<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR133123_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads-, burger- en commissieleden 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Krimpen aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Krimpen aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads-, burger- en commissieleden 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads-, burger- en
            commissieleden 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Krimpen aan den IJssel;</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al> In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Gemeentewet en genoemd in bijlage I; </al></li><li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243; </al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244; </al></li><li nr="d."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van 20
                            februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het Rechtspositiebesluit wethouders; </al></li><li nr="e."><al>Verplaatsingskostenregeling 1989: het besluit van de Minister
                                    van Binnenlandse Zaken van 20 oktober 1989, nr.
                                    AB87/74/U6DGMP/AV/FAR, Stcrt. 212; </al></li><li nr="f."><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr.AB93/U280, Stcrt. 56;
                                </al></li><li nr="g."><al>Reisregeling buitenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 12 september 1994, nr. AD94/U1011, Stcrt.
                                    181; </al></li><li nr="h."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder; i.
                                    burgerlid door een raadsfractie als zodanig aangewezen persoon,
                                    die voorkomt op haar kandidatenlijst; j. commissielid lid van
                                    een commissie als bedoeld in het eerste lid onder e van artikel
                                    1 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden; </al></li><li nr="i."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet; </al></li><li nr="j."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, eerste lid,
                            van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, is gelijk aan het
                            door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                            gemeenteklasse 4 (inwonertal 24.001 tot en met 40.000), vastgestelde
                            maximum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap
                                verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 4,
                                vermeld in tabel II van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting
                                1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt
                                aangemerkt, is in afwijking van het eerste lid de onkostenvergoeding
                                gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 4 (inwonertal 24.001 tot
                                en met 40.000), vermeld in tabel III van het Rechtspositiebesluit
                                raads- en commissieleden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel b, van
                                        de Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                            reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid
                            vergoed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de vervulling van
                                het raadslidmaatschap. Het presidium beslist op de aanvraag. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag stelt het college het raadslid ten laste van de
                                    gemeente voor de uitoefening van het raadslidmaatschap een
                                    computer, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter
                                    beschikking.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover sprake is van een belastingheffing in verband met een
                                    ten laste van de gemeente ter beschikking gestelde computer,
                                    bijbehorende apparatuur en software als bedoeld in het eerste
                                    lid ontvangt het raadslid ten laste van de gemeente op aanvraag
                                    per jaar een tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde
                                    daarvan voor een periode van maximaal drie jaar. Daarbij wordt
                                    uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer, bijbehorende
                                    apparatuur en software welke het college aan raadsleden in
                                    bruikleen ter beschikking stelt.</al></li><li nr="3."><al>Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ter
                                    beschikking is gesteld, verleent het college een raadslid op
                                    aanvraag voor de uitoefening van het raadslidmaatschap voor een
                                    periode van maximaal drie jaar een tegemoetkoming van 30% van de
                                    aanschafwaarde voor</al><lijst><li nr="a."><al>aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en
                                            software, of</al></li><li nr="b."><al>gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur
                                            en software.</al></li></lijst></li></lijst><al>Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van de
                            computer, bijbehorende apparatuur en software, welke het college aan
                            raadsleden in bruikleen ter beschikking stelt. </al><lijst><li nr="4."><al>Op aanvraag vergoedt het college het raadslid de aanleg- en
                                    abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het
                                    eerste of derde lid genoemde computerapparatuur.</al></li><li nr="5."><al>Het raadslid ondertekent voor de bruikleen een
                                    bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></li><li nr="6."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Spaarloonregeling / levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan op
                                aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk personeel geldende
                                spaarloonregeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan
                                deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van
                                de Wet op de loonbelasting 1964.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien het
                                raadslid gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel
                                        4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting
                                        1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking
                                        wordt aangemerkt kan deelnemen aan de fietsregeling als
                                        bedoeld in artikel 37 van de Uitvoeringsregeling
                                        loonbelasting 2001. Naar keuze van het raadslid wordt de
                                        raadsvergoeding dan wel vaste onkostenvergoeding verminderd
                                        met de vergoeding voor de fiets als bedoeld in de
                                        Uitvoeringsregeling.</al></li><li nr="2."><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet
                                        bestaat geen aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, kan op
                                verzoek van een raadslid worden verlaagd in het geval hij een
                                uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke
                                arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel
                                2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid
                                ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd
                                tot het bedrag van bedoelde korting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit
                                Werkloosheid onderwijs- en onderzoek personeel ontvangt en de na
                                toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag
                                van bedoelde korting. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet
                                        meer dan 30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de
                                        gemeenteraad waarneemt, ontvangt voor die waarneming een
                                        toeslag van 8% van de in artikel 2 bedoelde vergoeding voor
                                        de werkzaamheden over de tijd van de waarneming. </al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
                                        van de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming in de kosten van een
                                                ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 11
                                                van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                                commissieleden bedraagt € 203,21 per jaar.</al></li><li nr="2."><al>In het geval een raadslid gedurende een gedeelte van
                                                het kalenderjaar lid van de raad is geweest ontvangt hij de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid,
                                        naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid is geweest.</al></li><li nr="3."><al>De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste
                                        lid, geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap
                                en bevalling of ziekte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De artikelen 2 tot en met 4, 8, 10 tot en met 12 en 13a blijven
                                van toepassing op het raadslid aan wie ingevolge artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag is
                                verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, met dien verstande dat de onkostenvergoeding
                                die dit raadslid op grond van artikel 3, eerste of tweede lid, ontvangt de helft bedraagt van het
                                bedrag dat op grond van die bepalingen van toepassing is.</al></li><li nr="2."><al>De artikelen 1 tot en met 7, 8, eerste, tweede, vierde en vijfde
                                lid, en 11 tot en met 13a van deze verordening zijn van toepassing op raadsleden die tijdelijk worden
                                benoemd ter vervanging van een raadslid dat ingevolge artikel X10 van de Kieswet tijdelijk
                                ontslag heeft verkregen wegens zwangerschap en bevalling of ziekte.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor
                                        wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het wethouderschapschap
                                verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse van
                                18.001 inwoners of meer, vermeld in artikel 25 van het
                                Rechtspositiebesluit wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>De tegemoetkoming voor het reizen tussen zijn woning en de plaats
                                van tewerkstelling van de wethouder is gelijk aan de vergoeding
                                bedoeld in artikel 3 van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zakelijke reiskosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan de wethouder wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in artikel
                                15 vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van andere dan de in
                                artikel 15 bedoelde reizen ten behoeve van de gemeente gemaakt. </al><al>De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding als
                                        bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="c."><al>een vergoeding van de noodzakelijke en redelijkerwijs
                                        gemaakte verblijfkosten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Op aanvraag worden de reiskosten voor de zakelijke reizen
                                        van de wethouder gesaldeerd overeenkomstig de regeling voor
                                        gemeentelijk personeel. Indien geen regeling als bedoeld in
                                        de eerste volzin is vastgesteld vindt op aanvraag saldering
                                        van de reiskosten voor de zakelijke reizen van de wethouder
                                        plaats overeenkomstig artikel 4a van de Reisregeling
                                        binnenland, artikel 2a van de Reisregeling buitenland en
                                        artikel 13a van de krachtens het Verplaatsingskostenbesluit
                                        1989 vastgestelde Verplaatsingskostenregeling 1989.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Dienstauto</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De wethouder kan voor reizen ten behoeve van de gemeente
                                        gebruik maken van een dienstauto met of zonder chauffeur.
