<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR132504_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels individuele voorzieningen WMO 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">D'n Uitkijk, 19-08-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Verordening maatschappelijke ondersteuning 2008</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-07-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-09-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-08-21</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B&amp;W 11-418</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Beleidsregels individuele voorzieningen WMO 2008 worden per gelijke datum ingetrokken.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels individuele voorzieningen WMO 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><cursief>Voorwoord</cursief></al><al/><al>Voor u liggen de beleidsregels individuele voorzieningen WMO, gebaseerd op
                        de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning. De beleidsregels zijn een
                        uitwerking van de Verordening WMO zoals die door de gemeenteraad is
                        vastgesteld. In de beleidsregels wordt aangegeven hoe in de praktijk vorm
                        wordt gegeven aan de in de verordening gestelde regels. Naast de
                        beleidsregels kent de gemeente het besluit maatschappelijke ondersteuning.
                        Ook dit besluit is een verdere uitwerking van de verordening maar dan met
                        name op het terrein van financiën en de regeling van het persoonsgebonden
                        budget.</al><al/><al>De voormalige Wvg beleidsregels zijn, bij de start van de WMO,
                        geharmoniseerd voor de 5 Kempengemeenten. Voor de voorziening hulp bij het
                        huishouden is uitgegaan van de voormalige CIZ beleidsregels en het
                        indicatieprotocol. De beleidsregels voor de voorziening hulp bij het
                        huishouden zijn in deze versie weer verder verfijnd, gelet op de ervaringen
                        in 2007/2008.</al><al>Ook de beleidsregels voor de overige, voormalige wvg, voorzieningen zijn
                        weer een aantal punten aangepast.</al><al/><al>In de beleidsregels wordt aangegeven hoe een afweging wordt gemaakt om tot
                        een beslissing op de aanvraag te komen en welke zaken daarin een rol moeten
                        spelen. Daarbij is veel aandacht voor het individu en bestaat voor
                        consulenten de mogelijkheid om maatwerk te leveren, mits daar een goede
                        motivering aan ten grondslag ligt.</al><al>Omdat de consulenten, over het algemeen, de klant goed kennen en praktisch
                        altijd op huisbezoek gaan, kan er ook een goede afweging gemaakt worden. </al><al>Met deze beleidsregels is het mogelijk om tot een goed besluit te
                        komen.</al><al/><al>In deze tweede versie van de beleidsregels is nog geen beleid geformuleerd
                        over ondersteunende begeleiding op psycho-sociale grondslag omdat hier, bij
                        het herschrijven van deze beleidsregels nog te weinig over duidelijk
                        was.</al><al/><al>De beleidsregels geven richting aan de voorzieningen waarmee de gemeente
                        beperkingen kan compenseren. In 2007 /2008 is al veel ervaring opgedaan met
                        de WMO. De beleidsregels, zoals die eind 2006 waren vastgesteld voldoen in
                        belangrijke mate aan de behoefte. Dat is ook gebleken uit de evaluatie.
                        Uiteraard zijn zaken voor verbetering vatbaar. Met deze nieuwe, tweede,
                        versie van de beleidsregels hopen wij dat de knel/vraagpunten waar we
                        tegenaan gelopen zijn te hebben opgelost. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen </label></kop><paragraaf><kop><label>1. Eigen verantwoordelijkheid</label></kop><structuurtekst><al>De gemeente stelt de eigen verantwoordelijkheid van personen met
                                beperkingen centraal. Dit betekent dat zij een afweging wil maken
                                bij een hulpvraag met betrekking tot de eigen mogelijkheden van de
                                hulpvrager of diens omgeving alvorens ondersteuning te bieden vanuit
                                de compensatieplicht van de gemeente. </al><al>De eigen verantwoordelijkheid hangt nauw samen met de wijze waarop
                                de gemeente in de verordening en de beleidsregels de
                                compensatieplicht inhoud geeft. Omdat de gemeente in bijzondere
                                omstandigheden voor maatwerk wil staan en niet rigide wil zijn,
                                heeft het lokaal loket een cruciale rol in de integrale benadering
                                van de hulpvraag. </al><al>Voorheen had de gemeente in het kader van de Wvg de zorgplicht voor
                                die burgers die <onderstreept>ergonomische
                                </onderstreept>belemmeringen ondervonden bij hun
                                maatschappelijke functioneren. Daaruit vloeide voort dat de
                                hulpvrager op basis van een medische indicatie, behoefte en
                                financiële draagkracht <cursief>recht</cursief> had op een
                                voorziening. </al><al>De Wmo verlangt dat mensen hun eigen verantwoordelijkheid nemen bij
                                het oplossen van hun belemmeringen. Ook de omgeving van de
                                ondersteuningsbehoevende moet deze verantwoordelijkheid zoveel
                                mogelijk mee dragen. Met andere woorden, een aantal verzekerde
                                rechten verdwijnt.</al><al>Hoe kan een burger de eigen verantwoordelijkheid vormgeven? </al><al>Een aantal beperkingen kan een burger zelf compenseren door aanschaf
                                van een algemeen gebruikelijke voorziening. Dit is een voorziening
                                die overal te verkrijgen is, laagdrempelig in de aanschaf en ook
                                wordt aangeschaft door mensen zonder beperking. Een elektrische
                                fiets of een verhoogd toilet zijn b.v. algemeen gebruikelijk.</al><al>De hulpvrager kan een beroep doen op een voorhanden zijnde
                                voorliggende voorziening. </al><al>Indien er geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking
                                met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperking, is
                                een beroep op de ondersteuning bij de gemeente niet noodzakelijk. De
                                hulpvrager heeft dan zelf de mogelijkheid om ook deze kosten te
                                dragen.</al><al>Bij het doen van een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de
                                burger moeten we altijd kijken naar de individuele situatie van de
                                hulpvrager. Van de ondersteuningsbehoevende verlangen we dat hij bij
                                keuzes die hij maakt rekening houdt met zijn levensfase en de
                                beperkingen die horen bij de individuele omstandigheden. Een
                                ondersteuningsbehoevende moet naar levensfase anticiperen op zijn
                                eigen participatiebehoeften. </al><al>Er kunnen altijd individuele omstandigheden zijn waardoor dit geen
                                reëel verlangen is en een beroep op ondersteuning van de gemeente
                                dus noodzakelijk is.</al><al>De gemeente ondersteunt, als de eigen mogelijkheden niet leiden tot
                                een aanvaardbare oplossing, de hulpvrager door de beperking te
                                compenseren. Vanuit deze compensatieplicht maakt de gemeente andere
                                afwegingen. </al><al>Indien een burger aan het lokaal loket komt met een hulpvraag, maakt
                                het loket een afweging aan de hand van de volgende stappen.</al><al><cursief>1. Wat is het probleem? Vraagverheldering en
                                    vraaganalyse!</cursief></al><al>Het lokaal loket benadert de vraag van de klant niet vanuit het
                                aanbod aan producten. Niet de gevraagde voorziening staat centraal,
                                maar eerst moet helder gesteld zijn wat het probleem van de
                                hulpvrager is. Welke beperking belemmert de hulpvrager bij zijn
                                maatschappelijke participatie?</al><al><cursief>2. Begeleiden en sturen eigen verantwoordelijkheid van de
                                    burger.</cursief> Als het probleem duidelijk in beeld is, worden
                                de mogelijkheden van de hulpvrager bekeken. Kan de hulpvrager zelf
                                (een deel van) het probleem oplossen? Kan de omgeving, de buurt van
                                de hulpvrager ondersteuning bieden? Wat mogen wij van de burger
                                verwachten? Mensen, die dat kunnen, dienen voor problemen die zich
                                voordoen zelf oplossingen te bedenken in de eigen sociale
                                omgeving.</al><al>De burger dient op een adequate wijze te anticiperen op (komende)
                                veranderingen in diens levenssituatie, waarbij de burger: - eerst
                                naar de eigen mogelijkheden kijkt; - een beroep doet op het eigen
                                (sociale) netwerk</al><al>-zijn eigen financiële middelen inzet.</al><al><cursief>3. Compensatieplicht voor gemeente</cursief></al><al>Als aanvulling op, dan wel bij het ontbreken van, de mogelijkheid om
                                een beroep te doen op de eigen verantwoordelijkheid, compenseert de
                                gemeente de beperking van de hulpvrager. Daarbij staat voorop:</al><lijst><li nr="§"><al>Maatwerk: zorg op maat. Beoordeling gebeurt op basis van
                                        individuele omstandigheden, inkomen en leeftijd.</al></li><li nr="§"><al>Keuzevrijheid: bij een noodzakelijke voorziening krijgt men
                                        de keuze uit een pgb en ZIN, en bij ZIN de keuze uit de voor
                                        de betreffende gemeente gecontracteerde zorgaanbieders</al></li></lijst><al>De gemeente compenseert: </al><al>-de beperkingen die de burger niet zelf kan opheffen; - de
                                beperkingen waarvan het niet reëel is dat de kosten daarvan geheel
                                voor rekening van de burger komen.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2 – Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen
                        </label></kop><paragraaf><kop><label>2.1 Keuzevrijheid</label></kop><structuurtekst><al>Op grond van de WMO dient klanten een keuzevrijheid te worden
                                geboden (art. 2.1.VMO). De keuzevrijheid betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>een keuze tussen een voorziening in natura of een
                                        persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="-"><al>indien het een voorziening in natura voor hulp bij het
                                        huishouden betreft, een keuze tussen de zorgaanbieders met
                                        wie de gemeente, na de aanbesteding, een contract heeft
                                        gesloten.</al></li></lijst><al>Naast een voorziening in natura of pgb kennen wij de financiële
                                tegemoetkoming. Bij de voorzieningen die uitsluitend gegeven worden
                                in de vorm van een financiële tegemoetkoming is geen verstrekking in
                                natura mogelijk. Voorzieningen in de vorm van een financiële
                                tegemoetkoming zijn de woningaanpassingen, verschillende soorten
                                vergoedingen zoals vervoerskostenvergoedingen, verhuis- en
                                inrichtingskosten, onderhoud en reparatie en sportrolstoelen.</al><al>Bij een voorziening in natura voor hulpmiddelen is géén
                                keuzevrijheid in de aanbieders zoals dat bij de hulp in het
                                huishouden is. </al><al>Op dit moment (najaar 2008) is er een wetsvoorstel in behandeling
                                bij de Tweede Kamer waarin in een derde verstrekkingsmogelijkheid
                                wordt voorzien: de financiële vergoeding voor de hulp bij het
                                huishouden. Deze voorziening is erop gericht om de alfahulp in stand
                                te houden op het moment dat, door de nieuwe regelgeving,
                                zorgaanbieders de alfahulp niet meer als zorg in natura mogen
                                aanbieden.</al><al>Ten aanzien van de verstrekking hulp in het huishouden in natura
                                dient nog te worden opgemerkt dat in principe wordt uitgegaan van de
                                geselecteerde zorgaanbieders. Het is het mogelijk om, naast de
                                geselecteerde aanbieders, eventueel een contract af te sluiten met
                                een andere zorgaanbieder. Van deze mogelijkheid kan in incidentele
                                gevallen gebruik gemaakt worden:</al><lijst><li nr="1."><al>indien de zorgvrager al zorg krijgt van een, niet
                                        gecontracteerde, zorgaanbieder;</al></li><li nr="2."><al>indien er geen passende zorg verleend kan worden door een
                                        van de geselecteerde zorgaanbieders;</al></li><li nr="3."><al>indien het de nadrukkelijke wens van de
                                        ondersteuningsbehoevende is;</al></li><li nr="4."><al>de prijs mag nooit hoger zijn dan de maximale prijs voor de
                                        aanbestede producten.</al></li></lijst><al>Bij de keuze voor een niet geselecteerde zorgaanbieder moeten vooraf
                                prijsafspraken worden gemaakt en in een overeenkomst worden
                                vastgelegd èn bekeken moet worden of de 80-20 % regeling niet wordt
                                overschreden. Dit laatste houdt in dat slechts 20% tot een maximaal
                                bedrag van € 80.000,00 van alle hulp in natura, buiten de drie
                                geselecteerde zorgaanbieders om mag worden mag worden ingezet.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.2 Voorzieningen in natura</label></kop><structuurtekst><al>Voorzieningen in natura kunnen in drie vormen worden verleend:</al><lijst><li nr="1."><al>in eigendom</al></li><li nr="2."><al>in bruikleen</al></li><li nr="3."><al>als persoonlijke dienstverlening</al></li></lijst><al>De onder 2 en 3 genoemde vormen zullen het meeste voorkomen. In
                                bruikleen worden de hulpmiddelen verstrekt en als persoonlijke
                                dienstverlening wordt de hulp bij het huishouden gegeven.</al><al>Bij roerende woonvoorzieningen kan het voorkomen dat een
                                ondersteuningsbehoevende een voorziening in natura wenst maar dat de
                                bruikleenprijs over de verwachte gebruiksperiode hoger zal zijn dan
                                bij een aanschaf in eigendom. Bekeken moet worden of de
                                ondersteuningsbehoevende geen pgb wenst om de voorziening zelf aan
                                te schaffen. Indien hij dat niet wenst kan de voorziening door de
                                gemeente worden gekocht en in eigendom worden gegeven aan de
                                ondersteuningsbehoevende. Hierbij valt met name te denken aan
                                artikelen die, bij beëindiging van de gebruikperiode, afgeschreven
                                dan wel niet goed meer inzetbaar zullen zijn zoals eenvoudige
                                douche/toiletstoelen.</al><al>Bij deze voorzieningen moet dus altijd een kostenafweging worden
                                gemaakt. Bij een verstrekking in eigendom dient ook de eigen
                                bijdrage te worden berekend.</al><al>Indien een voorziening van de leverancier niet in bruikleen kan
                                worden verkregen omdat deze niet in het assortiment van de
                                leverancier zit, schaft de gemeente de voorziening in eigendom aan
                                maar verstrekt de voorziening vervolgens in bruikleen aan de
                                ondersteuningsbehoevende. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.3 Financiële tegemoetkoming </label></kop><structuurtekst><al>Een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt onder aftrek van of
                                door periodiek inhouden van het (periodiek verschuldigde) eigen
                                aandeel (zie 2.5). In een aantal situaties wordt de financiële
                                tegemoetkoming verstrekt zonder dat de ondersteuningsbehoevende
                                (eventueel) een eigen aandeel hoeft te betalen. Dit geldt voor de
                                vergoeding van de volgende onkosten en forfaitaire
                                vergoedingen:</al><lijst><li nr="-"><al>verhuis- en inrichtingskosten</al></li><li nr="-"><al>kosten van huurderving</al></li><li nr="-"><al>kosten voor onderhoud, reparatie en keuring voor zowel
                                        hulpmiddelen als roerende woonvoorzieningen</al></li><li nr="-"><al>forfaitaire vervoerskostenvergoedingen </al></li><li nr="-"><al>kleine autoaanpassingen i.p.v. een toekenning deelname
                                        c.v.v.</al></li></lijst><al>In deze situaties zouden ook pgb houders die jaarlijks een
                                vergoeding voor onderhoud en reparatie ontvangen gedupeerd worden
                                als ze door zuinig te zijn op hun voorziening toch voor de kosten
                                voor onderhoud, keuring en reparatie een eigen aandeel moeten
                                betalen.</al><al>Voor een aantal voorzieningen geldt dat zij veelal niet
                                kostendekkend zijn zodat, bij inhouding van een eigen aandeel, de
                                vergoeding nog lager wordt.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.4 Persoonsgebonden budget </label></kop><structuurtekst><al>In de verordening is geregeld voor welke voorzieningen een
                                persoonsgebonden budget kan worden verstrekt. </al><al>In het besluit maatschappelijke ondersteuning is geregeld hoe het
                                pgb voor individuele voorzieningen wordt bepaald. Er dient een
                                onderscheid gemaakt te worden tussen een pgb voor hulp bij het
                                huishouden, vervoersvoorzieningen, rolstoelen en roerende
                                woonvoorzieningen:</al><lijst><li nr="1."><al>Voor de voorziening hulp bij het huishouden zijn de bedragen
                                        in het besluit maatschappelijke ondersteuning
                                        opgenomen.</al></li><li nr="2."><al>Voor vervoersvoorzieningen en rolstoelen wordt een pgb
                                        verstrekt ter hoogte van de bruikleenprijs die, op grond van
                                        de indicatie en selectie, voor de goedkoopst adequate
                                        voorziening aan de door de gemeente gecontracteerde
                                        leverancier betaald zou moeten worden. Dit bedrag is
                                        inclusief de standaardaanpassingen. De individuele
                                        aanpassingen worden, eenmalig, aan de
                                        ondersteuningsbehoevende betaald. </al></li><li nr="3."><al>voor roerende woonvoorzieningen wordt een pgb verstrekt voor
                                        de aanschaf van de goedkoopst adequate voorziening uit het
                                        kernassortiment van de leverancier. Het pgb wordt
                                        vastgesteld op 100% van de goedkoopst adequate voorziening.
                                        Dit bedrag is inclusief de standaard- en individuele
                                        aanpassingen.</al></li></lijst><al><cursief>Het pgb voor hulp bij het huishouden</cursief> wordt
                                maandelijks verstrekt. Indien de ondersteuningsbehoevende langdurig
                                wordt opgenomen in ziekenhuis of verpleeghuis dient hij daarvan zo
                                snel mogelijk melding te maken aan de gemeente. De gemeente zal
                                beoordelen of de opname moet leiden tot het onderbreken van het pgb.
                                Gedacht moet worden aan een opname van langer dan twee maanden. </al><al><cursief>Het pgb voor vervoersvoorzieningen en rolstoelen</cursief>
                                wordt maandelijks verstrekt gedurende de periode dat er recht
                                bestaat op de voorziening. Een ondersteuningsbehoevende kan er voor
                                kiezen om een voorziening zelf aan te schaffen en voor te
                                financieren. In sommige situaties is het, individualiserend,
                                mogelijk om een aantal termijnen ter hoogte van het maandelijkse
                                huurbedrag, in één keer te betalen zodat de ondersteuningsbehoevende
                                alvast een hoger bedrag heeft om de voorziening in eigendom aan te
                                schaffen </al><al>Het pgb voor roerende woonvoorzieningen wordt eenmalig
                                verstrekt.</al><tussenkop> 2.4.1 Weigeringsgronden voor een pgb </tussenkop><al>In het besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente is een
                                    aantal argumenten opgenomen (art. 1.7 besluit m.o) op grond
                                    waarvan geen pgb wordt verstrekt.</al><lijst><li nr="1."><al>als een algemene of collectieve voorziening aanwezig is
                                            en toereikend wordt geacht. Zo zal iemand die deel kan
                                            nemen aan het c.v.v. geen vervoerskostenvergoeding
                                            ontvangen. Ook zal iemand die gebruik kan maken van een
                                            rolstoelpool voor incidenteel gebruik geen rolstoel
                                            toegekend krijgen.</al></li><li nr="2."><al>het kan zijn dat blijkt dat een ondersteuningsbehoevende
                                            niet met geld om kan gaan en ook geen beheerder kan
                                            aanwijzen. Dit moet uit het onderzoek blijken. In
                                            dergelijke situaties wordt geen pgb verstrekt</al></li><li nr="3."><al>als de ondersteuningsbehoevende zich eerder niet aan de
                                            voorwaarden voor een pgb heeft gehouden kan een volgend
                                            pgb worden geweigerd.</al></li><li nr="4."><al>een ondersteuningsbehoevende kan in een
                                            schuldsaneringstraject zitten, failliet verklaard zijn
                                            of er kunnen beslagen op zijn uitkering/inkomen liggen.
                                            In die situaties kan het gebeuren dat, indien het pgb
                                            wordt uitbetaald, het pgb voor andere doeleinden worden
                                            ingezet. </al></li><li nr="5."><al>Als uit de indicatie blijkt dat de voorziening niet
                                            nodig zal zijn gedurende de hele periode waarover de
                                            voorziening wordt afgeschreven, kan overwogen worden een
                                            pgb te weigeren. Dit zal zich met name voordoen bij een
                                            progressief ziektebeeld of een korte levensverwachting.
                                            In die situaties is het economisch onvoordelig om een
                                            persoonsgebonden budget te verstrekken. </al></li></lijst><tussenkop> 2.4.2 Verplichtingen bij de verlening van een pgb </tussenkop><al>Indien er een <cursief>eenmalig </cursief>pgb wordt verstrekt
                                    voor de aanschaf van een hulpmiddel gelden de volgende
                                    voorwaarden voor het gebruik:</al><lijst><li nr="1."><al>het pgb moeten worden besteed aan de kosten die
                                            betrekking hebben op het compenseren van de beperkingen
                                            waarvoor men geïndiceerd is.</al></li><li nr="2."><al>indien het pgb betrekking heeft op individuele
                                            aanpassingen bij vervoersvoorzieningen en rolstoelen dan
                                            kunnen de kosten voor een individuele aanpassing slechts
                                            opnieuw worden vergoed indien de voorziening is
                                            afgeschreven of de aanpassing niet meer adequaat is.
                                        </al></li><li nr="3."><al>met een eenmalig pgb moet minimaal de afschrijftermijn
                                            van de geselecteerde voorziening worden overbrugd.
                                            Indien iemand een andere voorziening wenst is dat,
                                            binnen marges, toegestaan maar de afschrijftermijn wordt
                                            daardoor niet bekort.</al></li><li nr="4."><al>indien een goedkopere voorziening wordt aangeschaft kan,
                                            na overleg met de gemeente, de afschrijftermijn bekort
                                            worden of de periode waarvoor de eigen bijdrage geldt,
                                            kan worden beperkt. Het pgb wordt beperkt tot
                                            aankoopprijs van de gekochte voorziening.</al></li><li nr="5."><al>Indien nadat de afschrijftermijn is verstreken en de
                                            voorziening nog in goede staat verkeert, wordt geen
                                            nieuw pgb verstrekt. Dit heeft voor de
                                            ondersteuningsbehoevende het voordeel dat er niet
                                            opnieuw een eigen bijdrage hoeft te worden betaald.</al></li><li nr="6."><al>Van de ondersteuningsbehoevende wordt verwacht dat hij
                                            zorgvuldig met de voorziening omgaat en onnodige schade
                                            en slijtage voorkomt.</al></li><li nr="7."><al>de ondersteuningsbehoevende dient zelf zorg te dragen
                                            voor een aansprakelijkheidsverzekering voor schade die
                                            door het gebruik van de voorziening aan derden kan
                                            ontstaan.</al></li><li nr="8."><al>voor het onderhouden van de voorziening wordt jaarlijks
                                            een bedrag ter beschikking gesteld.</al></li><li nr="9."><al>indien de ondersteuningsbehoevende niet gedurende de
                                            gehele termijn waarbinnen de voorziening wordt
                                            afgeschreven recht heeft op de voorziening, wordt het
                                            pgb van de ondersteuningsbehoevende teruggevorderd tot
                                            het bedrag waarvoor de afschrijftermijn nog niet
                                            verstreken is. Hiermee wordt het risico voor het gebruik
                                            van het pgb bij de ondersteuningsbehoevende gelegd.
