beleidregel omgevingsvergunningen 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">IJssel- en Lekstreek van 01-02-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>BIBOB-beleidregel omgevingsvergunningen 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">De artikelen 3, 9 en 30 van de wet BIBOB, artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht, Integraal Veiligheidsbeleid 2011-2014 zoals vastgesteld op 16 augustus 2011 en de beleidsnota BIBOB zoals vastgesteld op 25 oktober 2011</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-01-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-02-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-02-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Verseonnr: 428861</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>veiligheid</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>BIBOB-beleidregel omgevingsvergunningen 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>Het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel;</al><al>gelet op de artikelen 3, 9 en 30 van de wet BIBOB, artikel 4:81 Algemene wet
                        bestuursrecht het Integraal Veiligheidsbeleid 2011-2014 zoals vastgesteld op
                        16 augustus 2011 en de beleidsnota BIBOB zoals vastgesteld op 25 oktober
                        2011;</al><al/><al>o v e r w e g e n d e :</al><al/><al>eind jaren ’90 van de vorige eeuw heeft de onderzoeksgroep Fijnaut op
                        verzoek van de Parlementaire Enquête Commissie Van Traa onderzoek gedaan
                        naar de dreiging van de georganiseerde misdaad in bepaalde economische
                        sectoren. Eén van de conclusies die deze commissie trok was dat de ernst van
                        georganiseerde criminaliteit vooral was gelegen in het grote financiële
                        gewin van honderden miljoenen guldens en de economische macht die daaruit
                        voortvloeit. Die economische macht beperkt zich niet tot de onderwereld,
                        maar dringt in allerlei gedaanten in de bovenwereld door, aldus de
                        commissie. Deze commissie heeft daarom een aantal criteria benoemd dat
                        kenmerkend is voor branches die kwetsbaar zijn voor criminaliteit. Te denken
                        valt aan sectoren die een lage drempel van toetreding kennen (weinig
                        diploma’s vereist), waarvan de omzetcijfers onduidelijk zijn of sectoren
                        waar weinig is geregeld of de regels juist gecompliceerd zijn. </al><al/><al>De bouwsector is één van de economische sectoren die deze kenmerken in zich
                        heeft. In de uitvoeringsmap BIBOB van het Regionale Informatie- en
                        Expertisecentrum Rotterdam Rijnmond (hierna het RIEC) is de bouwsector mede
                        daarom aangemerkt als kwetsbaar voor criminele activiteiten. Dat wil niet
                        zeggen dat iedere aanvrager van een omgevingsvergunning voor een bouwproject
                        kwade bedoelingen heeft. Het tegendeel ligt meer voor de hand, maar
                        alertheid voor signalen van misstanden is geboden.</al><al>Deze signalen van misstanden hoeven niet per se in verband te staan met de
                        effectuering van een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten. Het gaat ook
                        om strafbare feiten die gepleegd kunnen worden, omdat er door de
                        effectuering van de vergunning een bepaalde situatie in het leven wordt
                        geroepen. Een voorbeeld van een rechtstreeks verband met de effectuering van
                        de omgevingsvergunning betreft het financieren van een bouwwerk met uit
                        misdrijf verkregen geld als ook het op grote schaal realiseren van een
                        bouwwerk met arbeiders, al of niet vanuit onderaannemers, waarover geen
                        afdracht sociale premies plaatsvindt (zwartwerkers). Een voorbeeld van een
                        niet-rechtstreeks verband is de bouw van een bouwwerk, dat in hoofdzaak
                        dient voor het daarbinnen laten plaatsvinden van strafbare handelingen zoals
                        illegale kansspelen en/of prostitutie. </al><al>De gemeenten in de regio Rotterdam-Rijnmond hebben aangegeven hun
                        bestuursrechtelijke bevoegdheden nadrukkelijker en gecoördineerder in te