                                        Onder dienstauto wordt voor de toepassing van dit artikel
                                        mede verstaan een door de gemeente ingehuurde auto.</al></li><li nr="2."><al>De dienstauto met of zonder chauffeur kan door de wethouder
                                        ook worden gebruikt voor het reizen tussen de woning en de
                                        plaats van tewerkstelling en voor reizen ten behoeve van
                                        nevenfuncties die de wethouder vervult uit hoofde van zijn
                                        ambt. </al></li><li nr="3."><al>Indien de wethouder op grond van artikel 15 een
                                        tegemoetkoming ontvangt in de reiskosten tussen de woning en
                                        de plaats van tewerkstelling wordt een korting op die
                                        tegemoetkoming toegepast ter grootte van </al><lijst><li nr="a."><al>1/20 deel van de tegemoetkoming in de betreffende maand voor
                                        elke dag waarop zowel van de woning naar de plaats van
                                        tewerkstelling als omgekeerd van de plaats van
                                        tewerkstelling naar de woning gebruik is gemaakt van de
                                        dienstauto;</al></li><li nr="b."><al>1/40 deel van de tegemoetkoming in de betreffende maand voor
                                        elke dag waarop alleen hetzij van de woning naar de plaats
                                        van tewerkstelling hetzij omgekeerd van de plaats van
                                        tewerkstelling naar de woning gebruik is gemaakt van de
                                        dienstauto;</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Indien de wethouder voor reizen ten behoeve van in het
                                        tweede lid bedoelde nevenfuncties gebruik maakt van de
                                        gemeentelijke dienstauto en daarvoor van een derde ook een
                                        vergoeding van reiskosten ontvangt wordt die vergoeding in
                                        de gemeentelijke kas gestort.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis
                                        buiten Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte
                                        noodzakelijke reis- en verblijfkosten vergoed. </al></li><li nr="2."><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland,
                                        niet zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf
                                        toestemming van het college vereist. De gemeenteraad kan aan
                                        deze toestemming voorwaarden verbinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen,
                                        congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk
                                        belang door of namens de gemeente worden aangeboden of
                                        verzorgd komen voor rekening van de gemeente.</al></li><li nr="3."><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres,
                                        seminar of symposium dat niet door of namens de gemeente
                                        wordt aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde
                                        aanvraag in. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke
                                        informatie en een kostenspecificatie. De kosten komen voor
                                        rekening van de gemeente als deelname van algemeen belang is
                                        in verband met de uitoefening van het ambt van wethouder.
                                        Het college beslist op de aanvraag. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag worden de wethouder ten laste van de gemeente
                                        voor de uitoefening van het ambt een computer, bijbehorende
                                        apparatuur en software in bruikleen ter beschikking
                                        gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover sprake is van een belastingheffing in verband met
                                        een ten laste van de gemeente ter beschikking gestelde
                                        computer, bijbehorende apparatuur en software als bedoeld in
                                        het eerste lid ontvangt de wethouder ten laste van de
                                        gemeente op aanvraag per jaar een tegemoetkoming van 30% van
                                        de aanschafwaarde daarvan voor een periode van maximaal drie
                                        jaar. Daarbij wordt uitgegaan van de aanschafwaarde van de
                                        computer, bijbehorende apparatuur en software welke het
                                        college aan wethouders in bruikleen ter beschikking
                                        stelt.</al></li><li nr="3."><al>Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software
                                        ter beschikking is gesteld, verleent het college de
                                        wethouder op aanvraag voor de uitoefening van het ambt voor
                                        een periode van maximaal drie jaar een tegemoetkoming van
                                        30% van de aanschafwaarde voor</al><lijst><li nr="a."><al>aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur
                                                en software, of</al></li><li nr="b."><al>gebruik van een eigen computer, bijbehorende
                                                apparatuur en software.</al></li></lijst></li></lijst><al>Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van de
                                computer, bijbehorende apparatuur en software, welke het college
                                wethouders in bruikleen ter beschikking stelt. </al><lijst><li nr="4."><al>Op aanvraag vergoedt het college de wethouder de aanleg- en
                                        abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het
                                        eerste of derde lid genoemde computerapparatuur.</al></li><li nr="5."><al>De wethouder ondertekent voor de bruikleen een
                                        bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></li><li nr="6."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst
                                        vast. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor uitsluitend de
                                        uitoefening van zijn ambt een mobiele telefoon in bruikleen
                                        ter beschikking gesteld. </al></li><li nr="2."><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst
                                        met de gemeente.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst
                                        vast.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de in bruikleen beschikbaar gestelde mobiele
                                        telefoon voor privé-doeleinden is gebruikt, vindt maandelijks een verrekening van de gesprekskosten
                                plaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Spaarloonregeling / levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan op aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk
                                personeel geldende spaarloonregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder kan deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in
                                artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien de
                                wethouder gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in
                                artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar keuze
                                van de wethouder wordt de bezoldiging dan wel vaste
                                onkostenvergoeding dan wel eindejaarsuitkering verminderd met de
                                vergoeding voor de fiets als bedoeld in de Uitvoeringsregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de
                                gemeente beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op
                                vergoeding van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in
                                        artikel 1 van de ministeriële regeling als bedoeld in
                                        artikel 22, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit
                                        wethouders;</al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de ministeriële
                                        regeling als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van het
                                        Rechtspositiebesluit wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Voorzieningen voor
                                        commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van
                                vergaderingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een
                                        commissie en haar subcommissies bedoeld in artikel 14 van
                                        het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is gelijk
                                        aan het door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                        Koninkrijksrelaties voor gemeenteklasse 3 (inwonertal 20.001
                                        tot en met 50.000) vastgestelde maximum. </al></li><li nr="2."><al>Onder vergadering van een commissie wordt mede verstaan een
                                        werkbezoek of thema bijeenkomst met verslaglegging achteraf.
                                        De vergoeding als bedoeld in het eerste lid wordt
                                        uitsluitend verstrekt, indien de aanwezigheid van het lid
                                        van de commissie blijkt uit de bijgehouden presentielijst.
                                    </al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        degene die als lid van een commissie een vaste vergoeding
                                        voor de werkzaamheden als bedoeld in artikel 96 van de
                                        Gemeentewet ontvangt.</al></li><li nr="4."><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                        commissie</al><lijst><li nr="a."><al>als raadslid of wethouder;</al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel
                                                van een ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan
                                                wel van een functie bij een instelling die
                                                grotendeels van overheidswege wordt
                                                gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende
                                                instelling, organisatie of groepering, tenzij zijn
                                                lidmaatschap van de commissie tevens in belangrijke
                                                mate het gemeentelijk belang dient.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid
                                        een hogere vergoeding vaststellen, zulks tot ten hoogste
                                        200% van het in het eerste lid bedoelde bedrag van de
                                        vergoeding, ten aanzien van: </al><lijst><li nr="a."><al>een lid van een commissie die op grond van zijn
                                                bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het
                                                taakgebied van de commissie voor deelname aan haar
                                                werkzaamheden is aangetrokken, en</al></li><li nr="b."><al>een lid van een commissie ten aanzien waarvan de
                                                vergoeding niet geacht kan worden in een redelijke
                                                verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en
                                                de omvang van de door hem te verrichten arbeid.</al></li></lijst></li></lijst><al>De onder a en b genoemde leden zijn vermeld in bijlage II.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is en
                                niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is
                                benoemd worden de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen
                                van de commissie vergoed. </al><al>De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig de bedragen in artikel 4, onderdeel b, van de
                                        Regeling rechtspositie wethouders;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden de in
                                        redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake
                                        van reizen binnen en buiten het grondgebied van de gemeente
                                        vergoed overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel
                                        c, van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad kan een commissie uit de gemeenteraad
                                        toestemming verlenen voor een excursie of reis naar het
                                        buitenland. De gemeenteraad kan aan de toestemming
                                        voorwaarden verbinden. </al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of
                                        vanwege de gemeente georganiseerd.</al></li><li nr="3."><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen
                                        voor rekening van de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen,
                                        congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk
                                        belang door of namens de gemeente worden aangeboden of
                                        verzorgd komen voor rekening van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres,
                                        seminar of symposium dat niet door of namens de gemeente
                                        wordt aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde
                                        aanvraag in. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke
                                        informatie en een kostenspecificatie. De kosten komen voor
                                        rekening van de gemeente als deelname van algemeen belang is
                                        in verband met de vervulling van het commissielidmaatschap.
