<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR132718_1</dcterms:identifier><dcterms:title>maatregelenverordening IOAW/IOAZ 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-01-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Apeldoorns Stadsblad, d.d. 28 december 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>maatregelenverordening IOAW/IOAZ 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 147, eerste lid Gemeentewet, artikelen 35, eerste lid, onderdeel b en 20, tweede lid IOAW, alsmede artikelen 35, eerste lid, onderdeel b en 20, eerste lid IOAZ</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-12-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>144-2011</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al/><al>De raad van de gemeente Apeldoorn;</al><al>gelezen het voorstel van het college d.d. , nr. ;</al><al>gelet op de artikelen 147, eerste lid Gemeentewet, artikelen 35, eerste lid,
                        onderdeel b en 20, tweede lid IOAW, alsmede artikelen 35, eerste lid,
                        onderdeel b en 20, eerste lid IOAZ;</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de volgende verordening <vet>Maatregelenverordening IOAW en
                            IOAZ gemeente Apeldoorn</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="b."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="c."><al>uitkering: de uitkering op grond van de IOAW of de
                                        IOAZ;</al></li><li nr="d."><al>grondslag: de bruto grondslag, bedoeld in artikel 5 van de
                                        IOAW of artikel 5 van de IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>maatregel: het verlagen van de grondslag op grond van
                                        artikel 20, eerste en tweede lid IOAW en artikel 20, eerste
                                        en tweede lid IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van het
                                        niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                        inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als
                                        uitkering op grond van de IOAW of IOAZ;</al></li><li nr="g."><al>inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW of de
                                        IOAZ;</al></li><li nr="h."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Apeldoorn;</al></li><li nr="i."><al>belanghebbende: hij die recht heeft op een uitkering op
                                        grond van de IOAW of IOAZ, alsmede zijn echtgenoot in de
                                        betekenis van artikel 3 van de IOAW en artikel 3 van de
                                        IOAZ.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening niet worden omschreven hebben
                                dezelfde betekenis als die in de IOAW en IOAZ en de Algemene wet
                                bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan overeenkomstig deze verordening een maatregel
                                opleggen indien belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>in de periode voorafgaand aan de aanvraag van een uitkering
                                        op grond van de IOAZ of nadien zich onvoldoende heeft
                                        ingezet voor de voorziening in het bestaan,</al></li><li nr="b."><al>de verplichtingen bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de
                                        IOAW of artikel 20, eerste lid, van de IOAZ, artikel 30c,
                                        tweede en derde lid, van de Wet structuur
                                        uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, artikel 13 en in
                                        hoofdstuk III van de IOAW en de IOAZ, waaronder begrepen het
                                        zich jegens het college zeer ernstig misdragen onder
                                        omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                                        uitvoering van de IOAW of IOAZ,</al></li><li nr="c."><al>inkomen uit arbeid of overig inkomen als bedoeld in of op
                                        grond van artikel 8 van de IOAW of artikel 8 van de IOAZ zou
                                        hebben kunnen verwerven in de gevallen, bedoeld in artikel
                                        20, eerste lid, van de IOAW of artikel 20, tweede lid, van
                                        de IOAZ.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al> De maatregel wordt toegepast op de grondslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald bedraagt de duur van de
                                maatregel een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan verwijtbare gedraging van dezelfde of een
                                hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd
                                wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij de duur van de maatregel is
                                verdubbeld opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van
                                dezelfde of een hogere categorie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een
                                maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel wordt in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de grondslag wordt verlaagd of geweigerd, het bedrag
                            waarmee de grondslag wordt verlaagd of geweigerd en, indien van
                            toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet; of</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; of</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of een door haar ingeschakelde derde, om binnen een
                                        gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in
                                        artikel 13 van IOAW/IOAZ; of</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een
                                maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan zes maanden vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en
                                        als gevolg van die gedraging ten onrechte een uitkering is
                                        verleend. Een maatregel wegens schending van de
                                        inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf
                                        jarennadat de betreffende gedraging heeft
                                        plaatsgevonden; of</al></li><li nr="c."><al>het college dringende redenen aanwezig acht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende</al><al> redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling
                                gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                                kalendermaand, volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                grondslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voorzover de uitkering nog niet is
                                uitbetaald en voor zover de gedraging vóór de ingangsdatum van de
                                maatregel heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een maatregel niet of niet geheel kan worden uitgevoerd omdat
                                de uitkering wordt of is beëindigd, kan het nog niet uitgevoerde
                                deel van de maatregel alsnog ten uitvoer worden gelegd indien
                                belanghebbende binnen een termijn van zes maanden na beëindiging
                                opnieuw een uitkering ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college heroverweegt een besluit binnen een door hem te bepalen