                        zetten om daarmee barrières op te werpen tegen infiltratie van de
                        georganiseerde criminaliteit in de legale bovenwereld. Het RIEC Rotterdam
                        Rijnmond heeft daarbij een faciliterende en ondersteunende rol. Naast de
                        bestuurlijke bevoegdheden zoals het opleggen van bestuursdwang of een last
                        onder dwangsom, kan de gemeente sinds </al><al>1 juni 2003 gebruik maken van de wet BIBOB . Deze wet moet bestuursorganen,
                        zoals het college </al><al>en de burgemeester, helpen in het bewaken van hun integriteit. De wet BIBOB
                        geeft bestuursorganen een extra weigerings- en/of intrekkingsgrond op grond
                        waarvan vergunningen kunnen worden geweigerd of ingetrokken als blijkt dat
                        de gevraagde of verleende beschikking gevaar loopt gebruikt </al><al>te worden voor het ontplooien van criminele activiteiten. Daarnaast geeft de
                        wet het recht om in de aanvraagprocedure aanvullende informatie op te vragen
                        en de mogelijkheid om aanvullende voorwaarden aan een vergunning te
                        verbinden. </al><al>In het Beleidskader BIBOB geeft de gemeente aan de wet BIBOB toe te willen
                        passen op omgevingsvergunningen in Capelle aan den IJssel. Omdat het gebruik
                        van de wet BIBOB zwaar kan ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer van
                        personen en om willekeur te voorkomen, wordt in deze beleidsregel aangegeven
                        op welke wijze de wet BIBOB gebruikt zal worden bij de verlening en/of
                        intrekking van omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen en de
                        activiteit oprichten en/of wijzigen van een inrichting.</al><al/><al><vet>Bouwsector in Capelle aan den IJssel</vet></al><al>De bouwsector is een groot en belangrijk onderdeel van de Nederlandse
                        economie. Met de verlening van omgevingsvergunningen zijn over het algemeen
                        grote (financiële) belangen gemoeid. </al><al>Het bouwproces wordt gekenmerkt door een veelheid van partijen en
                        belanghebbenden die betrokken zijn bij de voorbereiding van het bouwproject,
                        de oprichting van een bouwwerk en bijbehorend vergunningentraject. In 2009
                        waren in Capelle aan den IJssel 246 bedrijfsvestigingen in de bouwsector
                        gevestigd en daarin waren 3772 werknemers werkzaam. Dat is 10% van het
                        totale aantal werknemers in Capelle aan den IJssel. In 2010 zijn in Capelle
                        aan den IJssel 234 lichte en reguliere bouwvergunningen afgegeven op basis
                        van de Woningwet. </al><al>Degene die in Capelle aan den IJssel wil (ver)bouwen dient een
                        omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of de activiteit oprichten
                        en/of wijzigen van een inrichting aan te vragen. Het indienen van zo’n
                        aanvraag kan via het digitale Omgevingsloket
                                (<vet><cursief>www.omgevingsloket.nl</cursief></vet>). De aanvraag
                        komt voor verdere behandeling terecht bij de unit Handhaving en Vergunningen
                        van de afdeling Stadsbeheer. Bij de behandeling van de aanvraag wordt
                        gekeken of wordt voldaan aan de eisen die zijn gesteld aan de vergunning. De
                        aanvraag bevat standaard vragen over de geschatte omvang van de bouwsom, de
                        eigendomssituatie van de grond of het gebouw en voor welk gebruik het gebouw
                        is bedoeld. Als de aanvraag gedaan wordt door een onderneming, dan dient
                        tevens het KvK-nummer overhandigd te worden. Als aan de vergunningseisen
                        wordt voldaan, zal in de regel de vergunning worden verleend. </al><al>In een aantal gevallen wil de gemeente de integriteit van de aanvrager nader
                        vaststellen. Op basis van de standaardinformatie die voortvloeit uit de
                        reguliere aanvraagprocedure is de mate van integriteit van een aanvrager