                                        Het presidium beslist op de aanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>Voorzieningen voor
                                    burgerleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Burgerlid als commissielid</titel></kop><al>Indien een burgerlid optreedt als commissielid is hoofdstuk IV
                                Voorzieningen voor commissieleden op hem van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><al>Op het burgerlid is artikel 8 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door </al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente;
                                        of</al></li><li nr="c."><al>een gemeentelijke creditcard.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5,
                                        6, 16, 19, 24 en 27 wordt gebruik gemaakt van een
                                        declaratieformulier, waarvan het model door het college is
                                        vastgesteld, indien deze kosten uit eigen middelen vooruit
                                        zijn betaald.</al></li><li nr="2."><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en
                                        ondertekend. Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder of
                                        het commissielid dient het declaratieformulier binnen 2
                                        maanden bij de griffier, onderscheidenlijk de
                                        gemeentesecretaris of een door hem aangewezen ambtenaar in,
                                        onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 16, 19,
                                        20 en 24 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van
                                        de door het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder voor
                                        akkoord ondertekende factuur aan de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats
                                        door het begeleidingsformulier, waarvan het model door het
                                        college is vastgesteld, volledig in te vullen en te
                                        ondertekenen.</al></li><li nr="3."><al>Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder dient het
                                        begeleidingsformulier en de factuur binnen 2 maanden in bij
                                        de griffier, onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of de
                                        door hem aangewezen ambtenaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Gebruik creditcard</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening voorzieningen wethouders, raads-, burger- en
                                commissieleden 2009 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads-, burger- en commissieleden 2012.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de gemeente Krimpen aan
                        den IJssel</ondertekening><ondertekening>op 8 december 2012.</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><tussenkop>Bijlagen</tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage I</tussenkop><tussenkop>Lijst van commissies behorende bij artikel 1 onder a van de Verordening
                    rechtspositie wethouders, raads-, burger- en commissieleden 2012</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>Informatieve raadscommissie </al></li><li nr="b."><al>Besluitvoorbereidende raadscommissie </al></li></lijst><al>c.Rekenkamercommissie </al><al>d.commissie Bezwaarschriften </al><al>e.werkgroep Kunstzaken </al><al>f.Cliëntenplatform WwB </al><al>g.WMO-beraad </al><al>h.Molukse begeleidingscommissie </al><al>i.Cliëntenraad leerlingenvervoer </al></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage II</tussenkop><tussenkop>Lijst van functionarissen behorende bij het vijfde artikel 26 van de
                    Verordening rechtspositie wethouders, raads-, burger- en commissieleden
                    2012</tussenkop><al>a.de voorzitter van de Rekenkamercommissie </al><al>b.de voorzitter van de commissie Bezwaarschriften </al><al>c.de voorzitter van het WMO-beraad </al><tussenkop>TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><tussenkop>Wettelijke regelingen</tussenkop><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                    gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet,
                    AMvB, ministeriële regeling (alleen wethouders) en gemeentelijke verordening.
                    Wettelijk is voor wethouders in de Algemene pensioenwet politieke</al><al>ambtsdragers (Appa) de uitkering na aftreden en het pensioen geregeld. In de
                    Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van
                    wethouders, raads- en commissieleden moet worden geregeld bij AMvB. Daartoe zijn
                    tot stand gekomen het Rechtspositiebesluit wethouders en het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. Enkele vergoedingen voor
                    wethouders die gelijk zijn die voor rijksambtenaren, maar voor hen voorheen in
                    verschillende regelingen waren opgenomen waarnaar in het verleden werd verwezen,
                    zijn om pragmatische redenen sinds 1 januari 2004 opgenomen in een ministeriële
                    regeling, de Regeling rechtspositie wethouders. In deze wetten en nadere
                    regelgeving zijn alle voor de rechtspositie van belang zijnde onderwerpen
                    geregeld. Een aantal voorzieningen, zoals de hoogte van de bezoldiging en de
                    verschillende onkostenvergoedingen, is in de rechtspositiebesluiten overwegend
                    geregeld in dwingende bepalingen. Voor secundaire voorzieningen, zoals
                    bijvoorbeeld een regeling tegemoetkoming in de kosten van een
                    ziektekostenverzekering of een uitkering bij aftreden als raadslid, geldt dat de
                    gemeente de vrijheid heeft om deze voorzieningen te treffen.</al><tussenkop>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening</tussenkop><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                    wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies. De grondslag
                    hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten.
                    Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten de wethouders
                    als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van de gemeente
                    (artikel 44 van de Gemeentewet). Dit betekent dat de rechtspositionele
                    aanspraken voor zittende wethouders uitsluitend te vinden zijn in
                    respectievelijk de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit wethouders, de Regeling
                    rechtspositie wethouders en de plaatselijke Verordening rechtspositie
                    wethouders, raads- en commissieleden. Gewezen wethouders ontlenen hun aanspraak
                    op een ontslaguitkering en pensioen aan de Algemene pensioenwet politieke
                    ambtsdragers.</al><al>Een soortgelijke bepaling als artikel 44 is voor raads- en commissieleden
                    opgenomen in artikel 99 van de Gemeentewet. Het tweede lid van die bepaling
                    voegt daaraan toe dat bij gemeentelijke verordening aan raads- en commissieleden
                    voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen
                    worden toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring van gedeputeerde staten
                    vereist. De rechtspositionele aanspraken voor raads- en commissieleden zijn dan
                    ook uitsluitend te vinden zijn in respectievelijk de Gemeentewet, het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de plaatselijke Verordening
                    rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden.</al><tussenkop>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid</tussenkop><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus
                    niet de werkgever. Dat</al><al>betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet
                    vallen onder de</al><al>werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Raadsleden
                    worden ook niet aangemerkt als werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet en
                    hebben derhalve op grond van die wet geen recht op vergoeding door de gemeente
                    van de over de raadsvergoeding verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de
                    kosten van de basisverzekering. Als gevolg van een wijziging van artikel 11 van
                    het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden van 6 december 2006 (Stb.
                    2006, 660) kan de raad echter bij verordening wel een tegemoetkoming in de
                    kosten van een ziektekostenverzekering worden toegekend. Daardoor is tegemoet
                    gekomen aan de inhouding van de inkomensafhankelijke bijdrage. Omdat er geen
                    dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet onder de Wet op de
                    loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten getoetst aan de Wet
                    inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid opteren voor de loonbelasting door
                    te kiezen voor het fictief werknemerschap (zie hieronder).</al><al>Wethouders zijn sinds de dualisering van het gemeentebestuur ingevolge de
                    Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld en vallen
                    onder de werking van die wet. Echter de bepalingen over het materiële
                    ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing op wethouders. Hun
                    rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven, beheerst door specifieke wet-
                    en regelgeving. De aanstelling in openbare dienst houdt voor de toepassing van
                    de fiscale wetgeving in dat sprake is van een arbeidsverhouding die als
                    dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat wethouders direct onder de
                    werking van de Wet op de loonbelasting vallen. Er is sinds de dualisering van
                    het gemeentebestuur derhalve geen mogelijkheid meer om wel of niet voor de
                    loonbelasting te opteren. Wethouders vallen niet onder de werking van de
                    Ziektewet, Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de
                    pensioenvoorziening bij het ABP. Wachtgeld na aftreden en ouderdoms- en
                    nabestaandenpensioen zijn voor wethouders geregeld in de Algemene pensioenwet
                    politieke ambtsdragers (Appa). Wethouders zijn werknemers in de zin van de
                    Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet recht op vergoeding
                    door de gemeente van de over hun bezoldiging verschuldigde inkomensafhankelijke
                    bijdrage in de kosten van de basisverzekering.</al><tussenkop>De loon- en inkomstenbelasting</tussenkop><tussenkop>Opting in regeling</tussenkop><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                    gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting in
                    regeling” genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig ingericht dat
                    wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke
                    verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de Belastingdienst dat wordt
                    geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het
                    loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente de ingehouden loonheffing af aan de
                    Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de formele zin van het
                    woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet onder de
                    sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding ook
                    geen premies sociale zekerheid ingehouden.</al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval
                    geen administratie bij te</al><al>houden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden afgetrokken. Wel kan de
                    gemeente onder</al><al>voorwaarden bepaalde vergoedingen onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten
                    onbelast in bruikleen beschikbaar stellen. Genoemd kunnen worden de vergoeding
                    van reis- en verblijfkosten en de zakelijke deelname aan cursussen en
                    congressen. Er zijn ook vergoedingen die niet belastingvrij kunnen worden
                    verstrekt. Deze vergoedingen worden gebruteerd toegekend waardoor na inhouding
                    van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding resteert. Het meest duidelijke
                    voorbeeld is de onkostenvergoeding, die aan raadsleden die gekozen hebben voor
                    ‘opting-in’ als een bruto bedrag wordt verstrekt. Raadsleden die gekozen hebben
                    voor de standaard regeling ontvangen een lager bedrag dat vergelijkbaar is met
                    het netto resultaat van de bruto vergoeding.</al><al>Raadsleden kunnen ook deelnemen aan de spaarloonregeling of de
                    levensloopregeling en de fietsregeling.</al><tussenkop>Fiscale standaardpositie</tussenkop><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het raadslid dat
                    hij voor de Wet</al><al>inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet. In dat geval is
                    het winstsysteem van</al><al>toepassing. Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan
                    de gemaakte kosten daarop in mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben
                    voor de standaard regeling zullen dan ook over het lagere bedrag dat zij als
                    onkostenvergoeding ontvangen inkomstenbelasting moeten betalen, tenzij zij aan
                    de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de vergoeding is besteed aan
                    onkosten voortvloeiend uit het raadslidmaatschap.</al><al>Zij kunnen niet deelnemen aan de spaarloonregeling en de levensloopregeling en
                    fietsregeling.</al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                    beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                    normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                    resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op
                    grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave
                    IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer worden
                    opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor de
                    hoogte van de vaste kostenvergoeding maakt het verschil uit of het raadslid wel
                    of niet heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor hieronder de
                    toelichting op artikel 3).</al><tussenkop>Eenmalige keuze per zittingsperiode</tussenkop><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren voor
                    de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om
                    voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt
                    en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene
                    als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode.