                                            Weliswaar loopt hij hiermee een risico maar langs de
                                            andere kant kan het pgb een financieel voordeel
                                            opleveren omdat de eigen bijdrage maar gedurende
                                            maximaal 39 perioden van 4 weken wordt opgelegd en niet,
                                            zoals bij een bruikleenvoorziening of periodiek pgb
                                            gedurende de gehele (bruikleen)periode.</al></li></lijst><al>Indien er een <cursief>periodiek</cursief> pgb wordt verstrekt
                                    geldt dat het pgb moet worden besteed aan de kosten die
                                    betrekking hebben op het compenseren van de beperkingen waarvoor
                                    men geïndiceerd is.</al><tussenkop> 2.4.3 Verantwoording van het pgb </tussenkop><al>Bij de verantwoording van het pgb dient een onderscheid gemaakt
                                    te worden tussen de verantwoording voor een periodiek pgb en een
                                    eenmalig pgb.</al><al>Van een periodiek pgb is sprake bij hulp bij het huishouden,
                                    vervoersvoorziening en rolstoelen. Van een eenmalig pgb is
                                    sprake bij roerende woonvoorzieningen en individuele
                                    aanpassingen aan vervoersvoorzieningen en rolstoelen. </al><al>Verantwoording van een pgb vindt in een lichte vorm plaats. Er
                                    dient onderscheid gemaakt te worden tussen het pgb voor hulp bij
                                    het huishouden, vervoersvoorzieningen en rolstoelen.</al><al>1.Voor de verantwoording van het pgb voor hulp bij huishouden
                                    dient, voorzover de zorgvrager voor verantwoording wordt
                                    aangeschreven een verantwoordingsformulier te worden ingevuld en
                                    overgelegd aan de gemeente. (Dit is afhankelijk van de gemeente
                                    waarin men woonachtig is. De gemeenten Oirschot en Eersel hebben
                                    bepaald dat de verantwoording steekproefsgewijs
                                    plaatsvindt)</al><al>Steekproefsgewijs kan de gemeente het verantwoordingsformulier
                                    controleren door onderliggende stukken op te vragen.</al><al>Van een pgb voor hhh is 1,5%, met een minimum van € 250,00 en
                                    een maximum van €1250,00 op jaarbasis, vrij besteedbaar, zoals
                                    dat ook in het kader van de AWBZ mogelijk is.</al><al>De verantwoording moet plaatsvinden over het bruto bedrag,
                                    d.w.z. het bedrag dat de gemeente voor het pgb heeft betaald. </al><lijst><li nr="2."><al>Verantwoording van het pgb voor vervoersvoorzieningen en
                                            rolstoelen vindt plaats door op verzoek van de gemeente
                                            een bewijs van de aanschaf of huur van de voorziening te
                                            overleggen. De gemeente kan steekproefsgewijs
                                            controleren of de voorziening ook daadwerkelijk is
                                            aangeschaft of wordt gehuurd.</al></li><li nr="3."><al>De verantwoording van een eenmalig pgb vindt plaats door
                                            op verzoek van de gemeente een bewijs van aankoop te
                                            overleggen. De gemeente kan steekproefsgewijs
                                            controleren of de voorziening ook daadwerkelijk is
                                            aangeschaft.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.5 Eigen bijdrage </label></kop><structuurtekst><al>Indien er sprake is van een voorziening in natura of een
                                persoonsgebonden budget dient een eigen bijdrage te worden betaald.
                                De eigen bijdrage wordt altijd bepaald en geïnd door het CAK.
                                Bezwaren tegen de hoogte van de eigen bijdrage moeten ook bij het
                                CAK worden ingediend.</al><al>Bij de betaling van het persoonsgebonden budget kiest de gemeente
                                voor een bruto-uitbetaling, d.w.z. het volledige bedrag dat men voor
                                het pgb ontvangt, zonder dat de eigen bijdrage er al vanaf is
                                getrokken. Vaak kan, voordat het pgb wordt verstrekt, al worden
                                aangegeven of de ondersteuningsbehoevende nog een eigen bijdrage
                                over het pgb zal moeten betalen. Er wordt gekozen voor een bruto pgb
                                omdat het CAK beschikt over de informatie op grond waarvan bepaald
                                kan worden welke eigen bijdrage iemand verschuldigd is. Bovendien is
                                het voor de ondersteuningsbehoevende ook duidelijker voor welk
                                bedrag hij hulp in kan kopen en over welke bedrag verantwoording aan
                                de gemeente moet worden afgelegd.</al><al>De ondersteuningsbehoevende ontvangt jaarlijks een beslissing van
                                het CAK waarin is opgenomen welke eigen bijdrage over welke periode
                                en voor welke voorzieningen is of moet worden betaald. Bij een
                                ongewijzigde situatie in een volgend jaar kan de pgb houder zelf
                                inschatten wat zijn eigen bijdrage zal zijn.</al><al>De verantwoordelijkheid voor de inning van de eigen bijdrage ligt
                                bij het CAK. Het debiteurenrisico moet wel door de gemeente worden
                                gedragen. Indien blijkt dat een ondersteuningsbehoevende niet op een
                                juiste wijze met het pgb omgaat kan dat een weigeringsgrond zijn
                                voor het (verder) verstrekken van een pgb.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.6 Eigen aandeel</label></kop><structuurtekst><al>Indien een ondersteuningsbehoevende een financiële tegemoetkoming
                                ontvangt kan een eigen aandeel in de kosten worden gevraagd.
                                Uitgezonderd zijn de onder punt 2.3 genoemde kostenposten.</al><al>Een eigen aandeel moet in maximaal 39 termijnen in mindering worden
                                gebracht op de financiële tegemoetkoming. De financiële
                                tegemoetkoming kan bij het CAK worden gemeld. Het CAK zal dan in het
                                aantal aangegeven termijnen het eigen aandeel innen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.7 Eigen bijdrage/eigen aandeel en bijzondere bijstand </label></kop><structuurtekst><al>Indien een ondersteuningsbehoevende een inkomen heeft tot 110% van
                                de voor hem geldende bijstandsnorm worden de eigen bijdrage of het
                                eigen aandeel als bijzonder noodzakelijke bestaanskosten aangemerkt
                                die voor vergoeding in aanmerking komen. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.8 Inkomensberekening in verband vaststelling
                                norminkomen</label></kop><structuurtekst><al>Bij een beperkt aantal voorzieningen speelt de juiste vaststelling
                                van het norminkomen een rol om te kunnen bepalen of men voor de
                                voorziening in aanmerking komt.</al><al>Dit speelt bij het recht op deelname aan het collectief
                                vraagafhankelijk vervoer en de forfaitaire
                                vervoerskostenvergoedingen. </al><al>Uitgangspunt voor het berekenen van het netto inkomen is de loon- of
                                uitkeringsspecificatie over de betaalperiode direct voorafgaande aan
                                de datum van de aanvraag. Het bruto-inkomen wordt verminderd met
                                verschuldigde belasting, sociale verzekeringspremies en de
                                pensioenpremies. Inhoudingen op het bruto inkomen die op grond van
                                de verordening niet als aftrekpost kunnen worden meegenomen, worden
                                na berekening van de loonheffing bij het inkomen opgeteld (zoals
                                gedeelte van het spaarloon e.d.).</al><al>Vervolgens wordt <vet>het jaarinkomen</vet> berekend, waarbij
                                rekening wordt gehouden met de periode waarover het salaris wordt
                                uitbetaald:</al><al>salaris per maand x 12</al><al>salaris per week x 52</al><al>salaris per vier weken x 13</al><al>salaris per kwartaal x 4</al><al>salaris per dag x 260</al><al>Als er sprake is van een wisselend inkomen dan moet een redelijke
                                termijn in acht genomen worden waarover het netto inkomen kan worden
                                vastgesteld.</al><al>Het jaarinkomen van een zelfstandig ondernemer wordt bepaald aan de
                                hand van de boekhouding over de laatste 3 boekjaren, tenzij dit
                                inkomen geen juiste weergave biedt van het besteedbaar inkomen in
                                het jaar waarin de aanvraag op grond van de Verordening wordt
                                ingediend.</al><al>Is er sprake van <vet>aanvullende bijstand</vet> dan wordt uitgegaan
                                van de bijstandsnorm, omdat bij de berekening van de bijstand al
                                rekening wordt gehouden met alle mogelijke inkomsten en kosten.</al><al>Bij de berekening van het inkomen en de toetsing aan 1,5 x het
                                norminkomen moet rekening worden gehouden met de middelen die ook
                                door de WWB buiten beschouwing worden gelaten zoals b.v. de
                                pensioenvrijlating. Voor zover de ondersteuningsbehoevende
                                bijzondere meerkosten heeft in verband met ziekte kan er van worden
                                uitgegaan dat hierin al door de belastingdienst rekening mee wordt
                                gehouden d.m.v. teruggaaf (regeling gaat in m.i.v. 1-1-2009). Als
                                blijkt dat de ondersteuningsbehoevende net op de grens zit van de
                                inkomensnorm en aanzienlijke bijzondere ziektekosten heeft die niet
                                fiscaal verrekend worden kan, individualiserend, besloten worden om
                                met die kosten wèl rekening te houden.</al><al>Aan het jaarinkomen wordt het <vet>netto vakantiegeld
                                </vet>toegevoegd, berekend conform de bijstandsregeling
                                vakantietoeslag. </al><al>Het vermogen zelf is vrij. Inkomsten uit vermogen worden wel
                                betrokken bij de vaststelling van de ruimte in het inkomen. Om
                                ingewikkelde berekeningen te voorkomen en spaargelden niet te zeer
                                te belasten zal voor de alleenstaande een bedrag van € 750,00 en
                                voor een alleenstaande ouder en echtparen een bedrag van € 1500,00
                                als inkomsten uit vermogen worden vrijgelaten. </al><al>Het meerdere aan inkomsten uit vermogen wordt bij het netto inkomen
                                opgeteld onder aftrek van 30% in verband met de (fiscale)
                                vermogensrendementsheffing. Met deze rekenmethode wordt op een
                                eenvoudige wijze en op een reële manier rekening gehouden met
                                inkomen uit vermogen.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3 – Voorzieningen hulp bij het huishouden </label></kop><paragraaf><kop><label>3.1 Algemeen</label></kop><structuurtekst><al>De voorziening die de gemeente kan verstrekken voor de hulp bij het
                                huishouden bestaat uit 2 onderdelen:</al><al>1.<cursief>voorziening in natura</cursief>. Hierbij is een
                                onderscheid gemaakt in 3 soorten dienstverlening:</al><al>categorie A: Huishoudelijke werkzaamheden. </al><al>De uit te voeren werkzaamheden bestaan onder andere uit de volgende
                                onderdelen:</al><lijst><li nr="-"><al>boodschappen voor het dagelijkse leven doen;</al></li><li nr="-"><al>maaltijdverzorging, bereiding broodmaaltijd/ warme
                                        maaltijd</al></li><li nr="-"><al>licht poetswerk in huis, kamers opruimen;</al></li><li nr="-"><al>huishoudelijke werkzaamheden, stofzuigen wc/badkamer
                                        schoonmaken</al></li><li nr="-"><al>verzorging kleding / linnengoed</al></li></lijst><al>categorie B: Organisatie van het huishouden</al><al>De uit te voeren werkzaamheden in deze categorie bestaan naast de
                                bovenstaande huishoudelijke werkzaamheden, uit (een van)de
                                volgende onderdelen:</al><lijst><li nr="-"><al>opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen huisgenoten
                                        (anderen helpen met zelfverzorging)</al></li><li nr="-"><al>anderen helpen bij het bereiden van maaltijden;</al></li><li nr="-"><al>dagelijkse organisatie van het huishouden;</al></li><li nr="-"><al>problematische gezinssituaties waarbij niet het gezin maar
                                        een gezinslid ontregeld is.</al></li></lijst><al>categorie C: Hulp bij ontregelde huishouding</al><al>De uit te voeren werkzaamheden in deze categorie bestaan naast de
                                bovenstaande lichte ondersteuning in het huishouden en de
                                huishoudelijke werkzaamheden, uit de navolgende onderdelen:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="-"><al>Psychosociale begeleiding, tevens observeren;</al></li><li nr="-"><al>Advies, instructie, voorlichting gericht op het
                                                huishouden.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al><cursief>Pgb. </cursief>Met een persoonsgebonden
                                                budget kan de ondersteuningsbehoevende zelf zijn
                                                zorg inkopen. De gemeente biedt de pgb houder tevens
                                                de mogelijkheid om gebruik te maken van de diensten
                                                van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) (met ingang
                                                van 1-1-2009). De dienst van de SVB bestaan
                                                uit:</al><lijst><li nr="-"><al>concept overeenkomsten tussen zorgvrager en
                                                  zorgverlener</al></li><li nr="-"><al>hulp bij juridische vragen</al></li><li nr="-"><al>werkgeversaansprakelijkheidsverzekering voor
                                                  budgethouders’</al></li><li nr="-"><al>loondoorbetaling bij ziekte, mits men een
                                                  overeenkomst heeft met de zorgverlener;</al></li><li nr="-"><al>loonadministratie indien men formeel werkgever
                                                  is.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al>Indien de hulp bij het huishouden pas kan worden ingezet nadat de
                                woning gesaneerd is kan ook de <vet>woningsanering</vet> als een
                                voorziening worden toegekend. De kosten komen voor rekening van de
                                gemeente tenzij de vervuiling aan betrokkene verwijtbaar is.</al><al>Voor de voorziening in natura zijn in 2007 en 2008 3 zorgaanbieders
                                gecontracteerd. In het kader van de keuzevrijheid kunnen
                                ondersteuningsbehoevenden zelf bepalen van welke aanbieder zij de
                                zorg willen ontvangen. Met ingang van 1 januari 2009 zal er
                                waarschijnlijk met meer zorgaanbieders een contract zijn afgesloten.
                                Ondersteuningsbehoevenden kunnen dan een keuze maken uit alle, voor
                                hun gemeente, gecontracteerde zorgaanbieders.</al><al>De door het CIZ opgestelde protocollen voor de functie
                                huishoudelijke verzorging in het kader van de AWBZ zijn als
                                uitgangspunt genomen voor deze beleidsregels maar, in deze tweede
                                versie, op detailpunten, aangepast.</al><al>In deze beleidsregels zijn de richtlijnen uitgewerkt, die het CIZ
                                eerder heeft uitgewerkt, die de indicatiestellers dienen te hanteren
                                bij het bepalen van de aanspraak op ondersteuning vanuit de Wmo.
                                Hierbij dient ook betrokken te worden hetgeen van huisgenoten
                                onderling kan worden verwacht aan zorg van en voor elkaar.</al><al>Indien de beleidsregels in concrete gevallen tot kennelijke
                                onbillijkheden leiden, kan besloten worden van de regels af te
                                wijken.</al><tussenkop> 3.1.1 Aanbesteding en contractafspraken</tussenkop><al>Omdat de hulp bij het huishouden is aanbesteed maakt het
                                    contract en de daar onderliggende stukken deel uit van de
                                    afspraken die met de zorgaanbieders zijn gemaakt. In het
                                    programma van eisen zijn kwaliteitseisen opgenomen waarin de
                                    zorgaanbieder moet voldoen.</al><al>Belangrijk is de eis ten aanzien van de start van de
                                    werkzaamheden. Daarvoor is de volgende eis opgenomen:</al><al>De zorgaanbieder dient binnen <vet>5</vet> werkdagen, na
                                    opdracht van de opdrachtgever, een afspraak te hebben gemaakt
                                    met de zorgvrager om de werkafspraken vast te leggen. Binnen 10
                                    werkdagen na opdracht dient gestart te zijn met de opgedragen
                                    hulp.</al><al>Spoedeisende zorg dient door de zorgverleners binnen 24 uur te
                                    worden ingezet. Urgente zorg dient niet onmiddellijk maar wel
                                    binnen één week te worden ingezet.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>3.2 Gebruikelijke zorg</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 3.2.1 Gebruikelijke zorg en mantelzorg</tussenkop><al>Het bepalen van aard en omvang van gebruikelijke zorg in relatie
                                    tot een eventuele aanspraak op hulp vanwege ondersteuning vanuit
                                    de Wmo heeft alleen betrekking op de functie hulp bij het
                                    huishouden </al><al>In relatie tot ondersteuning vanuit de Wmo is het van belang de
                                    term gebruikelijke zorg goed te onderscheiden van het begrip
                                    mantelzorg.</al><al>Gebruikelijke zorg en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende
                                    begrippen.</al><al><vet>Gebruikelijke zorg </vet>is per definitie zorg waarop
                                        <cursief>geen </cursief>aanspraak bestaat vanuit de Wmo. Het
                                    is de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en
                                    inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden
                                    omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op
                                    die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het
                                    functioneren van dat huishouden.</al><al>Gebruikelijke zorg is ook alleen aan de orde als er een
                                    leefeenheid is die een gezamenlijk huishouden voert. Uitwonende
                                    kinderen vallen hier dus buiten.</al><al>Bij <vet>mantelzorg </vet>gaat het om ondersteuning vanuit de
                                    Wmo waarop de burger vanuit het compensatiebeginsel een beroep
                                    kan doen op de gemeente.</al><al>Mantelzorg is zorg die niet in het kader van een hulpverlenend
                                    beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit
                                    diens directe omgeving waarbij de zorgverlening rechtstreeks
                                    voortvloeit uit de sociale relatie (Zorg Nabij, VWS 2001). Bij
                                    mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) zorg in zwaarte,
                                    duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. Mantelzorg
                                    vindt plaats op basis van betrokkenheid, dat wil zeggen dat de
                                    mantelzorger bereid en in staat geacht mag worden deze zorg te
                                    leveren.</al><tussenkop> 3.2.2 De omgeving als wegingsfactor</tussenkop><al>De fysieke en sociale omgeving zijn van invloed op de
                                    zorgbehoefte van de zorgvrager. Huisgenoten, andere naasten en
                                    verwanten van de zorgvrager kunnen zowel in positieve als in
                                    negatieve zin de zorgbehoefte beïnvloeden. Zij kunnen zelf zorg
                                    behoeven (kleine kinderen, een gehandicapte
                                    huisgenoot/familielid), zij kunnen ook verlichting geven en
                                    bijdragen aan te verrichten taken (gezonde volwassenen).</al><al>In het indicatieonderzoek naar beperkingen en
                                    participatieproblemen van zorgvragers zal altijd de fysieke en
                                    sociale omgeving van de vrager meegenomen worden in de afweging.