                        beperkt vast te stellen. Daarom zal de gemeente aanvullend </al><al>BIBOB-onderzoek moeten doen. </al><al>Ook in Capelle aan den IJssel zijn volop bouwwerkzaamheden aan de gang of
                        gepland, mede als gevolg van de Woonvisie 2007. De Woonvisie 2007 is vooral
                        opgesteld vanuit de opgave die op dat moment werd gezien om nog 3000
                        woningen toe te voegen aan de voorraad om in 2020 nog een gemeente te zijn
                        met 65.000 inwoners. Mede als gevolg van de kredietcrisis zijn diverse
                        planontwikkelingen getemporiseerd en zijn in februari 2011 een aantal
                        ontwikkellocaties door de raad geschrapt. In de periode tot 2020 zullen naar
                        verwachting nog diverse locaties ontwikkeld worden. Voor deze locaties zal
                        te zijner tijd een omgevingsvergunning aangevraagd moeten worden. </al><al/><al>B e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen: </al><al><vet><cursief>BIBOB-beleidsregel omgevingsvergunningen.</cursief></vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>1.<vet>Doelstelling</vet></al><al>Bij de bestuursorganen ligt de beslissing om al dan niet gebruik te maken
                        van de extra bevoegdheden van de wet BIBOB. Vanwege deze keuzevrijheid is
                        deze beleidregel opgesteld, waarin in algemene </al><al>termen wordt aangegeven in welke gevallen een BIBOB-onderzoek zal
                        plaatsvinden en in welke gevallen dit kan leiden tot een adviesaanvraag bij
                        het Bureau BIBOB . Dit om duidelijkheid te scheppen naar de burgers en
                        ondernemingen die potentieel aan een BIBOB-onderzoek kunnen worden
                        onderworpen. Bovendien schept het een helder kader voor de toetsing door de
                        democratische controleorganen van de door het bestuur in een concreet geval
                        genomen beslissing. Met name de afweging om tot een BIBOB-adviesaanvraag
                        over te gaan, dient – juist met het oog op het ingrijpende karakter van het
                        instrument – weloverwogen en met inachtneming van de beginselen van
                        behoorlijk bestuur te worden genomen. Daarbij spelen proportionaliteit,
                        subsidiariteit, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid een belangrijke rol. </al><al>De gemeente beoogt met toepassing van de wet BIBOB te voorkomen dat zij
                        criminele activiteiten faciliteert waardoor de veiligheid, de leefbaarheid,
                        de rechtsorde of de bestuurlijke slagkracht worden aangetast. Met het
                        opstellen van beleidsregels wil de gemeente duidelijkheid verschaffen over
                        de wijze waarop het bestuursorgaan de wet BIBOB toepast op
                        omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen en voor de activiteit
                        oprichten of wijzigen van een inrichting. </al><al/><al>2.<vet>Het BIBOB-onderzoek</vet></al><al>Het BIBOB-onderzoek bestaat uit twee stappen. De zogenaamde
                        eigenhuiswerkfase vormt de eerste stap. In deze fase raadpleegt de gemeente
                        (semi-)openbare bronnen, zoals het handelsregister van de Kamer van
                        Koophandel, het GBA, het landelijk hypotheekregister et cetera. Daarnaast
                        maakt de gemeente gebruik van het BIBOB-vragenformulier voor een
                        omgevingsvergunning om aanvullende informatie van de aanvrager te vergaren.
                        Die aanvullende informatie heeft betrekking op zaken als de financiering van
                        het bouwproject, de zeggenschap, de bedrijfsstructuur, de aanvrager, de
                        eigenaar van het bedrijfsterrein en/of bedrijfspand waarop dan wel waarin de
                        bouw gaat plaatsvinden of heeft plaatsgevonden. Alle vragen die in het
                        formulier gesteld worden, dienen volledig beantwoord te worden door de
                        aanvrager. Tevens dienen alle documenten die voortvloeien uit de beantwoorde
                        vragen aangeleverd te worden. Het niet compleet of onjuist aanleveren van
                        bescheiden kan leiden tot een buiten behandeling stelling of weigering van