                    Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te
                    gebeuren maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende
                    periode.</al><tussenkop>De vergoedingssystematiek</tussenkop><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen
                    inkomen hoeven aan te</al><al>spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van belang. Waar er
                    functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling terughoudend te zijn met een
                    financieringswijze waarin de bestuurder deze uit eigen middelen vooruit betaalt
                    en de gemeente ze terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen moeten
                    zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft het de
                    voorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de
                    mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter behoefte blijven
                    bestaan. Als vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende wijze van
                    redeneren:</al><lijst><li nr="-"><al>welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie
                            (bedrijfsvoering en bestuurskosten);</al></li><li nr="-"><al>welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt,
                            maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie;</al></li><li nr="-"><al>kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden
                            aangeboden (indien de</al></li></lijst><al>loonbelasting geldt);</al><al>-voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een (bruto)
                    vergoeding worden verstrekt.</al><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende.</al><tussenkop>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de bedrijfsvoering</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>bruikleen van computer- en communicatieapparatuur;</al></li><li nr="-"><al>zakelijk gebruik van dienstauto’s;</al></li><li nr="-"><al>deelname aan cursussen en congressen e.d.</al></li></lijst><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de wethouder of
                    het raadslid maar worden direct door de gemeente voldaan en de voorzieningen
                    worden om niet in bruikleen gegeven. Zij vallen derhalve buiten de
                    vergoedingssfeer.</al><tussenkop>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar onbelast kunnen
                    worden vergoed</tussenkop><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten, blijft het
                    systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven de wethouder of het raadslid
                    op basis van declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als is voldaan aan de
                    gestelde voorwaarden, onbelast worden vergoed.</al><tussenkop>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet onbelast
                    kunnen worden vergoed</tussenkop><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto) kostenvergoeding
                    verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 14 is aangegeven om welke
                    beroepskosten het gaat.</al><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd geldt dezelfde
                    systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen alle vergoedingen
                    en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer als opbrengst te
                    verantwoorden. Omdat zij hun werkelijk gemaakte kosten fiscaal kunnen verrekenen
                    worden hun vergoedingen niet gebruteerd toegekend.</al><tussenkop>Controle en verantwoording</tussenkop><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle andere
                    publieke middelen -</al><al>transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds inzichtelijke regels en
                    richtlijnen die voor het</al><al>vergoedingen- en voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke
                    verantwoording van het</al><al>daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige
                    discussies plaatsvinden</al><al>omtrent het gebruik van onkostenregelingen of voorzieningen door
                    gemeentebestuurders en over de</al><al>eventueel verschuldigde belasting.</al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen zonder
                    te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van de functionele
                    uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende financiële en
                    administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan bestaan omtrent
                    de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al>In hoofdstuk V is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en
                    controleverordening</al><al>vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures vastgelegd over
                    rechtstreekse facturering van</al><al>functionele uitgaven, declaratie van vooruit betaalde kosten en het gebruik van
                    creditcards. Daarnaast zijn er in de bruikleenovereenkomsten heldere afspraken
                    vastgelegd over het gebruik van computer- en communicatieapparatuur die
                    beschikbaar wordt gesteld voor de uitoefening van de politieke functie. In
                    aanvulling hierop is een gedragscode ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn
                    vastgelegd. Daarbij gaat het onder meer om afspraken omtrent de bestuurlijke
                    uitgaven die in aanmerking komen voor bespreking en zonodig besluitvorming in
                    het college. In die gedragscode is ook het beleid rond buitenlandse reizen en de
                    bekostiging van zakendiners met derden opgenomen. Verder zijn er aanvullende
                    administratieve procedures beschreven over de afwikkeling van declaraties en
                    facturen en de daarbij te hanteren verdeling van verantwoordelijkheden en hoe
                    bijvoorbeeld om te gaan met interpretatie- of meningsverschillen.</al><tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</tussenkop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat raadsleden
                    voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de vergoeding
                    wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit
                    het maximale bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden aangegeven. In
                    artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag. De
                    gemeenteraad kan besluiten naar beneden af te wijken van het door de minister
                    vastgestelde maximum. De afwijking naar beneden kan op drie manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op een
                            percentage tussen 80 en 100 van het door de minister vastgestelde
                            maximum;</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt uitbetaald
                            als presentiegeld. Dat deel mag maximaal 20% van de raadsvergoeding
                            zijn.</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden vast.</al></li></lijst><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen
                    raadsleden, dus een</al><al>presentievergoeding of een lagere raadsvergoeding geldt voor alle raadsleden.
                    Het bedrag van de</al><al>vergoeding voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1
                    januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid. Hiervoor is
                    in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig als in de verordening in
                    algemene zin is aangegeven dat de raadsvergoeding gelijk is aan het door de
                    minister te bepalen maximum of een percentage daarvan.</al><al>Raadsleden die een WAO-uitkering ontvangen kunnen sinds 1 januari 2006 verzoeken
                    hun raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling in een
                    lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze keuzemogelijkheid
                    moet bij verordening worden toegestaan en is opgenomen in artikel 11 van deze
                    verordening.</al><al>De gemeente Krimpen aan den IJssel valt voor de raadsleden in gemeenteklasse 4.
                    Dit is een inwonertal van 24.001 tot en met 40.000 inwoners. </al><tussenkop>Artikelen 3 en 14 Vaste onkostenvergoeding</tussenkop><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van wethouder c.q. aan
                    het raadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op basis van
                    de volgende kostencomponenten:</al><lijst><li nr="-"><al>representatie;</al></li><li nr="-"><al>vakliteratuur;</al></li><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen;</al></li><li nr="-"><al>telefoonkosten;</al></li><li nr="-"><al>bureaukosten, porti;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke giften;</al></li><li nr="-"><al>bijdrage aan fractiekosten;</al></li><li nr="-"><al>ontvangsten thuis;</al></li><li nr="-"><al>excursies.</al></li></lijst><al>Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten fax/pc en
                    cursussen en congressen.</al><al>Daarvoor zijn vanaf dat tijdstip specifieke voorzieningen getroffen (zie de
                    artikelen 7, 8, 20, 21, 29 en 30).</al><al>De onkostenvergoeding is in verband hiermee vanaf die datum neerwaarts
                    bijgesteld.</al><al>De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer onbelast worden
                    verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding gelijk te houden is
                    het bedrag gebruteerd tegen het belastingtarief van 52%. Deze brutering heeft
                    echter geen betrekking op raadsleden die niet hebben geopteerd voor het
                    loonbelastingregime. Voor hen blijven de aftrekmogelijkheden van de werkelijk
                    gemaakte kosten op het resultaat uit onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste
                    kostenvergoeding zonder de brutering. Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen
                    onderbouwen, blijft de raadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond,
                    zal alsnog worden belast bij de aangifte Inkomstenbelasting.</al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald.