                                termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt, voorzover de
                                maatregel een periode van 3 maanden of langer bestrijkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt één
                                maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen
                                maatregelen van verschillende hoogte gelden, wordt de hoogste
                                maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt
                                voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze
                                maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op
                                artikel 2, tweede lid, van deze verordening niet verantwoord
                                is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen,
                            aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de belanghebbenden waardoor de verplichtingen tot het
                            verlenen van medewerking aan het verkrijgen, aanvaarden of behouden van
                            algemeen geaccepteerde arbeid niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al>1. Eerste categorie:</al><al> het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                            Uitvoeringsinstituut</al><al> werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de
                            registratie.</al><lijst><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden</al></li></lijst></li></lijst><al>tot arbeidsinschakeling.</al><lijst><li nr="3."><al>Derde categorie</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                                            belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een
                                            door het college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale
                                            activering</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De hoogte van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening wordt de
                                maatregel vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>5% van de grondslag bij gedragingen van de eerste
                                        categorie;</al></li><li nr="b."><al>10% van de grondslag bij gedragingen van de tweede
                                        categorie;</al></li><li nr="c."><al>20% van de grondslag bij gedragingen van de derde
                                        categorie;</al></li><li nr="d."><al>100 % van de grondslag bij gedragingen van de vierde
                                        categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel voor de gedragingen als bedoeld in het vierde lid van
                                artikel 10 van deze verordening wordt ten hoogste vastgesteld op het
                                bedrag dat de belanghebbende uit of in verband met arbeid zou hebben
                                kunnen verwerven, indien hij de algemeen geaccepteerde arbeid had
                                aanvaardt of behouden, dan wel indien de dienstbetrekking niet was
                                beëindigd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening legt het college
                            een maatregel op van 5% van de grondslag, indien belanghebbende de
                            verplichting op grond van artikel 13 IOAW/IOAZ niet is nagekomen door
                            informatie die van belang is voor de verlening van de uitkering of de
                            voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe gestelde
                            termijn te verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ heeft geleid tot het ten onrechte of
                                tot een te hoog bedrag verstrekken van een uitkering, wordt de
                                maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de
                                volgende wijze vastgesteld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10%van de
                                grondslag;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-:
                                20%van de grondslag;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-:
                                40%van de grondslag;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000,- tot € 6000: 60%van
                                de grondslag;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>bij een benadelingsbedrag van € 6000,- of meer: 100%van de
                                grondslag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van een maatregel wordt afgezien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld en het
                                onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat het
                                Openbaar Ministerie een schikking met belanghebbende heeft
                                getroffen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de uitkering</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening legt het college
                            een maatregel op van 5% van de grondslag, indien het niet of niet
                            behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 13
                            IOAW/IOAZ niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
                            bedrag verstrekken van een uitkering.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                college, zijn ambtenaren of medewerkers van andere organisaties die
                                belast zijn met de uitvoering van de IOAW en IOAZ, onder
                                omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van
                                deze wetten, kan een maatregel door het college worden
                                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid van de verordening legt het
                                college een maatregel op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>van 100% van de grondslag bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen
                                personen en/of materiële zaken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>van 75% van de grondslag bij bedreigingen geuit aan personen zoals
                                bedoeld in het eerste lid van dit artikel;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>van 50% van de grondslag bij het uitoefenen van verbaal geweld,
                                mondeling of schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het tweede lid onder c
                                kan door het college worden afgezien en worden volstaan met het
                                geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het verbale geweld
                                plaatsvindt binnen een periode van één jaar te rekenen vanaf de
                                datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke
                                waarschuwing in verband met ernstige misdragingen is gegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Beleidskader</titel></kop><al>Het beleidskader Handhaving Wet Werk en Bijstand is van toepassing op de
                            uitvoering van de IOAW of IOAZ.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Maatregelenverordening IOAW en
                            IOAZ ”. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na
                            bekendmaking.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>Op 15 december 2009 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het Wetsvoorstel
                            bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG).