                                    In geval er voor de zorgvrager mantelzorg vrijwillig beschikbaar
                                    is kan dat deel van de zorgaanspraak buiten het indicatiebesluit
                                    blijven omdat daar geen hulp bij het huishouden vanuit de
                                    ondersteuning in de Wmo voor ingezet hoeft te worden. De
                                    mantelzorger voorziet al in die hulp en de indicatiesteller
                                    weegt dat mee in het opstellen van het indicatiebesluit.</al><al>Welke zorg de mantelzorger op zich neemt en in welke omvang is,
                                    in overleg met de zorgvrager, uitsluitend en alleen aan de
                                    mantelzorger zelf om te bepalen.</al><al>Het meewegen van de mantelzorg betekent ook dat de
                                    indicatiesteller nagaat of voor een deel van de mantelzorg
                                    alsnog ondersteuning vanuit de Wmo geïndiceerd moet worden ter
                                    ondersteuning van de mantelzorger zodat die regelmatig tijdelijk
                                    ontlast wordt (respijtzorg)</al><al>In geval er voor een zorgvrager geen mantelzorg beschikbaar is
                                    of mantelzorg wegvalt, wordt dus ondersteuning vanuit de Wmo
                                    geïndiceerd.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>3.3 Definities en algemene uitgangspunten</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 3.3.1 Gezamenlijke huishouding/leefeenheid</tussenkop><al>De definitie van gezamenlijke huishouding is opgenomen in de Wmo
                                    art. 1 lid 4: Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien
                                    twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij
                                    blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
                                    leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
                                    anderszins. Lid 5: Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder
                                    geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf
                                    hebben in dezelfde woning en: </al><lijst><li nr="a."><al>zij met elkaar gehuwd zijn (geweest) of eerder voor de
                                            toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn
                                            gesteld,</al></li><li nr="b."><al>uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft
                                            plaatsgevonden van een kind van de een door de
                                            ander,</al></li><li nr="c."><al>zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage
                                            aan de huishouden krachtens een geldend
                                            samenlevingscontract, of zij op grond van een
                                            registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke
                                            huishouding die naar de aard en strekking overeenkomstig
                                            met de gezamenlijke huishouding , bedoeld in het vierde
                                            lid.</al></li></lijst><al>Naast dit begrip gezamenlijke huishouding is, in het kader van
                                    de gebruikelijke zorg, de leefeenheid van belang omdat bij het
                                    leveren van gebruikelijke zorg niet alleen wordt uitgegaan van
                                    volwassenen maar ook van minderjarigen die in het huishouden
                                    aanwezig zijn. </al><tussenkop> 3.3.2 Huisgenoot</tussenkop><al>Hieronder wordt verstaan: iedere meerderjarige en
                                    minderjarigemet wie de aanvrager duurzaam
                                    gemeenschappelijk een woning bewoont. </al><al>Tot een huisgenoot die gebruikelijke zorg kan verlenen wordt ook
                                    gerekend de inwonende meerderjarige die tijdelijk inwoont en
                                    gerekend kan worden tot het huishouden. </al><tussenkop> 3.3.3 Eén- en meerpersoonshuishouden</tussenkop><al>Indien de zorgvrager deel uitmaakt van een leefeenheid bestaande
                                    uit meerdere personen (meerpersoonshuishouden) moet de
                                    indicatiesteller vaststellen wat, gezien de samenstelling van
                                    die leefeenheid, in dat geval verstaan wordt onder gebruikelijke
                                    zorg van huisgenoten voor elkaar. Pas dan kan het
                                    indicatieorgaan besluiten op welke ondersteuning vanuit de Wmo
                                    de zorgvrager redelijkerwijs is aangewezen.</al><al>In geval zorgvrager een éénpersoonshuishouden voert is er geen
                                    sprake van gebruikelijke zorg.</al><tussenkop> 3.3.4 Maatschappelijke participatie</tussenkop><al>Iedere volwassen burger wordt verondersteld naast een volledige
                                    baan ofopleiding een huishouden te kunnen voeren.</al><al>In geval van een meerpersoonshuishouden staat het hebben van een
                                    normale baan of het volgen van een opleiding per definitie het
                                    leveren van gebruikelijke zorg niet in de weg.</al><al>Gebruikelijke zorg gaat voor op andere activiteiten van leden
                                    van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke
                                    participatie.</al><tussenkop> 3.3.5 Culturele diversiteit</tussenkop><al>Bij het inventariseren van de eigen mogelijkheden van het
                                    huishouden wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse,
                                    religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of
                                    persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke
                                    taken. Er is sprake van een pluriforme samenleving waarin een
                                    ieder gelijke aanspraken op ondersteuning vanuit de Wmo kan
                                    maken.</al><tussenkop> 3.3.6 Spoedeisende zorg en urgente zorg.</tussenkop><al>Er is sprake van spoedeisende zorg in de volgende
                                    situaties:</al><lijst><li nr="-"><al>bij terminale patiënten;</al></li><li nr="-"><al>indien er een indicatie is verstrekt voor het bereiden
                                            van de maaltijd;</al></li><li nr="-"><al>indien er jonge kinderen verzorgd moeten worden.</al></li></lijst><al>In deze situaties dient er binnen 24 uur zorg te worden
                                    ingezet.</al><al>Bij spoedeisende zorg kan de toekenning met een minimum aan
                                    formaliteiten worden toegekend. De inzet van de zorg verdient de
                                    hoogste prioriteit. Het aanvraagformulier en de formele
                                    beslissing kunnen later volgen.</al><al>Er is sprake van urgente zorg als er geen sprake is van
                                    spoedeisende zorg maar de hulp wel binnen één week moet worden
                                    ingezet omdat ook de uitstelbare taken niet op een andere wijze
                                    kunnen worden uitgevoerd.</al><tussenkop> 3.3.7 Betrekken van huisgenoten/mantelzorgers bij het
                                    indicatieonderzoek</tussenkop><al>Indien er sprake is van huisgenoten, die gebruikelijke zorg dan
                                    wel mantelzorg leveren, is het zaak dat de indicatiesteller die
                                    huisgenoten <vet>altijd persoonlijk hoort </vet>in het kader van
                                    het indicatieonderzoek. Op die manier kan de indicatiesteller
                                    correct inventariseren welke taken de huisgenoot/mantelzorger
                                    uitvoert en hoe hij/zij de belasting van deze taken ervaart in
                                    relatie tot zijn/haar maatschappelijke participatie. </al><al>Ook – of juist - wanneer het gaat om min of meer gebruikelijke
                                    zorg en de inzet van de huisgenoot, vereist de zorgvuldigheid
                                    dat deze wordt gehoord. Ook een mantelzorger dient gehoord te
                                    worden.</al><tussenkop> 3.3.8 Verblijf buiten de gemeente</tussenkop><al>Indien de ondersteuningsbehoevende langdurig buiten de gemeente
                                    verblijft (anders dan een normale vakantieperiode) wordt in
                                    principe geen hulp bij het huishouden ingezet, tenzij er sprake
                                    is van bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden
                                    kan sprake zijn indien de ondersteuningsbehoevende wordt
                                    opgenomen in een logeerhuis of hospice. </al><al>Zorg in natura zal, bij verblijf buiten de gemeente, worden
                                    stopgezet. Indien de ondersteuningsbehoevende een
                                    persoonsgebonden budget ontvangt zal hij hiervan melding moeten
                                    maken en wordt het persoonsgebonden budget opgeschort gedurende
                                    zijn afwezigheid.</al><tussenkop> 3.3.9 Gemotiveerd afwijken</tussenkop><al>Indien er sprake is van een zorgvraag waarvan de
                                    indicatiesteller objectief heeft vastgesteld dat het gaat om
                                    zorg die valt onder de eigen verantwoordelijkheid van het
                                    huishouden dan wel om zorg die vrijwillig door mantelzorg wordt
                                    geleverd, kan conform dit document worden vastgesteld dat er
                                    geen grondslag voor ondersteuning vanuit de Wmo is.</al><al>Wanneer een dergelijke vaststelling voor de indicatiesteller als
                                    professional tot kennelijke onredelijkheid en/of onbillijkheid
                                    leidt gezien de situatie van de zorgvrager, kan en moet de
                                    indicatiesteller (gemotiveerd) van deze richtlijn afwijken en
                                    een ander advies geven. Indien er van de richtlijnen wordt
                                    afgeweken zal bij de afweging ook van belang zijn de mate waarin
                                    de aanvrager zelf alles in het werk heeft gesteld om tot een
                                    oplossing te komen. </al><al>Indien van de richtlijnen wordt afgeweken dient bepaald te
                                    worden voor welke periode wordt afgeweken.</al><tussenkop> 3.3.10 Duur van de indicatie</tussenkop><al>Een indicatie wordt voor maximaal 5 jaar gesteld indien er
                                    sprake is van een bestendige situatie. In alle overige situaties
                                    wordt de duur van de indicatie bepaald aan de hand van de
                                    omstandigheden.</al><tussenkop> 3.3.11 Verlenging van de indicatie</tussenkop><al>Een indicatie wordt alleen verlengd op verzoek van de
                                    ondersteuningsbehoevende. Deze dient tijdig voor afloop van de
                                    indicatie, een verzoek daartoe in te dienen. Van de
                                    zorgaanbieders wordt verwacht dat zij de
                                    ondersteuningsbehoevenden tijdig melden dat de indicatie
                                    verloopt.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>3.4 Richtlijnen voor de indicatiestelling hulp bij het huishouden
                                ondersteuning bij het bepalen van gebruikelijke zorg in relatie tot
                                ondersteuning vanuit de Wmo</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 3.4.1 Ondersteuning vanuit de Wmo aanvullend op eigen
                                    mogelijkheden</tussenkop><al>Ondersteuning vanuit de Wmo is aanvullend op de mogelijkheden
                                    die de zorgvrager heeft om op eigen kracht zijn probleem op te
                                    lossen. </al><al>Dit is terug te vinden in de Wmo artikel 2:</al><al>‘Er bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning
                                    voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven
                                    geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een
                                    voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling
                                    bestaat’.</al><al>Wanneer een zorgvrager in zijn hulpvraag voorziet met eigen
                                    middelen, en dat niet op eigen kosten wenst te continueren, is
                                    er, wanneer daartoe aanleiding bestaat, een aanspraak op
                                    ondersteuning vanuit de Wmo. Dit doet zich bv. voor wanneer een
                                    zorgvrager particuliere hulp in dienst heeft, of wanneer een
                                    zorgvrager op eigen kosten in een beschermende woonomgeving
                                    woont. Deze op eigen kosten getroffen voorzieningen zijn NIET
                                    voorliggend op ondersteuning vanuit de Wmo.</al><al>Vervolgens moet bekeken worden of voorliggende voorzieningen een
                                    oplossing kunnen bieden voor het zorgprobleem. Hierbij wordt een
                                    onderscheid gemaakt naar wettelijk voorliggende voorzieningen en
                                    voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn. Wettelijke
                                    voorliggende voorzieningen zijn afdwingbaar terwijl bij algemeen
                                    gebruikelijke voorzieningen moet worden nagegaan of deze
                                    voorziening ook werkelijk beschikbaar is en adequaat is ingeval
                                    van de cliënt.</al><tussenkop> 3.4.2 Gezondheidsproblemen of (dreigende)
                                    overbelasting</tussenkop><al>Een indicatiesteller kan besluiten dat een huisgenoot of partner
                                    geen gebruikelijke zorg kan leveren als deze zodanige
                                    gezondheidsproblemen en/of beperkingen heeft dat de
                                    indicatiesteller redelijkerwijs moet concluderen dat de
                                    betreffende taken niet door hem uitgevoerd kunnen worden.</al><al>Een indicatiesteller moet altijd onderzoeken of een leefeenheid,
                                    gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke zorg,
                                    door de (chronische) uitval van een gezinslid niet alsnog
                                    onevenredig belast wordt en overbelasting dreigt.</al><al>Wanneer partner of huisgenoot gezondheidsproblemen en/of
                                    beperkingen heeft of door de combinatie van een (volledige)
                                    werkkring of opleiding en het voeren van het huishouden
                                    overbelast dreigt te raken, zullen de (medische) gegevens ter
                                    onderbouwing daarvan door de betrokkene moeten worden
                                    aangeleverd. De gemeente moet zich daar dan een geobjectiveerd
                                    oordeel over vormen. Wanneer de dreigende overbelasting wordt
                                    veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke zorg
                                    en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en
                                    gebruikelijke zorg voor.</al><al>Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden
                                    zijn om een indicatie te geven voor gebruikelijke zorg.</al><al>In geval de leden van een leefeenheid dreigen overbelast te
                                    raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke
                                    partner/huisgenoot, kan een indicatie worden gesteld op de
                                    onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke zorg worden
                                    gerekend. In eerste instantie zal die indicatie van korte duur (
                                    ongeveer 6 weken)zijn om de leefeenheid de
                                    gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane
                                    situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder
                                    ten gevolge van het plotseling overlijden of ernstige ziekte van
                                    de andere ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie
                                    van werk en verzorging van de inwonende kinderen. </al><al>Indien er sprake van een plotselinge situatie die van tijdelijke
                                    duur is zal meer rekening worden gehouden met de (on)
                                    mogelijkheid van de partner om de taakverdeling aan te
                                    passen.</al><tussenkop> 3.4.3 Fysieke afwezigheid</tussenkop><al>Indien de huisgenoot van een zorgvrager vanwege zijn/haar werk
                                    fysiek niet aanwezig is wordt hiermee bij de indicatiestelling
                                    uitsluitend rekening gehouden, wanneer het om aaneengesloten
                                    perioden van ten minste zeven etmalen gaat.</al><al>De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter
                                    hebben en inherent zijn aan diens werk; denk hierbij aan
                                    offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het
                                    buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden van ten
                                    minste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk
                                    sprake van een éénpersoonshuishouden en kan er geen
                                    gebruikelijke zorg worden geleverd.</al><al>Wanneer sprake is van lange werkdagen of onregelmatige diensten
                                    met een verplichtend karakter, kan dit alleen een rol spelen bij
                                    de overname van niet uitstelbare taken. Uitstelbare taken kunnen
                                    in een dergelijke situatie alleen overgenomen worden indien er
                                    sprake is van (dreigende) overbelasting.</al><tussenkop> 3.4.4 Korte levensverwachting</tussenkop><al>In geval de zorgvrager een zeer korte, bekende levensverwachting
                                    heeft kan ter ontlasting van de leefeenheid van de zorgvrager
                                    afgeweken worden van de normering van gebruikelijke zorg.</al><tussenkop> 3.4.5 Indicatiestelling: telefonisch of huisbezoek</tussenkop><al>Een aanvraag mag telefonisch worden afgehandeld indien de
                                    zorgvrager bekend is enhet eens is met de
                                    uitkomst. In alle overige situaties wordt een huisbezoek
                                    gebracht. In het kader van de indicatiestelling wordt ook
                                    gekeken naar de persoon-en woongegevens zoals die in de GBA zijn
                                    opgenomen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>3.5 Gebruikelijke zorg naar functie</label></kop><sub-paragraaf><kop><label>3.5.1 Hulp bij het huishouden</label></kop><artikel><kop><label>3.5.1.1 Doel hulp bij het huishouden</label></kop><al>Hulp bij het huishouden is aangewezen wanneer disfunctioneren
                                    van de leefeenheid als gevolg van gezondheidsproblemen van (één
                                    van) de verzorgende (leden) dreigt. Dat kan zich uiten in
                                    vervuiling (van de woning of van kleding), verwaarlozing
                                    (gezondheidsrisico’s, persoonlijke verzorging, voeding en vocht)
                                    of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten
                                    waardoor het functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd
                                    wordt. Het doel van huishoudelijke verzorging kan dan zijn het
                                    schoonhouden van het huis en/of het verrichten van de dagelijks
                                    voorkomende huishoudelijke activiteiten, maar ook het
                                    ondersteunen bij het organiseren van het huishouden. (Zie verder
                                    protocol hulp bij het huishouden )</al></artikel><artikel><kop><label>3.5.1.2 Leefeenheid primair verantwoordelijk</label></kop><al>De leefeenheid van een zorgvrager die een beroep doet op
                                    ondersteuning vanuit de Wmo blijft altijd primair
                                    verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Dat
                                    betekent dat van een leefeenheid wordt verwacht dat, bij uitval
                                    van één van de leden van die leefeenheid, gestreefd wordt naar
                                    een herverdeling van de huishoudelijke taken binnen die
                                    leefeenheid.</al></artikel><artikel><kop><label>3.5.1.3 Huishoudelijke taken: uitstelbaar en niet
                                        uitstelbaar</label></kop><al>Onder huishoudelijke taken vallen zowel de uitstelbare als de
                                    niet-uitstelbare taken. Het verzorgen van –overigens gezonde-
                                    kinderen valt ook onder de functie hulp bij het huishouden
                                    .</al><lijst><li nr="-"><al>Niet-uitstelbare taken zijn maaltijd verzorgen, de
                                            kinderen verzorgen, afwassen en opruimen;</al></li><li nr="-"><al>Wel-uitstelbare taken zijn boodschappen doen,
                                            wasverzorging, zwaar huishoudelijk werk:
                                            stofzuigen,</al></li></lijst><al> sanitair, keuken, bedden verschonen.</al><al/><al><vet>Taken van een 18-23 jarige</vet></al><al>Van een volwassen gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze de
                                    huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger
                                    uitvalt.</al><al>Een 18-23 jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden
                                    te kunnen voeren.</al><al>De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden
                                    zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>schoonhouden van sanitaire ruimte,</al></li><li nr="·"><al>keuken en een kamer,</al></li><li nr="·"><al>de was doen,</al></li><li nr="·"><al>boodschappen doen,</al></li><li nr="·"><al>maaltijd verzorgen,</al></li><li nr="·"><al>afwassen en opruimen.</al></li></lijst><al>Te normeren naar 2 uur uitstelbare, zware huishoudelijke taken
                                    en 1 uur lichte, niet uitstelbare huishoudelijke taken per
                                    week.</al><al>Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en
                                    begeleiden.</al><al>Met de eisen die aan jong volwassenen gesteld worden om een
                                    bijdrage te leveren moet zeer coulant worden omgegaan. Bij de
                                    beoordeling van de bijdrage die zij kunnen leveren moet ook de
                                    psychische belasting die zij, gelet op de gezinsomstandigheden,
                                    ondervinden worden meegewogen alsmede de mogelijkheden om een
                                    opleiding die zij volgen, voort te zetten.</al></artikel><artikel><kop><label>3.5.1.4 Indicatie voor het aanleren van huishoudelijke
                                        activiteiten</label></kop><al>Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk
                                    willen en/of kunnen <cursief>(in de zin van niet geleerd
                                        hebben)</cursief> verrichten' leiden niet tot een indicatie
                                    voor het overnemen van huishoudelijke taken. Indien hiervoor
                                    motivatie aanwezig is- kan er een indicatie worden gesteld voor
                                    6 weken zorg voor het aanleren van huishoudelijke taken en/of
                                    het leren (efficiënter) organiseren van het huishouden.
                                    Afstemming met de functies OB/AB in het kader van de AWBZ is
                                    noodzakelijk.</al></artikel><artikel><kop><label>3.5.1.5 Opvang en verzorging van kinderen bij uitval van
                                        een van de ouders</label></kop><al>Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouders zorgen
                                    voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen
                                    voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van
                                    de ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en naar draagkracht
                                    voorzien in de kosten van dit alles).</al><al>Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging,
                                    begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder
                                    meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling
                                    van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de
                                    zorg bij kortdurende ziekte.</al><al>Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de
                                    gebruikelijke zorg voor de kinderen over.</al><al>Gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de
                                        <vet>aanwezigheid </vet>van een verantwoordelijke ouder of
                                    derde persoon conform de leeftijd en ontwikkeling van het kind.
                                        <vet>Opvang </vet>is niet structureel in de Wmo. Voor de
                                        <vet>verzorging </vet>van de kinderen kan, zonodig, wel een
                                    beroep op ondersteuning vanuit de Wmo gedaan worden. </al><al><vet>Eigen oplossingen gaan voor</vet></al><al>Indien nodig dient de ouder gebruik te maken van de voor
                                    hem/haar geldende regeling voor zorgverlof. De indicatiesteller
                                    onderzoekt, in geval er mantelzorg aanwezig is, wat in
                                    redelijkheid met mantelzorg kan worden opgevangen.</al><al>Is dit niet mogelijk dan dient de ouder gebruik te maken van
                                    (een combinatie van ) crèche, opvang op school, buitenschoolse
                                    opvang, gastouder ed. (de zogenaamde algemeen gebruikelijke
                                    voorliggende voorzieningen). Het verplichte gebruik van
                                    alternatieve opvangmogelijkheden voor kinderen is redelijk,
                                    onafhankelijk van de financiële omstandigheden.</al><al>Ook zal beoordeeld worden of de ouder in voldoende mate
                                    geprobeerd heeft via mantelzorg/eigen netwerk tot een oplossing
                                    te vinden.</al><al><vet>Voorkomen van crisis en ontwrichting</vet></al><al>Zijn deze mogelijkheden reeds maximaal gebruikt of afwezig, of
                                    is er slechts kortdurend overbrugging nodig in noodgevallen, dan
                                    kan de functie huishoudelijke verzorging worden ingezet.</al><al><vet>Structurele opvang </vet>van kinderen is geen taak binnen
                                    de Wmo.</al><al><vet>Niet-structurele opvang </vet>van kinderen kan alleen bij
                                    ontwrichting of calamiteiten tijdelijk tot ondersteuning vanuit
                                    de Wmo leiden.</al><al>Verzorging van de kinderen kan zonodig tot ondersteuning vanuit
                                    de Wmo leiden.</al></artikel><artikel><kop><label>3.5.1.6 Uitval van ouder in éénoudergezin</label></kop><al>Indien er sprake is van uitval van de ouder in een
                                    éénoudergezin, of beide ouders ondervinden beperkingen in de
                                    opvang en verzorging van de kinderen, wordt er eerst nagegaan
                                    wat mantelzorg opvangt, en wat vrijwilligers als vervangende
                                    mantelzorg, voorliggende voorzieningen en algemeen gebruikelijke
                                    voorzieningen kunnen opvangen.</al><al><vet>Voor oppas </vet>en <vet>opvang </vet>van gezonde kinderen
                                    is in principe geen ondersteuning vanuit de Wmo, daarvoor zijn
                                    andere, algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen
                                    voorhanden. </al><al>Gebruik van <vet>kinderopvang/crèche </vet>als voorliggende
                                    voorziening voor oppas en opvang van gezonde kinderen tot 5
                                    dagen per week is redelijk. Indien indicatiesteller zich ervan
                                    heeft vergewist dat de voorliggende algemeen gebruikelijke
                                    voorzieningen niet aanwezig of niet toepasbaar zijn of zijn
                                    uitgeput is bij uitval van de ouder in een éénoudergezin
                                    afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind een
                                    indicatie voor hulp bij het huishouden mogelijk tot 40 uur per
                                    week voor oppas en opvang van gezonde kinderen. Een dergelijke
                                    indicatie is in principe van korte duur (max. 3 maanden), de
                                    periode waarin een eigen oplossing moet worden gevonden.</al></artikel><artikel><kop><label>3.5.1.7 Bijdrage van kinderen aan het huishouden</label></kop><al>In geval de leefeenheid van de zorgvrager mede bestaat uit
                                    kinderen, dan gaat de indicatiesteller ervan uit, dat de
                                    kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal
                                    functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke
                                    taken. </al><lijst><li nr="·"><al>Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de
                                            huishouding. </al></li><li nr="·"><al>Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen
                                            mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke
                                            werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen,
                                            afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand
                                            gooien. </al></li><li nr="·"><al>Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken
                                            hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen,
                                            stofzuigen, bed verschonen.</al></li></lijst><al>Met de eisen die aan kinderen gesteld worden om een bijdrage te
                                    leveren moet zeer coulant worden omgegaan. Bij de beoordeling
                                    van de bijdrage die kinderen kunnen leveren moet ook de
                                    psychische belasting die kinderen, gelet op de
                                    gezinsomstandigheden, ondervinden worden meegewogen.</al></artikel><artikel><kop><label>3.5.1.8 Hoge leeftijd en trainbaarheid</label></kop><al>Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden verondersteld dat
                                    een nieuwe taak als het huishouden nog is te trainen of aan te
                                    leren, zoals bij ouderen op hoge leeftijd (&gt; 75 jaar) kan,
                                    indien nodig, hulp voor die zwaar huishoudelijke taken worden
                                    geïndiceerd die anders tot de gebruikelijke zorg zouden worden
                                    gerekend.</al></artikel></sub-paragraaf></paragraaf><paragraaf><kop><label>3.6 Voorliggende voorzieningen</label></kop><structuurtekst><al>Behalve gebruikelijke zorg zijn ook voorliggende voorzieningen reden
                                om ondersteuning vanuit de Wmo te beperken of af te wijzen. De
                                methodiek van de indicatiestelling zoals ontwikkeld in het Breed
                                Indicatie Overleg (BIO protocol 1997) kende de volgende afwegingen:
                                Wanneer er algemene voorzieningen zijn waarvan de hulpvrager gebruik
                                kan maken, dan verdienen die de voorkeur boven het gebruik van
                                bijzondere, (voorheen) sectorale voorzieningen. </al><al>Bijvoorbeeld: openbaar vervoer gaat voor bijzonder vraagafhankelijk
                                vervoer, en dit gaat weer voor op collectief aanvullend vervoer, dat
                                weer voor gaat op vervoer gericht op een specifieke doelgroep.