                    Wel is in de</al><al>rechtspositiebesluiten voor wethouders en raadsleden het maximale bedrag van de
                    kostenvergoeding</al><al>aangegeven. In de artikelen 3 en 14 is de hoogte van de kostenvergoeding bepaald
                    op het maximale</al><al>bedrag. Ook de onkostenvergoeding kan door de raad op een lager bedrag worden
                    bepaald, dat echter niet lager mag zijn dan 80% van het door de minister
                    vastgestelde maximum.</al><al>Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1
                    januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de
                    gemeente geen nadere besluitvorming nodig als in de verordening in algemene zin
                    is aangegeven of de onkostenvergoeding gelijk is aan het door de minister te
                    bepalen maximum of een percentage daarvan.</al><tussenkop>Artikel 5, 6 en 27 Reis- en verblijfkosten raads- en
                    commissieleden</tussenkop><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werkverkeer’ voor
                    raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als
                    raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het
                    grondgebied van de gemeente. Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads-
                    en commissieleden wel in een vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor
                    reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing
                    van het gemeentebestuur.</al><al>Aan commissieleden kan krachtens artikel 96, eerste lid, van de Gemeentewet
                    echter wel een vergoeding worden gegeven de reis- en verblijfkosten in verband
                    met reizen binnen de gemeente.</al><al>Tot 2004 werd in de rechtspositiebesluiten verwezen naar, in dit geval, de
                    Reisregeling binnenland en de Reisregeling buitenland zoals die voor de sector
                    Rijk zijn vastgesteld. Sinds 1 januari 2004 is voor</al><al>wethouders de ‘Regeling rechtspositie wethouders’ en voor burgemeesters de
                    ‘Regeling rechtspositie</al><al>burgemeesters’ ingevoerd. De vergoedingen in deze regelingen zijn in principe
                    dezelfde als in de genoemde reisregelingen zijn opgenomen, maar de minister van
                    Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft door deze specifieke regelingen
                    voor politieke ambtsdragers de mogelijkheid meer op het ambt toegespitste
                    vergoedingen vast te stellen. De huidige regelingen voor burgemeesters en
                    wethouders kennen in beginsel dezelfde bedragen als de rijksregeling. De
                    vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten is niet
                    nader ingevuld. Daarmee is dit een lokale aangelegenheid die kan worden
                    vastgelegd in een voor de wethouders door het college en voor de raadsleden door
                    de raad vast te stellen uitvoeringsregeling, waarbij eventueel aansluiting
                    gezocht kan worden bij de rijksregelingen. Het is aan te bevelen de lokale
                    uitvoeringsregelingen op elkaar af te stemmen.</al><al>Omdat in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden geen eigen
                    vergoedingsregeling is</al><al>opgenomen, is in artikel 5, tweede lid, onderdeel b, aansluiting gezocht bij de
                    vergoedingsregeling voor wethouders, die, zoals gezegd, overeenkomt met de
                    vergoedingen in de Reisregeling binnenland. Daardoor wordt het aantal regelingen
                    waarnaar verwezen zou kunnen worden, beperkt. De vergoeding van noodzakelijke en
                    redelijkerwijs gemaakt verblijfkosten is ook voor raads- en commissieleden een
                    lokale aangelegenheid die kan worden vastgelegd in een door de raad vast te
                    stellen uitvoeringsregeling, waarbij aansluiting gezocht kan worden bij de
                    uitvoeringsregeling voor de wethouders.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al><al>Vergoed kunnen worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik van eigen
                    vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals die voor het rijkspersoneel geldt
                    De vergoeding van de reiskosten met het openbaar vervoer is onbelast. De
                    kilometervergoeding is voor € 0,19 onbelast, ongeacht het gebruikte
                    vervoermiddel. In het Handboek loonheffingen 2007 wordt over de
                    kilometervergoeding opgemerkt:</al><tussenkop>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer betaalt,
                    zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en tolgelden,
                    voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het inbouwen van een
                    carkit of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik wegens gebruik van een
                    aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en
                    tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de
                    eindheffing.</tussenkop><al>Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere deel
                    belast.</al><tussenkop>Artikelen 7 en 20 Cursus, congres, seminar of symposium</tussenkop><al>Zoals hierboven al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering gebracht
                    en komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij zijn in
                    verband hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. Een onderscheid is
                    gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of vanwege de gemeente in het
                    gemeentelijk belang zijn georganiseerd en cursussen, congressen e.d. waaraan het
                    individuele raadslid in verband met de vervulling van het raadslidmaatschap op
                    eigen initiatief deelneemt.</al><al>Partijgebonden bijeenkomsten kunnen niet ten laste van de gemeente worden
                    gebracht. Om die reden wordt in het tweede lid het algemeen belang van de cursus
                    etc. benadrukt. In het laatste geval zijn er aanvullende voorwaarden gesteld
                    (inhoudelijke informatie over de cursus of het congres en een
                    kostenspecificatie). Hierbij kan de fractievoorzitter een rol spelen. In het
                    aanvraagformulier is een vraag opgenomen of de fractievoorzitter de aanvraag
                    ondersteunt.</al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een zakelijk
                    karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de vergoeding c.q.
                    verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor raadsleden die niet hebben
                    geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar
                    de waarde in het economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als
                    opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende
                    randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikelen 8, 21 en 32 Computer en internetverbinding</tussenkop><al>Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap, het ambt van de wethouder of het
                    burgerlidmaatschap wordt op aanvraag om niet een computer met bijbehorende
                    apparatuur en software in bruikleen beschikbaar gesteld. Bijbehorende apparatuur
                    is apparatuur die is bestemd om aan de computer te worden gekoppeld om
                    informatie uit te wisselen. Voorbeelden hiervan zijn een modem, een printer, een
                    fax en een digitale fotocamera. De nadere voorwaarden zijn geregeld in de
                    bruikleenovereenkomst die het raadslid en de wethouder sluit. Het model van die
                    overeenkomst is door het college vastgesteld. De grondslag voor deze faciliteit
                    is te vinden in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en raads- en
                    commissieleden. </al><al>Sinds 2005 kan een computer met bijbehorende apparatuur en software alleen
                    onbelast worden vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld indien geheel of
                    nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt. In de nota naar aanleiding van het
                    verslag (Tweede Kamerstuk 29 767, nr. 14, blz. 22) wordt hierover het volgende
                    opgemerkt: <cursief>‘Er is juist omwille van de eenvoud gekozen voor het
                        criterium geheel of nagenoeg geheel. Op deze wijze blijven computers die
                        louter zakelijk worden gebruikt buiten de heffing. Het aanvullende criterium
                        ‘nagenoeg geheel’ zorgt ervoor dat de werkgever bij zeer incidenteel
                        privégebruik niet meteen de gehele computer in de heffing hoeft te
                        betrekken. De werkgever dient aannemelijk te maken dat de computer (geheel
                        (of nagenoeg geheel) zakelijk wordt gebruikt om deze onbelast te kunnen
                        vergoeden, verstrekken of ter beschikking te stellen. Hierbij geldt de vrije
                        bewijsleer. In dit kader kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties
                        waarin technische voorzieningen zijn aangebracht aan de computer die het
                        privégebruik bemoeilijken, hij via de computer geen vrije internettoegang
                        heeft, er op de computer geen software anders dan bedrijfsmatige software op
                        staat, de werknemer niet de mogelijkheid heeft er software op te zetten en
                        hij geen randapparatuur kan aansluiten.’</cursief></al><al>Omwille van het creëren van een compensatie voor de belastingheffing, wordt er
                    in de respectievelijke rechtspositiebesluiten en de verordening van uitgegaan
                    dat betrokkenen de computer niet geheel of nagenoeg geheel voor zakelijk gebruik
                    bestemmen. </al><al>Dat betekent dat zowel de vergoeding, de verstrekking als de
                    terbeschikkingstelling van computerapparatuur en de daaraan gekoppelde
                    tegemoetkoming zal worden belast. In verband hiermee vindt er gedurende de
                    afschrijvingsperiode van drie jaar voor de door de gemeente beschikbaar gestelde
                    computer een fiscale bijtelling plaats van 30% van de waarde in het economisch
                    verkeer op het moment van eerste gebruikneming. Na het derde jaar wordt de
                    waarde op nihil gesteld. Geregeld is dat de gemeente op aanvraag 30% van de
                    aanschafprijs vergoedt gedurende de drie jaar dat in verband met het beschikbaar
                    stellen van de computer belasting is verschuldigd. Deze vergoeding is overigens