                            Met de inwerkingtreding van de Wet BUIG per 1 januari 2010 krijgt de
                            gemeente een grotere beleidsmatige rol en financiële
                            verantwoordelijkheid rond de uitvoering van de IOAW, IOAZ, WWIK en Bbz
                            2004.</al><al>De IOAW, IOAZ en het Bbz 2004 kenden tot 1 januari 2010 een
                            financieringsystematiek waarbij 75% bij het Rijk kon worden gedeclareerd
                            en 25% drukte op het gemeentelijke budget; de WWIK kende daarnaast een
                            financieringssystematiek waarbij 100% kon worden gedeclareerd. Per 1
                            januari 2010 is een systeem van volledige budgetfinanciering ingevoerd,
                            zoals dit nu van toepassing is op het WWB-inkomensdeel. Met de Wet BUIG
                            worden de financiële middelen van de ‘kleine inkomensregelingen’
                            gebundeld in het volledig gebudget-teerde I-deel dat de gemeente
                            ontvangt voor de bijstandsverstrekking op grond van de WWB.</al><al>Gemeenten krijgen door de wet aldus een grotere verantwoordelijkheid en
                            lopen ook meer financieel risico.</al><al>Door de Wet BUIG wordt het aantal landelijke regels verder sterk
                            teruggedrongen. In de plaats komt een grotere beleidsruimte voor de
                            gemeente. Daardoor wordt de gemeente ook gevorderd om op een aantal
                            punten zelf beleid te ontwikkelen.</al><al>Deze verordening voorziet daarbij in het afstemmingsbeleid voor de IOAW
                            en IOAZ. Dit beleid</al><al>was geregeld bij AMvB. Deze landelijke regelingen, alsmede de nog
                            bestaande boetebepalingen, zijn echter met de Wet BUIG komen te
                            vervallen. </al><al>In deze verordening is er daarbij voor gekozen om met betrekking tot de
                            IOAW en IOAZ te komen tot een zo veel mogelijk analoog aan het
                            WWB-regime toe te passen afstemmingsbeleid. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal
                            omschrijvingen verdient enige extra aandacht.</al><al><cursief>Onder c. uitkering</cursief></al><al>Gekozen is voor een definitie die gelijktijdig naar beide wetten
                            verwijst nu een groot deel van de bepalingen in beide wetten identiek is
                            qua nummering en inhoud en aldus voorkomen wordt dat steeds specifiek
                            naar elke afzonderlijke wet verwezen moet worden.</al><al><cursief>Onder d. grondslag</cursief></al><al>De maatregel wordt toepast op de bruto grondslagen, zoals die in artikel
                            5 van de IOAW of IOAZ zijn vermeld.</al><al><cursief>Onder f. benadelingsbedrag</cursief></al><al>Er is een omschrijving van dit bedrag gegeven, omdat dit begrip
                            uitgangspunt is van de hoogte van de maatregel die verbonden is aan
                            schending van de inlichtingenplicht in geval van ten onrechte of teveel
                            verstrekte uitkering. Naast de ten onrechte verstrekte uitkering tellen
                            ook mee de belastingen, premies en vergoeding die de gemeente
                            verschuldigd is over de verstrekte uitkering. Voor zover de af te dragen
                            belastingen en premies nog niet betaald kunnen worden omdat het boekjaar
                            nog niet verstreken is, wordt de netto vordering fictief verhoogd met
                            een percentage ter hoogte van de toepasselijke belasting- en
                            premieheffing.</al><al><cursief>Onder g. inkomen</cursief></al><al>Qua inkomensbegrip wordt aangesloten bij het inkomensbegrip binnen de
                            IOAW en IOAZ. Dit wijkt af van het binnen de WWB gehanteerde
                            inkomensbegrip.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In dit artikel wordt de grondslag voor het opleggen van een maatregel
                            geregeld. Het betreft artikel 13 IOAW/IOAZ (inlichtingen- en
                            medewerkingsverplichting) of op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de
                            uitkering verbonden verplichtingen (arbeidsverplichtingen). Het opleggen
                            van een maatregel vindt ook zijn grondslag in het schenden van de
                            verplichting als bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet
                            structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (inlichtingen en
                            medewerkingsverplichting). Daarnaast wordt tevens een maatregel opgelegd
                            indien belanghebbende onder omstandigheden die rechtstreeks verband