                        de aanvraag (artikel 4 wet BIBOB ). </al><al>De tweede stap in het BIBOB-onderzoek bestaat uit het vragen van een advies
                        bij het Landelijk Bureau BIBOB (LBB). Het LBB is bevoegd om in gesloten
                        bronnen informatie te verzamelen die van belang kan zijn om de mate van
                        integriteit van een aanvrager te kunnen vaststellen. Het gaat dan om
                        gesloten bronnen zoals de registers van de Belastingdienst, de politie, het
                        Openbaar Ministerie et cetera. </al><al>De aanvrager van een omgevingsvergunning is vaak slechts een schakel bij
                        deze zaaksgebonden vergunning. Het is gebruikelijk dat anderen dan de
                        toekomstige eigenaar of gebruiker een omgevingsvergunning aanvragen
                        (bijvoorbeeld de architect of projectontwikkelaar). Door het zaaksgebonden
                        karakter van de omgevingsvergunning kunnen echter minder bonafide personen
                        buiten schot blijven. Bovendien is de omgevingsvergunning na verlening
                        eenvoudig over te dragen. Daarom is het BIBOB-onderzoek ook van toepassing
                        op degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met een
                        aanvrager gelijk kan worden gesteld. </al><al>Gezien het jaarlijkse aantal aanvragen voor omgevingsvergunningen is het
                        ondoenlijk en inefficiënt om alle aanvragen uitgebreid te toetsen op
                        integriteit. Het uitvoeren van een BIBOB-onderzoek dient vooral te worden
                        toegepast waar de kans op criminele activiteiten het grootst is. Bovendien
                        is een prioriteitstelling van belang om de administratieve lasten en de
                        extra werkzaamheden en verlenging van procedures voor de aanvragers van een
                        omgevingsvergunning én voor de gemeente zelf te beperken. Ook vanwege het
                        proportionaliteitsbeginsel is een selectieve aanpak wenselijk. Het is immers
                        een zwaar middel dat ingrijpt in de privacy van de aanvragers van een
                        omgevingsvergunning. </al><al>Met het benoemen van aandachtsgebieden geeft de gemeente aan in welke
                        gevallen de gemeente een BIBOB-onderzoek geheel of gedeeltelijk zal
                        uitvoeren.</al><al/><al>3.<vet>Aandachtsgebieden</vet></al><al>Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning kunnen één of meerdere
                        aanwijzingen naar voren komen die, op basis van landelijk onderzoek, als
                        risicovolle signalen aangemerkt kunnen worden. </al><al>Het gaat dan om aanwijzingen als de hoogte van de bouwsom, de locatie waar
                        de inrichting gelegen is (bijvoorbeeld op een kwetsbaar bedrijfsterrein, op
                        een woonwagencentrum), of de gebruiksfunctie van de inrichting zoals in het
                        Bouwbesluit is omschreven (bijvoorbeeld woonfunctie, bijeenkomstfunctie, of
                        sportfunctie). </al><al>Bij de beoordeling van aanvragen om een reguliere omgevingsvergunning (al
                        dan niet in fase aangevraagd) door het college van burgemeester en
                        wethouders zal een BIBOB-onderzoek worden verricht in geval het betreft: </al><lijst><li nr="1."><al>een aanvraag met als gebruiksfunctie woonfunctie: woning(en),
                                waarbij sprake is van een bouwsom, hoger dan € 350.000,--; </al></li><li nr="2."><al>een aanvraag met als gebruiksfunctie woonfunctie: woongebouw,
                                waarbij sprake is van een bouwsom &gt; € 1.500.000,--; </al></li><li nr="3."><al>een aanvraag met als gebruiksfunctie bijeenkomstfunctie: drank &amp;
                                horeca, waarbij sprake is van een bouwsom &gt; € 100.000,--;</al></li><li nr="4."><al>een aanvraag met als gebruiksfunctie bijeenkomstfunctie:
                                kinderdagverblijf, waarbij sprake is van een bouwsom &gt; €
                                100.000,--;</al></li><li nr="5."><al>een aanvraag met als gebruiksfunctie: industriefunctie, waarbij
                                sprake is van een niet concrete gebruiksfunctie en waarbij sprake is
                                van een bouwsom &gt; € 200.000,--; </al></li><li nr="6."><al>een aanvraag met als gebruiksfunctie: industriefunctie, waarbij het