                    belast. Indien een computer tijdens het kalenderjaar wordt verstrekt. geldt in
                    het eerste en vierde kalenderjaar een vergoeding naar evenredigheid van het
                    aantal kalendermaanden waarin de computer beschikbaar is gesteld. De gemeente
                    bepaalt zelf de hoogte van de vergoeding. Als norm kan daarvoor worden uitgegaan
                    van de aanschafwaarde van de computer die de gemeente ter beschikking stelt. </al><al>Een andere methode die toegepast kan worden is de volgende, waarbij wordt
                    uitgegaan van een bruikleen-pc en toebehoren ad € 1.500,-. Deze is voor
                    belanghebbende bij wie loonbelasting wordt ingehouden toepasbaar omdat het
                    inhoudingspercentage bekend is. Voor de fiscaal zelfstandigen zal ofwel het
                    percentage door betrokkene vrijwillig moeten worden aangereikt dan wel voor die
                    belanghebbende één en hetzelfde percentage wordt toegepast zonder rekening te
                    houden met de feitelijke situatie van betrokkene. </al><al>De vergoeding wordt berekend aan de hand van de formule: L x T/(100-T),
                    waarin:</al><al>L = het ter zake van de voorziening tot het belastbare loon in de zin van de Wet
                    op de loonbelasting 1964 behorende bedrag:</al><al>T = het hoogste van de in de tarieftabel van artikel 20a, eerste lid van de Wet
                    op de loonbelasting 1964 opgenomen percentages. </al><al>Cijfermatig uitgewerkt ziet dit er als volgt uit:</al><al>Fiscale bijtelling voor een ter beschikking gestelde computer is 500.</al><al>Tarief 52% = € 260. Resulteert netto in (€ 500 - € 260 =) € 240.</al><al>Compensatie:</al><al>L500 x T52% / (100 – T 52) = € 541 bruto</al><al>bruto € 541 = netto (€ 541 - € 281 = ) € 260.</al><al>Recapitulatie:</al><al>Totaal brutoloon €500 + € 541 = € 1.041</al><al>Totaal netto € 240 + €260 = € 500</al><al>Het is ook mogelijk om een vergoeding te geven voor de aanschaf of het gebruik
                    van een eigen computer. Een compensatie voor belastingheffing is dan echter niet
                    toegestaan. De gemeente bepaalt zelf de hoogte van de vergoeding. Als norm kan
                    daarvoor worden uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer die de gemeente
                    ter beschikking stelt. </al><al>De aanleg- en abonnementskosten van de internetvoorziening komen ten laste van
                    de gemeente. Hier is er eveneens van uitgegaan dat de internetverbinding niet
                    geheel of nagenoeg geheel voor zakelijk gebruik is. In dat geval is de
                    vergoeding onbelast. Zie p. 153 Handboek loonheffingen 2007. Ook hierbij kan de
                    gemeente zelf een normbedrag vaststellen uitgaande van bijvoorbeeld de laagste
                    of de gemiddelde kosten.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd. </al><al>De Belastingdienst accepteert inmiddels ook van commissieleden de toepassing van
                    de opting-in regeling. </al><tussenkop>Artikel 10 en 23 Spaarloon/levensloop</tussenkop><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en wethouders
                    kunnen deelnemen aan de spaarloonregeling dan wel aan de levensloopregeling. Een
                    combinatie van beide is niet toegestaan. Evenmin het mogelijk een
                    ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken. Het gaat hier niet om een rechtspositionele
                    aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor werknemers.</al><al>Het levensloopsaldo kan niet omgezet worden in verlof, omdat raadsleden noch
                    wethouders in hun politieke functie verlof kennen. Het saldo valt bij
                    beëindiging van het ambt vrij en kan worden meegenomen naar een andere
                    levensloopregeling.</al><tussenkop>Artikel 10a en 23a Fietsregeling</tussenkop><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en wethouders
                    kunnen deelnemen aan de fietsregeling. Het gaat hier niet om een
                    rechtspositionele aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor werknemers.
                    Het is niet mogelijk een ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken. Afhankelijk van de
                    kostprijs van de fiets bedraagt de vermindering ten hoogste het bedrag dat in
                    artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is vastgelegd.</al><tussenkop>Artikel 11 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                    arbeidsongeschiktheid</tussenkop><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is aangegeven
                    dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking dient te vormen. Om
                    deze reden moeten drempels om raadslid te worden of te blijven, worden
                    weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe dat indien een persoon
                    inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot verlaging of
                    intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit omdat een
                    dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van arbeidsongeschiktheid
                    ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden. Voor raadsleden kan dit ertoe
                    leiden dat een geringe verhoging van het inkomen door een raadsvergoeding een
                    grote teruggang betekent voor de hoogte van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de anticumulatieregeling. Dit kan
                    zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van een raadszetel of bij verhoging
                    van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op grond van artikel 12 van het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden kunnen gemeenten hiervoor een
                    voorziening treffen. Die is te vinden in artikel 11 van de verordening. Daarin
                    is geregeld dat op aanvraag een raadslid een lagere vergoeding voor de
                    werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de anticumulatieregeling zal
                    leiden tot een verlaging van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van
                    het raadslid.</al><tussenkop>Artikel 12 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</tussenkop><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat
                    iemand een</al><al>werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe werkzaamheden
                    aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het aantal uren dat in de nieuwe
                    functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
                    kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van het inkomen uit de nieuwe
                    betrekking is daarbij niet relevant. Indien derhalve iemand tot raadslid wordt
                    gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren dat het UWV
                    voor het raads- lidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze verlaging van de
                    WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden zal er een
                    negatief inkomenseffect optreden. Het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden biedt gemeenten de mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dat is
                    geregeld in artikel 12 van de verordening </al><tussenkop>Artikel 13 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                    gemeenteraad</tussenkop><al>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het voorzitterschap van de
                    gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt
                    waargenomen door het langstzittende raadslid. De gemeenteraad kan ook een ander
                    raadslid met de waarneming van het voorzitterschap belasten. In overeenstemming
                    met het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is in artikel 13 van de
                    verordening geregeld dat bij een onafgebroken waarneming van meer dan 30 dagen
                    het betreffende raadslid over de tijd van waarneming recht heeft op een toeslag
                    van 8% van de vergoeding voor de werkzaamheden en van de vaste
                    onkostenvergoeding.</al><tussenkop>Artikel 13a Ziektekostenvoorziening</tussenkop><al>Ongeacht of een raadslid gekozen heeft voor het fictieve werknemerschap of de
                    status van fiscaal</al><al>zelfstandige moet over de raads- en onkostenvergoeding een inkomensafhankelijke
                    bijdrage worden betaald van 5,1%.</al><al>Bij degenen die hebben gekozen voor het fictieve werknemerschap wordt deze door
                    de gemeente</al><al>ingehouden; zelfstandigen betalen deze via de inkomstenbelasting. Na afloop van
                    het belastingjaar zal aan de hand van de vaststelling van het maximum inkomen
                    waarover de bijdrage wordt geheven (dus alle belastbare inkomsten die in welke
                    hoedanigheid dan ook zijn ontvangen) worden vastgesteld of te veel is ingehouden
                    resp. betaald. In dat geval zal dat door de Belastingdienst worden terugbetaald,
                    te beginnen bij de inhoudingen van 5,1%.</al><al>Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 kan de raad op grond van artikel 11
                    van het</al><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden besluiten dat deze tegemoetkoming
                    wordt vastgesteld. Dit moet bij verordening worden bepaald. Deze tegemoetkoming
                    is door tussenkomst van de VNG tot stand gekomen op verzoek van een groot aantal
                    gemeenten als reactie op de inhouding van de</al><al>inkomensafhankelijke bijdrage waardoor de netto raadsvergoeding vermindert. De
                    tegemoetkoming kan worden gezien als een compensatie hiervoor.</al><tussenkop>Artikel 13b Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                    bevalling of ziekte</tussenkop><al>Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens zwangerschap en bevalling
                    dan wel wegens</al><al>langdurige ziekte. De regeling daarvan is opgenomen in de Kieswet, omdat het te
                    vervangen raadslid tijdelijk ontslagen wordt. In de vacature wordt voorzien door
                    de tijdelijke benoeming van de vervanger. Er is steeds sprake van een vaste
                    periode van 16 weken. Door zowel het tijdelijk ontslag, de tijdelijke benoeming
                    en de vaste periode van vervanging is het niet nodig dat tussen beiden een
                    afspraak wordt gemaakt over de duur van de vervanging. Het is hierdoor ook niet
                    mogelijk weer binnen de termijn van 16 weken het raadslidmaatschap te hervatten.