                            houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ zich jegens het college zeer
                            ernstig misdraagt. </al><al>Verder is bepaald dat tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                            voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering op grond van de IOAZ een
                            maatregelwaardige gedraging kan zijn. In het eerste lid van artikel 20
                            staat immers dat verlaging ook aan de orde is bij onvoldoende inzetten
                            voor de voorziening in het bestaan, voorafgaand aan de aanvraag van een
                            uitkering. In de IOAW is deze bepaling niet opgenomen, De reden daarvan
                            is dat maatregelwaardige gedrag voorafgaand aan de aanvraag IOAW al door
                            het UWV kan worden gesanctioneerd.</al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op
                            te leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van
                            de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt
                            met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten
                            nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                            belanghebbende afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven
                            standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan
                            zowel een verzwaring als een matiging betekenen en kan zowel zijn
                            gebaseerd op de ernst van de gedraging als de mate van verwijtbaarheid
                            of de omstandigheden van de belanghebbende afzonderlijk. Waar verderop
                            in de verordening gedragingen worden genormeerd, kan daarvan daarom
                            worden afgeweken op de genoemde gronden. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet
                            worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                            doorlopen: </al><lijst><li nr="1."><al>Vaststellen van de ernst van de gedraging;</al></li><li nr="2."><al>Vaststellen van de verwijtbaarheid;</al></li><li nr="3."><al>Vaststellen van de omstandigheden van de belanghebbende.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het
                            standaardpercentage waarmee de uitkering wordt verlaagd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>Zoals in dit artikel aangegeven wordt de maatregel opgelegd over de
                            toepasselijke bruto IOAW/IOAZ-grondslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Duur van de maatregel</titel></kop><al>Anders dan binnen de WWB wordt in het eerste lid van dit artikel de
                            algemene duur van een maatregel op 1 maand bepaald. Uit oogpunt van
                            eenvoud en duidelijkheid is voor het bepalen van de duur van de
                            maatregel voor deze algemene bepaling gekozen. Daarmee wordt voorkomen
                            dat overal waar een maatregel wordt genoemd, separaat de duur moet
                            worden bepaald. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het verlagen van de uitkering omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt
                            plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat
                            in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien
                            rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met
                            name het motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt onder andere
                            in dat een besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en deugdelijk is
                            gemotiveerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een
                            maatregel wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. Het tweede lid
                            bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen a en
                            b. staan ook genoemd in de desbetreffende bepaling(en) van de Algemene
                            wet bestuursrecht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Voor het eerste lid onderdeel a wordt ook verwezen naar artikel 20,
                            derde lid IOAW/IOAZ waarin is vastgelegd dat van een maatregel wordt
                            afgezien als iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat
                            de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille
                            van de effectiviteit is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                            gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt in het
                            eerste lid, onder b. geregeld dat het college geen maatregelen oplegt