                                Dezelfde redenering gaat op voor arbeid, dagbesteding, onderwijs,
                                welzijnsvoorzieningen, enz.</al><al>Voorliggende voorzieningen zijn er in twee soorten: wettelijke en
                                algemeen gebruikelijke.</al><tussenkop> 3.6.1 Wettelijk voorliggende voorzieningen</tussenkop><al>Wettelijk voorliggende voorzieningen zijn deels neergelegd in de
                                    Wmo en deels in andere regelgeving dan de Wmo. Wanneer er
                                    wettelijke voorliggende voorzieningen zijn, dient de hulpvrager
                                    daar gebruik van te maken. Wanneer zo’n voorziening een adequate
                                    oplossing voor het probleem van de zorgvrager zou bieden,
                                    bestaat er geen aanspraak op ondersteuning vanuit de Wmo. Het is
                                    daarbij niet van belang of de voorliggende voorziening
                                    daadwerkelijk aanwezig is of niet.</al><al>Er moet bij de indicatiestelling vanuit worden gegaan dat de
                                    voorliggende voorziening beschikbaar is. Het feit dat de
                                    instantie die verantwoordelijk is voor de realisatie van de
                                    voorziening in gebreke is gebleven, is geen reden dit af te
                                    wentelen op de Wmo.</al><al>De afweging of voorliggende voorzieningen een adequate oplossing
                                    bieden voor het probleem van de zorgvrager is een vraag die de
                                    indicatiesteller zich stelt nadat de afweging: “Is hier sprake
                                    van gebruikelijke zorg?” heeft plaatsgevonden. </al><tussenkop> 3.6.2 Algemeen gebruikelijke voorziening</tussenkop><al>Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorliggende
                                    voorziening waarvan gebruik moet worden gemaakt als deze
                                    voorhanden is en in redelijkheid een oplossing biedt voor de
                                    zorgvraag van de zorgvrager.</al><al>Hierbij moet, onder andere, worden gedacht aan:</al><lijst><li nr="·"><al>Boodschappendienst indien deze voorhanden is in de
                                            gemeente of de woonkern.</al></li><li nr="·"><al>crèche, kinderopvang, gastouder;</al></li><li nr="·"><al>alarmering;</al></li><li nr="·"><al>maaltijdservice;</al></li><li nr="·"><al>financieel-administratieve ondersteuning;</al></li><li nr="·"><al>hondenuitlaatdienst;</al></li><li nr="·"><al>klussendienst.</al></li></lijst><al/><al><vet>Vrijwilliger is vervangende mantelzorg</vet></al><al>Vrijwilligers moeten niet worden opgevat als een ‘voorliggende
                                    voorziening’ maar als vervanging van mantelzorg. Dat betekent
                                    dat indien er vrijwilligers aanwezig, beschikbaar en bereid zijn
                                    om de zorg vrijwillig te (blijven) leveren, er voor dat deel
                                    geen ondersteuning is vanuit de Wmo.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>3.7 Onderzoek van overbelasting</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De indicatiesteller onderzoekt altijd of er in de individuele
                                situatie moet worden afgeweken van de algemene regels. Een van de
                                redenen om in de individuele situatie af te wijken kan zijn dat
                                degene van wie wordt verwacht dat zij taken overneemt, reeds
                                overbelast dreigt te raken.</al><al>In Van Dale wordt overbelasting uitgelegd als “meer belasten dan het
                                prestatievermogen toelaat”. In medische kringen praten we dan over
                                het (on)evenwicht tussen draagkracht</al><al>(= belastbaarheid) en draaglast (= belasting).</al><al>Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van
                                symptomen van lichamelijke en/of psychische aard en wordt het
                                bepaald door in- en uitwendige factoren.</al><al>Factoren die van invloed zijn op de <vet><cursief>draagkracht
                                    </cursief></vet>zijn onder meer:</al><al>• lichamelijke conditie mantelzorger;</al><al>• geestelijke conditie mantelzorger;</al><al>• wijze van omgaan met problemen (coping);</al><al>• motivatie voor zorgtaak;</al><al>• sociaal netwerk.</al><al>Factoren die van invloed zijn op de <vet><cursief>draaglast
                                    </cursief></vet>zijn onder meer:</al><al>• omvang en mate van (on)planbaarheid van zorgtaken;</al><al>• ziektebeeld en prognose;</al><al>• inzicht van mantelzorger in ziektebeeld van de zorgvrager;</al><al>• woonsituatie;</al><al>• bijkomende sociale problemen;</al><al>• bijkomende emotionele problemen;</al><al>• bijkomende relationele problemen.</al><al><vet>Onderzoek naar de draaglast-draagkracht mantelzorger</vet></al><al>Het kan soms heel duidelijk zijn dat de mantelzorger overbelast is,
                                in ander gevallen is dat minder duidelijk en zal dit in het
                                indicatieonderzoek moeten worden uitgediept.</al><al>Er bestaat niet één, simpel af te nemen test, die hierover direct
                                uitsluitsel geeft. </al><al>Wel bestaan er allerlei vragenlijsten op dat gebied en kunnen door
                                de mantelzorger ervaren klachten duiden op overbelasting.</al><al>Een recente uitspraak van het Cvz (Zknr. 23010188) leert dat het
                                College van mening is dat de beperkingen in de belastbaarheid
                                vanwege de gezondheid van de mantelzorger dienen te worden
                                beoordeeld door of onder verantwoordelijkheid van een arts. In
                                voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende
                                sector volstaan om hierover een oordeel te vormen. Dit dient dan wel
                                onder aanwijzing van een (CIZ-)arts te gebeuren; deze dient
                                vervolgens ook bij het eindoordeel te worden betrokken.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>3.8 Respijtzorg</label></kop><structuurtekst><al>Het kan voorkomen dat een mantelzorger en/of gebruikelijke
                                zorgverlener een aantal weken van zijn zorg ontheven wil worden. In
                                verordening (art. 3.5) wordt de mogelijkheden van respijtzorg
                                geboden. Respijtzorg is zorg die verleend wordt op basis van een
                                zeer summiere indicatie. Beoordeeld moet worden of de zorgvrager
                                niet in staat is de niet uitstelbare taken te verrichten. De
                                respijtzorg wordt verleend als zorg in natura voor maximaal 4 weken
                                per jaar. De zorgvrager is voor deze vorm van hulpverlening geen
                                eigen bijdrage verschuldigd. Respijtzorg kan ook worden ingezet als
                                er sprake is van een gezamenlijke huishouding waarbij de
                                gebruikelijke zorg door een huisgenoot (b.v. een meerderjarig
                                inwonend kind) wordt verricht. </al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4 – Woonvoorzieningen </label></kop><paragraaf><kop><label>4.1 Algemene uitgangspunten</label></kop><structuurtekst><al>Een woonvoorziening is erop gericht de beperkingen die iemand in het
                                normale gebruik van de woning ondervindt te compenseren. Het begrip
                                ‘normale gebruik van de woning’ houdt in dat mensen de normale
                                (elementaire) woonfuncties moeten kunnen verrichten, zoals slapen,
                                eten, lichaamsreiniging, het doen van essentiële huishoudelijke
                                werkzaamheden, horizontale en verticale verplaatsingen binnen de
                                woning, toegang tot de woning, de verzorging van kinderen.</al><al>Bij woonvoorzieningen worden een aantal algemene voorwaarden
                                gehanteerd waarvan de definities terug te vinden zijn in de Wet
                                maatschappelijke ondersteuning en de verordening maatschappelijke
                                ondersteuning. </al><lijst><li nr="1."><al>De voorziening is in overwegende mate op het individu
                                        gericht (art. 1.2, lid 1 onder e VMO)</al></li><li nr="2."><al>De voorziening is langdurig noodzakelijk (art. 1.2, lid 1
                                        onder c VMO).</al></li><li nr="3."><al>De voorziening kan, naar objectieve maatstaven gemeten, als
                                        de goedkoopst adequate voorziening worden aangemerkt (art.
                                        1.2, lid 1 onder d VMO).</al></li><li nr="4."><al>De voorziening is niet voor een persoon als aanvrager
                                        algemeen gebruikelijk (art. 1.2, lid 2 onder a VMO).</al></li><li nr="5."><al>Er bestaat geen aanspraak op de voorziening op grond van
                                        enig andere wettelijke regeling (art. 1.2, lid 2 onder c
                                        VMO).</al></li><li nr="6."><al>De ondervonden beperkingen vloeien niet voort uit de aard
                                        van de in de woning gebruikte materialen (art. 4.2 onder c
                                        VMO).</al></li><li nr="7."><al>Met het treffen van de voorziening is niet aan aangevangen
                                        voordat op de aanvraag is beschikt,</al></li><li nr="8."><al>De ondersteuningsbehoevende verblijft niet in of verhuist
                                        niet naar een AWBZ-inrichting (tenzij het gaat om het
                                        bezoekbaar maken van een woning) </al></li><li nr="9."><al>Het betreft een zelfstandige woonruimte in de gemeente
                                        (Bergeijk, Bladel, Eersel, Oirschot of Reusel-De Mierden)
                                        waarin de ondersteuningsbehoevende zijn hoofdverblijf heeft
                                        (art. 1.2 onder f VMO).</al></li><li nr="10."><al>De ondersteuningsbehoevende verstrekt die gegevens die
                                        noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en
                                        laat zich (als hierom gevraagd wordt) bevragen en/of
                                        onderzoeken (art. 7.1 lid 2 en 7.4 VMO).</al></li><li nr="11."><al>De ondersteuningsbehoevende heeft de Nederlandse
                                        nationaliteit of is een vreemdeling die rechtmatig verblijf
                                        in Nederland houdt.</al></li></lijst><al>Bij een verzoek tot woningaanpassing ligt het <vet>primaat bij een
                                    financiële tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten
                                </vet>(art. 4.3 VMO)<vet>. </vet> Het beleid is er op gericht zo
                                goed mogelijk gebruik te maken van de voorraad aangepaste woningen
                                en de aanpassingskosten zoveel mogelijk te beperken.</al><al>In de eerste plaats dient bekeken te worden wat de kosten van de
                                aanpassing zullen zijn. Indien het dure woningaanpassingen betreffen
                                (grens leggen op € 7.500,00) dient met het primaat als volgt te
                                worden omgegaan:</al><lijst><li nr="1."><al>Afzetten van de aanpassingskosten van de huidige woonruimte
                                        tegen:</al></li><li nr="§"><al>De verhuiskostenvergoeding voor de
                                        ondersteuningsbehoevende</al></li><li nr="§"><al>Het eventueel aanpassen van de nieuwe woning</al></li><li nr="§"><al>Het eventueel op verzoek van de gemeente vrijmaken van de
                                        beoogde aangepaste woning (vergoeding aan achterblijvende
                                        gezinsleden na verbreken van band
                                        ondersteuningsbehoevende-woning)</al></li><li nr="§"><al>Een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving
                                        (art. 4.9 VMO)</al></li><li nr="2."><al>De sociale omstandigheden:</al></li><li nr="§"><al>De mantelzorg die door de verhuizing wegvalt </al></li><li nr="§"><al>De afstand tot verschillende voorzieningen (winkels,
                                        ziekenhuis, bushalte e.d.)</al></li><li nr="§"><al>Een opgebouwd sociaal netwerk</al></li><li nr="3."><al>Integrale afweging van verschillende Wmo-voorzieningen (m.n.
                                        vervoersvoorzieningen)</al></li><li nr="4."><al>Werksituatie, met name de afstand tot het werk</al></li><li nr="5."><al>Woonlastenconsequenties van de verschillende opties. Hierbij
                                        moet ook rekening gehouden worden met de mogelijkheden van
                                        aanvrager om zelf andere woonruimte te regelen en te
                                        bekostigen (b.v. een andere koopwoning)</al></li><li nr="6."><al>De noodzaak om een probleem snel op te lossen (bij acute
                                        situaties zal minder snel tot een verhuisplicht kunnen
                                        worden besloten);</al></li><li nr="7."><al>De bereidheid van de ondersteuningsbehoevende om te
                                        verhuizen.</al></li></lijst><al>Als tot de conclusie wordt gekomen dat verhuizen geen optie is kan
                                de woningaanpassing worden toegekend. </al><al>Indien een verhuizing wel tot de mogelijkheden behoort wordt de
                                ondersteuningsbehoevende schriftelijk (in een besluit<vet>)</vet>
                                medegedeeld dat het primaat van verhuizing aan de orde is. De
                                ondersteuningsbehoevende zal dan, waar mogelijk met behulp van de
                                gemeente, op zoek moeten naar een aangepaste of beter aanpasbare
                                woning. </al><al>Hierbij dient als volgt te worden gehandeld:</al><lijst><li nr="§"><al>De ondersteuningsbehoevende dient zich in te schrijven bij
                                        woningbouwverengingen.</al></li><li nr="§"><al>Hij/zij werkt actief mee aan het vinden van woonruimte en
                                        gaat, eventueel na overleg met de gemeente, in op
                                        aanbiedingen. Indien een ondersteuningsbehoevende een
                                        redelijk aanbod weigert, wordt het verzoek tot
                                        woningaanpassing afgewezen.</al></li><li nr="§"><al>Indien tijdelijke maatregelen in de huidige woning
                                        noodzakelijk zijn, zal bekeken worden of die getroffen
                                        kunnen worden hetzij door inzet van artikelen uit de
                                        Thuiszorgwinkel, hetzij door bruikleenvoorzieningen door de
                                        gemeente.</al></li><li nr="§"><al>De ondersteuningsbehoevende dient minimaal zes maanden
                                        actief te zoeken naar andere woonruimte. </al></li><li nr="§"><al>De zorgconsulent zal proberen om waar mogelijk te bemiddelen
                                        bij de verhuurder/woningbouwvereniging om aan passende
                                        woonruimte te komen.</al></li><li nr="§"><al>Indien het in het vermogen van de ondersteuningsbehoevende
                                        ligt om een geschikte woning te kopen of zelf te huren dient
                                        getoetst te worden of de ondersteuningsbehoevende voldoende
                                        gedaan heeft om zelf in maatregelen te voorzien.</al></li></lijst><al>Indien het niet lukt om binnen de genoemde termijn een geschikte
                                woning te vinden zal alsnog een woningaanpassing worden toegekend.
                                Tijdens de wachttijd kan al wel de procedure voor de
                                woningaanpassing in gang worden gezet. Indien, afhankelijk van de
                                omstandigheden, een woningaanpassing toch sneller gerealiseerd moet
                                worden, kan de wachttijd worden bekort. Een toegekende
                                woningaanpassing kan altijd worden herzien indien een geschikte
                                woonruimte beschikbaar komt en nog niet daadwerkelijk met de
                                bouwactiviteiten is gestart. Reeds gemaakte kosten worden
                                vergoed.</al><al>Indien een woning niet aanpasbaar is, zal verhuizing altijd aan de
                                orde zijn.</al><al>Indien een ondersteuningsbehoevende verhuist <vet>van een adequate
                                    naar een inadequate woning </vet>kan hij niet voor een (nieuwe]
                                woningaanpassing in aanmerking komen. Een uitzondering hierop kan
                                gemaakt worden voor kleine aanpassingen in situaties waarin de
                                verhuizing op grond van leeftijd of sociale omstandigheden gewenst
                                of gebruikelijk is. Hierbij valt te denken aan ouderen die van een
                                aangepaste woning verhuizen naar bijv. een aanleunwoning of jongeren
                                die het ouderlijk huis verlaten om zelfstandig te gaan wonen.
                                Aanpassingen kunnen dan getroffen worden tot € 1000,00. Indien
                                jongeren een nieuwe levensfase starten is een duurdere
                                woningaanpassing wel mogelijk onder de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="-"><al>de verwachte nieuwe woonsituatie moet bestendig lijken;</al></li><li nr="-"><al>indien er sprake is van een huurwoning moet bekeken zijn of
                                        de ondersteuningsbehoevende wel de meest aangewezen persoon
                                        is om te verhuizen (te denken valt aan een verhuizing van de
                                        ouders). Voor deze optie kan alleen gekozen worden als alle
                                        betrokkenen daaraan mee willen werken. De ouders kunnen dan
                                        in aanmerking komen voor verhuis-en inrichtingskosten</al></li></lijst><al>In beide situaties komen ondersteuningsbehoevenden niet voor een
                                verhuiskostenvergoeding in aanmerking. </al><al>De financiële tegemoetkoming voor de woningaanpassing wordt pas
                                definitief vastgesteld en uitbetaald indien de aanpassing via een
                                daartoe opgesteld formulier is gereed gemeld en de originele
                                rekeningen zijn overgelegd. De aanpassing kan op een juiste
                                uitvoering worden gecontroleerd. De financiële tegemoetkoming wordt
                                uitbetaald aan de woningeigenaar of diegene die hij voor ontvangst
                                gemachtigd heeft.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>4.2 Verhuizing en inrichting</label></kop><structuurtekst><al>Naast de in 4.1 aangegeven algemene uitgangspunten en het feit dat
                                in de verordening het primaat van verhuizing is weggelegd, volgen
                                hieronder nog een aantal aandachtspunten indien tot de conclusie
                                wordt gekomen dat verhuizing de goedkoopst adequate oplossing is
                                voor het woonprobleem van de ondersteuningsbehoevende</al><lijst><li nr="1."><al>De verhuizing mag pas plaatsvinden nadat hiertoe door B en W
                                        toestemming is verleend (art. )</al></li><li nr="2."><al>De ondersteuningsbehoevende verhuist vanuit en naar een
                                        woonruimte die geschikt is om het hele jaar door bewoond te
                                        worden (art. 4.2 onder k VMO)</al></li><li nr="3."><al>De ondersteuningsbehoevende gaat niet voor het eerst
                                        zelfstandig wonen (art. 4.2 onder j VMO).</al></li><li nr="4."><al>De ondersteuningsbehoevende verhuist niet naar een
                                        AWBZ-inrichting (art. 4.2 onder l VMO)</al></li><li nr="5."><al>In de te verlaten woonruimte worden
                                            beperkingenondervonden, tenzij het
                                        een verhuizing naar een ADL-woning betreft</al></li><li nr="6."><al>De verhuizing zou ook zonder handicap op grond van leeftijd,
                                        gezinssituatie of woonsituatie, als algemeen gebruikelijk
                                        worden beschouwd (art. 4.2 onder b VMO). Hierbij valt te
                                        denken aan situaties dat iemand verhuist naar een
                                        aanleunwoning of een (service)flat en dat als een logische
                                        stap kan worden beschouwd in zijn levensfase.</al></li></lijst><al>Een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding kan gecombineerd worden
                                met andere woonvoorzieningen zoals een woningaanpassing of een
                                woonvoorziening van niet bouwkundige en woontechnische aard.</al><al>De uitbetaling vindt pas plaats als de ondersteuningsbehoevende een
                                schriftelijk bewijs kan overleggen dat hij/zij het nieuwe
                                huurcontract heeft getekend en/of is ingeschreven in het
                                bevolkingsregister op zijn/haar nieuwe adres.</al><al>De maximale financiële tegemoetkoming voor verhuis-en
                                inrichtingskosten is vastgelegd in het besluit maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente (Bergeijk, Bladel, Eersel, Oirschot en
                                Reusel-De Mierden).</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>4.3 Woningaanpassing</label></kop><structuurtekst><al>Woningaanpassingen zijn bouwkundige of woontechnische ingrepen die
                                gericht zijn op de compensatie van beperkingen die de
                                ondersteuningsbehoevende ondervindt bij het
                                    <cursief>normale</cursief> gebruik van de woonruimte (art. 4.1
                                VMO) of die een uitraasruimte betreffen. Het gaat,(in principe) om
                                onroerende, dus aard- en/of nagelvaste, voorzieningen. (een traplift
                                is wel een aanpassing van bouwkundige aard maar een roerende
                                voorziening. Op grond van jurisprudentie is bepaald dat een
                                traplift, na montage, een bestanddeel van de woning
                                wordt).Woningaanpassingen worden toegekend teneinde de
                                ondersteuningsbehoevende in staat te stellen om de woning op normale
                                wijze te gebruiken. Hieronder wordt verstaan dat
                                ondersteuningsbehoevenden de normale (elementaire) woonfuncties
                                moeten kunnen verrichten, zoals slapen, eten, lichaamsreiniging, het
                                doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden, horizontale en
                                verticale verplaatsingen binnen de woning, toegang tot de woning, de
                                verzorging van kinderen.</al><al>Bij iedere aanvraag moet gekeken worden naar de mogelijkheden die
                                binnen het gezin (en woonruimte) aanwezig zijn. Van huisgenoten mag
                                verwacht worden dat zij ook een aandeel leveren in het
                                huishouden.</al><al>De aanpassing mag geen betrekking hebben op een hoger niveau dan het
                                niveau van voorzieningen in de sociale woningbouw. Hiermee wordt
                                bedoeld dat in luxere woningen de aanpassingen niet groter en
                                duurder mogen zijn dan in de sociale woningbouw. Hierbij moet b.v.
                                gedacht worden aan een gevraagde aanpassing van de garage als deze
                                voor de ondersteuningsbehoevende niet direct noodzakelijk is. </al><al>Niet vergoed worden zaken die als algemeen gebruikelijk worden
                                beschouwd. Welke zaken daartoe behoren hangt af van de
                                maatschappelijke ontwikkelingen. Zaken die normaal in b.v.