                    Evenmin is het mogelijk de vervanging nog even voort te laten duren, tenzij
                    opnieuw een verzoek wordt gedaan voor een tijdelijk ontslag. Bij inwilliging van
                    dat verzoek, is opnieuw sprake van een periode van 16 weken.</al><al>In de artikelen X10, X11 en X12 van de Kieswet zijn de voorwaarden opgenomen
                    waaraan moet worden voldaan voor een vervanging, de datum van ingang en
                    beëindiging van de vervanging. De verklaring van een verloskundige dan wel
                    behandelend arts is bepalend voor de aanvang van de vervanging. De benoeming van
                    de vervanger kan later plaatsvinden, maar wijzigt het tijdstip van het einde van
                    het tijdelijk ontslag niet. De feitelijke vervanging kan daardoor korter zijn
                    dan 16 weken. Na afloop van de termijn van 16 weken wordt zonder enig verzoek of
                    besluit de oude situatie hersteld. Dat geldt zowel voor de hervatting van het
                    raadslidmaatschap, het einde van het tijdelijk raadslidmaatschap als de
                    rechtspositionele aspecten daarvan.</al><tussenkop>Artikelen 15 en 16 Reiskosten woon/werk en zakelijke
                    reiskosten</tussenkop><al>Voor wethouders is in artikel 15 een belastingvrije vergoeding voor het
                    woon-werkverkeer geregeld</al><al>overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het Rechtspositiebesluit
                    wethouders en de Regeling</al><al>rechtspositie wethouders. Bij gebruik van de eigen personenauto bedraagt de
                    vergoeding in 2007 € 0,14 per afgelegde kilometer.</al><al>Ingevolge artikel 16 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het
                    openbaar vervoer of met een taxi, volledig vergoed (mits in redelijkheid
                    gemaakt) en indien gemaakt met de eigen personenauto in 2007 € 0,28 per
                    afgelegde kilometer. De kilometervergoeding is, voor zover die meer bedraagt dan
                    € 0,19, belast. </al><al>Voor zakelijke kilometers (waaronder mede te verstaan de kilometers voor het
                    woon/werkverkeer) kan, zoals gezegd, een onbelaste vergoeding worden verleend
                    van maximaal € 0,19 per kilometer, ongeacht het gebruikte vervoermiddel.
                    Vergoedingen die daarboven uitgaan zijn voor dat hogere deel belast. In het
                    Handboek loonheffingen 2007 (§ 18.5.3) wordt over de kilometervergoeding
                    opgemerkt:</al><tussenkop>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer betaalt,
                    zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en tolgelden,
                    voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het inbouwen van een
                    carkit of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik wegens gebruik van een
                    aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en
                    tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de
                    eindheffing.</tussenkop><al>De fiscus staat toe de reiskostenvergoedingen voor de verschillende doeleinden
                    te salderen.</al><al>Dat houdt in dat als bijvoorbeeld de verstrekte reiskostenvergoeding voor
                    dienstreizen hoger is dan de</al><al>fiscaalwettelijk vastgestelde belastingvrije vergoeding van maximaal € 0,19 per
                    kilometer een verstrekte lagere vergoeding dan € 0,19 voor woon/werkverkeer
                    daarop in mindering mag worden gebracht. Die salderingsmogelijkheid moet wel in
                    een formele vergoedingsregeling zijn vastgelegd. Die is opgenomen in artikel 16,
                    tweede lid. Indien voor het gemeentelijk personeel een salderingsregeling geldt
                    wordt daarbij aangesloten. Ontbreekt een dergelijke regeling, dan geldt in ieder
                    geval de salderingsregeling voor het rijkspersoneel. In het volgende voorbeeld
                    wordt toegelicht wat het vorenstaande betekent voor het salderen en de
                    berekening van de loonheffing over het bovenmatig deel van
                    reiskostenvergoedingen.</al><tussenkop>Voorbeeld</tussenkop><al>Betrokkene krijgt in een kalenderjaar van zijn werkgever een
                    reiskostenvergoeding van in totaal </al><al>€ 2.240,- bestaande uit:</al><lijst><li nr="-"><al>een vergoeding voor 10.000 woon/werkkilometers x € 0,14 = € 1.400
                            en</al></li><li nr="-"><al>een vergoeding voor 3.000 kilometers wegens dienstreizen x € 0,28 = €
                            840.</al></li></lijst><al>Als er geen salderingsregeling is moet de inhoudingsplichtige in ieder tijdvak
                    het bovenmatig bedrag van de vergoeding voor de dienstreizen in de heffing
                    betrekken (in totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270). Als er wel een
                    salderingsregeling is mag de inhoudingsplichtige deze heffing uitstellen (dit is
                    niet verplicht). Saldering leidt dan tot het volgende resultaat: totale
                    reiskostenvergoeding € 2.240 gedeeld door het totaal aantal kilometers 13.000 =
                    gemiddelde vergoeding per km van € 0,17 per kilometer. Na saldering blijft de
                    vergoeding onder de € 0,19 per km waardoor de totale reisvergoeding onbelast
                    blijft. Indien de werkgever het ‘bovenmatige’ gedeelte van € 0,09 van de
                    dienstreiskilometers reeds heeft belast (in totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270)
                    mag de inhoudingsplichtige uiterlijk in de eerste maand van het nieuwe
                    kalenderjaar in zijn loonadministratie als negatief loon opnemen: € 270.</al><al>Reiskostenvergoedingen mogen dus ook onderling worden gesaldeerd. Kilometers die
                    betrekking hebben op het reizen per openbaar vervoer waarvoor een vergoeding in
                    geld is ontvangen, alsmede kilometers die als meerijder zijn afgelegd zonder dat
                    sprake is van vervoer vanwege de werkgever en zonder dat de betrokkene daarvoor
                    een vergoeding heeft ontvangen, mogen eveneens bij de saldering worden
                    betrokken. Saldering, respectievelijk belastingheffing over het bovenmatig deel
                    dat na saldering overblijft, mag worden uitgesteld. Afrekening met de fiscus op
                    basis van saldering kan na afloop van een bepaald loontijdvak, maar dient
                    uiterlijk plaats te vinden in de eerste maand van het nieuwe kalenderjaar.
                    Saldering na afloop van een kalenderkwartaal, half kalenderjaar of heel
                    kalenderjaar is mogelijk zolang de vergoeding niet definitief is toegekend. In
                    verband daarmee wordt de reiskostenvergoeding in eerste instantie bij wijze van
                    voorschot uitbetaald. Voor de berekening van de loonheffing over het bovenmatig
                    deel van de in een gekozen periode uitbetaalde reiskostenvergoedingen dient te
                    worden uitgegaan van alle daadwerkelijk afgelegde dienstkilometers, vermeerderd
                    met de daadwerkelijk afgelegde woon-werkkilometers.</al><tussenkop>Artikel 17 Dienstauto</tussenkop><al>Als onderdeel van de bedrijfsvoering kan de gemeente een dienstauto met of
                    zonder chauffeur voor zakelijk gebruik beschikbaar stellen aan wethouders. De
                    dienstauto kan ook voor het woon-werkverkeer worden gebruikt. In dat geval vindt
                    wel een korting plaats op de tegemoetkoming in de reiskosten woon/werk. De
                    dienstauto kan ook worden gebruikt voor de vervulling van een q.q.-nevenfunctie.