                            voor bepaalde gedragingen die langer dan zes maanden voor het moment van
                            constateren hebben plaatsgevonden. </al><al>Verder is in dit onderdeel bepaald dat door gedragingen die een
                            schending van de informatieplicht inhouden, en als gevolg waarvan ten
                            onrechte uitkering is verleend of een te hoog bedrag aan uitkering is
                            verleend, een verjaringstermijn van vijf jaar geldt. Met deze termijn
                            wordt aangesloten bij de termijn die gelet op artikel 20 e IOAW/IOAZ
                            gold in verband met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van
                            de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet
                            op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de
                            gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het
                            benadelingsbedrag) vast te stellen.</al><al>In individuele omstandigheden kan ook wegens dringende redenen worden
                            afgezien van het opleggen van een maatregel. Dit is geregeld in lid 1,
                            onder c van dit artikel. Van dringende redenen is sprake als de gevolgen
                            van het opleggen van een maatregel onaanvaardbaar zijn. Dat vergt een
                            beoordeling van de situatie van de belanghebbende maar daarvan zal, mede
                            gelet op de jurisprudentie, niet spoedig sprake zijn.</al><al>In het tweede lid wordt geregeld dat het afzien van het opleggen van een
                            maatregel wegens dringende redenen aan belanghebbende schriftelijk wordt
                            medegedeeld. Het doen van een schriftelijke mededeling is van belang in
                            verband met eventuele recidive. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><al>Uit het oogpunt van rechtszekerheid en ter continuering van het
                            bestaande beleid is er voor gekozen om de maatregel niet op te leggen
                            met terugwerkende kracht maar met ingang van de eerst volgende
                            kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                            grondslag. </al><al>Is toepassing van lid 1 niet aan de orde, omdat de uitkering reeds
                            beëindigd is, dan biedt het tweede lid de mogelijkheid dat met
                            terugwerkende kracht een maatregel wordt opgelegd.Wanneer een
                            uitkeringsbedrag nog niet (volledig) is uitbetaald, is het praktisch om
                            de verlaging van de uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet
                            worden uitbetaald. In dat geval moet de uitkering wel worden herzien en
                            teruggevorderd. Dat is ook nog mogelijk indien de uitkering reeds is
                            uitbetaald. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt
                            dat de uiterste begrenzing ligt op het moment waarop de gedraging
                            plaatsgevonden heeft. Wordt een dergelijke maatregel opgelegd, dan moet
                            er tevens een besluit tot herziening van de uitkering op grond van de
                            IOAW/IOAZ worden genomen. </al><al>Indien de maatregel niet kan worden geëffectueerd omdat de uitkering
                            wordt beëindigd, geeft het derde lid de mogelijkheid dit wel te doen op
                            het moment dat de belanghebbende weer een uitkering aanvraagt. Op deze
                            wijze kan calculerend gedrag van de belanghebbende worden voorkomen.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop heeft betrekking op de schending van de
                            verplichtingen. Indien sprake is van één gedraging die als een schending
                            van meerdere verplichtingen kan worden aangemerkt, dan dient voor het
                            toepassen van de maatregel te worden uitgegaan van de verplichting
                            waarop de zwaarste maatregel van toepassing is. </al><al>Is sprake van verschillende gedragingen (meerdaadse samenloop) dan dient
                            voor iedere gedraging afzonderlijk het maatregelpercentage te worden
                            berekend en gelijktijdig te worden opgelegd, tenzij dit niet verantwoord
                            is. In dat geval kan de maatregel over meerdere maanden worden
                            uitgesmeerd. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of
                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende
                            medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid, worden in een viertal categorieën onderscheiden.