                                bouwmarkten verkrijgbaar zijn, kunnen daartoe al snel worden
                                beschouwd. Als algemeen gebruikelijk wordt in ieder geval
                                beschouwd:</al><lijst><li nr="§"><al>Thermostatische en eenhendelmengkranen (m.u.v. lange
                                        hendel)</al></li><li nr="§"><al>Verhoogde toiletpotten (alleen +6)</al></li><li nr="§"><al>Eenvoudige wandgrepen en beugels </al></li><li nr="§"><al>Centrale verwarming en thermostatische radiotorkranen</al></li><li nr="§"><al>Douchekop op glijstang</al></li><li nr="§"><al>Keramische kookplaat/inductie kookplaat</al></li><li nr="§"><al>Meterkast met meerdere groepen</al></li><li nr="§"><al>Deugdelijke zonwering</al></li><li nr="§"><al>Wasdroger</al></li><li nr="§"><al>Normale babyfoon/intercom</al></li><li nr="§"><al>Airco’s</al></li></lijst><al>Het kan zijn dat de ondersteuningsbehoevende een “luxere” of andere
                                oplossing wenst voor de aanpassing dan de goedkoopst adequate. Dit
                                wordt toegestaan mits de ondersteuningsbehoevende deze meerkosten
                                voor eigen rekening neemt, de oplossing adequaat is en de
                                beperkingen voldoende compenseert.</al><al>De <vet>uitraasruimte</vet> is een verblijfsruimte waarin een
                                gehandicapte die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag
                                vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Bij het
                                realiseren van een uitraasruimte is het ontbreken van
                                    beperkingen geen afwijzingsgrond voor
                                toekenning.</al><al>Het aanbrengen van een <vet>traplift</vet> wordt eveneens tot een
                                woningaanpassing gerekend. Deze wordt aard- en nagelvast met de
                                woning verbonden. Een traplift wordt in eigendom verstrekt maar kan
                                ook in bruikleen worden gegeven. Hierbij dient te worden afgewogen
                                of de traplift zeer langdurige noodzakelijk zal zijn (langer dan 5
                                jaar). Bij vermoedelijk korter gebruik kan overwogen worden de
                                traplift in bruikleen te verstrekken zodat bij beëindiging van het
                                gebruik de traplift verwijderd kan worden en een aantal onderdelen
                                door de leverancier kan worden teruggekocht. Bij de toekenning van
                                een traplift in bruikleen kan worden bepaald dat deze, na afloop van
                                de periode waarbinnen de leverancier bereid is onderdelen terug te
                                kopen, aan de gehandicapte in eigendom wordt verstrekt.</al><al>De woningaanpassing kan ook een aanpassing <vet>buitenshuis
                                </vet>betreffen als dit noodzakelijk is om de woning te kunnen
                                betreden. Een aanpassing buitenshuis kan ook noodzakelijk zijn als
                                gevolg van een Wmo-voorziening zoals een rolstoel of een
                                scootermobiel. Te denken valt aan aanpassing van een berging,
                                aanbrengen elektriciteit, verlagen stoep etc.</al><al>Een woningaanpassing kan ook bestaan uit het plaatsen van een losse
                                woonunit. Voor deze optie wordt alleen gekozen als het een
                                particuliere woning betreft en het plaatsen van een losse woonunit
                                een goedkopere oplossing is dan het realiseren van een aanbouw. Een
                                losse woonunit wordt niet in eigendom verstrekt maar wordt in
                                bruikleen gegeven. Kosten van plaatsing en verwijdering zijn voor de
                                gemeente.</al><al>Bij een bouwkundige aanpassing komen voor een financiële
                                tegemoetkoming in aanmerking:</al><lijst><li nr="1."><al>De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten)
                                        voor het treffen van de voorziening. </al></li><li nr="2."><al>De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten;</al></li><li nr="3."><al>Het architectenhonorarium, inclusief btw, tot ten hoogste
                                        10% van de aanneemsom. Alleen in die gevallen dat het
                                        noodzakelijk is dat een architect moet worden ingeschakeld
                                        worden deze kosten subsidiabel geacht;</al></li><li nr="4."><al>De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien
                                        noodzakelijk, tot een maximum van 2% van de aanneemsom
                                        (inclusief btw);</al></li><li nr="5."><al>De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen
                                        van de voorziening;</al></li><li nr="6."><al>De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare
                                        omzetbelasting;</al></li><li nr="7."><al>Renteverlies in verband met het verrichten van noodzakelijke
                                        betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald,
                                        voorzover dit verband houdt met de bouw dan wel het treffen
                                        van de voorziening;</al></li><li nr="8."><al>De prijs van bouwrijpe grond indien noodzakelijk, als niet
                                        binnen het oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden.</al></li><li nr="9."><al>De door het college (schriftelijk) goedgekeurde
                                        kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten
                                        redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn;</al></li><li nr="10."><al>De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en
                                        door het college noodzakelijk geachte adviezen met
                                        betrekking tot het verrichten van de aanpassing;</al></li><li nr="11."><al>De kosten van heraansluiting op openbare
                                        nutsvoorziening;</al></li><li nr="12."><al>De administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van
                                        het treffen van een voorziening voor de gehandicapte,
                                        voorzover de kosten onder 1 t/m 11 meer dan € 1000,00
                                        bedragen, 10% van die kosten met een maximum van € 350,00
                                        (inclusief btw). </al></li></lijst><al>De procedure met betrekking tot een aanvraag woningaanpassing </al><lijst><li nr="1."><al>Na aanvraag wordt de indicatie gesteld en een programma van
                                        eisen opgesteld;</al></li><li nr="2."><al>Zowel voor de indicatie als voor het opstellen van een
                                        programma van eisen kan de gemeente een beroep doen op
                                        derden zoals een medisch, ergonomisch of bouwkundig
                                        adviseur;</al></li><li nr="3."><al>Door de gemeente worden de kosten voor de aanpassing
                                        voorlopig vastgesteld;</al></li><li nr="4."><al>Indien de kosten duidelijk zijn wordt meteen toestemming
                                        gegeven om tot uitvoering over te gaan;</al></li><li nr="5."><al>Indien het een grote woningaanpassing betreft of een
                                        woningaanpassing waarvan de kosten niet precies vooraf te
                                        bepalen zijn, dient de eigenaar <vet>twee </vet>offertes in
                                        te dienen;</al></li><li nr="6."><al>De offertes worden ter beoordeling aan de bouwkundig
                                        adviseur voorgelegd;</al></li><li nr="7."><al>De gemeente geeft de eigenaar toestemming tot realisatie
                                        over te gaan conform het programma van eisen;</al></li><li nr="8."><al>Indien de eigenaar-bewoner betalingen moet verrichten
                                        voordat de aanpassing gereed is kan een voorschot worden
                                        verstrekt;</al></li><li nr="9."><al>De woningeigenaar moet de aanpassing zo spoedig mogelijk,
                                        doch uiterlijk zes maanden, na de realisatie gereed melden,
                                        controle op de uitvoering van de voorziening moet mogelijk
                                        zijn;</al></li><li nr="10."><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt definitief
                                        vastgesteld;</al></li><li nr="11."><al>Uitbetaling vindt plaats aan de woning eigenaar;</al></li><li nr="12."><al>De kosten voor de woningaanpassing worden bij het CAK gemeld
                                        zodat het CAK de eigen betaling kan bepalen. </al></li><li nr="13."><al>De te treffen voorziening moet toereikend verzekerd zijn.
                                        Het betreft de opstalverzekering die aangepast moet worden
                                        aan de aangebrachte voorzieningen.</al></li></lijst><al>Indien een ondersteuningsbehoevende zijn aanvraag voor een
                                woningaanpassing indient nadat hij met de aanpassing is begonnen of
                                deze reeds voltooid heeft kan een aanpassing, slechts bij hoge
                                uitzondering, achteraf worden toegekend. De aanvraag moet dan wel
                                binnen 2 maanden nadat de aanpassing is uitgevoerd worden ingediend.
                                Er moet sprake zijn van niet verwijtbaar gedrag van de
                                ondersteuningsbehoevende. Omstandigheden die daarbij afgewogen
                                moeten worden zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de ondersteuningsbehoevende was, aantoonbaar, niet op de
                                        hoogte van de mogelijkheden en heeft zeer aanzienlijke
                                        kosten moeten maken (b.v. een lening moeten afsluiten)
                                        waarbij het duidelijk is dat een tijdige aanvraag altijd
                                        gehonoreerd zou worden;</al></li><li nr="-"><al>er was sprake van zeer dringende omstandigheden waaronder
                                        het de ondersteuningsbehoevende niet verwijtbaar was dat de
                                        aanvraag niet tijdig is ingediend;</al></li><li nr="-"><al>achteraf moet altijd nog vast te stellen zijn wat de
                                        goedkoopst adequate oplossing zou zijn geweest.</al></li></lijst><tussenkop> 4.3.1 Grote woningaanpassingen</tussenkop><al>Indien bij de aanvraag wordt ingeschat dat de woningaanpassing
                                    meer bedraagt dan € 20.000,00 wordt zorgvuldig afgewogen of een
                                    indicatie-advies wordt gevraagd. In ieder geval wanneer er geen
                                    duidelijke medische situatie is, bij twijfel, of bij aanvragen
                                    waar getwijfeld wordt of een woningaanpassing wel de juiste
                                    oplossing is voor betrokkene, wordt een indicatie- advies
                                    gevraagd.</al><al>Indien de aanpassing betrekking heeft op een vergroting van de
                                    woning welke leidt tot een waardevermeerdering, dient dat deel
                                    van de voorziening door de ondersteuningsbehoevende of eigenaar
                                    zelf te worden bekostigd. Het deel van de voorziening en de
                                    daarop betrekking hebbende kosten die een gevolg zijn van de
                                    beperking zijn voor rekening van de gemeente. Zie verder onder
                                    4.12.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>4.4 Het bezoekbaar maken van een woning.</label></kop><structuurtekst><al>Indien de ondersteuningsbehoevende zijn hoofdverblijf heeft in een
                                AWBZ-inrichting en regelmatig een bepaalde woning bezoekt kan
                                eenmalig een financiële tegemoetkoming worden verstrekt ten behoeve
                                van het <vet>bezoekbaar maken van één woonruimte </vet> (art. 4.4
                                lid 1 VMO). Onder bezoekbaar wordt verstaan dat het bereiken van de
                                woonruimte, de woonkamer en één toilet mogelijk is (art. 4.4 lid 4
                                VMO). Aanvullende voorwaarden zijn:</al><lijst><li nr="a)"><al>De gemeente waar de ondersteuningsbehoevende zijn/haar
                                        hoofdverblijf heeft, heeft verklaard dat haar niet bekend is
                                        dat ten behoeve van de ondersteuningsbehoevende reeds eerder
                                        een woning bezoekbaar is gemaakt;</al></li><li nr="b)"><al>Er is toestemming van de eigenaar.</al></li></lijst><al>Het bezoekbaar maken kan ook bestaan uit het verstrekken van een
                                eenmalige financiële tegemoetkoming voor de aanschaf van (een)
                                roerende woonvoorziening(en) (b.v. een toiletstoel of tillift). De
                                onderhoudskosten voor een dergelijke voorziening komen ten laste van
                                de gebruiker.</al><al>De maximale financiële tegemoetkoming is vastgelegd in het besluit
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente (Bergeijk, Bladel, Eersel,
                                Oirschot, Reusel-De Mierden).</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>4.5 Verhuizing vanuit een andere gemeente</label></kop><structuurtekst><al>Een ondersteuningsbehoevende die zijn <vet>hoofdverblijf</vet> heeft
                                in een <vet>andere gemeente</vet> kan een woningaanpassing vragen
                                voor een nog te betrekken woning in de gemeente (Bergeijk, Bladel,
                                Eersel, Oirschot, Reusel-De Mierden). Bij een dergelijke
                                woningaanpassing zal eveneens beoordeeld moeten worden of de
                                verhuizing, vanuit de andere gemeente, noodzakelijk is.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>4.6 Stopzetting woningaanpassing</label></kop><structuurtekst><al>Indien na toekenning van een woningaanpassing doch vóór de
                                gereedmelding van de woningaanpassing de relatie tussen de
                                ondersteuningsbehoevende en de woning niet meer aanwezig is
                                (verhuizing, overlijden e.d.), wordt de toegekende bijdrage herzien.
                                De mate van herziening is afhankelijk van het stadium waarin de
                                woningaanpassing verkeert en de reeds aangegane en niet meer te
                                annuleren verplichtingen. Eventuele reeds aangegane verplichtingen
                                of betalingen b.v. leges, architectenhonorarium worden vergoed.</al><al><vet>Voorwaarden voor uitbetaling</vet>:</al><lijst><li nr="1."><al>Indien er controle van de aanpassing plaatsvindt wordt de
                                        door burgemeester en wethouders aangewezen personen toegang
                                        verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt
                                        verricht, zij krijgen inzicht in bescheiden en tekeningen en
                                        krijgen de gelegenheid tot controle van de
                                        woningaanpassing;</al></li><li nr="2."><al>Na de voltooiing van de werkzaamheden (uiterlijk binnen 15
                                        maanden na het verlenen van de toestemming voor het
                                        aanpassen van de woning), verklaart degene aan wie de
                                        financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald aan B&amp;W dat
                                        de werkzaamheden zijn voltooid en dat is voldaan aan de
                                        voorwaarden waaronder de financiële tegemoetkoming is
                                        verleend;</al></li><li nr="3."><al>Degene aan wie de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald
                                        dient gedurende een periode van vijf jaren alle rekeningen
                                        en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden
                                        voor controle beschikbaar te houden.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>4.7 Woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische
                                aard</label></kop><structuurtekst><al>Een woonvoorziening van niet-bouwkundige of woontechnische aard is
                                een woonvoorziening die niet aard en/of nagelvast is, het is een
                                zogenaamde roerende voorziening. </al><al>Roerende woonvoorzieningen kunnen onderverdeeld worden in drie
                                categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Financiële tegemoetkoming voor woningsanering (niet de
                                        woningsanering i.v.m. inzet hulp bij het huishouden)</al></li><li nr="2."><al>Losse woonvoorzieningen zoals douchestoelen, patiëntenliften
                                        (te verstrekken als financiële tegemoetkoming of als
                                        voorziening in natura);</al></li><li nr="3."><al>Vervangen gewone vloerbedekking door rolstoelvast tapijt in
                                        de woonkamer.</al></li></lijst><al>Ad 1:</al><al>Een ondersteuningsbehoevende kan in aanmerking komen voor een
                                financiële tegemoetkoming voor <vet>woningsanering</vet> die als
                                gevolg van allergie, astma of COPD noodzakelijk is.</al><al>De noodzaak voor het verstrekken van een vergoeding, wordt mede in
                                relatie tot het levenspatroon en de leefregels, de gehele
                                woninginrichting en ventilatiemogelijkheden en-gedrag bepaald.
                                Verwacht wordt dat de ondersteuningsbehoevende (of diens verzorger)
                                zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het
                                programma van eisen voor de woninginrichting zal houden. Ook mag
                                verwacht worden dat betrokkene zelf maatregelen treft ter voorkoming
                                van klachten. Voor sanering komen zowel de woonkamer als de
                                slaapkamer in aanmerking.</al><al>In de regel kan een vergoeding worden verstrekt indien:</al><lijst><li nr="§"><al>De ondersteuningsbehoevende niet tevoren had kunnen weten
                                        dat allergie, astma of COPD zou ontstaan of verergeren;</al></li><li nr="§"><al>Vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte
                                        termijn noodzakelijk is</al></li></lijst><al>Geen vergoeding wordt verstrekt indien:</al><lijst><li nr="§"><al>Het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de
                                        situatie van de patiënt leidt;</al></li><li nr="§"><al>De ondersteuningsbehoevende bij aanschaf van het artikel
                                        redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op
                                        bepaalde stoffen reageert;</al></li><li nr="§"><al>De te vervangen artikelen ouder zijn dan 10 jaar. Er is dan
                                        sprake van een normale vervanging. Indien de artikelen
                                        jonger zijn dan 10 jaar is de vergoeding afhankelijk van de
                                        afschrijvingsperiode en wel als volgt:</al></li></lijst><al>100% als het artikel nog geen jaar oud is;</al><al>90% als het artikel tussen een en twee jaar oud is;</al><al>80% als het artikel tussen twee en drie jaar oud is;</al><al>70% als het artikel tussen drie en vier jaar oud is;</al><al>60% als het artikel tussen vier en vijf jaar oud is;</al><al>50% als het artikel tussen vijf en zes jaar oud is;</al><al>40% als het artikel tussen zes en zeven jaar oud is;</al><al>30% als het artikel tussen zeven en acht jaar oud is;</al><al>20% als het artikel tussen acht en negen jaar oud is;</al><al>10% als het artikel tussen negen en tien jaar oud is.</al><al>In aanmerking voor vergoeding komen:</al><lijst><li nr="§"><al>Vloerbedekking</al></li><li nr="§"><al>Overgordijnen en vitrage</al></li></lijst><al>Vergoedingen worden verstrekt conform de bijstandsnormeringen. </al><al>Ad 2:</al><al>Losse woonvoorzieningen kunnen in natura of als pgb worden
                                verstrekt. Bij een verstrekking in natura kan gekozen worden voor
                                een verstrekking in eigendom (i.p.v. bruikleen) als te verwachten is
                                dat de kosten van bruikleen hoger zijn dan de verstrekking in
                                eigendom. </al><al>Ad 3:</al><al>Vervanging van gewone vloerbedekking door rolstoelvasttapijt vindt
                                in de regel alleen plaats in de woonkamer. Indien de te vervangen
                                vloerbedekking ouder is dan 10 jaar is er sprake van normale
                                vervanging en wordt geen vergoeding toegekend.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>4.8 Onderhoud, keuring en reparatie</label></kop><structuurtekst><al>Het gaat hier om onderhoud, controle en reparatie van
                                woonvoorzieningen die verstrekt zijn op grond van de WMO, Wvg, het
                                BGSHG of de RGSHG. Vooral kostbare woonvoorzieningen (m.n.
                                mechanische en elektrische voorzieningen) komen in aanmerking
                                vanwege de verlengde levensduur en de grotere veiligheid.</al><al>Voorwaarden om in aanmerking te komen voor de voorziening:</al><al>De woonvoorziening is in het kader van de WMO, Wvg, het BGSHG of de
                                RGSHG verleend (art. 4.10 VMO).</al><al>De woonvoorzieningen die in aanmerking komen voor onderhoud en
                                keuring zijn opgenomen in het besluit maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente (Bergeijk, Bladel, Eersel, Oirschot, Reusel-De
                                Mierden)</al><al>De ondersteuningsbehoevende bewoont ten tijde van het onderhoud, de
                                keuring of de reparatie de woonruimte als hoofdverblijf.</al><al>De reparatie is nodig als gevolg van omstandigheden die niet aan de
                                aanvrager zijn toe te rekenen.</al><al>De eigenaar van de woonruimte ontvangt de financiële tegemoetkoming.
                                Voor de hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt aangesloten
                                bij de jaarlijks door de VNG geadviseerde bedragen. Reparaties aan
                                verstrekte woonvoorzieningen worden volledig vergoed, tenzij de
                                reparatie het gevolg is van opzet, grove schuld of ernstige
                                nalatigheid.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>4.9 Kosten i.v.m. tijdelijke huisvesting</label></kop><structuurtekst><al>Als de ondersteuningsbehoevende tijdens het aanpassen van zijn
                                huidige woonruimte niet in de woonruimte kan verblijven, dan kan
                                hij/zij een tegemoetkoming in de dubbele woonlasten krijgen als
                                hij/zij tijdelijk naar een andere woonruimte moet uitwijken (art 4.8
                                lid 1 onder a VMO). Daarnaast kan het noodzakelijk zijn de te
                                verlaten woonruimte langer aan te houden in verband met de
                                aanpassing van de door de ondersteuningsbehoevende nog te betrekken
                                woonruimte (art. 4.8 lid 1 onder a VMO).</al><al>De kosten worden gemaakt in verband met:</al><lijst><li nr="a."><al>het tijdelijk betrekken van een zelfstandige
                                        woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>het tijdelijk betrekken van een niet zelfstandige
                                        woonruimte</al></li><li nr="c."><al>het langer moeten aanhouden van de te verlaten
                                        woonruimte.</al></li></lijst><al>Wanneer een woningaanpassing wordt toegekend voor een woning in onze
                                gemeente en de ondersteuningsbehoevende vanuit een andere gemeente
                                komt, worden eventuele dubbele woonlasten in verband met de
                                aanpassing, conform onze regeling, vergoed.</al><al>Financiële tegemoetkoming: </al><al>De hoofdbewoner van de woonruimte krijgt de financiële
                                tegemoetkoming. Deze bestaat uit een tegemoetkoming voor de kosten
                                van de tijdelijke woonruimte of de kosten voor de nieuwe woonruimte
                                die vanwege de aanpassing nog niet te betrekken is. Kosten kunnen
                                bestaan uit huurkosten, hypotheekrente, extra kosten
                                nutsvoorzieningen e.d. De kosten kunnen maximaal het bedrag per
                                maand genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op de
                                huurtoeslag bedragen.</al><al>De maximale termijn is zes maanden (art. 4.8 lid 1 VMO)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>4.10 Huurderving</label></kop><structuurtekst><al>Bij het verbreken van de band tussen een aangepaste woning en de
                                ondersteuningsbehoevende(verhuizing/overlijden) kan deze woning voor
                                hergebruik beschikbaar komen. Een tegemoetkoming in de kosten van
                                huurderving kan worden verstrekt aan de eigenaar van een aangepaste
                                woning in afwachting van een kandidaat (art. 4.9 VMO) Het is
                                mogelijk dat de woning niet onmiddellijk opnieuw door een
                                ondersteuningsbehoevende in gebruik kan worden genomen, hetzij omdat
                                hiervoor (nog) geen gegadigde is, hetzij omdat de woning nog
                                enigermate aangepast dient te worden aan de belemmeringen van de
                                nieuwe bewoner (art. 2.1, onder 1 sub f VVG).</al><al>Van een aangepaste woonruimte die voor een gehandicapte behouden
                                moet blijven kan sprake zijn als er aanzienlijke aanpassingen zijn
                                aangebracht (zoals b.v. aangepast sanitair, traplift) maar ook als
                                de woning, gelet op zijn aard, bijzonder geschikt is voor
                                gehandicapten b.v. vanwege rolstoeldoorgankelijkheid.</al><al>Financiële tegemoetkoming </al><al>De eigenaar van de woonruimte krijgt de financiële
                                tegemoetkoming.</al><al>De tegemoetkoming is gelijk aan de kale huur van de woonruimte met
                                een maximum van het in art. 4.9 lid 2 VMO genoemde bedrag.</al><al>De tegemoetkoming wordt maximaal 6 maanden verstrekt.</al><al>De eerste maand komt niet in aanmerking voor een tegemoetkoming
                            </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>4.11 Aanpassingen van woonwagens en woonschepen</label></kop><structuurtekst><al>De uitgangspunten en de gevallen waarin een voorziening aan een
                                woonwagen of een woonschip kan worden aangebracht zijn in principe
                                gelijk aan die van woningen. Gezien de kenmerken van deze
                                woonruimten worden er nadere voorwaarden gesteld (art. 4.5 en 4.6
                                VMO). Indien de technische levensduur van de woonwagen of woonschip
                                minder is dan vijf jaar, dan wel de standplaats van de woonwagen
                                binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt, wordt slechts een
                                gemaximeerde vergoeding verstrekt.</al><al><onderstreept>Financiële tegemoetkoming</onderstreept></al><al>De tegemoetkoming wordt verstrekt aan de eigenaar van de woonwagen
                                of het woonschip</al><al><vet>Waardevermeerdering bij een grote woningaanpassing</vet></al><al>Indien de aanpassing betrekking heeft op een vergroting van de
                                woning welke leidt tot een waardevermeerdering, dient dat deel van
                                de voorziening door de ondersteuningsbehoevende of eigenaar zelf te
                                worden bekostigd. Het deel van de voorziening en de daarop
                                betrekking hebbende kosten die een gevolg zijn van de beperking zijn
                                voor rekening van de gemeente. (art. 4.13 Verordening) </al><al>De waardevermeerdering is de vermeerdering van de waarde van de
                                woning in het vrije</al><al>economische verkeer die het gevolg is van de woningaanpassing. Door
                                een onafhankelijk erkend taxateur moet worden beoordeeld welk deel
                                van de noodzakelijke aanpassingskosten leidt tot
                                waardevermeerdering. De ondersteuningsbehoevende of eigenaar wijst
                                de taxateur aan; de gemeente is de opdrachtgever van de taxatie. De
                                taxatie vindt plaats vóór de start van de woningaanpassing.</al><al>De kosten van deze taxatie zijn voor rekening van de gemeente.</al><al>De ondersteuningsbehoevende of eigenaar dient de meerwaarde zelf te
                                bekostigen, bijvoorbeeld uit eigen middelen of (aflossingsvrije)
                                hypotheek.</al><al>Indien de ondersteuningsbehoevende of eigenaar aantoont dat hij/zij
                                niet in staat is om dit deel zelf te bekostigen, kan de gemeente een
                                hypotheek verstrekken. Uit tenminste twee gemotiveerde afwijzingen
                                van hypotheekverstrekkers dient te blijken dat op grond van inkomen
                                en vermogen geen (aflossingsvrije) hypotheek verstrekt kan
                                worden.</al><al>Wanneer de ondersteuningsbehoevende of eigenaar de
                                waardevermeerdering aantoonbaar niet kan financieren, verstrekt de
                                gemeente een financiële tegemoetkoming in dit deel van de
                                acceptabele aanpassingskosten in de vorm van een aflossingsvrije en
                                renteloze hypothecaire geldlening. </al><al>Als zekerheid voor deze lening dient hypotheek te worden gevestigd.