                                pand bestemd is voor de verhuur; </al></li><li nr="7."><al>een aanvraag met als gebruiksfunctie: kantoorfunctie, waarbij sprake
                                is van een niet concrete gebruiksfunctie en waarbij sprake is van
                                een bouwsom &gt; € 200.000,--; </al></li><li nr="8."><al>een aanvraag met als gebruiksfunctie sportfunctie, waarbij sprake is
                                van een particuliere sportschool en/of fitnesscentrum;</al></li><li nr="9."><al>beschikkingen zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder e Wabo: voor
                                inrichtingen die vallen onder de categorie 3, 12 of 28 van bijlage I
                                onder C van het Besluit Omgevingsrecht.</al></li></lijst><al/><al><vet><cursief>Uitzonderingen</cursief></vet></al><al>Er zijn situaties waarbij het onmiskenbaar duidelijk is dat het niet nodig
                        is extra informatie bij de aanvrager op te vragen (door middel van het
                        BIBOB-vragenformulier voor omgevingsvergunningen). Dat kan bijvoorbeeld het
                        geval zijn met aanvragen van bestuursorganen. Ook kan een aanvrager recent
                        een andere vergunning hebben aangevraagd, waarbij de benodigde informatie al
                        is geleverd; het opnieuw vragen van informatie zal dan geen nieuwe
                        informatie opleveren, omdat de eerder verkregen informatie toen al geen
                        aanleiding gaf om een BIBOB-toets uit te voeren. Wanneer een vorige
                        vergunningaanvraag niet ouder is dan zes maanden zal geen “eigen-onderzoek”
                        plaatsvinden.</al><al/><al><vet><cursief>Overige toepassingen BIBOB-onderzoek</cursief></vet></al><al>De bovengenoemde opsomming van aandachtsgebieden is niet limitatief en sluit
                        zodoende uitdrukkelijk niet uit dat in overige gevallen op basis van
                        informatie van handhaving of indicaties die </al><al>de vergunningverlener krijgt bij de vergunningaanvraag, besloten wordt om
                        andere categorieën bouwactiviteiten aan een “eigen-onderzoek” onderwerpen. </al><al>Bovendien kunnen de aandachtsgebieden, afhankelijk van de specifieke
                        situatie, of indien nieuwe ontwikkelingen dit noodzakelijk maken, door het
                        bevoegde gezag worden aangepast. Dit bevoegde gezag kan ook, naast het
                        selecteren van aandachtsgebieden, andere categorieën bouwactiviteiten aan
                        een onderzoek onderwerpen. Met het oog op het rechtszekerheidsbeginsel zal
                        het desbetreffende bestuursorgaan de betrokkenen zo veel mogelijk via een
                        gepubliceerd besluit van eerdergenoemde aanpassing op de hoogte stellen. </al><al>De Officier van Justitie kan op grond van artikel 26 van de wet BIBOB de
                        gemeente adviseren advies aan te vragen bij het LBB, door een zogenaamde
                        “tip” te geven. De Officier van Justitie kan immers over informatie
                        beschikken die bij een bestuursorgaan onbekend is. Uitgangspunt van de
                        gemeente hierbij is dat in ieder geval primair wordt overgegaan tot het
                        starten van een “eigen onderzoek” en aldus de BIBOB -vragenlijst aan de
                        aanvrager verstuurd wordt. Vervolgens kan – indien daartoe aanleiding
                        bestaat – overgegaan worden tot het aanvragen van advies bij het LBB.</al><al/><al>4.<vet>BIBOB-onderzoek bij omgevingsvergunningen voor inrichtingen uit het
                            Activiteitenbesluit</vet></al><al>Inrichtingen die een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu aanvragen
                        (of moet beschikken over zo’n vergunning), kunnen te maken krijgen met het
                        gemeentebestuur als bevoegd bestuursorgaan. De wet BIBOB kan ook toegepast
                        worden op een (aangevraagde) omgevingsvergunning voor inrichtingen die
                        volgens het Activiteitenbesluit over een milieuvergunning dienen te
                        beschikken. Het gaat dan met name om de volgende aandachtsgebieden:
                        autosloperijen, afvalbedrijven, asbestinzamelbedrijven en vuurwerkopslag.