                            Bij elke categorie is de ernst van de gedraging het onderscheidende
                            criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                            concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen van betaalde
                            arbeid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De hoogte van de maatregel</titel></kop><al>Bij het tweede lid wordt voor de hoogte van het inkomen uit of in
                            verband met arbeid dat belanghebbende zou hebben kunnen verwerven
                            uitgegaan van 100% van de grondslag, tenzij door belanghebbende kan
                            worden aangetoond dat het bruto maandinkomen lager ligt. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Te laat verstrekken gegevens</titel></kop><al>Indien belanghebbende de voor de verlening van de IOAW/IOAZ van belang
                            zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan
                            het college het recht opschorten. Het college geeft de klant vervolgens
                            een termijn waarbinnen hij dit verzuim kan herstellen. Wordt de
                            gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan het college
                            verstrekt, dan kan het college de uitkering stopzetten. Wordt de
                            gevraagde informatie alsnog binnen de hersteltermijn verstrekt dan wordt
                            de uitkering voortgezet, maar wordt wel een maatregel van 5%
                            opgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de uitkering</titel></kop><al>Belanghebbende is gehouden op verzoek of onverwijld uit eigen beweging
                            mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
                            redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed is op de
                            uitkering. De hoogte van de maatregel wordt bepaald door de hoogte van
                            het bedrag dat bruto ten onrechte is verleend als gevolg van het niet of
                            niet behoorlijk nakomen van deze verplichting. Dit is terug te vinden in
                            het tweede lid. </al><al>In het derde lid is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als
                            inmiddels vervolging is ingesteld door het OM of als een schikking is
                            getroffen. Belanghebbende wordt immers door de gemeente, hetzij door de
                            strafrechter gesanctioneerd, maar niet door beide.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledig inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de uitkering</titel></kop><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken
                            van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedragingen gevolgen hebben
                            voor de hoogte van de uitkering.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                            agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                            verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in
                            alle gevallen als onacceptabel wordt beschouwd.</al><al>Er kan alleen een maatregel worden opgelegd indien er een verband
                            bestaat tussen de ernstige misdragingen en (mogelijke) belemmeringen
                            voor de gemeente bij het vaststellen van het recht op uitkering. Vandaar
                            dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen
                            moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ.</al><al>Bij het vaststellen van de hoogte van de maatregel wordt onderscheid
                            gemaakt tussen:</al><lijst><li nr="a."><al>fysiek geweld/lichamelijk geweld tegen personen en/of materiële
                                    zaken. Het gaat hier om beschadiging van materiële zaken van de
                                    uitvoerder van de wet of fysiek geweld tegen personen waarbij
                                    contact aanwezig is geweest.</al></li><li nr="b."><al>ernstige bedreigingen. Het gaat hier om concrete bedreigingen
                                    tegen personen of materiële zaken, waarbij mogelijk de
                                    veiligheid van personen of zaken in gevaar wordt gebracht.</al></li><li nr="c."><al>ernstig verbaal geweld (zowel mondeling als schriftelijk).
                                    Hierbij kan onder andere worden gedacht aan het schelden en/of
                                    het uiten van discriminerende opmerkingen richting de
                                    uitvoerders van de wet.</al></li></lijst><al>Bij het vaststellen van deze maatregel zal evenzeer gekeken moeten
                            worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                            persoonlijke omstandigheden. Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de
                            misdraging zal gekeken moeten worden naar de omstandigheden waaronder de
                            misdraging heeft plaatsgevonden</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Beleidskader</titel></kop><al>In artikel 35, eerste lid, onderdeel c, IOAW/IOAZ is vastgelegd dat de
                            gemeenteraad bij verordening regels moet stellen over het bestrijden en
                            oneigenlijk gebruik van de IOAW en IOAZ. Voor wat betreft het beleid van
                            handhaving in het kader van de IOAW en IOAZ wordt aansluiting gezocht
                            bij het reeds geregelde en bestaande handhavingsbeleid in het kader van
                            de WWB. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>