                                De kosten van de hypotheekakte komen voor rekening van de gemeente.
                                De ondersteuningsbehoevende of eigenaar kiest de notaris waarbij de
                                hypotheek gevestigd dient te worden.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 5 – Vervoersvoorzieningen </label></kop><paragraaf><kop><label>5.1 Algemeen</label></kop><structuurtekst><al>Een ondersteuningsbehoevende kan in aanmerking komen voor een
                                vervoersvoorziening, in de vorm van een natura-verstrekking, een
                                persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming, ter
                                compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen per
                                vervoermiddel. Van een beperking is geen sprake bij een incidenteel
                                verplaatsingsprobleem. De ondersteuningsbehoevende moet in staat
                                worden gesteld zijn wezenlijke sociale contacten te onderhouden,
                                boodschappen te kunnen doen en deel te kunnen nemen aan sociale en
                                culturele activiteiten. In de verordening wordt gesproken over
                                verplaatsingen in het kader van het ‘leven van alledag’ in de
                                directe woon- en leefomgeving (art. 5.5 VMO)</al><al>Aspecten die bij de beoordeling van de aanvraag voor een eventuele
                                selectie van een verplaatsingsmiddel een rol spelen zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de ondervonden beperkingen;</al></li><li nr="-"><al>het verplaatsingsmotief van de
                                        ondersteuningsbehoevende;</al></li><li nr="-"><al>de verplaatsingsbestemming;</al></li><li nr="-"><al>de frequentie van verplaatsen;</al></li><li nr="-"><al>de wijze van verplaatsen.</al></li></lijst><al>Bij bovengenoemde afwegingen speelt ook de leeftijd van de
                                ondersteuningsbehoevende een rol. Kinderen en jong volwassenen
                                hebben een ander verplaatsingsgedrag en –behoefte dan ouderen. Bij
                                de keuze van de voorzieningen dient hier ook rekening mee gehouden
                                te worden. </al><al>Naast het vervoer in de directe woon- en leefomgeving kan er sprake
                                zijn van weekend-vervoer voor bewoners van een AWBZ erkende
                                instelling. De verplichting van de gemeente om in het kader van de
                                Wmo een compensatie te bieden is niet anders dan de zorgplicht die
                                de gemeente had onder de Wvg. </al><al>Een vervoersvoorziening in natura of pgb wordt niet verstrekt indien
                                de ondersteuningsbehoevende zich kan verplaatsen met een algemeen
                                gebruikelijk middel<vet>. </vet>Als algemeen gebruikelijk wordt in
                                ieder geval beschouwd:</al><lijst><li nr="-"><al>spartamet;</al></li><li nr="-"><al>elektrisch aangedreven fiets;</al></li><li nr="-"><al>fiets met trapondersteuning;</al></li><li nr="-"><al>automatische transmissie in een auto;</al></li><li nr="-"><al>bromfiets- scooter;</al></li><li nr="-"><al>ligfiets </al></li><li nr="-"><al>een auto indien het inkomen van de ondersteuningsbehoevende
                                        meer bedraagt dan 1,5 keer het norminkomen</al></li></lijst><al>Of een middel ook algemeen gebruikelijk is voor de
                                ondersteuningsbehoevende kan op twee gronden worden beoordeeld: het
                                inkomen en de leeftijd. Een fiets met trapondersteuning is
                                bijvoorbeeld niet algemeen gebruikelijk voor een jong volwassene en
                                ook niet voor iemand die al jarenlang op of net boven (110%)
                                bijstandsniveau leeft. Een ligfiets is b.v. niet algemeen
                                gebruikelijk voor oudere mensen.</al><al>Een ondersteuningsbehoevende kan voor een vervoersvoorziening in
                                aanmerking worden gebracht, wanneer aantoonbare beperkingen het
                                gebruik van het openbaar vervoer onmogelijk maken (art. 5.2 onder a
                                VMO).</al><al>Aspecten die hierbij een rol spelen zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de mogelijkheid van de ondersteuningsbehoevende om binnen
                                        redelijke tijd een afstand van circa 800 meter af te
                                        leggen;</al></li><li nr="-"><al> belemmeringen bij het vervoer zelf, zoals het in- en
                                        uitstappen, het zitten, het zich staande kunnen houden bij
                                        het wegrijden of afremmen. </al></li></lijst><al>Indien niet binnen een straal van 800 meter van de woning van de
                                ondersteuningsbehoevende een bushalte is, is dat geen reden om
                                c.v.v. toe te kennen. De plaats waar iemand woont is immers een
                                eigen keuze.</al><al>Kan een ondersteuningsbehoevende geen gebruik maken van het openbaar
                                vervoer, dan kan hij/zij in aanmerking komen voor
                                vervoersvoorzieningen. Uitzonderingen zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>woon-werkverkeer (woon-werkverkeer wordt geregeld door het
                                        UWV, ook als het gaat om de combinatie van woon-werkverkeer
                                        en leefvervoervoorziening);</al></li><li nr="b."><al>ziekenvervoer (van en naar medische behandelaars). </al></li><li nr="c."><al>leerlingenvervoer.</al></li><li nr="d."><al>Verblijf in een AWBZ instelling. </al></li></lijst><al><cursief>Collectief vraagafhankelijk vervoer</cursief></al><al>Op grond van de verordening wordt uitgegaan van het primaat van
                                collectief vervoer (art. 5.2 VMO). Het collectief vraagafhankelijk
                                vervoer is een natura verstrekking waarvoor geen pgb, als
                                alternatief, mogelijk is. Als deelname aan het c.v.v. niet mogelijk,
                                dan wel onvoldoende is kunnen andere vervoersvoorzieningen worden
                                afgewogen.</al><al><cursief>Verplaatsing in de directe woonomgeving</cursief></al><al>Indien de ondersteuningsbehoevende zich ook niet in zijn directe
                                woonomgeving kan verplaatsen ( art. 5.4 VMO), gelet op zijn beperkte
                                loopafstand (ongeveer 500 meter), en geen mogelijkheid heeft zich
                                met een algemeen gebruikelijk middel te verplaatsen( b.v. met een
                                auto, een fiets, een elektrische fiets, spartamet of andere
                                loopmiddelen) kan ook een vervoersvoorziening voor de directe
                                woonomgeving worden toegekend. Bij de verplaatsing in de directe
                                woonomgeving moet ook beoordeeld worden of de
                                ondersteuningsbehoevende binnen zijn woonkern sociale contacten
                                onderhoudt of voorzieningen/winkels bezoekt die net buiten zijn
                                loopafstand liggen en waarvoor het cvv geen afdoende oplossing
                                biedt. Het collectief vervoersysteem is immers minder geschikt voor
                                de hele korte afstanden. Het kan onder meer gaan om een gesloten
                                buitenwagen, open elektrische buitenwagen (elektrische
                                (buiten)rolstoel en scootermobiel) of een ander verplaatsingsmiddel
                                (b.v. een driewielfiets). Vervoersgerechtigden voor de deeltaxi met
                                een loopafstand tot 500 meter én zonder een van de laatstgenoemde
                                voorzieningen, krijgen een financiële tegemoetkoming van € 125,00
                                per jaar. Als het recht op deze vervoersvoorziening gedurende het
                                jaar ontstaat, wordt een evenredig deel betaald. Houdt het recht
                                gedurende het jaar op, dan wordt niet teruggevorderd.</al><al>Het doel van de vervoersvoorziening is het leveren van een bijdrage
                                in de vervoersbehoefte van de ondersteuningsbehoevende. Niet in alle
                                vervoersbehoeften of vervoerskosten hoeft te worden voorzien. De
                                gemeente compenseert verplaatsingen in de directe woon- en
                                leefomgeving in het kader van het leven van alledag. Wat het leven
                                van alledag is, is van persoon tot persoon verschillend. Er moet dus
                                sprake zijn van regelmatige verplaatsingen, niet van incidentele
                                bezoeken. Daarbij kan er van worden uitgegaan dat voor bewoners van
                                een AWBZ-instelling in een aanzienlijk gedeelte van hun bestemmingen
                                in het kader van het leven van alledag is voorzien. Bij het
                                onderzoek dient dit bekeken te worden. In het kader van het
                                collectief vervoersysteem is de woon- en leefomgeving afgebakend
                                door een aantal openbaar vervoerszones.</al><al>Kosten voor bovenregionaal vervoer worden slechts vergoed indien de
                                ondersteuningsbehoevende geen gebruik kan maken van het hiervoor
                                bestemde landelijk systeem (Valys) en het vervoer noodzakelijk is
                                omdat het gaat om bezoek aan een wezenlijk contact buiten de directe
                                woon-en leefomgeving van de ondersteuningsbehoevende dat alleen
                                onderhouden kan worden door persoonlijk bezoek van de
                                ondersteuningsbehoevende en wanneer het wegvallen van dat contact
                                zou leiden tot vereenzaming. De hoogte van de tegemoetkoming
                                bedraagt het aantal kilometers maal het bedrag dat de
                                ziektekostenverzekeraar hanteert voor ziekenvervoer, eigen auto,
                                niet medisch noodzakelijk (voor 2008: € 0,25 per kilometer). Het
                                betreft de gemiddelde variabele autokosten.</al><al>De vervoersvoorzieningen op grond van de Verordening kan bestaan
                                uit:</al><lijst><li nr="1."><al>een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar
                                        vervoer;</al></li><li nr="2."><al>een voorziening in natura;</al></li><li nr="3."><al>een persoonsgebonden budget;</al></li></lijst><al>financiële tegemoetkoming</al><al>Het is mogelijk een combinatie van voorzieningen te verstrekken,
                                tenzij anders vermeld (art. 5.1 VMO)</al><tussenkop> 5.1.1 Vervoer voor bewoners in een AWBZ instelling</tussenkop><al>Voor ondersteuningsbehoevenden die verblijven in een
                                    AWBZ-instelling geldt (Regeling sociaal vervoer
                                    AWBZ-instellingen) dat buiten de werkingssfeer van de WMO
                                    blijven de vervoerssoorten die vanuit de AWBZ dan wel het
                                    Besluit Zorgverzekering vergoed worden:</al><al>Vervoer dat past in de behandeling/therapie;</al><al>Vervoer naar dagbehandeling in verpleeghuizen en dagopvang in
                                    verzorgingshuizen, onder meer in het kader van
                                    substitutieprojecten;</al><al>Vervoer van door de instelling georganiseerde recreatieve
                                    activiteiten;</al><al>Vervoer dat noodzakelijk is voor de opname in de instelling en
                                    bij ontslag uit de instelling;</al><al>Vervoer vanuit de instelling naar een ziekenhuis of
                                    therapeut.</al><al>De gemeente blijft wel verantwoordelijk voor
                                    vervoersvoorzieningen ten behoeve van deelneming aan het
                                    maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige
                                    gehandicapten.</al><al>Bewoners van AWBZ-instellingen kunnen in aanmerking komen voor
                                    deelname aan het c.v.v.</al><al>Een apart probleem voor de inwoners van AWBZ instellingen is het
                                    zgn. <cursief>weekendvervoer</cursief>. Indien een gehandicapte
                                    voor het onderhouden van wezenlijke contacten aangewezen is op
                                    vervoer naar een locatie buiten de regio kan het zijn dat er een
                                    tegemoetkoming in de kosten moet worden verstrekt. Dit geldt
                                    alleen als er voor bovenregionaal vervoer geen gebruik kan
                                    worden gemaakt van Valys.</al><al>Indien de gehandicapte is aangewezen op een vergoeding van de
                                    gemeente voor het onderhouden van zijn contacten buiten de regio
                                    moet het volgende worden overwogen:</al><lijst><li nr="-"><al>In welke mate moet de gehandicapte in de gelegenheid
                                            worden gesteld om contacten buiten de regio te bezoeken,
                                            ervan uitgaande dat diegene met wie contact wordt
                                            onderhouden ook de gehandicapte in de instelling
                                            opzoekt. De helft van het aantal noodzakelijke bezoeken
                                            komt dan voor rekening van de gemeente. </al></li><li nr="-"><al>In hoeverre is de gehandicapte in staat om alleen te
                                            reizen of is begeleiding bij het vervoer nodig. Als
                                            begeleiding nodig is dan moet beoordeeld worden of van
                                            de begeleider verwacht kan worden dat hij met het
                                            openbaar vervoer naar de instelling komt om met de
                                            gehandicapte mee te reizen. Zo ja, dan kan 2 x de enkele
                                            reisafstand worden vergoed, zo nee dan moet de enkele
                                            reisafstand 4 x worden vergoed. </al></li><li nr="-"><al>Reiskosten worden op basis van het aantal kilometers
                                            vergoed conform de vergoedingen voor medisch
                                            ziekenvervoer in het besluit Zorgverzekering (2006: €
                                            0,24 per km)</al></li></lijst><al>Om tot een goede indicatie te komen dient een deskundige (CIZ,
                                    behandelend arts, psycholoog, psychiater), vast te stellen of er
                                    sprake is van wezenlijke noodzakelijke contacten buiten de
                                    instelling, die alleen door persoonlijk bezoek kunnen worden
                                    onderhouden en zonder welke vereenzaming of sociaal isolement
                                    optreedt. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.2 Vormen van vervoersvoorzieningen</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 5.2.1 Een algemene vervoersvoorziening</tussenkop><al>Een algemene vervoersvoorziening is een voorziening waarvan de
                                    ondersteuningsbehoevende op een simpele wijze gebruik kan maken.
                                    De gemeente kent, behalve het c.v.v., op dit moment nog geen
                                    algemene vervoersvoorziening. Het inrichten van een
                                    scootmobielpool in woonzorg zones en bij verzorgingshuizen wordt
                                    overwogen. Een algemene vervoersvoorziening is b.v. ook
                                    vervoersdienst met vrijwilligers.</al><tussenkop> 5.2.2 Het collectief vraagafhankelijk vervoersysteem </tussenkop><al>De gemeente kent het primaat van collectief vervoer.Eerst
                                    zal gekeken moeten worden of de ondersteuningsbehoevende gebruik
                                    kan maken van collectief aanvullend al dan niet openbaar
                                    vervoer. Als een ondersteuningsbehoevende niet van een dergelijk
                                    systeem gebruik kan maken of als het systeem onvoldoende
                                    tegemoet komt aan de vervoersbehoeften, zijn andere
                                    voorzieningen mogelijk. Het is niet mogelijk om in plaats van
                                    het c.v.v. een pgb (vervoerskostenvergoeding) te ontvangen. Het
                                    c.v.v. kan beschouwd worden als een soort algemene
                                    voorziening.</al><al>Per 1 januari 2006 wordt het collectief vervoer verzorgd door
                                    Taxbus. De systeemkenmerken zijn te vinden in het bestek en het
                                    contract. Globaal kan het systeem als volgt worden
                                    omschreven:</al><al>1.het vervoersgebied omvat 5 zones vanaf de woonplaats van de
                                    ondersteuningsbehoevende, inclusief zones in België. Niet voor
                                    alle gemeenten liggen binnen dit gebied de ziekenhuizen en
                                    stations. Daarom zijn er de volgende puntbestemmingen
                                    (bestemming waar men gesubsidieerd naar toe kunt reizen)</al><al>Voor de inwoners van <vet>Bergeijk: </vet>ziekenhuizen in
                                    Eindhoven en Veldhoven, station Eindhoven</al><al>Voor de inwoners van <vet>Bladel: </vet>ziekenhuizen en stations
                                    in Tilburg en Eindhoven, alle bestemmingen in Veldhoven</al><al>Voor de inwoners van <vet>Eersel: </vet>alle bestemmingen in de
                                    gemeente Eindhoven</al><al>Voor de inwoners van <vet>Oirschot: </vet>centrum Eindhoven,
                                    Catharina Ziekenhuis Eindhoven, Tilburg Zuid (Elisabeth
                                    ziekenhuis en station/centrum), Veldhoven (MMC en Citycenter) </al><al>Voor de inwoners van de gemeente <vet>Reusel-De Mierden</vet>:
                                    ziekenhuizen en stations in Tilburg en Eindhoven en alle
                                    bestemmingen die gelegen zijn in de zone in Veldhoven waarin het
                                    citycentrum en ziekenhuis gelegen zijn.</al><lijst><li nr="2."><al>per zone wordt het bedrag van één OV-strip in rekening
                                            gebracht + een instapstrip tegen normaal striptarief
                                            (per 1-1-2008 = € 0,45). Met een daartoe geïndiceerde
                                            ondersteuningsbehoevende reist de medisch begeleider
                                            gratis mee. Iedere ondersteuningsbehoevende kan zich
                                            laten vergezellen door een sociaal begeleider die voor
                                            het vervoer dezelfde prijs betaalt als de
                                            ondersteuningsbehoevende. Een ondersteuningsbehoevende
                                            kan jaarlijks 700 strips gebruiken. (of 350 zones tussen
                                            1,5 norminkomen en € 1000,00 daarboven)</al></li><li nr="3."><al>De toekenning gaat in op de eerste dag van de maand
                                            waarin de aanvraag heeft plaatsgevonden en wordt
                                            beëindigd op de dag waarop het recht daadwerkelijk
                                            eindigt;</al></li><li nr="4."><al>ritten kunnen aangevraagd worden via een gratis
                                            telefoonnummer;</al></li><li nr="5."><al>ritten worden uitgevoerd met een marge van 15 minuten
                                            vóór en na de afgesproken tijd. Er kunnen ook
                                            prioriteitsritten worden gereden: er is dan een vaste
                                            aankomsttijd met eenmarge van15 minuten vóór
                                            de aankomsttijd;</al></li><li nr="6."><al>rolstoelen en scootmobiels kunnen gratis mee vervoerd
                                            worden;</al></li><li nr="7."><al>de taxichauffeur begeleidt de ondersteuningsbehoevende
                                            van deur tot deur.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.3 Gezinspas</label></kop><structuurtekst><al>In zijn algemeenheid worden gehandicapte kinderen tussen 4 en 13
                                jaar met een eigen vervoersbehoefte (de vervoersbehoefte van
                                kinderen tot 4 jaar valt altijd samen met de vervoersbehoefte van de
                                ouder) begeleid bij het reizen. Hoewel de begeleiding van het
                                gehandicapte kind ook door de chauffeur zou kunnen geschieden, wordt
                                het redelijk geacht dat de ouder(s) gezamenlijk met het gehandicapte
                                kind en diens broers/zussen kan/kunnen reizen. Dit geldt ook voor de
                                gehandicapte ouder tot wiens gezin een of meer kinderen jonger dan
                                13 jaar behoren. Aan deze gezinnen kan een “gezinspas” worden
                                toegekend, zodat ouders en kinderen gezamenlijk met het CVV kunnen
                                reizen.</al><al>Een gehandicapte die een inkomen heeft hoger dan 1,5 x het
                                norminkomen + € 1000,00 komt niet voor het collectief vervoersysteem
                                in aanmerking (art. 5.4 lid 2 VMO). Tussen 1,5 x het norminkomen en
                                € 1000,00 daarboven; 350 zones op jaarbasis</al><al>Voor rolstoelgebruikers, die ook in de rolstoel vervoerd moeten
                                worden, is geen inkomensgrens voor deelname aan het collectief
                                vervoersysteem (art. 5.4 lid 3 VMO)</al><al>Indien het c.v.v. toch gebruikt wordt voor ziekenvervoer (van en
                                naar medische behandelaars) wordt een soepel beleid gehanteerd.