                        Binnen Capelle aan den IJssel zijn nog </al><al>19 inrichtingen die behoren tot de zogenaamde type C inrichtingen van het
                        Activiteitenbesluit. </al><al>Wanneer een dergelijke milieuvergunning noodzakelijk is of zal worden, dan
                        wordt het vergunningverleningtraject door de Dienst Centraal Milieubeheer
                        Rijnmond (DCMR) behandeld. </al><al>Om te voorkomen dat de bevoegdheden van de wet BIBOB door de DCMR in zo’n
                        geval niet kunnen worden toegepast, zijn bij de aandachtsgebieden in deze
                        beleidsregel specifieke categorieën van inrichtingen benoemd, zoals de
                        opslag en handel van consumentenvuurwerk waarbij het </al><al>BIBOB-beleid uit deze beleidsregel dient te worden toegepast. </al><al>Is er sprake van een provinciale bevoegdheid, dan geldt het vastgestelde
                        BIBOB-beleid van de provincie Zuid-Holland. </al><al>Met de aanvraag om een milieuvergunning dienen de in het BIBOB-beleid van de
                        gemeente opgenoemde bedrijven automatisch BIBOB-formulieren in te vullen met
                        de bedoeling de integriteit </al><al>te toetsen. Juridische en financiële experts van de DCMR beoordelen de
                        informatie. Zij bepalen of aanvullende informatie nodig is en of de aanvraag
                        voor advies doorgaat naar het Landelijk Bureau BIBOB. Als daaruit blijkt dat
                        er sprake is van beperkt of ernstig gevaar dat de milieuvergunning gebruikt
                        zal worden voor het plegen van strafbare feiten, kan de gemeente op advies
                        van de DCMR de milieuvergunning weigeren, intrekken of beperken door
                        voorschriften aan de vergunning te stellen. </al><al>Inrichtingen die volgens het Activiteitenbesluit meldingsplichtig zijn, de
                        zogenaamde type B inrichtingen uit het Activiteitenbesluit, vallen niet
                        onder de reikwijdte van de wet BIBOB. Inrichtingen die behoren tot type
                        A-inrichtingen hebben geen meldingsplicht en vallen eveneens buiten de
                        reikwijdte van de wet BIBOB.</al><al>5.<vet>Aanvraag advies bij het Landelijke Bureau BIBOB </vet></al><al>Er zijn twee aanleidingen in het BIBOB-onderzoek die in een concreet geval
                        zullen leiden tot een verzoek om advies aan het LBB:</al><lijst><li nr="1."><al>de BIBOB-Officier van Justitie geeft een tip om in het kader van een
                                aanvraag van een vergunning, dan wel een bestaande vergunning, een
                                advies aan het LBB te vragen;</al></li><li nr="2."><al>na de eigen huiswerkfase van de gemeente blijven vragen bestaan
                                over:</al><lijst><li nr="a."><al>de bedrijfsstructuur, of de activiteiten in en/of in de
                                        directe omgeving van de onderneming;</al></li><li nr="b."><al>de financiering van het bedrijf;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden in de persoon van de aanvrager, de
                                        financier van de onderneming of de eigenaar van het pand
                                        waarin de onderneming is gevestigd en/of de inventaris van
                                        de inrichting;</al></li><li nr="d."><al>(andere) omstandigheden die de gemeente doen vermoeden dat
                                        er sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunning zal
                                        worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten, of het
                                        gebruiken van voordelen uit strafbare feiten;</al></li><li nr="e."><al>(andere) omstandigheden die de gemeente doen vermoeden dat
                                        ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven
                                        vergunning een strafbaar feit is gepleegd.</al></li></lijst></li></lijst><al>De aanvrager/vergunninghouder zal door de gemeente schriftelijk worden
                        geïnformeerd dat de gemeente voornemens is een BIBOB-advies bij het LBB aan
                        te vragen. De adviesaanvraag bij het LBB is geen beschikking in de zin van
                        de algemene wet bestuursrecht. Hiertegen staat daarom geen bezwaar of beroep
                        open. Wel is het de aanvrager van een vergunning te allen tijde toegestaan
                        de aanvraag in te trekken. Bij een reeds verleende vergunning kan een
                        vergunninghouder besluiten zijn vergunning in te leveren. Indien dit het
                        geval is, wordt hiervan aantekening gemaakt en wordt het RIEC hierover
                        geïnformeerd om de effectiviteit van het instrument BIBOB te meten.</al><al/><al>5.<vet>Onderzoek door Landelijk Bureau BIBOB </vet></al><al>Het LBB zal, als er een advies is gevraagd, een nader onderzoek instellen en
                        een advies uitbrengen over de mate van gevaar, als bedoeld in artikel 3 van
                        de wet BIBOB. Uiteraard wordt de betrokkene, in dit geval de aanvrager van
                        de vergunning zelf onderzocht. Daarnaast wordt onderzocht of deze misschien
                        een relatie heeft tot strafbare feiten als bedoeld in de wet BIBOB. Dit
                        betekent dat ook andere personen kunnen worden betrokken in het onderzoek.