                    De eventueel uit hoofde van die nevenfunctie ontvangen vergoeding van reiskosten
                    ter zake wordt in dat geval in de gemeentelijke kas gestort. De dienstauto is
                    niet beschikbaar voor privé-gebruik.</al><tussenkop>De kilometers voor ambtsgebonden nevenfuncties worden als zakelijk
                    aangemerkt. Ambtsgebonden</tussenkop><tussenkop>nevenfuncties vloeien voort uit het ambt. Van een ambtsgebonden
                    nevenfunctie is in elk geval sprake als de ambtsdrager zich er niet aan kan
                    onttrekken en de functie moet worden beëindigd als het ambt niet meer wordt
                    uitgeoefend. Of met de nevenfunctie een maatschappelijk of algemeen bestuurlijk
                    belang is gediend, is fiscaal bezien geen criterium voor het begrip
                    ambtsgebonden nevenfunctie. Ook is het fiscaal niet relevant of door provinciale
                    staten c.q. de gemeenteraad toestemming is gegeven voor het vervullen van de
                    nevenfunctie en het gebruik van de dienstauto voor dat doel. Het gebruik van de
                    dienstauto voor niet ambtsgebonden nevenfuncties wordt als privégebruik
                    aangemerkt. (Brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                    d.d. 22 maart 2007 aan de Tweede Kamer, Tweede-Kamerstuknummer 30800 VII, nr.
                    42)</tussenkop><al>Bijwonen van bijvoorbeeld vergaderingen van de VNG behoort tot ambtsgebonden
                    activiteiten. Het gebruik voor overige nevenactiviteiten die dus tot het
                    privégebruik worden gerekend, is slechts tot 500 km per jaar onbelast. Daarboven
                    wordt het privé-gebruik aangemerkt als loon in natura en is om die reden
                    belast.</al><tussenkop>Artikelen 19 en 28 Buitenlandse dienstreis</tussenkop><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de wethouder
                    de in redelijkheid</al><al>gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten worden vergoed. De tarieven in het
                    voor het rijkspersoneel</al><al>geldende Reisbesluit buitenland zijn daarbij richtsnoer. In de eerder genoemde
                    gedragscode zijn nadere gedragsregels vastgesteld. Daarbij gaat het om
                    expliciete besluitvorming in het college over buitenlandse reizen en over
                    uitnodigingen daartoe op kosten van derden.</al><al>Maar ook om bijvoorbeeld de rekening en verantwoording achteraf (zowel
                    inhoudelijk als financieel), het meereizen van de partner en het combineren van
                    een dienstreis met een (direct voorafgaande of</al><al>aansluitende) privé-reis.</al><al>Ook gemeenteraden of raadscommissies maken wel eens in het gemeentelijk belang
                    excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moet de gemeenteraad expliciet
                    toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in alle gevallen door of vanwege
                    de gemeente georganiseerd. Hetgeen hierboven is geschreven over buitenlandse
                    dienstreizen van wethouders geldt mutatis mutandis ook voor buitenlandse
                    excursies en reizen van de gemeenteraad of raadscommissies.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en</al><al>verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de aangifte
                    inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte
                    kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen
                    worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 22 Mobiele telefoon</tussenkop><al>Met ingang van 1 januari 2007 zijn de vergoedingen of verstrekkingen van een
                    mobiele telefoon geheel onbelast als het zakelijk gebruik meer dan 10% bedraagt.
                    In de vaste onkostenvergoeding is een component telefoonkosten opgenomen. Voor
                    deeltijdwethouders is dat 12% van de onkostenvergoeding en voor voltijd
                    wethouders 9%. Bij het verstrekken van een mobiele</al><al>telefoon kan sprake zijn van overbedeling. De component telefoonkosten kan om
                    die reden verminderd worden. Anderzijds is ook bij wethouders sprake van gebruik
                    van de privé telefoon voor zakelijke doeleinden. Voor dit doel ontvangen
                    burgemeesters maandelijks bruto een bedrag van € 25,-. Het is redelijk om,
                    wanneer plaatselijk de component telefoonkosten wordt gekort, deze korting tot
                    een bedrag van € 25,- per maand van de bruto onkostenvergoeding achterwege te
                    laten.</al><tussenkop>Artikel 23 Spaarloonregeling / levensloopregeling</tussenkop><al>Een wethouder is een werknemer en kan dientengevolge gebruik maken van de
                    spaarloonregeling dan wel de levensloopregeling. Wanneer de wethouder gebruik
                    maakt van de gemeentelijke levensloopregeling is het niet toegestaan een
                    levensloopbijdrage ten laste van de gemeente te verstrekken. De opbouw van de
                    levensloopvoorziening mag uitsluitend ten laste van de wethouderswedde
                    plaatsvinden. Aangezien wethouders geen verlof kennen, is het slechts mogelijk
                    dat de opgebouwde voorziening bij de beëindiging van het wethouderschap wordt
                    meegenomen naar een volgende werkgever of dat uitbetaling ineens
                    plaatsvindt.</al><tussenkop>Artikel 24 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</tussenkop><al>Sinds de dualisering van het gemeentebestuur kunnen personen van buiten de
                    gemeenteraad tot wethouder worden benoemd. Dat kunnen ook personen zijn die niet
                    in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond van de Gemeentewet verplicht om te
                    gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder zijn geworden. In artikel 24 is
                    geregeld dat zij bij verhuizing naar de gemeente in aanmerking komen voor een
                    verhuiskostenvergoeding en eventueel voor vergoeding van reis- en pensionkosten
                    in afwachting van de verhuizing. De vergoedingen zijn onbelast.</al><tussenkop>Artikel 26 Vergoeding voor het bijwonen van
                    commissievergaderingen</tussenkop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies
                    geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in de
                    commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de
                    rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn verder
                    onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de commissie
                    zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte vertegenwoordigers van
                    belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens in belangrijke mate het
                    gemeentelijk belang dient.</al><al>De hoogte van het presentiegeld wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. De
                    minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks per 1
                    januari het maximum vast zoals dat is herzien aan de hand van het indexcijfer
                    CAO lonen overheid.</al><al>In artikel 26, eerste lid, is er voor gekozen de hoogte van de vergoeding te
                    bepalen op het door de minister vastgestelde maximum. De raad kan ook een lager
                    bedrag vaststellen.</al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt echter ook de
                    mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in bepaalde
                    gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder
                    bedoelde maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel 26, vierde lid, van de
                    verordening. Er kan gekozen worden voor een procentuele verhoging, maar het is
                    ook mogelijk om het bedrag uit een hogere gemeenteklasse te kiezen.</al><al>De gemeente Krimpen aan den IJssel is voor wat betreft de commissieleden
                    ingedeeld in de gemeenteklasse 3 (20.001 – 50.000 inwoners).</al><tussenkop>Artikelen 31 t/m 34 De procedure van declaratie</tussenkop><al>In artikel 31 zijn de drie wijzen van betaling aangegeven. In de artikelen 37
                    t/m 39 is vervolgens aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze aan de
                    orde is en welke procedurevoorschriften in achtgenomen moeten worden.</al><tussenkop>Declaratie van vooruitbetaalde kosten</tussenkop><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><lijst><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van raadsleden;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            wethouders</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten;</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke commissies</al></li></lijst><tussenkop>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</tussenkop><al>Rekeningen kunnen rechtreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht in de
                    volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door raadsleden
                            en wethouders;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders;</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            wethouders.</al></li></lijst><tussenkop>Gebruik creditcard</tussenkop><al>Aan wethouders kan onder voorwaarden een creditcard beschikbaar worden gesteld
                    voor functionele</al><al>uitgaven ten laste van de gemeente. Gebruik van creditcards is mogelijk in de
                    volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders;</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            wethouders;</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten.</al></li></lijst><tussenkop>Artikelen 35 t/m 37 Citeertitel en inwerkingtreding</tussenkop><al>Sinds 20 februari 2004 bestaat naast het Rechtspositiebesluit wethouders ook de
                    (ministeriële) Regeling rechtspositie wethouders. In lijn met die gehanteerde
                    benaming is gekozen voor een nieuwe naam van de verordening: Verordening
                    rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2011.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>