                                Gebruik van het c.v.v. voor deze doeleinden wordt, gelet op de
                                beperkingen die de ziektekostenverzekeraar daaraan stelt, toegelaten
                                maar kan geen reden zijn om extra zones op jaarbasis toe te
                                kennen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.4 Een vervoersvoorziening in natura of als pgb</label></kop><structuurtekst><al>Als het collectief vervoersysteem of een algemene
                                vervoersvoorziening niet adequaat is dan wel onvoldoende de
                                beperkingen compenseert, kan een voorziening in natura of als pgb
                                worden verstrekt. Algemene voorwaarden voor een voorziening
                                zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>de voorziening is in overwegende mate op het individu
                                        gericht (art. 1.2 lid 1 onder e VMO);</al></li><li nr="2."><al>de voorziening is langdurig noodzakelijk om de beperkingen
                                        van de ondersteuningsbehoevende op het gebied van het zich
                                        buiten de woning verplaatsen op te heffen of te verminderen
                                        (art. 1.2 lid 1 onder c VMO);</al></li><li nr="3."><al>er bestaat geen aanspraak op de voorziening op grond van
                                        enig andere wettelijke regeling (art. 1.2 lid 2 onder b
                                        VMO);</al></li><li nr="4."><al>de voorziening is, naar objectieve maatstaven gemeten, de
                                        goedkoopst adequate oplossing (art. 1.2 lid 1 onder d
                                        VMO);</al></li><li nr="5."><al>de voorziening is voor een persoon als de
                                        ondersteuningsbehoevende niet algemeen gebruikelijk (art.
                                        1.2 lid 2 onder a VMO);</al></li><li nr="6."><al>de ondersteuningsbehoevende verstrekt die gegevens die
                                        noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en
                                        laat zich bevragen en/of onderzoeken (als hierom gevraagd
                                        wordt) (art. 7.4 lid 1 VMO);</al></li><li nr="7."><al>de voorziening moet medisch geïndiceerd zijn; </al></li><li nr="8."><al>de ondersteuningsbehoevende heeft zijn hoofdverblijf in
                                        (Bergeijk, Bladel, Eersel, Oirschot, Reusel-De Mierden (art.
                                        1.2 lid 1 onder f VMO);</al></li><li nr="9."><al>de voorziening is gericht op het zich lokaal verplaatsen per
                                        vervoermiddel (art. 1.2 lid 1 onder b VMO)</al></li></lijst><al>Voor alle vervoersvoorzieningen, zowel in natura, pgb of financiële
                                tegemoetkoming is de eigen bijdrage/eigen betalingsregeling van
                                toepassing tenzij bij de voorziening zelf anders is vermeld.</al><tussenkop> 5.4.1 Een vergoeding voor vervoer per eigen auto of
                                    taxi</tussenkop><al>Indien deelname aan het collectief vraagafhankelijk vervoer niet
                                    mogelijk is kan een ondersteuningsbehoevende een financiële
                                    tegemoetkoming voor gebruik van eigen auto, taxi of vervoer door
                                    derden worden toegekend. In de praktijk zal dit nog maar in
                                    weinig situaties voorkomen omdat in praktisch alle situaties het
                                    c.v.v., eventueel in combinatie met bijvoorbeeld een
                                    scootmobiel, in de vervoersbehoefte kan voorzien. Alleen in
                                    situaties waarin sprake is van gehandicapte kinderen of een
                                    gehandicapte ouder met kinderen tot 13 jaar kan soepeler met een
                                    toekenning worden omgegaan en eerder besloten worden een
                                    forfaitaire vergoeding toe te kennen. Er moet dan sprake zijn
                                    van situaties waarin men reeds over een auto beschikt en het
                                    gelet op de gezinssituatie niet redelijk zou zijn te verlangen
                                    dat men gebruik maakt van het collectief vraagafhankelijk
                                    vervoer.</al><al>Aanvullende voorwaarden:</al><al>Het inkomen is gelijk aan of lager dan 1,5 x het norminkomen
                                    (art. 5.4 lid 2 VMO) </al><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming is opgenomen in het
                                    besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente (Bergeijk,
                                    Bladel, Eersel, Oirschot, Reusel-De Mierden)</al><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming wordt vastgesteld op de
                                    eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend. De
                                    beëindigingdatum is de datum waarop het recht op de voorziening
                                    daadwerkelijk eindigt.</al><al>Indien wijziging van het inkomen of het vervoerspatroon leidt
                                    tot wijziging van de voorziening wordt de wijziging doorgevoerd
                                    met ingang van de datum waarop de wijziging heeft
                                    plaatsgevonden. Een verlaging of beëindiging met terugwerkende
                                    kracht kan leiden tot een terugvorderingbeschikking (art. 7.8
                                    VMO)</al><al>Aan een echtpaar waarvan de beide partners geïndiceerd zijn voor
                                    een vervoersvoorziening wordt – voor zover de behoeften van de
                                    echtgenoten niet samenvallen - maximaal anderhalf maal een
                                    enkele vergoeding ter beschikking gesteld (art. 5.4 lid c VMO).
                                    Als er sprake is van partners met vergoedingen voor
                                    verschillende vervoerssoorten bedraagt de totale vergoeding
                                    maximaal 100 % van de duurste en 50 % van de andere
                                    vergoeding.</al><tussenkop> 5.4.2 Vervoer per rolstoeltaxi</tussenkop><al>In zeer uitzonderlijke situaties kan een
                                    ondersteuningsbehoevende aangewezen zijn op individueel vervoer
                                    per rolstoeltaxi. Hierbij kan o.a. gedacht worden aan situaties
                                    dat de ondersteuningsbehoevende liggend vervoerd moet worden of
                                    dat vervoer met onbekenden niet mogelijk is. In dergelijke
                                    situaties kan de ondersteuningsbehoevende kiezen voor een
                                    forfaitaire vergoeding of een vergoeding op declaratiebasis.
                                    Indien de ondersteuningsbehoevende een inkomen heeft lager dan 2
                                    x het norminkomen krijgt hij de volledige vergoeding. Bij een
                                    inkomen boven 2 x het norminkomen krijgt de
                                    ondersteuningsbehoevende de meerkosten t.o.v. een normale taxi
                                    vergoed. De vergoedingen zijn opgenomen in het besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning. </al><tussenkop> 5.4.3 Een aanpassing van een eigen auto</tussenkop><al>Aanpassingen aan de eigen auto zijn voorzieningen die
                                    uitsluitend voor gehandicapten worden gemaakt en alleen door hen
                                    gebruikt kunnen worden, zoals de bediening en de besturing, het
                                    in en uit de auto komen en de zithouding. In bijzondere
                                    omstandigheden kan de ondersteuningsbehoevende in aanmerking
                                    komen voor andere faciliteiten waarover auto’s kunnen beschikken
                                    (bijv. extra buitenspiegel). Ook kan er sprake zijn van
                                    meerkosten bij de aanschaf en aanpassing van een auto in een
                                    bijzondere uitvoering (b.v. bus waarin een rolstoel gereden kan
                                    worden). </al><al>Voor een ondersteuningsbehoevende met een inkomen boven het Wmo
                                    norm-inkomen wordt een auto als algemeen gebruikelijk beschouwd.
                                    Indien de ondersteuningsbehoevende op grond van zijn beperkingen
                                    geen gebruik kan maken van een (rolstoel)taxi is een
                                    auto-aanpassing of een tegemoetkoming in de meerkosten van de
                                    aanschaf van een auto in een bijzondere uitvoering mogelijk. Er
                                    kan dan een persoonsgebonden budgetworden
                                    verstrekt voor de aanpassingskosten of de aanschafkosten die
                                    boven die van een referentie-auto (= d.w.z. een auto die men
                                    normaal zou kopen) uitgaan.</al><al>Er wordt dus geen auto-aanpassing verstrekt als vervoer per taxi
                                    of c.v.v. mogelijk zou zijn ook al komt de
                                    ondersteuningsbehoevende, gelet op zijn inkomen, niet voor een
                                    dergelijke voorziening in aanmerking. Net als niet autobezitters
                                    met een inkomen boven de inkomensgrens wordt de
                                    ondersteuningsbehoevende verondersteld voldoende financiële
                                    middelen te bezitten om in zijn eigen vervoer te voorzien.</al><al>Op bovengenoemde beleidsregel worden twee uitzonderingen
                                    aangebracht:</al><lijst><li nr="1."><al>Een ondersteuningsbehoevende met een inkomen beneden de
                                            inkomensgrens kan in aanmerking komen voor een
                                            auto-aanpassing ondanks dat hij in aanmerking komt voor
                                            het collectief vervoersysteem. Er kunnen zich situaties
                                            voordoen waarin een ondersteuningsbehoevende, met een
                                            inkomen beneden de inkomensgrens, meer gebaat is met een
                                            (goedkope) aanpassing aan de eigen auto dan met
                                            toekenning van deelname aan het collectief
                                            vervoersysteem. Indien de aanpassing van de eigen auto
                                            een goedkopere adequate oplossing is, kan hiervoor
                                            gekozen worden. De ondersteuningsbehoevende komt dan
                                            echter niet in aanmerking voor een vergoeding voor het
                                            gebruik van de eigen auto. De grens voor de kosten van
                                            de auto-aanpassing ligt op € 2000,00, inclusief
                                            eventuele kosten voor extra rijlessen. Vastgesteld moet
                                            worden dat de auto nog in redelijke staat verkeert en
                                            dat verondersteld mag worden dat de
                                            ondersteuningsbehoevende nog een aantal jaren met de
                                            auto kan rijden.</al></li><li nr="2."><al>Indien er sprake is van gehandicapte kinderen of ouders
                                            met kinderen tot 13 jaar, waarbij het gebruikelijk is
                                            dat er meerdere personen meereizen omdat ze nog in
                                            gezinsverband wonen. Ook dan kan overwogen worden een
                                            auto-aanpassing toe te kennen bij een inkomen (van de
                                                ouders)onder de inkomensgrens
                                            ondanks het feit dat de ondersteuningsbehoevende zelf
                                            gebruik zou kunnen maken van een rolstoeltaxi met
                                            eventueel (medische) begeleiding. (hier mag, cf
                                            uitspraak 28-2-2007 geen onderscheid gemaakt worden
                                            tussen het wel en niet hebben van een auto. Men hoeft
                                            geen auto te hebben, men mag er ook een aanschaffen. Ons
                                            doel is dat men alleen de aanpassing krijgt)</al></li></lijst><al><onderstreept>Goedkoopst adequate aanpassing.</onderstreept></al><al>Bij een autoaanpassing wordt de goedkoopst adequate aanpassing
                                    verstrekt. Indien op grond van de Wmo een autoaanpassing is
                                    geïndiceerd en betrokkene schaft zich met deze wetenschap een
                                    auto aan die niet op de goedkoopst adequate wijze kan worden
                                    aangepast, zal de vergoeding niet meer bedragen dan het bedrag
                                    dat nodig zou zijn voor de aanpassing van de goedkoopst adequate
                                    referentieauto. Indien de ondersteuningsbehoevende reeds over
                                    een beduidend duurdere auto beschikt en de aanpassingskosten
                                    boven normaal zijn, kan het pgb worden afgestemd op de
                                    aanpassingskosten die voor een normale auto gebruikelijk
                                    zijn.</al><al>Indien voor de ondersteuningsbehoevende een auto in speciale
                                    uitvoering noodzakelijk is wordt uitgegaan van de goedkoopst
                                    adequate oplossing onder aftrek van de kosten van een
                                    referentie-auto.</al><al><onderstreept>Algemeen gebruikelijk</onderstreept></al><al>Automatische transmissie, stuurbekrachtiging en elektrisch
                                    bedienbare ramen worden in ieder geval als algemeen gebruikelijk
                                    beschouwd. Of andere faciliteiten als algemeen gebruikelijk
                                    kunnen worden beschouwd is afhankelijk van de maatschappelijke
                                    ontwikkelingen. Indien een voorziening wordt aangeboden in
                                    normale modellen van middenklas auto’s kunnen ze als algemeen
                                    gebruikelijk worden beschouwd.</al><al>Aanvullende voorwaarden om in aanmerking te komen voor de
                                    voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>Als de aanpassing van de eigen auto reeds eerder is
                                            vergoed en de normale afschrijvingsduur (afhankelijk van
                                            de soort aanpassing tussen de vijf jaar en zeven jaar)
                                            is nog niet verstreken, dan wordt de voorziening alleen
                                            opnieuw vergoed als het geheel of gedeeltelijk verloren
                                            gaan van de aanpassingen het gevolg is van
                                            omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te
                                            rekenen (art. 1.2 lid 2 onder c VMO);</al></li><li nr="-"><al>Er sprake is van duidelijke meerkosten;</al></li><li nr="-"><al>De auto verkeert nog in redelijke staat en is in
                                            principe niet ouder dan drie jaar;</al></li><li nr="-"><al>De auto moet toereikend verzekerd zijn.</al></li></lijst><al><onderstreept>Aanpassing rijbewijs </onderstreept></al><al>Aanpassingen aan auto’s kunnen leiden tot beperkende bepalingen
                                    op het rijbewijs. Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen
                                    speelt een belangrijke rol hierbij. Voordat een aanpassing wordt
                                    toegekend dient bekeken te worden of aanvrager aan de gestelde
                                    criteria voldoet. Indien de gehandicapte is aangewezen op
                                    vervoer per auto kunnen aanvullende rijlessen noodzakelijk zijn. </al><al>Deze rijlessen worden op grond van de Wmo vergoed. Indien de
                                    ondersteuningsbehoevende nog niet over een rijbewijs beschikt
                                    worden slechts de meerkosten voor het lessen in een aangepaste
                                    auto vergoed tot een maximum van 50 lesuren. Indien dit niet
                                    voldoende blijkt te zijn kan overwogen worden maximaal 75
                                    lesuren te vergoeden.</al><al><onderstreept>Verzekering en onderhoud</onderstreept></al><al>Een vergoeding voor verzekering en onderhoud wordt verstrekt
                                    voorzover de kosten betrekking hebben op de aanpassing dan wel
                                    de meerkosten voor aanschaf van een auto in speciale
                                    uitvoering.</al><al><onderstreept>Persoonsgebonden budget</onderstreept></al><al>Auto-aanpassingen worden verstrekt in de vorm van een pgb.
                                    Hiervoor wordt een eigen bijdrage in de kosten gevraagd
                                    gedurende maximaal 39 perioden van 4 weken. Uitgezonderd is de
                                    aanpassing in plaats van c.v.v. en de aanpassingkosten van het
                                    rijbewijs.</al><al>De voor vergoeding in aanmerking komende kosten kunnen:</al><lijst><li nr="1."><al>gelijk zijn aan de werkelijke kosten van de
                                            voorzieningen;</al></li><li nr="2."><al>de meerkosten van de voorziening zijn </al></li></lijst><tussenkop> 5.4.4 Een al dan niet aangepaste (bruikleen) auto</tussenkop><al>Voor een aangepast (bruikleen) auto komt iemand in aanmerking
                                    die, na een medische beoordeling, voor zijn verplaatsing beslist
                                    op een auto is aangewezen en waarvoor geen andere goedkoopst
                                    adequate oplossing getroffen kan worden. </al><al>Aanvullende voorwaarden voor deze voorziening zijn:</al><al>Het inkomen is gelijk aan of lager dan 1,5 x het norminkomen
                                    (art. 5.4 lid 2 VMO);</al><al>Als de gevraagde (bruikleen) auto reeds eerder krachtens deze
                                    verordening is vergoed en de normale afschrijvingsduur (in
                                    principe 7 jaar) is nog niet verstreken, dan wordt de
                                    bruikleenauto alleen opnieuw vergoed als het geheel of
                                    gedeeltelijk verloren gaan van de bruikleenauto het gevolg is
                                    van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen
                                    (art. 1.2 lid 2 onder c VMO).</al><al>De ondersteuningsbehoevende (of evt. huisgenoot) moet in bezit
                                    zijn van een rijbewijs dan wel in staat zijn dit te kunnen
                                    behalen.</al><al>Alle vervoersbehoeften (zowel op korte en lange afstand) voor de
                                    ondersteuningsbehoevende worden met deze voorziening ingevuld. </al><al>Bij onderhoud, reparatie en de normale afschrijftermijn moet
                                    rekening worden gehouden met de compensatieplicht, d.w.z. de
                                    ondersteuningsbehoevende wordt geacht een beperkt (redelijk)
                                    aantal kilometers per jaar te rijden. </al><al>De vergoeding voor het gebruik van een bruikleenauto is een
                                    gemaximeerde vergoeding per jaar, waarbij het totaal aantal af
                                    te leggen kilometers per jaar is gelimiteerd ( besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning Reusel-De Mierden).</al><al>De vergoeding bevat de kosten van benzine en olie, de overige
                                    kosten vallen onder de bruikleenverstrekking.</al><al><onderstreept>Reparatie, onderhoud, verzekering en
                                        belasting</onderstreept></al><al>Onderhouds- en reparatiekosten worden geheel vergoed, tenzij
                                    sprake is van opzet, grove schuld of ernstige nalatigheid. De
                                    verzekering en de motorrijtuigenbelasting vallen onder de
                                    bruikleenverstrekking.</al><al><onderstreept>Opmerking:</onderstreept> Mocht de
                                    ondersteuningsbehoevende, die aangewezen is op het vervoer met
                                    een bruikleenauto, niet in het bezit zijn van een rijbewijs, dan
                                    worden de meerkosten van autorijlessen vergoed. De kosten van de
                                    autorijlessen worden niet geheel gecompenseerd, aangezien
                                    autorijlessen in principe algemeen gebruikelijk zijn. Deze
                                    kosten vormen onderdeel van de afweging van goedkoopst adequate
                                    voorziening.</al><tussenkop> 5.4.5 Een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen</tussenkop><al>Voor een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen kan iemand
                                    in aanmerking worden gebracht indien een open buitenwagen
                                    (scootmobiel), gelet op de medische beperkingen van de
                                    gehandicapte, niet adequaat is. Over het algemeen gaat het dan
                                    om een aandoening aan de bronchiën of een ernstige
                                    gevoelsstoornis waardoor men zich niet, onder normale
                                    weersomstandigheden, in de buitenlucht kan verplaatsen. Gesloten
                                    vervoer voor de korte afstand is niet geïndiceerd alleen op
                                    grond van mogelijk slechte weersomstandigheden, vervoer naar
                                    andere dorpen of het beter kunnen vervoeren van spullen of
                                    personen.</al><al>Aanvullende voorwaarden:</al><lijst><li nr="1."><al>Als de gesloten buitenwagen reeds eerder is vergoed en
                                            de normale afschrijvingsduur (in principe 5 jaar) is nog
                                            niet verstreken, dan wordt de gesloten buitenwagen
                                            alleen opnieuw vergoed als het geheel of gedeeltelijk
                                            verloren gaan van de gesloten buitenwagen het gevolg is
                                            van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te
                                            rekenen (art. 1.2 lid 2 onder c VMO)</al></li><li nr="2."><al>De vervoersbehoefte is op korte afstand, in de directe
                                            omgeving van de eigen woning.</al></li></lijst><al><onderstreept>Financiële regeling:</onderstreept> verstrekking
                                    in natura of een pgb </al><al>Eigen bijdrageregeling is van toepassing</al><al><onderstreept>Reparatie, onderhoud en verzekering</onderstreept></al><al>Onderhouds- en reparatiekosten worden geheel vergoed, tenzij
                                    sprake is van opzet, grove schuld of ernstige nalatigheid (art.
                                    14 BFVTG).</al><al>Eventuele oplaadkosten voor het gebruik van de gesloten
                                    buitenwagen worden niet vergoed.</al><al>De kosten van verzekering vallen onder de
                                    bruikleenverstrekking.</al><tussenkop> 5.4.6 Een open elektrische buitenwagen </tussenkop><al>Onder een open elektrische buitenwagen worden zowel elektrische
                                    (buiten)rolstoelen als scootmobiels verstaan, bedoeld voor de
                                    vervoersbehoefte op korte afstand in de directe leefomgeving van
                                    de woning. De voorziening wordt verstrekt als er een
                                    substantiële vervoersbehoefte is in de directe woonomgeving
                                    zoals het doen van boodschappen en familiebezoek en de
                                    loopafstand van betrokkene, in principe, minder bedraagt dan 500
                                    meter. Voorts moet duidelijk zijn dat de
                                    ondersteuningsbehoevende zich niet met een hulpmiddel zoals een
                                    rollator of stok kan verplaatsen dan wel gebruik kan maken van
                                    een algemeen gebruikelijk vervoermiddel (fiets, elektrische
                                    fiets, scooter, etc.). </al><al>Scootmobiels kunnen verstrekt worden met verschillende snelheden
                                    en met verschillend veercomfort.</al><al>Bij de selectie van de voorziening gelden de volgende
                                    uitgangspunten:</al><al>Algemeen:</al><lijst><li nr="-"><al>de goedkoopst adequate voorziening wordt verstrekt</al></li><li nr="-"><al>beter geveerde scootmobiels worden alleen geselecteerd
                                            indien de ondersteuningsbehoevende aantoonbare klachten
                                            heeft die dat noodzakelijk maken of indien het wegdek in
                                            de directe woonomgeving van de ondersteuningsbehoevende
                                            erg ongelijkmatig is (kinderkopjes in Oirschot en
                                            Eersel)</al></li><li nr="-"><al>zwaardere accu’s worden alleen verstrekt indien de
                                            ondersteuningsbehoevende deze zelf betaalt.</al></li><li nr="-"><al>De voorziening is afhankelijk van leeftijd,
                                            vervoersbehoefte en woonomstandigheden.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de categorieën scootmobiels kunnen de volgende
                                    uitgangspunten worden gehanteerd:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>scootmobiels tot </cursief><cursief>8
                                                km</cursief> worden verstrekt indien het een persoon
                                            betreft die de scootmobiel niet nodig heeft voor het
                                            leven van alledag b.v. omdat hij in of nabij een
                                            verzorgingstehuis of andere instelling woont waar
                                            activiteiten en maaltijden worden aangeboden. De
                                            scootmobiel wordt gebruikt voor het incidenteel doen van
                                            boodschappen of het onderhouden van contacten buiten het
                                            tehuis of als loophulpmiddel;</al></li><li nr="-"><al><cursief>scootmobiels tot </cursief><cursief>12
                                                km</cursief> worden verstrekt indien het een persoon
                                            betreft die aangewezen is op de voorziening voor het
                                            doen van zijn dagelijkse boodschappen, het onderhouden
                                            van sociale contacten en het deelnemen aan activiteiten.
                                        </al></li><li nr="-"><al><cursief>Scootmobiels tot </cursief><cursief>15
                                                km</cursief>worden verstrekt indien het
                                            een persoon betreft die aangewezen is op de voorziening
                                            voor het doen van zijn dagelijkse boodschappen, het
                                            onderhouden van sociale contacten en het deelnemen aan
                                            activiteiten, maar die zich vaak verplaatst met een
                                            fietsende partner of die de scootmobiel reeds op jongere
                                            leeftijd nodig heeft.</al></li></lijst><al>In alle situaties geldt dat vast moet staan dat de
                                    ondersteuningsbehoevende voldoende verkeersinzicht heeft en in
                                    staat is om de scootmobiel op een adequate wijze te bedienen.