                        In artikel 3 van de wet BIBOB is bepaald dat betrokkene in relatie staat tot
                        strafbare feiten als die feiten door een ander gepleegd zijn en deze
                        personen:</al><lijst><li nr="·"><al>direct of indirect leiding geeft of heeft gegeven aan betrokkene,
                                dan wel;</al></li><li nr="·"><al>zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over betrokkene, dan wel;</al></li><li nr="·"><al>vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, dan
                                wel;</al></li><li nr="·"><al>in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.</al></li></lijst><al>In het BIBOB-vragenformulier voor omgevingsvergunning wordt daarom onder
                        meer gevraagd wie de vermogensverschaffers van betrokkene zijn, en wie de
                        eventuele onderaannemer is en wat de wijze van financiering is. Al deze
                        personen moeten er daarom rekening mee houden dat zij onderworpen kunnen
                        worden aan een BIBOB-onderzoek. Het LLB kan op grond van artikel 12 wet
                        BIBOB in bepaalde gevallen contact opnemen met de aanvrager om aanvullende
                        vragen te stelen. Het advies van LBB kan drie uitkomsten hebben met
                        betrekking tot de mate gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet
                        BIBOB:</al><lijst><li nr="1."><al>er is <vet><cursief>geen</cursief></vet>sprake van gevaar;</al></li><li nr="2."><al>er is sprake van een <vet><cursief>mindere</cursief></vet> mate van
                                gevaar;</al></li><li nr="3."><al>er is sprake van een <vet><cursief>ernstige </cursief></vet>mate van
                                gevaar.</al></li></lijst><al>De gemeente kan het advies van het LBB gebruiken ter motivering van een
                        besluit. Het ligt voor de hand dat de vergunning in het eerste geval zal
                        worden verleend. In het tweede en derde geval zal het bestuursorgaan een
                        extra afweging dienen te maken of de vergunning wordt geweigerd dan wel
                        ingetrokken of dat de vergunning onder extra voorschriften kan worden
                        verleend. Voor de inhoud van het besluit blijft het bestuursorgaan
                        verantwoordelijk.</al><al>Het bestuursorgaan zal, indien er het voornemen bestaat een negatieve
                        beslissing te nemen op grond van een BIBOB -advies, de betrokkene in de
                        gelegenheid stellen zijn zienswijze naar voren te brengen. De betrokkene kan
                        dan het BIBOB-advies inzien. Derden die genoemd zijn in de beslissing worden
                        aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 4:8 Awb en moeten,
                        indien te verwachten is dat zij hiertegen bedenkingen hebben, ook in de
                        gelegenheid worden gebracht om hun zienswijze naar voren te brengen. Derden
                        hebben overigens niet het recht om het advies in zijn geheel in te zien.
                        Tegen de uiteindelijke beslissing van het bestuursorgaan waarin een BIBOB-
                        advies is verwerkt kan bezwaar en beroep worden aangetekend.</al><al/><al>6.<vet>Termijnen</vet></al><al>Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning streeft de gemeente naar een
                        zo spoedig mogelijke afhandeling van de aanvraag, binnen de wettelijke
                        termijnen. Na het versturen van het </al><al>BIBOB-vragenformulier wordt de vergunningaanvrager twee weken (14 dagen) de
                        tijd gegeven om de gevraagde gegevens te leveren. De omgevingsvergunning
                        wordt pas in behandeling genomen nadat het vragenformulier en de gevraagde
                        gegevens zijn geretourneerd. Indien het vragenformulier en de gevraagde
                        gegevens niet binnen de gestelde twee weken (14 dagen) zijn geretourneerd,
                        wordt een aanvraag buiten behandeling gesteld. </al><al>Is de aanvraag onvolledig, dan laat het bestuursorgaan de aanvrager weten
                        welke stukken nog ontbreken. De aanvrager heeft vervolgens ten hoogste twee
                        weken (14 dagen) de tijd om de aanvraag met de gevraagde gegevens te
                        completeren. Laat hij dit deels of in zijn geheel na, dan kan het
                        bestuursorgaan de aanvraag buiten behandeling stellen. Wordt de aanvraag
                        niet aangevuld (ondanks het feit dat aanvrager hiertoe tweemaal in de
                        gelegenheid is gesteld), dan wordt de vergunning geweigerd. Gedurende de
                        periode dat de aanvrager zijn aanvraag volledig maakt, loopt de
                        beslistermijn niet.</al><al>De beslissing omtrent de aanvraag van een reguliere omgevingsvergunning -
                        voor zover geen strijd met het bestemmingsplan - is acht weken na ontvangst
                        van de aanvraag (artikel 3.9, eerste lid </al><al>onder a Wabo). Deze termijn kan eenmaal met zes weken worden verlengd
                        (artikel 3.9, tweede lid Wabo). De Wabo kent voor de beslissing op
                        omgevingsvergunningen fatale termijnen; indien niet binnen de wettelijke
                        termijn een beslissing is genomen, is de omgevingsvergunning van rechtswege
                        verleend (artikel 3.9 onder derde lid Wabo). </al><al>Als het bestuursorgaan tot adviesaanvraag bij het LBB overgaat, wordt deze
                        termijn op grond van artikel 31 van de wet BIBOB opgeschort. Deze
                        opschorting duurt vier weken en kan eenmaal met </al><al>vier weken worden verlengd.</al><al/><al>7.<vet>Vergunningverlening in afwachting advies Landelijk Bureau BIBOB
                        </vet></al><al>Wanneer het advies van het LBB langer dan 8 weken op zich laat wachten en de
                        bovengenoemde termijn dreigt overschreden te worden, kan besloten worden om
                        de vergunning te verlenen. </al><al>Het verlenen van de vergunning in afwachting van het BIBOB-advies van het
                        LBB kan alleen na </al><al>24 weken van indiening van de aanvraag. In de vergunning staat de volgende
                        passage vermeld:</al><al><vet><cursief>“</cursief></vet><cursief>Deze vergunning wordt u
                            vooruitlopend op het nog te ontvangen BIBOB-advies verleend. Indien het
                            Landelijk Bureau BIBOB advies uitbrengt waaruit blijkt dat er feiten
                            en/of omstandigheden zijn die </cursief></al><al><cursief>erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden, dat ter verkrijging
                            van de aangevraagde vergunning </cursief></al><al><cursief>een strafbaar feit wordt gepleegd, alsmede indien er enige mate of
                            ernstig gevaar bestaat, dat de vergunning mede zal worden gebruikt om
                            strafbare feiten te plegen, kan de vergunning ingetrokken
                            worden.</cursief><vet><cursief>”</cursief></vet></al><al/><al>8.<vet>Bevoegdheid tot nemen van besluit op aanvraag</vet></al><al>Het college is bevoegd tot het verlenen van omgevingsvergunningen. Het
                        college heeft deze bevoegdheid gemandateerd aan de algemeen directeur. De
                        algemeen directeur kan deze bevoegdheid ondermandateren aan het
                        afdelingshoofd Stadsbeheer, die de bevoegdheid vervolgens kan doormandateren
                        aan het unithoofd Handhaving en Vergunningen. Gemandateerden zullen van hun
                        bevoegdheid geen gebruik dienen te maken en een zaak ter besluitvorming
                        voorleggen aan het college van burgemeester en wethouders wanneer de
                        (politiek/bestuurlijke) omstandigheden in een concreet geval daartoe
                        aanleiding geven. In het geval dat het LBB om advies wordt gevraagd, wordt
                        het besluit op de aanvraag niet meer in mandaat genomen, maar door het
                        college.</al><al/><al>9.<vet>Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na de bekendmaking.</al><al/><al>10.<vet>Citeertitel</vet></al><al>De beleidsregel wordt aangehaald als: <vet><cursief>BIBOB-beleidsregel
                                omgevingsvergunningen 2011</cursief></vet>.</al></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld op 24 januari 2012.</ondertekening><ondertekening>Het college van burgemeester en wethouders voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de secretaris, de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>G.Kruijt. J.F. Koen.</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>