                                    Dit dient bij de selectie te worden getoetst. Bij twijfel dienen
                                    vooraf (enkele) rijvaardigheidsproeven te worden gedaan alvorens
                                    de scootmobiel wordt verstrekt. Indien er binnen de gemeente een
                                    scootmobielcursus wordt georganiseerd moet de
                                    ondersteuningsbehoevende dringend worden geadviseerd deze te
                                    volgen.</al><al><onderstreept>Financiële regeling:</onderstreept> verstrekking
                                    in natura of pgb. Eigen bijdrage regeling is van toepassing</al><al><onderstreept>Andere uitvoering:</onderstreept> Indien men een
                                    andere uitvoering van een electrische buitenwagen wil dan de
                                    goedkoopst adequate is dat mogelijk indien de meerkosten voor de
                                    bruikleen maandelijks vooraf aan de gemeente worden betaald. </al><al>Eventuele oplaadkosten worden niet vergoed.</al><al>Rolstoeljassen, voetenzakken, schootkleden, windschermen, e.d.
                                    worden alleen in zeer uitzonderlijke situaties verstrekt.
                                    Medisch moet worden vastgesteld dat iemand een niet aan de
                                    weersomstandigheden gerelateerde bescherming nodig heeft.</al><al>Ook kilometertellers en cruisecontrol wordt niet verstrekt. </al><al>Stokhouders, rollators, zuurstoffleshouders, spiegels,
                                    boodschappenmandjes e.d. worden wel verstrekt.</al><tussenkop> 5.4.7 Een ander verplaatsingsmiddel</tussenkop><al>Naast de beschreven vervoersvoorzieningen zijn er andere
                                    verplaatsingsmiddelen die op grond van het gemeentelijke beleid
                                    in natura of als pgb kunnen worden verstrekt. Te denken valt
                                    hierbij aan driewielfietsen, rolstoelfietsen, tandems,
                                    loopfietsen, handbikes (fietsdeel gekoppeld aan een rolstoel),
                                    aanpassingen aan (elektrische) fietsen, maar ook (fiets)zitjes
                                    voor kinderen in speciale uitvoering. </al><al>Een ander verplaatsingsmiddel kan onder zeer verschillende
                                    omstandigheden worden aangevraagd. Bij de toekenning van een
                                    aanvraag spelen de volgende aspecten een rol:</al><lijst><li nr="-"><al>het is de goedkoopst adequate oplossing om een
                                            substantieel deel van de bestemmingen in het kader van
                                            het leven van alledag te kunnen bereiken.
                                            Vervoersvoorzieningen die louter een functie vervullen
                                            als hulpmiddel voor het bereiken van recreatieve
                                            bestemmingen, voor ontspanning, recreatie en
                                            ontwikkeling, worden niet in het kader van de Wmo
                                            verstrekt;</al></li><li nr="-"><al>het is een adequate oplossing voor het vervoer van
                                            kinderen en/of een mogelijkheid de zelfstandigheid van
                                            kinderen te vergroten;</al></li><li nr="-"><al>de voorziening is niet langdurig noodzakelijk (hierbij
                                            moet gedacht worden aan kinderen die een aangepaste
                                            fiets nodig hebben waar ze na enkele jaren weer zijn
                                            uitgegroeid) dan wel de voorziening zal zeer langdurig
                                            gebruikt worden (dan kan namelijk overwogen worden een
                                            persoonsgebonden budget voor de aanschaf te
                                            verstrekken.</al></li></lijst><al>De verzekering, het onderhoud en de reparaties aan deze
                                    voorziening zijn bij de bruikleenverstrekking inbegrepen.</al><al>Bij verplaatsingsmiddelen moet voorts worden afgewogen of ze
                                    algemeen gebruikelijk zijn. Een spartamet, elektrische fiets,
                                    scooter, fiets met trapondersteuning, ligfietsen e.d. zijn
                                    vervoermiddelen die normaal in de fietsenhandel te koop zijn en
                                    ook door niet gehandicapten worden gebruikt. In dergelijke
                                    situaties kan alleen voor een aanpassing aan het middel een
                                    voorziening worden verstrekt.</al><al>Er zijn situaties denkbaar dat een verplaatsingsmiddel weliswaar
                                    algemeen gebruikelijk is maar niet voor een persoon als
                                    aanvrager, gelet op zijn financiële middelen of zijn leeftijd.
                                    Hierbij moet dan gedacht worden aan duurdere fietsen voor
                                    personen met een inkomen op bijstandsniveau. In dergelijke
                                    situaties kan overwogen worden het verplaatsingsmiddel toch op
                                    grond van de WMO te verstrekken. </al><al>De verzekering, het onderhoud en reparaties aan deze voorziening
                                    worden afhankelijk van de te verstrekken voorziening en van het
                                    investeringsbedrag geregeld.</al><al>Benzinekosten of oplaadkosten voor het gebruik van een ander
                                    verplaatsingsmiddel komen niet voor vergoeding in
                                    aanmerking.</al><al><onderstreept>Financiële regeling: </onderstreept>voorziening in
                                    natura of pgb. De eigen bijdrageregeling is van toepassing</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.5 Medisch noodzakelijke begeleiding</label></kop><structuurtekst><al>Sommige gehandicapten kunnen zich alleen onder begeleiding
                                verplaatsen (blinden, kleine kinderen, gehandicapten die tevens een
                                verstandelijke handicap hebben). In deze situaties wordt bekeken of
                                aan de gehandicapte deelname aan het collectief vraagafhankelijk
                                vervoerssysteem kan worden toegekend. Een aantal kan dan alleen
                                reizen met het CVV: sommigen moeten een medisch begeleider meenemen.
                                De medische begeleider kan kosteloos meereizen in het CVV. </al><al>Van een tegemoetkoming in de kosten van medisch noodzakelijke
                                begeleiding tijdens het vervoer is sprake indien het op basis van
                                ziekte of gebrek bij het vervoer – anders dan binnen het CVV –
                                noodzakelijk is dat acuut medisch ingegrepen moet kunnen worden. Dit
                                ingrijpen kan niet door de chauffeur plaats vinden, zodat het
                                meenemen van een extra persoon die ook deskundig is om in te
                                grijpen, noodzakelijk is. De meerkosten die dit oplevert kunnen
                                worden vergoed, voor zover het de vervoerskosten betreft.</al><al><onderstreept>Financiële regeling: gemaximeerde
                                    vergoeding</onderstreept></al><al>Begeleidingskosten worden verstrekt in de vorm van een forfaitaire
                                vergoeding.</al><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming wordt vastgesteld op de eerste
                                dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend; de
                                beëindigingsdatum is de dag waarop het recht op de voorziening
                                daadwerkelijk eindigt.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 6 – Rolstoelvoorzieningen </label></kop><paragraaf><kop><label>6.1 Een rolstoel</label></kop><structuurtekst><al>Onder “rolstoel” valt alleen een handbewogen of een elektrische
                                rolstoel en geen andere voorzieningen voor het verplaatsen
                                binnenshuis, zoals een trippel-stoel. Onder een handbewogen rolstoel
                                kan ook verstaan worden een duwwandelwagen.</al><al>Een rolstoel die uitsluitend voor woon- werkverkeer wordt gebruikt
                                valt niet onder deze Verordening (de rolstoel voor woon- werkverkeer
                                wordt verstrekt door de bedrijfsvereniging). Rolstoelen die ook op
                                het werk gebruikt kunnen worden vallen binnen de Verordening.
                                Speciale rolstoelen voor de werksituatie worden verstrekt door de
                                bedrijfsvereniging. Rolstoelen die uitsluitend geschikt zijn voor
                                buitenvervoer zijn per definitie vervoersvoorzieningen.</al><al>Voor een rolstoelvoorziening is geen eigen bijdrage verschuldigd.
                                Een rolstoel kan zowel in natura als in de vorm van een pgb
                                verstrekt worden.</al><al>Op grond van de verordening is het de bedoeling dat een rolstoel
                                alleen wordt verstrekt indien de persoon beperkingen ondervindt bij
                                verplaatsingen in en rond de woning. De rolstoel is dan dagelijks
                                nodig. Indien het gaat om incidentele verplaatsingen is een algemene
                                rolstoelvoorziening geïndiceerd, d.w.z. gebruikmaking van een
                                rolstoelpool of uitleenorganisatie. </al><al>Voorwaarden om in aanmerking te komen voor de voorziening:</al><lijst><li nr="1."><al>(In belangrijke mate) dagelijks zittend verplaatsen in en om
                                        de woning is noodzakelijk (art. 6.1 lid 1 VMO)</al></li><li nr="2."><al>De voorziening is niet een tijdelijke noodzaak (verwijzen
                                        naar de Thuiszorgwinkel).</al></li><li nr="3."><al>De ondersteuningsbehoevende in een instelling ingevolge art.
                                        8 AWBZ verblijft en geen recht heeft op verstrekking van een
                                        rolstoel op grond van de AWBZ (art. 1 lid 2 regeling sociaal
                                        vervoer AWBZ-instellingen)</al></li></lijst><al>Aanpassingen aan rolstoelen en rolstoelaccessoires worden vergoed
                                als de noodzaak blijkt uit het medisch advies. Zitorthesen die een
                                vast onderdeel uitmaken van een rolstoel of kinderduwwagen en
                                antidecubituskussens die een vast onderdeel van de rolstoel uitmaken
                                vallen onder de Verordening. Attributen die te maken hebben met de
                                verzorging zoals een drinkbekerhouder komen niet in het kader van de
                                Wmo voor vergoeding in aanmerking.</al><al>Oplaadkosten voor elektrische rolstoelen komen niet voor vergoeding
                                in aanmerking.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>6.2 Een sportrolstoel</label></kop><structuurtekst><al>Een sportrolstoel kan verstrekt worden indien een persoon
                                aantoonbare beperkingen ondervindt bij het zich verplaatsen bij het
                                beoefenen van sport (art. 6.1 lid 1 VMO). Het moet uiteraard wel
                                duidelijk zijn dat de sport voor langere tijd beoefend zal worden en
                                geschikt is voor de ondersteuningsbehoevende.</al><al>De verstrekking van sportrolstoelen vindt plaats in de vorm van
                                toekenning van de werkelijke kosten van de sportrolstoel tot een
                                maximumbedrag zoals genoemd artikel 6.2 van het Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning.</al><al>In de financiële tegemoetkoming zijn kosten van reparatie en
                                onderhoud begrepen.</al><al>Een tegemoetkoming in de kosten kan maximaal één keer per drie jaar
                                worden verstrekt. </al><al>Het begrip ‘sportrolstoel’ moet breed worden uitgelegd. Eigenlijk
                                zou er sprake moeten zijn van een sportvoorziening maar dat vergt
                                een veel duidelijker beeld van alle mogelijkheden voor gehandicapten
                                om te sporten met daarbij de financiële consequenties.</al><al>In de praktijk blijkt dat gehandicapten op velerlei wijze sportief
                                bezig kunnen zijn. Zo zijn er speciale vakanties voor gehandicapten
                                waar aangepast materiaal voorhanden is (b.v. ski-vakanties) en er
                                zijn velerlei fondsen die gehandicapten, die willen sporten,
                                financieel ondersteunen. Bij een terughoudend beleid van de gemeente
                                blijken speciale fondsen gemakkelijk(er) te kunnen worden
                                aangesproken. </al><al>Met de beleidsregel dat het begrip ‘sportrolstoel’ niet te beperkt
                                moet worden uitgelegd, de maximering van de financiële
                                tegemoetkoming en wellicht toepassing van de hardheidsclausule als
                                de gehandicapte een sport beoefent die niet direct onder deze
                                bepaling valt, kan deze bepaling uit de verordening voorlopig goed
                                worden toegepast.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 7 – Het verkrijgen van een voorziening </label></kop><paragraaf><kop><label>7.1 Aanvraagprocedure </label></kop><structuurtekst><al>Aanvragen dienen te worden ingediend via het daarvoor bestemde
                                formulier. Op het formulier is aangegeven welke bewijsstukken voor
                                de diverse voorzieningen noodzakelijk zijn. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>7.2. Samenhangende afstemming </label></kop><structuurtekst><al>De aanvraag voor ondersteuning moet gedaan worden in het lokaal
                                loket. In het lokaal loket kunnen ook aanvragen voor AWBZ
                                voorzieningen worden aangevraagd. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>7.3 Inlichtingen, onderzoek, advies</label></kop><structuurtekst><al>Een indicatie-advies moet zorgvuldig tot stand komen. Uit
                                jurisprudentie blijkt dat een indicatieadvies pas zorgvuldig tot
                                stand komt als het uiteindelijke oordeel van een arts komt. </al><al>In de praktijk is dit niet haalbaar. Wel is het nodig om zo
                                zorgvuldig mogelijk met het stellen van een indicatie om te gaan. </al><al>Er moet een evenwicht gezocht worden tussen tussen juridische
                                zorgvuldigheid en praktische uitvoerbaarheid: zaken waarin de
                                indicatiesteller zelf de indicatie, verantwoord, kan stellen en
                                zaken waarin een oordeel van de arts noodzakelijk is.</al><al>Hieronder enige richtlijnen:</al><al>Onderzoeken die altijd aan een medisch adviseur moeten worden
                                voorgelegd:</al><lijst><li nr="-"><al>moeilijk objectiveerbare aandoeningen w.o.:</al></li><li nr="-"><al>M.E./fibromyalgie/CVS</al></li><li nr="-"><al>Whiplash</al></li><li nr="-"><al>bekkeninstabiliteit</al></li><li nr="-"><al>rsi</al></li><li nr="-"><al>posttraumatische dystrofie</al></li><li nr="-"><al>Mcs</al></li><li nr="-"><al>bezwaarzaken</al></li><li nr="-"><al>‘dure’ woningaanpassingen (boven de € 20.400,00)</al></li><li nr="-"><al>indien er onduidelijkheid is over de aandoening/beperking
                                    </al></li><li nr="-"><al>indien duidelijk is dat de cliënt het niet eens zal zijn met
                                        de beperkingen zoals die door de (eigen) indicatiesteller
                                        worden vastgesteld</al></li><li nr="-"><al>complexe medische problematiek</al></li></lijst><al>Indien een medisch adviseur wordt ingeschakeld moet de vraagstelling
                                duidelijk zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>wat vraagt betrokkene</al></li><li nr="-"><al>wat willen wij graag weten</al></li><li nr="-"><al>open vragen stellen</al></li></lijst><al>Als het advies is uitgebracht is het de taak van de gemeente om te
                                toetsen of het advies deugdelijk en zorgvuldig is. Uit het advies
                                moet het volgende blijken:</al><lijst><li nr="-"><al>met wie heeft de klant gesproken</al></li><li nr="-"><al>hoe heeft het onderzoek plaatsgevonden</al></li><li nr="-"><al>heeft de arts de klant zelf onderzocht of heeft hij de
                                        gegevens geïnterpreteerd</al></li><li nr="-"><al>is de klant op de hoogte gesteld van het advies en wat was
                                        zijn mening</al></li></lijst><al>Uit de motivering op de wmo-aanvraag moet duidelijk worden hoe het
                                advies tot stand is gekomen. </al><al>Van een medisch adviseur mag verwacht worden dat hij deskundig is om
                                aan te geven wat de stoornis is en wat de daaruit voortvloeiende
                                beperkingen zijn die eventueel in het kader van de Wmo gecompenseerd
                                moeten worden.</al><al>Een behandelaar van de klant zal, over het algemeen, doen wat de
                                klant van hem vraagt. Een adviseur objectiveert echter de medische
                                situatie en vertaalt die naar de beperking in relatie tot de
                                aanvraag.</al><al>Uiteindelijk zal de consulent moeten bepalen wat en hoe
                                gecompenseerd moet worden.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>7.4 </label></kop><structuurtekst><al>De beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2011 treden in
                                werking op 1 september 2011.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>7.5 Citeertitel</label></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels
                                maatschappelijke ondersteuning 2011”.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Het onderzoeken van overbelasting</titel></kop><al><vet>Onderzoeksvragen</vet></al><al>Hieronder volgt een reeks van vragen die de indicatiesteller zouden kunnen
                    helpen bij het verkrijgen van een indruk over de eventuele overbelasting van de
                    mantelzorger.</al><lijst><li nr="·"><al>Wat zegt de mantelzorger er zelf over, hoe ervaart hij of zij het
                            zorgen?</al></li><li nr="·"><al>Hoe is de (lichamelijke en geestelijke) gezondheid van de
                            mantelzorger?</al></li><li nr="·"><al>Zijn er signalen van overbelasting: nervositeit, vermoeidheid?</al></li><li nr="·"><al>Heeft de mantelzorger een “uitlaatklep”? Heeft hij of zij de
                            mogelijkheid om activiteiten buitenshuis te doen? Kan iemand zijn
                            verhaal kwijt bij vrienden, familie of professionals? Wordt er
                            respijtzorg geboden zodat de mantelzorger even op adem kan komen?</al></li><li nr="·"><al>Hoe is de relatie tussen de mantelzorger en de cliënt? Hoe stelt de
                            cliënt zich op, veeleisend of juist dankbaar? Kan de mantelzorger
                            grenzen aangeven en ‘nee’ zeggen? Is er irritatie tussen de mantelzorger
                            en cliënt?</al></li><li nr="·"><al>Heeft de mantelzorger inzicht in de ziekte van de cliënt? (Als men weet
                            dat bepaald gedrag uit de ziekte voortkomt, kan het gemakkelijker zijn
                            dat gedrag te accepteren.)</al></li><li nr="·"><al>Hoeveel tijd heeft de mantelzorger? Heeft iemand een baan, een eigen
                            gezin, een ander familielid dat zorg behoeft? Voorbeeld: een echtgenoot
                            wordt ziek, terwijl zijn vrouw ook al voor haar ouders zorgt.</al></li><li nr="·"><al>Is de zorg te plannen of is er continue controle en toezicht nodig?</al></li><li nr="·"><al>Hoe is de prognose? (Een terminale situatie is altijd zwaar, maar een
                            situatie die langdurig en stabiel is, kan ook veeleisend zijn.)</al></li><li nr="·"><al>Wat zijn de knelpunten in de zorg?</al></li><li nr="·"><al>Hoe is de woonsituatie? Woont men afgelegen, of in een flat zonder lift
                            zodat de cliënt en de mantelzorger min of meer samen opgesloten
                            zitten.</al></li></lijst><al><vet>Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting</vet></al><al>Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. Het is
                    mogelijk, dat slechts één van deze symptomen waarneembaar is. Over het algemeen
                    zullen meerdere symptomen gecombineerd optreden. De mate, waarin ze zich
                    manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen.</al><al>Daarnaast dient men zich te bedenken dat het hierbij om veelal, aspecifieke
                    symptomen gaat, die ook bij andere stoornissen kunnen passen (dit is een van de
                    redenen waarom Cvz de beoordeling hiervan bij de CIZ-arts neerlegt). Het bestaan
                    van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat. Indien er
                    meerdere van onderstaande symptomen aanwezig zijn, is het raadzaam dat de zorger
                    zijn huisarts raadpleegt, omdat bij langdurige aanwezigheid en/of verwaarlozing
                    van dergelijke symptomen weer kunnen leiden tot andere, ernstige
                    stoornissen.</al><al>Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>Gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug</al></li><li nr="·"><al>Hoge bloeddruk</al></li><li nr="·"><al>Gewrichtspijn</al></li></lijst><al><vet> Het onderzoeken van overbelasting</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Gevoelens van slapte</al></li><li nr="·"><al>Slapeloosheid</al></li><li nr="·"><al>Migraine, duizeligheid</al></li><li nr="·"><al>Spierkrampen</al></li><li nr="·"><al>Verminderde weerstand, ziektegevoeligheid</al></li><li nr="·"><al>Opvliegingen</al></li><li nr="·"><al>Ademnood en gevoelens van beklemming op de borst</al></li><li nr="·"><al>Plotseling hevig zweten</al></li><li nr="·"><al>Gevoelens van beklemming in de hals</al></li><li nr="·"><al>Spiertrekkingen in het gezicht</al></li><li nr="·"><al>Verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie,
                            zwijgen</al></li><li nr="·"><al>Ongeduld</al></li><li nr="·"><al>Vaak huilen</al></li><li nr="·"><al>Neerslachtigheid</al></li><li nr="·"><al>Isolering</al></li><li nr="·"><al>Verbittering</al></li><li nr="·"><al>Concentratieproblemen</al></li><li nr="·"><al>Dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen</al></li><li nr="·"><al>Rusteloosheid</al></li><li nr="·"><al>Perfectionisme</al></li><li nr="·"><al>Geen beslissingen kunnen nemen</al></li><li nr="·"><al>Denkblokkades</al></li></lijst></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Bronnen:</label></kop><al>• Een open gesprek. Indicatiestelling en mantelzorg NIZW 2000;</al><al>• Nieuwsbrief adviesprocedure indicatiegeschillen Cvz, nr. 2003/3;</al><al>• Assesment Scales in Old Age Psychiatry. A. Burns e.a. Martin Dunitz Ltd</al><al>1999.</al><al><cursief>Lijst van afkortingen</cursief></al><al>AAW = Algemene Arbeidsongeschiktheidswet</al><al>ADL = Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen</al><al>AOW = Algemene Ouderdomswet</al><al>ARBO = Arbeidsomstandighedenwet</al><al>AWBZ = Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</al><al>ANW = Algemene Nabestaandenwet</al><al>BGSHG = Besluit geldelijke steun huisvesting gehandicapten</al><al>BW = Burgerlijk Wetboek</al><al>CAK = Centraal Administratie Kantoor</al><al>CIZ = Centrum Indicatiestelling Zorg</al><al>GGD = Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst</al><al>Kb = Koninklijk besluit</al><al>PGB = Persoonsgebonden budget</al><al>RGSHG = Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten</al><al>Stb = Staatsblad</al><al>UWV = Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen</al><al>VMO = Verordening Maatschappelijke Ondersteuning</al><al>VNG = Vereniging van Nederlandse Gemeenten</al><al>Vvg = Verordening voorzieningen gehandicapten</al><al>VT = Vakantietoeslag</al><al>WAO = Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering</al><al>WAZ = Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen</al><al>WAJONG = Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten</al><al>WMO = Wet maatschappelijke ondersteuning</al><al>Wvg = Wet voorzieningen gehandicapten</al><al>WWB = Wet werk en bijstand</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>